De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Wat Is Godsdienst?

Bestaat godsdienst alleen maar uit studeren en bidden, vasten en wenen, prediken en troosten, bekeren en vergeven, bedelen en geven? Hoe kan men godsdienstig worden, en wat voor verschil zal het maken in iemands leven? {ABN5:21.2}

Net zoals het Grote Voorbeeld van Bijbelse godsdienst het Woord (de Zoon) van God was in menselijke vorm (1 Johannes 1:1), zo is Bijbelse godsdienst op zichzelf de geboden (gerechtigheid) van God in menselijke vorm ( 2 Kor.3:3; Ex. 31:18). Maar het medium waardoor de ziel in vitaal contact komt met Bijbelse godsdienst, is de Heilige Geest. En deze levende verbinding met het Woord van God is de onmisbare voorwaarde voor de beoefening van Bijbelse godsdienst—het enige middel voor de verlossing van het {menselijk} ras,– haar terugkeer van haar rondzwervingen in de wildernis tot haar Edense thuis. Hij die dus ware godsdienst zou willen bezitten, moet bidden voor de Geest der Waarheid. Op geen andere wijze kan hij waarlijk godsdienstig worden — de “tafels van vlees”, de geboden van God in menselijke vorm worden. Door ze uit te leven (te beoefenen) behoedt hij zich niet alleen voor het aanbidden Getrouwheid aan de geboden veroorzaakt hem al zijn werk te doen in de zes werkdagen van iedere week, waarbij hij niet één daarvan nalaat om achterstallig te blijven van week tot week. En door de geboden wordt hij zowel eraan herinnerd dat de zevende dag een Heilige Gedenkteken van de schepping is (Ex. 20:3-17), alsmede ingeprent dat hij zijn naaste zou moeten liefhebben als zichzelf (Markus 12:31). Aldus zien wij dat ware godsdienst inderdaad meer inhoudt dan slechts bidden, vasten, geven, en prediken; en dat het zeer zeker geen “bedelen” inhoudt. {ABN5:21.3}

De leden van het Koninkrijk-kerk zullen, volgens Jesaja, bekwaam zijn in hun respectievelijke ambachten en beroepen. Als bouwers, ingenieurs, timmerlieden, metselaars, machinisten, of wat dan ook, zullen zij “de overoude puinhopen herbouwen, het verwoeste uit vroeger tijd doen herrijzen, en (…) de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht op geslacht.” Jes. 61:4. Zij zullen ook beheerders van dieren zijn, wijngaardeniers, bedreven landbouwkundigen. En als zodanig zullen zij bekwaam zijn in de kennis van het beheren, het in dienst nemen van duizenden vreemdelingen, niet alleen om hen te bedienen in hun noden en te bouwen (Jes. 60:10), maar ook om “gereed te staan om” hun kudden te weiden, en om hun akkerlieden en wijngaardeniers te zijn (Jes. 61:5). Aldus is het dat “de studie in de richting van de landbouw het A, B, en C zou moeten zijn in de opleiding die in onze scholen wordt gegeven.” – Testimonies, Vol. 6{Getuigenissen, Deel 6}, p. 179. “Zuivere, praktische godsdienst zal worden geopenbaard bij het behandelen van de aarde als Gods schatkamer. Hoe intelligenter een mens wordt, des te meer zou de godsdienstige invloed moeten zijn die hij uitstraalt. En de Heer wil dat wij de aarde behandelen als een kostbare schat, die aan ons in bruikleen is toevertrouwd.”—Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 245. {ABN5:22.1}

Naast bekwame grondbewerkers, handwerkslieden en handelaren {winkeliers} te zijn, zullen deze bestuurders van het Koninkrijk, als levende belichamingen van ware Christendom, bedreven internationale bankiers, econonomen, personeel-en verkeersingenieurs, en voorzieners zijn, die tezamen “het vermogen” en “de rijkdommen der Heidenen” beheren. Jes. 60:5, 11; 61:6. En daar zij dus zo op verscheidene wijze toegerust zijn met deze uitstekende bedrevenheden, zullen zij bovenal “Priesters des Heren, (…) Dienaars van onze God” — “bewonderenswaardige mannen” zijn. Jes. 61:6; Zach. 3:8. {ABN5:23.1}

De evangeliebedienaar zal dienovereenkomstig degelijk op de hoogte zijn van de praktische navolgingen van het leven en zal bedreven zijn in tenminste één ding. Voorzeker zou iedere prediker, die tien procent (de tiende) van het inkomen van een boer ontvangt, moeten bestuderen hoe hij in staat kan zijn hem te helpen om zijn boerenwerkmethoden op een praktische wijze te verbeteren, als de gelegenheid daartoe zich ooit aanbiedt. Kortom, hij zou in staat moeten zijn de leden van zijn kerk te kunnen assisteren in het organiseren, corrigeren, of verbeteren van hun werk en bedrijf. Jezus leerde Zijn discipelen niet alleen hoe te bidden, te prediken en de Waarheid in praktijk te brengen, te geven en te vergeven, maar ook hoe te dienen, te vissen, zich te voeden en zich te kleden, en hoe zij rekeningen op een zakelijke wijze konden betalen. (Zie Mattheüs 6:5-13; 10:5-7, 27; 5:19, 20; 23:3, 4; Johannes 3:20, 21; Handelingen 20:35; Mattheüs 6:14, 15; 18:21, 22; 20:25-28; Markus 6:35-41; Lukas 22:7-13; Johannes 21:3-6; Mattheüs 25:31-45; 17:24-27.) {ABN5:23.2}

Maar om een dergelijke Christen, een oprechte godsdienstig persoon te zijn, moet men allereerst zijn gehele wezen organiseren, door zijn kracht, zijn energie, zijn middelen en zijn tijd op de juiste wijze te beheersen, te coördineren, en te gebruiken. Een ieder die erin faalt om deze geïntegreerde viervoudige spaarzaamheid van zijn wezen tot stand te brengen, kan nooit enige ware succes bereiken. Om zo te doen, moet hij “zestig waardige seconden” verkrijgen “aan verlopen afstand van iedere onvergeeflijke minuut,” zestig minuten verkrijgen aan maximale toepassing en prestatie uit iedere werk- en rustuur, en de hoogste doeltreffendheid bereiken uit iedere beweging of slag. Kortom, hij moet iedere verspilde beweging verdrijven, evenals iedere onbedachtzame, omslachtig dupliceren en overlappen van bewegingen, die geen resultaat opleveren, maar zijn voorraad aan reserve energie alleen maar uitputten. Het werk van zulk een Christen in alle opzichten, zal nooit worden ondervonden als dat het op een prutserige of ondoeltreffende manier is gedaan. {ABN5:24.1}

Voorts wordt hij nooit ondervonden als levende boven zijn vermogen, maar dat hij zijn inkomen zo zorgvuldig begroot dat hij in staat is binnen zijn vermogen te kunnen leven en ook regelmatig wat spaargeld terzijde te kunnen leggen voor een moeilijke tijd. Hij schuwt het veroorzaken van schulden; hij weet dat de gewoonte om altijd te lenen en nooit in staat zijn om terug te kunnen betalen, een vorm van diefstal is — liegen. {ABN5:25.1}

Zo iemand, of hij nu arm of rijk is, is nooit bang voor de toekomst. Hij vertrouwt op niet aanmatigende wijze in de Heer voor zijn dagelijkse behoeften; hij heeft nooit zorgelijke gedachten “over morgen.” Matt. 6:27-34 {ABN5:25.2}

Al met al zien wij, dat Bijbelse godsdienst, Christendom, niets meer of minder is dan dat men zich keert van het gehoorzamen van de Duivel, tot het gehoorzamen van de Heer, zich keert van een leven van het verkeerde doen, tot een leven van het goede doen, — van consumeren {verbruiken} tot produceren; van lenen tot uitlenen; van bedelen tot geven; van bedriegen tot herstellen en op eerlijke wijze handelen; van veeleisend zijn tot vergeven; en van gediend worden tot dienen. {ABN5:25.3}

“Ware godsdienst wordt altijd onderscheidend gezien in onze woorden en ons gedrag, en in iedere handeling van het leven. Bij de volgelingen van Christus zou godsdienst nooit gescheiden moeten zijn van het zakenleven. Zij zouden hand in hand moeten samengaan, en Gods geboden zouden strikt in acht genomen moeten worden in alle bijzonderheden van wereldse zaken. De wetenschap dat wij kinderen van God zijn zou een hoge toon van karakter moeten geven zelfs in de alledaagse levenstaken, wat ons niet slordig maakt in zaken, maar vurig van geest. Zulk een godsdienst als deze doorstaat het kritische onderzoek van een kritische wereld met een verheven bewust zijn van rechtschapenheid.” -–Testimonies, Vol. 4 {Getuigenissen, Deel 4}, pp. 190, 191 {ABN5:25.4}

“Christendom heeft een veel bredere betekenis dan velen het tot nu toe hebben gegeven. Het is geen geloofsbelijdenis. Het is het woord van Hem die voor eeuwig leeft en blijft. Het is een levend, bezielend beginsel, die bezit neemt over het verstand, het hart, de motieven, en de gehele mens. Christendom — Och, dat wij haar werkzaamheden mochten ervaren! Het is een vitale, persoonlijke ervaring, die de gehele mens verheft en veredelt.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten},  pp. 421, 422. {ABN5:26.1}

Dit alles is wat de godsdienst van Christus inhoudt, en hij die het beoefent, bezit ware liefde {liefdadigheid} ( 1 Kor. 13) — is waarlijk “wedergeboren.” {ABN5:26.2}

Nogmaals gezegd: iedere ware Christen organiseert eerst zichzelf, daarna zijn gezin, en dan zijn zaak{of bedrijf}. En wat nog meer is, is dat hij door dit alles heen leert dat sommigen georganiseerd kunnen worden, terwijl het bij anderen niet kan; dat sommigen arbeiden tot prestatie, terwijl anderen arbeiden tot niets {tevergeefs}; dat sommigen produceren, terwijl anderen alleen maar consumeren {verbruiken}; dat sommigen altijd geven als de ahornboom, terwijl anderen altijd nemen als een droge spons; dat sommigen de wereld zegenen met goedheid, terwijl anderen leven en arbeiden voor zichzelf en denken dat alle anderen zouden moeten leven en arbeiden voor hen; dat sommigen rustig {zonder veel omhaal} hun godsdienst beoefenen, terwijl anderen een vertoning maken van heiligheid door veel godsdienstig gepraat en gebed, met maar weinig daarmee overeenkomende werken; en dat sommigen weten zowel wanneer te bezoeken en wanneer niet te bezoeken, terwijl anderen noch weten wanneer het tijd is om te bezoeken, noch weten wanneer het tijd is om te vertrekken, en dat zij als eendenmossels losgetrokken moeten worden als zij eenmaal gezeteld zijn! Wat is het probleem van een predikant toch een wildernis! {ABN5:26.3}