De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Traktaat Nr. 9

Traktaat Nr. 9

TN9-1200x675.jpg

“WAARHEID DAT TER AARDE VERBRIJZELD IS, ZAL OPNIEUW OPKOMEN”

Kopierecht 1940, 1942

Alle Rechten Voorbehouden

V.T.HOUTEFF

In het belang van het bereiken van ieder verstand dat naar waarheid zoekt, die ernaar verlangt om te ontkomen aan het pad dat naar vernietiging leidt van zowel lichaam als geest, zal dit traktaat kosteloos verspreid worden.

TRAKTAAT NR.9

INHOUD

 

“ZIE, IK MAAK ALLE DINGEN NIEUW” 3,4
HET MILLENNIUM 4-6
Woest of Bewoond? 6-11
Bij de Komst van Christus 11-14
De Rechtvaardigen Zijn de “Achtergelaten” 14-16
De Gereinigden—Zij zullen Voor Eeuwig Staan 16-19
De Vernieuwing van de Aarde 19,20
Verdere Gegronde Redenen 20-22
De Hemel in het Begin 22-24
Het Verbreken van het Verwarmingssysteem van de Aard 24,25
Het Zonnestelsel 25-26
De Hemelen Moeten Vernieuwd worden 26-28
Zal “Alle Dingen Herstellen” Matt.17:11 28-31
GEBEURTENISSEN ROND HET MILLENNUIM 31,32
Doden van de Goddelozen 32,33
Gedood Net Voor het Millennium 33,34
Satan wordt Alleen Achtergelaten 34
Het Oordeel Gedurende het Millennium 34-36
Na het Oordeel 36-37
Satan Wordt Voor een Kleine Tijd Losgelaten 37-38
De Tweede Dood 38,39
“Hoedanig een Persoon Behoort Gij Te Zijn?” 40
ZIJN KONINKRIJK OPRICHT 40,41
De Dagen Waarin het Koninkrijk wordt Opgericht 42,43

2

Het Vergeldende Werk van het Koninkrijk 43,44
Volmaakte Vrede en Absolute Veiligheid 44,45
Vóór de Afsluiting van de Genadetijd 45-47
Waar het Koninkrijk Staat: Daar Bestaat de Zonde Niet 47-49
De Joden Terugkerend naar Jeruzalem 49-51
Identificeren van de 144.000 51-54
De Eerste Vruchten van de Oogst 54,55
Een Klasse Die Niet Bevlekt is Met Vrouwen 55,56
Om een Klasse Bijeen te Vergaderen Die Met Vrouwen Bevlekt is, Een Tweede Vruchten 56,57
In Hun Mond Wordt Geen Bedrog Gevonden 58
Wanneer de Winden Zijn Losgelaten en Waaien 58,59
Degenen Die de Koning Zien 60,61
“Hoort Gij naar de Roede, En Wie Het Besteld Heeft” Micha 6:9 61,62
Het Werk In Laodicea Typeert Datgene in Babylon 63,64
Het Koninkrijk Kerk, De Achtste, Blijft Rein 64,65
Vijf Groepen in het Koninkrijk 65-67
Een Samenvatting van de Eerste en Tweede Vruchten 67-71
“Altijd Met de Here Zijn” 1 Tess.4:16,17 71,72
De Hemelen Zullen Wijken, De Goddelozen Zullen Roepen tot de Bergen Om Op Hen te Vallen 72-74
Satan Misleidt Hen Opnieuw 74
“De Oude Paden” Jer.6:16 74-76

“Zie, Ik Maak Alle Dingen Nieuw”

In de profetische woorden: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw”(Openb.21:5), waarschuwt God dat “alle dingen” oud zullen worden. Om deze profetie op de correcte wijze te verstaan, moeten wij het feit in gedachten houden dat, ten einde een oud ding nieuw te maken, het eerst ontbonden moet worden,–teruggebracht tot de staat van de componenten of onderdelen ervan waaruit het bestond voordat zij waren samengevoegd tot een samengesteld geheel,–daarna gerenoveerd, gereproduceerd, en uiteindelijk gereïntegreerd{of }. Terwijl een dergelijk proces bovendien in werking is, kan dat ding daarom, omdat het wordt vernieuwd, vanzelfsprekend zijn functie niet hervatten, totdat het voleindigd is. Gedurende de periode van vernieuwing, is het buiten werking gesteld en onbruikbaar. {TN9: 3.1}

In dit geval, is het oud worden {of verouderen} van “alle dingen,” zoals alle Bijbelstudenten het goed verstaan, niet het gevolg van natuurlijke achteruitgang, welke het oud worden met zich meebrengt, maar van de vloek van de zonde, die is ingebracht door het misleiden van de natiën door Satan. Dus, wanneer “alle” aardse “dingen” in het proces van vernieuwing verkeren, en aldus buiten werking gesteld en onbruikbaar, moet de aarde, zijnde niets anders geworden dan een massa{of vormeloze materie}, noodzakelijkerwijs werkelijk een bodemloze put zijn. {TN9: 3.2}

Dienovereenkomstig, voorschaduwt het schriftgedeelte: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw,”een periode van ontbinding en renovatie van

3

alle dingen—een tijd waarin Satan gebonden is, zoals voorzegd in de profetieën betreffende

Het Millennium. {TN9: 3.3}

Aangezien de leerstelling van het millennium verscheidene verbijsterende en onuitgemaakte vragen voorlegt die van vitaal belang zijn voor de zaligheid van ieder mens, en omdat de waarheid alleen de ziel bevrijdt van misleiding en zonde, en het hart heiligt, is de noodzaak daarom onontkoombaar, dat wij het juiste antwoord achterhalen tot elk van dergelijke vragen. {TN9: 4.1}

In zijn hoofd visioen, die het millennium behelst, “zag” Johannes “een engel neerkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de bodemloze put en een grote keten in zijn hand. En hij greep de draak, die oude slang, welke is de Duivel, en Satan, en bond hem duizend jaren, en wierp hem in de bodemloze put, en sloot hem op, en zette en zegel over hem, opdat hij de natiën niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden zijn vervuld; en daarna moet hij een kleine tijd losgelaten worden. {TN9: 4.2}

“En ik zag,” vervolgt hij, “tronen, en zij zaten daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest noch zijn beeld, niet aangebeden hadden, noch zijn teken op hun voorhoofden of aan hun handen ontvangen hadden; en zij leefden en heersten met Christus, duizend jaren. Maar de overigen

4

der doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zullen met Hem heersen duizend jaren. {TN9: 4.3}

“En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten, en zal uitgaan om de natiën te misleiden, die aan de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen; en hun getal is als het zand der zee. En zij gingen op over de breedte der aarde, en omsingelden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er daalde vuur neer van God uit de hemel, en verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd geworpen in een poel van vuur en zwavel, waar het beest en de valse profeet zijn, en zal gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheden. {TN9: 5.1}

“En ik zag een grote witte troon, en Hem, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten; en geen plaats werd voor hen gevonden. {TN9: 5.2}

“En ik zag de doden, kleinen en groten, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het boek des levens; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de

5

doden, die daarin waren; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken. En de dood en de hel werden geworpen in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood. En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs. {TN9: 5.3}

“En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan; en de zee was niet meer.”Openb.20;21:1{KJV}. {TN9: 6.1}

Hier, door het getuigenis van de Heer in Eigen Persoon, zijn de feiten waartoe “wij te meer aandacht moeten schenken” (Hebr.2:1) ten einde te komen tot de exacte en gehele waarheid—het slotsom dat bekend is bij alle geschriften van de Bijbel betreffende het millennium en de bijbehorende onderwerpen; feiten die bovendien ook de vraag doen oprijzen: Is de aarde gedurende het millennium

Woest of Bewoond? {TN9: 6.2}

Bij het in beschouwing nemen van de verscheidene schriftgedeelten die dit punt behandelen, en over de verwante punten in kwestie, moeten wij onze conclusie enkelvoudig baseren op het gewicht der bewijzen, zodat wij niet alleen al de waarheid kunnen weten, maar ook niets anders dan de waarheid onderwijzen –een tweevoudig doel dat alleen kan worden bereikt door onverhinderd in beschouwing te nemen zowel de geschriften van de profeten als die van de Openbaarder. En aangezien de Openbaring de ontvouwing is van de profetieën, dwingt de logica ons om verder te gaan van

6

profetie naar openbaring. In dit huidige verband, schenken wij daarom eerst aandacht aan de woorden van Jeremia: {TN9: 6.3}

“Ik zag de aarde,  en zie, het was zonder vorm, en ledig; en de hemelen, zij hadden geen licht. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en al de heuvelen bewogen lichtelijk. Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte der hemelen was weggevlogen. Ik zag, en zie, de vruchtbare plaats was een woestijn, en al de steden daarvan waren afgebroken voor de aanwezigheid des Heren, en door Zijn brandende toorn. Want zo heeft de Here gezegd: Het ganse land zal woest zijn; toch zal Ik geen volledige einde maken. Hierom zal de aarde treuren, en de hemelen boven zwart zijn; omdat Ik het gesproken heb, Ik het besloten heb, en zal geen berouw hebben, noch zal Ik ervan terugkomen.” Jer.4:23-28{KJV}. {TN9: 7.1}

De handeling die hier wordt weergegeven, tegen een achtergrond van Gods komende oordelen over het land van het vroegere Israël, vanwege hun weerspannigheid, kan onmogelijk, in de juiste beredenering van de dingen, beperkt worden tot slechts dat land. Het kan eenvoudigweg niet, met andere woorden, beperkt worden, zoals sommigen denken dat het kan, door te betekenen dat alleen het land van Gods volk  “leeg” en “woest”achtergelaten en “zonder vorm” is geweest of gemaakt zal worden, –zonder licht en zonder vogel of dier of inwoner, — en dat de rest van de aarde overblijft om van al deze zegeningen te genieten. Het schriftgedeelte moet, in tegendeel, genomen worden juist zoals het leest, aantonend dat de ganse aarde

7

zal lijden onder hetzelfde besluit. Met het oog daarom op dit feit, kan de term de aarde vanzelfsprekend niet worden geïnterpreteerd, zoals het door sommigen is gedaan, om te betekenen het “land”—alleen Palestina. {TN9: 7.2}

Toen het vroegere Israël bovendien werd weggevoerd door de natiën, werden de bergen en de heuvelen niet beven en “lichtelijk bewogen” gemaakt; de steden waren niet volledig afgebroken en zonder inwoner achtergelaten; de vogels werden niet gedwongen om weg te vliegen van het land; en het land was niet in duisternis achtergelaten. Vanzelfsprekend dus, heeft de verstrooiing van de Joden niet in het minste geval de profetie van Jeremia 4:23-28 in vervulling gebracht. Daarom zal e aarde noodzakelijkerwijs wederom, zoals op de eerst dag van de schepping, “zonder vorm,  en ledig” zijn.Gen.1:2{KJV}. En net zoals er toen “duisternis” was “…over het gezicht van de diepte,” zo zal het weer zijn. {TN9: 8.1}

Uit de voorafgaande paragraven, zien wij dat terwijl de eerste tweeëntwintig verzen van Jeremia 4 spreken tegen de goddeloosheid van het vroegere Israël, de drieëntwintigste tot aan de zevenentwintigste verzen ingelast zijn, en de verwoesting verklaren van de aarde en de vernietiging van al de goddelozen, waar zij zich dan ook bevinden. Door de ingelaste verzen weg te laten, wordt de voortgang van gedachte samengevoegd: {TN9: 8.2}

“Want Mijn volk is dwaas, zij hebben Mij niet gekend; zij zijn zotte kinderen, en zij hebben geen verstand; zij zijn wijs om kwaad te doen, maar om goed te doen hebben zij geen kennis…Hierom zal

8

de aarde treuren, en de hemelen daarboven zwart zijn; omdat Ik het gesproken heb, Ik het besloten heb, en zal geen berouw hebben, noch zal Ik ervan terugkomen.” Jer.4:22,28{KJV}. {TN9: 8.3}

Met de gedachten aldus verbonden, komt het feit naar voren dat in het achtentwintigste vers: “Hierom zal de aarde treuren, en de hemelen daarboven zwart zijn,” het voornaamwoord hier haar afgeleide, voorgaande zelfstandig naamwoord: “goddeloosheid” vindt in de verzen vòòr de tussen haakjes geschreven gedachte. Jer.4:23-27 is daarom {als het ware}tussen haakjes ingevoegd om aan te tonen dat God, net zoals Hij Zijn vroegere volk niet verontschuldigde voor hun goddeloosheid, op dezelfde wijze de wereld van vandaag niet zal verontschuldigen voor haar goddeloosheid, maar zal alle zonden op dezelfde wijze behandelen, of het nu wordt beoefend in de kerk of in de wereld. Kort samengevat, zegt God tot Zijn volk, Israël: Om goddeloosheid gelijkend op die van u, “zal de aarde treuren en de hemelen daarboven zwart zijn.” Zal ik, dan, overwegen u te verontschuldigen? {TN9: 9.1}

Terwijl echter in Jeremia 4, de Here spreekt tegen Israël, hoewel incidenteel verwijzend naar de verwoesting van de aarde, spreekt Hij in Jesaja tegen de aarde, en gunstig tegen het land Israël, zeggende: “Maar met gerechtigheid zal Hij de armen richten, en met billijkheid de ootmoedigen des lands berispen; en Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en de met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen doden.” Jes.11:4{KJV}.  Indien er enige mogelijkheid is te verstaan dat Jeremia 4 alleen van toepassing is op het land Israël, dan is

9

 er zeker geen enkele {mogelijkheid} dan ook om dit schriftgedeelte van Jesaja 11 zo te verklaren. {TN9: 9.2}

“Zolang de aarde bestaat,” belooft de Heer bovendien, “zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.” Gen.8:22{KJV}. De woorden: “terwijl de aarde bestaat,” die nadrukkelijk een beperking van tijd aangeven, impliceren dat hoewel de aarde niet altijd zal bestaan, toch zullen, zolang het wel bestaat, de genoemde toestanden de overhand zullen hebben. {TN9: 10.1}

En ook: “(…)de Here zeide in Zijn hart: Ik zal de aarde niet weer vervloeken om de mens; want de verbeelding van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan; noch zal Ik al wat leeft weer slaan, zoals Ik gedaan heb.”Gen.8:21{KJV}. En aanvullend op deze verplichting, belooft Hij: “Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij eb u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: Ik stel mijn boog in de wolken; en het zal tot een teken zijn van een verbond tussen Mij en de aarde. En het zal geschieden wanneer Ik wolken over de aarde breng, dat de boog gezien zal worden in de wolken; en Ik zal Mijn verbond gedenken, welke is tussen mij en u en elk levend wezen van alle vlees’en de wateren zullen niet meer tot een vloed worden, om alle vlees te vernietigen. En de boog zal in de wolken zijn; en Ik zal het zien, opdat Ik het eeuwig verbond kan gedenken tussen God en iedere levend wezen van alle vlees, dat op aarde is. {TN9: 10.2}

10

En God zeide tot Noach: Dit is het teken van het verbond, dat Ik heb opgericht tussen Mij en alle vlees, dat op aarde is.” Gen.9:12-17{KJV}. {TN9: 11.1}

Hoewel de Heer in deze schriftgedeelten plechtig heeft beloofd nooit meer iedere levend wezen te vernietigen door een vloed, geeft Hij geen belofte dat Hij de goddelozen niet zal vernietigen op een andere manier. Met andere woorden, de enige verzekering die is gegeven in de voorafgaande schriftgedeelten, is dat er nooit weer een andere universele vloed zal zijn. Verder dan dit, gaat het niet. Vanuit zowel een morele en logische, als een Bijbelse benadering, is een uiteindelijke en volkomen einde van alle vlees dat is overgegeven aan vernietiging, een absolute noodzaak

Bij de Komst van Christus. {TN9: 11.2}

Duidelijk verklarend dat de steden compleet vernietigd zullen worden “vanwege de aanwezigheid van de Here, en vanwege Zijn brandende toorn” (Jer. 4:23-26{KJV}), en niet door een vloed of door de macht van de natiën, sluit de Bijbel de deur stevig toe voor iedere poging om deze profetie op zulk een wijze te verklaren ten einde de profetie ervan mogelijk op een andere tijd te plaatsen dan die van de verschijning van de Heer. Dan zal Hij “zelf op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan” en ook “de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.” 1 Thess.4:16; 2 Thess.2:8. {TN9: 11.3}

11

Aangezien bovendien de zeven laatste plagen (Openb.16), zoals het wijdverspreid begrepen is, zal vallen op de onboetvaardigen na de afsluiting van de genadetijd en net voor de verschijning van de Heer, en aangezien de verzameling van Gods volk zal voorafgaan aan de plagen (want de stem uit de hemel zei: “Komt uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt van haar zonden, en dat gij niet ontvangt van haar plagen”—Openb.18:4{KJV}), is het daarom noodzakelijk dat, net voordat de plagen worden uitgestort, en voordat Christus ten tweede male verschijnt, al de levende rechtvaardigen, ter wille van hun bescherming, gescheiden zullen zijn van zonde en zondaars, opdat zij niet ook verteerd worden. {TN9: 12.1}

Volgend op het uitgieten van de zevende plaag, “vielen de steden van de natien,” zegt de Openbaring, “en iedere eiland vluchtte weg, en de bergen werden niet gevonden”(Openb.16:19,20{KJV}), wederom aantonend dat bij de verschijning van Christus, de aarde leeg en zonder vorm zal worden gemaakt; dat zij die zullen leven en regeren met Hem, gered en beschermd zullen moeten zijn vòòr Zijn verschijning; en dat er daarna geen genadetijd meer zal zijn. Dan zullen de doden in Christus opstaan: “Want de Here Zelf zal neerdalen uit de hemel met een geroep, met de stem van een aartsengel, en met de bazuin Gods; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; dan zullen wij, die leven en overblijven, tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Here wezen.” 1 Thess.4:16,17 {KJV}. {TN9: 12.2}

12

De duizendjarige periode van vrede zal daarom duidelijk niet doorgebracht worden op aarde, maar in de “woningen” daarboven, want de belofte van de Heer is: “Ik ga heen om u een plaats te bereiden. En als ik heengegaan ben en u een plaats te bereid heb, dan kom Ik weer, en zal u tot Mij nemen; opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.” Johannes 14:2,3{KJV}. {TN9: 13.1}

Aldus zullen bij de tweede verschijning van Christus, zowel al de rechtvaardigen als al de goddelozen hun beloningen ontvangen; de rechtvaardige doden worden opgewekt tot eeuwig leven, en de rechtvaardige levenden worden veranderd tot onsterfelijkheid in een ondeelbaar ogenblik, en worden dan met de verrezenen weggenomen naar de hemel (1 Kopr.15:52,53; 1 Thess.4:15-17), terwijl de goddeloze levenden tot hun graven gaan (2 Thess.2:8; Jes.11:4; Hebr.10:27; Lukas 19:27). En aangezien er vanaf de opstanding van al de rechtvaardigen tot aan de opstanding van al de goddelozen (Openb.20:5) er duizend jaren (het millennium)verstrijken, dan kan deze periode vanzelfsprekend niet een tijd zijn voor het ontvangen van beloningen, maar moet eerder een tijd zijn waarin de rechtvaardigen in de hemel genieten van de beloningen die reeds zijn ontvangen, en waarin de goddelozen in hun graven rusten. {TN9: 13.2}

Van degenen die zullen omkomen bij de verschijning van de Heer, zegt Jesaja:”…zij zullen bijeen veranderd worden, zoals gevangenen vergaderd worden in de put, en zullen opgesloten worden in de gevangenis, en na vele dagen zullen zij bezocht worden.”Jes.24:22 {KJV}. Gevangen zijnde “vele dagen,” zijn deze goddelozen klaarblijkelijk zij, die “niet weer” leven,

13

”totdat de duizend jaren” zijn “voleindigd”{Openb.20:5), wanneer zij zullen worden “bezocht” –voort geroepen uit hun graven – alleen om, na een korte tijd voort te gaan, de tweede dood te ontvangen, veroorzaakt door “vuur,” “neer” komende “van God uit de hemel.” Zie (Openbaring 20:9,14.) {TN9: 13.3}

De tweede dood is het volkomen en definitieve einde van de goddelozen. Over de rechtvaardigen echter, “heeft” het “geen macht”, en zij regeren voor altijd daarna in de nieuwe aarde (Openb. 20:6; Dan.7:27). Zij zijn de verlosten uit alle eeuwen, –een grote menigte heiligen, –en toch zullen zij als slechts een handvol zijn in vergelijking met de toestromende legioenen van goddelozen vanaf de tijd van Kain tot aan de afsluiting van de genadetijd, ontelbaar “als het zand der zee.”Openb.20:8. {TN9: 14.1}

Het is dus zeer duidelijk dat hoewel de Heer bij Zijn verschijning, de aarde zal slaan met de roede Zijns mods, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen slaan”(Jes.11:4), of zij nu kerkleden zijn of niet, zal Hij de rechtvaardigen sparen en achterlaten. Dus,

Zijn de Rechtvaardigen de “Overgeblevenen.” {TN9: 14.2}

Profeterend, zoals Jeremia dat deed, over de verwoesting van de aarde, zegt Jesaja: “Ziet, de Here maakt de aarde leeg, en maakt het woest, en keert het ondersteboven, en verstrooit de inwoners daarvan (…)De aarde treurt en verwelkt, de wereld kwijnt weg, en verwelkt, het hooghartige volk van

14

de aarde kwijnt weg. Ook is de aarde verontreinigd onder de inwoners daarvan; omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzettingen veranderd, het eeuwig verbond verbroken. Daarom heeft de vloek de aarde verslonden, en zij die daarin wonen zijn verwoest; daarom zijn de inwoners van de aarde verbrand, en weinig mensen overgebleven(…)De aarde is volkomen afgebroken, de aarde is volkomen uiteen gevallen, de aarde is uiterst bewogen. De aarde zal heen en weer waggelen als een dronkaard, en zal verwijderd worden, gelijk een nachthut; en de overtreding daarvan zal zwaar op haar zijn; zij zal vallen, en niet weer opstaan.” Jes. 24:1,4-6,19,20{KJV}. {TN9: 14.3}

Deze verzen, die de voortzetting van gedachte overbrengen, beschrijven wat de Heer zal doen aan de aarde, terwijl die zijn weggelaten {de verzen 2,3, en 7 tot en met 18 inclusief), zoals is aangegeven door de weglatingstekens, bevatten {als het ware} tussen haakjes ingevoegde gedachten die beschrijven hoe Hij het zal doen, en verklaren dat Hij op een klasse van mensen al de zegeningen zal uitstorten, en op een andere klasse al de vervloekingen zal overbrengen. Verzen 2 en 3 ontsluieren de aarde, leeggemaakt van al haar inwoners, ongeacht welke positie van wie dan ook, hetzij van eer of van oneer—van de vrome priester tot aan de nederige slaaf. En vers 4 tot en met 12 onthullen dat al de vreugde zal worden weggenomen van het volk; dat grote calamiteiten {of rampspoed} hen zullen overvallen, net voordat de aarde wordt leeggemaakt; en dat “wanneer het alzo zal zijn in het midden des lands onder de

15

volken, zal het zijn als het afschudden van een olijfboom, en als het nalezen der druiven, wanneer de wijnoogst voleindigd is.” Vers 13{KJV}. Kortom, deze verzen openbaren dat er net voor het leegmaken van de aarde, een grote schudding zal zijn onder de volken, met als gevolg dat allen die niet standvastig worden bevonden in Christus, –de Weg, de Waarheid, en het Leven (Johannes 14:6), –zullen vallen; terwijl zij die standvastig worden bevonden, zullen worden “achtergelaten,” en aldus zijnde

De Gereinigden—Zullen Zij Voor Eeuwig Staan. {TN9: 15.1}

“Zij zullen hun stemmen verheffen, zij zullen zingen vanwege de majesteit des Heren, zij zullen luidkeels roepen van de zee af.” Vers 14{KJV}.”Daarom, “ vermaant de profeet met het oog op dit vooruitzicht, “vereert gij de Here in de vuren, namelijk de naam van de Here God van Israël in de eilanden der zee.” Vers 15{KJV}. {TN9: 16.1}

Door zich te verblijden in de Heer terwijl zij door de “vuren” (beproevingen—1 Petr.4:12) heengaan, “zullen de getrouwen gereinigd worden, en wit gemaakt, en beproefd; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zullen het verstaan; maar de wijzen zullen het verstaan.” Dan.12:10{KJV}. {TN9: 16.2}

“Doch wie,” vraagt de profeet Maleachi, sprekende over deze tijd en dit gebeuren, “kan de dag  van Zijn komst verdragen? En wie zal standhouden wanneer Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van een smelter en {een}reiniger

16

van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en hen louteren als goud en zilver, opdat zij tot de Here een offer in gerechtigheid kunnen brengen.” Mal.3:2,3{KJV}. {TN9: 16.3}

De gereinigde klasse, die standvastig staat gedurende de schudding in het midden van het land (de kerk-Jes.19:24), wordt ook aan het licht gebracht in Jesaja’s profetie, hoofdstuk 24, vers 14: “(…)zij zullen zingen vanwege de majesteit des Heren”; terwijl er in vers 16{KJV} een daarop volgende gereinigde klasse wordt weergegeven, die wordt vergaderd “van het uiterste einde der aarde,” en van wie worden “gehoord psalmen, namelijk heerlijkheid tot de rechtvaardige.” Met andere woorden, de schudding vergadert eerste en tweede vruchten van heiligen—de een vanuit de kerk, “het midden des lands,” en de ander vanuit de wereld, “het uiterste einde der aarde.” En terwijl die van de kerk “zingen vanwege de majesteit des Heren,”zingen die van de wereld “heerlijkheid tot de rechtvaardige.” {TN9: 17.1}

Aldus zien wij duidelijk dat de verlosten uit de kerk—de dienstknechten van God (de eerste vruchten, of eerstgeborenen—de Bijbelse term voor het priesterschap of de geestelijke leiding)—standvastig staan gedurende de schudding “in het midden van het land,” met als gevolg dat zij de waarheid brengen tot alle natiën gedurende de “schudding” in de wereld, daarbij zaligheid brengend tot velen. Deze twee klassen van de levenden zijn daarom noodzakelijkerwijs de enige verlosten die zijn overgebleven na de schudding. Zij zijn gespaard, “verlost,” van de vernietiging, omdat hun namen zijn

17

“gevonden geschreven in het boek.” Dan.12:1. En dat zij niet zijn “overgebleven” op de aarde terwijl het in een volledig afgebroken, verwoeste, en lege staat verkeert, maar eerder “overgebleven” van de vernietiging, maakt Jesaja zelf duidelijk, wanneer hij zegt: “de inwoners van de aarde zijn verbrand, en weinig mensen overgebleven.” Jes.24:6. Deze woorden duiden zelfs niet eens aan dat de verlosten zijn achtergebleven op de aarde gedurende de tijd van haar verwoesting, maar zijn achtergebleven, “gespaard,” uit de vernietiging. {TN9: 17.2}

De feiten voor ons versterkend, ondervinden wij dat het millennium wordt ingeluid door een zesvoudige serie van gebeurtenissen die plaatsvinden op de volgorde waarop zij worden genoemd: (1) Het vernietigen van de huichelaars in de kerk door God; (2) het uitroepen van de Zijnen uit de natiën, en dan het brengen van hen in de gereinigde kerk—het Koninkrijk; (3) het afsluiten van de genadetijd; (4) het vernietigen van de goddelozen; (5) het doen opstaan van de rechtvaardige doden en het veranderen van de rechtvaardige levenden; (6) en ten laatste, het ledig maken van de aarde. {TN9: 18.1}

Met het bereiken van het hoogtepunt van deze zes eindgebeurtenissen, de tijd welke de Bijbel noemt het einde der wereld, valt het gordijn voor eeuwig over de eeuwenlange drama van zonde en verlossing. Voortijds echter, “zal dit evangelie van het koninkrijk [de tekenen van het einde(Matt.24)], “ zei Christus, “gepredikt worden in de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natien [die nu bestaan]; en dan zal het einde komen” (Matt.24:14), en het zal zijn geschied, zoals het staat geschreven: “(…)de hemel week terug als een boekrol, wanneer

18

het is samengerold; en iedere berg en eiland was van zijn plaats bewogen.”Openb.6:14{KJV}. “Want alzo heeft de Here gesproken: Het ganse land zal woest zijn;” echter toevoegend: “toch zal Ik geen volkomen einde maken”(Jer.4:27{KJV})—de belofte nalatend voor

De Vernieuwing van de Aarde. {TN9: 18.2}

Vooruit blikkend op de vernietiging van de aarde, zegt de apostel Petrus: “(…)we verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont.” 2 Petr.3:13. {TN9: 19.1}

En Johannes de Openbaarder, die in een profetisch visioen werd toegestaan verder dan evenals voor het millennium te zien, schrijft: “(…)Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbij gegaan; en de zee was niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen [terwijl, gedurende de duizend jaren, zij bij Hem wonen (Openb.20:4)], en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en er zal geen dood meer zijn, noch rouw, noch geween, noch moeite zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.” {TN9: 19.2}

19

 “En Hij, Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. En Hij zeide tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet. Hij die overwint, zal alles beërven; en Ik zal zijn God zijn, en hij zal Mijn zoon zijn. Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en moordenaars, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en alle leugenaars, zullen hun deel hebben in de poel, die brandt van vuur en zwavel; welke is de tweede dood.” Openb.21:1-8{KJV}. {TN9: 20.1}

Aangezien de profeten evenals de Openbaarder de eerste aarde en de eerste hemel voorbij zagen gaan, en dat zij door nieuwe werden vervangen, dan zou wie dan ook even dwaas zijn als hij oneerlijk zou zijn om deze duidelijke waarheid te betwisten en tegen te spreken, en daarbij zichzelf misleidend en anderen in de war brengend. De noodzaak is dus zeer dringend, dat allen zorgvuldig in beschouwing nemen de nu volgende

Verdere Gegronde Redenen. {TN9: 20.2}

Ware de aarde niet woest gelaten aan het begin van het millennium, wat zou dan de noodzaak zijn om “alle dingen nieuw” te maken? (Opneb.21:5). Verder nog, als de heiligen gedurende de tijd van het millennium, niet zouden wonen in de hemel, dan zou er geen noodzaak zijn om het “nieuwe Jeruzalem”(Openb.21:2,10) daar te hebben. En als, bovendien,

20

de heiligen dan op aarde zouden leven, dan zou de Stem der Profetie niet zeggen dat zij “met Christus” leefden, maar eerder dat Christus met hen leefde. En ten laatste, als zij met Hem regeerden op aarde, waar zij voor eeuwig zullen leven, dan zou de profetie niet zeggen dat zij “met Christus heersten, duizend jaren, “ maar eerder dat zij met Hem heersten voor eeuwig. {TN9: 20.3}

Johannes zei, terwijl hij vooruit blikte op de tijd dat Christus zal leven en heersen met hen op aarde: “De koninkrijken der wereld zijn geworden de koninkrijken van onze Here, en van Zijn Christus; en Hij zal heersen in alle eeuwigheid.” Openb.11:15{KJV}. “En het koninkrijk en de heerschappij,”verklaart Daniël, betreffende het heersen van de heiligen met Hem, “en de grootheid van het koninkrijk onder de ganse hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens koninkrijk een eeuwig koninkrijk is, en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen.” Dan.7:27{KJV}. {TN9: 21.1}

In de hemel zullen de verlosten slechts duizend jaren met Christus heersen, terwijl Hij op aarde met hen zal heersen in alle eeuwigheid; want “de hemel, namelijk de hemelen, zijn des Heren; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.”Ps. 115:16.{KJV}. “Want zo zegt de Here, Die de hemelen schiep; God Zelf, die de aarde geformeerd, en het gemaakt heeft: Hij heeft het gevestigd, Hij schiep het niet tevergeefs, Hij formeerde het om te bewonen; Ik ben de Here; en er is geen ander.”Jes.45:18{KJV}. {TN9: 21.2}

21

Aangezien de Schriften veel zeggen over de nieuw gemaakte “hemel,” en ook over “de hemelen,” rust de verantwoordelijkheid daarom, om het verschil vast te stellen tussen hemel en hemelen, op iedere onderzoeker naar waarheid. Met dit doel vervolgend, moeten wij eerst in beschouwing nemen

De Hemel in het Begin. {TN9: 22.1}

“Laat er een uitspansel zijn in het midden der wateren,” sprak de heer, bij het scheppen van de aarde, “en laat het de wateren scheiden van de wateren. En God maakte een uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren die onder het uitspansel waren en de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo. En God noemde het uitspansel Hemel.” Gen.1:6-8{KJV}. {TN9: 22.2}

In den beginne, “had de Here God het niet,” laat ons gedenken, “doen regenen op de aarde”(Gen.2:5), en er was water “boven het uitspansel” evenals “onder het uitspansel”: en het uitspansel noemde Hij “Hemel.” Gen.1:7,8. Deze gescheiden wateren konden niet het water zijn in de wolken, die nu dienen als watervoorziening voor de aarde, want de bovenste wateren waren niet in het midden van het uitspansel, zoals de wolken dat zijn, maar erboven. Dus, net zoals de aarde omringd was door het uitspansel, zo was ook het uitspansel omringd door water. De aarde was, met andere woorden, tweemaal omringd, zoals wordt getoond in de afbeelding, — eerst door het uitspansel; daarna door het water. {TN9: 22.3}

22

shepherds-rod-tract-9-heaven-beginning

Aangezien beide het uitspansel en het water transparant {doorzichtig of doorlatend} waren, en het water slechts een dunne bedekking vormde rondom het uitspansel, schenen de stralen van de zon even helder op de aarde in die tijd als zij dat nu doen.  En aangezien ook de zonnestralen in die tijd

23

het water raakten, voordat zij werden afgekoeld door het zware lucht van de atmosfeer, dan waren zij heter wanneer zij het water boven het uitspansel bereikten, dan zij dat nu zijn onder het uitspansel, wanneer zij de aarde bereiken. Zijnde eerst verspreid door het water, maakten de stralen het heet; het hete water op zijn beurt verwarmde, door te circulerend rondom het uitspansel, de aarde overal gelijkmatig –zowel bij de polen als bij de evenaar.  De enige verandering in temperatuur vond incidenteel plaats door de aanwezigheid van licht (dag) en de afwezigheid van licht (nacht). Dus was de nacht toentertijd, evenals nu, koeler dan de dag. Maar aangezien deze toestand niet langer overheerst, heeft de ramp vanzelfsprekend op enige tijd veroorzaakt

De Afbreuk van het Verwarmingssysteem van de Aarde. {TN9: 23.1}

In het begin bloeiden de nu bevroren gebieden van de polen met vegetatie en hadden zij een overvloed aan dieren, welke de geologen nu ontdekken, bewaard in het ijs. Wie zou dan kunnen eraan twijfelen dat het water “boven het uitspansel” het verwarmingsegalisatie systeem was van de aarde? Maar zodra het water, bij de vervulling van de voorzegging van Noach, begon neer te dalen,–in feite, zelfs voordat het enige kans had om neer te dalen tot de lagere gebieden van de aarde, — werd dit natuurlijke thermosstatische systeem haastig afgebroken, en de regen bevroor, toen het op aarde viel, zo plotseling in de poolgebieden, dat de dieren, terwijl zij nog leefden, ermee bevroren; zij hadden klaarblijkelijk niet eens tijd om hun voedsel

24

in te slikken, zoals het feitelijk wordt vastgesteld door verscheidene archeologische opgravingen. {TN9: 24.1}

De aarde, nu bestaande zonder haar verwarmingsegalisatie systeem, wordt getroffen met intense hitte wanneer de zon zich in een dusdanige positie bevindt dat het zijn stralen door de minste dichtheid van de atmosfeer heenzendt, zoals dat het geval is ’s middags, wanneer de zon loodrecht neerschijnt, in plaats van in een schuine straal; en met een nog intensere hitte wanneer er een dichtheid is in de atmosfeer, zoals wordt veroorzaakt door vochtigheid en lage hoogte; terwijl omstandigheden die tegengesteld zijn aan dezen, een tegengesteld uiterste voortbrengen. De schommelende, onaangename atmosferische uitersten die tot stand zijn gebracht door de vloed, zijn slechts een andere der gevolgen van de vervloekingen die het ongeloof van de mens in goddelijke waarschuwingen en berispingen, en zijn ongehoorzaamheid aan Gods geboden, navolgden. {TN9: 25.1}

Deze tegenwerkende verstoring van de natuurlijke thermosstaat, met de resulterende onaangename toestand op aarde, die beide uitroepen, niet alleen voor een nieuwe aarde, maar ook voor een nieuwe hemel, keert onze aandacht naar

Het Zonnestelsel. {TN9: 25.2}

Inspiratie verklaart dat de zon werd geschapen op de vierde dag van de scheppingsweek, en de astronomische wetenschap heeft ontdekt dat er in onze zonnestelsel naast de planeet Aarde, acht andere planeten zijn die afhankelijk zijn van de zon voor licht, warmte, en leven gevende energie. (De mogelijkheid bestaat, dat er nog drie planeten ontdekt zullen

25

worden, want volgens Genesis 37:9 en andere feiten, moeten er twaalf hoofdplaneten in onze zonnestelsel zijn.) Gedurende de scheppingsweek, moet God dus niet alleen de aarde hebben geschapen, maar ook het gehele zonnestelsel. Anders zouden de planeten, in hun bestaan zonder voordeel te trekken van de levensbehoudende invloed van de zon, noodzakelijkerwijs moeten hebben geleden aan een onbewoonde en algemene nutteloos bestaan. Bovendien zegt Inspiratie ook dat God in de scheppingsweek de aarde, de zon, de maan, en “ook de sterren” schiep. Gen.1:16. {TN9: 25.3}

Zonder een zon, zou onze zonnestelsel slechts een planetaire samenstelling zijn geweest zonder een besturende eenheid, om zonder hoofd door de ruimte heen voort te razen en suizen, alleen maar om, bij de genadeloze bevlieging van onvoorziene omstandigheid, een oneindige opeenvolging van botsing te doorstaan. Geschapen en in werking gesteld echter, door de Hand die hen onderhoudt, volgen al de planeten veilig de zon, terwijl het door de ruimte heen voorwaarts beweegt met een enorme snelheid van 400.000.000 mijl per jaar. {TN9: 26.1}

Aangezien onze hemel en aarde een onderdeel {of eenheid} is in het zonnestelsel, dan wordt daarom bij zowel hun voorbijgaan als bij hun vernieuwd worden, noodzakelijkerwijs het gehele stelsel erbij betrokken. Dus, niet alleen onze hemel, maar ook

De Hemelen Moeten Vernieuwd Worden. {TN9: 26.2}

Aangezien elk van de planeten in ons zonnestelsel is omringd door zijn eigen uitspansel

26

of hemel, dan zijn er dus evenveel hemelen (uitspansels) als er planeten zijn in het stelsel. Op deze planetaire “hemelen” zijn de volgende schriftgedeelten van toepassing: {TN9: 26.3}

“Hierom zal de aarde treuren, en de hemelen daarboven zwart zijn.”Jer. 4:28{KJV}. “En al het heer des hemels zal uiteengegaan zijn, en de hemelen zullen samengerold zijn als een boekrol; en al hun heer zal neervallen, zoals een loof afvalt van de wijnstok, en zoals een vallende vijg van de vijgenboom.”Jes. 34:4{KJV}. {TN9: 27.1}

“Maar de dag des Heren zal komen als een dief in de nacht; in welke de hemelen zullen voorbijgaan met een groot gedruis, en de elementen zullen smelten door een gloeiende hitte, ook zullen de aarde en de werken, die daarin zijn, verbranden.” 2 Petr.3:10 {KJV}.{TN9: 27.2}

“Zij zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; ja, zij alle zullen als een kleed verouderen; als een gewaad zult Gij ze veranderen, en zij zullen veranderd zijn.” Ps.102:26 {KJV; vs.27,NBG &SV}. {TN9: 27.3}

“Want zoals de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen blijven bestaan, zegt de Here, zo zal uw zaad en uw naam blijven bestaan.” Jes.66:22{KJV}. {TN9: 27.4}

Als gevolg van de zonde op aarde,die de ganse schepping veroorzaakte te zuchten(Rom.8:22), heeft het gehele zonnegezin geleden. De voorafgaande schriftgedeelten tonen aan dat niet alleen de aarde, maar ook de hemelen verouderd zijn

27

geworden onder de vloek der zonde; dat de zonde een besmettelijke ziekte is met ver reikende gevolgen; dat “als een lid lijdt, lijden alle leden mede; of als een lid er ontvangt, delen alle leden in de vreugde” (1 Kor.12:26); dat God een absolute {of volkomen} uitroeiing van de zonde zal bewerkstelligen, en dat Hij dus niet alleen de aarde leeg zal maken, maar ook het gehele zonnestelsel; en dat terwijl Hij de nieuwe aarde maakt, Hij ook het zonnestelsel nieuw zal maken! {TN9: 27.5}

“Wat bedenkt gij tegen de Here? Hij zal een volkomen einde maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.”Nah.1:9{KJV}. “En Hij zeide tot mij: Schrijf; want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.” Openb.21:5. {TN9: 28.1}

“Zie, “ zegt Hij verder, sprekende met het oog op de dag dat Hij “en volkomen einde “ zal uitvoeren, “Ik zal tot u zenden de profeet Elia, voordat de grote en vreselijke dag des Heren komt.” Mal.4:5. Vandaar de woorden van Jezus: “Elias zal waarlijk eerst komen, en”

Zal “Alles Herstellen.” {TN9: 28.2}

Matt.17:11{KJV}.

Alhoewel het verloren is gegaan door de zonde, zal alles wat was geschapen in het begin hersteld worden in “de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten, vanaf de wereld begon.”Handelingen 3:21{KJV}. Hebbende de zee geschapen voordat de zonde begon, dan is het wegdoen daarvan na de uitroeiing van de zonde, zoals sommigen onderwijzen

28

dat Hij dat zal doen, zeker niet dat Hij “alle dingen” herstelt, maar eerder dat Hij ze wegdoet, en zou impliceren dat Hij in het begin een fout heeft gemaakt  door de zee te scheppen, aldus Zijn aankondiging niet waar makend, “dat het goed was.” Gen.1:10. Aangezien bovendien de slang, niet de zee, Adam en Eva deed zondigen (Gen.3:1-7), en aangezien de slang in het herstelde koninkrijk zal zijn (Jes. 65:25), waarom zou God dan de zee moeten wegdoen? {TN9: 28.3}

“God is jaloers,” verklaart de profeet Nahum in zijn visioen over de tijd van het einde, “en de Here wreekt; de Here wreekt, en is grimmig; de Here zal zijn tegenpartijders vergelden, en Hij bewaart de toorn voor Zijn vijanden. De Here is lankmoedig, en groot van kracht, en zal de goddeloze geenszins ongestraft laten; de here heeft Zijn weg in de wervelwind en in de storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten. Hij dreigt de zee, en doet haar opdrogen, en legt alle rivieren droog; Basan kwijnt weg, en Carmel, en de bloem van de Libanon verwelkt. De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten, en de aarde wordt verbrand bij Zijn aanwezigheid, ja, de wereld, en allen die daarin wonen. Wie kan standhouden voor Zijn gramschap? En wie kan staande blijven bij Zijn brandende toorn? Zijn grimmigheid wordt uitgegoten als vuur, en de rotsen worden door Hem neergestort. De Here is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; en Hij kent hen die op Hem vertrouwen. Maar met een overstromende vloed

29

zal Hij een volkomen einde maken aan de plaats daarvan, en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen. Wat bedenkt gij tegen de Here? Hij zal een volkomen einde maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.”Nah.1:2-9{KJV}. {TN9: 29.1}

“(…)Ik zag, ” zegt Johannes de Openbaarder op gelijke wijze, na de verwoesting van de aarde te hebben aanschouwd, “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de  eerste aarde waren voorbijgegaan; en de zee was niet meer.” Openb.21:1. {TN9: 30.1}

Wanneer was de zee niet meer? –Toen de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. Het schriftgedeelte zegt niet dat er geen zee meer zal zijn in de nieuw gemaakte aarde. Het zegt simpelweg dat “er geen zee meer was” terwijl de hemel en de aarde in hun verwijderde staat verkeerden –“voorbijgegaan.” Met ander woorden, het eerste gedeelte van het vers brengt in zicht een “nieuwe hemel en een nieuwe aarde,” terwijl het laatste gedeelte voorzegt dat er geen zee meer zal zijn voordat de “nieuwe hemel” en de “nieuwe aarde” zijn gemaakt. {TN9: 30.2}

Aldus zal de Heer, op grond van de onbetwistbare beslistheid van Zijn Eigen Woord, alle dingen ten einde brengen, zelfs tot aan het droogleggen van de rivieren en de zeeën, wanneer Hij een schone verwijdering maakt van de zonde. {TN9: 30.3}

Aangezien onze gehele zonnestelsel daarom, samen met onze hemel en aarde, zal voorbijgaan, dan zullen niet alleen de heiligen van de aarde, maar met hen ook de zonen van God

30

van het gehele stelsel, leven en heersen met Christus in de Hemel der hemelen voor duizend jaren! O, wat een voorrecht! Wat een gelegenheid! Wat een vergadering zal dat zijn! {TN9: 30.4}

“Ik heb de tedere liefde gezien, die God heeft voor Zijn volk, en die is zeer groot.(..) de Hemel is een goede plaats. Ik verlang ernaar om daar te zijn, en mijn lieflijke Jezus te aanschouwen, die Zijn leven voor mij gegeven heeft, en veranderd te worden in Zijn heerlijk beeld. O, dat ik de woorden had om de heerlijkheid van de schone wereld, die te komen staat, te beschrijven! Ik dorst naar de levende stromen, die de stad van onze God verblijden.”—Early Writings, pp.39 {Eerste Geschriften, blz. 34,35}. {TN9: 31.1}

Door deze meest glorieuze beloning wordt men aangemoedigd om verder te studeren om de waarheid te kennen. Tot De Openbaring, de ontvouwing van de profetieën, wordt men daarom geleid voor een onderzoek naar belangrijke

GEBEURTENISSEN ROND HET MILLENNIUM. {TN9: 31.2}

Laat ons onze onverdeelde aandacht schenken aan de schriftgedeelten die verslag brengen van de dingen die zullen plaatsvinden net voordat de duizend jaren beginnen—de dingen die de duizend jarige periode van vrede zullen tot stand brengen, zoals wordt geopenbaard door Johannes: {TN9: 31.3}

“(…)Ik zag(…)een wit paard; en Hij, Die erop zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig(…)Hij was gekleed met een kleed, dat met bloed gekleurd was; en Zijn naam wordt genaamd het Woord Gods.(…)En Hij had aan zijn kleed en op Zijn dij een naam

31

geschreven: KONING DER KONINGEN, EN HERE DER HEREN.” Openb.19:11,13,16. {TN9: 31.4}

Hier openbaart Christus Zichzelf, niet als een priester of een lam, maar als de Koning der koningen, betredende “de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de gramschap van de Almachtige God.” Vers 15. Dit is Zijn

Doden van de Goddelozen. {TN9: 32.1}

De “engel, staande in de zon(…)riep met een luide stem, zeggende tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen: Kom, en vergadert u tot het avondmaal van de grote God; opdat gij kunt eten het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle mensen, beide vrijen en slaven, beide klein en groot. En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heerlegers vergaderd, om oorlog te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heerleger. {TN9: 32.2}

“En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hem gedaan had, waardoor hij verleid had hen, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en hen, die zijn beeld aanbaden. Deze twee werden levend geworpen in een poel des vuurs, die met zwavel brandt. En de overigen [de “koningen” en “oversten” en “sterken” en “paarden” en “dergenen, die daarop zitten” en alle mensen, beide vrijen en slaven, beide klein en groot”] werden gedood met het zwaard van Hem, die op het paard

32

zat, wiens zwaard uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd met hun vlees” (Openb.19:17-21)—een definitief werk, van waaruit er duidelijk wordt gezien dat de goddelozen worden

Gedood Net Voor het Millennium. {TN9: 32.3}

Aangezien de goddelozen na het millennium niet worden gedood en hun vlees niet wordt gegeten door de vogels, maar eerder vernietigd door vuur (Openb.20:9), wordt Openbaring 19:17-21 gezien te verwijzen naar een vernietiging voor het millennium. {TN9: 33.1}

Het is daarom onbetwistbaar dat de Koning der koningen net voor het millennium allen zal doden, behalve de rechtvaardigen—behalve hen die “de overwinning”verkrijgen “over het beest, en over zijn beeld, en over zijn merkteken, en over het getal van zijn naam.” Openb.15:2. Dan zullen de rechtvaardigen doden opgewekt worden, terwijl de goddeloze doden in hun graven blijven en, samen met de goddeloze levenden, waarvan allen dan worden gedood door de Heer, “niet weer “ leven totdat de duizend jaren” zijn “voleindigd.” (Openb.20:5). {TN9: 33.2}

Aangezien bovendien, bij de aanvang van het millennium, wanneer de goddelozen worden gedood, de hemel en de aarde voorbijgaan, dan, als gevolg,

Verhuizen de Heiligen naar een Andere Sfeer. {TN9: 33.3}

Daar de Openbaring zegt dat “zij leefden en heersten met Christus duizend jaren” (Openb.20:4), leeft Christus daarom niet

33

met hen op aarde, maar eerder leven zij met Hem in “de plaats” welke Hij voor hen bereid heeft, en waarvan Johannes zegt (na gezien te hebben dat “de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan” en vervangen door “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”—Openb.21:1): En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.” Openb.21:2. {TN9: 33.4}

De goddelozen, zijnde dan verborgen in hun graven, en de rechtvaardigen, zijnde weggegaan om te leven met Christus, wordt daardoor

 Satan Alleen Achtergelaten. {TN9: 34.1}

Zwervende over de aarde tot aan de opstanding van de goddelozen (Openb.20:13), is Satan opgesloten tot duizend jaren van afzondering! Gebonden door deze keten van omstandigheden, is hij niet in staat om “de natiën te misleiden” (vers 3{KJV}), totdat de doden die “niet weer leefden totdat de duizend jaren voleindigd waren,” opstaan om te leven, volgend op het

Oordeel Gedurende het Millennium. {TN9: 34.2}

Als een aardse rechter een misdadiger niet beschuldigt en veroordeelt zonder het voordeel van een onderzoek door de jury, dan zal de alrechtvaardige God des Hemels dat zeker ook niet doen. Hij zal geen laatste vonnis uitspreken over de goddelozen, en beschuldigend van zonde en hen veroordelend om “de tweede dood” te sterven (Openb.20:14), tot nadat Hij de heiligen (de jury) de gelegenheid heeft gegeven om voor zichzelf getuigen te zijn van het oordeel van de goddelozen—de echtgenoten, echtgenotes, kinderen, familieleden,

34

vrienden en kennissen die dan ontbreken in de woonplaatsen daarboven—en hun register te onderzoeken, die aantonen waarom zij niet daar zijn, maar in de plaats in hun graven beschimmelen{of verrotten} daarbeneden. {TN9: 34.3}

Opdat er geen verontschuldiging zal overblijven voor wie dan ook wegens onwetendheid, of dwaling over deze waarheid, werd Johannes niet alleen getoond de grote witte troon waarop de Grote Rechter zit, “voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten” (vers 11), maar ook andere tronen, of zetels, waarop de jury klaarblijkelijk zit. En in plaats van alleen maar “tienduizend maal tienduizend, en duizenden van duizenden” (Openb.5:11) engelen als getuigen, zag hij aanwezig bij deze gelegenheid ook “de zielen van hen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord van God, en die niet aanbaden hadden het beest, noch zijn beeld, noch zijn merkteken op hun voorhoofden, of in hun handen, ontvangen hadden; en zij leefden en heersten met Christus duizend jaren(…)Dit is de eerste opstanding.” Verzen 4,5. {TN9: 35.1}

Het feit echter, dat “de overigen der doden niet weer leefden totdat de duizend jaren voleindigd waren” (vers 5), toont aan dat degenen die aanwezig waren voor de troon, waren opgewekt. {TN9: 35.2}

Maar de doden, “klein en groot,”die niet opstaan in de eerste opstanding (Openb.20:6), zag Johannes figuurlijk “staan voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het

35

Boek des levens; en de doden werden geoordeeld naar hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.” Vers 12. Met de afsluiting van dit werk, komt de gebeurtenis

Na het Oordeel. {TN9: 35.3}

Toen het oordeel was afgelopen en de duizend jaren waren verstreken, “gaf de zee de doden, die daarin waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.” Openb.20:13{KJV}. {TN9: 36.1}

“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, en hun God zijn. En {God} zal alle tranen van hun ogen afwissen; en er zal geen dood meer zijn, noch rouw, noch geween, noch moeite zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.” Openb.21:2-4{KJV} {TN9: 36.2}

Zijnde neergedaald met de heiligen, die voor altijd met Hem zullen heersen op de nieuw gemaakte aarde, roept Christus de goddeloze doden uit hun graven, terwijl er tegelijkertijd “een grote stem uit de hemel” wordt gehoord, “zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij

36

zal bij hen wonen (Openb.21:3), terwijl gedurende de duizend jaren, zij hebben “geleefd” met Hem (Openb.20:4). Waarbij

Satan Voor een Kleine Tijd Wordt Losgelaten. {TN9: 36.3}

Door de opstanding van de goddeloze doden, “(…)zal Satan uit zijn gevangenis losgelaten worden, en zal uitgaan om de natiën te misleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, de God en de Magog, om het te vergaderen tot de strijd; het getal van hen is als het zand der zee.” Openb. 20:7,8.{KJV} {TN9: 37.1}

Betreffende deze “kleine tijd” waarin Satan zal worden toegelaten om de natien te misleiden, hoorde de profeet Jesaja de Heer zeggen: {TN9: 37.2}

“Want zie, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar wees gij vrolijk en verheugt u in eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en de stem van geween zal niet meer in haar gehoord worden, noch de stem van geschreeuw. Er zal daar niet meer wezen een zuigeling van dagen, noch een oude man, die zijn dagen niet heeft vervuld; want het kind zal honderd jaren oud sterven; maar de zondaar, zijnde honderd jaren oud, zal vervloekt zijn. Jes.65:17-20{KJV}. {TN9: 37.3}

De lezer zal bemerken dat, wanneer de Heer de nieuwe hemelen en de nieuwe

37

aarde schept, vanaf de tijd dat de goddelozen opstaan uit hun graven, tot de tijd dat zij voor altijd vernietigd worden door de tweede dood, –de “kleine tijd”—“ Er zal daar [onder hen]niet meer wezen een zuigeling van dagen [geen geboorten meer], noch een oude man, die zijn dagen niet heeft vervuld [geen sterfgevallen meer voordat de dagen van de mens zijn vervuld]; want het kind zal honderd jaren oud sterven; maar de zondaar, zijnde honderd jaren oud, zal vervloekt zijn. Zowel oud als jong (dat wil zeggen, zij die in hun graven blijven gedurende het millennium) zullen daarna gezamenlijk voortkomen, elk om “honderd jaren” te leven–“de korte tijd” waarin Satan hen weer zal misleiden. Er zullen noch sterfgevallen noch geboorten zijn, maar al de goddelozen zullen dan voor altijd vervloekt zijn met

De Tweede Dood. {TN9: 37.4}

Dat gedeelte van de nieuwe aarde, welke de goddelozen hebben betreden en verontreinigd gedurende de “korte tijd”, zal gereinigd worden door het vuur, “neer” komende “van God uit de hemel” en hen verbrandt en hun werken, terwijl zij die de nieuwe aarde zullen bewonen in de eeuwigheid, beschermd {beschut} zullen zijn in en rondom “de heilige stad.” Openb.21:2. {TN9: 38.1}

“En zij gingen op over de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neer van God uit de hemel, en verslond hen. En de duivel,

38

die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel, waar het beest en de valse profeet zijn, en zal gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid(…)En de dood en de heel werden geworpen in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood. En wie dan ook niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in de poel des vuurs. Openb.20:9,10,14,15 {KJV}. {TN9: 38.2}

Aangezien niet alleen Satan, maar ook “wie dan ook niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in de poel des vuurs,” dan zet het vuur in de poel simpelweg dezelfde vernietiging voort die tot stand werd gebracht door het vuur dat “neer” komt “van God uit de hemel.” Vers 9. Na e duizend jaren, anders gezegd, heeft het vuur dat “neer” komt “van God uit de hemel” tot gevolg “de poel des vuurs” (Vers 10) en de eeuwige uitroeiing van alle zondaars. Van deze laatste vernietiging, zal er een demonstratie gegeven worden voor het millennium, wanneer het beest en de valse profeet worden geworpen in de ”poel des vuurs”—hun graf voor de duizend jaren. En omdat het vuur natuurlijk niet blijft branden gedurende de duizend jaren, toont de verklaring: “de duivel(…)werd in de poel van vuur en zwavel, waar het beest en de valse profeet zijn” (Vers 10) daarom aan, dat er zowel een typische als een antitypische vernietiging zijn; de poel des vuurs voor het millennium, zijnde een type van die ene na het millennium. {TN9: 39.1}

“Daar  dan deze dingen alle zullen vergaan, “ zegt de apostel,

39

“Hoedanig Een Persoon Behoort Gij Te Zijn?” {TN9: 39.2}

De Schriften vermanen dat degenen die in de Waarheid zijn, verkeren “in alle heilige wandel en godsvrucht, verwachtende en haastende tot de komst van de dag Gods, in welke de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen zullen versmelten door vurige hitte? Niettemin verwachten wij naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, beijvert u, opdat gij door Hem in vrede bevonden moogt worden, onbevlekt en onberispelijk”(2 Petr.3:11-14), en dit te meer terwijl Hij

ZIJN KONINKRIJK OPRICHT. {TN9: 40.1}

“Te dien dage”(wanneer de Heer op het punt staat de aarde ledig te maken), “zal” Hij “Zijn hand ten tweede male opheffen,” zegt de profeet Jesaja, “om weer te verwerven het overblijfsel van Zijn volk, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Kus, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten voor de natiën, en zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden van Juda vergaderen, van de vier hoeken der aarde. Jes.11:11,12{KJV}. {TN9: 40.2}

Het vergaderingwerk dat in deze schriftgedeelten wordt voorgezet, toont aan, dat vóór de opstanding van de rechtvaardigen (1 Thess.4:16) en vóór de vernietiging van de natiën vóór het

40

millennium, de Heer Zijn Koninkrijk in de eerste plaats zal opmaken uit de levende heiligen alleen, zoals wordt gezien uit de profetie van Daniël 2: de “steen” zijnde “afgesneden” uit de berg (vers 45), en zijnde een symbolische voorstelling van het koninkrijk van Christus in zijn beginfase (vers 44), dan moet de berg van waaruit het is afgesneden, noodzakelijkerwijs de kerk voorstellen van waaruit de eerste vruchten van het koninkrijk, de 144.000, worden vergaderd. En omdat de steen groeit en “een grote berg” wordt nadat het is “afgesneden,” dan stelt het vanzelfsprekend het koninkrijk voor in zijn beginstadium—alleen de “eerste vruchten.” Het feit ook, dat de steen groeit en “de gehele aarde” vult, is een ander bewijs in de bewijsvoering, dat nadat dit lang verwachte koninkrijk is “opgericht,” er een grote schare eraan wordt toegevoegd. Ware dit niet zo, dan kon de steen niet tot “een grote berg” worden. Daar het verder nog eerst slechts een zeer kleine gedeelte is van de berg, toont aan dat het koninkrijk een zeer klein begin heeft, net zoals de heer dat zegt: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, (…) dat wel het minste is onder al de zaden; mar het gegroeid is, dan is het de grootste onder de kruidgewassen.” Matt.13:31,32{KJV}. {TN9: 40.3}

De “berg,” het koninkrijk van God, is dan duidelijk begonnen met de eerste vruchten der levenden (de 144.000) en wordt gevolgd door de tweede de vruchten der levenden (de grote schare—Openb.7:9), en wordt voltooid met de eerste en tweede vruchten der doden –de 120 (zij die de Geest

41

ontvingen op de Pinksterdag), plus degenen die opstonden met Christus (Matt.27:52,53), plus de grote schare die Hem aannamen na de Pinsterdag (Handelingen 5:14), plus allen die opstaan tot eeuwig leven in de opstanding van Daniël 12:2, plus de overblijvende doden van alle eeuwen, die opstaan op de grote opstandingsdag (Openb.20:6), en ook degenen van Ezech.37:1-14{KJV}. {TN9: 41.1}

Teruggaand naar de profetie van Daniël, vinden wij daar

De Dagen Waarin het Koninkrijk Wordt Opgericht. {TN9: 42.1}

“In de dagen van die koningen [niet na, maar in de dagen van de koningen die worden gesymboliseerd met de voeten en tenen van het grote beeld] zal de God des hemels, “ zegt Daniël, de aandacht vestigend op het koninkrijk in zijn beginfase, “een koninkrijk oprichten, welke nimmer vernietigd zal worden; en het koninkrijk zal niet worden overgelaten aan andere volken, maar het [het koninkrijk] zal al deze koninkrijken aan stukken slaan en verteren, en het zal in eeuwigheid bestaan. “ Dan.2:44{KJV}. Aldus zien wij dat terwijl de natiën van onze tijd (voorgesteld door de voeten en tenen van het grote beeld in Daniël 2:41,42) nog bestaan, de Heer het koninkrijk zal oprichten waarmee Hij hen zal omverwerpen. Dan zal er gezegd worden: “De koninkrijken van deze wereld zijn geworden de koninkrijken van onze Here, en van Zijn Christus; en Hij zal heersen in alle eeuwigheid.” Openb.11:15{KJV}. {TN9: 42.2}

42

De veroordeling uitsprekend over het vroegere Israël, beschrijft de profeet Hosea de ernstige woorden: “(…) de kinderen Israëls zullen vele dagen verblijven zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder beeld, en zonder efod, en zonder terafim.”Hos.3:4{KJV}. Tegelijkertijd echter, werd een belofte gemaakt, dat “daarna [na de vele dagen] zullen de kinderen Israëls terugkeren, en zoeken de Here hun God, en David hun koning; en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid, in de laatste dagen.” Hos.3:5{KJV}. {TN9: 43.1}

Aangezien David van ouds in zijn graf is, dan moet de koning die hier wordt beloofd een antitypische David zijn, net zoals de Elia van Maleachi 4:5 een antitypische Elia moet zijn. Anders moet, ten einde de profetie in vervulling te laten gaan, de vroegere David noodzakelijkerwijs opstaan uit zijn graf, en de vroegere Elia neerdalen uit de hemel. {TN9: 43.2}

Daniel’s verklaring (blz.42), dat de Heer met dit antitypische koninkrijk de natiën zal verbreken, en Jeremia’s verklaring (in de opvolgende paragraven) dat het Zijn strijdbijl is, tonen duidelijk aan

Het Vergeldende Werk van het Koninkrijk {TN9: 43.3}

“Gij zijt Mijn strijdbijl en strijdwapens, “ zegt de Heer tot Israël van vandaag (zij die het koninkrijk in het beginstadium zullen samenstellen), “want met u zal Ik in stukken slaan de natiën, en met u zal Ik koninkrijken vernietigen;(…)ook zal Ik met u in stukken

43

slaan man en vrouw; en met u zal Ik in stukken slaan oud en jong; en met u zal Ik in stukken slaan de jonge man en de jonkvrouw; Ik zal ook met u in stukken slaan de herder en zijn kudde; en met u zal Ik in stukken slaan de landbouwer en zijn span ossen; en met u zal Ik in stukken slaan oversten en heersers.” Jer.51:20-23{KJV}.{TN9: 43.4}

Dit schriftgedeelte kan niet toepasselijk zijn op het Israël in de tijd van Jeremia, want zij leed toen eerder verlies dan dat zijn overwon, en vanaf die tijd tot nu toe, heeft zij geen eigen koninkrijk gehad. Het is daarom vanzelfsprekend het Israël van deze laatste dagen, het koninkrijk, door wiens werking God deze wereld ten einde zal brengen. {TN9: 44.1}

Dit spoedig komende koninkrijk, zijnde niet als een aardse koninkrijk, maar als een hemelse, dan zal haar grensgebied een plaats zijn van

Volmaakte Vrede en Absolute Veiligheid. {TN9: 44.2}

Zowel de koning als het koninkrijk kenmerkend, dat na de “vele dagen” zal worden gevestigd, verklaart de profeet Jesaja: “(…) met gerechtigheid zal Hij de armen richten, en met billijkheid zal Hij de zachtmoedigen der aarde bestraffen; en Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen doden. En gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn, en trouw de gordel van Zijn lendenen. {TN9: 44.3}

44

“De wolf zal ook met het lam verkeren, en de luipaard zal zich bij het bokje nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen; en een klein kind zal ze hoeden. En de koe en de berin zullen {samen} weiden; hun jongen zullen zich samen nederliggen; en de leeuw zal stro eten als een os. En de zuigeling zal spelen bij het hol van een adder, en het gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk {giftige slang}. Zij zullen geen schade toebrengen noch vernietigen op gans Mijn heilige berg; want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, gelijk de wateren de {bodem der} zee bedekken.” Jes. 11:4-9{KJV}. {TN9: 45.1}

Deze geprofeteerde periode van absolute gerechtigheid, vrede, en kennis van God (in het koninkrijk) onder de regering van het “rijsje” (David) en van de “Scheut” (Christus), moet beginnen

Vóór de Afsluiting van de Genadetijd. {TN9: 45.2}

De Schriften tonen aan dat het koninkrijk wordt gevestigd vóór, in plaats van bij, het begin van het millennium, want “te dien dage [op de dag dat het koninkrijk is opgericht en vrede heerst] (…) zal (..)een wortel van Isaї [het rijsje en de Scheut](…)staan tot een banier van het volk [van het koninkrijk],” zegt Jesaja, en “daarnaar zullen de Heidenen zoeken.” Jes.11:10 {KJV}. En omdat de deuren van het koninkrijk na de afsluiting van de genadetijd voor allen gesloten zullen zijn, moet het banier daarom opgericht worden voordat de genadetijd afsluit; de enige tijd waarin de heidenen een kans zullen hebben om bekeerd te

45

worden tot de Heer en Zijn koninkrijk,–een bekende conclusie uit de volgende schriftgedeelten: {TN9: 45.3}

“Ook heeft hij voor u, o Juda, een oogst gezet, toen Ik de gevangenschap van Mijn volk wendde.” Hos.6:11{KJV}. {TN9: 46.1}

Alzo zal het geschieden “dat de berg van het huis des Heren zal gevestigd zijn op de top der bergen, en zal verheven zijn boven de heuvelen; en alle natiën zullen ertoe vloeien. En vele volken zullen opgaan en zeggen: Komt, en laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs; en Hij zal ons leren van Zijn wegen, en wij zullen wandelen in Zijn paden; want vanuit Sion zal de wet voortgaan, en het woord des Heren vanuit Jeruzalem.” Jes.2:2,3{KJV}. {TN9: 46.2}

Zeker zullen de eilanden op Mij wachten, en de schepen van Tarsis als eerste, om uw zonen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de naam van de Here uw God, en tot de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft. En de zonen van vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn sloeg Ik u, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. Daarom zullen uw poorten voortdurend openstaan; zij zullen niet gesloten zijn, dag noch nacht; opdat men tot u kan brengen het vermogen der heidenen, en opdat hun koning gebracht kunnen worden. Want de natie en het koninkrijk dat u niet zal dienen, zal vergaan; ja, die natiën zullen volkomen verwoest worden. {TN9: 46.3}

45

 “De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, de dennenboom, de pijnboom, en de buksboom tezamen, om de plaats van Mijn heiligdom te versieren; en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Ook zullen de zonen van hen, die u onderdrukten, buigende tot u komen; en allen die u verachtten zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen; en zij zullen u noemen: De stad des Heren, het Sion van de Heilige Israëls. Terwijl gij verlaten waart en gehaat, zodat niemand door u heentrok, zal ik u tot een eeuwige voortreffelijkheid maken, een vreugde van vele geslachten” (Jes.60:9-15) in het land

Waar het Koninkrijk Staat: Daar Bestaat de Zonde Niet. {TN9: 47.1}

“Want zie, de dagen komen, zegt de Here, dat Ik de gevangenschap van Mijn volk Israel en Juda zal wenden, zegt de Here; en Ik zal hen doen terugkeren tot het land dat ik aan hun vaders gaf, en zij zullen het bezitten(…)Want Ik zal de gezondheid tot u herstellen, en Ik zal u genezen van uw wonden, zegt de Here; omdat zij u noemden een Verworpene, zeggende: Dit is Sion, waar niemand naar vraagt. {TN9: 47.2}

“Zo zegt de Here: Zie, Ik zal de gevangenis van de tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar eigen hoop, en het paleis zal {staande} blijven naar zijn wijze. {TN9: 47.3}

47

 En van hen zal dankzegging uitgaan, en de stem van hen die vrolijkheid maken; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet weinig zijn; ook zal Ik hen verheerlijken, en zij zullen niet klein zijn. Jer.30:3,17-19{KJV}. {TN9: 48.1}

“Want Ik zal u weghalen van onder de heidenen, en u bijeen vergaderen uit alle landen, en zal u brengen in uw eigen land. Dan zal Ik rein water over u sprengen, en gij zult rein zijn; van al uw onreinheid, en van al uw afgoden, zal Ik u reinigen. Een nieuw hart zal Ik u ook geven [een werk dat alleen gedaan kan worden in de genadetijd], en een nieuwe geest zal Ik in uw binnenste zetten; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en Ik zal u een hart van vlees geven. En Ik zal Mijn Geest in uw binnenste zetten en maken, dat gij naar Mijn inzettingen zult wandelen, en gij zult Mijn rechten bewaren en doen.” Ezech.36:24-27{KJV}. {TN9: 48.1}

In deze naderende tijd, wanneer het volk van de Heer, dat verstrooid is geweest bijeen vergaderd zal worden “van onder de heidenen,”en gebracht in hun “eigen land,” zullen hun harten veranderd worden; dan zal er in feite gezegd worden: “wie dan ook uit God is geboren, zondigt niet; want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.” 1 johannes 3:9{KJV}. Dan zal de wet der zonde, die nu overheerst in het natuurlijk hart, niet langer bestaan. Aldus berijd van de tirannie van de zonde, zal het “stenen hart” vervangen zijn

48

door een “hart van vlees” met de wet van God erop geschreven voor eeuwig. {TN9: 48.3}

Juist het feit dat God nu het koninkrijk van Israël zal herstellen, doet de vraag oprijzen of Hij het al dan niet zal doen door middel van de huidige poging van

De Joden, Terugkerend naar Jeruzalem. {TN9: 49.1}

Met betrekking tot de huidige activiteiten in Jeruzalem van oud, en van de terugkerende Joden naar hun thuisland, als het vervullen van de belofte, gemaakt tot de afstammelingen van Jakob, moeten wij niet uit het oog verliezen het feit dat de beloften niet hun vervulling zullen vinden in het terugkeren naar het beloofde land, van hetzij de Joden die hun Heer verloochend en gekruisigd hebben, of hun afstammelingen die over haast tweeduizend jaren hebben verzuimd om Hen aan te nemen als hun verlosser, maar eerder doordat God die Joden daar brengt, die niet alleen Joden zijn door bloedverwant, maar ook door het geloof. {TN9: 49.2}

De belofte is daarom onmiskenbaar bestemd voor de laatstgenoemden, en hun afstammelingen, die de Christelijke kerk samenstelden aan haar beginfase, en die bereid zijn voor hun Heer te sterven, in plaats van Hem te verloochenen. De belofte is, met andere woorden, niet bestemd voor de onbekeerden (ten eerste voorgesteld door Ismaël, en ten tweede door Ezau); het is eerder voor hun jongere broeders—de bekeerde Joden (voorgesteld eerst door Izaak, en ten tweede door Jakob). Het is daarom voor degenen die de Heer hebben toegestaan om hun namen te veranderen van “Joden” (vleselijk Israël) tot

49

 “Christenen” (geestelijk Israël), net zoals Jakob, hun voorvader, God toeliet zijn naam te veranderen van Jakob tot Israël. Aldus zijnde van natuurlijke geboorte het zaad van Jakob, en door geestelijke geboorte het zaad van Christus (de Waarheid), zijn zij beide zonen van Jakob en zonen van God, en daardoor (ras)echte Joden, ware Israëlieten. {TN9: 49.3}

“(…)Ik ken de godslastering,”zegt de engel, “van hen die zegen dat zij Joden zijn, en dat niet zijn, maar de synagoge van Satan zijn.” Openb.2:9{KJV}. {TN9: 50.1}

Hoewel de eerste Christelijke kerk werd opgemaakt uitsluitend door Joden, verloren zij toch, toen zij “Christenen” genoemd begonnen te worden (de nieuwe Joodse sekte), in tegenstelling tot de Joden (de oude Joodse sekte), geleidelijk aan hun raciale onderscheiding, totdat zij uiteindelijk helemaal stopten Joden genoemd te worden; terwijl de niet-christelijke Joden door de eeuwen heen hun raciale identiteit in tact bewaard hebben. {TN9: 50.2}

“Want er staat geschreven, ”zegt Paulus, figuurlijk deze twee lijnen identificerend, “dat Abraham twee zonen had, de een uit een dienstmaagd en de ander uit een vrije. Maar hij die van de dienstmaagd was, was geboren naar het vlees; maar die van de vrije was door de belofte. Welke dingen een zinnebeeldige voorstelling zijn; want dezen zijn de twee verbonden; de een van de berg Sinaї, tot dienstbaarheid barende, welke is Hagar. Want deze Hagar betekent de berg Sinaї en Arabiё, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en is in

50

dienstbaarheid met haar kinderen. Maar Jeruzalem, dat boven is, is vrij, welke de moeder is van ons allen. Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart; breekt uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de verlatene heeft veel meer kinderen dan haar, die een man heeft. {TN9: 50.3}

“Wij nu, broeders, zijn de kinderen der belofte, gelijk Izaak was. Doch gelijk toen, hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde, die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu. Maar wat zegt het schriftwoord? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met de zoon der vrije. Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.” Gal.4:22-31{KJV}. {TN9: 51.1}

Dienovereenkomstig, aangezien de 144.000 klaarblijkelijk niet samengesteld kunnen zijn uit Joden die niet bekeerd zijn tot Christus, zien wij dat wij dieper moeten graven bij het

Identificeren van de 144.000 {TN9: 51.2}

  1. Zij zijn de “eerste vruchten.” Openb.14:4{KJV}.
  1. Zij worden verzegeld in een tijd van vrede, terwijl de vier engelen “de vier winden tegenhouden.” Openb.7:1-3.
  1. Zij zijn “niet bevlekt met vrouwen.” Openb.14:4{KJV}.
  2. Zij hebben in hun mond “geen bedrog.” Vers 5.

51

  1. Zij staan met het Lam op de berg Sion, en volgen Hem “waar Hij ook heengaat.” Verzen 1,4.
  2. Zij hebben  de “Vader’s naam geschreven aan hun voorhoofden.” Vers.1.
  3. Volgend op de verzegeling, “stond” er een grote schare, “uit alle natien, en geslachten, en volken, en talen,” zegt de Openbaarder, “voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met witte klederen, en palmtakken in hun handen.”Open.7:1-9.

In het licht van deze zeven feiten, wordt de identiteit en de missie van de 144.000 vastgesteld. {TN9: 52.1}

Alleen al het feit op zich dat zij eerste vruchten zijn, geeft ons niet het recht te concluderen dat zij verzegeld zijn geweest gedurende het eerste gedeelte van de menselijke geschiedenis. Inderdaad, dat zij Israëlieten zijn, afstammelingen van Jakob, sluit beslist uit dat zij verzegeld zijn geweest in de tijd van hetzij Adam tot Noach of van Noach tot Jakob–voordat Israël was geboren. Ook konden zij niet verzegeld zijn gedurende de drie en een halve jaren van de persoonlijk bediening van Christus op aarde, als dat zich voorstelt als een mogelijke tijd; want Christus Zelf en al Zijn volgelingen, werden in die tijd vervolgd, velen van hen werden gedood; terwijl gedurende de verzegeling van de 144.000, worden de “vier winden,” een voorstelling van al de natiën die verspreid zijn over de vier hoeken der aarde,

52

niet toegelaten de waaien—om wat dan ook te beschadigen (Openb.7:1). {TN9: 52.2}

En omdat de natiën gedurende de verzegelingperiode ervan worden weerhouden om de verzegeling van de rechtvaardigen te verhinderen, en de “vier engelen” (Openb.7:2) worden opgedragen de goddelozen niet te beschadigen, zien wij dat de 144.000 worden verzegeld in een periode van vrede—niet in een tijd, echter, van vrede onder de natiën zelf, maar eerder in een tijd waarin het noch de natiën worden toegestaan de kerk (zij die worden verzegeld) te vervolgen, noch de engelen worden toegestaan om de goddelozen schade toe te brengen.  Deze toestand, echter, zijnde in tegenstelling tot die bestond in de dagen van de apostelen, toen zowel de Romeinen als de Joden de Christenen vervolgden, en toen God het leven nam van Ananias en Safira, en vernietiging teweeg bracht over Jeruzalem, dan kan niemand dus oprecht concluderen dat de 144.000 in die tijd waren verzegeld. {TN9: 53.1}

Noch konden zij, zoals sommigen denken, degenen zijn die uit hun graven opstonden toen Christus “de geest gaf”(Matt.27:50,52,53), want de engel kwam, naast de reeds opgegeven redenen, “van het oosten, “niet om hen uit hun graven te roepen, maar om hen te verzegelen in hun voorhoofden (Openb.7:3,4). {TN9: 53.2}

Bovendien werd de Openbaarder verteld, dat de dingen die hij zou schrijven, “hierna”(Openb.4:1) zouden geschieden –na {het jaar} 96 N.Chr., toen hij het visioen kreeg. En

53

 verder nog, vindt de verzegeling van de 144.000 plaats in de periode van “het zesde” zegel, net voor het openen van “het zevende” zegel(Openb.6:12-17; 7:1-17; 8:1), kort voor het einde van alle dingen. {TN9: 53.3}

En verder nog, in plaats van te worden genoemd eerstgeborenen, worden zij “eerste vruchten “genoemd –een benaming die aantoont dat zij van

De Eerste Vruchten Zijn van de Oogst. {TN9: 54.1}

Aangezien alle boeken van de Bijbel samenkomen en eindigen in de Openbaring, dan moet de verzegeling van de 144.000 als gevolg zijn aanvulling vinden in de geschriften van de profeten. En omdat er nergens anders dan in Ezechiël 9 een gebeurtenis wordt gevonden die overeen komt met die van Openbaring 7, dan volgt het dat het merken en de verzegeling identiek zijn, waarvan beiden de goddelozen zullen scheiden van de rechtvaardigen; de engelen in de eerstgenoemde, slaan allen neer die het merkteken niet hebben; de engelen in de laatstgenoemde, brengen schade toe aan allen, die het zegel niet hebben. (Zie Ezechiël 9:4-6; Openbaring 7:2,3; 9:15). {TN9: 54.2}

Het feit daarom, dat er in geen enkele tijd van de kerkgeschiedenis, behalve in de dagen van Noach, God al de goddelozen vernietigde en alleen de rechtvaardigen spaarde, is beslissend bewijs in de bewijsvoering dat het merken, of de verzegeling, van de 144.000, nog niet volledig is. Het is dan duidelijk, dat onder Gods volk, degenen die falen het zegel te ontvangen, in de afbeelding van de gelijkenis worden voorgesteld door het “onkruid,” en zijn aangesteld voor vernietiging, terwijl zij die het zegel ontvangen en die ontkomen

54

aan de vernietiging, worden voorgesteld door het “tarwe,” en zijn bestemd voor de schuur –het koninkrijk (Matt.13:30). {TN9: 54.3}

Aangezien het “onkruid” en het tarwe zullen opgroeien tot aan de oogst, en omdat de oogst het einde der wereld is (Matt.13:30,39), dan worden de 144.000 vanzelfsprekend eerste vruchten genoemd, omdat zij de klasse heiligen zijn (tarwe) die het eerst worden gescheiden van het onkruid. Bovendien zijn zij

Een Klasse Die niet Bevlekt is Met Vrouwen. {TN9: 55.1}

Volgens Openbaring 7, komen de 144.000 uit de twaalf stammen, Israël en Juda, niet uit de Heidenen; ook vinden zowel het merken als het slachten, volgens Ezechiël 9, plaats in zowel Israël als Juda, de kerk, waar de oogst, het oordeel, begint. En als het oordeel, vraagt de apostel, “eerst begint bij ons, wat zal dan het einde zijn van hen die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?”1 Petr.4:17. {TN9: 55.2}

Met het toenemende licht dat zich richt op dit punt komen de 144.000, de “eerste vruchten,” duidelijk naar voren als Christelijke Joden die worden gevonden in de kerk aan het begin van de oogst. In dit verband zijn zij niet bevlekt met vrouwen. Zij zijn, met andere woorden, van hun geboorte af Gods volk geweest (Joden) –niet bevlekt met heidense aanbidding. Zij “volgen het Lam waar Hij ook heengaat,” met als gevolg dat wanneer Hij op de berg Sion staat, zij ook daar staan. {TN9: 55.3}

55

 En verder, geeft het feit, dat “dezen zijn het die niet bevlekt waren met vrouwen; want zij zijn maagden,”en dat zij “de dienstknechten van onze God“ zijn, duidelijk aan dat zij

Een Klasse Zullen Bijeen Vergaderen Die Met Vrouwen Bevlekt is, Een Tweede Vruchten. {TN9: 56.1}

Deze klasse moet degenen zijn die op een tijd getrouwd zijn geweest met een onchristelijke vrouw des huizes, een heidense kerk, en die dus geen afstammelingen zijn van hetzij Jakob of de Christelijke kerk. Dus zullen er twee oogsten zijn – één van de kerk en één van de wereld; het verslag van de eerstgenoemde, vermeldt alleen de Israëlieten, de 144.000, zij die niet bevlekt zijn met vrouwen, hoewel het niet zegt dat er geen anderen kunnen zijn; terwijl het verslag van de laatstgenoemde echter, absoluut een “grote schare “behelst, uit alle natiën, die noodzakelijkerwijs zowel onbevlekt als bevlekt moeten zijn—Joden en Heidenen. {TN9: 56.2}

Aldus, aangezien er na de verzegeling van de 144.000, de eerste vruchten, een grote schare uit alle natiën komt, kunnen de laatstgenoemden logischerwijs alleen maar de tweede vruchten genoemd worden. Anders kunnen de 144.000 niet de eerste vruchten genoemd worden; want waar er geen tweede is, kan er geen eerste zijn. En omdat de eerste vruchten, de 144.000, levende heiligen zijn, is het daarom ook zo met de grote schare. De eerste vruchten, zijnde bovendien overeenkomend met de eerstgeborenen, de priesters, zijn daarom de

56

geestelijke leiders, “de dienstknechten Gods” – zij die de tweede vruchten zullen binnenbrengen. {TN9: 56.3}

Profeterend over de scheiding van de één, en de bijeen vergadering van de ander, verklaart Jesaja: “Want met vuur en met Zijn zwaard zal de Here pleiten met alle vlees; en de verslagenen des Heren zullen velen zijn(…)En Ik zal een teken onder hen stellen, en Ik zal hen, die uit hen ontkomen zijn, zenden tot de natiën, tot Tarsis, Pul, en Lud, die de boog spannen, tot Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En zij zullen al uw broeders brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën, op paarden, en in wagens, en in koetsen, en op muildieren, en op snelle beesten, naar Mijn heilige berg Jeruzalem, zegt de Here, zoals de kinderen Israëls een offer in een rein vat brengen tot het huis des Heren.” Jes. 66:16,19,20{KJV}. {TN9: 57.1}

Merk op, dat zij die aan de slachting van de Heer ontkomen worden gezonden om Zijn gerucht te verkondigen en om Zijn heerlijkheid onder de heidenen voort te tonen. “Zij zullen al” hun “broeders brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën.” Zij zullen, anders gezegd, “dit evangelie van het koninkrijk” prediken “(…)…over de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natiën; en dan zal het einde komen.” Matt.24:14{KJV}. Dit groot werk, welke geen ander ooit in staat is geweest te volbrengen, zullen deze ontkomenen doen, omdat er

57

In Hun Mond Geen Bedrog Wordt Gevonden. {TN9: 57.2}

Het feit dat de 144.000 zonder bedrog in hun mond zijn, toont aan dat zij, als dienstknechten van God, een boodschap te verkondigen hebben, en dat zij onberispelijk zullen bevonden worden bij hun verkondiging ervan; de waarheid sprekende en niets anders dan de waarheid, zullen zij voorspoedig zijn waar zij dan ook heengaan met de boodschap, hoewel zij ermee worden gezonden

Wanneer de Winden Zijn Losgelaten en Waaien. {TN9: 58.1}

Het terughouden van de winden aan de vier hoeken der aarde door de engelen, geeft aan dat zij een bepaalde wereldwijde benauwdheid tegenhouden, welke, als het zou uitbreken terwijl de kerk in haar Laodiceese toestand verkeert, de verzegeling zou verhinderen. En uit dit feit volgt het, dat onmiddellijk nadat de 144.000 zijn verzegeld, de benauwdheid zal beginnen, aantonend dat de engelen de winden loslaten. Met deze benauwdheid “zoals er nooit geweest was sinds er een natie bestond”(Dan.12:1), zal de grote schare persoonlijk geconfronteerd worden terwijl zij uit Babylon worden geroepen (Openb.18:4), om in te gaan tot het koninkrijk. {TN9: 58.2}

Deze tijd van benauwdheid wordt vooraf geschaduwd door de tegenwoordige benauwdheid die de kerk brengt over de eerste vruchten, zij die verzegeld, gemerkt worden, in haar midden, om verplaatst te worden naar het koninkrijk—de schuur (Matt.13:30), de vaten (Mat.13:48). {TN9: 58.3}

Dus, omdat het maken van het beeld van het beest (Openb. 13:11-18) in

58

profetie de enige wereldwijde gebeurtenis is van dien aard, en omdat de grote schare met palmtakken in hun handen uit een grote verdrukking komen, dan is het de enige logische conclusie, dat nadat de 144.000 verzegeld zijn, en terwijl de winden waaien, de tweede vruchten vergaderd zullen worden en het werk van het evangelie zal zijn afgesloten. {TN9: 58.4}

De benauwdheid zal losbarsten wanneer het tweehoornig beest het decreet uitvaardigt “dat niemand kan kopen of verkopen, behalve hij die het merkteken [heeft], of de naam van het beest, of het getal van zijn naam.” Openb.13:17{KJV}. Aldus zal de draak “toornig” zijn “op de vrouw” en “oorlog voeren met het overblijfsel van haar zaad, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben.” Openb.12:17{KJV}. En tegen dezelfde tijd zal het de engelen toegestaan worden om allen schade toe te brengen die de kerk van God benauwen, en die pogen zich op dezelfde manier erbij te voegen zoals het onkruid dat nu doet. Door aldus de goddelozen schade toe te brengen, brengen de engelen “de toorn van het Lam” ten uitvoer. Met het oog hierop, vraagt de Heer: “wie zal in staat zijn stand te houden?” Openb.6:17 {KJV}. Het is “de grote en vreselijk dag des Heren”(Mal.4:5), en “de zondaars in Sion zijn bevreesd; verschrikking heeft de huichelaars overvallen.” Vandaar de vraag: “Wie onder ons zal wonen bij het verterende vuur? Wie onder ons zal wonen bij de eeuwige verbrandingen?” –Alleen degenen die zichzelf zien als gebrek lijdende in alles. En dezen zijn

59

 Degenen Die de Koning Zien. {TN9: 59.1}

“Hij die rechtvaardig wandelt, en die oprecht spreekt; hij die het gewin der onderdrukkingen veracht, die zijn handen schudt, dat zij geen omkopingen vasthouden; die zijn oor toestopt dat hij geen bloed hoort, en zijn ogen toesluit, dat hij het kwade niet aanziet; die zal in de hoogten wonen; zijn plaats van verdediging zal de bewapening der rotsen zijn; brood zal hem gegeven worden; zijn wateren zullen gewis zijn. {TN9: 60.1}

“Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen het ver gelegen land aanschouwen. Uw hart zal de verschrikking overdenken. Waar is de schrijver? Waar is de ontvanger? Waar is hij, die de torens telt? Gij zult niet een vurig volk zien, een volk van diepere spraak dan gij kunt horen; van een belachelijke tong, welke gij niet kunt verstaan. Aanschouwt Sion, de stad van onze bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een rustige woonplaats, een tent, die niet terneer geworpen zal worden; niet een der pinnen daarvan zal ooit verwijderd worden, noch zal er een van de koorden daarvan verbroken worden. Maar daar zal de glorierijke Here voor ons zijn een plaats van wijde rivieren en stromen; daarin zal geen roeischuit doorvaren, noch zal daar een machtig schip overvaren. Want de Here is onze rechter, de Here is onze wetgever, de Here is onze Koning; Hij zal ons behouden.” Je.33:14-22{KJV}. {TN9: 60.2}

“Michael,” “de Grote Vorst,” zal dan “opstaan” en verlossen “een ieder

60

die zal worden gevonden geschreven te zijn in het boek.” Dan.12:1{KJV}. {TN9: 60.3}

Omdat de Here te dien dage zowel de getrouwen zal hoeden en de ontrouwen straffen, is de boodschap die deze “grote en vreselijke dag”(Mal.4:5) aankondigt, getiteld: De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}. “De stem des Heren roept” daarom “tot de stad, (…)

“Hoort Gij Naar de Roede, en Wie Het Besteld Heeft.”

                                  Mich.6:9{KJV}. {TN9: 61.1}

Verzonken in de Laodiceese sluimering en slaap, zal “de stad,” de kerk, in Gods genadevolle poging om het voor te bereiden op deze dag van benauwdheid, opgeschrikt worden ten leven door Zijn oproep: {TN9: 61.2}

“Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion; trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, de heilige stad. Want voortaan zal er geen onbesnedene of onreine meer in u komen.” Jes. 52:1{KJV}. {TN9: 61.3}

“Sta op, schijn; want uw licht is gekomen, en de heerlijkheid des Heren is over u opgegaan. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch de Here zal over u opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En de heidenen zullen tot het licht komen, en koningen tot de glans van uw opgang. Jes.60:1-3{KJV}. {TN9: 61.4}

De kerk der Laodiceeërs, zijnde de laatste van de zeven kerken, is de laatste afdeling

61

 van de Christelijke kerk waarin de tarwe en het onkruid vermengd zijn. De overwinnaars, de gemerkten daarvan, zij die naar de Roede{of Staf} horen, beginnen de achtste afdeling van de kerk—die ene die wordt voorgesteld door de “schuur” (Matt.13:30) en door de ”vaten” (Matt.13:48), en ook door de “gouden kandelaar” van Zacharia 4. Van haar zegt de Heer: “(…)de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, welke de mond des Heren zal noemen. Gij zult ook een kroon der heerlijkheid zijn in de hand des Heren,  en een koninklijke hoofdband in de hand van uw God.” Jes.62:2,3{KJV}. {TN9: 61.5}

Onder de Laodiceeërs echter, zij die weigeren te ontwaken en de situatie te begrijpen {of aan te nemen}, die niet willen “zuchten en(…)uitroepen vanwege al de gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden”(Ezech.9:4), zullen zonder het merkteken achtergelaten worden, en zullen dus vallen onder de slachtwapens van de engelen (Ezech.9), terwijl zij die het merkteken ontvangen aan hen zullen ontkomen, en beschermd worden tegen de benauwdheid, de bescherming zijnde voorgesteld door de schuur en de vaten (Matt.13:30,48). {TN9: 62.1}

Dit sparen van het tarwe enerzijds, en het doden van het onkruid anderzijds, onder de eerste vruchten, –degenen in de kerk, — geeft een voorteken van het sparen van de goeden en het doden van de slechten onder de tweede de vruchten, degenen in Babylon (Openb.18:4). Vandaar dat

62

Het Werk In Laodicea Datgene Typeert in Babylon. {TN9: 62.2}

Terwijl de Heer nu de eerste vruchten van Zijn koninkrijk aan het merken is, proberen degenen in Laodicea, “de ousten” (Getuigenissen, Deel 5, blz..{Testimonies, Vo.2, p.211}), zich veronderstellend dat zij Zijn gebod uitvoeren door de leken te dwingen om niet te luisteren naar de boodschappers van de Heer en Zijn boodschap niet te lezen in De Herdersstaf{The Shepherd’s Rod}, te voorkomen dat zij Zijn merkteken ontvangen, welke hen van omkomen zal behoeden. En zoals de profetie aantoont,  breidt deze oorlog, wanneer het beëindigd is in Laodicea, zich uit tot in Babylon, wanneer de Heer de tweede vruchten van Zijn koninkrijk begint te merken, en wanneer het beest, zich veronderstellend (zoals de oudsten dat nu doen) dat hij het gebod van de Heer uitvoert, het dekreet uitvaardigt dat “allen, beide kleinen en groten, rijken en armen, vrijen en slaven”(Openb.13:16), zijn merkteken ontvangen in plaats van die van de Heer, welke ook hen van omkomen zal behoeden. {TN9: 63.1}

Deze twee markeringen (van het beest en van de Heer), tonen op zichzelf genomen een tijd aan van het scheiden van de burgers van de hemel van de burgers van de wereld. En omdat dit een werk is zoals er nooit geweest was, brengt het de tijd der benauwdheid zoals er nooit was geweest tot stand—“de grote en vreselijke dag des Heren.” De huidige benauwdheid in Laodicea zal daarom zich uitbreiden in Babylon en zich ontwikkelen tot de tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was, een ontwikkeling die aantoont dat dezelfde satanische macht die nu werkt in Laodicea, zich spoedig volledig zal openbaren, in versterking

63

met het beest, binnen de kerken in Babylon, om daar het merken van de tweede vruchten tegen te werken, zoals het nu in Laodicea het merken van de eerste vruchten tegenstaat. {TN9: 63.2}

En verder nog, zoals de achtste afdeling van de kerk, de eeuwige kerk, uit de zevende afdeling is, de tijdelijke kerk, net zo is het achtste beest, de wereld na het millennium, uit het zevende beest (Openb.17:11), de wereld vóór het millennium. {TN9: 64.1}

Deze onontkoombare overeenkomstigheid tussen het werk van God en het werk van Satan, welke Inspiratie zo scherp en levendig in zicht brengt, spreekt voor zich dat wij ingaan tot “de grote en vreselijke dag des Heren”—een feit dat onze harten zou moeten beroeren zoals niets anders dat ooit heeft gedaan. {TN9: 64.2}

En aangezien ” voortaan,” vanaf de tijd dat de 144.000 zijn gemerkt, en de zondaars onder hen zijn weggenomen, de goddelozen niet meer vermengd zullen zijn met de rechtvaardigen,  –vanaf die tijd tot in de eeuwigheid daarom,

Blijft Het Koninkrijk Kerk, De Achtste, Rein.  {TN9: 64.3}

Profetisch vooruit blikkend op de gereinigde staat van de kerk, zag de profeet Zacharia, dat “iedere pot in Jeruzalem en in Juda zal heiligheid zijn voor Here der heerscharen; en allen die offeren zullen komen en van hen nemen, en daarin koken; en te dien dage zal er geen

64

Kanaäniet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.14:21{KJV}. {TN9: 64.4}

“Maar dit zal het verbond zijn, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal; na die dagen, zegt de Here, zal Ik Mijn wet in hun binnenste leggen, en die in hun hart schrijven; en zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn. En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, zegt de Here; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en Ik zal hun zonde niet meer gedenken.Jer.31:33,34{KJV}. {TN9: 65.1}

“Dan zal het woord des Heren uitgaan: “Hoort gij, die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gij die nabij zijt, erken Mijn macht.” Jes.33:13{KJV}. {TN9: 65.2}

Allen die Zijn macht erkend en voordeel eruit getrokken hebben in het verleden, samen met allen die Zijn macht zullen erkennen en voordeel eruit zullen trekken in de toekomst, zullen gevonden worden in

Vijf Groepen In Het Koninkrijk. {TN9: 65.3}

Deze vijf groepen zijn: (1) de 144.000 Israëlieten, de eerste vruchten van de levenden, wiens “edelen uit hen zullen zijn,” en wiens “heerser uit hun midden zal voortkomen” (Jer.30:21); zij zullen terugkeren naar Jeruzalem, en staan op de Berg Zion met het Lam; (2) zij die Johannes zag, na de verzegeling van de 144.000, verzameld uit “alle natiën, en stammen, en

65

volken, en talen,” gedurende de “grote verdrukking,” de “tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was” – de grote schare die naar Jeruzalem gaan vóór de opstanding;(3) zij die opstaan ten eeuwigen leven in de opstanding van Daniël 12:2;(4) die Israëlieten die zullen voortkomen in de opstanding van Ezechiel 37:1-14; (5) allen die opkomen in de opstanding van Openbaring 20:6; –gezamenlijk zijn dezen al de Israëlieten en Heidenen die zullen terugkeren naar Jeruzalem, het beloofde land zullen bezitten, en daarna de gehele aarde. {TN9: 65.4}

Ironisch vergeefs is daarom (met het oog op wat wij op deze bladzijden hebben gezien) het voortdurend sterker wordende doel om Jeruzalem te herbouwen, zoals een beweging dat tracht te doen ter beantwoording op de profetieën van het koninkrijk, door daarheen te brengen de niet-christen Joden; en zoals een andere beweging tracht om, ter beantwoording op dezelfde profetieën, de Engelssprekende wereld daarheen te brengen. {TN9: 66.1}

Een koninkrijk van zowel gelovigen als ongelovigen zou niet beter zijn dan de koninkrijken van vandaag. Het zou in feite niet meer zijn dan een Babylon, niet meer dan “de schuilplaats van iedere onreine geest en een schuilplaats van iedere onreine en hatelijk gevogelte.” Openb.18:2{KJV}. Om te werken voor zulk een verwachting betekent een lange stap nemen tot het inbrengen van Satans “machtige misleiding,” een vervalsing van Christus makend in een vervalst koninkrijk. {TN9: 66.2}

66

Aldus is het dat “alleen zij die ijverige studenten zijn geweest van de Schriften, en die de liefde van de waarheid hebben ontvangen, zullen beschermd zijn tegen de machtige misleiding die de wereld verovert. Door de Bijbelse getuigenis zullen dezen de bedrieger in zijn vermomming herkennen(…)Is het volk van God nu zo stevig gegrondvest op Zijn woord dat zij niet zullen toegeven aan de bewijsvoering van hun zinnen? Zullen zij, in zulk een crisis, zich vastklampen aan de Bijbel en de Bijbel alleen?” De Grote Strijd, blz…{The Great Controversy, p.625}. {TN9: 67.1}

Met het oog op deze urgentie om de kronende verwachting van de Christen, het koninkrijk, te verzekeren, is het daarom raadzaam om de hoofdpunten die tot dusver zijn vastgesteld in de verzameling te versterken. Vandaar:

Een Samenvatting van de Eerste en Tweede Vruchten. {TN9: 67.2}

  1. Wanneer de tijd van het “onkruid”, de kinderen van de boze” (Matt.13:18), tot zijn volheid is gekomen, dan zal “de oogst” aanvangen, en het zal “het einde der wereld” tot stand brengen. Matt.13:30,40. Plaatsvindend in het einde der wereld, is het noodzakelijkerwijs de verzameling van de mensen door de boodschap van Elia, de laatste door de hemel gezonden verkondiging van het evangelie, welke eerst wordt gepredikt tot de kerk, net voor de grote en vreselijke dag des Heren (Mal. 4:5), en dan tot de gehele wereld gedurende die lang verwachte dag. {TN9: 67.3}

67

Daar de boodschap het net vol vindt bij haar aankomst en daarop volgend een verdeeldheid veroorzaakt tussen degenen die het aannemen en degenen die het verwerpen, stelt het de engelen in staat om de kwaden uit te zoeken tussen de goeden (Matt.13:48). Deze “goeden” zijn de eerste vruchten der verlosten. Dan volgt de scheiding die wordt toegespeeld in de roep: “Kom uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt aan haar zonden en opdat gij niet ontvangt van haat plagen.” Openb.18:4. Deze uitgeroepenen zijn de tweede vruchten. {TN9: 68.1}

In het eerste geval worden de kwaden uitgeworpen van tussen de goeden die zijn gevangen in het net (de boodschap die in de kerk rust); terwijl in het tweede geval, alleen Gods getrouwen worden uitgeroepen van tussen de zondaars in Babylon, daar zijnde geen onkruid onder hen. {TN9: 68.2}

Het onkruid en het tarwe waren in de eerste geval vermengd doordat “terwijl de mensen sliepen,“ zegt de Heer, de “vijand kwam en onkruid zaaide tussen het tarwe”; terwijl het tarwe in het laatste geval is vrijgehouden van het onkruid, omdat de Heer zegt: “Ik heb wachters op uw muren gesteld, o Jeruzalem, die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.”Jes.62:6{KJV}. {TN9: 68.3}

De heerschappij van Babylon zijnde voorgesteld door het scharlakenrood beest, het beest waarop de vrouw zit (Openb.17), is het symbool daarom een voorstelling van een internationale religieuze-politieke

68

systeem. Het religieuze aspect wordt voorgesteld door de vrouw; het burgerlijk aspect door de horens van het beest; in combinatie, een symbolische voorzegging van een wereldwijd systeem van vereniging van kerk en staat. Het beest alleen, met uitzondering van de horens, stelt, zoals de beesten van Daniël 7 dat doen, de menigten van de wereld voor—de onderdanen van het antitypische Babylon van waaruit Gods volk wordt uitgeroepen. Deze verzameling vormt de scheiding van de tweede vruchten. {TN9: 68.4}

Hieruit wordt de waarheid weer gezien dat de eerste en de tweede vruchten van de levenden (de één vergaderd van binnen in de kerk bij de aanvang van “de grote en vreselijke dag,” en de ander vergaderd uit Babylon gedurende die dag) het koninkrijk vormt in zijn beginstadium en vóór de opstanding van de doden. {TN9: 69.1}

Het feit, bovendien, dat alleen de goeden uit het net werden behouden, en dat alleen Gods volk uit Babylon werd geroepen, verwelkomt het koninkrijk als het tehuis van alleen de rechtvaardigen. {TN9: 69.2}

“Maar dit zal het verbond zijn,” verklaart de Heer, betreffende deze heerlijke waarheid van het koninkrijk,  “dat Ik met het huis van Israël sluiten zal; na die dagen, zegt de Here, zal Ik Mijn wet in hun binnenste leggen, en die in hun hart schrijven; en zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn. En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Kent de Here: want

69

zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, zegt de Here; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en Ik zal hun zonde niet meer gedenken.Jer.31:33,34{KJV}. {TN9: 69.3}

“En zij zullen hen noemen, “ roept Jesaja uit, “Het heilige volk, De verlosten des Heren.”Jes. 62:12{KJV}. “En er zal daar een hoofdweg zijn, “verzekert hij, “en een weg, en het zal genoemd worden: De weg der heiligheid; de onreine zal daarover niet doortrekken; maat het zal zijn voor diegenen: de zwervende mensen, hoewel dwazen, zullen daarin niet dwalen.” Jes.35:8{KJV}. {TN9: 70.1}

  1. Wanneer “dit evangelie van het koninkrijk zal worden verkondigd over de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natien”(Matt.24:14), dan zal het werk van het evangelie eindigen, en de genadetijd zal sluiten voor ieder mens. {TN9: 70.2}
  2. Wanneer zowel de Jood als de Heiden, die gehoor heeft gegeven aan de roeping, vergaderd zal zijn van de vier hoeken der aarde, dan zal de oogst eindigen; dan zal het laatste voortdurende moment van de genadetijd voor altijd zijn vervlogen; dan zal het einde gekomen zijn, en vanuit de “grote witte troon” zal het onveranderlijk bevel zijn uitgegaan: “Hij die onrechtvaardig is, laat hij nóg onrechtvaardig zijn; en hij die vuil is, laat hij nóg vuil zijn; en hij die rechtvaardig is, laat hij nóg rechtvaardig zijn; en hij die heilig is, laat hij nóg heilig zijn.”Openb. 22:11{KJV}. {TN9: 70.3}

Tot hun verschrikking zich realiserend, bij het voorbijgaan van de genadetijd, dat zij voor eeuwig zijn

70

verloren, zullen de nalatigen bitter uitroepen: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” Jer.8:20{KJV}. {TN9: 70.4}

Zie, Ik kom spoedig, “verklaart Christus, volgend op Zijn plechtige verkondiging van de afsluiting van e genadetijd (Openb.22:11), “en Mijn beloning is met Mij, om aan een ieder te geven naar wat zijn werk zal zijn.” Openb.22.12. Hier is het verankerde bewijs dat de genadetijd sluit vóór de zichtbare terugkeer van de Heer. {TN9: 71.1}

Bij de afsluiting van de zevende plaag, “zal” de Here Zelf, zichtbaar voor elk oog (Openb.1:7), nederdalen van de hemel met een kreet, met de stem van een aartsengel, en met de bazuin Gods; en de doden in Christus zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij die leven en overblijven, samen met hen op de wolken weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht; en zo zullen wij

Altijd Met de Here Wezen.

1.Tess.4:16,17{KJV}. {TN9: 71.2}

Met het van de rechtvaardige doden uit alle eeuwen opgestaan en verenigd met de levende heiligen, is het koninkrijk volledig samengesteld—de rechtvaardigen zijnde gesteld aan Zijn rechterhand (het koninkrijk), en de goddelozen, aan zijn linkerhand (Babylon). Dan, terwijl de Koning degenen aan Zijn linkerhand heenzendt “tot de eeuwige straf,” zegt Hij tot de degenen  aan Zijn rechterhand: “Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.” Matt.25:46,34. Hierop volgend wordt verwezenlijkt de lang

71

verwachte vervulling van de glorieuze hoop, voortgebracht door de belofte van Christus: “In Mijn Vaders huis zijn vele woningen; indien dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om u plaats te bereiden. En wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen; opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.”Johannes 14:2,3{KJV}. {TN9: 71.3}

Deze beroerende hoop van ieder Christen wordt op prachtige wijze voorzien in de opname van Henoch (Gen.5:24), de opname van Elia (2 Koningen 2:11), en de opstanding van de menigte die Christus ten hoogte leidde (Matt.27:52,53; Ef.4:8)—een drievoudige typering in drievoudige overeenstemming met Gods wet van type, dat waar er een type is, er ook een antitype moet zijn. {TN9: 72.1}

Ware er zonder twijfel, in dit verband, geen antitype (opvoering van alle heiligen), dan zou er geen type zijn geweest (opname van Henoch en Elia, en opvoering van de menigte). Het type zou dan willekeurig, doellos, en misleidend zijn geweest. Niet alleen de heiligen, daarom, maar ook

De Hemelen Zullen Wijken, De Goddelozen Zullen Roepen tot de Bergen Om Op Hen te Vallen. {TN9: 72.2}

Bij de afsluiting van de zevende plaag zal de volheid van het einde aanbreken, waarvan de Openbaarder uitroept: “(…)de hemel[de atmosfeer van onze aarde—Gen1:8]

72

week terug als een boekrol, als die wordt opgerold, en elke berg en eiland (…) van zijn plaats gerukt(…) de koningen der aarde, en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen(…)in de holen en in de rotsen der bergen;” zeggende “tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?”Openb.6:14-17. {TN9: 72.3}

Het feit dat al deze gebeurtenissen afsluiten met de tweede komst van Christus, en ook het feit dat de profetieën duidelijk verklaren dat God al Zijn mensen zal bijeen vergaderen van tussen de natiën, de Zijnen zal voortroepen uit hun graven, al de verlosten in de hoogte zal brengen, zowel de levenden als de herrezenen – om Hem in de lucht te ontmoeten en met Hem te gaan naar de woningen die Hij voor hen bereid heeft vanaf Zijn hemelvaart, al de goddelozen zal vernietigen, de aarde ledig zal achterlaten zonder leven of licht, dàn het leeg maken en zonder vorm, en als laatste, de doden niet weer te laten leven totdat de duizend jaren voleindigd zijn, — al deze feiten maken duidelijk dat de aarde in een chaotische staat zal verkeren terwijl de heiligen “leven en heersen” met Christus in de hemel gedurende de duizend jaren. {TN9: 73.1}

Op deze wijze is Satan gebonden door een keten van omstandigheden, wat het voor hem onmogelijk maakt

73

 de natiën te misleiden totdat de duizend jaren zijn voleindigd, en totdat de Heer opnieuw terugkeert met de heiligen, de goddeloze doden voortroept uit hun graven, en toelaat dat zij voor een korte tijd leven – de tijd waarin

Satan Hen Opnieuw Misleidt. {TN9: 73.2}

Vooruit blikkend op de opstanding na het millennium, zag de Openbaarder dat de goddelozen “gingen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder van God uit de hemel, en verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn(…)Dit is de tweede dood.” Openb.20: 9,10,14{KJV}. {TN9: 74.1}

Dan “zal het koninkrijk en het heerschappij, en de grootheid der koninkrijk onder de ganse hemel, gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens koninkrijk is een eeuwig koninkrijk, en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen. Hier eindigt het bericht.” Dan7:27,28{KJV}. {TN9: 74.2}

Aangezien al deze dingen spoedig zullen geschieden, “staat gij in de wegen,”zegt de Heer, “en ziet, en vraagt naar

“De Oude Paden.”

Jer.6:16{KJV}. {TN9: 74.3}

“Noch gehoor te geven aan fabels en eindeloze

74

geslachtsrekeningen, die vraagtekens voortbrengen, in plaats van goddelijke stichting, die in het geloof is; doe alzo.1 Tim.1:4{KJV}.  “Niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de waarheid afkeren.”Tit.1:14.  “Want de tijd zal komen, dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar naar hun eigen begeerte zullen zij tot zich leraars verzamelen, hebbende jeukende oren; en zij zullen hun oor van de waarheid afwenden, en zullen gekeerd worden tot fabels.” 2 Tim.4:3,4{KJV}. {TN9: 74.4}

“(…)Mijn rede en mijn prediking,” zegt de apostel Paulus, “was niet in meeslepende woorden der menselijke wijsheid, maar met betoon van de Geest en van kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op de kracht van God.” 1 Kor.2:4,5. {TN9: 75.1}

Laat deze raad Gods volk waarschuwen weg te blijven van de gevaarlijke beoefening van hun leerstellingen en hun geloof afhankelijk te stellen van de vergulde haken van verdorven uitleggingen en van weergaven van talen die hen niet bekend zijn (het Hebreeuws, het Grieks, en deze, en die, of de andere) en van uitleggende vertalingen die de belangen van theologische vooropgezette meningen en voorkeuren beter ondersteunen en van dienst zijn, dan de geautoriseerde versie dat doet – de versie welke God, in Zijn voorzienigheid en in Zijn voorkennis van het afronden van Zijn werk door de Engelssprekende wereld, aan Zijn volk heeft gegeven om hen te leiden tot Zijn koninkrijk. Wees daarom voorzichtig voor de aanspraken van

75

valse geleerdheid, die zich veronderstelt betrouwbaarder te zijn dan datgene wat God Zelf heeft verkozen en tot stand heeft gebracht in eenvoud. {TN9: 75.2}

“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Matt.24:35. {TN9: 76.1}

—000—

(Cursivering door ons)

76

Schriftuurlijke Index

77

 Schriftuurlijke Index (vervolg)

Verwijzingen Index

—-0—-