De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Zonder Bedrog In Hun Monden

“Juist het feit dat de honderdvierenveertigduizend geen leugen {of bedrog} in hun monden zullen hebben is niet alleen een feit dat zij alleen de waarheid, en niets dan de waarheid moeten verkondigen, maar dat hun taal vrij moet zijn van alle ongepaste woorden. En als wij ons onder dit uitverkoren gezelschap van Gods kinderen zullen bevinden, zal het noodzakelijk zijn voor ons om uit ons spreken alle plagerige {of sluwe} boosaardige toespelingen, bedekte insinuaties, krachttermen, en betekenisloze woorden en zinnen,” uit te bannen.  – “Education,” p. 236 {“Karaktervorming,” blz. ….} {3SC11-12:4.1.1}

Ons wordt verteld dat onze taalgebruik zo “zuiver” moet zijn, dat de meest gevoelige persoon niet naar waarheid zou kunnen zeggen dat de geringste aanduiding van ongepastheid erin aanwezig is; zo vriendelijk dat de meest verlegen persoon geen angst zou hebben; zo waarheid getrouw dat er geen twijfel mogelijkerwijs zou kunnen opkomen in de gedachten van onze toehoorders voor wat betreft onze geloofwaardigheid. {3SC11-12:4.1.2}

Zoals de Heer ons geroepen heeft om voorbereiding te maken voor het zegel op onze voorhoofden, zo heeft Hij ons ook geroepen om ons spreken te reinigen en om zonder leugen in onze monden te zijn, en aldus de “dienstknechten van God” in de tijd van de “luide roep” te zijn. Vandaar, dat het feit spoedig duidelijk werd dat het niet alleen nodig was dat alleen de jonge mensen te Mt. Carmel taal moesten studeren vanuit  “een hogere zienswijze,” maar dat ook de oudere leden dezelfde instructie nodig hebben. Vandaar dat een speciale avond klas is georganiseerd in het voordeel van de volwassenen.  {3SC11-12:4.1.3}

De instructie wordt gegeven van 7:00 tot 8:00 in de avond en het is gebleken dat het een van de meest hulp biedende kenmerk is in ons kampleven. Door  het bestuderen van taal vanuit  “een hogere invalshoek,” te benaderen, zijn wij genoodzaakt de oorlog te verklaren aan de in verlegenheid brengende vloek van  de leefgemeenschap der mensen – roddelen – die wij met ons meebrengen van onze huizen en onze kerken.  Toen wij opsomden om te zien waar wij stonden, waren wij verbaast van onszelf toen wij op het schrijfbord vele “bedekte insinuaties,” plagerige {of sluwe} boosaardige toespelingen,” “betekenisloze zinnen” en “krachttermen” die onze spreektaal zijn binnengeslopen, geschreven zagen, en waarvan wij ontdekten dat zij zeer vaak werden gebruikt, hoewel soms onschuldig, door de meesten van ons. {3SC11-12:4.1.4}

Reeds wordt er besliste verbetering gezien, en wij hebben ons voorgenomen dat onze invloed niet langer het goede werk zal tegenwerken dat voor de kinderen en de jongen mensen wordt gedaan in het klaslokaal. Door deze klas aldus te organiseren, wordt een tweeledig werk bewerkstelligd. In de eerste plaats leren wij onze moedertaal op de juiste wijze te gebruiken, en in de tweede plaats, bannen wij uit onze spreektaal die ziel vernietigende woorden en zinnen uit, die ons op verraderlijke wijze leiden in het kwaadaardig ding dat “roddelen” genoemd wordt. {3SC11-12:4.2.2}

Wij, als kandidaten voor de 144.000, worden daarom bemoedigd, met de mogelijkheid om heiligen te worden zonder bedrog in hun monden. Met deze heerlijke uitzicht voor ons,  waarom zou niet iedere Tegenwoordige Waarheid gelovige besluiten om iedere aanval te overwinnen en het “zegel van God” ontvangen en “het beeld van Jezus volledig weerkaatsen?” {3SC11-12:4.2.3}

Ter bemoediging van zowel de ouderen als de jongeren, citeren wij het volgende: {3SC11-12:4.2,4}

“De werker voor God zou  ernstige pogingen moeten ondernemen om een vertegenwoordiger van Christus te worden, alle ongepaste gebaren en ruwe spreektaal wegwerpend. Hij zou moeten pogen om fatsoenlijke taal te gebruiken. Er is een grote klasse die zorgeloos zijn in hun manier van spreken, toch kunnen dezen, door zorgzame, juiste aandacht, vertegenwoordigers van de waarheid worden. Elke dag  zouden zijn vooruitgang moeten boeken. Zij zouden niet moeten afnemen in hun bruikbaarheid en invloed door het koesteren van gebrekkige manieren, stemming, of taal. Alledaagse, goedkope uitdrukkingen zullen worden vervangen door welluidende, zuivere woorden. Door voortdurende waakzaamheid en ernstige discipline, kan de Christen jeugd zijn tong behoeden van boosheid, en zijn lippen kwaadspreken.” – “Counsels to Teachers, “ p. 238. {3SC11-12:4.2.2}