De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Traktaat Nr. 1

Traktaat Nr. 1

TN1-1-1200x675.jpg

 

1

Kopierecht, 1933, 1940, 1941

Alle rechten voorbehouden

T. Houteff

In het belang van het bereiken van ieder verstand dat naar waarheid zoekt, die ernaar verlangt om te ontkomen aan het pad dat naar vernietiging leidt van zowel lichaam als geest, zal dit traktaat kosteloos verspreid worden zolang als deze uitgave voorradig is.

TRAKTAAT NR. 1

Herdruk 1986

2

VOORWOORD

PERSOONLIJK UITZIEN NAAR IEDERE  LICHTSTRAAL

   Degene die het onderzoeken van een boodschap van de Heer aan een ander toevertrouwt, maakt vlees tot zijn arm, en handelt aldus op dwaze wijze als zonder zijn eigen verstand. En “het verstand dat steunt op het oordeel van anderen zal zeker, vroeg of laat, worden misleid.” — Education, p. 231. {Karaktervorming, blz. 232,233} {TN1: 3.1}

   Op dezelfde manier is iemand die toestaat dat vooroordeel hem de weg verspert tot een oprecht onderzoek van alles wat nieuw is, wat in de naam van de Heer komt, zonder het te weten een ongelovige. {TN1: 3.2}

   Gelijkerwijs is Hij die tevreden is met zijn tegenwoordige verworvenheden in het Woord van God, in feite aan het zeggen: “Ik ben rijk, en verrijkt met goederen, en heb aan niets gebrek.” {TN1: 3.3}

   Al dezulken, die op verschillende manieren dat deel ten uitvoer brengen dat de veroordeling prikkelt die geschreven is tegen de Laodiceanen, vervullen daardoor de profetie die zij niet behoren te vervullen, en zijn zichzelf aan het voor bereiden om te worden uitgespuwd (Openb. 3:14-18). En als zij voortgaan in een zelftevreden houding dat zij alle waarheid hebben, en aldus niets meer nodig hebben, zullen zij elke nieuwe eis van waarheid versmaden en de boodschap terzijde leggen, omdat het door een onverwachte kanaal komt. Het is dan zeker, dat indien dit traktaat niet de ontvouwing van profetie was, het een

3

 onvermijdelijk feit is dat toen de ontvouwing kwam, zij het op gelijke wijze zouden behandelen, en dus hun verlossing wegwerpen! {TN1: 3.4}

Door de eeuwen heen hebben allen die hun vertrouwen in de zogenaamde wijze mensen gesteld hebben, en voorname Christenen van vandaag, alle naar men zegt godvruchtige mensen, zijn juist door dezen beroofd van het eeuwig leven, zoals de Joodse leken dat waren in de dagen van Christus vanwege hun falen in het nemen van de volle verantwoording voor hun eigen verlossing. Op aanmatigende wijze vertrouwend in de wijsheid van hun zogenaamde “grote mannen,” stonden zij afwijzend in het geloven van de woorden van Jezus: “O Vader, Heer van hemel en aarde, (…) Gij hebt deze dingen verborgen voor de wijze en de schrandere, en hebt hen aan kinderkens geopenbaard.” Matt. 11:25 { KJV}, “Waar is de wijze? Waar is de Schriftgeleerde? (…) heeft God niet dwaas gemaakt de wijsheid van deze wereld?” 1 Cor. 1:20 {KJV}. {TN1: 4.1}

    “(…) Als een boodschap komt die u niet begrijpt, neem de moeite zodat u de reden kunt horen die de boodschapper kan geven, Schriftgedeelte met Schriftgedeelte vergelijkend, zodat u kunt weten of het wel of niet ondersteund wordt door het woord van God.” — Testimonies on Sabbath-School Work, p. 65. {Getuigenissen over het Sabbatschool Werk. blz. 65}. {TN1: 4.2}

   Wilt u daarom, broeders, zusters, dus niet de fouten van anderen kopiëren? Wilt u geen voordeel uit hen halen? Als u dat wilt, bent u verplicht uw eigen verstand te gebruiken om uit te reiken naar verlossing, voordat u faalt om de reddende waarheid te begrijpen in de gewichtige blootlegging van:

4

 HETGEEN EXTRA VOORAFGAAT AAN HET “ELFDE UUR”!

DE DARDANELLEN* VAN DE BIJBEL. {TN1: 4.3}

{*De zeestraat of zee-engte die de Middellandse Zee met de Zwarte Zee verbindt}

   De roeping van Ezechiël tot het profetisch ambt is een van de meest boeiende ervaringen van de zieners van vroeger, en de openbaring van wat hij zag aan de Chebar rivier is hoogstwaarschijnlijk van groter belang voor hemel en aarde in deze tijd dan welke andere visioen dan ook in het heilig verslag {dat is}, want op een opmerkelijke wijze openbaart het Datgene Wat de Hemel met de Aarde verenigt, zoals de Dardanellen twee belangrijke zeeën met elkaar verenigt. Aldus mag deze studie van Ezechiël’s visioen die het bezoek die de Majesteit van het Universum aan de aarde aan het licht brengt, op passende wijze, “De Dardanellen van de Bijbel” genoemd worden. {TN1: 5.1}

De lezer die het best deze ogenschijnlijk meest verwarrende en gecompliceerde Bijbel symbolieken zou willen begrijpen, zal de afbeelding op de voorpagina volgen, tezamen met:

De Beschrijving van de Profeet over de Mysteries Hierin Behandeld. {TN1: 5.2}

   “En ik keek, en zie, een storm kwam op uit het noorden, een grote wolk, en een vuur vouwde zich naar binnen, en een helderheid was eromheen, en uit het midden daarvan als de kleur van amber, uit het midden van het vuur. {TN1: 5.3}

“Ook uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier levende schepsels. En dit was hun voorkomen: zij hadden het voorkomen van een mens. En elkeen had vier aangezichten, en

5

elkeen had vier vleugels. En hun voeten waren rechte voeten; en de zool van hun voeten was als de zool van een kalfspoot; en zij glommen als de kleur van gepolijst koper. En zij hadden de handen van een mens onder hun vleugels aan hun vier zijden; en zij vieren hadden hun aangezichten en hun vleugels. Hun vleugels waren aan elkaar gevoegd, zij keerden zicht niet als zij gingen; zij gingen ieder recht voor zich uit. {TN1: 5.4}

“Wat de gelijkenis van hun aangezichten betreft, zij vieren hadden het aangezicht van een mens, en het aangezicht van een leeuw, aan de rechterzijde; en zij vieren hadden het aangezicht van een rund aan de linkerzijde; zij vieren hadden ook het aangezicht van een arend.(…) {TN1: 6.1}

 “En ik zag als de kleur van amber, als de verschijning van vuur rondom vanbinnen erin, van de verschijning van zijn heupen naar boven, en van de verschijning van zijn heupen naar beneden, zag ik als het ware de verschijning van vuur, en het had helderheid rondom. Als de verschijning van de boog die in de wolk is op de dag van regen, zo was de verschijning van de helderheid rondom. Dit was de verschijning van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heren. En toen ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde de stem van iemand die sprak.” Ezech. 1:4-10, 27, 28 {KJV}.{TN1: 6.2}

“En het geschiedde, dat toen Hij de man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging,

6

en stond bij de wielen.” Ezech.10:6 {KJV}.{TN1: 6.3}

     Tot dit wonderbaarlijke tafereel, welke Ezechiël zag aan de rivierbank in het land der Chaldeeërs, wordt onze onverdeelde aandacht nu getrokken. Zijnde Ade verschijning van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heren,” dan was het, vanzelfsprekend,

De Heer op Eén van Zijn Tronen. {TN1: 7.1}

Naast deze goddelijke verschijning welke Ezechiël zag (Ezech.1:28), beschrijft de Bijbel God, zittende op een troon, bij drie andere gelegenheden — eenmaal zoals werd gezien door Jesaja, en tweemaal zoals werd gezien door Johannes de Openbaarder; te weten: {TN1: 7.2}

(1) ”(…) Ook zag ik de Here, zittende op een troon, hoog en verheven, en Zijn gevolg vulde de tempel. Erboven stonden de serafs; elkeen had zes vleugels, met twee bedekte hij zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. En een riep tot een ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig, is de Here der heerscharen; de gehele aarde is vol van Zijn heerlijkheid. En de posten van de deur bewogen van de stem van hem, die riep, en het huis was gevuld met rook.” Jes.6:1-4 {KJV}.{TN1: 7.3}

(2) ”En terstond was ik in de geest; en zie, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon(…) En rondom de troon waren vier en twintig zetels; en op de zetels zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen; en zij hadden op hun hoofden kronen

7

van goud (…) en er waren zeven lampen van vuur, brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon waren vieren dieren, vol ogen, van voren en van achteren.” Openb.4:2, 4-6 {KJV}.{TN1: 7.4}

(3) “En hij toonde mij een zuivere rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam.” Openb.22:1 {KJV}. {TN1: 8.1}

     Aangezien de troon die werd gezien door Jesaja een “gevolg” (hofstoet) was, en aangezien het de tempel binnenging, “bewogen de posten van de deur bij de stem van hem, die riep, en het huis was gevuld met rook” (Jes.6:1, 4), is het daarom een reizende troon, terwijl zowel de ene van Openbaring 4, hebbende de Azee van glas” ervoor, als die van Openbaring 22, hebbende de “rivier (…) des levens” ervoor, vaststaande tronen zijn. {TN1: 8.2}

Hoewel de troon welke Ezechiël zag gelijksoortig is aan die ene welke aan Jesaja werd getoond, zijn zij toch verschillende en aparte tronen, want elk van de “serafs” van het visioen van Jesaja had zes vleugels, terwijl elk van de “cherubs” van het visioen van Ezechiël slechts vier had. In het laatstgenoemde, stonden de cherubs bovendien onder de troon, terwijl in het eerstgenoemde, zij erboven stonden. Er staan daarom vier tronen opgetekend — twee vaststaande, en twee reizende. {TN1: 8.3}

8

Om de locatie vast te stellen van de troon van Openbaring 4, en de troon van Openbaring 22, merken wij om te beginnen op, dat de laatstgenoemde, de ene van waaruit de “rivier (…) des levens” voortkomt, zoals de Openbaarder zegt: “de troon van God en van het Lam” is — die {troon} waarop Christus zat aan de rechterhand Gods na Zijn opstanding. De eerstgenoemde, die ene, hebbende de zee van glas ervoor, bevindt zich (ook volgens de zienswijze van Johannes) in de meest heilige afdeling van het hemelse heiligdom, want Johannes zag ervoor “zeven lampen van vuur” (Openb.4:5) –een voorwerp van het heiligdom. “Terwijl de apostel Johannes in een visioen een inzage werd gegeven van de tempel van God in de hemel, zag hij daar ‘zeven lampen van vuur, brandende voor de troon.’“ — The Great Controversy, p. 414 {De Grote Strijd, blz. 388}. {TN1: 9.1}

Dan, betreffende het zich verplaatsen van de Vader en de Zoon van de troon van God en van het Lam — die {troon} waar de rivier des levens is — naar de troon waar de zee van glas is, lezen wij: “Ik zag de Vader opstaan van de troon, en in een vlammende wagen binnengaan tot het heilige der heiligen binnen het voorhangsel, en zette zich neer. Toen stond Jezus op van de troon, (…) Toen kwam er een wolkenwagen, met wielen als vlammend vuur, door engelen omringd, tot waar Jezus was. Hij stapte in de wagen, en werd naar het allerheiligste gevoerd, waar de Vader zat.” — Early Writings, p. 55 {Eerste Geschriften, blz. 56}.{TN1: 9.2}

Dezelfde gebeurtenis optekenend zoals hij het zag, zegt Daniël: “Ik zag toe, totdat de tronen werden neergezet, en de Oude van dagen zette zich neder,

9

Wiens kleding wit was als sneeuw, en het haar van Zijn hoofd gelijk zuivere wol; Zijn troon was gelijk de vurige vlam, en Zijn wielen als brandend vuur. Een vurige stroom kwam vloeiend voort van voor Hem uit; duizend duizenden bedienden Hem, en tienduizend maal tienduizend stonden voor Hem; het oordeel had zich opgesteld, en de boeken werden geopend.” — Dan.7:9,10 {KJV}.{TN1: 9.3}

Onze grootste belang echter, op dit moment, is om te weten te komen de locatie en de missie van de troon welke Ezechiël zag, en betreffende welke hij zegt: “(…) Ik keek, en ziet, een werverlwind kwam uit het noorden.” Ezech.1:4 {KJV}. Het feit dat de “wervelwind,” die de troon omgaf, “kwam,” zegt Ezechiël, toont aan dat deze troon, net zoals met die van Jesaja 6, een bewegende troon is, en dat het kwam tot de oevers van de rivier Chebar. {TN1: 10.1}

“Dit is het levende schepsel,” vervolgt Ezechiël, “dat ik zag onder de God Israëls [Die “boven de cherubs” is], bij de rivier Chebar; en ik wist, dat zij de cherubs waren.” “En de cherubs hieven hun vleugels op, en stegen van de aarde op voor mijn ogen.” — Ezech. 10:20, 19 {KJV}. {TN1: 10.2}

Aangezien het “opstijgen” van de wagen “van de aarde” aantoont dat God op deze bijzondere troon de aarde bezoekt, en dan, wanneer Zijn missie is volbracht, terugkeert naar de hemel, dan is het natuurlijk onze allergrootste verlangen om het antwoord te kennen op de vraag:

10

Wanneer Zal Dit Profetische Visioen In Vervulling Gaan? {TN1: 10.3}

Volgens Ezechiël 2:3; 3:1, 4, 5, 7, zou de profeet zijn boodschap overbrengen tot het ganse “huis Israëls” (de term “huis Israëls,” betekent óf alle twaalf stammen, óf alleen de tien stammen, wat het geval ook moge zijn). Toch begreep hij de betekenis van het visioen niet. Had hij het begrepen, dan zou hij het hebben uitgelegd, in plaats van te verklaren: “Ik kwam bij de gevangenen te Tel-Abib, die aan de rivier de Chebar woonden, en ik zat waar zij zaten, en bleef daar verbaasd onder hen zeven dagen.” Ezech.3:15 {KJV}. {TN1: 11.1}

Aangezien ten tijde van het visioen het huis van Juda, het tweestammen koninkrijk, in gevangenschap was in het land der Chaldeeërs, en het huis Israëls, het tienstammen koninkrijk, in verstrooiing verkeerde onder de natiën waarheen het was weggevoerd en verspreid enige jaren daarvoor (2 Koningen 17:6), dan was er geen mogelijkheid dat Ezechiël de boodschap tot hen bracht. En aangezien het gericht is tot  zowel het huis Israëls als tot het huis van Juda (Ezech.9:9), — de twaalf stammen, – was het dus profetisch in de tijd van Ezechiël. {TN1: 11.2}

Bovendien had de Joodse natie, tot aan de tijd van Christus, geen licht over deze profetie, en het scheen hen toe als te ingewikkeld om te verstaan, en zelfs onveilig voor een simpel verstand om te lezen. “Alles van dit hoofdstuk scheen zo verborgen en vol geheimenissen, voor de vroegere Hebreeërs, dat zij, zoals wij leren

11

van St.Jerome (Ep. ad Paulin.), niemand toelieten het te lezen voordat zij dertig jaar oud waren.” Douay Versie, voetnoot bij Ezechiël 1:5. En geen licht gezien hebbende in dit Schriftgedeelte tot aan de tegenwoordige tijd, heeft de Christelijke kerk weinig of geen poging gedaan om het uit te leggen. {TN1: 11.3}

En daar er ten slotte nooit een slachting als die wordt beschreven in Ezechiël 9 heeft plaatsgevonden, ligt de vervulling ervan vanzelfsprekend nog in de toekomst. {TN1: 12.1}

Het is daarom duidelijk, dat het visioen profetisch was in de tijd van Ezechiël, en is sindsdien altijd profetisch geweest. En als het ooit in vervulling zal gaan, en  geen onbruikbaar en nutteloos geschrift zal blijven, — iets wat God nooit schept,– dan moet de verborgenheid ervan, vanzelfsprekend, nu ontsluierd worden, en de verrichting ervan ten uitvoer worden gebracht in de nabije toekomst. {TN1: 12.2}

In het duidelijke licht van deze feiten, wordt van hoofdstuk negen gezien dat dit het hoogtepunt van het tafereel van het visioen bevat. Het ontzagwekkend werk beschrijvend welke de Heer zal doen wanneer Hij, met de cherubs, de aarde bezoekt, toont het de vreselijke gevolgen aan voor hen die de boodschap ervan verwerpen: het mislopen van de zegeningen ervan, het verliezen van het koninkrijk! Tragische, vreeswekkende ervaring, het zal het lot zijn van allen die weigeren om nu te ontwaken en ervan op de hoogte te zijn, maar die eerder verkiezen om onwetend te blijven over de waarheid ervan, en over

Het Doel van de Komst van de Heer Op Zijn Troon. {TN1: 12.3}

Toen de profeet naar het noorden keek, zag hij een “grote wolk” komende als een

12

“wervelwind” naar de aarde. Toeziende met intense belangstelling hoe het steeds dichterbij naderde, zag hij uiteindelijk de “levende schepselen,” de “wielen,” en de rest, –“de verschijning van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heren.” Waarop “ik viel,” zegt hij, “op mijn gezicht, en ik hoorde een stem van één die sprak [niet mis te verstaan de Here Zelf komende om een boodschap te geven aan Ezechiël]. {TN1: 12.4}

“(…) En Hij zeide tot mij: Mensenzoon, Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot een opstandige natie die tegen Mij opstandig is geweest; zij en hun vaders hebben tegen Mij overtreding gepleegd, zelfs tot op deze dag. Want zij zijn kinderen, schaamteloos en hardvochtig. Ik zend u tot hen; en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here God. En zij, hetzij zij zullen horen, of hetzij zij zullen nalaten, (want zij zijn een opstandig huis,) toch zullen zij weten dat er een profeet in hun midden is geweest. En gij, mensenzoon, wees niet bevreesd voor hen, en wees ook niet bevreesd voor hun woorden, al zijn er netels en doornen met u, en gij onder schorpioenen woont; wees niet bevreesd voor hun woorden, en wees ook niet verontrust bij hun blikken, hoewel zij een opstandig huis zijn.” Ezech.1:28; 2:3-6  KJV}. {TN1: 13.1}

“En Hij zeide tot mij,” vervolgt de profeet, “Mensenzoon, ga heen, gaat gij tot het huis Israëls, en spreek tot hen met Mijn woorden. Want gij zijt niet gezonden tot een volk met een vreemde uitspraak en van een moeilijke taal, (…) wiens woorden gij niet kunt verstaan.” Ezech. 3:4-6 {KJV}.{TN1: 13.2}

13

Deze verplichte woorden (van gewichtige betekenis voor allen) openbaren dat de boodschap die de profeet ontving alleen bestemd is voor Gods volk, en dat daarom, als logisch gevolg, het gehele visioen, waarvan het deel uitmaakt, zijn vervulling vindt op een tijd waarin de Heer een waarschuwing uitzendt, dat vanwege {het feit} dat Zijn kerk zich geestelijk op een zeer laag niveau bevindt, — “schaamteloos en hardvochtig” en “een opstandig huis,” — Hij daarin een werk van merken en slachten zal verrichten.  En in de gehele Bijbel zal er in maar één kerk een situatie gevonden worden, betreffende toestand, oorzaak, tijd, en gevolg, die beantwoordt aan de profetie, en dat is in

De Laodiceaanse Kerk. {TN1: 14.1}

 De veroordeling van Openb. 3:14-18 tegen de Laodiceanen, en de veroordeling van Ezech.2:1-7 en 3:4-7 tegen Ahet huis Israëls” zijn dezelfde; daarom is elkeen de aanvulling van de ander: de een is de Openbaring van datgene waarvan de ander de profetie is. {TN1: 14.2}

Beiden rechtvaardigen de waarschuwing van de Geest der Profetie dat er geen “grotere misleiding het menselijk verstand kan bevangen dan een zekerheid dat zij gelijk hebben, terwijl zij het allen verkeerd hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een treurige misleiding [in plaats van in een uitstekende toestand], en toch oprecht in die misleiding. Zij weten niet dat hun toestand betreurenswaardig is in de ogen van God. Terwijl degenen tot wie het gericht is zichzelf vleien

14

dat zij in een verheven geestelijke toestand verkeren, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid door de schokkende aanklacht van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede, en ellendigheid. Een getuigenis, zo doorsnijdend en (af)snijdend, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige die spreekt, en Zijn getuigenis moet juist zijn.”–Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 252, 253. {TN1: 14.3}

Aangezien de Heer zegt dat “het gehele huis Israëls schaamteloos en hardvochtig is”  (Ezech.3:7), dan zal voorzeker een ieder, die zich voorneemt om gered te zijn, Avastbesloten zijn om het ergste geval van” zijn “zaak te weten” (Testimonies, Vol.1 {Getuigenissen, Deel1}, p. 163), en

De Tijd Van Het Lage Niveau Van de Kerk. {TN1: 15.1}

Als Gods volk in zelfmisleiding zou voortgaan, ”schaamteloos en hardvochtig,” en als de geestelijkheid van de kerk zou voortgaan te verzwakken, dan zou God met zulk een kerk nooit Zijn werk op aarde kunnen afronden, en moet de genadetijd uiteindelijk over een wereld in volkomen duisternis afsluiten, zonder levende heiligen om getransformeerd {veranderd} te worden bij de verschijning van Christus. {TN1: 15.2}

“De Heer werkt nu niet,” zegt de Geest der Profetie, “om vele zielen tot de waarheid te brengen, vanwege de kerkleden die nooit bekeerd zijn geweest, en zij die een bekeerd waren, maar die zijn afgevallen. Welke invloed zouden deze niet toegewijde leden hebben op nieuwe

15

bekeerlingen? Zouden zij niet de door God gegeven boodschap, welke Zijn volk zal uitdragen, zonder uitwerking maken?” — Testimonies, Vol. 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p. 371. {TN1: 15.3}

Door tot op deze tijd te zijn teruggehouden vanwege de onbekeerde en afgevallen leden in de kerk, wat zal Hij nu dan doen wanneer, zoals Hij zegt: “Het gehele huis Israëls schaamteloos en hardvochtig is”? Juist het feit dat Hij terughoudt, is het meest veelbetekenend bewijs dat Hij een bijzonder werk voor de kerk moet doen voordat zij Zijn werk op aarde kan afronden. {TN1: 16.1}

Met deze ernstige zekerheid voor ogen zal daarom een ieder die “een erfenis daarboven” zoekt, de meest nauwgezette integriteit {onkreukbaarheid} en openheid van geest {on-bevooroordeeldheid} handhaven, naargelang hij onderzoek doet betreffende het bijzonder werk waar het hier om draait, voordat hij vanwege zijn Laodiceaanse bezoeking, nooit zal vinden

Het Geneesmiddel: {TN1: 16.2}

“(…)Terwijl het onderzoekend oordeel voortgang vindt in de hemel, (…) zal er een bijzonder werk zijn van reiniging, van het wegdoen van zonde, onder Gods volk op aarde (…) Dan zal de kerk, welke onze Heer bij Zijn komst tot Zich zal nemen, ‘een heerlijke kerk’ zijn, ‘ die geen vlek, of rimpel, of iets dergelijks’ heeft. Dan zal zij er uitzien ‘als de morgen, schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren.’“ “Gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, zal de kerk ingaan tot haar laatste strijd (…) zal zij voortgaan in

16

de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” —The Great Controversy, p. 425 {De Grote Strijd, p. 397, 398}; Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, p. 445}.{TN1: 16.3}

Let op de schuingedrukte woorden: “die geen vlek heeft,” “haar laatste strijd,” “voortgaande in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” Deze verklaringen benadrukken een zuivere en zegevierende kerk, vervolmaakt door een “bijzonder werk van reiniging” welke plaats moet vinden voordat het werk van het evangelie in welk deel dan ook in de wereld is volbracht. {TN1: 17.1}

De bekwaamheid die de kerk dán zal bezitten aantonend voor het grote werk dat aan haar is toevertrouwd, vervolgt Inspiratie: “Machtige wonderen werden tot stand gebracht, de zieken werden genezen, en tekenen en wonderen volgden de gelovigen.” — Early Writings, p.278 {Eerste Geschriften, p.333}.{TN1: 17.2}

Omdat deze machtige werken worden gedaan in de tijd van de “Luide Roep van de Derde Engel Boodschap,” zal daarom de reiniging op onweerlegbare wijze plaatsvinden aan het begin van de “Luide Roep.” En hieruit komt als een logische noodzaak naar voren dat de profetie van Ezechiël van het merken en slachten de aankondiging moet bevatten van de reiniging van de kerk. {TN1: 17.3}

Doorgaand met het aanschouwen in visioen van de cherubs en de heerlijkheid van Gods troon, zag de profeet de Heer komen tot de drempel {deur} van het huis (de kerk), en terwijl Hij Zijn engel gelastte, die was “bekleed met linnen” en die Aeen schijvers-inktkoker aan zijn zijde had,” hoorde Ezechiël Hem de man gebieden: “Ga door het midden van de stad,

17

 door het midden van Jeruzalem, en plaats een merkteken op de voorhoofden van de mannen, die zuchten en die uitroepen over al de gruwelen, die in het midden daarvan gedaan worden. {TN1: 17.4}

“En tot de anderen zeide Hij tot mijn aanhoren: Gaat gij hem achterna door de stad, en slaat neer; laat uw oog niet ontzien, en hebt gij ook geen medelijden; Doodt geheel en al oud en jong, zowel maagden als kleine kinderen, en vrouwen; maar nadert tot niemand, op wie het merkteken is; en begin bij Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oude mannen, die voor het huis waren. En Hij zeide tot hen: Verontreinig het huis, en vul de voorhoven met de gedoden; gaat gij voort. En zij gingen voort en doodden in de stad. {TN1: 18.1}

“En het geschiedde, terwijl zij hen doodden, en ik was achtergebleven, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach Here God! Zult Gij al het overblijfsel van Israël verdelgen, bij het uitgieten van Uw grimmigheid over Jeruzalem? Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israëls en van Juda is uiterst groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad vol van verdorvenheid; want zij zeggen: De Here heeft de aarde verlaten, en de Here ziet niet.” Ezech.9: 3-9 {KJV}. {TN1: 18.2}

Door een volkomen scheiding van de goddelozen van onder de rechtvaardigen te openbaren, waarschuwen deze verzen daarom op profetische wijze vooraf voor de ophanden zijnde reiniging van de kerk — haar enige redding. En door plaats te vinden in “de stad,” “Jeruzalem,” “Israël,” en “Juda,”

18

— termen waarmee de wereld met geen van hen genaamd kan worden, aangezien zij uitzonderlijk van toepassing zijn op het volk van God, de kerk, — is dit werk van scheiding dienovereenkomstig nauwgezet beperkt tot de kerk. {TN1: 18.3}

Verder toont het feit, dat de goddelozen worden weggenomen van onder de rechtvaardigen ook aan dat de scheiding niet in de wereld kan zijn. Vond het daar plaats, dan zou het op de tegenovergestelde wijze gedaan moeten worden — de rechtvaardigen weggenomen van onder de goddelozen. {TN1: 19.1}

Gedenk dat de Heer tot Ezechiël zei: “Mensenzoon, Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot een weerspannige natie die tegen Mij weerspannig is geweest.” “Want gij zijt niet gezonden tot een volk met een vreemde uitspraak en van een moeilijke taal, maar tot het huis Israëls” (Ezech. 2:3; 3:5) — een zending welke zal resulteren in

De Verzegeling Van De 144.000 –De Eerste Vruchten. {TN1: 19.2}

“Deze machtigste der engelen,” zegt de Geest der Profetie, Aheeft in zijn hand het zegel van de levende God, of van Hem Die alleen leven kan geven, die het merkteken kan aanbrengen op de voorhoofden(…)” {TN1: 19.3}

“Deze verzegeling van de dienstknechten van God, is dezelfde die aan Ezechiël in visioen werd getoond. Johannes was ook een getuige geweest van deze meest opzienbarende openbaring.” –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 444,445. {TN1: 19.4}

Aangezien de verzegeling (Openb.7) dezelfde is als het merken (Ezech.9), — de “reiniging,”

19

 Bn wordt aan ons aldus een tweevoudige zicht gegeven van het “afsluitingswerk voor de kerk, (…) de verzegelingstijd van de honderd vier en veertig duizend die zonder fout zullen staan voor de troon van God (…) Zij gevoelen het meest diepzinnig de verkeerdheden van Gods belijdend volk. Dit wordt bekrachtigend voortgezet door de illustratie van de profeet van het laatste werk onder de voorstelling van de mannen, hebbende elk een slachtwapen in zijn hand. Eén man in hun midden was met linnen bekleed, met een schrijvers-inktkoker aan zijn zijde.” — Testimonies, Vol 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p.266. {TN1: 19.5}

Aangezien de reiniging, of de verzegeling, kwam bij de aanvang van de “Luide Roep,” zoals wij reeds hebben gezien, zijn de 144.000 daarom de “eerste vruchten” — de eersten die verzegeld zullen worden; terwijl degenen die worden verzegeld na de reiniging van de kerk, de tweede vruchten zijn, van wie Johannes (na de 144.000 verzegeld te hebben gezien) zegt: “Hierna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volk, en talen, stond voor de troon, en voor het Lam, bekleed met witte gewaden, en palmtakken in hun handen.” Openb. 7:9 {KJV}. {TN1: 20.1}

Daarom toont het feit dat er een inzameling is van twee vruchten aan, dat het merken of verzegelen in twee delen is — twee perioden B er zijn dus

Twee Verzegelingsverslagen. {TN1: 20.2}

“En ziet,” zegt Ezechiël, “de man, met linnen bekleed, welke de inktkoker

20

aan zijn zijde had, bracht verslag uit van de zaak [terwijl {hij} op aarde {was}], zeggende: Ik heb gedaan zoals Gij mij geboden hebt.” Ezech.9:11. Hier is het eerste verslag, gebracht bij de voleinding van de verzegeling in de kerk — de verzegeling van de eerste vruchten, de 144.000. {TN1: 20.3}

“Ik zag,” zegt de dienstknecht des Heren, “(…) een engel met een schrijvers-inktkoker aan zijn zijde, van de aarde teruggekeerd, en bracht verslag uit aan Jezus dat zijn werk was gedaan, en de heiligen waren geteld en verzegeld.”–Early Writings, p. 279 {Eerste geschriften, p. 334}. Hier is zijn tweede verslag, uitgebracht bij de voleinding van de verzegeling in de wereld — de verzegeling van de tweede vruchten, de grote schare. {TN1: 21.1}

Door beide verslagen te vergelijken, wordt van elk gezien een verschillende gebeurtenis te zijn: Bij het eerste verslag, was de Heer bij Ade drempel van het huis” op aarde (Ezech.9:3); bij de tweede, was Hij in het hemelse heiligdom. {TN1: 21.2}

Nadat de engel zijn eerste verslag had uitgebracht, gebood de Heer hem: “Ga in tussen de wielen, namelijk onder de cherub, en vult uw hand met kolen van vuur van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad. En hij ging in voor mijn ogen.” Ezech.10:2 {KJV}. {TN1: 21.3}

Maar volgend op zijn tweede verslag, A(…) legden al de engelenschaar hun kronen af toen Jezus de ernstige verklaring uitsprak: >Hij die onrechtvaardig is, laat hem nog meer onrechtvaardig zijn; en hij die vuil is, laat hem nog vuiler zijn; en hij die gerechtvaardigd is, laat hem nog gerechtvaardigd zijn;

21

en hij die heilig is, laat hem nog heiliger zijn.’“– Early Writings, p. 279, 280 {Eerste Geschriften, blz. 334, 335}. {TN1: 21.4}

Als de genadetijd zou sluiten tegen de tijd van het eerste verslag (Ezech. 9:11), dan moet de Heer, volgens de voorafgaande verklaring, in de hemel zijn, en dan neerdalen tot de aarde om Zijn heiligen tot Zich te nemen, in plaats van reeds op aarde te zijn, en dan opstijgend in Zijn troon, zoals Hij dat in werkelijkheid doet, zonder Zijn heiligen (Ezech.10:19). {TN1: 22.1}

Nogmaals: Dat de profeet werd achtergelaten toen de Heer opvoer, toont op figuurlijke wijze aan dat bij dit bijzondere neerdalen en opstijgen, de heiligen niet zullen worden meegenomen naar de hemel, maar alleen zullen worden bevrijd van zonde en zondaars – geschikt gemaakt voor het laatste werk. {TN1: 22.2}

Bij het tweede verslag van de engel echter, “vertrok” Jezus, Zich in de hemel bevindend, “van uit de allerheiligste plaats” (Early Writings, p. 280 {Eerste Geschriften, p. 335}) om neer te dalen tot de aarde. {TN1: 22.3}

Deze korte vergelijking brengt voornamelijk naar voren het tweeledige feit, dat Jezus ten tijde van het eerste verslag de tempel binnenging, terwijl Hij tegen de tijd van het tweede verslag, eruit ging. {TN1: 22.4}

Verder dan het verslag uitbrengen door de engel over de zaak van het merken en slachten in de kerk, werd aan Ezechiël niet gegeven te zien. Maar {aan}Jesaja {werd het} wel {gegeven}. Hij zag

De Ontkomen Gaan Naar Alle Natiën. {TN1: 22.5}

“Want met vuur en met Zijn zwaard,” verklaart

22

 de evangelieprofeet, “zal de Here gericht oefenen met alle vlees; en de gedoden des Heren zullen velen zijn. (…) En Ik zal hen die van hen ontkomen zenden tot de natiën, (…) tot de verre eilanden, die Mijn faam niet gehoord hebben, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid verkondigen onder de heidenen. En zij zullen al uw broeders voor een offer tot te Here brengen uit alle natiën, (…) naar Mijn heilige berg Jeruzalem, zegt de Here, (…) in een rein vat in het huis des Heren.” Jes.66:16,19, 20 {KJV}.{TN1: 22.6}

Aangezien “zij die ontkomen” aan de slachting (de 144.000) “al uw broeders [al degenen die gered zullen zijn in de tijd van de ‘Luide Roep’]” zullen “brengen (…) in het huis des Heren,” dan volgt daaruit dat zij die ontkomen degenen zijn die het werk afronden – daarom worden zij “de dienstknechten Gods” genoemd. Openb.7:3. {TN1: 23.1}

Bovendien vindt de boodschap hen in de kerk, niet in de wereld, daarom zijn zij “maagden;” dat wil zeggen, “niet bevlekt met vrouwen” (Openb.14:4) — de kerken van de wereld. En zij zijn zonder bedrog in hun monden, daar zij hun tongen weerhouden hebben van

Bekritiseren en Fouten Zoeken. {TN1: 23.2}

“(…)Zij zullen alles in twijfel trekken en bekritiseren” zegt de Geest der Profetie als vooraf waarschuwing voor de reiniging, “dat opkomt bij het ontvouwen van waarheid, het werk en de positie van anderen , elke

23

 tak van het werk bekritiseren, waaraan zijzelf geen deel hebben. Zij zullen zich voeden met de fouten en misstappen en vergissingen van anderen, ‘totdat,’ zei de engel, ‘de Here Jezus zal opstaan van Zijn bemiddelingswerk in het hemels heiligdom, en Zich zal kleden met de klederen der wraak, en hen verrassen bij hun onheilige feest; en zij zullen zichzelf onvoorbereid vinden voor het bruiloftsmaal van het Lam.’ —Testimonies, Vol. 5, p. 690 {Getuigenissen, Deel 5, p. 561}.{TN1: 23.3}

Moge elkeen deze ernstige woorden ter harte nemen, en dat niemand zich door de vijand laat bedriegen “met goede woorden en mooie toespraken” over deze zaak van leven en dood. Houdt u het feit in gedachte dat het “opstaan” van Christus “van Zijn bemiddelingswerk” niet kan zijn nadat de genadetijd is afgesloten, want, merk zorgvuldig op, dat Hij zal “opstaan” gedurende “het ontvouwen van waarheid.” {TN1: 24.1}

Laat elkeen ervoor zorgdragen dat hij niet vervalt tot het bekritiseren van de boodschap of de boodschappers, maar eerder dat hij “zucht en uitroept,” zoals de Heer dat gebiedt, “over al de gruwelen die daarbinnen [de kerk] gedaan worden,” opdat hij niet gevonden wordt aan de verkeerde kant, meegeteld met de boosdoeners, en aldus gedoemd om te vallen onder de slachtwapens van de engelen. {TN1: 24.2}

“Roep luidkeels, spaar niet,” is het bemoedigend gebod, “verhef uw stem als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes.58:1{KJV}. Neem uw standpunt in, broeder, zuster, aan de goede kant, en verzekert u ervan, “alles gedaan te hebben, om

 24

 stand te houden,” want er is geen ontkomen aan het feit, dat de Heer Zijn hand heeft gezet om “de goddelozen van tussen de rechtvaardigen” te scheiden, zoals verder wordt gezien

In Het Licht Van De Gelijkenissen. {TN1: 24.3}

“En toen de koning binnenkwam om de gasten te overzien, zag hij daar een man, die geen bruiloftskleed aanhad;(…)Toen zei de koning tot de dienstknechten: Bind hem aan handen en voeten, neemt hem weg en werp hem in de buitenste duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Matt.22:11,13{KJV}. {TN1: 25.1}

Dit onderzoeken en uitwerpen vindt plaats voordat de genadetijd afsluit, want de bruiloftsceremonie was nog niet uitgevoerd op het tijdstip dat de “koning binnenkwam om de gasten te overzien.” {TN1: 25.2}

“Wederom, is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, dat werd uitgeworpen in de zee, en allerlei soort bijeen vergaderde; welke, toen het vol was, zij aan de oever trokken, en neerzaten, en de goeden in vaten verzamelden, maar de kwaden wegwierpen. Zo zal het zijn bij het einde der wereld: de engelen zullen voortkomen, en de goddelozen scheiden van onder de rechtvaardigen, en zullen hen werpen in de oven van vuur; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Matt.13:47-50 {KJV}. {TN1: 25.3}

Ook in dit Schriftgedeelte wordt de reiniging van de kerk gezien, want de kwaden worden weggenomen van onder de goeden, en niet de goeden van onder de kwaden, dat wil zeggen, de

25

kwaden die in het net (de kerk) zijn, worden eruit geworpen, en de goeden behouden. {TN1: 25.4}

Dit net stelt het evangeliewerk voor tot aan de tijd van de reiniging van de kerk, want nadat de kerk is gereinigd, zullen alleen zij Adie behouden zouden worden” het lidmaatschap toegekend worden; “Ontwaakt, ontwaakt; trek uw sterkte aan, o Sion, trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, de heilige stad; want van nu aan zal er tot u niet meer inkomen de onbesnedene en de onreine.” Jes.52:1{KJV}. {TN1: 26.1}

Dit opwekkende alarm moet luiden voordat de genadetijd sluit, want het zou daarna geen goed kunnen doen, het zou dan inderdaad slechts een bespotting kunnen zijn. Het zou ook niet van toepassing kunnen zijn op de tijd van de “Luide Roep,”want de kerk is dan niet in slaap en zonder de “sierlijke klederen;” “Alleen zij,” bevestigt de Geest der Profetie, “die verleiding hebben weerstaan en overwonnen in de kracht van de Machtige, zullen worden toegestaan om deel te hebben aan het verkondigen van deze boodschap, wanneer het zal zijn aangezwollen tot de Luide Roep.” —Review and Herald, 19 nov.1908. “En te dien dage zal de Kanaäniet er niet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.14:21{KJV}. {TN1: 26.2}

“En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult genoemd worden met een nieuwe naam, welke de mond des Heren zal noemen.” Jes. 62:2 {KJV}. “Daarom zullen uw poorten voortdurend openstaan; zij zullen niet gesloten zijn, dag noch nacht;

26

opdat de mensen tot u kunnen inbrengen de vermogens der heidenen, en dat hun koningen gebracht kunnen worden.” Jes.60:11{KJV}. {TN1: 26.3}

Bij de reiniging van de kerk, “zullen de engelen (…) de goddelozen scheiden temidden van de rechtvaardigen” (Matt.13:49), maar in de tijd van de “Luide Roep,” zullen zij de rechtvaardigen bijeen vergaderen temidden van de goddelozen. Zo staat het geschreven: “En na deze dingen zag ik een andere engel, nedergedaald uit de hemel, hebbende grote macht; en de aarde werd verlicht met zijn heerlijkheid (…) En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Kom uit haar, Mijn volk, opdat gij geen deelhebbers zijt aan haar zonden, en opdat gij niet ontvangt van haar plagen.” Openb.18:1,4 {KJV}. {TN1: 27.1}

Deze twee verschillende scheidingen, elk op een ander tijdstip, geschieden wanneer (om de feiten op specifieke wijze kort samen te vatten), in de tijd van de eerste vruchten, de goddelozen worden weggenomen van tussen de rechtvaardigen in de kerk (het net), en wanneer, in de tijd van de tweede vruchten, de rechtvaardigen worden weggenomen van tussen de goddelozen in Babylon. En zulk en kerk –volstrekt rein — vooronderstelt een volstrekte

Zuivere Boodschap. {TN1: 27.2}

Aangezien de profetie van Ezechiël zelf openbaart dat het een boodschap is voor de kerk van vandaag, dan moet de profeet zelf, noodzakelijkerwijs, de boodschappers voorstellen die de boodschap brengen tot de kerk op de bestemde tijd. En als antwoord op het gebod van de Heer: “Wees gij

27

niet weerspannig, gelijk dat weerspannige huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef,” wordt door Ezechiël’s reactie: “Toen at ik het op; en het was in mijn mond zoet als honing” (Ezech.2:8; 3:3), aangetoond dat de boodschappers de Heer gehoorzamen en Zijn Woord liefhebben boven al het andere. {TN1: 27.3}

“En Ik,” zei de Heer, “zal uw tong doen kleven aan uw verhemelte, opdat gij stom zult zijn, (…) Maar wanneer Ik tot u spreek, zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here God: Hij die hoort, laat hem horen: en hij die verwerpt, laat hem verwerpen; want zij zijn een weerspannig huis.” Ezech.3:26, 27. {TN1: 28.1}

Deze daadwerkelijke verklaring door de Heer in Eigen Persoon, openbaart dat de boodschap onvervalst is — de zuivere waarheid, absoluut opgewassen tegen bezoedeling door de uitlating van mensen. De boodschappers, die stom gemaakt zijn, kunnen alleen spreken wanneer Hij hun mond opent, en alleen wat Hij in hun mond legt — een “Zo zegt de Here God.” Aangezien zij geen eer aan zichzelf toekennen, zullen zij

Inspiratie Verheffen. {TN1: 28.2}

“Indien iemand,” zegt de apostel Paulus, “meent een profeet te zijn, of geestelijk, laat hem erkennen dat de dingen die ik tot u schrijf, de geboden des Heren zijn.” 1 Kor. 14:37 {KJV}. {TN1: 28.3}

Wanneer God door een persoon spreekt, moet diegene, als Zijn mondstuk, het feit erkennen, opdat hem niet hetzelfde lot overkomt

28

 als die Herodus overkwam, die, “op een bepaalde dag (…), bekleed met een koninklijk gewaad, op zijn troon zat, en een rede hield tot hen. En het volk juichte, zeggende: Het is de stem van een god, en niet van een mens. En onmiddellijk sloeg hem de engel des Heren, omdat hij God de eer niet gaf; en hij werd door wormen opgegeten, en gaf de geest.” Handelingen 12:21-23 {KJV}. {TN1: 28.4}

Uit deze vreselijke ervaring, opgetekend voor ons als waarschuwing, en uit de andere ernstige waarheden die hierin naar voren zijn gebracht, zien wij duidelijk dat de Heer, ten einde Zijn dienstknechten voor te bereiden op het zegel, iedere noodzakelijke les voorzet, zelfs de les die samengaat met

De Manier Waarop de Boodschap Wordt Afgeleid. {TN1: 29.1}

De lezer zal opmerken dat, hoewel het de profeet was geboden om tot zijn volk te spreken, werd hem toch, in plaats van te worden verteld wat te zeggen, geboden: “Open uw mond, en eet datgene wat Ik u geef. En toen ik keek,” zegt Ezechiël, “ziet, een hand was tot mij gezonden; en ziet, een boekrol was daarin (…) Verder zeide Hij tot mij: Mensenzoon, eet wat gij vindt; eet deze rol, en ga heen, en ga spreken tot het huis Israëls. Dus opende ik mijn mond, en Hij deed mij die rol eten.” Ezech. 2:8, 9; 3:1, 2 {KJV}. {TN1: 29.2}

Aangezien de woorden die Ezechiël zou spreken tot zijn volk werden gevonden in het boek dat hij at, kan het “boek” geen andere zijn dan

29

 de Bijbel, van waaruit de boodschap komt, die zijn hoogtepunt bereikt in

Blijdschap, Rouwklacht, en Wee {Rampspoed}. {TN1: 29.3}

“En zie, een boekrol was daarin; en Hij rolde het voor mij open; en het was van binnen en van buiten beschreven; en er was daarin geschreven klaagliederen, en rouwklacht, en wee {rampspoed}.” (Ezech.2:9,10 {KJV}) — het vreselijk geschrift dat de slachting voorziet van Ezechiël 9, en de weeën uitgesproken in de gelijkenissen van de Meester: “De Heer van die dienstknecht zal komen op een dag, waarop hij Hem niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet. En zal hem afsnijden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal geween zijn en tandengeknars.”  “Toen zei de koning tot zijn dienstknechten: Bind hem aan handen en voeten, en neem hem weg, en werp hem in buitenste duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Matt. 24:50,51;22:13 {KJV}. {TN1: 30.1}

En vroeger verklaarde Hij door zijn dienstknecht Mozes aan Zijn volk: “Het zal geschieden, indien gij niet zult luisteren naar de stem van de Here, uw God, om naarstig te onderhouden al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, dat al deze vervloekingen over u zullen komen, en u treffen.” Deut.28:15 {KJV}. “Ik roep hemel en aarde op om deze dag tegen u op te tekenen, dat ik voor u gesteld heb leven en dood, zegen en vloek; kies daarom het leven, opdat zowel gij als uw zaad moogt leven.” Deut. 30:19 {KJV}. {TN1: 30.2}

30

Daar het “boek” dat Ezechiël opat “van binnen en van buiten beschreven” was (Ezech.2:10), kan het geschrift “van binnen” daarom alleen het profetisch Woord van God zijn, de vervloekingen en de zegeningen die staan geschreven in de Bijbel verkondigend; terwijl het geschrift “van buiten,” niets anders kan zijn dan het vast staand verslag van de vervulling van datgene van binnen B kortom, het verslag van de profetieën die geschiedenis worden; daarbij aantonend dat God het heeft gesproken en het ten uitvoer zal brengen. {TN1: 31.1}

Het geschrift “van binnen en van buiten,” betekent bovendien ook dat de boodschap in type en antitype zal zijn. {TN1: 31.2}

Toen Ezechiël het “boek” opat, was het, zoals ook zal worden opgemerkt, in zijn mond zoet als honing,”maar niet “bitter” in zijn “buik,” zoals datgene dat was welke Johannes opat (Openb.10:10). Alhoewel daarom, zoals het Woord aantoont, er geen teleurstelling zal zijn met deze boodschap, zoals dat {het geval} was met die in 1844 N. Chr., verklaart het toch op droevige wijze, dat het volk aan wie het wordt gezonden, voor de waarschuwing ervan

Hun Oren Zullen Toestoppen En Hun Deuren Zullen Sluiten. {TN1: 31.3}

 “Maar het huis Israëls zal naar u niet luisteren; want zij willen niet naar Mij luisteren; want het ganse huis Israëls is schaamteloos en hardvochtig.” Ezech.3:7 {KJV}. “Maar gij, o mensenzoon, ziet, zij zullen banden op u leggen, en zullen u met hen binden, en gij zult niet uitgaan in hun midden; (…) en zult hen niet tot een berisper zijn;

31

want zij zijn een opstandig huis.” Ezech.3:25, 26 {KJV}.{TN1: 31.4}

“In het laatste plechtige werk,” voorzegt de Geest der Profetie op gelijke zienswijze, “zullen weinig groten van naam betrokken worden.” — Testimonies, Vol. 5, p. 80 {Getuigenissen, Deel 5, p. 70}. “(…) zij zullen het werk van God niet herkennen wanneer de luide roep van de derde engel zal worden gehoord. Wanneer er licht voortgaat om de aarde te verlichten, zullen zij, in plaats van tot de hulp van de Here te komen, zij zullen Zijn werk aan banden willen leggen om hun bekrompen ideeën tegemoet te komen (…) Er zullen diegenen onder ons zijn, die altijd het werk van God zullen willen beheren, om zelfs te bepalen welke handelingen gedaan zullen worden, wanneer het werk vooruit gaat onder de leiding van de engel die zich voegt bij de derde engel in de boodschap die moet worden gegeven aan de wereld.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. Vandaar de vraag:

Hoe Zal De Boodschap Het Volk Bereiken? {TN1: 32.1}

Vanwege hun weigeren om te horen, “zal God manieren en middelen gebruiken,” beantwoordt de Geest der Profetie, “waardoor er gezien zal worden dat Hij de teugels in Eigen handen aan het nemen is. De werkers zullen verbaasd staan over de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk van gerechtigheid tot stand te brengen en te vervolmaken.” — Idem, p.300. {TN1: 32.2}

“God heeft beloofd, dat waar de herders ontrouw zijn, Hij zelf de leiding zal nemen over de kudde (…) In deze tijd, zal het goud gescheiden worden van de slak {het afval} in de kerk

32

 ware godsvrucht zal duidelijk onderscheiden worden van schijngoud. Heel wat sterren die wij om hun schittering bewonderd hebben, zullen dan in duisternis ondergaan (…) Zij die verlegen en zelfwantrouwend zijn geweest, zullen openlijk vooruit komen dat zij voor Christus staan en Zijn waarheid. De meest zwakke en aarzelende in de kerk zal zijn als David — bereid om de doen en te durven” (Testimonies, Vol.5, p. 80, 81{Getuigenissen, Deel 5, p. 70, 71) — feiten die, samen met die hierna volgen, aantonen dat

Niets De Heer Kan Verhinderen. {TN1: 32.3}

Een vluchtige blik werpend op de afbeelding op de voorpagina, zal de lezer opmerken dat “twee vleugels van elkeen” van de levende schepselen “met elkander verbonden waren.” Ezech.1:11. Zowel zij als de wielen vormden daarom elk een vierkant: “één wiel bij een cherub, en een ander wiel bij een andere cherub.” Ezech. 10:9. {TN1: 33.1}

Toen Ezechiël de schepselen zag naderen, zag hij dat zij van voren “het gezicht van een mens” hadden, van achteren “het gezicht van een arend”, “het gezicht van een leeuw aan de rechterzijde,” en het “gezicht van een os aan de linkerzijde” (Ezech.1:10), want hun vieren hadden “vier zijden” (Ezech.1:8); ook dat zij vleugels hadden, “twee (…) aan deze zijde, en (…) twee (…) aan die zijde” (Ezech.1:23 {KJV}). Bovendien zag hij de levende wielen zodanig opgesteld dat “zij naar hun vier zijden gingen.” Ezech.1:17 {KJV}. (Zie voorpagina.) {TN1: 33.2}

Het vierzijdige zicht van de levende schepselen, samen met de vierzijdige beweging

33

van de wielen, maakt een vier-richtingen beweging mogelijk — voorwaarts of achterwaarts, naar rechts of naar links; de levende schepselen “keerden zich niet om als zij gingen.” Ezech.10:11 {KJV}. {TN1: 33.3}

“En hun voeten” die “rechte voeten” waren(Ezech.1:7), stelde hen in staat om zich vrijelijk te bewegen in iedere richting zonder te keren, zodat zij “heen en weer snelden als de verschijning van weerlicht” (Ezech.1:14 {KJV}). “En de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen”(Ezech.10:19), “en de gelijkenis van de handen van een mens was onder hun vleugels.” Ezech.10:21{KJV}. {TN1: 34.1}

Omdat deze wielen die een vierkante formatie maken, “heen en weer snelden,” en daar God “boven over hen” op Zijn troon zat, is het duidelijk dat dit wonderlijke, levende mechanisme, het voertuig van God is — Zijn wagen waarmee Hij is gekomen om de boodschap te brengen om de “goddelozen te scheiden van de rechtvaardigen.” Aldus wordt de ernst verlevendigd dat, omdat de “strijd des Heren is,” “Hij” voorwaar “Zelf de leiding over de kudde zal nemen.” {TN1: 34.2}

“Zoals de op wielen gelijkende ingewikkeldheden zich onder leiding van de hand onder de vleugels van de cherubs bevonden, zo staat het ingewikkelde schouwspel van menselijke gebeurtenissen onder goddelijke leiding. Te midden van de strijd en het gewoel van natiën, leidt Hij, Die boven de cherubs troont, nog steeds de aangelegenheden van deze aarde. {TN1: 34.3}

“De geschiedenis van de natiën spreekt ons vandaag aan de dag aan. Aan iedere natie en aan elk individu

34

 heeft God een plaats toegewezen in Zijn groot plan. Mensen en volkeren worden vandaag getoetst met het paslood in de hand van Hem, Die geen vergissingen begaat. Allen zijn door hun eigen keus hun bestemming aan het bepalen, en God is alles aan het nietig verklaren {aan het overstemmen}  ter vervulling van Zijn doel.” — Prophets en Kings, p. 536 {Profeten en Koningen, p. 327}. {TN1: 34.4}

“In het visioen van Ezechiël, had God Zijn hand onder de vleugels van de cherubs. Dit is om Zijn dienstknechten te leren dat het goddelijke kracht is die hen succes geeft. Hij zal met hen werken als zij ongerechtigheid wegdoen, en rein worden in hart en leven. {TN1: 35.1}

“Het heldere licht dat zich met de snelheid van weerlicht bewoog tussen de levende schepselen, stelt de snelheid voor waarmee dit werk uiteindelijk  ter voltooiing zal voortgaan” ten behoeve van Zijn volk gedurende het Oordeel uur (Testimonies, Vol.5, p.754 {Getuigenissen, Deel 5, p. 612}); want de gezichten van de levende schepselen zijn

Een Figuurlijke Voorstelling van de Heiligen in de Tijd van Het Oordeel. {TN1: 35.2}

De gezichten van de cherubs die hetzelfde zijn als die van de dieren van de Openbaring, hebben beiden noodzakelijkerwijs een aanvullende betekenis, waarvan Johannes de sleutel verschaft: “En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig om het boek te nemen, en de zegels daarvan te openen; want Gij was geslacht, en hebt ons verlost voor God door Uw bloed uit ieder geslacht, en taal, en volk, en natie.” Openb.5:9 {KJV}.

35

Juist het feit dat deze dieren zijn verlost door het bloed van Christus en op de aarde zullen heersen, toont aan dat zij een symbool zijn van de heiligen, evenals de beesten van Daniël symbool staan voor de natiën. Noodzakelijkerwijs zijn dan de gezichten van de cherubs, evenals de gezichten van de dieren staande voor de Oordeel troon, een figuurlijke voorstelling van de heiligen in de tijd van het Oordeel. {TN1: 35.3}

Dat de Heer “boven over hen [de cherubs]” is, betekent dat dit de levende wagen is waarin Hij, hun Verlosser, daaropvolgend de heiligen zal {transformeren of ten hemel zal} *opnemen. {*Zie 1 Tess. 4:16, 17; 1 Kor. 15:50-54.} {TN1: 36.1}

En “aan elke zijde van de wolkachtige wagen,” weerklinkt de Geest der Profetie, Awaren vleugels, en daaronder waren levende wielen; en toen de wagen omhoog voer, riepen de wielen: >Heilig,’ en de vleugels riepen, terwijl zij zich bewogen: ‘Heilig,’ en het gevolg van heilige engelen rondom de wolk, riep: ‘Heilig, heilig, heilig, Here God Almachtig!’ en de heiligen in de wolk riepen: ‘Glorie! Halleluja!’ ” —Early Writings, p. 287{Eerste Geschriften, p. 343}.{TN1: 36.2}

Het feit dat het aller-gelukkige uur nadert, wanneer wij zullen opstijgen in deze meest glorieuze wagen, beroert onze harten dusdanig, dat het maakt dat wij met recht de vragen luid uitroepen:

Wanneer Zal Deze Wagen Arriveren? Hoe Lang Zal Het Blijven? {TN1: 36.3}

Wanneer beschouwd in het licht van de vier hoofdfeiten die tot dusver zijn vastgesteld, beantwoorden deze vragen feitelijk zichzelf: (1) de

36

 Heer komt naar de aarde in deze wagen; (2) van daaruit gebiedt Hij Ezechiël om tot Zijn volk te gaan spreken; (3)Ezechiël bracht de boodschap niet over aan het volk van zijn dagen; (4) hij zal het overbrengen tot het volk aan het begin van de “Luide Roep.” {TN1: 36.4}

Aldus wordt gezien dat wanneer de tijd komt dat de kerk de toestand heeft bereikt die door de Heer wordt beschreven (Ezech.3-9), de verborgenheid van het visioen zal worden geopenbaard, en de boodschap tot de kerk zal worden gebracht. En dat de kerk deze tijd en toestand reeds heeft bereikt, wordt op afdoende wijze bewezen door het drievoudige feit dat het eerste deel van deze “meest opzienbarende openbaring”(hierin uitgeweid), was gepubliceerd in december 1930, in een 255 pagina’s bevattend boek, getiteld, De Herdersstaf Deel 1{The Shepherd’s Rod Vol. 1}; dat het tweede deel werd gepubliceerd in de maand september, 1932, in een 304 pagina’s bevattend boek, getiteld, De Herdersstaf Deel 2{The Shepherd’s Rod Vol. 2}; en dat het derde deel — de serie traktaten (waarvan deze de eerste is), welke sinds 1933 in totaal ongeveer 898 pagina’s bedraagt — Volume {Deel} 3 omvat. {TN1: 37.1}

Het feit daarom, dat de Heer vanuit de wagen de profeet beveelt om te gaan spreken, de boodschap uit te dragen naar Zijn volk, en dat de boodschap in totaal meer dan 1250 pagina’s aan lectuur bedraagt, gepubliceerd vanaf 1930, die de waarheid ervan ontvouwen vanuit verschillende invalshoeken, openbaart op plechtige wijze dat de wagen, alhoewel onzichtbaar voor mensen (zoals de wagens die de bergen bedekten dat waren voor “de jongeling” –2 Koningen 6:17), reeds gearriveerd is.

37

En aangezien het reeds hier is, dan moet het natuurlijk het goddelijke werktuig zijn waardoor de Heer, als een soort basis van verrichtingen, Zijn werk beveelt en bestuurt, en waardoor Hij zo zal doen totdat “dit evangelie van het koninkrijk (…) verkondigd is over de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natiën; en (…) het einde komt.” Matt. 24:14 {KJV}. “Het einde” — het ongelooflijke! Voor hen die zeggen: “Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen ontslapen zijn, gaan alle dingen voort, zoals zij van het begin der schepping zijn geweest” (2 Petr. 3:4 {KJV}); maar het lang verwachte, voor degenen die zullen zeggen: “Zie, deze is onze God; wij hebben op Hem gewacht, en Hij zal ons verlossen”(Jes. 25:9 {KJV}). — Een vreselijke, ontzagwekkende eindresultaat! Het zou allen ertoe moeten leiden om vast te stellen:

Het Doel van de Boodschap. {TN1: 37.2}

 “En het geschiedde, terwijl zij hen doodden, – en ik was achtergebleven, – dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zei: Ach, Here God! Zult Gij al het overblijfsel van Israël verdelgen bij het uitgieten van Uw grimmigheid over Jeruzalem? Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israëls en van Juda is uitermate groot, (…) en ook wat Mij aangaat, zullen Mijn ogen niet sparen, noch zal Ik medelijden hebben.” Ezech.9:8-10 {KJV}. {TN1: 38.1}

Nadat de zuchtenden en de uitroependen waren gemerkt (wat niet begrepen moet worden als zijnde voltrokken wereldwijd in zijn totaliteit voordat de slachting waar dan ook volgt), de slachting voltooid, en de zaak

38

gerapporteerd, “sprak” de Here “tot de man bekleed met linnen, en zei: Ga in tussen de wielen, namelijk onder de cherub, en vul uw hand met kolen van vuur van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad.” Ezech.10:2 {KJV}. {TN1: 38.2}

Het strooien van de “kolen van vuur (…) over de stad” stelt de volstrekte reiniging van het hart voor (Gospel Workers {Evangeliewerkers}, p. 23), tot stand gebracht door de uitstorting van de Heilige Geest over degenen die het “merkteken” ontvangen — zij die aan de “slachting” ontkomen. {TN1: 39.1}

Volgend op de voltooiing van de “slachting,” en net voorafgaand aan de verstrooiing van de “kolen van vuur” “over de stad,” “stonden de cherubs aan de rechterzijde van het huis, (…) en de wolk vulde de binnenste hof.” Ezech.10:2, 3 {KJV}. Later “verhieven” zij “hun vleugels, en stegen op van de aarde voor mijn ogen,” zegt de profeet. Ezech.10:19 {KJV}. Toen zag hij hen daarop volgend wederom “hun vleugels verheffen” (Ezech.11:22, 23), aantonend dat hoewel zij waren vertrokken nadat de scheiding plaatsvond (Ezech.10:3,19), zij later waren teruggekeerd, en nu voor de tweede keer aan het vertrekken waren. {TN1: 39.2}

Met de stad aldus gezuiverd van zonde en zondaars, en niemand behalve het “overblijfsel,” de rechtvaardigen, overblijvend, “zal Ik, zegt de Here, voor haar zijn een muur van vuur rondom, en zal de heerlijkheid zijn in het midden van haar (…) Zing en verheug u, o dochter van Sion; want zie, Ik kom, en Ik zal in uw midden wonen, zegt de Here. En vele natiën zullen

39

 te dien dage aan de Here toegevoegd worden, en zullen Mijn volk zijn; en Ik zal in uw midden wonen, en gij zult weten, dat de Here der heerscharen mij tot u gezonden heeft.” Zach.2:5, 10, 11 {KJV}. (Voor een breedvoeriger uitlegging van deze verzen, zie The Shepherd’s Rod, Vol.2 {De Herdersstaf, Deel 2}, p. 259-282.). {TN1: 39.3}

Merk op dat terwijl Hij te midden van Zijn volk woont, “vele natiën aan de Here toegevoegd zullen worden te dien dage,” en dat Hij voor hen zal zijn “een muur van vuur rondom.” Hier worden wij op aanschouwelijke wijze opnieuw ervan verzekerd, dat “te dien dage,” ten dage dat de Heer de teugels in Eigen handen neemt en komt om in het midden van de stad te wonen, Zijn Aanwezigheid, Zijn wonderlijke wagen, een bescherming rondom Zijn volk zal zijn! {TN1: 40.1}

Aldus wordt gezien dat de Heer is gekomen om Zijn volk te zuiveren door de goddelozen weg te doen van tussen hen, “de leiding te nemen” over Zijn reine kudde, en met hen Zijn werk af te ronden. Hierin zien wij dat de kerk tot haar kritieke punt is gekomen. Zij, die in barensnood is, “moet baren.” En “zodra Sion in barensnood was, bracht zij haar kinderen voort.” Jes.66:8 {KJV}.{TN1: 40.2}

Dan zal de wagen, die toegewijd is aan de heiligen, en gevuld naar laadvermogen, opstijgen naar de portalen der heerlijkheid — ”het land dat zeer veraf is.” ”(…) en toen de wagen omhoog voer, riepen de wielen: ‘Heilig,’ en de vleugels riepen, terwijl zij zich bewogen: ‘Heilig,’ en het gevolg van heilige engelen rondom de wolk riep: ‘Heilig, heilig, heilig, Here God

40

Almachtig!’ en de heiligen in de wolk riepen:  ‘Glorie! Halleluja!’ En de wagen voer opwaarts naar de heilige stad.” — Early Writings, p. 287, 288 {Eerste Geschriften, p. 343}. {TN1: 40.3}

Met het oog op dit heerlijk vooruitzicht, samen met de bovenmate ontzagwekkende omvang en verhevenheid van het werk dat voor ons ligt, en de uiterste beknoptheid van tijd waarin het volbracht moet worden, laat ieder afzonderlijk zich haasten om te delen in

De Verantwoordelijkheid van Hen Die de Boodschap Dragen. {TN1: 41.1}

Aangezien Ezechiël degenen voorstelt wiens harten de boodschap heeft bereikt, dan spreekt de Here tot hen, wanneer Hij zegt: “Mensenzoon, Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; hoort daarom naar het woord van Mijn mond, en waarschuw hen namens Mij. Wanneer Ik zeg tot de goddeloze: gij zult zeker sterven; en gij waarschuwt hem niet, noch spreekt om de goddeloze te waarschuwen van zijn goddeloze weg, om zijn leven te redden; dezelfde goddeloze zal dan sterven in zijn ongerechtigheid; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Doch indien gij de goddeloze waarschuwt, en hij keert zich niet af van zijn goddeloosheid, noch van zijn goddeloze weg, dan zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel gered. {TN1: 41.2}

“Wederom: Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en ongerechtigheid pleegt, en Ik een struikelblok voor hem leg, dan zal hij sterven; omdat gij hem geen waarschuwing hebt gegeven, zal hij in zijn zonde sterven, en

41

aan zijn gerechtigheid welke hij heeft gedaan zal niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Niettemin, indien gij de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is; ook hebt gij uw ziel gered.” Ezech.3:17-21{KJV}.{TN1: 41.3}

Vanwege de ontrouw van de vorige wachters, stelt de Heer de anti typische Ezechiël — hij en zij die “zucht en uitroept vanwege de gruwelen die gedaan worden in het midden daarvan”(de kerk) — tot een “wachter” (Ezech.3:17) in hun plaats. Wees daarom voorzichtig, Broeder, Zuster, opdat ook u niet uw plicht verzaakt en ontdekt dat u uitgeworpen bent. “Daarom, laat hij die meent te staan, erop toezien dat hij niet valle.” 1 Kor. 10:12 {KJV}. Alleen zij die op die wijze zich nu verootmoedigen, zal de Here te zijner tijd verheffen om

Zijn Getrouwe Wachters Te Zijn Om te Staan Voor de Ontrouwen. {TN1: 42.1}

“Zij die vertrouwd hebben op intellect, genialiteit, of talent, zullen dan niet aan het hoofd staan van rang en gelid. Zij hebben geen gelijke tred gehouden met het licht. De kudde zal dan niet aan hen worden toevertrouwd, die zich ontrouw hebben bewezen. In het laatste ernstige {of plechtige} werk zullen weinig mannen van naam betrokken zijn. Zij zijn zelfingenomen, onafhankelijk van God, en Hij kan hen niet gebruiken.” —Testimonies, Vol.5, p. 80 {Getuigenissen, Deel 5, p. 70). {TN1: 42.2}

“De dienstknechten van de Heer zullen enthousiastelingen genoemd worden. Predikanten {bedienaren} zullen de mensen waarschuwen om

42

niet naar hen te luisteren. Noach ontving dezelfde behandeling toen de Geest van God bij hem erop aandrong de boodschap te geven(…)” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 233. {TN1: 42.3}

Het feit dat onze conferenties alleen ministeriële {bedienings-} licenties verlenen aan -mensen die in colleges zijn opgeleid, bevestigt dat zij vertrouwen op “intellect, genialiteit, en talent.” “Gods wachters zullen niet roepen: ‘Vrede, vrede,’ wanneer God geen vrede heeft gesproken. De stem van de getrouwe wachters zal gehoord worden: ‘Gaat gij uit  vandaar, raak het onreine niet aan (…) Weest gij rein, gij die de vaten des Heren draagt.’” — Testimonies, Vol.5, p. 83 {Getuigenissen, Deel 5, p. 72.} {TN1: 43.1}

Ontvang onderricht en leer het woord van de Heer te gehoorzamen, want door zo te doen zal Hij u in staat stellen om grote dingen te doen in Zijn naam. Neig uw oor en hoor naar de bemoedigende verzekering van de Heer: “Zie, Ik heb uw aangezicht sterk gemaakt tegen hun aangezichten en uw voorhoofd sterk tegen hun voorhoofden. Als een diamant, harder dan een kiezelsteen heb Ik uw voorhoofd gemaakt; vrees hen niet, wees ook niet verontrust voor hun blikken, hoewel zij een opstandig huis zijn (…) ontvang al Mijn woorden die Ik tot u zal spreken in uw hart, en hoort met uw oren. En ga heen, gaat gij tot hen (…) en spreek tot hen, en zeg tot hen: zo zegt de Here God; hetzij zij zullen horen, of hetzij zij zullen nalaten.” Ezech.3:8-11 {KJV}. {TN1: 43.2}

Behalve dit, toont de door-de-Geest-beheerste beweging van de wagen aan, dat de Geest de allesbeheersende macht zal zijn: want “waarheen ook

43

de geest zou gaan, gingen zij [de levende schepselen] heen, daarheen zou hun geest gaan en de wielen waren opgeheven tegenover hen; want de geest van het levende schepsel was in de wielen.”Ezech.1:20 {KJV}. {TN1: 43.3}

“Als nooit tevoren, zouden wij niet alleen moeten bidden, dat er arbeiders gezonden kunnen worden in het grote oogstveld, maar dat wij een duidelijk begrip mogen hebben van waarheid, zodat wanneer de boodschappers der waarheid zullen komen, wij de boodschap kunnen aannemen en de boodschapper respecteren.” — Testimonies, Vol. 6, {Getuigenissen, Deel 6}, p. 420. Laat ons daarom de Here der Heerscharen Zelf heiligen, en

Aflaten van Mensen. {TN1: 44.1}

Aangezien u zich onder hevige beproeving zult bevinden als u uw innerlijke overtuigingen gehoorzaamt en de waarheid aangrijpt, moet u daarom alleen de Heer uw gids, en Inspiratie uw enige leraar laten zijn. Schat uw verlossing niet zo gering door te vertrouwen op de wijsheid van een ander. Wees wijs: gehoorzaam het woord van de Heer, onderzoek voor uzelf, en stelt niet uit, want u kent de smalle kantlijn des tijds niet tussen u en de hemel!  “Vertrouwt gij niet in een vriend, stelt gij geen vertouwen op een gids; behoed de deuren van uw mond voor haar die aan uw boezem ligt.” Mic. 7:5 {KJV}. {TN1: 44.2}

De regeerders van het vroegere Israël — priesters, Schriftgeleerden en Farizeeërs — die het volk beroofden van hun door-God-gegeven recht om voor zichzelf de leringen van Christus te onderzoeken,

44

 kwamen samen om met hun slachtoffers onder de veroordeling van de wetten die hen zouden redden. {TN1: 44.3}

“Wee u, wetgeleerden,” zei Christus daarom: “want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen: zelf zijt gij niet binnengegaan, en hen, die binnen aan het gaan waren, hebt gij verhinderd {tegengehouden}.” Lucas 11:52 {KJV}. {TN1: 45.1}

Deze fatale vergissing werd herhaald gedurende de Reformatie, en ook bij het verkondigen van de Eerste-, Tweede-, en Derde-engel boodschappen. Aldus deed een ieder die de voortschrijdende waarheid aannam en een lid werd van het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten dat alleen, door zijn eigen onderzoek te verrichten en besluit te nemen onafhankelijk van priester, Schriftgeleerde of Farizeeër. En als die methode van onderzoek de enige zinnige en veilige was tóen, dan is het even zeker zo nú daar wij Gods Woord beter begrijpen dan toen wij eerst geloofden! En hoewel de ontrouwe wachters van vandaag “u uitwerpen,” en uw naam verwijderen uit de kerkboeken, vanwege uw gehoorzaam navolgen in de weg die God gebiedt, zou u zich moeten verheugen(Jes.66:5, Lucas 6:22, 23), en blijmoedig de beproeving van uw geloof doorstaan, wetende dat het “voor ons bewerkt een veel meer uiterste en eeuwig gewicht der heerlijkheid” (2 Kor.4:17 {KJV}; dat inderdaad uw aanneming van de waarheid en het gehoorzamen ervan het enige is dat voor altijd uw lidmaatschap zal zekerstellen met de verlosten, in de eeuwige kerk, en dat het enige boek dat de moeite waard is om uw naam daarin te hebben staan, “Het Boek des Levens van het Lam” is. {TN1: 45.2}

45

 “De mensen nemen de uitleggingen van de Schriften aan van hun predikanten aan, en onderzoeken niet voor zichzelf. Daarom kan ik, door via de predikanten te werk te gaan,” zegt Satan, “de mensen beheersen naar mijn wil.” – Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 473. Dus, vanwege “hen, die (…) vertrouwen stellen in de leidinggevende mannen, en de beslissingen aannemen die zij nemen; (…) zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God zendt tot Zijn volk, als deze leidinggevende broeders ze niet aannemen.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 106, 107. “ (…) als zij hun tegenstand zo ver doordrijven dat zij datgene tegenstaan waarin zij geen ervaring hebben gehad, (…) kan de kerk weten dat zij het bij het verkeerde eind hebben.” – Testimonies, Vol. 5, p. 668, 669 {Getuigenissen, Deel 5, p. 543}. {TN1: 46.1}

“Ziet, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, en om te luisteren dan het vet der rammen.” 1 Sam. 15:22 {KJV}. {TN1: 46.2}

“En het zal geschieden in die tijd, dat Ik Jeruzalem zal doorzoeken met lampen, en de mannen bestraffen, die gevestigd zijn op hun droesem* {mannen die verhard of vereelt zijn in hun denken; zich gevestigd hebben op hun afval en zich daaraan vasthouden}; die in hun hart zeggen: De Here zal geen goed doen, noch zal Hij kwaad doen.” Sef.1:12 {KJV}.{TN1: 46.3}

{*Droesem of grondsop – Eng. Lees — (heb. shemarim), from a word meaning to keep or preserve. it was applied to “lees” from the custom of allowing wine to stand on the lees that it might thereby be better preserved (isa. 25:6). “men settled on their lees (zeph. 1:12) are men “hardened or crusted {verhard of vereelt}.” the image is derived from the crust formed at the bottom of wines long left undisturbed (jer. 48:11). the effect of wealthy undisturbed ease on the ungodly is hardening. they become stupidly secure (comp. ps. 55:19; amos 6:1). to drink the lees (ps. 75:8) denotes severe suffering.} hEnglish – advanced version

{Vergelijk, 1Tim 4:2 — Speaking lies in hypocrisy; having their conscience seared with a hot iron (een toegeschroeid geweten hebben)}

{-sediment of kleine deeltjes op de bodem van gegiste wijn of andere drank}

“En Hij zal zitten als een verfijnder en zuiveraar van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en hen louteren als goud en zilver, opdat zij aan de Here een offer in gerechtigheid kunnen brengen.” Mal.3:3 {KJV}. {TN1: 46.4}

Hij, “Wiens wan in Zijn hand is, (…) zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn

46

 tarwe bijeen vergaderen in de schuur; maar Hij zal het kaf verbranden met onuitblusbaar vuur.” Matt. 3:12 {KJV}. {TN1: 46.5}

“En zij die wijs zijn, zullen schijnen als de helderheid van het uitspansel; en zij die velen tot gerechtigheid keren als de sterren, voor eeuwig en altoos.” Dan.12:3 {KJV}. {TN1: 47.1}

“Roep luidkeels,” daarom, en “spaar niet; verhef uw stem als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes.58:1{KJV}. {TN1: 47.2}

“Zie, op de bergen de voeten van Hem die goede berichten brengt, die vrede publiceert! O Juda, onderhoudt uw plechtige feesten, breng uw geloften ten uitvoer; want de goddeloze zal niet meer door u heen trekken; hij is geheel en al afgesneden.” Nah.1:15 {KJV}. {TN1: 47.3}

 “(…) de Here der heerscharen brengt het leger bijeen voor de strijd.” Jes.13:4 {KJV}. {TN1: 47.4 }

“De stem des Heren roept tot de stad, en de mens der wijsheid zal uw naam zien; hoort gij de roede, en Die het aangesteld heeft.” Mich.6:9 {KJV}. {TN1: 47.5}

“Want zoals de regen neerdaalt, en de sneeuw uit de hemel, en daarheen niet terugkeert, maar de aarde doorvochtigt, en het doet voortbrengen en uitspruiten, opdat het zaad kan geven aan de zaaier, en brood aan de eter; Alzo zal Mijn woord zijn, dat uit Mijn mond uitgaat: het zal niet leeg tot Mij terugkeren, maar het zal datgene volbrengen wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zond.” Jes.55:10, 11{KJV}. {TN1: 47.6}

47

“Maar pas u ervoor op datgene te verwerpen wat waarheid is. Het grote gevaar bij ons volk is het zich afhankelijk opstellen van mensen geweest, en vlees tot hun arm te stellen.” – Testimonies to Ministers { Getuigenissen aan Predikanten }, p. 106. {TN1: 48.1}

“Om Sions wil zal Ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat de gerechtigheid daarvan voortgaat als helderheid, en de verlossing daarvan als een lamp, die brandt.” Jes.62:1 {KJV}. {TN1: 48.2}

O mijn bedienende broeders*, hoewel u uw harten hebt verhard tegen de boodschap en vastberaden hebt geweigerd om ernaar te “luisteren,” toch is God nog steeds met u aan het pleiten om u over te geven voordat het te laat is. Vandaar deze

Tweede Beroep Doening en Gebed. {TN1: 48.3}

{Concise Oxford English Dictionary  — *brethren

Archaic (ancient) plural of brother.
plural noun fellow Christians or members of a male religious order.}

Hoewel u op onrechtvaardige wijze de geschreven beroep doening van de Heer hebt genegeerd die bij de Generale Conferentie bijeenkomst in 1930 in uw handen is gelegd, en uw ogen en uw schreden halsstarrig hebt afgekeerd van het toegevoegde licht van de “Drie Engelen Boodschappen,” toch hebt u op nog onrechtvaardigere wijze over het gehele kerkgenootschap (vòòr de ontmoeting met ons door het “Onderzoekend Conferentie Comité,” op 19 februari, 1934, te Los Angeles, California) het valse verslag verspreid dat u ons een verhoor hebt gegeven. Maar ondanks deze verkeerde voorstelling, houdt God nog steeds van u, en houden wij nog steeds van u, en Hij zal u vergeven en u niets kwalijk nemen, als u Hem dat op boetvaardige wijze zult vragen. {TN1: 48.4}

48

(Voordat de eerste uitgave van dit traktaat was gepubliceerd, hadden zij ons geen enkel verhoor gegeven. Maar vanaf toen hebben zij dat wel gedaan. Maar dat het erger was dan het helemaal niet te geven, wordt gezien van het getrouwe verslag in onze Traktaat Nr.7, Reken de Bewijzen van Beide Kanten mee Alvorens Ervoor of Ertegen te Zijn.) {TN1: 49.1}

Aangezien mijn woorden over het algemeen verkeerd uitgelegd worden, en bij sommigen blijkbaar van slechts weinig gewicht zijn, zal daarom mijn gebed vanuit de Schriften, en mijn oproep vanuit de Geest der Profetie zijn. Zeker, mijn broeders, zult u gehoor geven aan de Woorden Gods: {TN1: 49.2}

“Here, Ik heb de woning van Uw huis liefgehad, en de plaats waar Uw eer verblijft.” Ps.26:8 {KJV}. En “(…) de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden van hen die U smaden, zijn op mij gevallen”. “Het was geen vijand die mij smaadde; (…) maar het was (…) een mens mijns gelijke, mijn gids, (…) wij (…) wandelden naar het huis Gods in gezelschap.” Ps.69:9, {KJV; vs.10, NBG,SV}; 55: 12,13,14{KJV; vs. 13, 14, 15, NBG, SV}. Daarom, “verlos ons, o God van onze verlossing, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, opdat wij Uw heilige naam mogen dankzeggen, en ons beroemen in Uw lof.” 1 Kron.16:35 {KJV}. {TN1: 49.3}

“Komt nu, en laat ons tezamen richten, zegt de Here: al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit zijn als sneeuw; al zijn zij rood als karmozijn, zij zullen zijn als wol.” Jes.1:18 {KJV}. “Zalf uw ogen

49

met ogen zalf, opdat gij moogt zien.” Openb.3:18 {KJV}. {TN1: 49.4}

Uw houding, mijn broeders, tegenover het heerlijke licht dat nu schijnt op de “Drie Engelen Boodschappen,” is slechts een vervulling van profetie: “Omdat gij zegt: Ik ben rijk, en ben met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek,” –  waarheid of profeten, — weigert u geïnteresseerd te zijn in het onderzoeken van de roep van de Engel wiens heerlijkheid “de aarde” zal “verlichten.” {TN1: 50.1}

“Het licht dat de aarde zal verlichten met haar heerlijkheid zal een vals licht genoemd worden, door hen die weigeren te wandelen in haar voortschrijdende heerlijkheid.” – Review en Herald, 27 Mei, 1890. {TN1: 50.2}

“De profeet verklaart: ’En na deze dingen zag ik een engel nedergedaald uit de hemel, hebbende grote kracht; en de aarde werd met zijn heerlijkheid verlicht.’ Helderheid, heerlijkheid, en kracht zullen verbonden zijn met de derde engel boodschap, en overtuiging zal volgen waar het dan ook is gepredikt in manifestatie van de Geest. Hoe zullen welke van onze broeders dan ook weten wanneer dit licht zal komen tot het volk van God?” — Review en Herald, 1 April, 1890. {TN1: 50.3}

U weet heel goed dat de Waarheid, waarin wij ons groots verblijd hebben sinds 1844, is gekomen door middel van de door God aangewezen dienstknecht wiens geschriften wij de “Geest der Profetie” noemen. Die stem is nu opnieuw tot u aan het spreken in deze dringende oproep: {TN1: 50.4}

50

 “Laat niemand tot de slotsom komen dat er geen waarheid meer geopenbaard zal worden.” – Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk }, p. 53. Niemand zal tot het besluit komen “dat de gehele waarheid ontvouwd is geweest, en dat de Oneindige geen licht meer heeft voor Zijn volk.”—Idem, p. 60. {TN1: 51.1}

“’Filippus vond Nathanaël, en zeide tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet, en de profeten, geschreven heeft, namelijk Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef. En Nathanaël zeide tot hem: Kan er iets goeds komen uit Nazareth?’ Vooroordeel en ongeloof sprongen op in het hart van Nathanaël, maar Filippus probeerde het niet te bevechten. Hij zei: ‘Kom en zie.’” – Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenisen over Sabbatschool Werk }, p. 63. {TN1: 51.2}

“(..)als een boodschap komt die u niet begrijpt, neem dan de moeite zodat u de redenen kunt horen die de boodschapper kan geven,(…) want uw standpunt zal niet aan het wankelen worden gebracht door in contact te komen met dwaling. Er is geen deugd of mannelijkheid in het onderhouden van een voortdurende strijd in het duister, uw ogen sluitend zodat u niet kunt zien, uw oren sluitend zodat u niet kunt horen, uw hart verhardend in onwetendheid en ongeloof, zodat u zich niet hoeft te vernederen en te erkennen dat u licht heeft ontvangen over sommige punten van waarheid. {TN1: 51.3}

“Door u afzijdig te houden van een onderzoek naar waarheid is niet de manier om het bevel van de Verlosser ten uitvoer te brengen om ‘de Schriften te onderzoeken.’ Is het graven naar verborgen

 51

schatten om de resultaten van iemands arbeid een hoop rommel te noemen, en geen kritisch onderzoek te verrichten om te zien of er al dan niet kostbare juwelen van waarheid zijn in de verzameling van gedachten, die u veroordeelt? (…) Zo handelden de Joden in de dagen van Christus, en wij zijn gewaarschuwd niet te handelen zoals zij dat deden, en ertoe geleid te worden om eerder duisternis dan licht te kiezen (…) Niemand van hen die zich inbeelden dat zij het allemaal weten is te oud of te intelligent om te leren van de nederigste der boodschappers van de levende God. ”—Idem, p. 65, 66. {TN1: 51.4}

“Kostbaar licht zal schijnen vanuit het Woord van God, en laat niemand het zich aanmatigen om voor te schrijven wat wel of niet aan het volk zal worden voorgehouden in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven.  Niemand, wat zijn positie van gezag ook mag zijn, heeft het recht om het volk het licht te onthouden. Wanneer er een boodschap in de naam van de Heer tot Zijn volk komt, mag niemand zich verontschuldigen om haar eisen te onderzoeken. Niemand kan het zich veroorloven zich terug te trekken in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen, en zeggen: ‘Ik weet wat waarheid is. Ik ben tevreden met mijn standpunt. Ik heb mijn grenzen bepaald, en ik zal niet van mijn standpunt afwijken, wat er ook mag komen. Ik zal niet naar de boodschap van deze boodschapper luisteren; want ik weet dat het geen waarheid kan zijn.’ Het was juist vanwege het volgen van deze koers dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en dat is de reden waarom de boodschappen van

52

 de hemel hen niet bereikt hebben.” — Testimonies on Sabbath School  Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk }, p. 65. {TN1: 52.1}

O broeders, welke verontschuldiging zult u hebben als u weigert om ook naar dit dringend verzoek te luisteren? Zal het uw wijsheid rechtvaardigen en uw ziel redden als u ondervindt dat u zich aan de verkeerde zijde bevindt? Zo ja, dan zult u zeker het beste ervan willen maken. Maar zo niet, maak dan haast om aan de goede zijde te staan, zelfs al vernedert het u tot in het stof om tot het Licht te komen. Dat u niet weer zeggen mag: “Hij heeft de Getuigenissen uit hun verband gehaald.” Moge u ophouden te trachten de weg te versperren, zodat de boodschap de mensen niet bereikt, daar u gewaarschuwd bent: “Laat niemand het zich aanmatigen om voor te schrijven wat wel of wat niet aan het volk zal worden voorgehouden in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven.” God verhoede dat! {TN1: 53.1}

 (alle cursivering door ons)

————

Hoewel het onderwerp van dit traktaat op grootse wijze uitgeweid had kunnen zijn geweest, is het ter wille van de beknoptheid, aldus kort samen gevat, brengende alleen de sleutelpunten die de boodschap ontsluiten die aan het pleiten is aan de deuren van Gods dierbare kerk. Wie dan ook daarom tot dusver heeft gelezen, zou geen obstakel hem moeten laten verhinderen om een verzendaanvraag in te dienen voor al de

53

Gratis Literatuur {TN1: 53.2}

De Tegenwoordige Waarheid series van publicaties openbaren dat “de dagen nabij zijn, en de uitwerking van ieder gezicht” Ezech.12:23 {KJV}; dat betekent: de profetische visioenen die vol geheimenissen schenen te zijn, zijn nu duidelijke feiten geworden. {TN1: 54.1}

Dertien traktaten, bestaande uit ongeveer 900 pagina’s, zullen kosteloos verzonden worden naar een ieder die hen aanvraagt. {TN1: 54.2}

Richt alle bestellingen tot de Universele Publicerende Associatie {Universal Publishing Association}, naar het adres dat aan de binnenkant staat van de voorpagina. {TN1: 54.3}

“(…) De Geest der Waarheid is gekomen, Hij zal u leiden tot alle waarheid; Hij zal niet van Zichzelf spreken; maar wat Hij dan ook zal horen, zal Hij spreken; en Hij zal u tonen de dingen, die komen zullen.” Joh. 16:13 {KJV}.{TN1: 54.4}

Geest der Profetie Index

54

Schriftuurlijke Index

55

Inhoudsopgave

PERSOONLIJK UITZIEN NAAR IEDERE  LICHTSTRAAL VOORWOORD 3,4
HETGEEN  EXTRA VOORAFGAAT AAN  HET  AELFDE UUR”! DE  DARDANELLEN  VAN  DE  BIJBEL 5
De Beschrijving van de Profeet over de Mysteries Hierin Behandeld 5-7
De Heer op Een van Zijn Tronen 7-10
Wanneer Zal Dit Profetische Visioen In Vervulling Gaan? 11,12
Het Doel van de Komst van de Heer Op Zijn Troon 12-14
De Laodiceaanse Kerk 14,15
De Tijd Van Het Lage Niveau Van de Kerk 15,16
Het Geneesmiddel 16-19
De Verzegeling Van De 144.000 BDe Eerste Vruchten 19,20
Twee Verzegelingsverslagen 20-22
De Ontkomen Naar Alle Natiën Gingen 22,23
Bekritiseren en Fouten Zoeke 23-25
In Het Licht Van De Gelijkenissen 25-27
Zuivere Boodschap 27,28
Inspiratie Verheffe 28,29
De Manier Waaruit de Boodschap Wordt Afgeleid 29,30
Blijdschap, Rouwklacht, en We 30,31
Hun Oren Zullen Toestoppen En Hun Deuren Zullen Sluiten 31,32
Hoe Zal De Boodschap Het Volk Bereiken? 32,33
Niets De Heer Kan Verhinderen 33-35
Een Figuurlijke Voorstelling van de Heiligen in de Tijd van Het Oordeel 35,36
Wanneer Zal Deze Wagen Arriveren? Hoe Lang Zal Het Blijven? 36-38
Het Doel van de Boodschap 38-41
De Verantwoordelijkheid van Hen Die de Boodschap Uitdragen 41,42
Zijn Getrouwe Wachters Te Zijn, Om te Staan Voor de Ontrouwen 42-44
Aflaten van Mensen 44-48
Tweede Oproep en Gebed 48-53

—000—

56