De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Vereer De Heere Met Uw “Goederen”

Vraag:

“Kan u alstublief uitleg geven van de eerste vruchten offers en  het betalen.van tienden”  {2SC10: 8.2.6}

Antwoord:

Salomon vermaant ons: “ Vereer de Heere met uw goederen en met de eerste vruchten van al uw opbrengsten.” (Spreuk. 3:6) {2SC10: 9.1.1}

‘Gij zult niet uitstellen te offeren de eerste van uw rijpe vruchten, en van uw drank; de eerstgeborene van uw zonen zult gij aan Mij geven.’Ex.22:29 [KJV] {2SC10: 9.1.2}

“En dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: … de eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij Hem geven.” (Deut. 18:3, 4) {2SC10: 9.1.3}

“Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;” (Deut. 26:2) {2SC10: 9.1.4}

“Gelijk het in de wet geschreven is; …Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des HEEREN.” (Neh. 10: 36,35) {2SC10: 9.1.5}

Uit deze schriftgedeelten horen we echter niet de verkeerde conclusie te trekken dat alle eerste vruchten door de Heer geëist worden. God heeft alleen een offer nodig van de eerste van de eerste vruchten, zoals bewezen wordt door het feit van de beweegschoof gepresenteerd aan de Heer voordat de persoon zijn gewas van eerste vruchten kan oogsten (Lev. 23:10); dat wil zeggen dat wij naast de tiende een offer verschuldigd zijn, en zouden niet God’s deel moeten achterhouden maar het meteen betalen, voor wij onszelf welk deel dan ook van onze opbrengst toeëigenen. {2SC10: 9.1.6}

 “Ouderlingen van de kerken, doe uw plicht. Werk van huis tot huis, dat de kudde van God niet nalatig zal zijn in deze grote zaak, die zo, een zegen of, zo een vloek met zich brengt…Ieder mens die de boodschap van waarheid naar onze kerken brengt, moet zijn plicht doen door te waarschuwen, onderwijzen, berispen. Iedere verzuim van een plicht welke een diefsal jegens God is, betekent een vloek voor de misdadiger.”—[Getuigenissen voor de Predikanten,] “Testimonies to Ministers,” pp. 306,307. {2SC10: 9.1.7}

“Laat de kerk predikanten en ouderlingen aanstellen die toegewijd zijn aan de Here Jezus, en laat deze mannen erop toezien dat er werkers gekozen worden die trouw het inzamelingswerk van de tienden zullen doen. Indien de predikanten laten zien dat zij niet geschikt zijn voor hun opdracht, als ze te kort schieten om voor de kerk het belang van het teruggeven Zijn eigendom aan God, als zij er niet op toezien dat de bedienaars onder hen trouw zijn en dat de tienden binnengebracht worden, zijn zij in gevaar. Zij verontachtzamen een zaak welke een zegening of een vloek voor de kerk inhoud. Zij zouden ontheven moeten worden van hun verantwoordelijkheid, en andere mannen zouden getoetst en toegelaten worden. De boodschappers van de Heer zouden moeten inzien dat Zijn voorwaarden trouw worden nageleefd door de leden van de kerk,” –Supplement bij “Review and Herald,” Dec.1, 1866.{2SC10: 9.1.8}

Zij die voorgaan als predikanten hebben een plechtige verantwoordelijkheid op hen welke wonderbaarlijk verwaarloosd wordt…Er is grote nood aangaande de instructies betreffende de verplichtingen en werkzaamheden voor God, in het bijzonder wat betreft het betalen van een eerlijke tiende.”—[Getuigenissen voor de Kerk, Deel 9]“Testimonies for the Church,’ Vol. 9, 250. {2SC10: 9.2.1}

In harmony met het bovengenoemd urgent bevel, zijn wij als predikanten van het Evangelie en als hervormers, “die de oude verwoeste plaatsen moeten bouwen…de fundamenten van vele generaties oprichten, en…geroepen worden, Die de bressen toemuurt, hersteller van paden om in te wonen” (Jes. 58:12), zijn plichtsgetrouw in het bijzonder voor het belang van degenen die niet in het bezit zijn van de geschriften van zuster White om de volgende instructies te citeren uit “Getuigenissen voor de Kerk:” {2SC10: 9.2.2}

”God’s voorwaarden nemen de eerste plaats in.Wij doen niet Zijn wil als wij aan Hem wijden wat er over is van ons inkomen nadat al onze ingebeelde behoeften voorzien zijn, voordat enig deel van ons inkomen is gebruikt  moeten we eruit halen en aan Hem presenteren dat deel dat Hij eist. In de oude dispensatie werd een voortdurend brandend offer van dankbaarheid op het altaar gehouden, aldus de eindeloze verplichting van de mens aan God tonend. Als wij voorspoed  hebben in onze wereldse zaken, is het omdat God ons zegent. Een deel van dit inkomen moet toegewijd worden aan de armen, en een groot deel aangewend worden aan de zaak van God. Als dat wat God eist aan Hem wordt terug gegeven, zal dat wat overblijft geheiligd en gezegend worden voor ons eigen gebruik

Maar als een man God berooft door dat wat Hij nodig heeft terug te houden, Zijn vloek rust op alles.” (Vol. 4, p. 477.) [Deel 4] {2SC10: 9.2.3}

“Paulus geeft een regel voor het geven aan Gods werk, en vertelt ons wat het resultaat zal zijn, zowel voor ons als voor God, ‘ieder doe, naarmate hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief’ ‘Bedenk dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten.’ ‘God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij,  opdat gij,in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moog zijn…Hij nu die zaad verschaft aan de zaaier en brood tot spijze, zal u uw zaaisel verschaffen en vermeerderen, en het gewas uwer gerechtigheid doen opschieten, terwijl gij in alles verrijkt wordt tot alle overvloed, welke door onze bemiddelig dankzegging aan God bewerkt.” (Deel 5 pag 597,598) (Vol. 5, p, 735) {2SC10: 9.2.4}

“De tienden moesten uitsluitend gebruikt worden, door de Levieten, de stam die apart gezet was voor de dienst van het heiligdom. Dit was echter niet alles wat aan godsdienstige doelstellingen besteed moest worden. De tabernakel, en later ook de temple, werd opgericht door vrijwillige gaven, en om te voorzien in de noodzakelijke kosten voor herstel en andere uitgaven, had Mozes bevolen dat bij elke volkstelling iedere Israëliet een halve sikkel zou bijdragen voor de dienst van de tabernakel. In de dagen van Nehemia werd jaarlijks een bijdrage gegeven voor dit doel. Van tijd tot tijd werden zondoffers en dankoffers aan God gebracht. Deze werden bij de jaarlijkse feesten in groten getale gebracht. En ook voor de armen werd ruimschoots voorziening getroffen.”—“Patriachen en Profeten 477”—“Patriarch and Prophets,” p. 526. {2SC10: 9.2.5}

“De Hebreeën moesten ruim een vierde deel van hun inkomsten geven voor godsdienstige en liefdadige doeleinden. Men zou verwachten, dat zulk een zware belasting op het bezit van het volk hen tot de bedelstaf brengen zou; maar de getrouwe waarneming van onze geboden was juist één van de voorwaarden voor hun welvaart. Op voorwaarde van hun gehoorzaamheid had God hen beloofd: ‘Dan zal ik u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht, van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij…En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de Here der heerscharen.’”—idem, p. 477.—Id., p. 527. {2SC10: 10.1.1}

“Hij heeft Zijn volk een plan gegeven om bedragen die voldoende zijn om de onderneming zelfvoorzienend te maken. Gods plan in het tiendensysteem is prachtig in haar eenvoud en gelijkheid. Allen mogen eraan deelnemen in geloof en moed, want het is goddelijk in haar oorsprong. Daar in zijn samengevoegd eenvoud en bruikbaarheid, en het vergt geen diepgang om het te leren begrijpen en het uit te voeren. Allen kunnen voelen dat zij een deel mogen hebben in het voort dragen van het kostbare werk van verlossing. Iedere man, vrouw, en jeugd kan een penningmeester voor de Heer worden en mag een vertegenwoordiger zijn om aan de eisen van het penningmeesterschap te voldoen. De apostel zegt, ‘Laat een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft.’ {2SC10: 10.1.2}

“Grote dingen worden bereikt door dit systeem. Als elkeen het zou willen accepteren zou een ieder een waakzame en getrouwe rentmeester voor God worden en er zou geen gebrek aan middelen zijn waarmee het grote werk voort moet gaan om de laatste waarschuwingsboodschap voor de wereld te luiden. De schatkamer zal vol zijn als allen dit systeem adopteerden en zij die bijdragen zullen niet armer worden. Vanwege ieder gedane investering zullen zij vertrouwd met de zaak van tegenwoordige waarheid worden. Zij zullen voor zichzelf een goed fundament opzij zetten voor de komende tijd, zodat zij het eeuwige leven mogen beerven’.”—Deel 3–Vol. 3, pp. 388,389. {2SC10: 10.1.3}

Er is een verwaarlozing in de kerken om het plan van systematische liefdadigheid en het resultaat is een verarmde schatkist en een afvallige kerk”—Idem–Id. P. 409 {2SC10: 10.1.4}

“Zodra Gods volk, in iedere periode van de wereld, met een opgewekt en gewillig Zijn plan heeft uitgevoerd in systematisch liefdadigheid en gaven en offers, hebben zij zich de blijvende belofte gerealiseerd dat voorspoed zal zorgen voor al hun arbeid naar verhouding van hun gehoorzaamheid aan Zijn voorschriften. Wanneer zij de vereisten van God erkennen en zich aanpasten aan Zijn voorschriften, Hem erend met hun goederen, waren hun schuren overvloedig gevuld. Maar wanneer zij God bestalen in tienden en in offers, beseften zij dat zij niet alleen Hem bestalen maar zichzelf; want Hij beperkte de zegeningen aan hen, naar de verhouding waarin zijn hun offers aan Hem hadden beperkt.”—Id., p. 395. {2SC10: 10.1.5}

“Systematische liefdadigheid kan er voor u nodeloos lijken; het feit dat het met God, wiens wijsheid feilloos is, is ontstaan ziet u over het hoofd,. Dit plan heeft Hij bestemd om wanorde te voorkomen, om begerigheid, gierigheid, zelfzuchtigheid afgoderij te corrigeren. Dit system moest er voor zorgen dat de last licht zou zijn, hoewel met gepast gewicht voor elkeen. De verlossing van de mens heeft een hoge prijs gekost, zelfs het leven van de God der heerlijkheid, welke Hij vrijelijk opgaf om de mens van ontaarding te verhogen, en hem te verhogen om erfgenaam van de wereld te worden. God heeft zo voorbestemd dat de mens zijn medemens zal helpen in het grote verlossingswerk.”–Vol. 1, p. 545. {2SC10: 10.2.1}

“Totdat allen het plan van systematishe liefdadigheid zullen hebben uitgevoerd, zal er een mislukking zijn om tot de hoogte van de apostolische wet te komen. Zij die bedienen in woord en leer zouden mannen van onderscheiding moeten zijn.” Vol. 3.p 411. {2SC10: 10.2.2}

“De armen die door de wet van de apostelen te volgen en iedere week een klein bedrag gaven, hebben geholpen om de schatkamer te doen groeien, en hun gaven zijn God welgevallig; want zij maken net zulke grote offers en zelfs grotere offers dan hun welgestelde broeders. Het plan van systematische liefdadigheid zal bewijzen een beveiliging te zijn tegen verzoekingen voor iedere familie om middelen te gebruiken voor nodeloze zaken; en in het bijzonder zal het voor de rijken een zegen zijn door hen te behoeden van het koesteren van buitensporigheden.” –Id., p. 412 {2SC10: 10.2.3}

Er moet een opwekking(ontwaken) zijn onder ons als volk betreffende deze zaak. Er zijn slechts weinig mannen die door hun geweten worden aangesproken als zij hun plicht in liefdadigheid nalaten. Slechts weinigen voelen gewetenswroeging van hun ziel omdat zij dagelijks de Heer beroven. Als een Christen opzettelijk of per ongelijk zijn buurman onderbetaald of weigert een eerlijke schuld teniet te doen, zal zijn geweten, tenzij het verschroeid is hem lasting vallen; hij kan niet rusten hoewel niemand behalve hij het weet. Er zijn vele nagelaten beloften en onbetaalde verplichtingen, en toch hoe weinigen die zich druk maken over deze zaak; hoe weinigen voelen de schuld van deze overtreding van hun plicht. Wij moeten nieuwe en diepere overtuigingen over dit onderwerp hebben. De gewetens moeten gewekt worden en de zaak ernstiger aandacht krijgen want er moet een verslag gegeven worden aan God in de laatste dag, en Zijn aanspraak moet afgehandeld worden.—Vol. 4, p. 468.{2SC10: 10.2.4}

“Van al ons inkomen moeten wij de eerste bestemming voor God maken. In het systeem van de weldadigheidsinstelling die de joden genoten, werden zij geacht of naar de Heer de eerste vruchten van al Zijn gaven te brengen, zowel in de overvloed van hun kudde of roedel, of van de opbrengst van hun velden, boomgaarden of wijngaarden of zij moesten het vrijkopen door het met een gelijkwaardige te vervangen. Wat is de gang van zaken toch veranderd in onze dagen! De eisen van de Heer en vereisten, worden indien zij enige aandacht krijgen, tot het laatst gelaten…. De meerderheid van belijdende Christenen doen met veel tegenzin afstand van hun middelen. Velen van hen geven niet een-twintigste van hun inkomen aan God, en velen geven veel minder dan dat; terwijl er een grote klasse is die God beroofd van de kleine tiende en anderen die alleen de tiende willen geven. Als al de tienden van onze mensen in de schatkamer van de Heer vloeiden zoals zij zou moeten, zouden er zulke zegeningen ontvangen worden dat gaven en offers voor heilige doelen tienvoudig vermenigvuldigd zouden worden en zou daardoor het kanaal tussen God en mens open gehouden worden.”—Id., p.474. {2SC10: 10.2.5}

“Niets behalve het absolute onvermogen om te betalen kan iemand rechtvaardigen om niet nauwgezet zijn verplichtingen aan de Heer te voldoen. Onverschilligeheid in deze zaak toont dat u verblind en misleid bent en de naam Christen onwaardig bent. …Laat een ieder zijn verleden nagaan en zien of er onbetaalde onafgeloste beloften zijn verwaarloosd en dan extra krachtinspanningen doen om tot de uiterste duit te betalen; want wij moeten allen ontmoeten en verdragen de laatste aangelegenheid van een rechtzitting waar niets anders de test zal kunnen doorstaan dan integreteit en rechtschapenheid.”—Id., p.476 {2SC1 0: 11.1.1}

“Nu eist God, niet minder, maar grotere gaven dan in welk andere periode van de wereld. De principe zoals opgelegd door Christus is dat gaven en offers in verhouding moeten zijn naar het licht en zegeningen die genoten worden. Hij heeft gezegd, ‘En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geeist worden.”—Vol.3, p. 392. {2SC10: 11.1.2}

“Zondoffers, vredeoffers en dankoffers waren ook vereist bovenop de tiende van de inkomsten. …Er is hier een belofte gegeven dat indien al de tienden in de voorraadschuur worden gebracht een zegen van God over de gehoorzame zal worden uitgestort. …Niet minder dan een derde van hun inkomen was toegewijd aan heilige en religieuze doeleinden.” – Vol. 3, p. 394,395. {2SC10: 11.1.3}

 “Wanneer wij spreken van de tiende als de standaard voor de Joodse contributies aan religieuze doeleinden, spreken wij niet begrijpend. De Heer hield Zijn eisen voornaamst, en in bijna ieder artikel werden zij herinnerd aan de Gever doordat er verwacht werd dat zij teruggaven aan Hem. Zij werden geacht een losgeld voor hun eerstgeboren zoon te betalen, voor de eerste vruchten van hun kudde, en voor de eerste inzameling van hun oogst.  Zij werden geacht de hoeken van hun oogstvelden voor de noodlijdenden te laten. …. Dan waren er de offergaven, de schendoffers, de zondoffers en het kwijtschelden van alle schulden ieder zevende jaar. Er waren ook talrijke uitgaven voor gastvrijheden en giften aan de armen en er waren taxaties op hun eigendommen.” –Vol.4. p. 467. {2SC10: 11.1.4}

“Er zijn slechts weinigen die de bindende eisen in acht nemen die God op hun heeft om het hun eerste zaak te maken om te voldoen aan de verplichting van Zijn zaak en hun eigen wensen als laatste te laten gelden. Er zijn slecht weinigen die investeren in de zaak van God naar verhouding tot hun middelen.” –Vol 3, p. 398. {2SC10: 11.2.1}

“De Heer zal Zijn zegen terugnemen waar zelfzuchtige interesses worden gekoesterd in iedere fase van het werk; maar Hij zal Zijn volk in bezittingen van goederen brengen door de hele wereld, als zij het willen gebruiken voor de verheffing van de mensheid. De ervaring uit apostolische dagen zullen wij hebben wanneer wij hartgrondig Gods principe van weldadigheid accepteren,–instemmen om in alle dingen de leiding van Zijn Helige Geest te gehoorzamen.”—Vol. 7, p. 146. {2SC10: 11.2.2}

“Een vloed van licht schijnt vanuit het woord van God, en moet een ontwaken uit nagelaten mogelijkheden zijn. Wanneer allen trouw zijn in het teruggeven van de tienden aan God, Zijn eigen tienden en offers, zal de weg voor de wereld geopend worden om de boodschap voor deze tijd te horen. Als de harten van Gods volk gevuld waren met liefde voor Christus; als iedere kerklid volledig doordrengt was met de Geest van zelfopoffering;  als allen volledige oprechtheid verkondigden, zou er geen tekort aan middelen zijn voor huizen of buitenlandse missies. Onze bronnen zouden vermenigvuldigd worden; duizend nuttige deuren zouden geopend worden en wij zouden gevraagd worden om binnen te gaan. Indien het doel van God was uitgevoerd door Zijn volk in het geven van de boodschap van genade aan de wereld, was Christus al naar de aarde gekomen en hadden de heiligen hun welkom in de stad van God ontvangen.”—Vol 6, p. 450. {2SC10: 11.2.3}

“Alle dingen zijn gereed, maar de kerk is klaarblijkelijk op betoverde grond. Wanneer zij zullen ontwaken en hun gebeden en rijkdom en al hun energie en bronnen aan de voeten van Jezus leggen, zal de zaak van waarheid zegevieren. Engelen zijn verbaasd dat Christenen zo weinig doen terwijl er zo een voorbeeld aan hen is gegeven door Jezus, die zichzelf niet eens de dood ontzegde.”—Vol. 4, p. 475 {2SC10: 11.2.4}

“Het is tijd voor ons om acht te slaan op de leer van Gods woord. Al Zijn bevelen zijn voor onze bestwil gegeven, om de ziel te bekeren van zonde tot gerechtigheid. Iedere bekeerde tot de waarheid, zou geinstrueerd moeten worden betreffende de vereisten van de Heer over tienden en offers. …Degenen die waarlijk bekeerd zijn, zijn geroepen tot een werk dat geld en toewijding vereist. De vereisten die ons verplichten om onze namen in de kerkboeken te behouden houdt ons verantwoordelijk om voor God te werken tot het uiterste van onze mogelijkheden. Hij vraagt om onverdeelde dienst, voor de algehele toewijding van het hart, de ziel, het verstand, en kracht. … Dit is waar voor zowel tijdelijke als geestelijke dingen. De Heer komt niet naar deze wereld met goud en zilver om Zijn werk te bevorderen. Hij voorziet de mens met middelen zodat door hun gaven en offers zij Zijn werk kunnen blijven bevorderen.  Het ene doel boven alle anderen waarvoor Gods gaven gebruikt moeten worden is het ondersteunen van werkers in het grote oogstveld. En als zowel mannen als vrouwen kanalen van zegen voor andere zielen willen worden, zal de Heer de kanalen voorradig houden. Het is het niet teruggeven aan God wat van Hem is dat de mens arm maakt; het is het achterhouden dat leidt tot armoede.” –Vol. 6, p. 447, 449.{2SC10: 11.2.5}

“Sommigen zijn ontevreden geweest en hebben gezegd ‘Ik zal niet langer mijn tiende betalen; want ik heb geen vertrouwen in de manier waarop dingen worden beheerd bij het hart van het werk.’ Maar zal u God bestelen omdat u denkt dat de beheerder van het werk niet goed is? Doe uw klacht duidelijk en openlijk met de juiste geest, bij de juiste werkers. Stuur uw verzoeken in voor dingen die aangepast en recht gezet moeten worden; maar trek u niet terug van het werk van God en zo uw ontrouw tonend omdat anderen hun werk niet goed doen.” –Vol. 9, p. 249. {2SC10: 12.1.1}

“De laatste Jaren van de genadetijd sluiten snel. De grote dag de Heren is nabij. Wij zouden nu iedere poging moeten doen om onze mensen wakker te maken. Laat de woorden van de profeet Maleachi bij iedere ziel aangedragen worden.” –Vol. 6, p. 446. {2SC10: 12.1.2}

“Gebeden hoe vaak en hoe oprecht ook opgezonden zullen nooit geaccepteerd worden door God in de plaats van onze tiende. Gebed zal onze schulden aan God niet betalen.” –“Boodschappen voor de Jeugd,” p. – “Messages to Young People,” p. 248. [Boodschappen voor Jonge Mensen, 233] {2SC10: 12.1.3}