De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Traktaat Nr. 7

Traktaat Nr. 7

TN7-1200x675.jpg

Hoort naar en Tel de Bewijzen van Beide Kanten Alvorens Ervoor of Ertegen Af te Vuren

1

TRAKTAAT NR. 7

HERDRUK 1954

Opdat een ieder die dorst naar de Waarheid, het kan verkrijgen, wordt dit traktaat kosteloos per post verzonden. Het vereist één vordering, de verplichting van de ziel aan zichzelf om alle dingen te onderzoeken en vast te houden aan datgene wat goed is. De enige voorwaarden die verbonden zijn aan dit aanbod zijn de gouden stranden en de karmozijnrode koorden van Golgotha–de banden die bindend zijn.

Namen en adressen van Z.D. Adventisten die naar ons worden verzonden zullen gewaardeerd worden.

—–

2

DE GROTE STRIJD

OVER

“De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}”

door V.T. HOUTEFF

“Oordeelt onze wet een mens, voordat zij hem hoort, en weet, wat hij doet?” Johannes 7:51{KJV}. Tel de bewijzen van beide kanten alvorens voor of tegen af te vuren.

“Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galilea? Onderzoek en zie; want uit Galilea staat er geen profeet op.” Johannes 7:52{K.J.V.}.

—-

3

INHOUD

De Feiten Voorop Gezet 5
De Noodzaak Van Persoonlijk Onderzoek 12
De Overeenkomst 14
De Leden van Het Commitee Waren 21
Het Beloofde Antwoord 22
De Geest Die het Verstand van de Twaalven Beinvloedde 25
Schijn-Weerlegging 29
Onredelijke Vergelijkingen 30
Het Oog van het Kergenootschap 42
Aan het Comité van Twaalf 48
Een Woord tot de Leken 51
Persoonlijke Getuigenis 58
Het Lot van Iedere Schriftgeleerde Die Nieuwe en Oude Dingen Brengt 61
Wat Zal Er Gewonnen Worden of Verloren Gaan? 66
Tot Alle Zevende-dags Adventisten — Wees Gegroet! 74

—-

4

DE GROTE STRIJD

over

“De Herdersstaf”

Dierbare Medegelovigen in de Derde Engel Boodschap:

Gelovend dat u betrouwbare kennis zou willen hebben over de crisis die onze geliefde Z.D.A kerk nu confronteert, komen wij als broeders van gelijkend kostbaar geloof tot u in de naam van Hem Die, hoewel altegader heilig, at met tollenaars en zondaars, en Die, hoewel de Vleeswording der heiligheid, nooit door woord of door daad zei: “Houd u tot uzelf, en nadert niet tot Mij; want Ik ben heiliger dan u” (Jes.65:5), maar altijd pleitte:”O, een ieder die dorst heeft, komt.” Jes.55:1{KJV}. {TN7: 5.1}

Gelovend dat de meesten van u (alvorens de ene kant of de andere te helpen zijn vuurwapens af te schieten) zult handelen zoals Nathanaël dat deed(Johannes 1:45-51),  het voorbeeld navolgen welke de Heer voor ons heeft gesteld, en gehoor geven aan de uitdaging van de plicht om te onderzoeken, –om te “komen en zien,” vertrouwen wij erop dat u, bij de volgende bladzijden, onbevooroordeeld in beschouwing zult nemen

De Feiten Voorop Gezet. {TN7: 5.2}

Dat de Z.D.A. organisatie verdeeld is inzake De Herdersstaf publicaties, betreuren wij diep, en nog meer wanneer wij stilstaan en realiseren dat zulk een breuk nooit behoefde plaats te vinden, want God verlangde dat Zijn stem, de Staf, wordt

5

 gehoord, zoals Hij zegt door middel van Zijn profeet: “De stem des Heren roept tot de stad [de kerk], en de man van wijsheid zal uw naam zien: Hoort gij naar de Roede, en Wie het besteld heeft.” Mic.6:9{KJV}. {TN7: 5.3}

Aangezien u de velen bent in de “stad” tot wie de stem van de Heer roept om de Staf te horen, en aangezien wij willen geloven dat u ijverig bent voor uw verlossing en voor de verlossing van uw broeders, en met het gehele hart toegewijd bent tot het welzijn van het kerkgenootschap, moeten wij net zeker geloven u bezorgd bent om de waarheid te weten over dit ernstig probleem die elke Zevende-dag Adventist vierkant onder ogen ziet. {TN7: 6.1}

In 1930, toen De Herdersstaf, Deel 1 nog in handschrift was, werden er drie-endertig zesvoudige kopieën geplaatst in de handen van sommige leidinggevende broeders van de Generale Conferentie. Ter beantwoording op het pleidooi{verzoek} van de schrijver, dat zij een zorgvuldig onderzoek doen  over de inhoud,  beloofden de ontvangers dat te doen en, het zij persoonlijk of per brief, hun bevindingen en voornemens, bekend te maken. Tegen de tijd dat de eerste uitgave van dit traktaat werd gedrukt, waren zes jaren voorbijgegaan, en slechts twee van deze drie-en dertig broeders hadden beantwoord (geen van de anderen hebben aldus gedaan tot op deze dag). Een, Ouderling F.C.Gilbert, schreef in privé een paar regels, waarvan, in zoverre zij sindsdien veelgestelde vragen hebben doen opkomen betreffende de gepubliceerde geschriften van De Herdersstaf, voegen wij een fotografische kopie toe ter beschouwing. {TN7: 6.2}

  6

                                            26 Juni, 1930

JOODSE AFDELING

F.C.Gilbert, Secretaris

                            Mr. V.T. Houteff,

                                         Los Angeles, California

Dierbare Broeder:-

Tijdens de laatste Generale Conferentie vergaderd in San Fransico, hield u mij op een dag aan in de gang naast een van de ingangen tot het auditorium, en overhandigde u mij een nagal omvangrijke document, welke u zei dat u die in mijn hand wenst te leggen, en vroeg mij het te lezen, en u mijn commentaar op hetzelfde te schrijven. {TN7: 7.1}

Het document zijnde van zulk een omvangrijke aard, is het voor een gewoon mens onmogelijk om in enkele maanden weg te doen. Ik realiseerde mij dat tijd zeer kostbaar is, en natuurlijk veronderstel ik dat u ernaar verlangt om enige reactie te ontvangen. {TN7: 7.2}

Dus nam ik een weinig tijd en las nauwkeurig bepaalde secties van het document, en ik nam voor u mijn bevindingen te geven. {TN7: 7.3}

In het bijzonder wil ik opmerken over uw Sectie #3. Uw Sectie # 3 bevat 5 bladzijden. Bij het kritisch bekijken van die bladzijden van dat gedeelte bemerkte ik dat u  bij die pagina’s stilstaat bij Ezau en Jakob. U vergelijkt die twee mannen met symbolen. Zij stellen verscheidene symbolen voor. In die vijf pagina’s legt u veel sterke verklaringen af voor de toepassing van die twee individuen op onze huidige dag, maar u geeft geen Bijbelse bewijs aan. U begrijpt, dierbare broeder, dat wanneer een mens iets zegt of een persoon zus en zo bedoelt, hij een goddelijk bewijs moet hebben voor zijn bewering. Indien niet, waarom zou iemand dan zijn verklaring als gezaghebbend aannemen meer dan iemand de verklaring van wie dan ook als gezaghebbend zou aannemen. Bij het omgaan met het Woord van God, moeten wij ervoor waken dat wij niet in de Schriften toevoegen datgene wat het niet bevat. Als de Geest van God een opmerking zou maken over een tekst, dan is de toepassing geïnspireerd. Maar wanneer een mens een bewering stelt betreffende een Schriftgedeelte en hij heeft geen goddelijk gezag ter ondersteuning van zijn bewering, dan wordt hij eraan blootgesteld om het Woord van God op misleidende wijze te behandelen. Ik ben er zeker  van dat het niet uw bedoeling is iets dergelijks te doen, maar de mogelijkheid bestaat desondanks. {TN7: 7.4}

Laat mij voor u illustreren wat ik bedoel. In uw Sectie # 4, pagina # 4, zegt u: – {TN7: 7.5}

“Het Begin van de Schaarste.”

“De scheidingslijn tussen de zeven jaren van overvloed en de zeven jaren van schaarste, is het kruis. Waar de zeven jaren van overvloed eindigen, beginnen de zeven jaren van schaarste. Het eerste jaar van de schaarste is het begin van de gemeente van Christus op de tijd van de apostelen.”   {TN7: 7.6}

Welnu, dierbare broeder, waar haalt u de bevoegdheid vandaan uit het Woord van God of uit de Geest der Profetie voor zulk een bewering? Waar vindt u in inspiratie enige grondslag voor zulk een opmerking? U stelt eenvoudigweg de verklaring vast op grond van uw eigen bevoegdheid, maar u hebt geen bijbelse fundering om zulk een verklaren vast te stellen. Het zou toeschijnen, dat als er ooit een tijd was waarin het Woord van God er in overvloed was, dan was het wel in de tijd toen de apostelen uitgingen, het Woord van God predikend. De Heilige Geest gaf die mannen Gods zulk een goddelijke verlichting betreffende de Schriften van het Oude Testament, dat zij een begrip hadden van het Woord op een meest heldere en krachtige wijze. De Bijbel werd waarlijk een nieuw boek voor de mensen in de dagen van die apostelen. Wanneer u Handelingen leest, hoofdstukken twee, drie, en vier, ontvangt u een meest prachtige inzicht tot de betekenis van sommige Psalmen en de geschriften van de Profeten. Het was de toepassing van de Oude Testamentische Schriften door die apostelen van Christus welke honderden, ja, duizenden, ertoe leidde de Verlosser aan te nemen. Voorzeker was dat geen tijd van schaarste. {TN7: 7.7}

Het schijnt mij toe, dierbare broeder, dat God ons een rijkdom in Zijn Woord heeft gegeven, in de geschriften van de Geest der Profetie, en in de vele boeken die zijn geschreven door mannen Gods onder ons. Het schijnt mij toe, dat als u, als een mens, licht wenst the hebben over de Schriften, u dan de tijd zou moeten nemen en dergelijke geschriften lezen, en dan zult u grote geestelijke voedsel ontvangen voor uw eigen ziel. Als u zou doorgaan en lezen en studeren op de manier waarop u heeft uiteengezet in dat omvangrijke document, dan zou u na verloop van tijd zelf enorm verward zijn. Het zou verwarring brengen waar u dan ook  dingen zou voorstellen. {TN7: 7.8}

Geloof mij, met oprechtheid uw broeder,

                    F.C. Gilbert

7

De predikanten van het Kerkgenootschap, de kern niet weergeven van de inhoud ervan, probeert Gods volk te doen geloven dat de brief van Ouderling Gilbert was geschreven namens het Comité van de Generale Conferentie. Met het oog hierop, nodigen wij onze Zevende-Dags Adventistische broeders om de brief zorgvuldig te onderzoeken, om zodoende naar hun volledige tevredenheid te bewijzen dat het noch direct van de Comité der Generale Conferentie afkomstig is, noch het vertegenwoordigt, maar dat het eerder puur de uitdrukking is van zijn persoonlijke geloof. {TN7: 8.1}

Bovendien is het in omloop gebracht onder de Zevende-dags Adventisten dat “Ouderling Gilbert geen licht heeft gezien in het manuscript, en dat zij daarom geen tijd behoren te verspillen aan het onderzoeken van de eisen ervan.” {TN7: 8.2}

Zijn de mensen van het gehele kerkgenootschap bezweken aan het brein van een man? Zal Ouderling Gilbert van nu aan dicteren wat wel en wat niet zal worden gebracht voor het Gods volk? Zo ja, gedenk dan in wat voor een vreselijk gevaar onze eeuwige welzijn verkeert! {TN7: 8.3}

Merk zijn belijdenis op in de eerste en tweede alinea’s van zijn brief, dat hij geen grondige studie heeft gedaan van het manuscript dat hem werd overhandigd; toch velde hij een oordeel erover! Het manuscript zelf echter, bewees overtuigend dat het Oude Testament de grote vooraadhuis is van Gods Woord — de voorzieningsstation van geestelijk voedsel voor Zijn volk gedurende de tijd van het Nieuwe Testament; maar Ouderling Gilbert tracht dit vanzelfsprekende feit tegen te spreken door zijn

8

 verklaring: “De Heilige Geest gaf die mannen Gods zulk een goddelijke verlichting betreffende de Schriften van het Oude Testament, dat zij een begrip hadden van het Woord op een meest heldere en krachtige wijze. De Bijbel [het Oude Testament] werd waarlijk een nieuw boek voor de mensen in de dagen van die apostelen.” Maar in deze poging om de beweringen van het manuscript in diskrediet te brengen, bevestigt hij ze slechts onwetend. {TN7: 8.4}

Dan, betreffende de les uit de ervaringen van Ezau en Jakob, zegt de brief: “U geeft geen Bijbelse bewijs aan” voor de “de toepassing van die twee individuen op onze huidige dag.” Een ieder die de moeite zal nemen om het onderwerp te bestuderen, nu gepubliceerd in De Herdersstaf, Deel 1, zal een overvloed aan “BIjbelse bewijs” vinden. {TN7: 9.1}

Bovendien, aangezien het centrale thema van het gehele manuscript noch het Oude en Nieuwe Testament, noch Ezau en Jakob is, maar eerder de 144.000, was de taak van de Ouderling om zijn zienswijzen te geven over dat onderwerp. Zijn {onbenullige} tegenwerpingen over punten van secundaire belang, staan daarom naast het ware punt van de zaak–de waarheid over de 144.000. {TN7: 9.2}

In opmerkelijke tegenstelling tot de brief van Ouderling Gilbert zijn de twee letters die nu volgen, een van een Zevende-dags Adventistische predikant die toen een verantwoordelijke positie bekleedde in het kerkgenootschap, en de ander van een Zevende-dags Adventistische arts, voormalig een leraar in een van de scholen van het Kerkgenootschap, en een bekende onderzoeker van de Schriften. {TN7: 9.3}

9

Charleston, S.C., 15 Dec., 1933.

Mijn Dierbare Broeder Houteff:

Ik wens u meest hartelijk te bedanken voor het tot mijn aandacht roepen, als een predikant van het evangelie, van de kostbare waarheden van de Bijbel, en de juwelen van de Geest der Profetie, welke zo overvloedig zijn over de twee kleine boekdelen van de “Herdersstaf,” die mij zo vriendelijk zijn verzonden, hetzij door uzelf, of op uw verzoek, ongetwijfeld. {TN7: 10.1}

Voor vele jaren ben ik diep geïnteresseerd geweest in wat de Schriften ons vertellen dat zou moeten plaatsvinden in ons midden door middel van “herleving en hervorming,” en heb daarom met diepe belangstelling iedere poging gadegeslagen om zulk en “hervormingsbeweging” aan te vangen, maar ben bij allen van hen teleurgesteld geweest, want zij schenen nooit verwezenlijkt te worden, dus toen uw kleine boekjes uitkwamen ondervonden zij mij waarlijk hongerend naar juist zulk een hervorming van “ware godsvrucht”in mijn eigen hart. {TN7: 10.2}

Ik mag zeggen dat toen ik eerst keek naar de “Herdersstaf,” alleen de naam al mij bevooroordeeld scheen te maken, en ik kwam vele keren naderbij het punt om het te verscheuren voordat ik het werkelijk las, maar iedere keer, als ik op het punt stond het boek te vernietigen, kwam de gedachte in mij op dat dit tegen mijn principe ingaat, en ik legde het boek weer weg. Toen ik het uiteindelijk las, was ik verbijsterd, en vele malen riep ik uit tot God om mij te vergeven van mijn zonden als een predikant, als Hij waarlijk tot mij sprak door dit kleine boekdeel, en toen ik het voleindigd had, was ik overtuigd dat ik geen gewoon boek had gelezen, maar zijnde zeer behoedzaam om geen dwaling aan te nemen, begon ik aan een tweede lezing, vergelijking makend met de Bijbel en de Getuigenissen om er zeker van te zijn dat zij in overeenstemming zijn, maar vóór elke lezing, riep ik uit tot God om “waarheid te openbaren en dwaling te ontmaskeren,” volgens Zijn belofte. TM.107. {TN7: 10.3}

Toen ik de tweede lezing van het boek voleindigd had, was ik bevreesd dat het waar was, want ik wist heel goed, dat als het waar was, ik als predikant verantwoordelijk zou worden gehouden tot God voor mijn houding ten opzichte van de overvloed van licht dat Hij tot mijn aandacht had geroepen, welke ik nooit eerder had gezien. Vanzelfsprekend vroeg ik mij natuurlijk af van waar zulk een kennis vandaan kwam, en besloot het boek te herlezen om er zeker van te zijn dat ik niets over het hoofd had gezien in de weg van misleidende dwaling en toen ik het de derde keer had voleindigd, hoewel ik niet alles in het boek verstond, was ik toch overtuigd van één ding, en dat is: ik kon niets erin tegenspreken, want het was in overeenstemming met de Bijbel en de Geest der Profetie. {TN7: 10.4}

En nu, na haast drie jaren van het letten op het resultaat dat het lezen van de “Herdersstaf” heeft op zowel geestelijke leiding als leken, ondervind ik dat, haast zonder uitzondering, de leiders de boodschap van het boek verwerpen, hetzij blindelings of uit vrees voor hun meerderen, en dat de leken, haast zonder uitzondering, de boodschap ervan van berisping en waarschuwing met vreugde en blijdschap aannemen, en trachten hun leven dienovereenkomstig te verbeteren, en de geestelijke stemming van de voornoemde personen veel hoger is dan ooit tevoren, omdat zij de boodschap van de Derde Engel nog meer liefhebben, en zij hebben de broeders beter lief dan tevoren. {TN7: 10.5}

Ter beëindiging van deze brief wens ik u te zeggen dat ik geloof dat de Heer u heeft gebruikt om tot ons volk een even belangrijke boodschap te brengen als die ene die tot de Z.D.A. kerk kwam teerwijl zij vergaderd waren in de conferentie te Minneapolis, en ik denk dat ik juist geïnformeerd ben, zijnde een predikant in dit kerkgenootschap voor vele jaren, en hebbende gearbeid zowel in de Verenigde Staten als in de vreemde gebieden. Wij hebben schijnbaar de boodschap van hervorming verworpen die wordt voorgezet in “De Herdersstaf”zo volledig als onze broeders die ene {boodschap} verwierpen in 1888. {TN7: 10.6}

Moge de Here u rijkelijk zegenen in alles wat u onderneemt in Zijn naam, is het gebed van uw broeder in Christus. {TN7: 10.7}

(Ondertekend)

E.T.Wilson

10

AAN BELANGHEBBENDEN:

In overeenstemming met de onderwijzing op blz. 104-7 van Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, “Hoe Zullen Wij De Schriften Onderzoeken,” nam ik het op mezelf om een paar toegewijde Zevende-Dag Adventistische broeders bijeen te vergaderen om met de schrijver van “De Herdersstaf” te ontmoeten aan de achterkant van mijn kantoorgebouw in Chandler, Colorado, — mijn voormalige praktijkplaats. Dit werd gedaan op mijn eigen verantwoordelijkheid. Hebbende, door een zeer intieme broeder, een persoonlijke kennis van de strijd in California betreffende de publicaties van “De Herdersstaf” en het grote onrecht gedaan aan de schrijver, voelde ik mij diep gedrongen om hem persoonlijk te ontmoeten en hem aldus een grondig en oprecht gehoor te geven. Ik vond ook dat ik de aanwezigheid van een aangesteld predikant zou moeten uitnodigen om deel te nemen aan deze studie. Door voorzienigheid, vormden de omstandigheden zich alzo voor de aanwezigheid van Ouderling E.T.Wilson, voorzitter van de Carolina conferentie. Hij, tezamen met broeder en zuster H.G.Warden en de lokale ouderling van de Florence Z.D.A. kerk en van haar leden stelden onze gezelschap samen voor studie. {TN7: 11.1}

BEVINDINGEN

Zij die betrokken waren bij de studie waren diep overtuigd van het feit dat met menselijke kracht alleen het absoluut onmogelijk is om de vele ingewikkelde Bijbelse symbolen, typen, feiten en waarheden, samen te formuleren, te vormen en te passen tot een begrijpelijke relatie van geïllustreerde uitlegging, waarin dwaling gemakkelijk kan worden ontmaskerd, en de ingewikkeldheid van verscheidene gerelateerde waarheden te vereenvoudigen tot zulk een vorm dat het wordt begrepen door degenen met een niet onderwezen verstand, almede ook degenen van geleerdheid, waarbij allen het eens kunnen worden dat Bijbelse verklaringen en schijnbare tegenstellingen zo kunnen zijn gerangschikt dat zij verbazingwekkend simpel worden inde zin van geconcentreerde beknoptheid. {TN7: 11.2}

Na een week van zorgvuldige studie van drie sessies dagelijks, voorafgegaan door gebed, alle aanwezigen deelnemend in het afsmeken van de Heer dat door middel van Zijn Heilige Geest Hij kon leiden in de ontdekking van waarheid, en dat dwaling, als dezulke er is, moge aantoonbaar mocht zijn; werd er wederzijds overeen gestemd, dat behalve typografische fouten, en in sommige gevallen onjuist Engels, en ook bepaalde historische verklaringen welke wij noch konden beamen noch ontkennen; en verder, het zijnde vastgesteld dat de schrijver hiervoor nooit associatie heeft gehad met spiritualisme in welke vorm ervan dan ook, en daar elke studie vergroot werd door uiterst groot licht op de “Drie Engelen Boodschappen,” ook vele vitale en bestreden punten die verbijsterende {verwarrende} geheimenissen waren geweest op volmaakte wijze werden opgehelderd, werd er geen vraagstuk van twijfel overgelaten in ons verstand dat deze boekdelen voorbereid zijn geweest onder enige vorm van goddelijke verlichting; en dat de tijd volledig rijp is voor het ontvouwen van deze waarheden tot een omkomende wereld. {TN7: 11.3}

Met respect voorgelegd,

(Ondertekend)

W.G. Butterbough, M.D.

11

Dat Ouderling Gilbert, die De Herdersstaf niet heeft bestudeerd, zou denken dat hij kan onderscheiden of het waarheid of dwaling is, is ongelofelijk. Maar aangezien zijn twee mede beantwoorders het boek grondig hebben bestudeerd, dan is het volkomen redelijk te concluderen dat hun beoordeling betrouwbaar is. {TN7: 12.1}

Deze brieven uit onze dossiers, zijn slechts twee van de velen, geschreven door degenen die De Herdersstaf boodschap hebben bestudeerd, en die belijden dat het de oproep van het uur bevat. Laat nu de Geest der Profetie verder uw beslissing vormen betreffende

De Noodzaak Van Persoonlijke Onderzoek. {TN7: 12.2}

“God heeft kostbaar licht dat tot Zijn volk zal komen…Wanneer er nieuw licht wordt voorgesteld aan de kerk, is het gevaarlijk om u ervoor af te sluiten…Het veroordelen van datgene wat u niet heeft gehoord en niet begrijpt zal uw wijsheid niet verheffen in de ogen van degenen die grondig zijn in hun onderzoekingen van waarheid. En het met minachting spreken van degenen die God heeft gezonden met een boodschap van waarheid, is dwaasheid en waanzin…Want God zal Zijn Woord verheerlijken, dat het kan verschijnen in een licht waarin wij het nooit eerder hebben aanschouwd. ..Licht zal komen tot iedere ernstige zoeker naar waarheid, zoals het kwam tot Nathanael…er zou vrijheid gegeven moeten worden voor een openhartige onderzoek van waarheid, opdat elk een voor zichzelf kan weten wat de waarheid is… {TN7: 12.3}

“Kostbaar licht zal schijnen vanuit het Woord van God, en laat niemand zich aanmatigen

12

te bepalen wat wel en wat niet zal worden voorgehouden voor het volk in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven. Wat  zijn bevoegdheid van gezag dan ook mag zijn, niemand heeft het recht om het licht van het volk weg te houden. Wanneer er een boodschap komt in de naam van de Heer tot Zijn volk, mag niemand zich verontschuldigen van een onderzoek naar haar eisen {beweringen}. Niemand kan het zich veroorloven om terzijde te staan in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen, en zeggen: ‘ Ik weet wat waarheid is. Ik ben tevreden met mijn standpunt. Ik heb mijn grenzen bepaald, en ik zal niet van mijn standpunt bewogen worden, wat er ook mag komen. Ik zal niet luisteren naar de boodschap van deze boodschapper; want ik weet dat het geen waarheid kan zijn.’ Het was vanwege het navolgen van juist deze koers, dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en daarom is het dat de boodschappen van de hemel hebben niet hebben bereikt.”   –Testimonies on Sabbath School Work{Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, blz. 60-65. {TN7: 12.4}

In 1933, bijna drie jaren nadat er aan de broeders van de Generale Conferentie het manuscript van De Herdersstaf, Deel 1, werd overhandigd, en nadat de zaak tot een punt was gekomen dat zij niet langer door konden gaan zonder de leken een soort van beantwoording te geven betreffende de officiële houding ten opzichte van de leringen van de Staf (en betreffende waarom zij niet, als broeders, hadden neergezeten met de schrijver en hem een grondig verhoor hadden gegeven), werden de ambtenaren van de Fullerton, California Tabernacle gemeente het instrument in het zover krijgen van de Pacific Union Conferentie om

13

hem de hoorzitting toe te zeggen, die hem zo lang werd ontzegd. Wat nu volgt is een woordelijke verklaring van

De Overeenkomst: {TN7: 13.1}

Aan de leden van de Pacific Union Conference Commitee:

Dierbare Broeders:

Wij, de leden van de Tabernacle Gemeente van Z.D.A. te Fullerton, California, verzoeken met respect, na overleg te hebben gepleegd met Victor T. Houteff betreffende de leringen van De Herdersstaf, dat u een committee aanstelt van tien of twaalf “broeders met ervaring” om Broeder Houteff te ontmoeten, terwijl hij voor het plaatst de bewijzen van zijn geloof in de grondbeginselen van zijn boodschap. De onderwerpen die in beschouwing genomen zullen worden zijn –“De Oogst,” “Ezechiel 9,” “Het Luipaard{achtig} Beest van Openb.13,” “Hosea hoofdstukken 1-2,” en “Matt. 20.” In deze studie’s zal Broeder Houteff alleen de geschriften van de Bijbel en de Geest der Profetie gebruiken. {TN7: 14.1}

De gebruikte tijd zal niet een week overschrijden. {TN7: 14.2}

Na iedere studie mag het geselecteerde committee zich terugtrekken voor overleg, en mag dan haar bewijs overdragen voor fouten in de lering van Broeder Houteff, het welk bewijs zal zijn onttrokken alleen uit de Bijbel en de Geest der Profetie. {TN7: 14.3}

Indien er na de eerste studie fouten kunnen worden vastgesteld uit het bovenvermelde gezag, zullen er geen verdere studie’s gegeven worden. Dezelfde voorwaarden zullen van kracht zijn na iedere opvolgende studie. {TN7: 14.4}

14

In het geval dat het comité dwaling vindt in de lering van De Herdersstaf, en in staat is dezelfde tegen te spreken door de leringen van de Bijbel en de Geest der Profetie, dan stemt Broeder Houteff erin toe de ondersteuning van De Herdersstaf te verzaken, en in het openbaar afstand te doen van dezelfde. {TN7: 15.1}

Broeder Houteff stemt ook toe het propageren van De Herdersstaf te verbreken, in zoverre hij dezelfde kan beheren, in de Pacific Union Ceferentie, gedurende de tijd dat it onderzoek is ingesteld. {TN7: 15.2}

Deze voorwaarden die hierbij zijn ingezet, zijn overeenkomstig met de onderwijzing gegeven in Testimonies, Vol.5, {getuigenissen, Deel 5}, bladzijde 293; Testimonies on Sabbat School Work{Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, bladzijden 65-66. {TN7: 15.3}

Met respect voorgelegd,

Vertegenwoordigers van de Tabernacle G.

J.W. RICH,

L.R.SOMMERVILLE

Voor de Herdersstaf,

V.T.HOUTEFF

——————————

Kort na het voorafgaande verzoek werd voorgesteld, werd de volgende brief ontvangen: {TN7: 15.4}

Fullerton, Calif.,

23 Jan., 1934.

Victor T. Houteff,

10466 S. Hoover St.

Los Angele, Calif.

Dierbare Broeder Houteff:

In een telefoongesprek vanavond van Ouderling Prout, vertelt hij mij dat het Union Conferentie Comité heeft toegestemd

15

in het verschaffen van het comité dat werd verzocht in onze afspraak van die ene dag, en dat de Union zou trachten de mannen bijeen te vergaderen binnen een paar weken voor de hoorzitting. {TN7: 15.5}

Hij wist niet uit wie het personeel van het comité bestaat, of ten minste heeft hij de namen aan mij niet doorgegeven, dus weet ik niet wie zij zullen zijn. Het is verondersteld dat de plaats en de tijd van de bijeenkomst beschikbaar zal worden gesteld in de nabije toekomst. Hoe dit precies gedaan zal worden is niet vermeld, of zij nu rechtstreeks contact met u zullen opnemen, op ons de informatie hiernaartoe zullen zenden, dat weet ik niet. In elk geval weten wij meer over de zaak in de nabije toekomst. {TN7: 16.1}

Erop vetrouwend dat de gehele afspraak zal zijn voor de verheffing van de waarheid van God en ons allen zal helpen in onze studie van de Bijbel en de Geest der Profetie, verblijf ik,

Met oprechtheid de uwe,

(Ondergetekend) J.W.RICH {TN7: 16.2}

Vier weken nadat wij de brief van Ouderling Rich ontvingen, verstrekten Ouderling Prout en Ouderling Rich persoonlijk de beslissing van de Conferentie om de voorgestelde bijeenkomst de daarop volgende Maandag te houden. Hebbende echter een eerder geregelde belangrijke afspraak voor die datum, waren wij verplicht om een verzoek in te dienen voor uitstel van de bijeenkomst.  {TN7: 16.3}

Hoewel, vanzelfsprekend, omstandigheden alleen ons verzoek bepaalden, werd het verslag rondgedeeld dat wij trachtten de beantwoording aan onze overeenkomst te vermijden, ondanks dat wij voor drie

16

jaren gebeden, gehoopt, en ernaar gestreefd hebben om de zitting te verkrijgen! De grondige lezer, echter, zal snel de waarheid van de zaak opvangen uit deze feiten en uit het feit dat een paar uur nadat Ouderling Prout en Rich ons modeling verzoek hadden medegedeeld, verzond Ouderling Calkins, Voorzitter van de Pacific Unie Conferentie, per persoonlijke nota de volgende brief: {TN7: 16.4}

Glendale, California,

15 Febr., 1934.

Victor T. Houteff,

10466 S. Hoover St.,

Los Angeles, California.

Dierbare Mr. Houteff:

In overeenstemming met uw schriftelijk verzoek van 18 Januari voor een hoorzitting voor een lichaam van leidende broeders, heeft het Unie Conferentie Comité Maandag, 19 Februari,aan de kant gezet voor dit doel. {TN7: 17.1}

Dit is om u mede te delen dat de bijeenkomst zal worden gehouden om 10 uur ‘s morgens op die datum, aan 4800 South Hoover Street, Los Angeles. {TN7: 17.2}

Dit zal onze mondelinge mededeling bevestigen, die u gegeven is deze morgen door Ouderling C.S. Prout en J.W. Rich. {TN7: 17.3}

Met zeer oprechtheid het uwe,

(Ondergetekend) GLENN CALKINS.

Terwijl de voorgaande brief van Ouderling Calkins, ter bevestiging van de eerdere mondelinge mededeling van het comité, onderweg was, hadden wij, bij wijze van formeel protest tegen de handelwijzen van het comité in de gehele zaak, de inhoud van onze

17

eerdere mondelinge verzoek aan Ouderling Prout en Rich, geschreven en verzonden. De tekst van de brief luidt als volgt: {TN7: 17.4}

10466 S. Hoover St.,

Los Angeles, Calif.,

15 Feb., 1934.

Ouderling Glenn Calkins,

Glendale, Calif.

Dierbare Ouderling Calkins:

Ik ben bovenmate verheugd te weten van deze afspraak en het zal mij een groot genoegen zijn om aan zulk een comité het toegevoegde licht tot de Derde Engel Boodschap (E.W.277{E.G.331,332}) voor te stellen. Maar ik denk, Ouderling Calkins, dat er geen poging gespaard zou moeten worden gelaten om onze tijd samen tot een succes te maken, want het doel van onze ontmoeting is of van groot belang voor alle belanghebbenden, of anders van geen enkele waarde. Mag ik daarom voorstellen dat het op juiste wijze wordt geregeld en ordelijk geleid, geen kans nemend om geweld te doen aan welk goed dan ook dat kan worden afgeleid van een dergelijke handelwijze. {TN7: 18.2}

Toen ons verzoek tot de Unie Conferentie werd ingediend door de leden van de Tabernacle Church van Fullerton, California, en mijn persoon, was er mondeling overeengekomen dat degenen die gestreden hebben tegen De Herdersstaf zouden worden uitgesloten van het comité, maar de lijst van Ouderling Prout van het voorgestelde comité toont aan dat

18

haast iedereen die het personeel samenstelt reeds op bittere wijze ertegen is. {TN7: 18.3}

Ons realiserend dat wij te maken hebben met een zaak die onze eeuwige belang betreft, en van de bestemming van onze kerkleden, schijnt de selectie niet alleen kwaadaardig, maar ook onraadzaam voor u om erop te vertrouwen, en dwaas voor mij om het te aanvaarden. Want in zoverre noch het Generale noch het Unie Conferentie comité heeft gehandeld volgens de boodschap van De Herdersstaf{The Shepherd’s Rod}, bewijzen deze mannen zich ongeschikt te zijn voor de gelegenheid, want zij hebben hier tevoren onafhankelijk gehandeld van de conferentie –het hoogste gezag — door tegen de boodschap te spreken vanaf de kansel en zelfs veroorzaakt hebbend dat sommigen van ons lijfelijk werden weggedragen uit de kerkgebouwen, om geen enkele reden dan onze aanwezigheid –schandelijk voor de kerk van God! Zij hebben daarom het kerkgenootschap reeds blootgesteld aan een aanklacht en zware beschadigingen. Zult u deze mannen laten voortgaan in hun armoedige en tiranisch oordeel? Bovendien hebben zij wijd en zijd gepubliceerd dat mij een verhoor werd gegeven door vertegenwoordigers van het kerkgenootschap, terwijl zij zeer goed weten dat er niets dergelijks heeft plaatsgevonden, wanneer dan ook! {TN7: 19.1}

Ongeacht hoe onbeduidend de zaak ook moge zijn, zou geen enkele burgerlijke gerechtshof ooit een jury van dit soort selecteren. Waarom zouden wij dat doen? Is onze zaligheid niet veel belangrijker dan aardse gewin? {TN7: 19.2}

Laat mij voorstellen, Ouderling Calkins, dat u mensen uitkiest die betrouwbaar zijn. Mensen die

19

een broeder niet veroordelen zonder een verhoor. Men die getrouw kunnen staan tot beginselen ondanks de hemelen zouden vallen,(geen vleeseters), en alleen degenen die waarlijk geloven in de Derde Engel Boodschap volgens de Geest der Profetie. Laat ons daarna samenkomen als broeders voor gebed en studeren in een Christelijke geest, waar wij ten volle de verzekering kunnen hebben van de aanwezigheid van de Heer om ons verstand van het Woord te openen. Anders zullen wij uitermate onwetend blijven over wat waarheid is, en aldus zullen wij niet ontwaken, al zouden de doden opstaan. {TN7: 19.3}

Verder ben ik geïnformeerd dat ik alleen voor het comité zou moeten verschijnen. Hierin zie ik helemaal geen wijsheid. Als het comité mij wil ontmoeten met als doel alleen maar om mij te veroordelen en de laan heen te sturen, als het ware, ongeacht gerechtigheid of waarheid, en Gods kerk te beroven van een mogelijke zegening in een boodschap, dan, zeg ik, is het wijselijk geregeld. Maar ik denk niet dat dit uw bedoeling is, Ouderling Calkins. Ik denk dat u eerlijk bent tegen uzelf en getrouw aan God. Ten minste, dat is de indruk die ik had toen u samenkwam met het Exposition Park Church Committee, enige jaren geleden, waarvan ik lid was. Het was de tijd waarin u kwam om het probleem tegen Ouderling Paap kwam beslechten. Aangezien u uw mannen heeft uitgekozen, is het dan niet eerlijk en rechtvaardig om mij sommige broeders mee te laten brengen, die vertrouwd zijn met De Herdersstaf? Welke beschadiging kunnen zij toebrengen tegen gerechtigheid? {TN7: 20.1}

Het zal onmogelijk zijn voor mij om jullie broeders op de door Ouderling Prout verklaarde dag te ontmoeten.

20

Ik verzoek dat er een afspraak wordt gemaakt voor een week na de aanstaande Maandag — 26 Februari. Laat mij terstond van u horen, zodat ik dienovereenkomstig plannen kan maken. {TN7: 20.2}

Moge de Heer u leiden op deze tijd en u helpen  om getrouw uw plicht te vervullen als een voorzitter van de conferentie, en met dit probleem van het uur. Ik ben

Het Uwe voor broederlijke liefde,

een Christelijke geest,

en ten goede van Zijn volk,

(Ondergetekend), V.T.HOUTEFF {TN7: 20.3}

——————————–

Volledig negerend onze mondelinge verzoek en  onze schriftelijke protest, dwongen zij ons op oncomprimerende wijze om hen te ontmoeten volgens hun eigen voorwaarden. En zodoende, om de gelegenheid  waarnaar wij zo lang hebben gezocht niet uit onze bereik te laten  wegglippen, en om niet uitgemaakt te worden voor de niet verschenen partij, ten nadeel van de Waarheid, waren wij gedwongen om te buigen voor hun genoegen tot onze hevige ongemak, evenals aan rechters waarvan de meesten reeds bittere vijanden waren van de Staf. {TN7: 21.1}

De Leden van het Committee Waren:

A.G. DANIËLS, Voorzitter GLENN CALKINS
W.G. WIRTH, Secretaris C.M. SORENSON
G.A. ROBERTSF.  C. GILBERT
C.S.PROUT M. ADAMS
J.C. STEVENS J.A. BURDEN
H.M.S. RICHARDS O.J. GRAF

Het Fullerton voorstel was in geen enkel opzicht bedoeld als een definitieve overeenkomst, maar slecht een verzoek. Maar de Pacific Union Conferentie, de bedoeling ervan niet in acht nemend, verordende het, op willekeurige wijze, zonder de kleinste aankondiging, tot een contract van onderzoek! {TN7: 21.2}

21

De verscheidene onderwerpen, die ter beschouwing genomen moesten zijn, waren  “De Oogst,” “Ezechiel Negen,” “Het Luipaardachtig Beest van Openbaring13,” “Hosea hoofdstukken Een en Twee,” en “Mattheus 20.” De tijd zou niet een week moeten overschrijden voor het gehele aantal. Maar na de allereerste studie, kondigden zij een onderbreking aan, en maakten geen afspraak voor hetzij de presentatie van de vereiste overblijvende onderwerpen of voor

Het Beloofde Antwoord. {TN7: 22.1}

Na een verloop van ongeveer vier weken van de onderbroken sessie, werden wij geïnformeerd van de tijd wanneer zij hun antwoord zouden verlenen, welke zij schriftelijk hadden voorbereid! Bij deze samenkomst waren er twaalf aanhangers van de Staf aanwezig, daar er geen bezwaar werd gemaakt van hun bijwoning. Iemand van het comité las het lang vertraagde verslag van hun bevindingen, welke duidelijk aantoonde dat het document was samengesteld met het vastbesloten doel op het oog om, tegen welke prijs dan ook, de boodschap van de Staf te weerleggen, zelfs tegen de prijs van het gebruiken van middelen die vaak werden gebruikt tegen de waarheid van de Sabbat. Dit feit zal op pijnlijke wijze duidelijk zijn voor allen die oprecht het document lezen welke nu is uitgedrukt onder de titel: Een Antwoord op De Herdersstaf{A Reply to The Shepherd’s Rod}. {TN7: 22.2}

Onmiddellijk na het ons te hebben voorgelezen, onderbraken zij de bijeenkomst, onbuigbaar ontzeggend onze erop staande pleidooi voor zelfs drie minuten de tijd om daarin een verklaring af te leggen. Dergelijke willekeurige en onredelijke handelwijzen, die alles behalve Christelijk zijn, geven aan dat het comité maar al te goed wist dat

22

hun verslag tegen de Staf geen enkel punt heeft kunnen weerleggen. Want als zij anders hadden geloofd, dan hadden zij meteen ter plekke ons ernstig kunnen opdragen om onze afspraak om onze leringen te herroepen te eerbiedigen, en zouden zij dan de bijeenkomst  hebben opengesteld voor getuigenissen en belijdenis. Maar neen, zij weigerden enig woord van wie dan ook van ons aan te horen! {TN7: 22.3}

Bovendien specificeerde de overeenkomst dat wij hen eerst de studie van “De Oogst” zouden moeten geven, en dat zij alleen daarop antwoord zouden geven. Maar in hun verlate beantwoording, wederom terzijde leggend de voorwaarden van de overeenkomst, poogden zij om in een slag de gehele boodschap te weerleggen, door uit de boekdelen van De Herdersstaf verklaringen te citeren, die, wanneer zij uit hun verband worden genomen, en die, aldus ontnomen van alle ondersteunende bewijzen, pure aanmatiging toeschijnen, volledig ontdaan van gezag, en zelfs tegenstrijdend tot elkander en tot de Geest der Profetie! {TN7: 23.1}

Noch hun principeloze handelingen, echter, noch hun gewichtige weerlegging, hebbende boodschap neergehaald, zoals zij  hadden gehoopt. In tegendeel, hebben zij alleen maar gediend tot het verheffen ervan. Zij hebben, echter, de tragen en oppervlakkigen –een ieder die zich afhankelijk stelt van anderen om te beslissen wat waarheid en wat dwaling is–veroorzaakt te blijven in hun Laodiceese toestand –lauw, tevreden, wachtend om “uitgespuwd” te worden. {TN7: 23.2}

Ouderling A.G. Daniëlls, voorzitter van het comité van twaalf, beloofde Broeder Houteff een kopie van het document dat zij ons voorlazen te geven, maar tot op deze dag, hebben zij nooit

23

hun belofte waargemaakt. Twee maanden lang na de bijeenkomst, telefoneerden wij van tijd tot tijd naar het kantoor van de Unie Conferentie, alleen maar om iedere keer een of ander verontschuldiging te ontvangen, en andere vruchteloze beloften. Uiteindelijk, terwijl de Spring Council gaande was in Washington, D.C, verzonden wij aan Ouderling  Daniëlls het volgende telegram: {TN7: 23.3}

Los Angeles, California,

28 April, 1934.

Oud. A.G. Daniëlls,

Ter attentie van Spring Council, Z.D. A.

“Hoewel u de levering van het verslag over de Studie van de Oogst had beloofd, na het uitgeven binnen enkele dagen, zijn er zes weken verlopen, ondanks er vele verzoeken zijn gericht geweest tot de Unie Conferentie. Verslagen geven aan, dat het geheel, of gedeelten ervan, reeds in de omloop zijn. Verzend een bericht indien dit waar is, en ook geef een datum wanneer u mijn kopie zult afleveren.” {TN7: 24.1}

(Ondergetekend) V.T.HOUTEFF

Op dit urgent verzoek, is op gelijke wijze geen antwoord ooit gekomen. {TN7: 24.2}

Wij realiseren ons dat de handeling van het comité amper geloofwaardig is. En wij betreuren het diep dat zij ons ertoe hebben gedwongen om, ter verdediging van de Waarheid, hierin de feiten bloot te legen, opdat elk één mag weten en voor zichzelf kan beslissen, zoals de Geest der Profetie onderwijst: {TN7: 24.3}

“Wanneer de student de macht opoffert om voor zichzelf te redeneren en te oordelen, wordt hij onbekwaam om onderscheid te maken tussen waarheid en dwaling, en wordt een gemakkelijke prooi voor mislei-

24

ding. Hij wordt gemakkelijk ertoe geleid traditie en gewoonte na te volgen…Het verstand dat zich afhankelijk stelt van het oordeel van anderen, zal zeker, vroeg of laat, misleid worden.” -Education, blz. 230,231{Karaktervorming, blz.232, 233}. {TN7: 24.4}

Een dergelijke tijd als de huidige, zal aan elkeen openbaren of hij op God alleen vertrouwt  of ook op een  Daniël, een Noach, of een Job. Zij die het denken en studeren en beslissen voor hen aan anderen overlaten, zullen vreselijk teleurgesteld zijn wanneer zij zich spoedig aan de verkeerde kant ondervinden. “Daar zal” dan “het geween zijn en het knersen van tanden.” Dit gevaar leidt ons daarom ertoe de waarachtigheid van het Antwoord te onderzoeken, en ook om op de proef te stellen het uitleggende vermogen van

De Geest Die het Verstand van de Twaalven Beïnvloedde. {TN7: 25.1}

In een brief gericht tot Dr. W.S. Butterbaugh, benoemt Professor Graf het conferentie onderzoekende comité als “het comité van twaalf,” de term een aantal keren herhalend, het duidelijk makend dat zij zouden moeten worden beschouwd als een even waardige lichaam van gezag  vandaag als het Sanhedrin dat was in de tijd van Christus.  Een van dezen was Professor Graf zelf, wiens eerste brochures, in hun woordkeus en argument, vergeleken met die van het Antwoord, openbaren, dat dit “comité van twaalf,” voor zover het hun bijdrage tot het Antwoord betreft, in feite slechts een comité van een was, en dat hun bevindingen het resultaat waren van de vernuftige wijze van uitlegging van deze ene. Aldus zijn de leken be-

25

roofd geweest van een onpartijdige vertegenwoordigend verslag, en is hen gegeven de theologische vooropgezette meningen en verzinsel van een verstand{geest}, als de bevindingen van twaalf! {TN7: 25.2}

In een poging om het geloof van de dokter in de Staf omver te werpen, zegt de Professor in zijn brief: {TN7: 26.1}

Welnu, mijn broeder, ik geloof dat u genoeg ervaring heeft gehad in de studie en uitlegging van de Schriften om u te realiseren dat het volstrekt gevaarlijk is om wezenlijke Bijbelse leerstelling en uitlegging op te bouwen gebaseerd op de uitlegging van symbolen en gelijkenissen.” {TN7: 26.2}

Hier, in feite, zo ongelooflijk als het is, verklaart de professor nadrukkelijk dat om afhankelijk te zijn van typen, symbolen en gelijkenissen, “volstrekt gevaarlijk” is, als een “basis” om daarop “wezenlijk Bijbelse leerstelling” te bouwen. Maar als zijn bewering correct is, dan beschuldigt hij niet alleen de Staf leerstellingen, maar ook de Z.D.A. leerstellingen, want zij zijn grotendeels gebaseerd op de uitlegging van symbolen! {TN7: 26.3}

Zoals het is met de meeste Z.D.A’s, was de schrijver van dit traktaat bekeerd tot de kerk der Zevende-dags Adventisten door haar geopenbaarde leerstellingen, waarvan allen in wezen zijn gebaseerd op symbolen en typen, zoals het grote beeld van  Daniël 2, en de beesten van  Daniël 7. Inderdaad, hun uitlegging verschaft de enige sleutel die het heden en de toekomst ontsluit, openbarend dat de koninkrijken van deze wereld ten einde zullen komen bij het oprichten van het koninkrijk van Christus; want de steen,

26

die “zonder handen” was “afgesneden” (Dan. 2:34), sloeg het beeld, vergruisde het tot poeder, en verstrooide het tot de vier winden. {TN7: 26.4}

De eenvoudige waarheid is, dat de uitlegging van de symbolische beesten van Daniël 7 juist de ruggengraat is van de Z.D.A. “wezenlijke Bijbelse leerstelling.” De waarheid van de “kleine hoorn,” welke “ogen”had “als de ogen van een mens, en een mond, sprekende grote dingen” (Dan. 7:8), is wat veroorzaakte dat wij ons voegden bij het Z.D.A. kerkgenootschap! Aangezien de meest wezenlijke Z.D.A leerstellingen daarom gebaseerd zijn op de uitlegging van symbolen, vragen wij de Professor om uit te leggen waarin precies het gevaar van hen ligt. Maar op de datum af, zijn er negen jaren verstreken en wij wachten nog steeds geduldig op zijn verklaring! {TN7: 27.1}

Nogmaals: als het comité gelooft, zoals de Professor dat doet, dat symbolen en typen niet betrouwbaar zijn, dan moet het kerkgenootschap pas recentelijk haar standpunt hebben veranderd, want heeft altijd, met grote nadruk, deze symbolen onderwezen, evenals de typen, zoals de Exodus beweging als een type van de 1844 beweging. ( Zie Certainties of the Advent Movement{Zekerheden van de Advent Beweging}, en het kleine boekje, Forty Years in the Wilderness{Veertig Jaren in de Woestijn}). {TN7: 27.2}

Het is daarom duidelijk, dat het comité hun eigen buitengewone blunder zou moeten bekennen, en de waarheid erkennen dat symbolen niet alleen volstrekt noodzakelijk zijn, maar ook volstrekt veilig zijn, als een basis voor “wezenlijke Bijbelse leerstelling.” En deze blunder alleen al zou voldoende stimulans moeten geven aan een ieder om een oprechte en

27

grondige onderzoek te verrichten over de Staf{Rod}. {TN7: 27.3}

Nu kunnen wij de vraag stellen: Wat dreef hen aan om zulk een standpunt in te nemen tegen de Staf, zelfs in tegenstelling tot wat zij hebben onderwezen? Het is duidelijk hun onvermogen om het onderwerp van “de Oogst” tegen te spreken. De Geest der Profetie zegt: {TN7: 28.1}

“De ware Uitlegger moet komen. De Ene, welke al deze typen voorstelden, moet hun betekenis uitleggen. {TN7: 28.2}

“Door de natuur, door middel van typen en symbolen, door patriarchen en profeten had God tot de wereld gesproken. Er moeten lessen worden gegeven aan de mensheid in de taal van de mensheid…Hij, de schepper van waarheid,  moet de waarheid scheiden van het kaf van menselijke uitspraak, welke het zonder uitwerking heeft gelaten. De beginselen van Gods regering en het plan der verlossing moet duidelijk bepaald worden. De lessen van het Oude Testament moeten volledig aan de mensen voorgezet worden. – The Desire of Ages, blz. 33,34{De Wens der Eeuwen, blz…}.{TN7: 28.3}

“Het gehele systeem van typen en symbolen was een beknopte profetie van het evangelie, een voorstelling waarin de beloften van de verlossing waren samengebonden. – The Acts of the Apostles, blz.14{Van Jeruzalem tot Rome, blz..}. {TN7: 28.4}

“AL deze dingen sprak Jezus tot de scharen in gelijkenissen; en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet.” Matt.13:34. {TN7: 28.5}

De Professor is klaarblijkelijk blind tot het feit dat het ceremoniële systeem met al haar symbolische rituelen, de basis is van de Oud Testamentische onderwijzingen, en ook, samen met de gelijkenissen van Christus, op gelijke wijze de basis is van de Nieuw Testamentische onderwijzingen, en dat

28

de profetische typen en symbolen van Ezechiël, Daniël, Hosea, Zacharia, De Openbaring, en al de rest van de Bijbel, ontworpen zijnde uitdrukkelijk om licht te werpen op het afsluitingswerk van het evangelie, vanzelfsprekend van vitale noodzaak en van bijzondere veiligheid zijn als de basis van “wezenlijke Bijbelse leerstelling.” Inderdaad, hoe kon het anders zijn, en zij dat nog steeds zijn zoals zij zijn – het grondslag van de Schriften? {TN7: 28.6}

Bovendien, aangezien deze symbolen, typen, en gelijkenissen niet worden uitgelegd in de geschriften van Zuster White (alleen een belofte die daar wordt gemaakt dat iemand moet komen om ze uit te leggen), en aangezien de Professor geen andere bevoegdheid van uitlegging aanneemt, dan is het duidelijk dat hij en degenen die geloof hechten aan wat hij zegt, nooit zullen komen tot de waarheid van deze dingen! Maar wat nog erger is, is hun

Schijn-Weerlegging. {TN7: 29.1}

Voor vele jaren hebben wij Z.D.A’s als volk ernstig de drogredenen ondervonden, uitvoerig gebruikt tegen de Drie Engelen Boodschappen; zoals, bijvoorbeeld, de argumenten aangebracht tegen de waarheid van de Sabbat, en zoals die aangebracht zijn tegen de Geest der Profetie door verdedigers van eigenmachtige (ongeïnspireerde) uitlegging, maar wij zijn verbaasd om te zien dat onze broeders van de Generale Conferentie de toevlucht nemen tot dezelfde dwalende wijze, en wat nog erger is, dat doende tegen een broeder die de Derde Engel Boodschap en de gave van de Geest der Profetie probeert te verheffen. {TN7: 29.2}

29

Wij zijn ons er volledig van bewust dat de opstelling van citaten uit De Herdersstaf en de Geest der Profetie, zoals voorgezet in het boekje: Een Antwoord op De Herdersstaf{A Reply to The Shepherd’s Rod}, hen doet toeschijnen als zijnde in directe tegenstrijd met elkander. Maar dit valse verschijnsel is veroorzaakt door de verklaring af te zonderen van hun samenhangende verbintenissen. Bijvoorbeeld, als wij uit Psalm 53:1 halen het gedeelte dat zegt: “er is geen God,” dan laten wij David spreken als een atheist, en de Bijbel als het meest zelftegensprekende werk van alle lectuur. Dit is de handelwijze van het afleiden van de verklaringen welke de volgende

Onredelijke Vergelijkingen Samenstellen. {TN7: 30.1}

Deze vergelijkingen worden gevonden in Een Antwoord op De Herdersstaf{A Reply to The Shephard’s Rod}. {TN7: 30.2}

De Herdersstaf: “De gevangenschap van Paus Pius VI in 1798, en zijn dood te Valence, Frankrijk, 19 Aug. 1799, betekent niet het ontvangen van de wond, niet meer dan de dood van welke andere paus dan ook daarvoor of daarna.” -De Herdersstaf, Deel 1, blz. 215.

De Geest der Profetie: “Ik zag een van zijn hoofden als tot de dood gewond; en zijn dodelijke wond was genezen; en de gehele wereld verwonderde zich achter het beest.” De toedracht van de dodelijke wond verwijst naar de val van het pausdom in 1798”-The Great Controversy, blz.653(nieuwe editie){De Grote Strijd, blz..}. “Deze periode, zoals verklaard in de voorafgaande hoofdstukken, begon met de overheersing van het pausdom, 538 N.Chr., en eindigde in 1798. In die tijd, was de paus gevangen genomen door het Franse leger, ontving de pauselijke macht haar dodelijke wonde, en was de voorzegging vervuld: “Hij die in gevangenschap leidt, zal in gevangenschap gaan.’” -Id., blz.501.

De voorafgaande verklaringen zijn woordelijk

30

gereproduceerd uit Een Antwoord op de Herdersstaf{A Reply to The Shepherd’s Rod}, bladzijden 42, 38. {TN7: 30.3}

De gewetenloze wijze welke de broeders hebben gebruikt bij deze vergelijkingen, in de wanhopige poging om te bewijzen dat De Herdersstaf verkeerd is, kan toegepast worden op de Bijbel en de eigen publicaties van het kerkgenootschap. Bij voorbeeld: {TN7: 31.1}

The Signs of the Times: De Herdersstaf:
“…Daarom is het noch juist noch bijbels om te verklaren dat de Rooms Katholieke Kerk het vijfde hoofd is van de draak of het beest van Openbaring 13.” -Signs of the Times {Tekenen des Tijds}, 12 April, 1932. “Het idee betreffende de symbolische toepassing van …het luipaardachtig beest van Openbaring 13, het scharlaken rood beest van Openbaring 17…als zijnde symbolen van het pausdom, is onbijbels en onlogisch.” -De Herdersstaf, Deel 2, blz.148.

Door deze vage handelswijze, kan men bovendien veel gemakkelijker Paulus in tegenspraak laten zijn  met de geschriften van Mozes, dan zij De Herdersstaf in tegenstrijd hebben laten zijn met de Geest der Profetie, zoals kan worden gezien uit de volgende voorbeelden: {TN7: 31.2}

Paulus zegt: “”Wie zijt gij, die eens anderen dientknecht oordeelt? …De een acht de ene dag boven de ander; een ander acht al de dagen gelijk. Laat ieder mens ten volle overtuigd zijn in zijn eigen verstand.”

“Maar de zevende dag is de Sabbat des Heren uws Gods; dan zult gij geen werk doen.”Ex. 10:10.

Waarom beschuldigen wij Paulus niet van het onderwijzen dat men iedere dag kan onderhouden zo lang hij “het acht als voor de Here”? {TN7: 31.3}

“Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde.”1 Tim. 4:4.

Nochtans zult gij niet eten van degenen, die herkauwen, of van hen die de klauwen verdelen; zoals de kameel , want hij herkauwt, maar verdeelt de klauwen niet; die zal u onrein zijn.” Lev. 11:4.

31

Waarom beschuldigen wij Paulus hier niet ervan als lerende dat men wat dan ook en van alles kan eten, hoewel het verboden wordt door het Woord van God? {TN7: 31.4}

“Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste. Maar in het vlees te blijven, is nodiger om uwentwil.” Fil. 1:23,24.

“Want de levenden weten dat zij sterven zullen; maar de doden weten niets, noch hebben zij enig loon meer; want hun gedachtenis is vergeten.” Pred. 9:5. {TN7: 32.1}

Als “het comité van twaalf” had geleefd in de dagen toen Paulus predikte, en als zij werden toegelaten tot hun huidige wijze van onderzoek, dan zouden zij, door hun falen om de samenvatting te beschouwen van wat de apostel onderwees in zijn verklaringen, hem veroordelen als een leraar van evolutie, van de bewuste staat van de doden, en van onmatigheid, en onder zulk een misleiding, zouden zij zich onder de eersten bevinden die om zijn dood uitriepen, zoals zij nu in het vaandel staan, het neerhalen uitroepend van De Herdersstaf. {TN7: 32.2}

Zo onbenijdenswaardig als zij zouden zijn in hun schuld als zij Paulus’ bloed hadden vergoten, toch zou hun kans om tot het eeuwige leven in te gaan veel beter zijn (als hun onwetendheid van wat Paulus onderwees hen mogelijkerwijs kon verontschuldigen) dan het zal zijn als zij onboetvaardig doorgaan in hun onredelijke behandeling van de boodschap van de Staf. Want het kan enigszins moeilijk zijn om deze leringen van Paulus te begrijpen, maar het is zeker niet moeilijk om leringen van de Staf te begrijpen, want de regels die onmiddellijk volgen na degenen die het comité citeert, verklaren duidelijk dat het moeilijk-te-beschrijven en het luipaardachtige beest wel het pausdom voorstellen. En verder,

32

hoewel de Staf uitdrukkelijk verklaart dat zowel de hoorn-kop, hebbende “de ogen van een mens, en een mond, sprekende grote dingen,”en hoofd welke ten dode gewond was, het pausdom voorstellen, hebben zij het doen toeschijnen alsof het iets anders leert. {TN7: 32.3}

Het citaat uit De Herdersstaf{Rod}, gevonden op bladzijde 30 van dit traktaat, toont door wat erna volgt aan, dat de Staf{Rod} slechts tracht uit te leggen dat hoewel sommige van de beesten de Roomse macht voorstellen, het zowel onbijbels als onlogisch is, om aan te nemen dat zij allemaal symbool staan voor dat systeem, of dat het luipaardachtige beest in zijn geheel (zeven hoofden en tien hoorns) alleen daarvoor symbool kan staan; want het wordt voorgesteld door het hoofd dat was verwond. De zes onbeschadigde hoofden en de tien hoorns moeten daarom symbolen zijn van andere systemen. Maar door deze feiten te weerhouden van de mensen, handelen zijn onredelijk tegen de Staf, en zij misleiden en verwarren de leken. Er is geen verontschuldiging hiervoor, want als zij te druk bezig zijn om te lezen, dan kunnen zij, door slechts een blik te werpen op de afbeelding op pagina 84 van De Herdersstaf, Deel 2, erkennen dat het niet zegt wat zij het trachten te laten zeggen. {TN7: 33.1}

Elk ander argument welke zij hebben aangebracht tegen de Staf ten einde de leken ervan te doen afkeren, kan zo snel, eenvoudig, en zo volledig tot zwijgen worden gelegd zoals de voorafgaande voorbeelden dat zijn geweest. Mocht er iemand twijfelen, dan nodigen wij hen uit hun vragen te stellen. Kies de sterkste tegenstrijdigheid uit die u kunt vinden

33

die is voorgezet door welke Staf{Rod}- tegenstander dan ook, en wij beloven het op te helderen. {TN7: 33.2}

Hun grootste misvorming van feiten is misschien de verklaring: “Toen de aandacht van de schrijver van De Herdersstaf werd gevestigd op deze directe tegenstrijdigheid, ontkende hij het niet, maar beweerde dat zijn uitlegging aangenomen moest worden omdat Zuster White niet het volledige licht had over het onderwerp.” —Een Antwoord op De Herdersstaf, blz. 42. {TN7: 34.1}

Deze aantijging handelt hetzij volgens verzinsel of verkeerde interpretatie, want op geen enkele tijd hebben wij enige soortgelijke verklaring afgegeven, noch hadden wij die kunnen afgeven, daar wij geloven dat de Staf in volmaakte overeenstemming is met de geschriften van Zuster White. Daarom hopen wij dat het comité voor hun eigen bestwil eerbaar genoeg moge zijn om deze verkeerde voorstelling te corrigeren. {TN7: 34.2}

Nu richten wij de aandacht van de lezer tot wat de Grote Strijd leert betreffende de aanvang van de wonde, want het Antwoord handelt met The Great Controversy {De Grote Strijd} op dezelfde verraderlijke wijze zoals het dat doet met de Herdersstaf. In dit geval, laat het de gehele veelomvattende, geschiedkundige behandeling weg van het boek over het onderwerp, welke de toediening van de wond aantoont als het gevolg, niet van een enkelvoudige ogenblikkelijke handeling, maar eerder van een uitstrekkende serie gebeurtenissen, zoals dat vluchtig wordt gezien uit de volgende passages: {TN7: 34.3}

“‘(…)Een ernstige strijd [zei Luther] is pas begonnen. Tot nu toe heb ik alleen maar met de paus gespeeld. Ik begon aan dit werk

34

in de naam van God; het zal beëindigd worden zonder mij en door Zijn macht.'” {TN7: 34.4}

“‘ …ik zette Gods woord voor; ik predikte en schreef–dat is al wat ik deed. En toch, terwijl ik sliep… wierp het woord dat ik predikte het pausdom omver, zodanig dat noch prins noch keizer het zoveel schade heeft toegebracht.'” {TN7: 35.1}

‘” …de wijsheid van pauzen, koningen en prelaten is teniet gebracht door de kracht der waarheid. Het pausdom heeft een nederlaag geleden welke gevoeld zou worden onder alle natiën en in alle eeuwen. ” {TN7: 35.2}

“‘ …een onmetelijke revolutie is aldus teweeg gebracht door de werking van Luther. Rome was reeds aan het afdalen van haar troon, en het was de stem van een monnik die deze vernedering veroorzaakte.'” –The Great Controversy, blz. 142, 190, 162, 155[ De Grote Strijd, blz…}. {TN7: 35.3}

“De kalme, waardige kracht van Luther verootmoedigde zijn vijanden, en bracht een meest vreselijke slag toe aan het pausdom.” –Testimonies, Vol 1{Getuigenissen, Deel 1}, blz. 373. {TN7: 35.4}

“…Door middel van goddelijke hulp werd hij [Luther] in staat gesteld om de reusachtige macht van Rome te doen wankelen; zodat in ieder land het fundament van het pausdom beefde.” — Gospel Workers {Evangeliewerkers}, oude uitgave, blz. 428. {TN7: 35.5}

Met deze verklaringen voor ons, zijn wij nu gereed om op de juiste wijze de passage te evalueren: {TN7: 35.6}

“Tegen die tijd[1798], was de paus gevangen genomen door het Franse leger, ontving de pauselijke macht haar dodelijke wonde, en was de voorzegging vervuld: “Hij die

35

in gevangenschap leidt, zal in gevangenschap gaan.’” –The Great Controversy, blz.439{De Grote Strijd, blz..}. {TN7: 35.7}

Deze verklaring zegt dat vers 10 van Openbaring 13 ( “Hij die in gevangenschap leidt, zal in gevangenschap gaan”), en niet vers 3 (“ten dode gewond”), werd vervuld in 1798! Een andere uitlegging dan deze kan niet gegeven worden zonder al de tevoren geciteerde verklaringen over het onderwerp te veronachtzamen. Bovendien toont de Bijbel duidelijk aan dat het gevangen nemen van de paus niet de wond toebracht, want terwijl de paus nooit herstelde van zijn gevangenschap, maar erin stierf, herstelde het “hoofd” wel van zijn wonde, en leefde. {TN7: 36.1}

Verder nog, zag Johannes de gebeurtenis van vers 3 (het verwonden van het hoofd) plaatsvinden vóór die van vers 10 (het gevangen nemen van de paus). De wonde op het hoofd, stelt daarom de slag voor zoals die werd toegebracht door de Protestantse Reformatie. {TN7: 36.2}

In een andere verkeerde voorstelling, zegt het comité: “Er wordt beweerd dat Luther tegen die tijd (1500 N.Chr.) de dodelijke wonde toebracht.” –Een Antwoord op De Herdersstaf, blz. 43. Maar wij vragen ernstig aan allen die de Derde Engel Boodschap liefhebben, om deze belangrijke zaak in te kijken, en voor zich zelf te zien dat de Staf niet leert dat de slag werd toegebracht in 1500, zoals zij trachten de leken te doen geloven dat het dat leert, maar eerder na 1500. (Lees De Herdersstaf, Deel 1, blz. 209-222 en Deel 2, blz. 85-107). {TN7: 36.3}

Op bladzijden zes en acht, deelt het Antwoord{Reply}

36

het idee mede dat het een antwoord is tot de “Oogst Studie,” welke werd gepresenteerd aan het “comité van twaalf,” en dat het in overeenstemming is met de Fullerton overeenkomst.  De waarheid echter, is dat het comité nooit antwoord heeft gegeven op de “Oogst” studie (onze traktaat Nr.3) zelf, maar poogde om net en soort van superslag al de publicaties van De Herdersstaf het zwijgen op te leggen. Waarlijk, alleen al de titel van het boekje bekent dat het “Een Antwoord Op DE Herdersstaf” is, en niet op de studie van de “Oogst.” {TN7: 36.4}

Aangezien de overeenkomst bovendien vijf studies vereist om gepresenteerd te worden binnen een week als de eerste niet tegengesproken kon worden, was het noodzakelijk dat de eerste studie beantwoord zou worden binnen vier en twintig uur. Maar ondanks de overeenkomst, verstreken er meer dan zes honderd uren voordat het antwoord werd gegeven! En zelfs dan, zoals wordt getoond, was het geen antwoord op de gegeven studie. {TN7: 37.1}

Met het oog op dit feit welke het comité in gebreke blijft van hun ondertekende verplichting, is onze standpunt automatisch gerechtvaardigd, en die van hun in twijfel getrokken, tot niets terugbrengend de volgende opdracht: {TN7: 37.3}

“Wij hebben uw uitdaging aanvaard om te bewijzen dat de leer van De Herdersstaf{The Shepherd’s Rod} verkeerd is… Nu komt er tot u een uitdaging, die niet is voortgekomen door ons maar door de eenvoudigste beginselen van eer en oprechtheid… Wil de schrijver nu zijn toevlucht nemen tot de ‘misleidende omzichtigheden’ en ‘kronkelingen en verdraaiingen en omkeringen” van ‘dwaling’ …of zal hij op oprechte en eerbare wijze naar voren treden en

37

zijn belofte waarmaken:…”—Een Antwoord Op De Herdersstaf {A Reply To The Shepherds Rod}, blz. 37, 49. {TN7: 37.3}

Door de wijze die zij hebben gebruikt — iemands geschriften afwijzen door te vergelijken met die van een ander –kunnen welke twee boeken dan ook van de Bijbel in tegenstrijd met elkaar worden gemaakt. Verder nog, zal het volgende voorbeeld voldoende aantonen dat niet alleen de geschriften van welke twee personen dan ook, hoewel in volmaakte overeenstemming, tot botsing kan worden gemaakt, maar ook de geschriften van welk ene persoon dan ook, kan worden gemaakt als schijnende zelftegensprekend. Neem bijvoorbeeld de volgende twee verklaringen van de geschriften van Zuster White: {TN7: 38.1}

“Er zijn duizenden verleidingen vermomd voorbereid voor degenen die het licht der waarheid hebben: en de enige veiligheid voor wie dan ook van ons is het niet ontvangen van nieuwe leringen, geen nieuwe Schriften, zonder eerst het te brengen tot de broeders van ervaring. Leg het hen voor in een nederige, onderwijsbare geest, met ernstig gebed; en als zij geen licht erin zien, leg u neer bij hun oordeel; want ‘in de menigte der raadgevers is er veiligheid.'” –Tesitmonies, Vol. 5, blz. 293{Getuigenissen, Deel 5, blz…}.

“Iedere ziel moet op God zien met berouw en nederigheid, opdat Hij kan begeleiden, en leiden en zegenen. Wij moeten het niet aan anderen toevertrouwen om de Schriften voor ons te onderzoeken. Sommigen van onze leidinggevende broeders hebben vaak hun standpunt ingenomen aan de verkeerde kant; en als God een boodschap zou zenden en wachten op die oudere broeders om de weg voor de bevordering ervan te openen, dan zou het het volk nooit bereiken.

“Zij die niet de gewoonte hebben gehad om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of om bewijzen te overwegen, hebben vertouwen op de leidende mannen, en aanvaarden de beslissingen die zij nemen; en aldus zullen velen juist de boodschappen verwerpen die God zendt tot Zijn volk, als deze leidende broeders ze niet aannemen.” –Gospel Workers{Evangeliewerkers}, blz. 303; Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz.106,107. {TN7: 38.2}

Uit dit voorbeeld kunnen wij zeer snel zien dat hoewel er twee passages zijn ge

38

ïnspireerd door dezelfde Geest, toch kunnen zij, wanneer op verraderlijke wijze gemanipuleerd, gesteld worden om met elkaar in tegenstrijd te zijn. Wanneer het doel van de schrijver, echter, bij het maken van de verklaring eerst wordt beschouwing in ieder geval, dan, en alleen dan, kan men op rechtmatige wijze zijn gedachte uitleggen, en het probleemloos ondervinden. Ter specifieke aantoning van deze algemene waarheid, richten wij de aandacht van de lezer tot de volgende korte uiteenzetting van de veel overwerkte en misbruikte verklaring in Testimonies, Vol.5, blz. 293{Getuigenissen, Deel 5,blz.238}, betreffende nieuw licht: {TN7: 38.3}

“Er zijn duizenden verleidingen vermomd voorbereid voor degenen die het licht der waarheid hebben: en de enige veiligheid voor wie dan ook van ons is het niet ontvangen van nieuwe leringen, geen nieuwe Schriften, zonder eerst het te brengen tot de broeders van ervaring. Leg het hen voor in een nederige, onderwijsbare geest, met ernstig gebed; en als zij geen licht erin zien, leg u neer bij hun oordeel; want ‘in de menigte der raadgevers is er veiligheid.'” {TN7: 39.1}

De omstandigheden welke de verklaring veroorzaakte waren dat Broeder D____, hoewel hij beweerde licht te hebben, in de plaats duisternis had, welke, in plaats van te verlichten, alleen maar de boodschap verduisterde welke kwam door middel van de Geest der Profetie. Met het oog op dit feit, worden de “broeders van ervaring” waarvan zij spreekt, gezien als zijnde niemand anders dan de oprichters van het Z.D.A. kerkgenootschap, zij die met Zuster White de unieke ervaring deelden van de boodschap

39

punt bij punt vast te stellen, en niet degenen die daaropvolgend volgden om het te verkondigen. {TN7: 39.2}

Het is dan duidelijk, dat de enige mogelijke manier waarop deze “broeders van ervaring” geraadpleegd kunnen worden in de huidige tijd, is door gehoor te geven aan de stem welke zij opgetekend hebben gelaten in hun eigen geschreven getuigenissen en in het bijzonder in die van hun leidster en Gods spreekster, Zuster White. De “engel” van de Laodiceers, die “jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt” is, zal vanzelfsprekend niet gezocht worden voor raadgeving, maar eerder bediend worden met onderwijzing. {TN7: 40.1}

Dienovereenkomstig moet het comité van twaalf, en alsmede al de rest van de leidende broeders, op nederige en onvoorwaardelijke wijze het woord van God aannemen van de geïnspireerde geschriften voor de kerk en hun volledig verband als zij de stem van ervaring en waarheid zouden willen weerklinken. Hadden zij dit gedaan, dan zou de Heer niet de beschuldigende verklaring afleggen: “Omdat gij dus lauw zijt, en noch koud, noch heet, zo zal Ik u uit Mijn mond spuwen.” Openb. 3:16. Met andere woorden, hoewel zij niet dezelfde bevoegdheid bekleden als de “broeders van ervaring” dat deden, die worden vermeld in Testimonies, Vol. 5{Getuigenissen, Deel 5}, blz. 293, en nu in een gevaarlijke toestand verkeren, toch zouden zij nu, als zij hetzelfde oordeel en dezelfde geest hadden beoefend als de laatstgenoemden, veilige raadslieden zijn, dezelfde respect verdienend. {TN7: 40.2}

Deze waarheid wordt verder getoond uit het feit dat, indien de verklaring van Testimonies, Vol.5{Getuigenissen, Deel 5} betekent wat onze leidinggevende

40

broeders ons zouden willen doen denken dat het betekent, dan hadden Johannes de Doper, Jezus Christus, de Apostelen, Luther, de Hervormers, William Miller, en Zuster White in 1844 en wederom in 1888, het allemaal volkomen verkeerd, want niet een van hen respecteerden de beslissingen van hun leidende broeders die in hun respectlieflijke tijden op populaire wijze waren uitgeroepen als zijnde de “broeders van ervaring,” en die, geen licht gezien hebbende in de boodschappen, hen en de boodschappers afkeurden. En Zuster White legde zich nooit neer bij hun oordeel als zij haar tegenstonden. {TN7: 40.3}

Bovendien, als zij met het citaat in kwestie had bedoeld te betekenen wat het comité zegt dat het betekent, dan zou zij nooit hebben geschreven wat zij schreef in Gospel Workers{Evangeliewerkers}, blz. 303 en in Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten},blz.106,107, waarvan beiden buiten verband zijn met hun eigenmachtige uitlegging van Testimonies, Vol. 5, blz. 293{Getuigenissen, Deel 5, blz. 238}. Vanzelfsprekend missen zij daarom, in het strijden tegen de Staf op zulk een onhoudbare grond, hun doel, en raken in de plaats de Geest der Profetie – en aldus verblinden, beangstigen, en verwarren zij de leken. Broeder, Zuster, ”Kiest gij heden” wie gij zult “volgen”—Gods boodschappers of de leidende mannen. {TN7: 41.1}

De Staf[Rod} wijdt zich niet uit over welke verklaring dan ook over een gegeven onderwerp tot een breekpunt, terwijl het andere citaten die daarover gaan volledig negeert, maar in de plaats neemt het iedere relevante {citaat} in beschouwing. Op grond van dit beginsel, welke het comité volledig negeerde, is de enige harmonieuze uitlegging welke

41

zij kunnen plaatsen op Testimonies, Vol. 5, blz.293{Getuigenissen, Deel 5, blz.238}, dat zijzelf, gezamenlijk met al de rest van hun broeders, niet moeten inleggen in iemands boodschap een eigenmachtige zienswijze hier en een eigenmachtige zienswijze daar, alvorens zulke zienswijzen eerst voor te leggen aan degene door wie de boodschap kwam, net zoals de Geest der Profetie aangeeft: “Als er een boodschap komt die u niet begrijpt, neem dan de moeite opdat u de reden kunt horen welke de boodschapper kan geven,” en niet de redenen die de predikanten kunnen geven (Zie Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, blz. 65.). {TN7: 41.2}

Hebbende, door voorschrift en door voorbeeld een ieder geboden om de balk uit zijn eigen ogen te verwijderen alvorens te pogen “de splinter” uit de ogen van zijn broeder”te halen” (Matt.7:4), heft de Meester hierbij aangetoond dat de kerk niet aan anderen moet zeggen: “Laat mij de splinter uit uw ogen halen;” terwijl “zie een balk is in [haar] eigen ogen.” Vandaar, dat wij aan de ernstige plicht zin gebonden om het onderzoekingslicht te werpen op de Z.D.A. kerkgenootschap (onszelf), niet op andere kerkgenootschappen (onze broeder). De instructies van de Meester opvolgend, bekijken wij daarom hierin, niet in het individuele oog, maar in de collectieve Z.D.A. –

Het Oog van het Kerkgenootschap. {TN7: 42.1}

Ter uitlegging van Jesaja 4:1, zegt de publicatie van het kerkgenootschap (niet alleen gepubliceerd en beheerd door het kerkgenootschap, maar ook ondersteund en gebruikt door de Afdeling Sabbatschool over de gehele wereld in

42

1928), Isaiah, the Gospel Prophet {Jesaja, de Evangelie-Profeet} Vol. 1, blz. 28: {TN7: 42.2}

“Zeven vrouwen, één man. Zeven is het getal van volheid. ‘Vrouwen’ stellen een kerk voor (Openb. 12:1`,2;17:3), maar in dit geval niet de ware of reine kerk, want er is een versmading. Hoe waarachtig is het vandaag de dag dat de kerken het brood dat uit de hemel neerkwam niet willen aannemen, maar eerder hun eigen voedsel eten –de tradities van mensen. Zij willen de naam, maar verwerpen het kleed waarin Christus voorziet, en vandaar dat zij uiteindelijk zonder het bruiloftskleed zullen worden gevonden.” {TN7: 43.1}

Ondanks dat in 1928, door middel van de Sabbatschool publicatie Isaiah, the Gospel Prophet, het kerkgenootschap officieel de voorafgaande uitlegging van Jasaja 4:1 onderwees,  toch onderwees zij in 1931, door middel van de algemene kerkelijke krant, de Rieview and Herald, even officieel een volledig verschillende uitlegging; te weten: {TN7: 43.2}

Het is algemeen begrepen dat dit een figuurlijke beschrijving is van toestanden die zouden overheersen in Israël vanwege oorlogen waarin velen van de mannen gedood zouden worden, waardoor er een grote overhand van vrouwen zou zijn. Wij zullen niet jagen naar rekenkundige nauwkeurigheid in zulke zaken van Bijbelse profetie. {TN7: 43.3}

“Wij zouden niet moeten verstaan dat wij de vervulling van deze profetie trachten te vinden in de oorlog van 1914-1918, maar het is desondanks waar, dat de vrouwen in verscheidene Europese landen de mannen grootschalig

43

in aantal overtreffen, omdat miljoenen mannen hun leven verloren in die gigantische strijd. Dit is een toestand die herhaald kan worden in die grote oorlog die zelfs nu de wereld bedreigt.”–Rieview and Herald, 11 Juni, 1931. {TN7: 43.4}

Wij zullen hier niet trachten om Jesaja 4:1 uit te leggen, maar wij verzoeken de Generale Conferentie wél om ons te vertellen welke uitlegging wij zouden moeten geloven, de eerste of de laatste. Want, zijnde in onenigheid, kunnen zij niet allebei juist zijn, en daarom zou, om één van hen of beiden te ondersteunen, de goedkeuring geven aan het aannemen van veronderstelling, met als gevolg dat in plaats van onze leidende broeders te helpen om af te wijken van deze gevaarlijke koers, zouden wij hen alleen maar erin bevestigen en bevorderen. {TN7: 44.1}

Zij die anderen voor hen laten denken en onderzoeken in plaats van voor zichzelf te onderzoeken, en die aldus de beslissingen aannemen van de leidinggevende broeders (die beweren “mannen van ervaring” te zijn), moeten, als zij worden gevraagd wat zij geloven over het onderwerp van Jesaja 4:1, in alle eerlijkheid antwoorden: Wij weten niet wat wij geloven. {TN7: 44.2}

De volgende dubbele uitlegging betreft enerzijds het boekje, getiteld: Forty Years in the Wilderness{Veertig Jaren in de Woestijn}, door Taylor G. Bunch, en anderzijds de Review and Herald, 1 juni 1930, in een artikel, getiteld: Een Één en Veertig Jaren Vergelijking {A Forty One Year Comparison}, door H.E.Rogers, de statistieke secretaris van het kerkgenootschap. Ouderling Taylor Bunch leert in zijn boekje, dat vanaf 1888 (vanaf de verwerping van de boodschap van “Gerechtigheid door Geloof” door het kerkgenootschap) tot aan 1928,

44

dus veertig jaren, het Z.D.A. kerkgenootschap de woestijnervaring van het vroegere Israël herhaalde. {TN7: 44.3}

Aangezien dit boek werd geschreven door een werknemer van de Generale Conferentie, en wijd werd verspreid onder het volk, is er geen noodzaak om eruit te citeren. De titel, Forty Years in the Wilderness, spreekt voor zich. {TN7: 45.1}

Nu keren wij naar het artikel van Ouderling Rogers, dat zegt: “Sommige tegenstanders van deze zaak beweren dat het kerkgenootschap vanaf de conferentie in Minneapolis in 1888, heeft ‘rondgezworven in de woestijn’… {TN7: 45.2}

“Als het ‘rondzwerven in de woestijn’ het vermeerderen van het kerklidmaatschap van het kerkgenootschap betekent met meer dan tien, om het aantal van de werkers met meer dan vijftig maal te doen toenemen, ….dan kan het kerkgenootschap zichzelf schuldig verklaren aan deze aanklacht.” {TN7: 45.3}

Aldus heeft de Generale Conferentie, door een andere tweezijdige standpunt, ons andermaal ertoe gedwongen hen uit te dagen om met een openhartige en vastberaden verklaring voor de dag te komen betreffende welke van de twee uitleggingen over hetzelfde onderwerp zij zouden willen dat wij geloven, aangezien wij niet beiden kunnen geloven en toch weten wat wij geloven. Als Ouderling Taylor G. Bunch, zoals de Review and Herald op implicerende wijze aanklaagt, dwaling onderwijst en de “tegenstander” is van de “zaak,” waarom heeft de Generale Conferentie dan zijn zienswijzen niet alleen getolereerd, maar hem zelfs ook  betaald terwijl hij ze schreef, en daarna hun verspreiding ondersteund! Anderzijds, als Broeder H.F. Rogers niet de waarheid heeft geschreven over het onderwerp,

45

dan stelt hij niet alleen de Waarheid verkeerd voor, maar ook de Generale Conferentie en de bediening van het kerkgenootschap, en is hij daarom ongeschikt voor zijn bevoegdheid en zijn aanneming onwaardig. Maar de Z.D.A. bediening gaat door met het behouden van beide werkers als leden met een aannemelijke reputatie! {TN7: 45.4}

Bovendien houdt het comité, in hun vastbesloten poging om de leringen van de Staf te weerleggen, nadrukkelijk aan dat de slag die de “dodelijke wonde” veroorzaakte aan een van de koppen van het luipaardachtige beest (Openb.13) werd gegeven door Berthier, de Franse generaal, in 1798. En ter ondersteuning van dit standpunt, gebruiken zij The Great Controversy, blz. 439{De Grote Strijd, blz..}(Zie A Reply to The Shepherd’s Rod {Een Antwoord tot De Herdersstaf}, blz. 42.) Maar in haar officiële zendingsorgaan, onderwijst het Kerkgenootschap dat “de ‘dodelijke wonde’ die hier wordt voorzegd vond haar vervulling in de Protestantse Reformatie, in de Franse Revolutie, en bereikte zijn hoogtepunt in de ogenschijnlijke sterfelijke toeslag juist aan het hart van het pausdom toen de paus werd onttroond en gevangen werd genomen door de Fransen in 1798,”—Signs of the Times{Tekenen des Tijds}, 30 januari, 1934, blz.6 (Cursivering Door Ons). {TN7: 46.1}

Aldus worden wij nog verder weggevoerd op de zee van de theologische tegenstrijdigheden van de geestelijke leiding, en achtergelaten om voor onszelf te beslissen welke boot ons aan wal zal leiden, the Signs of the Times{de Tekenen des Tijds}, of A Reply to The Shepherd’s Rod{Een Antwoord op de Herdersstaf}..{TN7: 46.2}

Aangezien het Antwoord{the Reply} reeds op fatale wijze is doorprikt op vele plaatsen, en in een staat van zinken verkeert, en aangezien de Signs of the

46

Times in haar tevoren geciteerde verklaring in volmaakte overeenstemming is met de leringen van De Herdersstaf in dit verband, behoeft men niet tweemaal na te denken betreffende welke verlossing verschaft van de onaangename situatie waarin het Kerkgenootschap ons heeft geplaatst over het onderwerp. Het is duidelijk te zien voor een ieder dat de Reply op fatale wijze lekt, en dat het allen met zich zal neerhalen, die zich eraan vastklampen. {TN7: 46.3}

Nogmaals: Indien de leringen van de Herdersstaf betreffende de wonde, zoals de Reply beschuldigt, ketterij is, en het Kerkgenootschap vastbesloten is om de kerk ervan te verwijderen, zeg ons dan alstublieft, waarom zij het geld en de tijd van de Heer hebben uitbesteed om dezelfde ketterij te onderwijzen in de Signs of the Times! {TN7: 47.1}

Aldus, terwijl er enerzijds duizenden kopieën van het Antwoord {the Reply} een ontkenning uitroepen, roepen er anderzijds duizenden kopieën van de Signs of the Times{Tekenen des Tijds} en De Paus Weer Koning {The Pope King Again} een bevestiging uit, over de vraag: Heeft de Protestantse Reformatie de dodelijke wonde toegebracht? {TN7: 47.2}

Is er dan enige verwondering, waarom de leken in verbijstering en verwarring zijn betreffende aan welke stem gehoor te geven, betreffende tot welke weg zich te wenden? Is er enige verwondering waarom er ten einde hen te redden van hun dilemma{tweestrijd} “De stem des Heren uitroept tot de stad…hoort gij naar de roede, en Wie het besteld heeft”? Alleen de stem van de Staf kan de zaak oplossen. “De man van wijsheid” zal naar de stem ervan “horen.” {TN7: 47.3}

De bazuinklinkende bewijzen zouden de leken moeten doen ontwaken uit hun sluimering, tot een grondige onderzoek van de

47

verscheidene zaken die op het spel staan. En het staat vast dat zij die niet aldus wakker gemaakt worden, hopeloos onverschillig zijn over in wiens handen zij hun prijsloze kroon des levens toevertrouwen. Inderdaad, deze op ervaring gebaseerde bewijzen zouden allen in staat moeten stellen zich te realiseren dat hun hoop op een Noach, een Job, of een Daniël, om hen het hemelse Kanaan in te leiden, zal eindigen in een bittere teleurstelling en rampspoed in plaats van een leven van eeuwige heerlijkheid. {TN7: 47.4}

Wij betreuren het zeer dat onze broeders zich dusdanig hebben betrokken tegen de Waarheid dat wij ertoe zijn gedwongen om hun ondermijnende pogingen bloot te leggen. Ware onze enige doel ter ere van God, ten goede voor deze broeders en voor al Zijn volk, dan zouden wij de feiten nooit bekend maken, maar ernstige tijd, “de dagen van de reiniging”(Testimonies, Vol. 5, blz. 80{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70}), waartoe de kerk is gekomen, dwingt ons: “Roep luidkeels, houdt niet in,”en om het gebod te gehoorzamen: “Verhef uw stem op als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtredingen, en het huis Jakobs hun zonden.”Jes. 58:1{K.J.V}. {TN7: 48.1}

“De waarheid moet in al haar aangewezen ernst gesproken worden. Daadkrachtige mannen zijn nodig,– mannen die met oprechte, onophoudelijke energie zullen werken voor het reinigen van de kerk en het waarschuwen van de wereld.” – Testimonies, Vol.5, blz.187{Getuigenissen, Deel 5, blz.154}. {TN7: 48.2}

Vandaar dat wij nu een woord richten tot

Het Comite van Twaalf. {TN7: 48.3}

Dierbare broeders:

Hoewel u onze onkreukbaarheid heeft uitgedaagd en in opspraak heeft gebracht,

48

bekommeren wij ons er niet om te protesteren tegen het persoonlijke aspect van de aanmerking. Inderdaad, de feiten die hierin uw uitdaging ontmaskeren en het in zijn ware karakter aan de dag leggen, ontdoen het zo volledig van welke kracht dan ook om het confronteren van ons ervan nutteloos te maken, ter verdediging van de Waarheid, met geen andere mate dan de wederuitdaging: Bewijs op duidelijke wijze dat wij het verkeerd hebben op dezelfde openhartige en bewijsvoerende manier waarop wij hierin hebben bewezen dat u het verkeerd hebt, en beproef ons en ziet toe of wij al dan niet onze “belofte waarmaken.” Of, als u zo in tijdnood zit dat u gevoelt niet in staat te zijn om op kritieke wijze de andere HStaf boeken te onderzoeken, laat dan de enkele bladzijden van dit boekje genoeg zijn als “Bewijsstuk A” waarop u uw zaak kunt bouwen. “Breng uw sterke redenen voort.””Komt nu, en laat ons tezamen richten.”Maar wij, als broeders, zouden u ernstig willen vermanen om niet opnieuw de toevlucht te nemen tot die kunstige “ontwijker” tactieken die Een Antwoord op De Herdersstaf volledig verzwakken. Toon onze dwaling aan, broeders, en u zult verbijsterd zijn om te zien hoe snel wij al onze publicaties zullen intrekken en vernietigen, ondanks dat u andere tegenstrijdigheden blijft koesteren. Zoals u ziet, vragen wij niet voor iets onredelijks, maar alleen datgene wat u met een gezond verstand en als plicht gebonden zou zijn te vereisen als u zich in onze plaats bevond. {TN7: 48.4}

“Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.”Matt. 7:12. {TN7: 49.1}

Denk nu niet dat er op deze bladzijden

 49

 slechts een “uitdaging” tot u komt. Volstrekt niet; maar eerder een oprechte pleidooi aangestuurd door de genadevolle voorwaarschuwingen van de Heer voor de vreselijke tragedie die Zijn geliefde kerk nadert. Een vreselijke verrassing! Het bedrukt ons om met hem, die de zielen van zijn broeders liefhad boven de zijne, uit te roepen: “Ik heb grote zwaarmoedigheid en voortdurende droefheid in mijn hart. Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, mijn maagschap” in Hem. Rom 9:2,3. {TN7: 49.2}

Wederom zegt de Geest der Profetie: {TN7: 50.1}

“Zelfs Zevende-dags Adventisten verkeren in het gevaar van het sluiten van hun ogen voor de waarheid zoals die in Jezus is, omdat het tegenstrijdig is met iets dat zij vanzelfsprekend voor waarheid hebben aangenomen, maar waarvan de Heilige Geest leert dat het geen waarheid is…Maar wees op uw hoede voor het verwerpen van datgene wat waarheid is. Het grote gevaar met ons volk is geweest het zich afhankelijk stellen van mensen, en vlees tot hun arm stellen. Zij die niet de gewoonte hebben gehad om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen te overwegen, hebben vertrouwen op de leidinggevende mensen, en aanvaarden de beslissingen die zij nemen; en aldus zullen velen juist de boodschappen verwerpen die God zendt tot Zijn volk, als deze leidinggevende broeders ze niet aannemen.” Satan zegt: “De mensen aanvaarden de uitleggingen van hun predikanten over de Schriften, en onderzoeken niet voor zichzelf. Daarom kan ik, door te werken door middel van de predikanten, de mensen beheersen naar mijn wil.” –Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz. 70, 106, 107, 473. Deze waarschuwende getuigenis dringt aan op

50

 Een Woord Tot De Leken: {TN7: 50.2}

Als standvastige gelovigen in de Derde Engel Boodschap en de beweging van 1844, roepen wij u het aller ernstigst op, broeders, op dit kritisch moment, om niet de beslissingen aan te nemen van anderen of hun beschuldigingen tegen ons goed te keuren zonder een grondige persoonlijke onderzoek te verrichten over de boodschap in de Herdersstaf, welke tot u is gekomen “in de naam van de Heer.” (Zie Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenissen over Sabbatschool werk}, blz.65.) {TN7: 51.1}

Mannen, vrouwen en jongelingen, God vereist van u dat u morele moed, standvastigheid van doel, vastberadenheid en volharding bezit, geesten die de beweringen van een ander niet kunnen aannemen, maar die voor zichzelf zullen onderzoeken alvorens te aanvaarden of te verwerpen, die zullen bestuderen en bewijzen te overwegen, en het tot de Heer in gebed zal brengen. “—Testimonies, Vol. 2 {Getuigenissen, Deel 2}, blz.130. {TN7: 51.2}

Herhaal niet, smeken wij u, de fouten van de Joodse Natie en van de genomineerde Christelijke kerken door te veroordelen of te verwerpen zonder gelijkwaardige aandacht te schenken aan beide kanten. Als de leidinggevende broeders u benaderen met bezwaren tegen een persoonlijk onderzoek verrichten van u over de boodschap, stemt niet in totdat zij u een meer logische en overtuigende uiteenzetting dan de Staf dat doet, over het desbetreffende onderwerp. {TN7: 51.3}

Onverschilligheid over deze zaak aan de kant van de leken heeft de leidinggevende broeders aangemoedigd om een heerzuchtige, hardvochtige geest uit te oefenen door welke zij schande hebben gebracht

51

over de gemeente van God. Het heeft ons zelfs een keer veroorzaakt om opgeroepen te worden voor de stedelijke politierechter, en daarna, omdat de beschuldigingen die tegen ons werden voorgebracht faalden om stand te houden, aldus onze aanklagers de arm der wet ontnemend om ons daarmee uit de kerken uit te werpen, leidde het hen ertoe om de teugels in eigen handen te nemen, en sommigen van ons bij vier gelegenheden lijfelijk (waarbij twee van hen gewelddadig) uit het kerkgebouw weg te dragen. Bij een andere gelegenheid, leidde het hen ertoe om Broeder Houteff te laten arresteren, maar tevergeefs, want de gezagdragers bevonden hem, na beide zijden te hebben ondervraagd, onschuldig, en droegen dezelfde ambtenaren op die hem naar het politie brachten, om hem precies terug te brengen naar de kerk waar zij hem hadden opgepakt, tot verdere vernedering en woede van zijn aanklagers. Daarna, bij nog een andere gelegenheid, zette het hen aan om hem in het gezicht te slaan; en bij nog een andere gelegenheid, om op meedogenloze wijze op zijn hoofd en gezicht in te beuken totdat het er blauw en zwart uitzag. Na deze laatste aanval, door een lang bekende afvallige die zij aan de deur hadden opgesteld als een bewaker om ons eruit te houden, was de overheersende opvatting van de menigte: “Misschien zal hij nu wel wegblijven!” {TN7: 51.4}

Nog later daarna, spoorde dezelfde geest hen zo ver aan dat zij probeerden om hem te laten opsluiten in een psychiatrische inrichting, en toen zij ook hierin faalden, doorgaande totdat zij zelfs trachtten om hem te laten deporteren, wederom zonder succes, maar alleen maar grotere vernedering en meer brute woede van zichzelf. {TN7: 52.1}

Het meest schandelijke van al hun handelingen, echter, was die van de predikant die, na de dienst op de Sabbat waarop Broeder

52

Houteff op brute wijze werd behandeld, zei, ter rechtvaardiging van deze misdadige handeling: “Waarom blijf u niet gewoon weg als zij u hier niet willen hebben,” dan vervolgens een beroep doen op, als Schriftuurlijke basis voor zijn tegenstand, de woorden: “En wanneer gij in het huis gaat, zo groet het. En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, wanneer gij uitgaat uit dat huis of die stad, schudt het stof van uw voeten af.” Matt. 10:12,14. Schandeloze verderving van het Schrift in een schandelijke verdediging van het verkeerde! {TN7: 52.2}

In Christus’ duidelijke woorden in het voorafgaande schriftgedeelte, beveelt hij eenvoudigweg zijn volgelingen, zoals iedere oprechte Bijbellezer zal beamen, om heen te gaan en weg te blijven alleen als en wanneer zij niet gewenst zijn in {bij} een huis (gezin), maar niet wanneer zij worden uitgeworpen uit de tempel (kerk). Dit wordt bevestigd door de volgende ervaring: {TN7: 53.1}

De apostelen bevonden zich in “de voorhof van Salomo.” “En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren,….werden vervuld met nijdigheid; en sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de algemene gevangenis. Maar de engel des Heren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, zeggende: Gaat heen, en staat, en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden van dit leven. Toen zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel, en leerden. Maar de hogepriester en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen de raad te zamen, en al de oudsten der kinderen Israëls, en

 53

zonden naar de kerker, om hen te halen. Doch toen de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden weer, en boodschapten dit. Zeggende: Wij vonden wel de kerker met alle zekerheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar toen wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen. Toen nu de hogepriester en de hoofdman van de tempel, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou. En er kwam een, en boodschapte hen, zeggende: Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel, en leren het volk. Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd werden). En toen zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de raad; en de hogepriester vroeg hun, en zeide: Hebben wij u niet ernstig aangezegd, dat gij in deze Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van deze Mens over ons brengen. Toen antwoordden Petrus en de apostelen, en zeiden: Wij moeten God meer gehoorzaam zijn, dan mensen.” Handelingen 5:12, 17-29. {TN7: 53.2}

In tegenstelling tot dit verslag, tonen de geweldgoedkeurende woorden gesproken door de predikant op die sabbat juist aan hoe hij Petrus zou achten als hij de tijd van Petrus leefde. Op gelijke wijze ook de ouderling, die, terwijl hij op het kansel was die Sabbat, zoals wij later vernamen, gelijk Pilatus zijn handen waste van  enige verantwoordelijkheid voor wat er was gebeurd, aanbrengende dat wij hen namen

 54

noemden (wat bewezen is onwaar te zijn uit het simpele feit dat zij ons snel zouden hebben aangegeven als dat waar was), en dat dit de reden was waarom de afvallige bewaker zijn zelfbeheersing verloor. Aldus roept de menigte van vandaag uit zoals de menigte in de tijd van Christus dat deed, in het rechtvaardigen van de goddeloze en het veroordelen van de rechtvaardige: “Weg met deze man, en laat ons Barabbas vrij.” {TN7: 54.1}

Een korte tijd na de aanval vereiste de toestand van de verwonde medische aandacht, dus werd een Z.D.A. dokter, die op die morgen in de kerk was en die daarna getuige was van de verwondingen, opgeroepen door de telefoon, en na veel aarzeling, stemde hij met tegenzin in te komen, maar hij kwam nooit! {TN7: 55.1}

Het bedroeft ons om in de handelingen van onze eigen broeders zulk een exacte vervulling te zien van de gelijkenis (Lukas 10: 25-37) van de “priester” en de “Leviet” die een gewonde broeder voorbijgingen, verwond door hoofdwegmannen van hun eigen natie, aldus over zichzelf halend “vervloekingen,” en de “zegeningen” veroorzakend te vallen op het lot van de goede Samaritaan – de goedhartigen van vandaag buiten het Z.D.A.-kerkgenootschap. {TN7: 55.2}

Enige tijd later daarna, kreeg een broeder die, daar hem de toegang tot de kerk werd geweigerd, rustig bij het raam stond te luisteren naar de les, een glas water toegeworpen in zijn gezicht van binnen uit. Bij een andere gelegenheid, bij een ander Z.D.A.kerk, werd deze zelfde broeder, ondanks dat hij invalide was, eenvoudigweg vanwege zijn aanwezigheid, op woeste wijze neergetrapt

55

 (door een van de plaatselijke ouderlingen) en neergeslagen in de regen en modder op het voetpad van de kerk; terwijl bij nog een andere gelegenheid, bij een zusterkerk en om dezelfde reden, hij (dit keer door de predikant) op ruwe wijze van zijn stoel werd getrokken, waarop hij in volkomen stilte had gezeten,en lijfelijk werd geslepen van de kerk en werd geworpen op een hoop op de buitenste stoep! En deze handelingen zijn slechts een voorbeeld van de velen van soortgelijke aard die werden gepleegd door de kerk te gen broeders en zusters vanwege hun verlangen om beter Z.D.A’s te zijn. Ja, het is ongelooflijk, maar desondanks is het waar. {TN7: 55.3}

Niet alleen openbaren zij een onchristelijke geest, maar ook begaan zij ernstige criminele overtredingen, gepleegd tegen ons voor geen andere reden dan dat wij weigeren te stoppen om de Sabbatdiensten te bezoeken in onze kerken! Alhoewel wij sympathie {medeleven} schuwen in dit verband, roepen wij met de allermeeste urgentie uit voor assistentie tegen deze tijding van kwaad, welke, als het doorgaat, de aanmatigende verwachtingen van onze broeders, hetzij wij gelijk of het verkeerd hebben, aan stukken zal slaan, met als gevolg dat zij in een nog vreselijkere rampspoed en een grotere teleurstelling zullen verkeren dan het gevolg was voor de Joden van hun zelfverzekerde en zelfgenoegzame hoop van de voortgang van hun koninkrijk. {TN7: 56.1}

Bovendien, is het met geweld wegdrijven van ons uit onze kerken, en ons dan bestempelen als “zijtakken,” een ironische tegenstrijdigheid, waarvan noch wij de rechtvaardiging kunnen begrijpen, noch zij dat kunnen uitleggen. {TN7: 56.2}

56

 Verder, is het aanhouden van hen om ons te beschuldigen dat wij de kerk Babylon noemen, terwijl zij maar al te goed weten dat wij niet alleen weggedreven kunnen worden van het kerkgenootschap, aldus bewijzende dat wij het geen Babylon noemen, maar ook dat iedere publicatie bewijst dat het geen Babylon kan zijn– betekent het aldus voor hen door deze beschuldiging aan te houden, dat zij zichzelf betrekken in het verkeerd voorstellen van ons tot de mensen en het verzoeken van ons om verkeerdheid te plegen – het kerkgenootschap te verlaten. {TN7: 57.1}

Wanneer u weet dat u in het reine bent met God, –in het licht wandelt, — wees dan standvastig en onwankelbaar. Breng de {goede naam van de} Waarheid niet in gevaar ten einde over de berg heen te komen, maar sta eerder onbeweegbaar voor het goede en laat uw geloof de berg naar plaatsen daarginds verplaatsen. En als een tegenstander van de Waarheid tracht u te binden tot een zekere koers, geef niet toe, want voor hem gelden de voorschriften van het natuurlijke hart. Weersta, en doe het tegengestelde; dan zult u veilig zijn. En boven alles, blijf in uw kerk, bewaar de waarheid, en “zucht en roep uit voor de gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden,” want aldus zult gij verzegeld worden in de vijand verslaan. {TN7: 57.2}

Dus, ter wille van de Derde Engel Boodschap, voor uw eigen zaligheid, voor Gods eer, en voor de beginselen van godsdienstige vrijheid, laat uw stilte geen instemming verlenen aan de schandelijke behandeling van de kerk van haar eigen leden, aldus over u heen halend “al het rechtvaardige bloed dat gevloeid heeft op de aarde, vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel” tot aan de huidige tijd. Wij dringen daarom bij u erop aan

57

 om te protesteren tegen dergelijke Farizeïsche en Roomse praktijken. En moge u verder gedrongen zijn wanneer leest de nu volgende

Persoonlijke Getuigenis. {TN7: 57.3}

“Aan het einde van een dienst, gehouden door een veldsecretaris van de Generale Conferentie der Zevende-dags Adventisten in een van onze stedelijke kerken, stelde broeder Houteff de spreker van de avond een vraag over enige verklaring die hij uitsprak vanaf de kansel in tegenstrijd tot de leerstellingen van The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf}. Zonder enige waarschuwing of aanspreking van dien aard, benaderde een man hem van achteren, greep hem bij de hals en schouders, en duwde hem het gebouw uit. Maar wat nog erger was, de aanvaller was niet eens een Adventist; in feite, zei zijn moeder dat hij niet eens een Christen was! Wat bracht deze arme man nu ertoe om zulk een ongeprovoceerde en onwettige handeling te plegen? Wat anders, indien niet de valse beschuldigingen vanaf de kansel, gemaakt tegen broeder Houteff? Want tot op dat moment had broeder Houteff die man nooit eerder ontmoet of zelfs tot hem gesproken, en er was geen enkele opwinding dan ook geweest, maar slechts een vrij vriendelijke redenering aan de kant van de gesprekvoerders. {TN7: 58.1}

“Kort na deze ervaring, bezochten broeder Houteff en ik, samen met een andere broeder, een Sabbat dienst in een van onze andere kerken, en dit keer sprak de voorzitter van de conferentie in tegenstrijd tot The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf}. {TN7: 58.2}

58

Aan het einde van deze dienst, benaderde en dame broeder Houteff en sprak tot hem terwijl hij met een aantal anderen voor het gebouw stond, en voordat hij de tijd had om haar te beantwoorden, snelde een jongeman, die hij ook nooit eerder had gezien, naar hem toe, stroopte zijn mouwen op, en bedreigde hem de bril van zijn gezicht af te slaan als hij niet ophield met zijn moeder te praten! Maar iemand leidde hem weg, en zijn moeder zei ook dat hij geen Adventist was. Wat zou zulk een haat in het hart van deze jongeman kunnen hebben geplaatst? Wat anders, dan de preek die hij hoorde vanaf de kansel? Want tot op dat moment had niet één van hen in al zijn leven de ander gezien of gesproken! {TN7: 59.1}

“Een derde voorval, nogal soortgelijk aan die hierboven vermeld zijn, kwam tot mijn aandacht, allemaal binnen een periode van vier weken. Dit keer had de voorzitter van de Unie Conferentie, op een Sabbatmiddag een grote menigte bijeen geroepen, vele mijlen ver vandaan van elk van bovenvermelde kerken, om zijn tegenspreken van The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf} aan te horen. Gedurende de dienst, gedroeg hij zich op dusdanige wijze als om de harten van al zijn toehoorders te doordingen van haat tegen de schrijver van de boodschap die The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf} series van boeken en traktaten bevat. Nadat de vergadering gesloten was, waren een groep jongeren verzameld rondom broeder Houteff buiten de kerk, dicht bij de dijk{spoorbaan}. Plotseling snelde een jongeman zich tot de menigte en drukte zich zohard aan als hij kon tegen degene die het dichts bij broeder Houteff stond in een poging om hem over de dijk heen

59

te slaan. En hij zou er waarlijk in geslaagd hebben als broeder Houteff niet snel genoeg was geweest om zichzelf tijdig op te vangen om te voorkomen dat hij languit voorover viel! {TN7: 59.2}

“Wederom worden wij ertoe geleid ons af te vragen: Wat plaatste zulk een haat in het hart van deze jongeman, die broeder Houteff ook nog nooit had ontmoet? Wat anders, behalve de preek die hij net had gehoord? {TN7: 60.1}

“De aanvallen van Satan tegen de aanhangers van de waarheid zal op meer bittere en meer vastbesloten wijze toenemen tot zelfs in het einde des tijds. Zoals de priesters en regeerders in de dagen van Christus het volk tegen Hem ophitsten, zo zullen de godsdienstige leiders van vandaag bitterheid en vooroordeel opwekken tegen de waarheid voor deze tijd. De mensen zullen geleid worden tot handelingen van geweld en tegenstand, welke zij nooit aan gedacht zouden hebben als zij niet bezoedeld waren geweest met de vijandigheid van belijdende Christenen tegen de waarheid.’” –Gospel Workers {Evangeliewerkers}, blz. 324. {TN7: 60.2}

“Niemand kan het zich veroorloven te falen om voordeel te trekken uit deze ervaringen of vast te stellen dat er geen wortel van bitterheid grond vindt in zijn hart. Het maakt niet uit wat anderen kunnen doen, hij die zucht en uitroept tegen de ‘gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden,’ moet ongeveinsde liefde onderhouden voor de broeders, en aldus wandelen in de voetstappen van Hem, Die, wanneer Hij werd uitgescholden{bespot}, niet weder uitschold.” {TN7: 60.3}

–T. Wilson.

60 

Het Lot van Iedere Schriftgeleerde Die Nieuwe en Oude Dingen Brengt

Matt. 13:52.

Deze korte opsomming van mishandelingen door onze broeders geeft slechts een glimp aan van wat zij aan het doen zijn door alle kerken heen. Het is afdoende echter, om duidelijk te maken de noodlottige gevolgen van hun activiteiten, waarvan het niet minst gewone of betreurenswaardige is het beïnvloeden van velen om het standpunt in te nemen dat het verkeerd is een boodschap aan te nemen als de leidinggevende broeders er tegen zijn! Hoewel dezen en assortiment aan verontschuldigingen hebben voor hun vleselijke standpunt, is de waarheid dat terwijl sommigen vrezen om uit de synagoge uitgeworpen te worden, anderen het haten om de smaad te dragen, ondanks Christus’ troostende aanrekening: “Zalig zijt gij, wanneer mensen u zullen haten, en wanneer zij u van hun gezelschap zullen afscheiden, en u zullen versmaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil. Verblijd u te dien dage, en spring op van vreugde; want, ziet, uw loon is groot in de hemel; desgelijks deden hun vaders aan de profeten.” Lukas 6:22,23. {TN7: 61.1}

Net zoals de Joden van vroeger dat deden, geloven duizenden vandaag heilig dat er een zekere reddende magie bestaat eenvoudigweg in een lidmaatschap in de kerk, aldus zichzelf ertoe te laten worden gebracht er waarde aan te hechten en ervan afhankelijk te zijn meer dan op de boodschap, welke bekring van zonden vereist en in de plaats de berouwvolle zondaar optilt van de donkere en enge put, tot het genezende, reddende licht van Tegenwoordige

61

Waarheid. Als deze aanbidders van de door handen gemaakte tempels hadden geleefd in de dagen van Christus, dan zouden zij hun volkomen onwetendheid hebben getoond van en verachting voor de Waarheid, door het verwerpen van de boodschappen, respectievelijk van Johannes de Doper, Jezus Christus, en de apostelen, ten einde hun lidmaatschap in de “synagoge” te behouden en de versmading te schuwen waartoe zij anders zouden zijn geroepen om te dragen. Terwijl Gods ware volk zich altijd gebonden hebben aan nieuwe en onpopulaire waarheden die, terwijl zij nieuw zijn, de zelfgestelde mannen van “ervaring” hebben afgekeurd als ketterijen. {TN7: 61.2}

Laat een ieder ernstig voor zichzelf nagaan of gehoor zou hebben gegeven aan de leringen van Johannes, Christus, de Apostelen, Luther, de Hervormers, William Miller, en Zuster White, ten koste van te worden uitgeworpen in elk geval vanwege het ladus volgen van het Lam waar Hij ook heenging, of als hij zijn kerkelijke lidmaatschap zou veiligstellen ongeachte de gevolgen. Allen door de eerstgenoemde weg na te volgen zou hij met God hebben kunnen wandelen zoals Henoch van vroeger dat deed. En alleen door die weg nú na te volgen, kan hij aldus wandelen met God vandaag. {TN7: 62.1}

Zo gevaarlijk als het altijd is, om blindelings de meningen van anderen aan te nemen, zoveel meer gevaarlijker is het om  te steunen voor zaligheid op de ongeïnspireerde beslissingen van mensen, in het bijzonder wanneer de aanstichters ervan weigeren de kerkdeuren te openen voor een boodschap die klopt voor toelating. En ondanks dat God

62

de leken keer op keer heeft gewaarschuwd dat “de leiders van dit volk hen veroorzaakt te dwalen; en zij van hen geleid zijn worden vernietigd” (Jes. 9:16{K.J.V.}), toch hebben zij bij elke vooruitgang der Waarheid, deze fout herhaald! {TN7: 62.2}

Wij zijn daarom enorm bedrukt, dat Gods volk nu, in het einde der wereld, hebbende al de ervaringen van het verleden vóór hen als een waarschuwing, gehoor geeft aan Zijn Woord, door voor zichzelf te onderzoeken en door hun eigen beslissingen te nemen, zoals velen van ons dat moesten doen toen wij ons bij de Advent beweging voegden tegen de wil in van de predikanten van onze vroegere kerken. {TN7: 63.1}

Dus is onze vurige gebed en hoop dat onze broeders de geschiedenis van de Joodse natie niet zullen herhalen, of de geschiedenis van de Christelijke kerk in de dagen van Luther, de Reformatie, William Miller, en Zuster White, en de respectievelijke tijden waarin de leidinggevende mannen van de gelijktijdige sekten de boodschappen der Waarheid als ketterijen afkeurden. Want vandaag, zoals toen de tijd begon, moet de boodschap van God tot de kerk onvermijdelijk bovenmate vreemd en uitheems klingen. De Geest der Profetie zegt: “Kostbare waarheden die lang verborgen zijn geweest, zullen worden geopenbaard in een licht dat hun heilige waarde zal aantonen; want God zal Zijn Woord verheerlijken, dat het kan verschijnen in een licht waarin wij het nooit tevoren hebben aanschouwd.”–Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenissen over Sabbatschool werk}, blz.62. {TN7: 63.2}

63

Bovendien zullen zijn boodschappers van vandaag geen grotere geloofsbrieven dragen voor hun roeping dan degenen dat deden in vroegere eeuwen. Zelfs Jezus Christus, met Zijn bovennatuurlijke geboorte, zondeloze leven, en wonderbaarlijke werken, werd veroordeeld door de leidinggevende mannen van Zijn tijd, die zeiden: “Deze mens werpt de duivelen niet uit, dan door Beëlzebub, de vorst der duivelen.” Matt.12:24{K.J.V.}. {TN7: 64.1}

De leken van die tijd dachten niet minder over hun aanzienlijke mensen dan de leken van vandaag dat doen. Noch waren de leiders van het vroegere Israël minder vroom dan de leiders van onze tijd. Onze leidinggevenden van vandaag hebben reeds bewezen onbetrouwbaar te zijn door hun handelen tegen de boodschap van 1888, welke niet werd ondersteund door een “mens” waarvan zij niet wisten waar hij vandaan kwam, maar door de dienstmaagd van God, die zij, vanaf het begin van de Z.D.A. beweging, hadden erkend als zijnde een profetes. Dienovereenkomstig, als zij het zo gemakkelijk vinden om tegen haar te beslissen, die zo lang met hen was, bedenkt u dan, hoe uitermate veel gemakkelijker het voor hen is om tegen een boodschap van vandaag te beslissen, die zij nooit tevoren hebben gekend! {TN7: 64.2}

“Tegenstand is het lot van allen die God gebruikt om waarheden te presenteren die speciaal van toepassing zijn op hun tijd. Er was een tegenwoordige waarheid in de dagen van Luther, — een waarheid van bijzonder belang in die tijd; er is een tegenwoordige waarheid voor de kerk vandaag.” “Verschillende periodes van de kerkgeschiedenis zijn elk gekenmerkt door de ontwikkeling van een zeker bijzondere waarheid, speciaal bedoeld voor de behoef

64

-ten van Gods volk in die tijd. Elke nieuwe waarheid heeft zich een weg gebaand tegen haat en tegenstand in; zij die met het licht daarvan werden gezegend, werden verzocht en beproefd. De Heer geeft een bijzondere waarheid voor de mensen{die verkeren} in een noodsituatie. Wie waagt het om de verkondiging ervan te weigeren?” {TN7: 64.3}

“…De ware volgelingen van Christus…wachten niet totdat de waarheid populair wordt. Overtuigd zijnde van hun plicht, aanvaarden zij moedwillig het kruis.” {TN7: 65.1}

“De halfhartigen en oppervlakkigen konden niet langer steunen op het geloof van hun broeders.” {TN7: 65.2}

“In plaats van datgene wat zij niet begrijpen in twijfel te trekken en te bekritiseren, laten zij gehoor geven aan het licht dat reeds op hen schijnt, dan zullen zij groter licht ontvangen.” {TN7: 65.3}

“Er is altijd een groep mensen geweest die belijden godsvruchtig te zijn, die, in plaats van na te volgen om de waarheid te weten, het tot hun religie maken om enige karakterfout of dwaling in het geloof te vinden bij degenen waarmee zij het niet eens zijn. Dezulken zijn helpers van Satan, die aan zijn rechterhand staan.” {TN7: 65.4}

“Allen die naar haken zoeken om hun twijfels daaraan op te hangen, zullen die vinden. En zij die weigeren Gods woord  aan te nemen en te gehoorzamen totdat elk bezwaar is weggenomen, en er niet langer een mogelijkheid is voor twijfel, zullen nooit tot het licht komen.”– – The Great Controversy, blz. 143, 609, 460, 395, 528, 519, 527{De Grote Strijd, blz.132, 563, 426, 370, 485,478, 485}. Doorgaande in hun eigen blinde,

65

 twijfelende koers, vervallen zij natuurlijk tot kwaaddoenerij, welke zij verontschuldigen als zijnde vergissingen. Daarom, broeders, ter afsluiting, neem in beschouwing de vraag: {TN7: 65.5}

Wat Zal Er Gewonnen Worden of Verloren Gaan?

De weg die wordt nagevolgd door de kerk sleurt haar mee met de afdrijving van de wereld, in plaats van tot de haven van haar eeuwige thuis. Haar instellingen –scholen, sanatoria, enz.—hebben een compromis gesloten met instellingen van de wereld, juist het gevaar waartegen de Geest der Profetie zo lang geleden heeft gewaarschuwd: {TN7: 66.1}

“Welke grotere misleiding kan het verstand der mensen bevangen dan een zekerheid dat zij allen gelijk hebben, terwijl zij allen het verkeerd hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een treurige misleiding, doch oprecht in die misleiding.—Testimonies, Vol.3{Getuigenissen, Deel 3},blz. 252,253. {TN7: 66.2}

“Ik ben met droefheid vervuld wanneer ik denk aan onze toestand als volk. De Heer heeft de hemel niet gesloten voor ons, maar het is onze eigen koers van voortdurende terugval die ons van God gescheiden heeft. Trots, heb­zucht, en lief­den voor de wereld hebben in de harten hun plaats zonder vrees voor ver­banning of ver­oordeling. Zwaardrukkende en aanmatigen­de zonden hebben onder ons hun plaats. en toch is de algemene opvat­ting, dat de kerk aan het bloeien is en dat vrede en geeste­lijke voorspoed binnen al haar grenzen aanwe­zig zijn. {TN7: 66.3}

“De kerk volgt Christus niet langer na als haar Leider en keert gestaag

66

terug naar Egypte. Toch zijn er maar weinigen gealarmeerd of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht.” –Testimonies, Vol.5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz. 178}. {TN7: 66.4}

“Wie kan naar waarheid zeggen: ‘Ons goud is beproefd in het vuur; onze kledingstukken zijn onbevlekt van de wereld’? Ik zag onze Instructeur wijzen naar de kledingstukken van de zogenaamde gerechtigheid. Ze verwijderend, legde Hij de verontreiniging daarbeneden bloot. Toen zei Hij tegen mij: ‘Kunt u niet zien hoe zij op aanmatigende wijze hun verontreiniging en verdorvenheid van karakter hebben bedekt?’ “Hoe is de getrouwe stad een hoer geworden?” Mijn Vaders huis is tot een huis van handelswaar gemaakt, een plaats vanwaar de goddelijke aanwezigheid en heerlijkheid is weggegaan! Dit is de reden waarom er zwakheid is, en er kracht ontbreekt.’”– Testimonies, Vol. 8, p. 250. {Getuigenissen, Deel 8, blz. 250.} {TN7: 67.1}

Bladzijde na bladzijde kan er geschreven worden betreffende deze dingen. Gehele conferenties worden doordrongen met dezelfde verdorven beginselen. ‘Want de rijken daarvan zijn vol van geweld, en de inwoners daarvan hebben leugens gesproken, en hun tong is bedrieglijk in hun mond.’ De Heer zal werken om Zijn kerk te reinigen. Ik zeg u in waarheid, de Heer staat op het punt om de instellingen, die bij Zijn naam geroepen zijn, om te keren en omver te werpen. {TN7: 67.2}

“Hoe spoedig precies dit zuiveringsproces zal beginnen, kan ik niet zeggen, maar het zal niet lang uitgesteld worden. Hij, Wiens wan in Zijn hand is, zal Zijn tempel reinigen van haar morele vervuiling. Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.” –Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz. 372,373. {TN7: 67.3}

67

De voorafgaande geïnspireerde citaten betreffende de toestand van de kerk, openbaren, zoals de boodschap tot de Laodiceeërs dat doet, dat het kritisch ernstig is, wat het noodzakelijk maakt dat de Heer berispingen en waarschuwingen zendt, oproepend tot een vastbesloten hervorming, welke als gevolg zal hebben: óf dat het haar hervormt, en aldus veroorzaakt dat God haar aanneemt, óf dat het haar verhardt, en aldus veroorzakend dat Hij haar “uit Zijn mond”spuwt. Openb.3:16. “Laten predikanten en leden gedenken dat de evangeliewaarheid vernietigt, als het niet redt. –Testimonies, Vol.5, blz. 134{Getuigenissen, Deel 5, blz.112}. Dus, onze zaligheid, onze geschiktheid voor Zijn eeuwige koninkrijk, ligt in ons aannemen van de boodschap die Hij ons zendt. {TN7: 68.1}

Wij, die de boodschap hebben bestudeerd die De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod} bevat, zijn net zo diep ervan overtuigd dat het de “boodschap van de Waarachtige Getuige” is “tot de Laodiceeërs,” welke Gods volk vindt in een “treurige misleiding,” zoals wij dat zijn van de Sabbat of welke andere waarheid die ooit bekend is bij de kerk. En waarlijk zouden wij dat moeten zijn, want het heeft tot ons verstand geopend hoofdstuk na hoofdstuk van de Schriften, waar wij hiervoor geen flauw idee van de betekenis daarvan hadden, maar welke wij nu zo duidelijk begrijpen als wij elke andere duidelijke Bijbelse waarheid. Door middel van de boodschap, zien wij nu in dat de profetieën van deze hoofdstukken (van Jesaja, Ezechiël, Hosea, Joël, Micha, Zacharia, Daniël, De Openbaring, enz.) zich richten tot deze tijd, en uitblinken in wonderlijke schoonheid. Het heeft bij ons vermenigvuldigd het bewijs dat het Zevende-dag

68

Adventistische kerkgenootschap de gemeente van God is, aldus meer dan ooit versterkend, indien mogelijk, onze vastbeslotenheid om erin te blijven, ongeacht haar toestand. En als gevolg, heeft het ons nog vaster dan ooit bevestigd in de Derde Engel Boodschap, bij ons veroorzakend grotere liefde te hebben voor de broeders en zusters. En dan als laatste, heeft het ons ertoe gedreven om de Bijbel en de geest der Profetie te bestuderen als nooit tevoren. {TN7: 68.2}

Zonder de publicaties van de Staf {Rod} voor zichzelf te lezen, kan men niet te weten komen de wonderbaarlijke verandering die zij teweeg brengen in de levens van allen die ze waarlijk aannemen, noch kan men de wonderen van de profetieën waarderen die zij openbaren, velen waarvan men, hiervoor, nooit zelfs heeft geprobeerd uit te leggen. Geen menselijke wijsheid kon mogelijkerwijs deze verborgenheden van God ontsluiten, welke voor eeuwen verborgen zijn geweest van de wijzen en verstandigen. Aan degenen, die niet voor zichzelf “een grondig onderzoek” hebben verricht over de boodschap welke de Staf {Rod} bevat, en welke “in de naam van de Heer” is gekomen, raadt de Geest de Profetie aan om niet te zeggen: “Ik ben tevreden met mijn standpunt. Ik heb mijn grensen bepaald, en ik zal niet bewogen worden van mijn standpunt, wat er ook mag komen. Ik zal niet luisteren naar de boodschap van deze boodschapper; want ik weet dat het geen waarheid kan zijn.”—Testimonies on Sabbath-School Work {Getuigenissen over Sabbatschool werk}, blz.65. {TN7: 69.1}

69

Het is duidelijk, dat zij die door woord of handeling beweren dat zij meer weten over De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod} dan wij dat doen, die het zorgvuldig hebben bestudeerd, maken niet alleen hun eigen verstand belachelijk, maar beledigen ook die van ons. Bovendien, door te oordelen en veroordelen zonder een verhoor, overtreden zij de wetten van gewone gerechtigheid, en verachten zij de raad van de Heer en plaatsen zichzelf boven Zijn Troon! {TN7: 70.1}

“Het was door het navolgen van juist deze koers, dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en dat is de reden waarom de boodschappen van de hemel hen niet hebben bereikt….Er is geen deugdelijkheid of mannelijkheid in het aanhouden van een voortdurende strijd in het duister, door uw ogen te sluiten zodat u niet kunt zien, uw oren te sluiten zodat u niet kunt horen, uw hart te verharden in onwetendheid en ongeloof, zodat u zich niet hoeft te vernederen en te erkennen dat u licht heeft ontvangen aangaande sommige punten der waarheid. Het weerhouden van uzelf van een onderzoek naar waarheid, is niet de manier om het gebod van de Verlosser uit te voeren om “de Schriften te onderzoeken.” Is het graven naar verborgen schatten, om de resultaten van iemands arbeid een hoop rommel te noemen, en geen kritische onderzoek te verrichten om te zien of er al dan niet kostbare sieraden van waarheid zijn in de verzameling van gedachten, die u veroordeelt?”—Testimonies on Sabbath-School Work {Getuigenissen over Sabbatschool werk}, blz.65, 66. {TN7: 70.2}

Dus, om zijn constante doel van het Christendom omringd te houden met valse

70

leraren ten uitvoer te brengen, veroorzaakt de Duivel dat er iedere wind van leer waait in iedere richting. De een na de ander blijft hij deze leraren op doen komen, als planten in de schaduw, alleen maar om te verwelken wanneer zij aan de zon worden blootgesteld. Aldus altijd voornaam houdend het slechte voorbeeld van hen en hun volgelingen, ontmoedigt en beangstigt hij op effectieve wijze allen die de gezindheid hebben om welke voorgewend licht dan ook over de Schriften te onderzoeken, en hen daarbij voorbereidende om juist de boodschap van Waarheid te verwerpen, wanneer God het kan zenden. {TN7: 70.3}

Wanneer er daarom, “een boodschap tot u komt in de naam van de Heer,” als u, vanwege de misleidende boodschappen die de vijand in het verleden heeft gebracht, weigert te onderzoeken voor uzelf, zeggende: “Het heeft geen zin, het is simpelweg een andere ‘zijtak’; Ik weet dat het geen waarheid kan zijn”; dan, zij het de Staf {Rod} of een andere publicatie, die de boodschap bevat, is het zeker dat u vroeg of laat, juist de boodschap zal verwerpen die u nodig heeft om u te redden van de Laodiceese treurige misleiding. {TN7: 71.1}

Door aldus de gemeente altijd zijn meesterschrikbeeld, “zijtakken,” voor te houden, volbrengt de oude Duivel zijn duivelse ontwerp van het misleiden van velen tot het verwerpen van het licht dat de gehele aarde zal verlichten. {TN7: 71.2}

Wij weten dat de Heer tot Zijn volk spreekt juist op deze tijd door middel van de publicaties van De Herdersstaf{The Shepherd’s Rod}; dat de boodschap die zij bevatten die is, welke

71

“een schudding zal veroorzaken onder Gods volk” (Early Writings, blz.270{Eerste Geschriften, blz.325}); dat zij die deze raad van de Waarachtige Getuige de zegel van God zullen ontvangen en gerekend zullen worden onder de 144.000 (Testimonies, Vol.3 {Getuigenissen, Deel 3}, blz.266); dat zij die het verwerpen, zullen vallen in de slachting van Ezechiel 9 (Testimonies to Ministers{Getuigenissen aan Predikanten}, blz. 445; Testimonies, Vol.5, blz.211{Getuigenissen, Deel 5, blz. 173}) en Jesaja 66:16; en dat zij die “ontkomen van hen,” de 144.000, de eerste vruchten, de dienstknechten van God zullen zijn in de tijd van de Luide Roep (Openb.14:4; Testimonies, Vol.5, blz.80,81{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70,71}) om de tweede vruchten in te brengen uit “alle natiën.” Jes. 66:19,20{K.J.V.}. {TN7: 71.3}

Daarom, broeders en zusters, aangezien wij de “volle verzekering van geloof” hebben, dat onze kennis van, oordeel over, en geloof in de Z.D.A. leerstellingen even gegrond zijn als het uwe, en omdat u onze standpunt niet kent evenals wij het uwe kennen, is er ten minste evenveel kans dat wij gelijk hebben als die er is dat u gelijk hebt. Dus, om uw eigen bestwil, waagt u het niet te weigeren om te onderzoeken. Als u uw oren sluit voor de stem van de Waarachtige Getuige, dan zal dat uw eeuwige ondergang betekenen! Dit is de reden waarom onze harten verontrust zijn, waarom wij bezorgd zijn dat u voor uzelf de boodschap van de Staf {Rod} onderzoekt. En als u een “mens van wijsheid” bent, die gehoor geeft aan “de stem des Heren…tot de stad,” dan zult u “horen naar…de Roede,” en weten “Wie het besteld heeft.” Mich.6:9 {K.J.V.}. {TN7: 72.1}

Wij hebben onze verantwoordelijkheid afgestaan. Nu moet u het uwe op de schouders nemen, en uw

72

door God gegeven vermogen en plicht beoefenen om uw eeuwige beloning zeker te stellen. Riskeer uw eigen kroon des levens niet aan een veronderstelling, aan een mogelijkheid van verlies te lijden na jarenlang in de boodschap te zijn. Wat een verlies, tragisch verlies, “wereld zonder einde” zou dat zijn! Neem deze raad aan en wees gehoorzaam aan de vereisten ervan, en uw gehoorzaamheid zal u verzekeren van eeuwige vrede en vreugde en leven. {TN7: 72.2}

“…Als er een boodschap komt die u niet begrijpt, “adviseert de Geest der Profetie, “neem de moeite zodat u de reden kunt horen die de boodschapper kan geven, schriftgedeelte met schriftgedeelte vergelijkend, zodat u kunt weten of het wel of niet wordt ondersteund door het Woord van God. Als u gelooft dat de standpunten die zijn ingenomen niet het Woord van God als hun grondslag hebben, als het standpunt dat u aanhoudt over het onderwerp niet bestreden kan worden, breng dan uw sterke redenen voort; want uw standpunt kan niet aan het wankelen gebracht worden door in contact te komen met dwaling.” –Testimonies on Sabbath-School Work{Getuigenissen over Sabbatschool werk}, blz.65, 66. {TN7: 73.1}

“Wees echter op uw hoede niet datgene te verwerpen wat waarheid is. Het grote gevaar bij ons volk is, dat men zich afhankelijk heeft gemaakt van mensen, en vlees tot hun arm heeft gesteld. Zij die niet de gewoonte hebben gehad om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen af te wegen, stellen vertrouwen in de leiders, en aanvaarden de beslissingen die zij nemen; en op die wijze zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God zendt tot Zijn volk, als deze leidinggevende broeders hen niet aanvaarden.” Testimonies to Ministers, {Getuigenissen voor Predikanten}, blz.106,107. {TN7: 73.2}

73

Opmerking: De begeleidende nummers die zijn weergegeven in het volgende artikel, komen overeen met de lijst van verwijzingen die hieronder zijn weergegeven. En de sleutel tot de afkortingen is dezelfde als die in de Index tot de Geschriften van Ellen G. White {Index to the Writings of Ellen G.White}. {TN7: 74.1}

(1) T.M.468. (2) C.O.R.67; Review and Herald, 27 Mei, 1890. (3) T.M.80; T.M.300. (4) 5T209. (5) 6T17. (6) T.S.S.65. (7) 9T126. (8) T.M.514,515 ; C.O.R.154. (9) Jes.58 :1{K.J.V.} ; T.S.S.56. (10) E.W.270 (11) T.M.445 ; 3T366 ; 5T211. (12) 5T136,81 ; 3T267 ; 1T187. (13) 5T80 ; G.C.425. (14) E.W.270; 3T252,253. (15) Openb.3 :14-19{K.J.V.}. (16) E.W.276, 277; P.K. 725. (17) T.S.S. W. 65. {TN7: 74.2}

Met het vurige gebed dat de Heer Zijn wil moge geschieden bij ons allen, spreken wij, als een lichaam van werkers,

Tot Alle Zevende-dag Adventisten—Wees Gegroet! {TN7: 74.3}

Geliefde Broeders en Zusters:

AANGEZIEN: Onze handelingen, wij, die in het voortschrijdende licht staan van de Derde Engel Boodschap,  zoals er met degenen, die door alle eeuwen heen Tegenwoordige Waarheid aanvaardden werd gedaan, verkeerd zijn begrepen, onze motieven bestreden, en onze boodschap verkeerd geïnterpreteerd, “terzijde gelegd, ertegen gesproken, belachelijk gemaakt, verworpen,” en “afgekeurd” als “leidend tot enthousiasme en fanatisme” (1); en {TN7: 74.4}

AANGEZIEN: Doordat het “licht welke de aarde zal verlichten met zijn heerlijkheid” (2),

74

nu een “vals licht” wordt genoemd (3), het noodzakelijk is geworden om een duidelijke omschrijving te geven van onze standpunt in verband met het afsluitingswerk van de Derde Engel Boodschap; en {TN7: 74.5}

AANGEZIEN: Gelovend dat orde en structuur de eerste wetten van de hemel zijn, en ons realiserend dat aan degenen die “in het licht staan” (4), er een onontkoombare noodzaak is gekomen voor enige vorm van raadgeving betreffende hun activiteiten in de kerk over de gehele wereld; {TN7: 75.1}

Daarom, als een verenigd lichaam van gelovigen in de boodschap van Tegenwoordige Waarheid, zoals die omsloten is in de publicaties van De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}(waarvan wij geloven dat zij zijn gekomen ter beantwoording van goddelijke verlichting, en de “ontvouwing van de boekrol” zijn (5), in volkomen overeenstemming met de Derde Engel Boodschap, zoals het is voorgezet in Bijbel en de Getuigenissen voor de Kerk ), verklaren wij hierbij: {TN7: 75.2}

Dat het Vastbesloten mag zijn: Dat wij onze volledige ondersteuning richten tot de verkondiging van Tegenwoordige Waarheid, in overeenstemming met de Z.D.A. leerstelingen, zoals die oorspronkelijk zijn gegeven door de Bijbel en de Getuigenissen; mar dat wij respectvol protesteren tegen de handelingen van onze broeders in het lidmaatschap ontzeggen en buitensluiten van leden van de gemeenten, welke zij hebben geholpen op te bouwen, allen maar omdat zij hun door God gegeven rechten beoefenen om een persoonlijk onderzoek te verrichten naar voorgegeven nieuw licht (6); en {TN7: 75.3}

Moge het verder Vastbesloten zijn: Dat zijnde in overeenstemming met de Z.D.A. leerstellingen, zoals die zijn

75

 voorgezet in de Bijbel en de Geest der Profetie, wij er zeker van zijn dat er geen nieuwe beweging kan zijn anders dan die is aangesteld als een “Grote Hervorming – Beweging Onder Gods Volk” (7); en {TN7: 75.4}

Moge het verder ook Vastbesloten zijn: Dat wij welke persoonlijke verwerping dan ook van onze broeders niet goedkeuren, maar erkennend, zoals zijzelf dat doen, dat het uur voor een “herleving en hervorming” is aangebroken (8), zullen wij, als Gods ware boodschappers, “luidkeels roepen en niet besparen” (9). {TN7: 76.1}

Overgenomen uit een open sessie van de Davidiaanse Zevende-dag Adventisten, samengekomen op deze twaalfde dat van Maart, 1934. {TN7: 76.2}

(Ondergetekend)  HET ADVISEREND COMITE.

Het besluit dat wij hier hebben aangenomen, komt ter beantwoording van een handeling door een vertegenwoordigende lichaam van Zevende-dag Adventisten, die zijn samengekomen in Los Angeles, California, van zes staten, die voortkomen van de Atlantische Oceaan tot aan de Stille Oceaan, die allen een zorgvuldige en grondige onderzoek hebben verricht naar de aard, het werk, en de leerstellingen van De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}. {TN7: 76.3}

De “herleving en hervorming”die wordt vermeld in het voorafgaande besluit is geen ander dan de “schudding” (10), “verzegeling” (11), “beproeving” (12), “reiniging” tijd (13), veroorzaakt door de verkondiging van de “rechte Getuigenis van de Waarachtige Getuige tot de Laodiceeërs” (14), tegen welke tijd de kerk zal opkomen uit haar

76

“lauwe” (15) toestand, door het kleed van Christus’ gerechtigheid te ontvangen, ter voorbereiding op het geven van de Luide Roep (16) van de derde engel. {TN7: 76.4}

Het feit dat er geen nieuwe organisatie kan zijn, toont duidelijk aan dat al ons werk gedaan moet worden ín en vóór onze Z.D.A. kerk. Daarom vertrouwen wij erop, dat ons verlangen om te aanbidden in de gemeente naar onze keuze, ondanks dat wij door haar van ons lidmaatschap ontnomen zijn (en dat om geen andere reden dan voor het aanvaarden van “meer licht”over de Derde Engel Boodschap) (17), ons niet ontzegd zal worden, en dat onze aanwezigheid niet verboden zal worden. {TN7: 77.1}

——–

(Cursivering Door Ons)

77

 —Aantekeningen—

78

“Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en grootste gebod. En het tweede is daaraan gelijk: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de gehele wet en de profeten.” Matt. 22:37- 40. {K.J.V.} {TN7: 79.1}

“Daarom, alle dingen, die gij wilt, dat de mensen u zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dit is de wet en de profeten.”Matt. 7:12.{K.J.V.} {TN7: 79.2}

79

——-0——-