De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)


ABOUT US

We Offer Services
It’s a Story About Our Team

Great things are done by a series of small things.

ewedge-1200x675.jpg

God’s Titels Niet Beperkt Tot Een Taal

VRAAG:

Is het geen feit dat de Bijbel vertalers de originele Hebreeuwse namen van de Schepper (Elohim, Jehovah, El, Elahh, Elowahh, Bethel, en Tsur) veranderden in de namen van Baal ( God, Heer, etc)? En als de namen van de Schepper feitelijk Elohim, Yahovah, et.al…zijn, en als God, Heer, etc de namen van heidense goden zijn, waarom noemen we Hem dan bij de laatste? {TN11: 2.1}

ANTWOORD:

Omwille van een juist en consequent begrip ter verwijzing naar de woorden ter discussie, vragen wij de aandacht van de lezer voor het zelf bewijzende feit dat de verschillende Hebreeuwse woorden die aangeduid zijn door de vragensteller als “de originele namen van de Schepper,” die allen karakteristiek zijn voor een bepaald oogpunt of eigenschap van de Heilige natuur of karakter, daarom niet namen zijn, maar titels, van de Schepper. Alleen de naam Jehovah schijnt Zijn Eigenlijke Naam te zijn; daarom zullen we het hierin apart van de titels behandelen. {TN11: 2.2}

 Om de waarheid te vinden achter deze belangrijke tweevoudige vraag, gaan we terug naar niet slechts het begin van de Hebreeuwse natie, maar tot het begin van alle natiën; dat is, tot

2

De Kern van de Zaak. {TN11: 2.3}

We zien dat toen God de mens schiep en godsdienst aanbidding ontstond, Hij aan zijn schepselen Zijn titels verklaarde, in de taal van Eden. Later toen de zonde zijn intrede deed, en toen de mensen zich vermenigvuldigden en de goddeloosheid toenam, en toen het zich voortzette zelfs na de zondvloed, veroorzaakte Gods wraak tegen hun vanwege het bouwen van de Toren van Babel, Hem om “de taal van de ganse aarde” te verwarren, en om hieruit de talen van de natiën te creëren. Toen werden de originele titels van God aan het volk gegeven in hun respectievelijke talen; omdat de titels van God, in een taal die vreemd is voor de voorstelling {of denkbeeld} van de naties, geen betekenis voor hen zouden hebben. {TN11: 3.1}

Daar hun zonden zorgden voor een steeds grotere verwijdering van de kloof tussen God en de mensen, maakten zij uit protest, om hun hartenwens voor een zichtbare God te bevredigen, voor zichzelf

Afgoden, Vernoemd naar de Heilige Titels. {TN11: 3.2}

In plaats van de afgoden namen te geven die speciaal voor hun waren voortgebracht, eerden de makers hen met de Heilige titels om het te laten lijken alsof de afgoden afbeeldingen van God waren, een vervalsing die overtuigend bepaald wordt door zulke overduidelijke bewijzen als dat het woord Elah, een Hebreeuwse titel voor de Godheid, wordt gebruikt door de Turken als de naam van hun god [Allah]; dat het woord, Tsur, een andere Hebreeuwse titel van de

3

 Godheid, wordt gebruikt door het Russisch-Sloveense volk als de titel voor hun koningen {tsaar}; en dat “Elohim, in vele gevallen gebruikt wordt als de goden van de heidenen, die in dezelfde titel de God van de Hebreeërs meerekenden, en in het algemeen de Godheid aanduidden, als ze spraken over (aldus) een bovennatuurlijk wezen.”—Dictionary of the Bible, Smith, definition “Jehovah.” {TN11: 3.3}

Vanuit deze bewijzen, zien we duidelijk dat de namen van de afgoden, in feite niet de namen van de afgoden zelf zijn, maar de titels van God. Door daarom onze aanspreektitel tot Hem te beperken tot één taal—de Hebreeuwse—alleen maar omdat Zijn titel in onze taal ooit gebruikt werd ter ere van afgoden, wordt de conclusie bekrachtigd dat de afgoden van de heidenen, God de Schepper hebben overwonnen door Hem te beroven van Zijn titels! Wat een afstotelijke gedachte! {TN11: 4.1}

Vandaar dat, als wij meer plechtigheid moeten verbinden aan schrijfwijzen die de Godheid uitdrukken, in welke taal dan ook meer dan in de andere, zou het moeten zijn

Alleen In De Taal van Eden, of In Allen Gelijk. {TN11: 4.2}

Als vanaf het begin tot vandaag “de ganse aarde van enerlei spraak was”

(Gen. 11:1), en als de dag maar nooit was aangebroken toen “de Heer de spraak der ganse aarde verstrooide” (Gen. 11:9), dan zouden Gods aanbidders Hem alleen dan aanspreken in de taal van Eden. Maar gezien het feit dat vanaf dat uur tot deze, verscheidenheid en verwarring van tongen het

4

taalkundige lot is geweest van het menselijke ras, heeft de Heer Zijn woord nooit beperkt tot een universeel medium van uitdrukking, maar heeft het eerder aangepast aan al “de volkeren en menigten, en naties, en tongen” van de aarde, zodoende rekenschap gevend aan

De Verschillende Titels van de Godheid. {TN11: 4.3}

De Joden noemden de te verwachten Christus: Messias, maar wij die Engels spreken noemen Hem: de Gezalfde, omdat dat is wat het woord Messias in onze taal betekent. De titel: Gezalfde heeft geen betekenis voor een Hebreeër, evenals Messias voor een Engelsman, tenzij de Engelsman en de Jood, beiden Engels als Hebreeuws spreken, of als het woord uitgelegd wordt aan hen in hun respectievelijke tongen. Op gelijke wijze is dit het geval met de woorden Elohim en God — gelijkwaardigheden in hun respectievelijke tongen. De menigten van gewone mensen die alleen Engels spreken, kunnen niet op een verstandige wijze de Schepper aanspreken met een woord dat vreemd is aan de Engelse taal. Bijvoorbeeld, wanneer (we) spreken van de Ene Die alle dingen schiep, moeten wij Hem noodzakelijkerwijs noemen met het Engelse woord: Schepper, in plaats van het Slavische woord: Sutvaritel, of met het Griekse woord: Plasten. Aldus, zoals het gepast is in het Engels om te zeggen: Schepper of Vader, wanneer we die Ene aanspreken Die alle dingen heeft geschapen, dan moet het, om consequent te zijn, ook gepast zijn om Hem God te noemen in het Engels, in plaats van hem bij de Joodse titel: Elohim te noemen. {TN11: 5.1}

Voor de Jood betekenen de woorden, Elohim, Elowahh,

5

Elahh, en El: Machtige, Schepper, hetzelfde als wat het woord: God, zoals in algemene aanvaarding, voor de Oud-Engelsen; het woord Otheos, voor de Griek; het woord Bog, voor de Sloveen; Gott voor de Duitser; Gud voor de Scandinaviër; Dios voor de Spanjaard, en Allah voor de Turk betekent. {TN11: 5.2}

Vandaar dat het woord, Elohim en haar varianten, God, Theos, Bog, Gott, Gud, Dios, Allah, Lord {Heer} en ga zo maar door, losse tegenhangers zijn in hun respectievelijke talen, de algemene betekenis van hun allen is en ruimere zin hetzelfde als dat van de Engelse naam: heer, welke een eerbiedwaardige titel is gegeven aan een echtgenoot, aan een edelman, aan een eigenaar, aan een bezitter, of aan een zekere officiële persoon. {TN11: 6.1}

Het is vanuit deze algemene acceptatie van de woorden dat God en Heer, beiden worden toegepast op de Godheid, en niet meer van een punt van gepaste naam dan met het woord Vader. {TN11: 6.2}

Dit is passend geïllustreerd door de voorpagina “gesneden” van Augustus Caesar. Deze grote Romeinse heerser, had als een van zijn verheven titels, de term “Pontifex  Maximus” omdat hij werd aanbeden, in het heidens systeem, als hun zichtbare god op aarde. Later werd deze titel overgenomen door de Paus van Rome. Alzo werd het met Gods titels gedaan door de Baäl aanbidders. {TN11: 6.3}

Verder is het standbeeld van Augustus niet Augustus zelf. Het is slechts een afgod van hem, aanbeden door de mensen nadat zij niet langer zijn levende aanwezigheid konden aanschouwen. {TN11: 6.4}

 6

Dus deze mogelijkheid van exclusieve koninklijke, en zelfs heilige titels die gebruikt worden door afgunstige personen of toegepast op afbeeldingen, is een gebruik dat ongelukkigerwijs altijd heeft bestaan, en er is niets dat daaraan gedaan kan worden, zolang de mens voortgaat om het gebod te overtreden dat zegt: {TN11: 7.1}

“Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is: Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want ik de Heere, uw God, ben een jaloerse God.” Ex. 20:4 {KJV}. {TN11: 7.2}

Al de algemene termen, in de verschillende talen, karakteriseren eerder wat God is, dan Wie Hij is; met andere woorden, deze termen zijn eerder de titels van Zijn natuur en karakter, dan van Zijn identiteit. Als ze daarom niet vertaald waren in de talen van de natiën, zouden ze zonder betekenis zijn voor de mensen. {TN11: 7.3}

Vanuit de hierin gecombineerde bewijzen van de Geschriften, geschiedenis , filologie {taalkunde} en logica, zien we duidelijk dat de woorden God, Heer enz., niet oorspronkelijk, noch ooit exclusief, de namen waren van Baäl, of van welke andere afgod dan ook. Als gevolg daarvan is er

Niets Verkeerds aan Gods Titels in Welke Taal dan ook. {TN11: 7.4}

Het is dan vanzelfsprekend dat, hoewel de heidenen de term god gebruikten, wanneer ze hun afgoden aanspraken, zoals sommigen de titel vader gebruiken voor een

7

persoon die niet hun vader is, doch door zo te doen, zij daardoor niet meer werkelijk enig afgod tot God maakten, dan dat ze daarmee werkelijk de titels van de echte God, tot de titels van afgoden maakten; niet meer in feite, dan hen die het woord vader misbruiken, het zo verontreinigen, dat we nu genoodzaakt zijn onze aardse ouder met een andere titel aan te spreken. {TN11: 7.5}

En als er nog steeds wordt geprotesteerd, dat deze verschillende titels van de Godheid worden ontheiligd omdat afgoden-aanbiddende natiën ze gebruikten, dan moet er door dezelfde blijk van logica ook geprotesteerd worden, dat hun Joodse equivalenten zelfs meer ontheiligend zijn, vanwege de nog schandelijkere en verwerpelijke afgoderij van de Joden, die op bespottende wijze deze titels van de ware God mompelden, terwijl zij vreemde goden achterna gingen en Zijn profeten doodden, en die zelfs Zijn enig geboren Zoon niet spaarden. {TN11: 8.1}

Juist door het feit dat toen de heidenen het Christendom aannamen, de Geest der Waarheid deze misbruikte titels van de Godheid “voor het Christelijk verstand verhief”, toonde Hij daardoor aan dat God niets tevergeefs {of zonder betekenis} geschapen heeft, en dat er geen andere goden voor Hem zijn. Dus in plaats van dat deze titels nu een gruwel voor ons worden, zouden ze een betere status moeten hebben dan daarvoor, net als de Verkwister dat had nadat hij terugkeerde tot zijn vaders huis. {TN11: 8.2}

De apostel erkende dit, en maakte daarom geen bezwaar toen de discipelen in Antiochië zichzelf Christenen noemden, naar de naam van de Heer in hun inheemse taal (Handelingen 11:26). {TN11: 8.3}

8

Het feit dat de apostel Paulus verder onder Inspiratie God aan de heidenen bekendmaakte, niet in de termen van (Jehovah, Elohim, et al..) naar zijn eigen verstandelijk vermogen en medegedeelde geloof, maar in termen ( De Onbekende God) van hun onwetendheid en ongeïnformeerde geloof, toont aan dat God ander aanspreek vormen tot Hemzelf accepteerde dan de Joodse namen. {TN11: 9.1}

Op dit punt, evenals alle andere punten staan wij met de apostelen en de profeten. En aangezien de apostelen zodoende waardig bevonden waren om hun namen geschreven te hebben op de fundamenten van de Heilige Stad (Openb. 21: 14) zullen wij op gelijke wijze waardig bevonden worden om door de paarlen poorten in te gaan, als ook wij ons onthouden van

Het Oneerbiedig Gebruiken van de Heer Zijn Werkelijke Naam {TN11: 9.2}

Als God zijn werkelijke naam Jehovah is, dan wagen wij, Zijn geschapen wezens, het om zo oneerbiedig informeel te zijn om Hem aan te spreken met Zijn Werkelijke Naam, in plaats van met een van Zijn titels, God, Heer, Vader, Schepper, Verlosser, etc. terwijl wij er niet aan zouden denken om toe te geven aan de minder oneerbiedige gewoonte van het aanspreken van onze aardse ouder met hun gegeven namen—John, George, Bill, Dorothy, Ruth, Maria, etc ., in plaats van hun ouderlijke titels Vader en Moeder?  Zulk een oneerbiedigheid, toegepast door de heidenen, mag te verontschuldigen zijn vanwege hun onwetendheid, maar toegepast door verlichte Christenen,

9

 die beter horen te weten, is niet te verontschuldigen. We mogen met eerbied het woord Jehovah gebruiken, alleen als een heiden ons zou vragen Wie is jou God? Dan zouden we met een plechtige correctheid kunnen antwoorden, Jehovah, de enigen ware en levende God. Nooit, echter kunnen we wanneer we God aanspreken Zijn Werkelijke Naam eerbiedig gebruiken. {TN11: 9.3}

Zoals de Godvrezende Joden vroeger ”de Heilige Naam te heilig achten om het uit te spreken,” evenzo zouden verlichte Christenen vandaag moeten doen. {TN11: 10.1}

Nochtans, de meest oude en geheiligde Hebreeuwse naam van God was gewoonlijk niet alleen nooit uitgesproken, maar was zelf zo gespeld in een afgekorte vorm dat het niet uitgesproken kon worden; zelf zo dat de originele uitspraak niet bekend is. Wat we zeker weten is de

Medeklinkers Vorm, Yhwh, Yvh, of Yhv. {TN11: 10.2}

De afgekorte vorm van de naam maakte het voor de vertalers moeilijk om een uitspreekbaar woord te spellen. Ze kozen er daarom voor om toe te voegen dat gene wat ze dachten dat de missende klinkers waren. De eerstvolgende lettergreep term waarover ze het algemeen eens waren was Jah. Andere afgeleiden waren verschaft door verschillende vertalers. Yahweh, Yahowah, of Yahovah werden geformuleerd om bepaalde talen te schikken. Daarom elke geïmproviseerd schrijven dat uitgaat om de onuitsprekelijke Naam op te maken, mag feitelijk toch uiteindelijk niet de

10

Hebreeuwse zijn!  (Zie Funk and Wagnall’s Standard Dicitionary, definitie “Jehovah.”) {TN11: 10.3}

Als de originele naam theorie juist is bewezen, is er op zekere wijze

Niets om de Verandering te Voorkomen. {TN11: 11.1}

Daar we niet meer dan wat dan ook juist willen zijn in alle dingen, zou het daarom een zonde zijn om de Godheid in elke taal anders dan de Hebreeuwse aan te spreken, zouden wij meteen en zonder aarzelen onze verbale wijze van Hem aanspreken veranderen. {TN11: 11.2}

Maar zoals de zaken nu staan, zijn wij niet in staat om enige enthousiasme te delen betreffende zo een oorspronkelijke naam theorie, en het welk van de waarheid en waarde toe te schrijven welke sommige ons willen laten geloven, dat het verstelt, maar ook zijn wij meer dan ooit tevoren overtuigd de Heer niet aan te spreken met Zijn gepaste naam. In feite moet iedere volledig wakkere Christen, die oprecht de Heer dient, duidelijk zien dat om zich te schikken aan zo een theorie is, de heiligen er toe te brengen de Schepper te beledigen door Hem aan te spreken met Zijn Werkelijke Naam in plaats van met Zijn titel, en ook om te lijden onder het onheilspellend resultaat van enthousiastelingen worden over een of ander zo aanlokkelijk theorie dat ze praktisch die waarheden uitsluiten die essentieel zijn voor hun zaligheid.

Laat ons daarom

Toegeven: {TN11: 11.3}

Dat deze feiten voor altijd de beweging krachteloos maken dat nu in aantocht is om zich te ontdoen van het gebruik van de Christen van de titels God, Heer,

11

Christus, etc: want om het op te geven om de Godheid met de titels aan te spreken, welke Hij heeft ingesteld in de verschillende talen, zou een nederlaag voor God betekenen en een overwinning voor de afgoden! Zulke misleidende bewegingen zouden moeten zijn

Een les. {TN11: 11.4}

Alle tegenwoordige waarheid gelovigen zouden nu de noodzaak moeten inzien van het mijden van allerlei winden van leer ongeacht hoe aannemelijk of redelijk het mag schijnen te zijn. Onthoud de woorden ” Zie, deze die uitgegaan zij naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.” (Zie p. 27 van Tract nr. 2, The Warning Paradox,–Zach. 6: 1-8). Haal uw leerstelling Broeder, Zuster alleen van de Gouden Schaal! (zie The Shepherd’s Rod, Vol. 2), en wees niet als de golven van de zee, gedreven en geslingerd door de wind—wordt niet meegevoerd door de vele winden van leer die wild waaien vanuit ieder richting om te veroorzaken dat jij je weg kwijtraakt naar het eeuwige koninkrijk. {TN11: 12.1}

12

——————–0—————–


TN2-1200x675.jpg

 Een Tijdige Openbaring

1

Kopierecht, 1937,1941

Alle Rechten Voorbehouden

V.T.HOUTEFF

In het belang van het bereiken van iedere naar waarheid zoekende verstand die ernaar verlangt om aan het pad te ontkomen, dat tot vernietiging leidt van zowel het lichaam als de ziel, wordt dit traktaat kosteloos uitgegeven zolang de uitgave beschikbaar is.

TRAKTAAT NR. 2

1948 Herdruk

2

INLEIDING

De Noodzaak Van Onderzoek


“God heeft kostbaar licht dat tot Zijn volk zal komen(¼)Wanneer er nieuw licht aan de kerk wordt aangeboden, is het gevaarlijk om uzelf ervan af te sluiten(¼) Door datgene te veroordelen wat u niet heeft gehoord en niet begrijpt zal uw wijsheid niet verheven worden in de ogen van degenen die nauwkeurig zijn in hun onderzoekingen naar waarheid. En met minachting spreken over degenen die God heeft gezonden met een boodschap van waarheid, is dwaasheid en waanzin(¼) {TN2: 3.1}

“(¼)want God zal Zijn Woord verheerlijken, dat het kan verschijnen in een licht waarin wij het nooit tevoren hebben aanschouwd(¼) Licht zal komen tot iedere ernstige zoeker naar waarheid, zoals het kwam tot Nathanaël(¼)Er zou vrijheid gegeven moeten worden voor een openhartig onderzoek van de waarheid, opdat een ieder voor zichzelf kan weten wat de waarheid is. {TN2: 3.2}

“(¼)Als er een boodschap  komt die u niet begrijpt, neem de moeite om de redenen te horen die de boodschapper kan geven,(¼) want uw standpunt zal niet aan het wankelen gebracht worden door in contact te komen met dwaling(¼)Geen van degenen die zich inbeelden dat zij het allemaal weten is te oud of te intelligent om te leren van de nederigste der boodschappers van de levende God.” –Testimonies on Sabbath School Work{Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, blz.60-66. {TN2: 3.3}

Aangezien iedere gebeurtenis, in verband met de kerk, wordt vooraf gegaan door een boodschap, en aangezien elk

3

van dergelijke gebeurtenissen is voorzegd geweest door de profeten, dan is het belangrijk dat een ieder zich realiseert:

De Noodzaak Van Profetie. {TN2: 3.4}

Er is nog nooit in de geschiedenisboeken van de Christelijke kerk een dergelijke schudding geweest zoals die welke snel toeneemt als gevolg van de verspreiding van De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}series van boeken en traktaten door rij en gelid van het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten. Het presenteert een zeldzame en verwarrende probleem waarbij menselijke wijsheid volkomen onmachtig is die op te lossen. In deze buitensprigheid, moeten wij ons dan keren tot goddelijke wijsheid. Zowel de strijd als het geneesmiddel ervan moeten gevonden worden in profetie. Daarom nemen wij blijmoedig de uitdaging aan: “Vraag Mij naar toekomstige dingen betreffende Mijn zonen, en betreffende het werk Mijner handen geeft gij Mij bevel.” Jes.45:11{KJV} {TN2: 4.1}

Alleen wanneer de kerk tot de ontdekking komt dat zij gestrand is op een klip van haar eigen dwaasheid, met de hevige golven van goddelijke vergelding die haar zijden slaan, is zij in een toestand om zich het vreselijke gevaar en haar behoefte aan van alles te realiseren. En alleen wanneer zij aldus in gevaar is gebracht en gealarmeerd is, kan zij mogelijkerwijs opgewekt worden tot de absolute noodzaak  voor het hebben van de gave van profetie–haar meest belangrijke behoefte in haar huidige hachelijke situatie. “Zeker, de Here God zal geen ding doen, maar Hij openbaart Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten.” Amos 3:7.{KJV} “Verlangt naar geestelijke gaven, maar eerder dat gij moogt profeteren(¼)Hij die profeteert, sticht de

4

gemeente.” 1Kor.14:1,4. “Want het getuigenis van Jezus is de Geest der Profetie.” Openb.19:10. Dus, als zij niet nu ontwaakt tot het feit dat “waar er geen gezicht is, het volk omkomt”(Spr. 29.18{K.J.V.}), dan zal zij nooit ontwaken. {TN2: 4.2}

 De belangrijkheid van de gaven van de Geest benadrukkend, zegt Paulus: “ En Hij gaf sommigen, apostelen; en sommigen, profeten; en sommigen, evangelisten; en sommigen, herders en leraars, voor de vervolmaking der heiligen, voor het werk der bediening, voor de opbouw van het lichaam van Christus.” Ef.4;11,12.{KJV} “Daarna wonderen, dan gaven der genezingen, helpers, besturen, verscheidenheid van tongen.”  1Kor.12:28{KJV} {TN2: 5.1}

Maar terwijl de meeste van deze gaven, in het bijzonder die van tongen en van besturen, ijverig worden nagejaagd door de kerken, is hetgeen dat werd veracht door de Joden-de gave van “profeten”- in het geheel verworpen door bijna het gehele Christendom. Daarom is de geest, die het doden van de vroegere zieners door de hand van de Joodse leiders aanstichtte, in feite vandaag hetzelfde soort vernietigend werk door middel van de georganiseerde godsdienst aan het doen. {TN2: 5.2}

Terwijl de Joden lof en eer toeschreven aan de dode profeten die waren gedood door de voorvaders, verwierpen zij de levende profeten, aldus over zich brengend de betreurenswaardige aankondiging van de Meester: {TN2: 5.3}

“Wee u, gij schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden{huichelaars}! Want gij bouwt de graftomben der

5

profeten, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen; en zegt: indien wij in de dagen onzer vaderen waren geweest, zouden wij geen deelhebbers met hen zijn geweest aan het bloed der profeten.” Matt. 23:29,30.{KJV} {TN2: 5.4}

De hedendaagse Christenen die de gave van profetie verachten en het gezag van de Oud-Testamentische Geschriften over het evangelie dispensatie ontkennen, verwerpen daardoor al de profeten, hoewel zij hen tegelijkertijd de lippendienst bewijzen door hen te erkennen als de dienstknechten van God. Door zo een dienst te verlenen, bouwen en versieren zij slechts de graftomben van de profeten, zoals de Joden dat deden, maar wanneer op de proef gesteld, zullen ook zij leugenaars bevonden worden. Louter lipbelijdenissen van te geloven in de gehele Bijbel, zijn erger dan helemaal geen belijdenis, en dubbel zo erg wanneer de belijders tegelijkertijd onderwijzen dat al de wetten en verordeningen, al de waarschuwingen en veroordelingen, alleen van toepassing zijn op de vroegere Joden, terwijl al de genadegaven de Christelijke kerk toebehoren! {TN2: 6.1}

Door deze koers te volgen, zijn zij zo ver ertoe geleid tot het verderven van de gaven, dat hun zogenaamde gave van tongen niets anders is dan wartaal, en niet meer de Bijbelse gave is dan dat Zondag de “geheiligde” Sabbatdag is! Ook verdorven is de gave van besturen, welke is verlaagd tot een instelling van voorrechten, formaliteiten, doelen, en dergelijke, welke, als zij ooit heilzame uitvindingen waren, zeker in hun huidige lage staat, niets anders zijn dan werktuigen die in feite strijden tegen de Waarheid,

6

en de vroomheid van de kerk te niet doen. Schijnen de besten van deze belijdende Christenen van vandaag, met deze stand van zaken, beter te zijn dan de slechtste der Joden van gisteren? Daarom, O gemeente van God, “Ontwaakt, ontwaakt”! “Dooft de Geest niet uit. Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; houdt vast aan datgene wat goed is.” 1 Thess.5:19,21.{KJV} “Maak u los van de [door mensen gemaakte] banden van uw hals, o gevangen dochter van Sion.” Jes.52:2.{KJV} {TN2: 6.2}

Aangezien de gave van profetie, volgens de Schriften, de tweede is in rangorde van de gaven tot de kerk, en de gave van besturen en dat van verscheidenheid van tongen de laatste zijn, dan is het vanzelfsprekend, dat degenen die de gave van profetie verachten maar de gave van besturen en de gave van tongen verheffen, de wagen aan de achterkant ervan aan het trekken zijn, en de verkeerde richting inslaan. Tot dezulken is Christus aan het zeggen: “Weet niet,  dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.” Openb.3:17.{KJV} {TN2: 7.1}

“Komt dan, en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit zijn als sneeuw; al zijn zij rood als karmozijn, zij zullen zijn als wol.” Jes.1:18.{KJV} {TN2: 7.2}

Deze toestand ligt ten grondslag aan het huidige probleem van de kerk, welke samen met de uitkomst ervan figuurlijk wordt voorgesteld in de profetische symbolisatie van Zacharia:

7

shepherds-rod-tract-2-zechariah-4

8

DE PARADOX. {TN2: 7.3}


 “En ik keerde mij om, en hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren van koper. Aan de eerste wagen waren rode paarden; en aan de tweede wagen waren zwarte paarden. En aan de derde wagen witte paarden; en aan de vierde wagen gevlekte en voskleurige {sterke} paarden. Toen antwoordde ik en zeide tot de engel, die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn heer? En de engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier geesten des hemels, die voortgaan van waar zij stonden voor de Here der ganse aarde. De zwarte paarden die daaraan zijn gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, hen achterna; en de gevlekte paarden gaan uit naar het Zuiderland. En de voskleurige {sterke} paarden gingen uit, en trachtten te gaan opdat zij de aarde konden doorwandelen; en hij zeide: Gaat heen, doorwandelt de aarde. Toen doorwandelden zij de aarde. Toen riep hij mij toe, en sprak tot mij, zeggende: Zie, dezen die uitgaan naar het Noorderland, hebben Mijn geest tot rust gebracht in het Noorderland.”-Zach.6:1-8{K.J.V.}. {TN2: 9.1}

Deze verzen bevatten één van de meest opmerkelijke en belangrijke afgebeelde profetieën die staan opgetekend in het Heilige Schrift, en hun ware uitlegging brengt aan zielenaangrijpende openbaring van gedenkwaardige kerkelijke geschiedenis. Het eerste symbool dat in beschouwing zal worden genomen zijn

9

De “Bergen van Koper.”

Samengesteld zijnde uit koper, kunnen de bergen nooit, zelfs niet voor het kleinste deel, weggevoerd worden door wind of vloed. Het maakt niet uit wat hen overkomt, zijn staan onbeweegbaar. En aangezien zij voorstellingen zijn van Gods heilige kerk (zoals wordt gezien uit het schriftgedeelte: “Zo zegt de Here: Jeruzalem zal worden genoemd een stad der waarheid; en de berg van de Here der heerscharen de heilige berg”-Zach.8:3), moeten zij daarom haar voorstellen op een tijd waarin zij in staat is de storm te doorstaan–wanneer zij reine en geschikte plaats is voor het vertoeven van Zijn Heilige Aanwezigheid, welke, zoals de bergen aanduiden, voor Zijn heiligen is een machtige vesting en “een schuilplaats tegen de wind, en een toevlucht tegen de storm; als waterstromen in een droge plaats, als de schaduw van een grote rots in een dorstig land.” Jes.32.2. Maar “hij die bedrog pleegt,” zegt de Heer, “zal binnen Mijn huis niet blijven; hij die leugens spreekt, zal niet vertoeven voor mijn ogen.”PS.101:7.{K.J.V.} {TN2: 9.2}

De feiten die tot dusver zijn vastgesteld tonen Gods Woonplaats aan in twee gescheiden afdelingen, want Hij heeft slechts één kerkelijke organisatie in elke tijd. Het dal dat tussen de twee bergen ligt (de ruimte van waaruit de wagens voortkomen), geeft daarom de periode aan tussen de twee heilige kerkelijke organisaties die bergen voorstellen. {TN2: 10.1}

Dit solide fundament belooft een vaststaande structuur van waarheid welke een kerkelijke

10

geschiedenis behelst dat zijn hoogtepunt bereikt in een les van tegenwoordige waarheid welke gedenkwaardige gevolgen heeft voor iedereen. Alleen als het zulk een waarheid openbaart kunnen wij weten dat onze uitlegging goddelijk geïnspireerd is, niet “eigenmachtig,” en dat het iedere Bijbelse test zal doorstaan. In navolging van dit doel, komen wij nu tot de beschouwing van

De Tijd van het Feitelijk Bestaan van de Bergen. {TN2: 10.2}


Toen het vroegere Israël aanrukte uit Egypte, “toog de Here voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, om hen op de weg te leiden; en des nachts in een vuurkolom, om hen licht te geven, om voort te gaan dag en nacht.” ”En in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israëls.” Ex.13:21; Num.9:17. Maar enige jaren nadat de Israëlitische beweging was aangerukt tot “het beloofde land,” onttrok God Zijn persoonlijke aanwezigheid van onder hen, vanwege hun grote zonde waarvan zij zich weigerden te bekeren. {TN2: 11.1}

“Daarom deed Hij tegen hen opkomen de koning der Chaldeeën, die ¼het huis Gods verbrandden en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten daarvan. En zij die ontkomen waren aan het zwaard, voerde hij weg naar Babylon, waar zij hem en zijn zonen tot dienstknechten waren, tot het regeren van het koninkrijk van Perzië.” 2 Kron.36:17,19,20. {TN2: 11.2}

11

Ware het niet voor het feit dat een soortgelijk incident plaatsvindt in de Christelijke periode, dan zouden wij mogelijkerwijs moeten concluderen zonder verder te gaan dat de “twee bergen” van “koper” symbolisch staan voor de twee afdelingen van de kerk in de tijd van het Oude Testament. Maar in zoverre de Duistere Middeleeuwen, van 538 N.Chr. tot 12798 N.Chr. (Dan.7:25; Openb.12:6,14), de Heilige Berg van God in twee gescheiden afdelingen deelt, zijn wij gedwongen om vanuit een andere invalshoek te bewijzen de tijd waarop deze twee figuurlijke “bergen van koper” van toepassing zijn. {TN2: 12.1}

Nooit is deze symbolische profetie begrepen door welk volk dan ook; en nooit kon het vervuld zijn geweest en niet zijn geopenbaard (want dan zou de waarheid ervan ontoegankelijk zijn geweest voor het volk in het verleden en slechts half doeltreffend zijn nu voor ons). De vervulling ervan, is dan noodzakelijkerwijs nog in de toekomst, enige tijd in het laatste gedeelte van de Christelijke periode. {TN2: 12.2}

Het metaal dat de “bergen” samenstelt moet datgene voorstellen wat samenstelt waarvoor zij staan. Nadrukkelijk, moet het “koper” de mensen vrijgeven die twee heilige afdelingen van de Christelijke kerk zullen vormen. {TN2: 12.3}

In het tweede hoofdstuk van Daniël, worden vier wereldrijken gesymboliseerd door een groot metalen beeld van goud, zilver, koper, en ijzer–een wel begrepen profetie van Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome. {TN2: 12.4}

12

Goud, zijnde de eerste in waarde onder de orde van metalen, is in het bijzonder toegepast bij het symboliseren van het eerste wereldrijk na de zondvloed. Zilver, zijnde het tweede na goud, is metaal nummer twee, en symboliseert precies het tweede wereldrijk– Medo-Perzië. Terwijl koper, zijnde het derde na goud, precies toepasselijk is voor het derde wereldrijk (Griekenland), en dus de cijferwaarde heeft van drie. {TN2: 13.1}

De “bergen,” zijnde van koper, geven dus aan dat de kerk welke zij voorstellen, zich bevindt in periode nummer drie. En het feit dat er een derde periode is, stelt voorop twee voorafgaande perioden, wat in het geheel drie grote afdelingen van tijd veroorzaakt–de eerste, vanaf de schepping tot de zondvloed; de tweede, vanaf de zondvloed tot de kruisiging van Christus; en de derde, vanaf de kruisiging tot aan Zijn tweede komst. De Christelijke periode is daarom díe periode waarop de symbolische “bergen van koper” van toepassing zijn. {TN2: 13.2}

Het is dan noodzakelijk, dat de eerste van de twee “bergen” symbolisch staat voor de met-de-geest vervulde eerste Christelijke kerk vóór 538 N.Chr., en de laatste, voor de Christelijke kerk enige tijd na 1798 N.Chr., wanneer het, zoals het was met de eerste Christelijke kerk, geschikt is als Gods Heilige Woonplaats, zoals wordt beschreven in de volgende schriftgedeelten: “O, gij verdrukte, door de storm geworpen, en ongetrooste, zie, Ik..zal uw vensters van agaat maken, en uw poorten van karbonkels¼en al uw kinderen zullen van de Here geleerd zijn, en groot zal de vrede uwer kinderen zijn.” Jes. 54:11-13{K.J.V.}. {TN2: 13.3}

13

Dit kan niet, zoals sommigen kunnen denken, een symbool zijn van de Heilige Stad, welke neer”daalt van God uit de hemel” (Openb.21:2), want de hemelse stad heeft poorten van “één parel” (Openb.21:21), terwijl de poorten welke Jesaja beschrijft zijn gemaakt van “karbonkels.” Deze symbolische taal kan daarom alleen een beschrijving zijn van de mensen die het geestelijke huis van God zullen vormen. (Zie Efeziërs 2:20-22.) Al haar “stenen” zijn van “schone kleuren“: zij zijn allen kostbare juwelen. Geen puin, geen “onkruid,” geen “lauwe” belijders bevinden zich onder haar heerscharen, noch kunnen die er werkelijk ooit zijn, want er wordt, zoals het zeer gemakkelijk wordt gezien, door de “grondvesten” van tevoren voorgesteld de grondleggers; door de “vensters,” waar het licht doorheen schijnt, haar levende profeten of zieners; en door de “poorten van karbonkels” haar “wachter,” die alleen degenen zullen inlaten die het recht hebben om binnen te gaan, en alle anderen erbuiten zullen houden. En de “grenzen van aangename stenen” zijn de leden die het huis mooi maken. Het is dan duidelijk, dat alleen “degenen die gered zouden worden” ervan deel zullen worden. {TN2: 14.1}

“In gerechtigheid zult gij bevestigd worden; gij zult verre zijn van verdrukking; want gij zult niet vrezen: en van verschrikking; want het zal tot u niet naderen. Ziet, zij zullen voorzeker zich vergaderen, door niet door Mij: wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen¼en iedere tong die tegen u in het gericht zal opstaan, zult gij veroordelen.” Jes. 54:14, 15,17.{K.J.V.} {TN2: 14.2}

14

Deze symbolisch voorzegde kerk kan niet het Koninkrijk in de “Nieuwe Aarde” zijn, want dan zal er geen goddeloze zijn om zich ertegen te vergaderen, terwijl tegen deze kerk zich vergaderen de goddelozen, welke zij zal “veroordelen.” En als zij ze zal veroordelen, dan zijn ze niet veroordeeld voordat zij zich tegen haar verzamelen. {TN2: 15.1}

“Gekleed met het harnas van Christus’ gerechtigheid, zal de kerk ingaan tot haar laatste strijd. ‘Schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren, ‘ zal zij voortgaan over de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.”-Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz. 445}.{TN2: 15.2}

“Gekleed in het volledige harnas van licht en gerechtigheid, nadert zij tot haar laatste strijd. Het afval, het waardeloze materiaal, zal verteerd worden, en de invloed van de waarheid getuigt tot de wereld van haar reinigende, veredelende karakter.”-Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten},blz.17. {TN2: 15.3}

“Daarom zullen uw poorten gedurig open zijn; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; opdat  men tot u kan brengen de vermogens van de Heidenen en dat hun koningen kunnen worden gebracht. Want de natie en het koninkrijk dat u niet zal dienen zal vergaan: ja, die natiën zullen volkomen verwoest worden.” Jes. 60:11,12{K.J.V.} {TN2: 15.4}

De kerk die hier wordt beschreven in deze paragraven is vanzelfsprekend niet de kerk in haar Laodiceese staat – “noch koud noch heet,”en

15

op het punt staande uitgespuwd te worden(Openb.3:16). En aangezien de symbolische bergen van koper gelijk zijn, daar er geen verschil tussen hen is, zal de tweede “berg”daarom niet minder zijn in macht en reinheid dan datgene wat de eerste “berg”kenmerkte, de eerste Christelijke kerk, waarvan er een glimp zal worden opgevangen van uit de volgende schriftgedeelten: {TN2: 15.5}

“En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind in één plaats. En zij waren vervuld met de Heilige Geest¼en diezelfde dag werden er aan hen toegevoegd ongeveer drieduizend zielen. En de Here voegde dagelijks aan de kerk toe degenen, die gered zouden worden.”De Handelingen 2: 1,4,41,47{K.J.V.}. {TN2: 16.1}

Maar een zekere man genaamd Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een bezit, en hield een deel van de prijs achter¼Maar Petrus zeide: Ananias, waarom heeft Satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest, en een deel van de prijs van het land achter te houden?…En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest. ¼En het was na verloop van ongeveer drie uren daarna, dat zijn vrouw,¼.inkwam. Toen zeide Petrus tot haar: Hoe hebt gij samen kunnen overeenkomen om de Geest des Heren te verzoeken?…En zij viel terstond neer voor zijn voeten, en gaf de geest.”De Handelingen 5:1-3,5,7,9,10. {TN2: 16.2}

16

Is er enige vergelijking tussen de kerk die wordt beschreven in de Handelingen en die van de tegenwoordige tijd? Waar is de kracht van de Heilige Geest in de kerk van vandaag? In de vroegere kerk was iedereen Ermee vervuld! Waar lezen wij dat de apostelen ooit trachtten financiële doelen te bereiken? Maar hoe vaak horen wij dat velen van degenen die vandaag tot de kerk worden binnengebracht, eruit gaan. En hoe weinigen van zij die achterblijven zijn werkelijk bekeerd tot de Waarheid. En waarom zulk een treurige verkwisting, zulk een armzielig verlies? En waarom zoveel onkruid dat de tarwe verstikt? Jezus zegt: “Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide het onkruid temidden van de tarwe, en ging zijns weegs.”Matt. 13:25. Waarom? – klaarblijkelijk omdat de wachters op de muren van Sion slapen. (Zie Testimonies, Vol. 5, blz.235{Getuigenissen, Deel 5, blz. 191}.) {TN2: 17.1}

Het licht werpend op deze toestand, zegt de Geest der Profetie: “Welke grotere misleiding kan het verstand der mensen bevangen dan een zekerheid dat zij allen gelijk hebben, terwijl zij allen het verkeerd hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een beklagenswaardige misleiding, doch oprecht in die misleiding. Zij weten niet dat hun toestand betreurenswaardig is in Gods ogen. Terwijl de geadresseerden zichzelf vleien dat zij in een verheven geestelijke toestand verkeren, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid door de alarmerende veroordeling van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede, en ellendigheid. Het getuigenis, die zo doorsnijdend en scherp is, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige

17

die spreekt, en Zijn getuigenis moet correct zijn.”-Testimonies, Vol.3{ Getuigenissen, Deel 3},blz.252,253. {TN2: 17.2}

Met bazuinklank maken deze al te duidelijke feiten bekend dat de kerk, die in haar huidige toestand zo anders is dan de eerste Christelijke kerk, daarom niet geïllustreerd kan worden door hetzelfde symbool als zij dat werd. Aangezien dus de kerk zo ver af is van het gelijken op de eerste kerk zoals de duisternis dat is van het licht, dan moet de heilige kerk van God, gesymboliseerd door de tweede berg van koper, nog in de toekomst zijn. Laat ons daarom God prijzen, dat wij nu binnen ons bereik hebben de heerlijkheid van

De Zegevierende Kerk! {TN2: 18.1}

Wanneer zal de kerk werkelijk Gods Woonplaats worden? Door menselijk pogen is het net zo onmogelijk om een verandering tot stand te brengen als het is om de oceaan droog te leggen. Alleen God kan dit doen. Maar wanneer Hij dat doet, dan zal Hij zeker een schoon werk ervan maken: {TN2: 18.2}

“En Ik zal, “zegt Hij, “hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik zal hen van kinderen beroven, Ik zal Mijn volk verdelgen, omdat zij zich niet afkeren van hun wegen.” Jer.15:7. {TN2: 18.3}

Zijn “wan is in Zijn hand, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn tarwe in de schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.” Matt.3:12. {TN2: 18.4}

“Ik zag dat de Heer Zijn zwaard aan het wetten{scherpen} was in de hemel, om hen ten onder te snijden. Och,

18

dat iedere lauwe belijder zich kon realiseren het reinigingswerk dat God op het punt staat te doen onder Zijn belijdend volk.” -Testimonies, Vol.1{Getuigenissen, Deel 1}, blz.190. {TN2: 18.5}

“De Heer zal werken om Zijn kerk te reinigen. Ik vertel u in waarheid, dat de Heer op het punt staat de instellingen die naar Zijn naam zijn genoemd, te keren en om te keren. Hoe spoedig dit zuiveringsproces zal beginnen, kan ik niet zeggen, maar het zal niet lang uitgesteld worden. Hij, wiens wan in Zijn hand is, zal Zijn tempel reinigen van haar zedelijke vervuiling. Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.” Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz. 373. {TN2: 19.1}

“De tijd is aangebroken voor ernstige en krachtige pogingen om de kerk te ontdoen van het slijk en vuiligheid welke haar reinheid bezoedelt.” -Idem, blz. 450. {TN2: 19.2}

Zeg niet, mijn broeders en zusters: “Het gezicht, dat hij ziet, is voor vele komende dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.” Want “de dagen zijn nabij, en de werking van ieder gezicht.” Ezech.12:27,23{K.J.V.}. “Om Sions wil zal Ik niet stil zijn, en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat de gerechtigheid daarvan zal voortgaan als een glans, en de verlossing daarvan als een lamp, die brandt.” Jes.62:1{K.J.V.}. {TN2: 19.3}

“Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal een zuiver en waarachtig volk hebben. In de grote zifting die spoedig zal plaatsvinden, zullen wij beter

19

in staat zijn de sterkte van Israël te meten¼.Zij die vertrouwd hebben op intellect, genie en talent, zullen niet¼aan het hoofd staan van rang en gelid” (Testimonies, Vol.5, blz.80{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}),

Wanneer De Kerk Op Gepaste Wijze Wordt Voorgesteld Door De Bergen. {TN2: 19.4}

Hoewel de tijd van dit ernstig werk -een onderwerp van voornaamst belang voor de kerk van God op dit kritisch moment -duidelijk wordt voortgezet in de Bijbel en de Geest der Profetie, toch is het, ironisch genoeg, een zaak waaraan er weinig gedacht en weinig begrepen wordt door de mensen in de desbetreffende kerk. Daarom zullen wij op dit moment verder onderzoek erover doen. {TN2: 20.1}

Onder de bevoegdheid van Inspiratie, schreef de profeet Jesaja: “Want door vuur en door Zijn zwaard zal de Here pleiten met alle vlees: en de verslagenen des Heren zullen velen zijn¼En Ik zal hen, die van hen ontkomen zijn, zenden tot de natiën,¼en zij zullen al uw broeders brengen¼in een rein vat tot het huis des Heren.” Jes.66:16,19,20{K.J.V.}. {TN2: 20.2}

Merk op dat deze profetische woorden zeggen dat zij die “ontkomen” zijn onder “de verslagenen des Heren” zullen worden gezonden “tot de natiën,” en dat zij “zullen [Zijn]heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En¼ zullen al [hun] broeders brengen¼uit alle natiën.” {TN2: 20.3}

20

Aangezien dit wereldwijde werk van verzameling niet gedaan kan worden nadat de genadetijd is gesloten, moet u de vijand u niet laten misleiden “met goede woorden en mooie preken.” Toon hem dat hij deze geïnspireerde passages niet op een andere manier kan uitleggen, en toch zijn uitlegging in overeenstemming te laten zijn met wat de Heer heeft gezegd in het voorafgaande schriftgedeelte evenals in de volgende verklaring van de Geest der Profetie: {TN2: 21.1}

“Terwijl het onderzoekend oordeel voortgaat in de hemel¼zal er een bijzonder werk van reiniging zijn¼onder Gods volk op aarde¼Dan zal de gemeente, welke de Heer tot Zich zal nemen bij Zijn komst, zijn ‘een heerlijke gemeente, hebbende geen vlek, of rimpel, of iets dergelijks.’ Dan zal zij voortkomen ‘als de morgen, schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijsbanieren.’” -The Great Controversy, blz.725{De Grote Strijd, blz.445}.{TN2: 21.2}

Deze verklaring van de Geest der Profetie geeft ook duidelijk aan dat de reiniging plaatsvindt voordat de genadetijd afsluit, of “terwijl het onderzoekend oordeel voortgaat in de hemel, “ en dat de kerk dan, schoon en vlekkeloos, zal uitgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen. (Prophets and Kings, blz.725 {Profeten en Koningen, blz. 445}). {TN2: 21.3}

Broeder, zuster, staat niet op tegen deze boodschap van uitredding, en door zo te doen u te voegen bij de gelederen van de vijand, die het onkruid zaaide in de kerk, en die vastbesloten is om hen daarin te houden, want hij weet

21

dat met een gereinigde kerk, zijn macht zal worden verbrijzeld, en de barrières die hij ertegen heeft opgericht aan stukken vergruisd zullen worden! Inderdaad, “wij hoeven nooit te verwachten dat wanneer de Heer licht heeft voor Zijn volk, Satan er rustig bij zal staan, en geen poging zal doen om te voorkomen dat zij het zullen ontvangen. Hij zal op het verstand werken om wantrouwen en jaloezie en ongeloof op te wekken.” -Testimonies, Vol. 5, blz.728{Getuigenissen, Deel 5, blz. 592}. {TN2: 21.4}

Uit de bewijzen die zijn aangehaald, torenen de feiten zich uit dat  de reiniging plaatsvindt voordat het werk van het evangelie is volbracht in welk deel dan ook van de wereld: want zij die de slachting “ontkomen” worden gezonden  om “al [hun] broeders {te} brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën.” Het is dan noodzakelijk, dat de vervulling van dit “bijzonder werk van reiniging” voorafgaat aan de aanvang van “De Luide Roep.” Het dubbele afdoende bewijs hiervan is dat de Geest der Profetie verklaart dat “het ware volk van God, dat de geest en het werk van de Heer(..)heeft, zal altijd aan de kant staan van een getrouwe en eenvoudige afhandeling met zonden¼In het bijzonder in het afsluitingswerk voor de kerk, in de verzegelingtijd van de honderd vierenveertig duizend¼” Dit bijzonder werk van reiniging en “verzegeling van de dienstknechten Gods is dezelfde die aan Ezechiël in een visioen werd getoond.” -Testimonies, Vol.3{Getuigenissen, Deel 3}, blz.266;Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz.445. {TN2: 22.1}

Het visioen van Ezechiël openbaart dat zij die “zuchten en uitroepen voor al de gruwelen die

22

bedreven worden in het midden daarvan”(de kerk) worden gemerkt, of verzegeld, en dat de mannen met “slachtwapens” dan “doden volkomen oud en jong, beide maagden en kleine kinderen en vrouwen” die het merkteken niet hebben. De reiniging van de kerk, is daarom een scheiding van de zondaars van het ware volk van God.Tegen de tijd van de vervulling ervan, in de ogenblikkelijke toekomst, ontvangen de 144.000 het zegel, of teken, ontkomen van de slachting, worden de “dienstknechten van God,” en gaan voort tot de natiën om het werk te volbrengen. Dit maakt hun tot de “eerste vruchten” van de levenden die opgenomen zullen worden, en “al hun broeders” die zij binnenbrengen (de “grote schare” van Openbaring 7, vers 9), de tweede vruchten van de levenden die opgenomen zullen worden: want waar er geen tweede vruchten zijn, kunnen er ook geen eerste zijn. (Voor meer licht over dit onderwerp, lees Traktaat Nr.1, Hetgeen Extra Vooraf Gaat aan het Elfde Uur {Tract No.1, Pre-“Eleventh Hour” Exrta!}) {TN2: 22.2}

Broeders en zusters, wij moeten “zuchten en uitroepen” tegen de zonden in de kerk; niet tegen de boodschap die ons zal verzegelen voor opname en ons tot een volk zal maken, die op passende wijze wordt gesymboliseerd door de bergen van koper. Uw zuchten en uitroepen voor de gruwelen bedreven in haar “midden”, maakt u geschikt voor het “teken”; maar als u zou trachten de gruwelen te bedekken, dan zult u vallen onder de slachtwapens van de engelen. De kerk zal gereinigd en schoon en geschikt gemaakt worden, om Gods Woonplaats te zijn. Zij kan op geen andere manier geïdentificeerd worden als de

23

“berg van koper,” het symbool van standvastigheid{duurzaamheid}. Dit is de kerk die zal “ingaan tot haar laatste strijd,” en de ene waarop de draak “toornig” zal zijn: want de symbolische “vrouw” en “haar zaad,” bewaren als een lichaam de geboden van God en hebben de “getuigenis van Jezus Christus.” Openb.12:17{K.J.V.} {TN2: 23.1}

Hebbende volledig opgehelderd het eerste gedeelte van Zacharia’s symbolisme, richten wij nu aandacht tot

Het Vallei Tussen De Twee Bergen. {TN2: 24.1}

De waarheid stevig vastgesteld hebbende, dat de eerste Christelijke kerk wordt voorgesteld door één van de “koperen bergen,” en de kerk die het evangeliewerk afsluit door de andere, dan volgt het als een logische aaneenschakeling dat het vallei{dal} dat er tussen ligt, van waaruit de vier wagens komen, een voorstelling moet zijn van de periode vanaf de ene kerk tot de ander. Het volgende symbolisme om dan in beschouwing te nemen, zijn

De Vier Wagens. {TN2: 24.2}

De profeet Zacharia zegt: “Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEREN.” Zach.14:20. Als symbolen die verscheidene lessen illustreren, worden paarden op een zeer uitstekende wijze in de Schriften gebruikt, zijnde natuurlijk, in elk geval uitstekend aangepast op de omstandigheid of situatie. In dit verband, stellen zij mensen voor, want de klank van hun “bellen” is “DE HEILIGHEID

24

DES HEREN”; terwijl “de krampachtige, onregelmatige bewegingen van sommigen die beweren Christenen te zijn, wordt op herkenbare wijze voorgesteld door het werk van sterke, maar ongeoefende paarden. Wanneer de één naar voren trekt, trekt een ander naar achteren.” -Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz. 489, 490. {TN2: 24.3}

Deze symbolische “paarden” beschrijven daarom elk een zekere klasse mensen, in verband staande met de kerk. En wegens het feit dat elke groep een wagen leidt, kunnen zij alleen een klasse kerkleiders aanduiden. De wagens moeten dus op enige wijze beschrijven de kerklidmaatschap welke de symbolische paarden leiden. Bovendien, op Zacharia’s vraag: “Wat zijn deze, mijn heer?…antwoordde de engel, en zeide: ¼Deze zijn de vier geesten des hemels, welke voortgaan van waar zij  stonden voor de Here van de ganse aarde.” Zach. 6: 4,5. Vandaar dat deze symbolisme staat voor door de hemel geschapen boodschappen die worden gedragen door de kerk op aarde. En aangezien de boodschap zelfuitleggend is, dan beantwoordt het de vraag:

Waarom een Wagen als Symbool voor een Kerk? {TN2: 25.1}

De Schriften symboliseren Gods kerk met verscheidene aardse voorwerpen. Ter illustratie: “Te dien dage,” zegt de Heer, “zal Ik Jeruzalem maken tot een laststeen voor alle volken: allen die zichzelf ermee belasten zullen aan stukken gesneden worden.” Zach,12:3{K.J.V.}. “Gij zult ook een kroon der heerlijkheid zijn in de hand des Heren.” Jes. 62:3. “En

25

 de zeven kandelaren die gij zag, zijn de zeven gemeenten.” Openb.1:20. {TN2: 25.2}

Hetzelfde voorwerp kan niet op volmaakte wijze de kerk beschrijven onder verscheidene situaties en omstandigheden en verhoudingen. Bijvoorbeeld, de kerk die Christus baarde (Openb.12:1,2) kan enerzijds niet op gepaste wijze worden gesymboliseerd door een wagen, maar eerder alleen door een vrouw, terwijl anderzijds de kerk, waarmee God de natiën zal breken, niet op gepaste wijze kan worden vergeleken met een vrouw, maar eerder met een “steen”(Dan.2:45), of een “bijl.” Jer.51:20. Voor een kerk in haar werk van het vergaderen van zielen, is het meest passende symbool een “wagen,” en voor haar leiding, vanzelfsprekend “paarden.” {TN2: 26.1}

Aangezien er, in de symbolisatie die vóór ons is, vier wagens zijn om geïdentificeerd te worden, moeten wij daarom elk één apart in beschouwing nemen, beginnend met

De Eerste Wagen. {TN2: 26.2}

De ononderbroken volgorde van de wagens toont aan een reeks van evangelische gebeurtenissen. “Aan de eerste wagen waren rode paarden.” Dat de kleur rood staat voor bloedvergieten, bevestigt de Geest der Profetie: “Terwijl wij doorreisden, ontmoetten wij een gezelschap¼Ik bemerkte als een rode zoom aan hun klederen¼Ik vroeg Jezus wie zij waren. Hij zei dat zij martelaren waren die voor Hem waren gedood.”– Early Writings, blz. 18,19{Eerste Geschriften, blz.10,11}. De rode zoom aan de klederen van dit gezelschap

26

 zijnde symbolisch voor marteling, dan geeft de rode kleur van de “paarden” klaarblijkelijk aan de gemartelde leiders van de kerk vóór 538 N.Chr. {TN2: 26.3}

Ter beantwoording op de vraag van Zacharia betreffende wie de paarden waren en waar zij heengingen, antwoordde de engel: “De zwarte paarden die daaraan zijn gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, hen achterna; en de gevlekte paarden gaan uit naar het Zuiderland. En de voskleurige {sterke} paarden gingen uit, en trachtten te gaan opdat zij de aarde konden doorwandelen.” Zach. 6:6,7. Hoewel  het antwoord van de engel de respectievelijke richtingen vrijgeeft waarheen de zwarte, witte, gevlekte, en voskleurige paarden gingen, verzuimt het de geringste opmerking te maken over de rode paarden, aldus richtend op de slotsom dat de rode paarden waren gemarteld en nergens heengingen in zoverre het hun uiteindelijke bestemming betreft. Daar dit duidelijk is, is onze volgende stap logischerwijs, om te identificeren

De Tweede Wagen. {TN2: 27.1}

“En aan de tweede wagen {waren} zwarte paarden.” Over het algemeen gesproken, is de figuurlijke betekenis van “zwart” slavernij. Aangezien dus de marteling van de eerste Christelijke kerk  werd gevolgd door de Duistere Middeleeuwen van godsdienst, van 538 N.Chr. tot 1798 N.Chr., dan is het duidelijk, dat de wagen met de zwarte paarden de kerk en haar leiding voorstelt gedurende deze lange profetische periode in de Kerkelijke Romeinse slavernij. Dit feit wordt bevestigd door de uitlegging van de engel van de

27

 bestemming van de paarden: “De zwarte paarden,” zei hij, “¼gaan uit naar het Noorderland.”  En “het Noorderland” is de Bijbelse term voor het vroegere Babylon, zoals er snel wordt gezien uit de volgende schriftgedeelten: {TN2: 27.2}

“¼zegt de Here God; ¼Ik zal Nebukadnezzar, de koning van Babylon, ¼van het noorden¼brengen.” Ezech.26:7.” Nogmaals: Toen de Joden terugkeerden van Babylon naar Jeruzalem, sprak God door Zijn profeet Zacharia, zeggende: “Oh, Oh, komt voort, en vlucht uit het land van het noorden” (Zach.2:6), aldus Babylon identificerend als “ het Noorderland.” Maar aangezien wij te maken hebben met de vervulling van profetie in de periode van het Nieuwe Testament, dan moet het Noorderland in dit verband het antitypische Babylon zijn -het Christelijk gemaakte Rome -waarheen Gods volk gedurende de periode van het Nieuwe Testament is gegaan. Deze scherp omlijnde waarheid betreffende de tweede wagen, leidt ons tot de uiteenzetting van

De Derde Wagen. {TN2: 28.1}

En er waren “aan de derde wagen witte paarden.” Aangezien zwart slavernij betekent, dan moet wit, zijnde het tegenovergestelde van zwart, vrijheid aanduiden. Daarom, moeten de witte paarden met hun wagen een voorstelling zijn van de kerk die volgt na haar 1260 jaren periode van Romeinse slavernij. De engel zei tot Zacharia: “De witte gaan uit achter” de zwarte paarden, naar het Noorderland. De witte wagen stelt daarom

28

 een vrije kerk voor, die een van de hemel gezonden boodschap uitdroeg tot het Noorderland, kort na 1798 N.Chr., in een tijd van vrijheid. De enige soortgelijke boodschap die opgetekend wordt gevonden, is dat van de Millerieten beweging, waarvan wij lezen: {TN2: 28.2}

“Aan William Miller en zijn medearbeiders was het gegeven om de waarschuwing te verkondigen in Amerika. Dit land werd het middelpunt van de grote Advent Beweging¼De geschriften van Miller en zijn medewerkers werden vervoerd naar verre landen. over de gehele wereld, waar dan ook de zendelingen hadden binnengedrongen, werd het goede nieuws van Christus’ spoedige wederkomst verzonden.” -The Great Controversy, blz.368{De Grote Strijd, blz.343}. {TN2: 29.1}

Maar hoewel “de witte paarden” naar het “Noorderland” gingen, waren de Millerieten, of “Eerste Advent Beweging,” niet in antwoord op de roeping, “kom uit van haar, Mijn volk.”  Dit wordt duidelijk gemaakt door de eigen woorden van Miller: “Tijdens al mijn werk¼had ik nooit ernaar verlangd of eraan gedacht om enige apart belang te vestigen van die van de bestaande kerkgenootschappen, of om één te bevoordelen ten koste van een andere. Mijn gedachte was om voor allen nuttig te zijn.”The Great Controversy, blz.375{De Grote Strijd, blz.351}. {TN2: 29.2}

De beëindigende openbaring is:”Zie, dezen die uitgaan naar het Noorderland, hebben Mijn Geest tot rust gebracht in het Noorderland.” Zach.6:8. Nadat de waarschuwende boodschap door de Millerieten beweging werd verworpen door de kerken, ter vervulling van de woorden,”hebben Mijn Geest tot rust gebracht in het

29

 Noorderland,” onttrok God Zijn Geest van hen. Als bewijs hiervan, kondigde “de Tweede Engel” aan: “Babylon is gevallen.” Openb.14:8. {TN2: 29.3}

De voorafgaande keten van feiten die de eerste drie symbolische “wagens” omgeven, toont aan dat de reeks van evangelische gebeurtenissen die zij omvatten, eindigden met de Millerieten beweging in 1844 N.Chr. En het toegevoegde feit dat de “witte” kleur van de “paarden “ ook reinheid aangeeft, toont aan dat de “derde wagen” een voorstelling is van de kerk die van al de zeven kerken de enige is die wit is, zonder veroordeling-de gemeente Filadelfia (Openb. 3:7). {TN2: 30.1}

Het Woord van God is vol betekenis; de diepte ervan is ondoorgrondelijk; en de waarheid ervan, is als de golven die altijd de kuststrook verbreken, de kust des levens bespoelend met nooit ophoudende golven, waarvan één het feit inbrengt dat de Millerieten gemeente “Filadelfia” wordt genoemd, niet slechts bijkomstig was. De naam, wat “broederlijke liefde” betekent, was goddelijk ontworpen, en zal, in de gehele Christelijke tijdperk, op geen andere kerkelijke organisatie toepasselijk zijn dan de die van de Millerieten-de enige {kerk} die zich niet schuldig heeft gemaakt aan het uitwerpen van haar broeders en zusters voor het horen naar een boodschap van God, of aan het beperken van hun godsdienstige vrijheid om voor zichzelf welke beweerde waarheid dan ook te onderzoeken!  Zij alleen, staat daarom vrij van de schuld en veroordeling die wordt benadrukt in de aanklacht van de Heer: {TN2: 30.2}

30

“Hoort het woord des Heren, gij die voor Zijn woord beeft; Uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijn Naams wil, zeiden: Laat de Here verheerlijkt worden: maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd zijn.” Jes. 66:5{K.J.V.}. Deze door de hemel veroordeelde, omdat zij zichzelf aangesteld hebben, rechters, gingen zelf niet binnen, en zij die binnengingen, hielden zij tegen (Lukas 11:52). Ter herhaling: De Millerieten, of “Eerste Advent Beweging,”  zijnde de enige die nooit welke broeder dan ook van hen heeft uitgeworpen, is dus de enige kerk die voorgesteld kan worden door de witte wagen, en de enige die waardig is tot de naam “Filadelfia”– “broederlijke liefde.” {TN2: 31.1}

Alle zeven van deze antitypische kerken (Openb. 2 en 3) begonnen goed, mar vroeg of laat slaagde Satan erin om in elke van hen opeenvolgend een vloed van satanische werktuigen (figuurlijk gesproken, het “onkruid”) binnen te brengen in een kleed van belijdende gelovigen van de Waarheid. In het bijzonder is dit het geval geweest met de geestelijke leiding, door wie hij in staat is geweest om gehele kerken op een dwaalspoor te leiden. En altijd zijn sommigen van de leden die hebben geweigerd de leiding van mensen te volgen in plaats van dat van Christus, eruit geworpen. Inderdaad, wanneer dan ook God een boodschap zendt naar Zijn kerk, heeft de geestelijke leiding, in plaats van de boodschappers bij te staan en te helpen de boodschap tot het volk te brengen, ertegen gestreden, haast als een eenheid in de weg staande ervan, zodat het de mensen niet bereikt! Aantonend hoe de geestelijke leiding probeerde de “Eerste Advent Boodschap”

31

 uit te blussen, en hoe zij de leken vervolgden die het waagden de preken van Miller bij te wonen, zegt de kerkelijke geschiedenis: {TN2: 31.2}

“Maar toen bedienaren en godsdienstige leiders een besluit namen tegen de adventleer, ernaar verlangden alle opschudding rond het onderwerp te onderdrukken, stonden zij het niet alleen tegen vanaf het kansel, maar ontzegden hun leden ook het voorrecht om predikaties over de tweede advent  bij te wonen, of zelfs te spreken over hun hoop in de sociale bijeenkomsten van de kerk.” “¼Daarom werd het grotendeels toevertrouwd aan nederige leken. Boeren verlieten hun velden, monteurs hun werktuigen, handelaren hun handelswaar, vaklieden hun beroep; en toch was het aantal werkers klein in vergelijking met het werk dat moest worden volbracht.” – The Great Controversy, blz. 376,368{De Grote Strijd, blz.351,352, 344}. {TN2: 32.1}

“Het werk was niet gegrondvest op de wijsheid van geleerde mensen, maar op de kracht Gods. Het waren niet de meest getalenteerde mensen, maar de meest nederige en toegewijde mensen, die het eerst de oproep hoorden en gehoorzaamden¼zij die voorheen leidden in de zaak behoorden tot de laatsten die zich bij de beweging aansloten.”-The Great Controversy, blz. 402{De Grote Strijd, blz. 375,376}.

“Het feit dat de boodschap voor een groot deel werd gepredikt door leken werd aangemoedigd als een argument ten ongunste ervan. Zoals van ouds, werd de duidelijke getuigenis van Gods Woord ontmoet met de ondervraging: ‘Hebben enigen van de regeerders of  van de Farizeeërs het geloofd?’…Menigten, die zonder bezwaren vertrouwden op hun predikanten,  weigerden te luisteren naar de waarschuwing;

32

en anderen, hoewel zij overtuigd waren van de waarheid, waagden niet het te belijden, opdat zij niet “uit de synagoge gezet” zouden worden.”-The Great Controversy, blz. 380{De Grote Strijd, blz.355}. {TN2: 32.2}

“De ware volgelingen van Christus¼wachten niet totdat de waarheid populair wordt. Overtuigd zijnde van hun plicht, aanvaarden zij moedwillig het kruis.” – The Great Controversy, blz. 460{De Grote Strijd, blz.426}. “De halfhartigen en oppervlakkigen konden niet langer steunen op het geloof van hun broeders.” — The Great Controversy, blz. 395{De Grote Strijd, blz.370}. “In plaats van hetgeen zij niet begrijpen in twijfel te trekken en te bekritiseren, laten zij gehoor geven aan het licht dat reeds op hen schijnt, dan zullen zij groter licht ontvangen.” — The Great Controversy, blz. 528{De Grote Strijd, blz.485}. {TN2: 33.1}

“Er is altijd een groep mensen geweest die belijden godsvruchtig te zijn, die, in plaats van na te volgen om de waarheid te weten, het tot hun religie maken om enige karakterfout of dwaling in het geloof te vinden bij degenen waarmee zij het niet eens zijn. Dezulken zijn helpers van Satan, die aan zijn rechterhand staan.” — The Great Controversy, blz. 519{De Grote Strijd, blz.478}.{TN2: 33.2}

“Allen die naar haken zoeken om hun twijfels daaraan op te hangen, zullen die vinden. En zij die weigeren Gods woord  aan te nemen en te gehoorzamen totdat elk bezwaar is weggenomen, en er niet langer een mogelijkheid is voor twijfel, zullen nooit tot het licht komen.”– The Great Controversy, blz. 527{De Grote Strijd, blz.485}.{TN2: 33.3}

Van al “de zeven gemeenten” (Openb. 2 en 3), is alleen de gemeente Filadelfia (de Millerieten) niet in de problemen geraakt door deze zelfde satanische praktijken. Altijd getrouw zijnde aan God, sloot het haar korte maar vlekkeloze loopbaan af in 1844, haar

33

aangewezen bestemming. Door haar gehele leven te hebben geleefd onder het persoonlijke toezicht van haar oprichter, werd het nooit opnieuw gevormd. Aldus zijnde zonder veroordeling, zoals op volmaakte wijze wordt geïllustreerd door de derde “wagen”, en zijn “witte paarden,” steekt zij in stoutmoedig reliëf uit tegen de opvolgende beweging, voorgesteld door

De Vierde Wagen. {TN2: 33.4}

Aangezien de eerste drie “wagens” de geschiedenis van de kerk behelzen tot aan 1844 N.Chr., dan moet de vierde een daarna volgende kerkelijke organisatie voorstellen – een opvolger  van de Millerieten, of Filadelfia gemeente. De laatste van “de zeven gemeenten,” de gemeente der “Laodiceeërs,” is daarom noodzakelijkerwijs de ene die wordt gesymboliseerd door de vierde “wagen.” {TN2: 34.1}

Temidden van de multi-sektarische verwarring dat zich te ver spreidt over het gehele Christendom in de tegenwoordige tijd, kan het moeilijk toeschijnen om de Laodiceeërs  te onderscheid en van de rest. Maar de grote Ontwerper van typen en symbolen, de Ene Die, het einde vanaf het begin ziende, aldus voorzag wat de toestand en het werk van de laatste van “de zeven gemeenten” zou zijn, moet daarom door Zijn Woord in staat zijn om deze kerk uit de menigte van kerken uit te zoeken, en het te plaatsen als een vuurtoren, doorschijnend in het donkerste uur van de nacht. {TN2: 34.2}

Maar zelfs zoals Satan vastbesloten pogingen deed om de naam  “Filadelfia” verkeerd te gebruiken, en aldus het uit het gezicht weg te benevelen

34

en maken dat het onopgemerkt {voorbij}ging, alzo heeft hij in verwarring gebracht

De Naam van de Laatste Wagen. {TN2: 34.3}

Net zoals de naam “Filadelfia” past op slechts één kerkelijke organisatie, en op slechts één van de wagens, alzo kan de naam “Laodiceeërs” logischerwijs op slechts één van de wagens en slechts één kerkgenootschap passen. Het woord zelf, is afgeleid van het Griekse woord: Lego-dikean, wat betekent: “verkondigende oordeel.” Na het voorval van de gemeente Filadelfia, moet er daarom een gemeente zijn die oordeel verkondigt. En het is een historisch feit dat in 1844 N.Chr., juist in het jaar dat de Millerieten beweging aan het einde kwam van haar toegewezen koers, er een nieuwe beweging opkwam, het Zevende-dags Adventistische kerkgenootschap, verkondigend: “Vrees God, en geef Hem eer; want de ure van Zijn oordeel is gekomen.” Openb. 14:7. {TN2: 35.1}

Ondanks het onbenijdenswaardig verslag van de Laodiceese gemeente, verklaart de grondlegger van haar beweging, anders dan de grondleggers van andere bewegingen, eerlijk in Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, blz.252: “De boodschap aan de gemeente van de Laodiceeërs is een opzienbarende berisping, en is van toepassing op het volk van God in de huidige tijd” – de Zevende-dags Adventisten. Het oordeel verkondigend, evenals zich bevindend in de ongedane toestand zoals is beschreven, is de Z.D.A. gemeente de enige die rechtmatig kan worden genoemd “Laodiceeër,“-Verkondigend Oordeel. Wat een absolute gelijke tussen beschrijving en toestand{conditie,situatie}!

35

O, maak met mij de Here groot, en laat ons tezamen Zijn naam verheffen,” want Hij heeft “[Zijn] Woord grootgemaakt boven gans [Zijn] naam.” Ps. 34:2;138:2{K.J.V.}. {TN2: 35.2}

Aangezien zowel de derde als de Filadelfia gemeente zijn geïdentificeerd als voorstellende de Millerieten beweging, en ook aangezien de Laodiceese gemeente is geïdentificeerd als voorstellende de Zevende-dags Adventistische beweging, dan is het onbetwistbaar gevolg dat de “vierde wagen,” de laatste van de wagens, een voorstelling is van de Z.D.A. kerk – de Laodiceese. {TN2: 36.1}

Als deze toepassing nu van “de wagen” verkeerd is, dan is vanzelfsprekend het eenvoudige en duidelijke bewijs, dat het niet passend kan worden gemaakt om te passen bij de Z.D.A gemeente, maar als het juist is, dan kan het, op dezelfde manier, niet passend gemaakt worden om bij welke andere gemeente dan ook te passen dan bij de Adventisten gemeente: want de goddelijke symbolen zijn op volmaakte wijze ontworpen om bij slechts één voorwerp te passen. De laatste test van de uitlegging die hier wordt gegeven, is daarom de overtuigendheid van het tegenstrijdige gedeelte van het symbolisme-

De Gevlekte en de Voskleurige – Dubbele Leiderschap. {TN2: 36.2}

En aan de “vierde wagen” waren “gevlekte en voskleurige paarden.” Het afwijkende {abnormale}gedeelte van deze symbolische profetie is, duidelijk gezien, dat de vierde wagen, anders dan de andere drie, een dubbele span paarden heeft. Maar

36

het meest fascinerende betreffende het gehele symbolisme, is het tegenstrijdige feit dat de gevlekte “naar het Zuiderland” gingen, en de voskleurige gingen uit, en “..doorwandelden de aarde”! Zach.6:6,7. De gevlekte gaan één kant op, en de voskleurige een andere kant, en toch trekken zij beiden aan dezelfde wagen! {TN2: 36.3}

Het is dan duidelijk, dat deze vreemde omstandigheid een speciale les van tegenwoordige waarheid moet inhouden die van groot belang is voor de kerk van God op het huidige uur, wanneer het visioen is opengelegd en de waarheid ontvouwd, de tijd waarin de kerke wordt geconfronteerd met een vreemd en verwarrend probleem, welke menselijke wijsheid niet in staat is op te lossen. {TN2: 37.1}

De verschillende spannen die gekoppeld zijn aan de vierde wagen, elk trekkend naar een andere richting dan van de ander, tonen niet alleen aan dat er en dubbele leiderschap is in de Laodiceese kerk, maar ook dat de ene weerstand biedt tegen de ander in karakter evenals in doel. Aangezien deze situatie vreemd is, zullen de wijzen het goed in beschouwing nemen. Gezien hebbende dat het Woord van God het heeft gesproken, en dat het symbolisme op volmaakte wijze de wedstrijd beschrijft welke juist voor hun ogen plaatsvindt, zullen zij vasthoudend de waarheid aangrijpen. {TN2: 37.2}

Voor de verklaring nu van het hoogtepunt bereikende en raadselachtige gedeelte van deze symbolisatie, moeten wij gaan naar het verslag van het verleden en heden van de Laodiceese gemeente. Aangezien de

37

 boodschap aan iedere kerk is gericht tot de “engel” die verantwoording heeft  de kandelaar (de kerk, Openb.1:20), werd Johannes geïnstrueerd: “En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodiceeërs.” Openb.3:14{K.J.V.}. Maar deze engel kan geen hemelse engel zijn, want hij is schuldig: “Noch koud, noch heet,” maar “jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt” “en weet niet.” Openb.3:16,17. Wat anders zou deze engel kunnen zijn dan een aardse, die verantwoordelijkheid is gegeven over de “kandelaar”? Het is daarom duidelijk, dat hij en de dienstknecht “die de Here als heerser over zijn huishouden heeft gesteld, om hen voedsel op zijn tijd te geven” (Matt. 24:45) identiek zijn, waarvan beiden de leiding van de kerk voorstellen, niet het lidmaatschap. {TN2: 37.3}

Een ieder die een redelijke kennis heeft van de Schriften, zou moeten weten dat God Zijn werk op aarde niet kan afronden met een “jammerlijke, en ellendige, en arme, en blinde, en naakte” leiding; en wat erger is, één die zelfs haar conditie {situatie} niet kent. Zij die de overweldigende goddeloosheid overal verontschuldigen, zijn niet Gods ware volk; zij zijn het “onkruid,” het zaad van de Boze. {TN2: 38.1}

“De boodschap die God zendt door middel van Zijn dienstknechten,”zegt de Geest der Profetie, “zal veracht en bespot worden door ontrouwe herders, die met hun voeten het voedsel van de weiden vertreden, de kudde als voedsel gevende datgene wat zij verontreinigd hebben. ‘Wee

38

de Herders die de schapen van Mijn weide vernietigen en verstrooien! Zegt de Here.’” –Review and Herald, 25 juni, 1901. {TN2: 38.2}

Met het oog op dit droevige feit, moet God een tweede leiding hebben om Zijn grootste werk sinds de wereld begon af te ronden. Van deze tweede set dienstknechten lezen wij:”En ik zag een andere engel roepen met luide stem tot de vier engelen,¼,zeggende: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, totdat wij de dienstknechten van onze God aan hun voorhoofden verzegeld hebben.” “En in hun mond werd geen bedrog gevonden: want zij zijn onberispelijk{zonder schuld} voor de troon van God.” Openb.7:2,3;14:5{K.J.V.}. {TN2: 39.1}

Aldus brengt het Woord van God, door getuigenis en door symbool, twee verschillende klassen “dienstknechten” in zicht -de ene “lauw,” de ander “zonder schuld.” {TN2: 39.2}

Zo belangrijk is dit onderwerp dat de Geest der Profetie het licht werpt op nog een ander aspect ervan: {TN2: 39.3}

“Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal een zuiver en waarachtig volk hebben¼Zij die vertrouwd hebben op intellect, genie of talent, zullen dan niet aan het hoofd staan van rang en rij.” – Testimonies, Vol. 5,blz.80{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}. {TN2: 39.4}

Het feit dat onze conferenties alleen ambtelijke vergunningen verlenen aan afgestudeerden van de hoge school, toont aan dat zij vertrouwen op menselijke

39

wijsheid–wijsheid die God nú niet méér kan gebruiken dan Hij dat kon toen Mozes het ten toon spreidde. En het feit dat zij jarenlang deze dwaze koers hebben nagevolgd, is een andere onbetwistbare aanduiding in het bewijs dat de geestelijke leiding in de huidige tijd is samengesteld uit mensen die God niet kan gebruiken, niet alleen omdat zij onafhankelijk zijn van Hem, maar ook omdat zij tegen Zijn wil in uit het werk hebben buitengesloten degenen die Hij kan gebruiken: {TN2: 39.5}

“Nu wil ik zeggen, dat God geen koninklijke macht in onze gelederen heeft geplaatst om deze of die vertakking het werk te beheren. Het werk is grotendeels beperkt geweest door de pogingen om het op elk gebied te beheersen. Hier is een wijngaard die haar dorre plaatsen presenteert die geen arbeid hebben ontvangen. En als iemand deze plaatsen zou beginnen te bewerken in de naam van de Heer, dan zou hij, tenzij hij de toestemming zou krijgen van de mensen in een kleine gezagskring, geen hulp ontvangen. God bedoelt dat Zijn werkers hulp zullen ontvangen. Als er honderd een zending zouden beginnen naar behoeftige gebieden, roepende tot God, zou Hij de weg voor hen bereiden. {TN2: 40.1}

“Laat mij u vertellen, dat als uw hart in het werk is, en u geloof heeft in God, dan hoeft u zich niet afhankelijk te stellen van de toestemming van welke predikant of welke mensen dan ook: als u juist te werk gaat in de naam van de Heer, door op een nederige manier te doen wat u kan om de waarheid te onderwijzen, dan zal God u rechtvaardigen. {TN2: 40.2}

“Als het werk niet zo beperkt was geweest

40

 door een beletsel hier, en een beletsel daar, en een beletsel aan de andere kant, dan zou het voort zijn gegaan in haar majesteit. Het zou in de eerste plaats in zwakheid zijn voortgegaan; maar de God des hemels leeft.” -Review and Herald, 16 April, 1901. {TN2: 40.3}

Pas toen Paulus alle vertrouwen op menselijke wijsheid had verzaakt, het tot verlies rekenend voor Christus, was God in staat om hem te verheffen in Zijn machtige hand. “En ik, broeders,” zegt de grote apostel, “¼kwam niet met voortreffelijkheid van spraak of van wijsheid, u de getuigenis van God verkondigend.” 1 Kor.2:1. Maar anders dan de vernederde Paulus, “zijn” de voorname mensen in de kerk van vandaag “zelfverzorgend, onafhankelijk van God, en Hij kan ze niet gebruiken¼De oproep tot dit grote en ernstig werk werd,” sinds 1844, “gepresenteerd aan de mannen van leer en positie; als deze mannen klein waren geweest in hun eigen ogen, en volledig vertrouwd hadden op de Heer, dan zou Hij hen geëerd hebben met het uitdragen van Zijn standaard  in zegeviering tot de overwinning. Maar zij scheidden zich van God, gaven zich over aan de invloed van de wereld, en de Heer verwierp hen.” -Testimonies, Vol.5, blz.80,82 {Getuigenissen, Deel 5, blz.71,72}. {TN2: 41.1}

Maar “de Heer heeft getrouwe dienstknechten, die in de tijd van schudding en beproeving zichtbaar bekend gemaakt zullen worden. Er zijn kostbaren nu verborgen die hun knie niet voor Baäl hebben gebogen. Zij hebben het licht niet gehad dat in een geconcentreerde vlammenzee op u heeft geschenen. Maar het kan zijn dat onder een ruwe en onaantrekkelijk uiterlijk, de zuivere helderheid

41

 van een oprechte Christelijk karakter zal worden geopenbaard.” -Testimonies, Vol.5, blz.80, 81{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}. {TN2: 41.2}

Aldus verheffen de Bijbel en de Geest der Profetie, in hun volmaakte wederzijdse harmonie, andermaal elkaar, en verhelderen de tegenstrijdigheid van de vierde wagen – haar dubbele span paarden waarvan elk, zoals geopenbaard door hun kleuren en doelen, vijandig is in karakter, beginsel, en doelstelling; elk vechtend voor het recht op de wagen. Zich inspannend om het in het Zuiderland (Egypte) te houden, waar zij blindelings zijn “dik geworden op hun droesem,” ”zeggen” de gevlekte, de leiding die juist aan het hoofd staat van de wagen, “in hun hart, De Here zal geen goed doen, noch zal Hij kwaad doen. Daarom zullen hun goederen een buit worden, en hun huizen een verwoesting.” Zef. 1:12.13. Terwijl de voskleurige, de leiding achter de gevlekte, trachten de aarde te doorwandelen. {TN2: 42.1}

De eersten zeggen: “Hij is te genadig om Zijn volk met een oordeel te bezoeken” bij het vervullen van Ezechiël 9 over hen, terwijl de laatsten zuchten en uitroepen vanwege de gruwelen in het midden daarvan. Aldus, terwijl er achter de gevlekte paarden een geroep is van Gods bezoeking, is er voorop van de voskleurige, een geroep van “vrede en veiligheid¼van mannen die nooit meer hun zullen verheffen als een bazuin om Gods volk hun overtredingen te tonen en het Huis van Jakob hun zonden. Deze stomme honden, die niet wilden blaffen,” zegt de stichtster van de kerk, “zijn

42

degenen die de rechtvaardige vergelding voelen van een beledigde God. Mannen, jonge meisjes, en kleine kinderen, allen komen tezamen om.“ -Testimonies, Vol. 5, blz. 211{Getuigenissen, Deel 5, blz.173}. {TN2: 42.2}

Terwijl wij daarom op profetische wijze de mislukking van de gevlekte paarden aanschouwen om het beheer over de wagen (de kerk) te behouden vanwege hun nalatigheid van plicht, zien wij anderzijds de voskleurige paarden zowel profetisch als feitelijk zich gereedmakend om de wagen over te nemen op de aangewezen tijd; of, zoals de engel, sprekende in profetisch verleden, uitlegde: zij “trachtten te gaan opdat zij de aarde konden doorwandelen.” Zach. 6:7. {TN2: 43.1}

In kleur verschillend, zijn de twee teams een figuurlijke voorstelling van twee klassen dienstknechten die van karakter verschillen. De eerste klasse (de gevlekte) zijn “mannen van leer en positie,” maar “zelfverzorgend, onafhankelijk van God en Hij kan ze niet gebruiken.”  De laatste (de voskleurige), zij die “Hij zal oprichten en onder ons verheffen,” zijn “degenen die eerder worden onderricht door de zalving van de heilige Geest, dan door de uiterlijke opleiding van wetenschappelijke instellingen¼God zal openbaren dat Hij niet afhankelijk is van geleerde, zelfingenomen stervelingen.” -Testimonies, Vol. 5, blz.82 {Getuigenissen, Deel 5, blz.72} {TN2: 43.2}

De laatste klasse heeft ,bovendien, de “zuivere helderheid van een oprechte Christelijk karakter,” “maar het kan zijn onder een ruwe en onaantrekkelijk uiterlijk”-onaangetast door zogenaamde “hogere opleiding.” “Hij zal mensen gebruiken voor het volbrengen van Zijn doel,

43

 die sommigen van de broeders zouden verwerpen als ongeschikt om betrokken te zijn in het werk.” -Review and Herald, 9 Feb., 1885. “En Ik zal het overblijfsel van Mijn kudde vergaderen uit alle landen waartoe Ik hen verdreven heb, en zal hen weder brengen tot hun kooien; en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen. En Ik zal herders aanstellen over hen, die hen zullen voeden: en zij zullen niet meer vrezen, noch verontrust zijn, noch zullen zij gebrek hebben, zegt de Here.” Je. 23:3,4{K.J.V.}. {TN2: 43.3}

Hoewel deze dienstknechten Gods, die gedurende de reiniging van de kerk bekend gemaakt zullen worden, “niet het licht hebben gehad dat in een geconcentreerde vlammenzee heeft geschenen” op de anderen, toch wordt er van hen verklaard: “De meest zwakke en aarzelende in de kerk zal zijn als David – bereid zijnde te handelen en te wagen¼Dan zal de kerk  van Christus toeschijnen “‘schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren.’” “Zij zal voortgaan over de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.”- Testimonies, Vol. 5, blz.81,82 {Getuigenissen, Deel 5, blz.70,71};Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz. 445}. {TN2: 44.1}

Waar anders in het gehele Christendom, dan in de Z.D.A. Kerkgenootschap (de kerk der Laodiceeërs), zal de vervulling van de profetische kerkelijke geschiedenis, ontvouwd in deze studie, worden gevonden? Als deze opzienbarende openbaring van tegenwoordige waarheid, zo duidelijk en zeker als het persoonlijk conflict tussen Goed en Kwaad, niet het Laodiceese hart bereikt,

44

dan kan niets het ooit bereiken. O broeder, zuster, laat uzelf niet voor dwaas houden; als dit uw hart nu niet op tijd bereikt om u te redden van het komende kwaad, dan zal het u zeker uiteindelijk overvallen, maar dan alleen om u te vernietigen, niet om te redden. Verblijf dus niet langer met de gevlekte paarden in Egypte, want door zo te doen zal het alleen zijn om daar met hen om te komen, terwijl

De Voskleurige Paarden De Wagen Brengen Naar Het Beloofde Land. {TN2: 44.2}

Aangezien de wagen wordt getrokken door beide ploegen, elk trekkend in een andere richten van de ander, is het vanzelfsprekend dat beiden niet kunnen winnen zonder het in tweeën te breken, en aldus het vernietigd en onbruikbaar achterlatend. Eén paar of de ander moet daarom van het tuig afgesneden worden. En het feit dat de voskleurige (de “sterke paarden,” Zach. 6:3, kantlijn) degenen zijn die “de aarde doorwandelen” terwijl de gevlekte paarden in Egypte blijven, toont aan dat de voskleurige alleen de wagen zullen bezitten en het zullen brengen van Egypte naar het beloofde land. {TN2: 45.1}

Hoewel deze opmerkelijke profetische symbolisatie, nu volledig geopend, simpelweg een andere gesloten profetie was toen de Herdersstaf, Deel 1 {The Shepherd’s Rod, Vol.1} werd gepubliceerd en door het gehele Z.D.A. kerkgenootschap werd gezonden in 1930, werd toch, in de gewichtige boodschap ervan aan Laodicea (verkondigend dat de profetie van het negende hoofdstuk van Ezechiël nabij is om in vervulling te gaan, en dat zij die aan de “slachting” ontkomen de toekomstige leiding van de kerk zullen samenstellen), de waarschuwende

45

 tragedie in de ongewone tegenstrijdigheid, hier geopenbaard, voorzien. Aldus zien wij dat de Herdersstaf van het begin aan, bij het projecteren{weergeven} van een voorvertoning van hetzelfde kritieke probleem, tegenkomend in de waarschuwende tegenstrijdigheid die hier wordt geopenbaard, was gepubliceerd om van tevoren uitlegging te geven van Zacharia’s profetie! En wederkerig, doet deze opmerkelijke voorzegging het Woord van God niet alleen nog wonderbaarlijker toeschijnen dan ooit tevoren, maar het ondersteunt ook de boodschap in de Herdersstaf, en ontsluiert de uitkomst van de verbijsterende moeilijkheid die voor ons ligt, welke desgelijks nooit heeft plaatsgevonden in de geschiedenis van de kerk. {TN2: 45.2}

Hoewel de leiders van het Z.D.A. kerkgenootschap vastbesloten zijn om uit de kerk te verdrijven allen die geloven in de boodschap van de Herdersstaf, proberen zij het te doen voorkomen alsof de aanhangers van de Staf zich vanzelf terugtrekken. De tegenstrijdige waarheid echter, toont aan dat zij “de wagen” zullen bezitten, en het weigeren van hen om de kerk te verlaten toont in feite de verzekering aan dat alleen de voskleurige paarden de paarden naar haar bestemming brengen-“doorheen de gehele aarde.” {TN2: 46.1}

De openbaring van deze waarschuwende tegenstrijdigheid toont ook aan dat God de Schriften beheerst en hen aan het licht brengt juist op de tijd waarin Zijn volk moet weten welke weg zij moeten inslaan! En nu, de weg gevonden hebbende, laat ons, zoals de apostelen dat deden, verblijven in de kerk met de boodschap, totdat wij worden verteld:

46

“Gaat gij heen, doorwandelt de aarde.” Aldus ons deel gedaan hebbend, zal er van ons gezegd worden: Koningen van legerscharen vluchtten haastig weg; en zij, die thuis (de kerk) bleef, deelde de roof uit. Al lag gij onder de potten, toch zult gij zijn gelijk de vleugels van een duif, overdekt met zilver, en haar veren met geel goud.” Ps.68:12,13{KJV–NBG,SV:vs 13,14}. {TN2: 46.2}

Terwijl dus de voskleurige paarden zich nu laten verzorgen om “heen en weer door de aarde” te gaan, trachten de gevlekte paarden de voskleurige weg te schoppen van de wagen en het te houden in

Het Zuiderland. {TN2: 47.1}

Om de antitypische betekenis vast te stellen van het “Zuiderland,” raadplegen wij de Openbaring: “En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd en zestig dagen, met zakken bekleed. En als Zij Hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit de bodemloze put opkomt, krijg voeren tegen Hen, en zal Hen overwinnen en Hen doden. En Hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, welke geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Here gekruisigd was.” Openb.11:3,7,8{KJV}. {TN2: 47.2}

“De twee Getuigen,” zegt de Geest der Profetie, “stellen de Schriften van het Oude en het Nieuwe Testament voor¼Zij zetten hun getuigenis voort over de

47

gehele periode van 1260 jaren¼ De periode waarin de twee Getuigen met zakken bekleed zouden profeteren, eindigde in 1798¼Het geschiedde in 1793, dat de decreten welke de Christelijke godsdienst afschaften en de Bijbel terzijde legden{veronachtzaamden}[ of de ‘twee Getuigen’ doodden], door het Franse Congres werd goedgekeurd.”-The Great Controversy. blz.267,268,287{De Grote Strijd, blz.253,254,255, 270}. {TN2: 47.3}

Aangezien de atheïstische regering daarom in 1793 door de Schriften wordt genoemd “Sodom en Egypte, alwaar ook onze Here gekruisigd was,”-het vroegere Egypte -“het Zuiderland”-symbool staat voor onze tegenwoordige wereld in het algemeen, waar “onze Here was gekruisigd.” Dus, hoewel “de zwarte”en “de witte paarden” “tot het Noorderland”(Christendom) gingen, gingen “de gevlekte paarden” naar “het Zuiderland” (de wereld). {TN2: 48.1}

In opmerkelijke bevestiging van deze bijzondere fase van de profetie ging de Zevende-dag Adventistische kerkgenootschap voort, na de teleurstelling in 1844, ter vervulling van de goddelijke opdracht: “Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en tongen, en koningen.” Openb.10:11. Aldus bevestigt “het vaster staande woord der profetie,” uitvoerig uitgedragen door de kerkelijke geschiedenis, het feit dat de boodschap van de Z.D.A. kerkgenootschap naar de wereld is gegaan –Egypte. Vandaar, dat het gevaar van de “vierde wagen” (de Z.D.A.) niet het ingaan is tot Babylon, maar eerder tot Egypte. {TN2: 48.2}

48

Tot verdere bevestiging van dit duidelijke en alarmerende profetische feit, zegt de Geest der profetie: “Ik ben met droefheid vervuld wanneer ik denk aan onze toestand als een volk¼De kerk heeft zich teruggekeerd van het volgen van Christus als haar Leider, en gaat gestadig terug naar Egypte. Toch zijn er weinigen ontsteld of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht.”-Testimonies, Vol.5, blz.217{Getuigenissen, Deel 5, blz.178}. {TN2: 49.1}

Maar sommigen, met de fabelachtige struisvogel gewoonte van het hoofd begraven voor gevaar, roepen uit, als het ware, van onder het zand:”er is geen gevaar. Deze beweging zal zegevieren.” Maar het allerbeste bewijs dat het grote doel van de Z.D.A. beweging zich in groot gevaar bevindt te falen, is de diepe bezorgdheid betoond door de president van de Generale Conferentie, in een adressering gepubliceerd in de Review and Herald, 14 October, 1937, welke wij gedeeltelijk als volgt citeren: {TN2: 49.2}

“Ik vertel u ernstig dat er machten en invloeden werkzaam zijn die, indien zij ongehinderd worden, ons even onvoorbereid zullen doen zijn voor de tweede komst van Christus als Israël dat was voor Zijn eerste komst. Maakt u geen vergissing daarover. Ik zie dat die invloeden in werking zijn. De geest van Sadducee_sme is aan het werk als zuurdesem, en ik wil mijn stem verheffen in oprechte smeking dat u erop toeziet dat de deur gesloten is tegen alle dergelijke inbreuken… Ik schrijf het u allen aan om u bezig te houden met de strijd tegen de geest van Sadducee_sme, de geest van wereldse gelijkvormigheid, de geest

49

die, indien het wordt toegelaten om ongehinderd door te gaan, de gehele geest en het doel van deze beweging zal ondermijnen en veranderen¼Deze vraag kwam ook in mij op: Zijn wij, in onze verdediging van deze grote beginselen van waarheid die God ons heeft toevertrouwd, aan het toelaten dat de mantel van onze schouders valt op de schouders van anderen? Gaan wij anderen toestaan om onze plaats in te nemen en de wereld op te roepen tot een hervorming volgens enigen van deze regels? {TN2: 49.3}

De Doelstelling van de Beweging In de Weegschaal {Gewogen}”

“Ik geloof dat wij onszelf op machtige wijze in beroering behoren te brengen. Dit is geen gewone tijd. De tijden vereisen iets ongewoons. Ik wil vandaag hier voor u staan als een die gelooft, en diep, ernstig, en oprecht gelooft, dat het gehele doel en doelstelling van deze beweging vandaag in de weegschaal is. Het ligt aan ons om de gewichten aan de kant van het goede te plaatsen… {TN2: 50.1}

” Ik zeg u, mijn vrienden, in alle ernst, dat velen van onze jonge mensen vandaag de dag in de war zijn en hun geloof wordt neergehaald door wat zij zien en horen. Weet u dit niet? Is het niet de waarheid? Het kan een onfeilbare waarheid zijn, maar velen van onze jonge mensen van vandaag geloven niet in de Geest der Profetie vanwege de inconsequentie {wisselvalligheid, tegenstrijdigheid} die zij zien in de levens van degenen die hun leiders behoren te zijn. Als wij willen dat de jonge mensen geloven, moeten wij hen een voorbeeld geven in geloof en beoefening {praktijk}. {TN2: 50.2}

50

“Ik denk dat de tijd is gekomen waarin het geven van een goed voorbeeld een uitdaging zou moeten zijn voor al onze mensen. Het heeft geen nut als wij de wereld een zeker licht voortzetten, en dan onze gehele koers en doel vormen volgens een ander beleid. O, moge God ons helpen om terug te keren tot eenvoud en geloof, tot gehoorzaamheid en de juiste beoefening. De meeste van onze mensen kennen de maatstaven zoals zij worden geleerd in de Geest der Profetie, en wanneer zij zien dat wij ze overtreden in onze beoefening, verliezen zij het geloof {vertrouwen}, niet alleen in de Getuigenissen, maar in onze leiding. Laten wij consequente {standvastige} leiders zijn. Laten wij in praktijk brengen wat wij prediken… {TN2: 51.1}

“Het zijn niet de aanvallen van onze vijanden die mij doen vrezen. Neen,…waarvoor ik vrees, is ons eigen afwijken{verlaten} van de ware koers. Dat is het moeilijkste om ermee om te gaan… {TN2: 51.2}

“Wij zijn de meest behoeftige mensen op aarde. Mijn vrienden, wij hebben het nodig dat er iets buitengewoons voor ons wordt gedaan. Een grote processie {beweging} beweegt zich naar het koninkrijk. Zijn wij de gelederen van God in de juiste richting aan het leiden? {TN2: 51.3}

“Bedreigd Door Wereldse Gelijkvormigheid”

“Ik geloof dat de geest van {hogere} kringen, de geest van de wereld, in vele gevallen onder ons is binnen gekomen. Ik zou niet willen dat u denkt dat ik ontmoedigd ben over het vooruitzicht. Neen, God zij dank, weet ik dat deze beweging zegevierend en overwinnend zal voortgaan. Niettemin gevoel ik

51

dat ik nalatig zou zijn als ik verzuimde om aan te geven enige gevaartekens die gaandeweg staan, en aan welke ik geloof wij gehoor behoren te geven. {TN2: 51.4}

“Ik wens te herhalen dat velen van onze ouders verontrust zijn over het proberen om het geloof van hun zonen en dochters te behouden vanwege sommige dingen die worden onderwezen in sommigen van onze klaslokalen. Zij komen en vertellen ons dat sommige Bijbelleraren weigeren om hun leerlingen toe te staan om uit ‘De Wens der Eeuwen’ te lezen in een klas over het leven van Christus. Sommigen komen en zeggen dat de Geest der Profetie in diskrediet is gebracht in het verstand en geloof van hun zonen en dochters door middel van uitleggingen van geschiedenis die zij ontvangen, dat die interpretaties vaak worden gemaakt om de duidelijke verklaringen van de Geest der Profetie in diskrediet te brengen. {TN2: 52.1}

” Er is een ander ding waarvan ik geloof dat het aandacht nodig heeft. Het heeft te maken met het sociale leven en de activiteiten in onze opleidende instellingen. De faciliteiten moeten meer zorgdragen voor en aandacht besteden aan sommigen van deze zaken. Ik geloof dat wij in sommige van onze opleidende centra een kledingsaristocratie aan het ontwikkelen zijn die de ouders van sommige kinderen beschamen. Faciliteiten staan de jongeren toe een stijl van kleding aan te nemen die de standaard vaststelt voor al de leerlingen, en als zij zich daaraan niet schikken, worden ouders en leerlingen beschaamd. Vaak resulteert het in slechts een optocht van wereldse mode en wereldse gelijkvormigheid. Ik wil vandaag mijn

52

 stem ertegen verheffen, en ik roep u op die richting stop te zetten. {TN2: 52.2}

* * *

“Te veel van onze jongeren worden vandaag geleid tot wereldse gelijkvormigheid door sommige leiders die zelf deelnemen aan vormen van wereldse amusement en plezier. Mijn vrienden, ik wens dat onze jongeren konden worden weggehouden van alle strandfeesten en naaktheidparades en filmtentoonstellingen en andere twijfelachtige plaatsen waarnaar zij niet behoren te gaan, maar waartoe zij soms worden geleid door hun leiders. Ik geloof dat het de taak is van iedere schoolbestuur en iedere schoolfaciliteit om stappen te ondernemen om de dingen te veranderen. Hoe ver kunnen wij eigenlijk gaan in deze zaak van wereldse gelijkvormigheid? Laat ons ophouden met de geest van compromis stellen. Laat ons niet zijn als die mensen van vroeger die toelieten dat hun godsdienstige geloofspunten zo vergiftigd werden door contacten met de wereld, dat zij niet in staat waren om hun eigen Messias te herkennen toen Hij verscheen. {TN2: 53.1}

“Zouden de pioniers deze beweging vandaag kennen als zij zouden ontwaken? Zouden zij de beweging erkennen die zij in deze wereld aanvingen en overdroegen aan hun opvolgers? Zouden zij het waarlijk herkennen? Dat is voor mij een zeer beroep doende en belangrijke vraag. ‘Ach,’ kunnen sommigen zeggen, ‘zij waren een aantal oude versleten kerels! Zij waren ouderwets. Zij waren totaal achterhaald in tijd. Vandaag zijn de standaards veranderd.’ Dat is een favoriete uitspraak

53

 bij sommigen, maar ik geloof het niet. Ik houd vol dat iedere goede en ware en juiste standaard die ooit heeft overheerst en die is voorgeschreven in Gods werk, even vitaal is vandaag als het dat ooit was. Ik ben niet iemand die graag toegeeft dat de standaards zijn veranderd. Dat argument{of die bewering} suggereert dat wij vandaag lagere standaards hebben, en het wordt alleen gebruikt door degenen die de standaards willen verlagen. Hoe dichterbij wij komen tot het koninkrijk Gods, hoe hoger de standaards die wij zouden moeten hebben. {TN2: 53.2}

* * *

“Als Jezus vandaag hier was, zou Hij ons herkennen? Inderdaad kan ik zeggen, zouden wij Hem herkennen? Och, ik vertrouw erop dat de inbreuken van wereldse corruptie en vergiftiging niet dusdanig hebben overheerst dat zelfs Jezus ons niet zou kunnen herkennen! I gevoel mij zeer plechtig en zeer ernstig wanneer ik aan deze dingen denk. {TN2: 54.1}

* * *

“Mijn vrienden, waarlijk, ik maak mij zorgen om de richtingen en de neigingen. Ik geef toe een grote bezorgdheid over hen te hebben. Hier zijn wij vandaag, een groep leiders, en wanneer wij deze plaats verlaten, waartoe keren wij terug? Wij keren terug om duizenden van onze jonge mensen onder ogen te zien. Wij keren terug om door te gaan met het beïnvloeden en vormen van de levens van duizenden jongeren, en hen te leiden — maar hoe leiden wij hen? Waartoe leiden wij hen? {TN2: 54.2}

54

“Een Herleving Nodig

“Wat zou Jezus vandaag tot ons zeggen als Hij hier was? Zou Hij het willen ondernemen om de tempels van onze harten te reinigen en de geest van Sadduceëisme, van materialisme, van wereldse gelijkvormigheid uit te drijven? Ik geloof dat Hij dat zou willen. Wat ik geloof dat wij vandaag, als een groep opvoeders en leiders, meer dan wat dan ook nodig hebben, is iets dat niet tot ons kan komen van enig bestuur voor oplossingen, en dat is een herleving van de vroegere godsvrucht. Zou God willen dat deze vergadering niet kan sluiten totdat er iets tot ons komt– niet een herleving van louter lippendienst. Maar een herleving van het hart en van het leven, een verandering van praktijken, een verandering die ons zal helpen om onze doelstellingen waar te maken in deze grote beweging. Vandaag pleit ik met u allen om uw ogen van de wereld af te wenden, en hen te richten op het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt.  Laat ons meer spreken over wat Hij voor deze beweging betekent, dan wij dat doen over sommige andere dingen die zoveel aandacht van onze tijd en gesprekken opeisen…” –Review en Herald, Deel.114, Nr. 41, 14 Oktober, 1937, blz. 4-6. {TN2: 55.1}

O, hoe vreselijk duidelijk is het vanuit ieder invalshoek te zien dat de gevlekte paarden de kerk hebben ingeleid tot de wereld in plaats van eruit! Zelfs de Voorzitter van de Generale Conferentie pleit met deze wereldliefhebbende leiders om hun wijzen en hun handelingen te veranderen (Jer. 7:3). Maar ondanks dat zij hun achterwaartse koers niet stopzetten, worden zij toch behouden door

55

 het kerkgenootschap, ofschoon zij voortgaan met het volk weg te leiden van God en van de Geest der Profetie, en dichterbij tot de wereld en haar verdervende invloed. En aangezien zij degenen uitwerpen die ernaar streven om de Laodiceeërs te doen ontwaken, wilt de Voorzitter van de Generale Conferentie dan, in zijn poging om te doen ontwaken, ook opwekken tot de huidige situatie, en in plaats van  deze eigenzinnige leiders nog langer te ondersteunen, hen ontslaan, en de “zuchtenden, uitroependen” (Testimonies, Vol.5, p.210{Getuigenissen, Deel5, blz..}) die zij hebben uitgeworpen, het lidmaatschap weer toezeggen? {TN2: 55.2}

En terwijl de gevlekte paarden de tragedie over zich brengen door in “het Zuiderland”  te kwijnen, lauw en tevreden met hun verworvenheden, hebben de voskleurige paarden “gezocht te gaan opdat zij de aarde kunnen doorwandelen”; dat wil zeggen, zij hebben zich gereed gemaakt om te gaan, maar konden niet gaan totdat hen is verteld: ” Gaat gij heen, doorwandelt de aarde.” Ten slotte, echter, wandelen zij, aangevend dat zij geëerd zijn door God door Zijn vaandel te dragen in zegetocht tot de overwinning! {TN2: 56.1}

In deze beperkte omstandigheid, wordt weer het bewijs gevonden van de onfeilbaarheid van de Staf {the Rod}, want vanaf het begin heeft het verkondigd dat de boodschappen van de drie engelen niet tot de einden der aarde kunnen gaan tot na de vervulling van Eziechiël 9, en na de uitstorting van de Heilige Geest zoals het is beschreven in Joel 2:28 — de tijd waarin de Heer profetisch zei: “Ga.” {TN2: 56.2}

56

Hadden de huidige leiders, zij die worden voorgesteld door “de gevlekte paarden,” gehoor gegeven aan de “Oproep tot Hervorming,” en waren dezen klein geweest in hun eigen ogen,” zegt de geest der Profetie, en “volledig op de Heer vertrouwd, dan zou Hij hen hebben vereerd met het dragen van Zijn vaandel in zegetocht tot de overwinning. Maar zij zonderden zich af van God, gaven zich over aan de invloed van de wereld, en de Heer verwierp hen.” –Idem, blz.82. “Omdat gij dus lauw zijt en noch koud noch heet, zo zal Ik u uit Mijn mond spuwen,” zegt de Here. Openb. 3:16. {TN2: 57.1}

Zij zullen zoeken naar deze “extra olie,” maar helaas te laat om baat te hebben aan welk antwoord dan ook op hun bevreesde vragen: “Zijn wij… aan het toelaten dat de mantel van onze schouders valt op de schouders van anderen? Gaan wij anderen toestaan om onze plaats in te nemen en de wereld op te roepen tot een hervorming …?” {TN2: 57.2}

Weliswaar, “deze beweging” (wagen) is bestemd om zegevierend en overwinnend voort te gaan, maar alleen achter de leiderschap van de voskleurige paarden. {TN2: 57.3}

De keten van feiten die hierin geschakeld zijn betreffende de toestand van de kerk is zo stevig gesmeden door de profetie en de geschiedenis dat niemand het kan verbreken. Inderdaad, iedere profetische schakel is zo duidelijk dat zelfs de Voorzitter van de Generale Conferentie verontrust is. Toch, ondanks deze feiten, voorzegt de dienstknecht van de Heer dat ” het licht dat de aarde met haar heerlijkheid zal verlichten, zal een vals licht genoemd worden

57

 door degenen die weigeren te wandelen in haar vooruitgaande heerlijkheid.” –Review and Herald, 27 Mei, 1890. {TN2: 57.4}

“In de manifestatie van de macht die de aarde met haar heerlijkheid verlicht, zullen zij alleen iets zien waarvan zij in hun blindheid denken dat het gevaarlijk is, iets dat hun vrees zal opwekken, en zij zullen zich schrap zetten om het te weerstaan. Omdat de Heer niet werkt volgens hun verwachtingen en idealen, zullen zij het werk tegenstaan. Waarom, zeggen zij, zouden wij niet de Geest van God kennen, terwijl wij zo veel jaren in het werk betrokken zijn geweest?” –Bible Training School{Bijbel Training School}, 1907(Herdrukt in Review and Herald, 7 Nov., 1918). {TN2: 58.1}

“Wij hoeven niet te verwachten dat wanneer de Heer licht heeft voor Zijn volk, dat Satan er rustig bij zal staan, en geen poging zal maken om te voorkomen dat zij het ontvangen. Hij zal op het verstand werken om wantrouwen en ongeloof op te wekken. Laten wij op onze hoede zijn dat wij het licht dat God zendt niet verwerpen, omdat het niet op een manier komt dat ons behaagt. Laat Gods zegen niet van ons afgekeerd zijn omdat wij de tijd van onze bezoeking niet kennen. Als er enigen zijn die het licht niet voor zichzelf zien en aannemen, laten zij niet in de weg staan van anderen. Laat het niet gezegd worden van dit hoog begunstigde volk, zoals van de Joden toen het goede nieuws van het koninkrijk aan hen werd gepredikt: “Zelf gingen zij niet binnen, en zij die binnengingen, hebben zij verhinderd.’ ” –Testimonies, Vol. 5, p.728{Getuigenissen, Deel 5, blz.592,593}. {TN2: 58.2}

58

Juist dit soort ding, waaraan wij onze leidinggevende broeders herinneren, was precies wat plaatsvond in de goddeloze behandeling die werd verleend aan de boodschap van 1888, toen het werd “gekleineerd, tegengesproken, belachelijk gemaakt,…verworpen,” en “aangeklaagd als leidende tot enthousiasme{of geestdrift} en fanaticisme.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, p. 468. Ware het maar zo dat die ervaring nooit herhaald wordt. Jammerlijk, echter, zegt de Geest der Profetie: {TN2: 59.1}

“Het licht dat de aarde met haar heerlijkheid zal verlichten, zal een vals licht genoemd worden…Wij verzoeken u die het licht der waarheid tegenstaan dringend, om uit de weg te staan van Gods volk. Laat het door de Hemel gezonden licht op hen voortschijnen in heldere gestadige stralen. God houdt u, tot wie dit licht is gekomen, verantwoordelijk voor het gebruik dat u ervan maakt. Zij die niet willen horen zullen verantwoordelijk worden gesteld; want de waarheid binnen hun bereik gebracht, maar zij verachtten hun gelegenheden en voorrechten.” — Review and Herald, 27 Mei, 1890. {TN2: 59.2}

Opdat niets ongedaan moge worden gelaten om hen te waarschuwen voor deze vreselijke teleurstelling die op het punt staat hen te overkomen, richten wij nog een ander verzoek

            Tot De Leidinggevende Broeders. {TN2: 59.2}

Geliefde Broeders:

Nogmaals pleiten wij met u, dat u , ondanks dat u de bron van het pleidooi veracht, een grondig onderzoek verricht over de

59

boodschap die tot u is gekomen in de naam van de Heer, opdat u de geschiedenis van de Joden niet zult herhalen.  Want van alle mensen, zou u het meest nauwkeurig moeten beseffen het vreselijke gevaar van het sluiten van uw ogen en het dichtstoppen van uw oren, al zou het zelfs de woorden zijn van slechts enige arme “vissers.” {TN2: 59.3}

Tenzij u zich bekeert van uw huidige houding naar de boodschap toe, “en bidt tot God, of de gedachten van uw hart u misschien wordt vergeven ,” dan zal uw verkeerde koers (handelwijze}, net zo zeker als uw ogen nu deze woorden lezen, over u brengen, en dat op zeer korte termijn, de vervulling van die vreselijke aankondiging van de Ware Getuige: “Omdat gij zegt, Ik ben rijk, en met goederen verrijkt, en heb aan niets [waarheid of profeten] gebrek, ” “zal Ik u uit Mijn mond spuwen.” {TN2: 60.1}

Broeders, gedenk dat “er geen trots is die zo gevaarlijk is als geestelijke trots.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, p.109. {TN2: 60.2}

Vooruitziende dat de boodschap u zou vinden vol van zelfgenoegzaamheid over uw geestelijke verworvenheden, waarschuwde de Heer u op genadige wijze van tevoren:  “Gij zijt noch koud, noch heet,” dat wil zeggen, gij zijt lauw, tevreden. “Ik wenste dat gij maar koud of heet waart,” –ontevreden, — gebrek hebbend aan alles in plaats van te gevoelen dat u aan niets gebrek hebt. Dan zou u niet door uw handelingen zeggen: ” Ik ben rijk, en met goederen verrijkt en heb aan niets gebrek,” –noch aan waarheid, noch aan profeten,– maar weten,

60

dat “gij zijt jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt.” {TN2: 60.3}

Broeders, moge deze ontgoochelende woorden uw ogen openen opdat u uzelf kunt zien zoals u bent, zodat “de schande uwer naaktheid niet zichtbaar wordt.”  De belofte is nooit falend: “Zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.” Ons gebed is dat u {hierin} niet faalt, want wij hebben u lief. {TN2: 61.1}

Gedenkt u, dat ondanks de Heer in Zijn grote genade u heeft geroepen uit de duisternis om te wandelen in Zijn wonderbaarlijk licht, toch zal, als u daarin niet wandelt, uw licht duisternis worden en uw goederen een buit. {TN2: 61.2}

De Heer zegt: ” Ik heb u doen vermenigvuldigen als het gewas des velds, en gij geroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot uitstekende sierlijkheden: uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is geroeid, terwijl gij toch naakt en bloot waart.” Ezech. 16;7{K.J.V.}. Maar “Zo velen als Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees daarom ijverig, en bekeert u.” Openb.3:19{K.J.V.}. Anders, “daarom zal Ik terugkeren, en wegnemen Mijn koren op zijn tijd, en Mijn wijn {most} in haar seizoen, en zal Mijn wol en Mijn vlas terugtrekken, die waren gegeven om haar naaktheid te bedekken.” Hos.2:9 {K.J.V.}. {TN2: 61.3}

Let op, Broeders, opdat u niet door uw opzettelijke koers Gods misnoegen aandoet en(sprekende volgens de gemengde symbolen van deze wederzijds betrekkelijke profetieën) Hij in Zijn ontzagwekkende toorn, u totaal blootlegt, en “u uit

61

[Zijn] mond spuwt.” Dan zult u “heet” zijn, maar dan nutteloos, want het het zal voor altijd te laat zijn om te veranderen en hoewel u net als Ezau bitter zult huilen, zal de Heer naar u niet horen. {TN2: 61.4}

Niet meer oprecht in hun misleiding dan u dat bent in de uwe, gaven de Joden ten laatste toch gehoor aan Christus, terwijl u daarentegen niet zo eerlijk bent geweest. Ondanks dat Inspiratie u kenmerkt als “blind” en in een “vreselijke misleiding,” (Testimonies Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 254), stelt u zich op als wijze geestelijke gidsen, zelfs vereisend dat Inspiratie zich neerbuigt voor uw beslissing betreffende wat wel of wat niet voor Gods volk gebracht zal worden! Uw gedrag is even onredelijk als het kritiek van de vroegere schriftgeleerden en Farizeeën dat was tegen de leringen van Christus! {TN2: 62.1}

Op toenemende wijze roept uw uitdagende houding naar de tegenwoordige openbaringen van Gods Woord uit: “Wie is de Here, dat ik Zijn stem zou gehoorzamen om Israël te laten gaan? Ik ken de Here niet en ook zal ik Israël niet laten gaan.” Ex.5:2. {K.J.V.} {TN2: 62.2}

De raadgeving van de Heer is: “Kostbaar zal voortschijnen van het het Woord van God, en laat niemand zich aanmatigen om voor te schrijven wat wel of wat niet zal worden gebracht voor het volk in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven. Wat zijn positie van bevoegdheid dan ook mag zijn, niemand heeft recht om het licht weg te houden van Gods volk.” — Testimonies on Sabbat School Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, blz. 65. {TN2: 62.3}

62

“God meent wat Hij zegt.” –Testimonies, Vol. 5, p. 365 {Getuigenissen, Deel 5, blz.298}. {TN2: 63.1}

“Mensen…door zelfzucht…verdringen juist degenen neer die God gebruikt om het licht dat Hij hen heeft gegeven te verspreiden…Satans vaardigheid wordt uitgeoefend…Hij werkt om godsdienstige vrijheid te beperken…Organisaties …zullen onder Satans leiding werken om mensen onder beheersing van mensen te brengen; en diefstal en bedrog zullen de schijn dragen van ijver voor waarheid en voor de bevordering van het koninkrijk van God…zulke mannen veronderstellen de voorrechten van God uit te oefenen–zij matigen zich datgene aan te doen wat God Zelf niet zal doen in het trachten het verstand van mensen te beheersen. Aldus volgen zij in het spoor van het Romanisme…Bij zulke regelingen is de mens die zijn verstand toelaat om beheerst te worden door het verstand van een ander, aldus afgezonderd van God en blootgesteld aan verleiding…maar God heeft het duidelijk voor ons opgesteld. Hij zegt: “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt.” ‘ –Testimonies Vol. 7, {Getuigenissen Deel 7},blz. 179, 180,181, 178. {TN2: 63.2}

Uzelf mannen van “ervaring” noemend, zegt u: “Als een broeder enig licht heeft over de Schriften, laat hij het aan ons overleggen, en als wij geen licht erin zien, laat hij ermee stoppen.” Maar, Broeders, hoe kunt u licht zien in wat dan ook zonder het in te kijken {onderzoeken}? En hoe kunt u geestelijk dingen onderscheiden tenzij u “uw ogen zalft met ogenzalf [‘geopenbaarde waarheid’] opdat gij moogt zien?” Door te weigeren dit te doen, hoe zult u dan ooit waarheid onderscheiden? {TN2: 63.3}

63

Waarom zouden wij afzien van de boodschap in de Staf {the Rod} terwijl u zo volkomen heeft gefaald te bewijzen dat het dwaling is? Waarom kostbare juwelen van waarheid terzijde werpen eenvoudigweg omdat de meerderheid hen niet kan onderscheiden van namaak -juwelen? U heeft lang openlijk dappere woorden gesproken tegen de tirannie van anderen, maar hoe zit het nu met het uwe! U brengt de beschuldiging aan dat onze standpunt ons “in slecht gezelschap plaats.” Maar u beseft niet wat u zegt, en dat wij ons identiek vandaag in dezelfde positie bevinden als Johannes de Doper, Christus, de apostelen, Luther, en Miller zich bevonden in de vroegere dagen, en als de oprichters van het Z.D.A. kerkgenootschap; niet in de positie dat u ons probeert te doen blijken ons daarin te bevinden — welke de tegenstanders der waarheid altijd hebben bezeten, en waardoor duizenden verstoken zijn geweest van de hemelse zegening! Broeders, bewijs dat wij waarlijk het verkeerd hebben, en u zult zien hoe snel wij onze standpunt zullen veranderen! {TN2: 64.1}

Onze onfeilbare bezorgdheid is dat u gehoor zult geven aan de raadgeving van de Ware Getuige, en uw armoede in geestelijke dingen zult belijden, opdat Hij over u niet de vreselijke wee uitspreekt: “Huilt, gij herders, en roept uit; en wentelt uzelf in de as, gij hoofdman van de kudde; want de dagen van uw slachting en van uw verstrooiing zijn vervuld; en gij zult vallen als een behaaglijk vat”(Jer.25:34{K.J.V.}), en aldus er niet zijn wanneer “het daarna zal geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten over alle vlees; en uw zonen en uw dochters

64

zullen profeteren, uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; en ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.” Joel 2:28,29.Sprekende van deze tijd, verklaart de Geest der Profetie: Machtige wonderen werden tot stand gebracht, de zieken werden genezen, en tekenen en wonderen volgden de gelovigen.” –Early Writings, p.279{Eerste Geschriften, blz.333}. {TN2: 64.2}

O, wat een onbegrensde dwaasheid en verlies om een verkeerde koers na te volgen, en verlies te lijden in een tijd als deze, waarin het voorrecht u wordt verleend eerder te kiezen om “aan te zitten met Abraham, en Izaak, en Jakob, in het Koninkrijk der hemelen”! Matt. 8:11. Moge het zijn dat u niet faalt. {TN2: 65.1}

Met vriendelijke groeten en voor en nederige

geest en de gelukzalige keuze,

Uw vriend en dienstknecht.

Hoewel wij uitermate bedrukt zijn over onze leidinggevende broeders dat zij ter harte nemen de raadgeving van de Heer die zojuist is aangeboden, zijn wij op gelijke wijze bedrukt dat de leken ook goed ter harte nemen de raadgeving van de Heer tot hen. Aldus richten wij nu, onpartijdig,

Een Woord tot De Uitverkorenen van God, De 144.000! {TN2: 65.2}

Geliefde Broeders:

Aan u die de stem van de Goede Herder hoort, en die niet bij name bekend is bij ons, maar alleen door een gegadigde nummer

65

 (144.000) en functie (Gods zondeloze dienstknechten, koningen en priesters), — tot elk van u komt de plechtige zekerheid dat de verzegelingstijd zeer kort is, het einde ervan zeer nabij. Daarom, Broeder, Zuster, ziet erop toe dat u het zegel van God op tijd ontvangt; vertraag de terugkeer tot onze Edense thuis niet. “Heden, indien gij Zijn stem zult horen, verhardt uw harten niet.” Hebr. 4:7. Hij die aan de kant van de Heer staat, laat hem niet langer vertoeven. De tijd is ten volle aangekomen voor de 144.000 om overeen te stemmen met Gods programma voor het voleinding van Zijn werk en de voorbereiding van hen voor de opname. Dus, zegt de Heer:”Gelijk een herder zijn kudde uitzoekt op de dag dat hij zich onder zijn schapen bevindt die zijn verstrooid;alzo zal Ik Mijn schapen uitzoeken, en zal hen uitredden uit al de plaatsen waarheen zij verstrooid zijn geweest op de bewolkte en duistere dag.” Ezech. 34:12. ” En de Here, hun God, zal hen te dien dage redden als de kudde van Zijn volk: want zij zullen zijn als de stenen van een kroon, opgericht als een banier in Zijn land.” Zach.9:16{K.J.V.}. {TN2: 65.3}

Haast u, Broeder, Zuster; neem onmiddellijk uw plaats in aan de kant van de Heer, zodat Hij, vanwege uw “zuchten” (bekeren) en “uitroepen” (de verzegelende boodschap verkondigend), zonder vertraging “zichtbaar” bekend kan maken als de “dienstknechten van onze God,” u, die zal ontkomen aan het zich bevinden onder de “verslagenen des Heren,” die wordt verzonden tot de Heidenen, en “al uw broeders brengen…uit alle natiën.” Jes. 66:16,19,20. {TN2: 66.1}

66

Bestudeer de boodschap voor uzelf, en laat geen enkel vlees toe zich te bemoeien met uw zaligheid. Neem uw eigen beslissing onafhankelijk van welk mens dan ook, en weet  voor uzelf dat God u leidt zoals Hij dat deed toen u een Z.D.A. zou worden. Neem noch priester noch prelaat aan als uw God. “Wees niet gelijk een paard, of gelijk een muilezel, welke geen verstand heeft; welks muil moet worden ingehouden met bit en toom, opdat zij tot u niet naderen.” Ps.32:9 {K.J.V.}. Waarom zou u struikelen en vallen over dezelfde struikelblok welke miljoenen onbesuisd in de hel heeft gestort? Kijk op, Broeder, Zuster, en vermijd de vooruitziende rampspoed, en help anderen om het ook te vermijden. {TN2: 67.1}

En wat betreft degenen die doof zijn voor de stem van de Goede Herder, “mijn ziel zal  in verborgen plaatsen wenen vanwege uw hoogmoed; en mijn ogen zullen bitter wenen, en van tranen neerdalen, omdat de kudde des Heren gevankelijk is weggevoerd.” Jer.13:17{K.J.V.}. “Daarom hoort de raadslag des Heren, die Hij tegen Edom heeft beraadslaagd; en Zijn voornemens, die Hij zich heeft voorgenomen tegen de inwoners.” Jer. 49:20{K.J.V.}. “En de herders zullen geen weg hebben om te vluchten, noch de hoofdman van de kudde om te ontkomen.” Jer. 25:35{K.J.V.}. {TN2: 67.2}

Nu, onze grote wens en hoop is dat elk van u zonder vertraging contact met ons zal opnemen, zodat wij in overeenstemming met Gods Woord samen een programma kunnen lanceren{of aanvangen} voor de “belegering,” en op zulk een manier

67

dat wij aan de vijand een verenigde voorlinie kunnen presenteren. Dan zal God werken; dan zullen de hinderpalen die zijn opgericht tegen de Waarheid en tegen Zijn dienstknechten die “zichtbaar bekend gemaakt” zullen worden, neervallen als de muren van Jericho! ” Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.” Openb. 3:22. {TN2: 67.3}

Het is het uwe “om te verbinden de gebrokenen van hart, om aan de gevangenen vrijheid te verkondigen, en aan hen die gebonden zijn, de opening der gevangenis; om te verkondigen het aangename jaar des Heren, en de dag der wraak van onze God; om allen die treuren te troosten.” Jes. 61:1,2 {K.J.V.}. Wat een ongeëvenaarde voorrecht! God behoede het dat wie dan ook het verbeurt. {TN2: 68.1}

Met vriendelijke groeten voor onvoorwaardelijk vertrouwen in

God en voor groene weiden voor Zijn kudde,

Uw vriend en dienstknecht.

P.S.: Maakt u gebruik van de publicaties die Tegenwoordige Waarheid bevatten, en maak u gereed voor het werk. Wees een van de “wijzen,” en vult uw vaten met de “extra olie” voor uw “lampen.” Onze lectuur zal volledig openbaren dat “de dagen nabij zijn, en de uitwerking van ieder gezicht.” Ezech. 12:23. Dat wil zeggen, de visioenen van de profeten, die vol verborgenheden schenen te zijn, zijn nu duidelijke feiten geworden. {TN2: 68.2}

Twaalf traktaten, tegenwoordig, verzameld in 898 bladzijden, zullen kosteloos en gefrankeerd verzonden worden aan wie dan ook, op verzoek. Aan degenen

68

die pas nieuw de lectuur aanvragen, zullen de series een nummer per keer doorgestuurd worden, met een tussenruimte van twee weken. Zij die hun aanvragen vergezellen met  namen van Z.D. Adventisten, kunnen, indien zij het alzo specificeren, al de twaalf traktaten tezamen verkrijgen. {TN2: 68.3}

“Neemt Mijn onderricht aan, en geen zilver; en kennis in plaats van uitgelezen goud.” –Spr. 8:10{K.J.V.}. “Heden, indien gij Zijn stem zult hoen, verhardt uw harten niet.” Bestel nu. {TN2: 69.1}

——0——

69

SCHRIFTUURLIJKE INDEX

70

 

 


TN8-1200x675.jpg

1

Copyrecht 1937, 1941

door V. T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

In het belang van het bereiken van iedere naar waarheid zoekende verstand die er naar verlangd om te ontkomen aan het pad dat leidt naar vernietiging van zowel lichaam en ziel, zo als deze uitgave voorradig is, zal deze traktaat kosteloos worden verspreid.

Traktaat Nr. 8

2

DE BERG ZION NABIJ “HET ELFDE UUR”

  “Om Sions wil zal Ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat de gerechtigheid ervan uitgaat  als helderheid, en de verlossing ervan als een lamp die brandt. En de Heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid. En gij  zult genoemd worden met een nieuwe naam, die de mond des Heren zal noemen. Gij zult ook een kroon der heerlijkheid in de hand des Heren zijn, en een koninklijke diadeem in de hand van uw God.” Jes. 62:1-3; {KJV}. {TN8: 3.1}

 

  Wonder van goddelijke liefde! Verwezenlijking van de “uiterst kostbare belofte” dat God zal voortgaan met tot haar te spreken, totdat zij een grote en krachtige en schitterend licht wordt in de gehele wereld en “een kroon der heerlijkheid in de hand des Heren” — wordt de kerk gezien:

Staande Met het Lam op de Berg Zion! {TN8: 3.2}

  “De openbaring van Jezus Chrisus, welke God aan Hem gaf, om aan Zijn dienstkechten dingen te tonen die spoedig in vervulling moeten gaan; en Hij heeft het gezonden en medegedeeld door Zijn engel aan Zijn dienstknecht Johannes.” Openb. 1:1; {KJV}. {TN8: 3.3}

 

  Deze bevestiging dat de profetische gebeurtenissen waarvan Johannes bevoorrecht was verslag van te doen, niet voor maar kort nadat hij de openbaring van hen ontvangen had, in vervulling zouden gaan, toont aan dat de profetieën van de Openba

3

ring in vervulling zouden gaan ergens tijdens de Niewe Testamentische periode. {TN8: 3.4}

   “En ik keek, en zie, een Lam stond op de Berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, hebbende Zijns Vaders naam op hun voorhoofden geschreven. En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren, en als de stem van zware donder: en ik hoorde de stem van harpspelers spelende op hun harpen; en zij zongen als het ware een nieuw lied voor de troon, en voor de vier dieren, en de oudsten; en niemand kon dat lied leren behalve de honderdvierenveertigduizend, die losgekocht waren van de aarde.” Openb. 14:1-3; {KJV}. {TN8: 4.1}

  Voorafgaand aan deze profetische gebeurtenis (het staan van de 144.000 op de Berg Sion) “was een deur geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik hoorde” zegt Johannes, “was alsof een bazuin met mij sprak, die zeide: Klim hierheen op, en ik zal u dingen tonen die hierna moeten geschieden. En terstond kwam ik in vervoering des Geestes en zie, er stond een troon in de hemel, en iemand was op die troon gezeten. En Hij die erop gezeten was, was van aanzien de diamant en sardiussteen gelijk; en een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk. En rondom de troon waren vierentwintig zetels; en op de zetels zag ik vierentwintig oudsten zitten, in witte klederen gekleed; en zij hadden op hun hoofden kronen van goud. En voor de troon

4

was een glazen zee, gelijkend op kristal; en midden in de troon, en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.” Openb. 4:1-4, 6 {KJV}. {TN8: 4.2}

      En toen Hij de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elk harpen, en gouden schalen vol reukwerk, welke de gebeden der heiligen zijn. En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon en de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizend maal tienduizend en duizenden duizendtallen; zeggende met luider stem: Waardig is het Lam dat geslacht was om macht te ontvangen, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en zegen.” Openb. 5:8, 11, 12 {KJV}. {TN8: 5.1}

 

Het Lam, Die eerst voor de troon staat in de hemel, staat later met de 144.000 op de Berg Sion, op aarde, hoewel de Oudsten en de Dieren rondom de troon in de hemel blijven. Om dus de profetische gebeurtenis in haar geheel te begrijpen, moeten wij zorgvuldig het deel dat plaatsvindt in de hemel onderscheiden van het deel dat op de aarde plaatsvindt. {TN8: 5.2}

  De zeven lampen (Openb. 4:5) die deel uitmaken van de onderdelen van het heiligdom, geven overtuigend bewijs dat het hemelse troonschouwspel in het heiligdom plaatsvindt, terwijl het Sionschouwspel dat daarna komt op de Berg Sion plaatsvindt, het aardse paleis grondgebied van de Koning, niet op de Berg Moria, het grondgebied van het heiligdom,

5

waar het noodzakelijkerwijs zou hebben moeten plaatsvinden als het betekenen moest dat de gebeurtenis in het heiligdom plaatsvindt. Daarom zijn deze taferelen van twee verschillende gebeurtenissen, op twee verschillende locaties — het opstellen van de troon in de hemel, en het staan van de verlosten met het Lam op aarde terwijl de activiteiten die besloten zijn in het troonschouwspel nog steeds aan de gang zijn. {TN8: 5.3}

  Voorts, plaatst de verklaring: “Ik zal u dingen tonen die hierna moeten geschieden,” de gebeurtenis in de Christentijdperk. En de verklaring: “stond een Lam zoals het geslacht was” (bloedende ten behoeve van de zondaar), plaatst hen en de genadetijd. {TN8: 6.1}

  Dan van de vergelijking van Daniel 7:9, 10, 13, met Openbaring 4:2 en 5:1, 11 (reeds geciteerd), is het feit duidelijk dat beide visioenen van dezelfde gebeurtenis zijn – het oordeel. De een openbaart het gebeuren ervan in de periode van het moeilijk-te-beschrijven beest in zijn tweede fase, nadat zijn horen die de ogen van een mens en een mond vol grootspraak had, had gelasterd (na de regering van Kerkelijk Rome), en voordat het beest werd gedood en zijn lichaam gegeven werd aan de brandende flammen (Dan. 7:11) voor ver verwoesting van Rome. En het andere visioen openbaart het plaatsvinden ervan enige tijd in de Christentijdperk, en binnen de genadetijd. {TN8: 6.2}

 Daniël zag tronen opgesteld, en de “Oude van dagen,” de Rechter, zitten, aantonende dat noch Hij, noch de tronen voorheen daar waren. Ongetwijfeld zaten op de overige

6

tronen, “zetels,” de vierentwintig oudsten. En uiteindelijk zag hij dat de “Zoon des mensen,” Christus, de Advocaat, voor de “Oude van dagen” gebracht werd. Dus, zagen zowel Daniël als Johannes “het oordeel (…) opgesteld, en de boeken (…) geopend. {TN8: 6.3}

En aangezien Johannes de 144.000 zag staan op de Berg Sion met het Lam nadat het oordeel werd opgesteld en voordat het werd afgesloten, vindt het gebeuren noch voor het oordeel, noch na het oordeel, maar tijdens dit plaats. {TN8: 7.1}

 En houdt nu in gedachte dat het visioen van het  “Lam staande op de Berg Sion” (Openb. 14:1) Christus als een Verlosser openbaart, terwijl zijn visioen van “de Leeuw uit de stam van Juda” staande voor het oordeel, Hem als een Koning openbaart. Met elkaar vergeleken, tonen zij aan dat terwijl Hij dan de Verlosser is, Hij tegelijkertijd de Koning der koningen is. {TN8: 7.2}

 Daar het nu duidelijk is wanneer de 144.000 te voorschijn komen, volgt toegenomen belangstelling op de voet met de vraag wie zij zijn. Aangezien zij volgelingen van het Lam (Christenen) zijn, zo ook “zonen van Jakob,” zijn zij daarom:

Israëlieten Inderdaad – Geen Heidenen. {TN8: 7.3}

Wie dan ook zich bekeerd heeft tot het christendom, door Christus te aanvaarden als zijn persoonlijke Verlosser, heeft een ervaring gehad die volledig zijn vroegere plannen en hoopvolle verwachtingen, zijn gehele levenswijze, heeft omvergeworpen en omgewenteld. Hij heeft de wereld verzaakt en al haar “begeerlijkheden van zonde voor een tijd” (Heb.

7

11:25), en is een nieuwe schepping in Christus geworden, wedergeboren, erfgenaam van het koninkrijk overeenkomstig de belofte! Dit is wat Jezus bedoelde toen Hij aan Nicodemus verklaarde: “Gij moet wederom geboren worden.” En Paulus die deze ervaring in gedachte had, zegt: “Indien gij Christus toebehoort, dan zijt gij Abrahams zaad, en erfgenamen overeenkomstig de belofte.” Gal. 3:29. {TN8: 7.4}

  Ongeacht daarom, als men nu Jood of Heiden is, hij kan geen deelhebben in het koninkrijk van Christus, behalve dan door de tweede geboorte, waardoor hij een van de zaden van Abraham wordt. Deze geestelijke transformatie, daarentegen, bepaalt niemands raciale identiteit and stamafkomst. Het kan, met andere woorden, geen Judeër maken van iemand die geen afstammeling van Juda is, of van hem een Efraïmiet maken als hij geen afstammeling van Efraïm is. Dus kunnen de 144.000, die de zonen van Jakob zijn, niet uit de heidense naties zijn. Zij zijn daarom, in de eerste plaats, Rechtstreekse afstammelingen van Jakob, hoewel:

Niet Noodzakelijk van de Tegenwoordige Te Identificeren Joodse Ras {TN8: 8.1}

  De tien stammen (het koninkrijk van Israël) werden weggevoerd, verstrooid over de steden der Meden (2 Kon. 17:6), en aldus volledig weggezonken in de zee van het leven der omringende naties, en opgenomen, dat zij volledig uit het oog werden verloren, raciaal, naar menselijke berekening. {TN8: 8.2}

  Evenzo, toen de twee stammen (het koninkrijk van Juda) werden weggevoerd naar Babylon,

8

met slechts weinigen die terugkeerden naar Jeruzalem nadat de zeventig jaren van hun ballingschap waren beëindigd, verloor een menigte van hen ook hun identiteit. {TN8: 8.3}

   De vroege Christen Gemeente bestond, ook toen, slechts uit Joden, slechts de apostelen, de 120 in de bovenzaal (Hand. 1:15), en de 3000 die bekeerd werden op de pinksterdag (Hand. 2:41) waren allen Joden, zoals feitelijk allen die “dagelijks werden toegevoegd” dat waren gedurende de eerste drie en een half jaar na de kruisiging (Dan. 9:26, 27; Hand. 2:47). En zelfs zelfs nadat de periode voorbij was, en aan de apostelen werd opgedragen om het evangelie naar de Heidenen te brengen (Hand. 13:46) werden veel meer Joden Christenen, en werden zij vervolgens, eerder als Christenen dan als Joden, onder de naties verstrooid. {TN8: 9.1}

Het is daarom in iedere instantie duidelijk, dat de meesten der zonen van Jakob hun raciale kenmerken verloren hebben. Aangezien de Heer echter altijd een geslachtsregister van alle naties heeft bijgehouden, in het bijzonder van de zonen van Jakob, zal Hij, zoals Hij beloofd heeft, “melding maken van Rahab en Babylon als degenen die Mij kennen; zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië: deze man werd daar geboren. En van Sion zal worden gezegd: deze en die man werd hier geboren; en de Allerhoogste Zelf zal haar bevestigen. De HERE zal tellen,  wanneer Hij het volk opschrijft, dat deze man daar geboren werd Selah.” Ps. 87:4-6 {KJV}.{TN8: 9.2}

 Dus net zo duidelijk als vreemd is het feit dat niemand vandaag aan de dag, behalve de herkenbare Joden,

9

zijn afkomst kan bewijzen, met als resultaat dat de 144.000 vergaderd kunnen worden van elke natie, verwantschap, tong, en volk, en toch deel uitmaken van zonen van Jakob! {TN8: 9.3}

“En het zal te dien dage geschieden,” zegt het Woord der profetie in dit verband, “dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om te heroveren de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde. En het zal te dien dage geschieden, dat de HERE zal afslaan van de Rivier af tot de Beek van Egypte toe, en gij zult ingezameld worden één voor één, kinderen Israëls. Isa. 11:11, 12; 27:12 {KJV}. {TN8: 10.1}

Aangezien daarom de geschiedenis, logica, en de Schrift, hun bewijzen combineren om onvoorwaardelijk te bewijzen dat God de stamboom van de uitverkoren tak van het menselijk geslacht heeft uitverkoren, voorwaarts van Adam tot Noach (Matt. 1:1-17), en achterwaarts van Jezus tot Adam (Luk. 3:23-38), Hij moet dan, om een samenhangende reden, ook de identiteit van de uitverkorenen vandaag hebben bewaard. En wij zien, dat dit precies datgene is wat Hij gedaan heeft in Zijn bestemmen van de afstamming van de 144.000, als “uit al de stammen van de kinderen

10

Israëls.” Openb. 7:4. En hoewel wij niet weten wat wij zijn, en dat nooit van onszelf kunnen zeggen, kent Degene Die alles van ons weet, zelfs tot de laatste haar van elk hoofd, onze juiste afkomst, ofschoon degenen van ons die zullen worden vergaderd van het zaad van Jakob als, zegt de profeet, “als het zand der zee zijn,” terwijl, ter vergelijking sprekend, het identiviseerbare Joodse ras van vandaag, slechts een handvol is ten opzichte van de naties, en daarom vandaag niet degenen kunnen zijn op wie van toepassing zijn:

De Termen Israël, Efraïm, Jozef. {TN8: 10.2}

   Voor een ogenblik teruggaand naar de historische benadering van ons onderwerp, memoreren wij dat na Salomo’s dood, de natie Israël (de twaalf stammen) werd verdeeld in twee gescheiden koninkrijken (1 Kon. 11:11, 12; 12:19, 27). Het tien-stammen rijk, die het noordelijk deel van het beloofde land in beslag nam, werd “Israël” genoemd, zo ook Efraïm, en van tijd tot tijd het huis van Jozef: “Israël,” vanwege de meerderheid der stammen ervan, Efraïm (Jes. 11:13), omdat de koningen ervan uit Ephraim kwamen; en Jozef (Eze. 37:16), omdat hij de vader van Efraïm was. Maar het twee-stammen rijk, die het zuidelijk deel in beslag nam, werd “Juda” genoemd, omdat haar koningen uit de stam van Juda waren, en daarom worden haar nakomelingen “Joden” genoemd. De term “Israël,” is dus vaak alleen van toepassing op de tien stammen. Dus wanneer voortaan in deze pagina’s de lezer de termen, “Judah,” “Israël,” “Ephraïm,” en

 11

“Joseph” tegenkomt, zal hij precies weten wie zij aanduiden, en zal {hij} precies begrijpen wie zij uitbeelden, en zal, naargelang wij voortgaan, beter Gods plan begrijpen voor het bijeenbrengen van de twaalf stammen van Israël, en voor de hereniging van hen in:

Een Groot Koninkrijk. {TN8: 11.1}

  “Het koninkrijk der hemelen,” zegt Christus, “is gelijk aan een mosterdzaad, welke een mens nam, en in zijn veld zaaide: die inderdaad het kleinste van alle zaden is; maar wanneer het Volgroeid is, is het de grootste onder de kruiden, en wordt een boom, zodat de vogelen des hemels komen en nestelen in haar takken,” Matt. 13:31, 32 {KJV}. “Nochthans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden,  dat in plaats waar tot hen gezegd was: gij zijt Mijn volk niet, daar zal er gezegd worden: gij zijt de zonen van de levende God.” Hos. 1:10 {KJV}. {TN8: 12.1}

  Door het verwerpen van Christus’  leringen, na ze gehoord, en Hem gedood te hebben, haalde de Joodse natie de vloek over zich die God over hen uitsprak toen Hij door Zijn profeten verklaarde: “Gij zijt niet Mijn volk, en Ik zal uw God niet zijn,” hoewel tegelijkertijd, in Zijn grote genade, Hij de belofte liet optekenen: “ter plaatse, waar tot hen [Israël van vroeger]gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zul tot hen [Israël van vroeger] gezegd worden: gij zijt zonen van de levende God.” (Zie Rom. 9:24-26 {KJV}).{TN8: 12.2}

12

Aldus, zal gelukkig hetzelfde, Israël en Juda, die terzijde waren gelegd en verstrooid, “te dien dage” (onze tijd) opnieuw worden aanvaard en “worden bijeengebracht, en één hoofd over zich stellen, en zij zullen optrekken uit het land. Hos. 1:11 {KJV}.{TN8: 13.1}

  Na “vele dagen zonder een koning” te zijn verbleven (hun lot vanaf de dagen van hun ballingschap in Babylon zelfs tot op de huidige dag), “Zullen de kinderen Israëls (…) daarna” (ergens in de toekomst), zegt het shriftgedeelte, “Terugkeren, en de Here hun God zoeken, en David hun koning; en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid in de laatste dagen.” Hos. 3:4, 5 {KJV}. {TN8: 13.2}

 Maar aangezien David,  de koning van het oude Israël, gedurende vele jaren reeds dood was toen deze profetie totstand kwam, en aangezien het nooit vervuld is, was hij het type van de David die komen moet. {TN8: 13.3}

 Dus, zijn zij het die “de Here vrezen en Zijn goedheid [de Christen Israëlieten] in de laatste dagen” (onze tijd), die één “hoofd” of “koning,” — de antitypishe David, zullen aanstellen. {TN8: 13.4}

 (Voor volledige studie over Hosea 1 en 2, lees onze Traktaat Nr. 4, Het Laatste Nieuws Voor Moeder {Tract No. 4, The Latest News For Mother.). {TN8: 13.5}

 Uit deze scherpomlijnde feiten in de voorafgegane alinea’s, maken wij op dat de kinderen Israëls, verstrooid en zonder een koning {gedurende} deze “vele dagen,” zullen “terugkeren,” niet als Joden, maar als Christenen. Deze consolidatie* {*hechtmaking of versterking} van de

13

twee koninkrijken van vroeger, Juda en Israël, wordt voortgezet in de zinnebeeldige voorstelling:

De Twee Samengevoegde Stokken. {TN8: 13.6}

 “Gij mensenzoon,” zegt de Here, “neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef – het stuk hout van Efraïm – en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden. {TN8: 14.1}

“Wanneer nu uw volksgenoten u vragen: Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt? zeg

shepherds-rod-tract-8-two-sticks

14

 shepherds-rod-tract-8-joined-sticks

dan tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef – dat aan Efraïm toebehoort – en van de stammen Israëls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in Mijn hand. {TN8: 14.2}

“Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt, voor hun ogen in uw hand zijn,

15

zeg dan tot hen: Zo zegt de Here God: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn.” Eze. 37:16-25. {TN8: 15.1}

Deze geïllustreerde profetie behoeft nauwelijks uitgelegd te worden, aangezien het in feite zichzelf uitlegt: aantonend dat de twee koninkrijken van ouds, Juda and Israël, zullen worden vergaderd van onder de “heidenen,” onder wie zij lang verstrooid zijn geweest en dat zij weer één grote

16

 natie zullen worden — “Een koninkrijk die nooit vernietigd zal worden.” Dan. 2:44 {KJV}. {TN8: 16.1}

 “Bovendien,” zegt de Here, “zal Ik met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en Mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben Die Israël heilig, doordat Mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen zal staan.” Ezek. 37:26-28 {KJV}. {TN8: 17.1}

 Aangezien God zegt dat Hij “hen vermenigvuldigen” zal wanneer zij weer een koninkrijk worden, en dat “de heidenen zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben Die Israël heilig, en aangezien Hij kan “vermenigvuldigen” noch “heiligen” de afsluiting van de genadetijd, moeten de twee koninkrijken van vroeger noodzakelijkerwijs, dan, worden  hersteld en versterkt tijdens de genadetijd —

“De Tijd van Herstel.” {TN8: 17.2}

  Indien de 144.000 de “eerste vruchten” zijn, dan moeten er daarom ook tweede vruchten zijn, want daar waar er een eerste is, moet er ook een tweede zijn. En aangezien de eerste vruchten de “dienstknechten Gods” zijn, moeten zij naderhand naar alle naties gezonden worden om de tweede vruchten (Jes. 66:19, 20) te vergaderen — de grote schare (Openb. 7:9) die Johannes zag, nadat hij de verzegeling van de 144.000 had beschouwd. (Voor een gedetaïlleerde studie van dit onderwerp, — de 144.000 en de

17

grote schare, — zie onze Traktaat Nr. 1, Extra Voorafgaande aan Het Elfde Uur!, De Herdersstaf, Deel 1). {Tract No. 1, Pre-eleventh Hour Extra!; The Shepherd’s Rod, Vol. 1.}. {TN8: 17.3}

Het feit dat “in hun mond geen leugen werd gevonden” (Openb. 14:5), zal duidelijk aantonen dat zij niets anders zullen verkondigen dan zuivere evangeliewaarheid, en maakt hun woorden even gezaghebbend als lastgevend als de geschreven woorden van de profeten en van de apostelen. Inderdaad, deze eerste vruchten zijn bekleed met zelfs grotere kracht en gezag: “op die dag dat de Here de inwoners van Jeruzalem verdedigen, en hij die te dien dage zwak is onder hen zal zijn als David; en het huis van David zal zijn als God, als de engel  des Heren voor hun aangezicht .” Zech. 12:8 {KJV}. {TN8: 18.1}

Ook “zal er te dien dage,” zegt Zacharia, “een fontein geopend zijn voor het huis van david en voor de inwoners van Jeruzalem voor zonde en voor onreinheid.” Zech. 13:1 {KJV}.{TN8: 18.2}

 Wanneer deze fontein “voor zonde en voor onreinheid” uiteindelijk geopend is, “voor het huis van David,” zal het kronende bewijs worden gezien dat de versterking {vastwording} van de twee koninkrijken een voldongen feit is, en dat de tijd gekomen  is voor de verkondiging van het evangelie in de gehele wereld. {TN8: 18.3}

   “En het zal te dien dage geschieden, zegt de Here der heerscharen, dat Ik zal afsnijden uit het land de namen der afgoden, en zij zullen niet meer gedacht worden; en

18

ook zal Ik maken dat de profeten en de onreine geest uit het land verdwijnen.” Zach. 13:2 {KJV}. Dat wil zeggen, ten tijde dat dit evangelie-verkondigende koninkrijk is opgericht, zal het een kerk zonder smet zijn — vrij van alle afgodendienaars en valse leraars. En het zal door “één herder” worden gevoed (…) namelijk mijn knecht David; hij zal hen voeden, en hij zal hun herder zijn. En Ik de Here zal hun God zihn, en Mijn knecht David een vorst onder hen.” Ezek. 34:23, 24 {KJV}.{TN8: 18.4}

  Wanneer de Heer op wijze de regering in eigen handen neemt” (Testimonies to Ministers, p. 300), en de kerk opnieuw regeert als een theocratische regering (in de laatste dagen), “zal het geschieden,” zoals Jesaja zegt, “(…) dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en alle natiën zullen erheen toestromen. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechtspreken onder de natiën, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot ploegscharen, en hun speren tot snoeimessen; natie zal niet meer tegen natie het zwaard opheffen, evenmin zullen zij de oorlog leren.” Isa. 2:2-4 {KJV}. {TN8: 19.1}

 Dus met de inluiding van dit eeuwig koninkrijk, en de daaruit voortvloeiende herstel van

19

alle dingen, zal er aan de ene hand een grote opwekking onder de naties; Buitenwerking stellen van grote voorraden oorlog wapentuig welke zij gedurende jaren hebben opgeslagen, zullen zij trachten om op te trekken naar, en om onderdanen van het koninkrijk te worden, en zich te voegen bij de legers van de Heer, Hem toelatend voor hen te stijden; terwijl er aan de andere hand koortsachtige oorlogsvoorbereidingen onder hen die weigeren te ontwaken: zich allen stortend in een bijzondere wapenwedloopprogram, veranderen zij zelfs hun landbouwgereedschap oorlogwapens tegen het koninkrijk van Christus — Zijn kerk (Joel 3:9-12; Zech. 12:3) {KJV}. {TN8: 19.2}

   “Daarom zullen uw poorten voortdurend openstaan; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; zodat men tot u de vermogens der Heidenen tot u kan brengen, en dat hun koningen gebracht kunnen worden. Ook de zonen van hen die u gekweld hebben zullen komen buigen voor u; en al degenen die u misacht hebben zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen; en zij zullen u noemen: De stad des Heren De Sion van de Heilige Israëls.” Isa. 60:11, 14 {KJV}. (Voor verdere studie van deze fase van het onderwerp, zie The Shepherd’s Rod, Vol. 1, {De Herdersstaf, Deel 1} pp. 173-181, waar “Micha Vier” wordt uitgelegd. En als een voorbeeld in type van hoe de strijd des Heren is, lees 2 Kronieken 20:15, 19, 24-30.) Maar daar de kerk ver, zeer ver, verwijderd is van zulk een heilige staat,

Moet de Kerk Worden Gereinigd. {TN8: 20.1}

  Geen enkele Christen van welk geloof dan ook kan de noodzaak van de reiniging van de kerk ontkennen. En

20

aangezien de Here nooit iets doet zonder Zijn kerk tevoren te waarschuwen, zendt Hij aan haar nu de boodschap van reiniging, teneinde haar een voorsmaak te geven van toekomstige heerlijkheid, zodat naargelang de oproep van de hemelse klaroen tot hervorming voortgaat met weerklinken onder Zijn volk, zij een intense lust voor haar waarheid mogen hebben, en zichzelf met het gehele hart mogen overgeven aan het werk van hervorming, nu gelijk terwijl Hij duidelijk Zijn plan aan hen voorlegt voor het oprichten van Zijn koninkrijk met de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de zondaars. Zij die onvoorwaardelijk gehoor geven aan de oproep, zullen een onweerstaanbare verlangen hebben om volledig daarop af te stemmen en de Heer toestaan hen van zonde en zondaren af te scheiden. Alleen zij zullen het zegel Gods ontvangen en als de eerste vruchten van het koninkrijk, 144.000 sterk, met het Lam op de “Berg Sion” staan! {TN8: 20.2}

   Zulk een toestand van heiligheid zal vandaag, net als in het verleden, maken dat de draak vertoornd raakt op de vrouw, om ook nu oorlog te voeren tegen haar overblijfsel ( (Openb. 12:17), een conflict dat verder wordt beschreven met de woorden: {TN8: 21.1}

   “Ik zag vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde [ten tijde van de verzegeling van de 144.000], de vier winden der aarde vasthoudend, zodat de wind niet zou waaien over de aarde, nog over de zee, noch over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen uit het oosten, hebbende het zegel van de levende God: en hij riep met een luide stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was om schade toe te brengen aan de aarde en de zee, zeggende: brengt

21

geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, totdat wij de dienstknechten van onze God aan hun voorhoofden verzegeld hebben.” Openb. 7:1-3 {KJV}. {TN8: 21.2}

Hier worden twee toe te dienen schades naar voren gebracht die zullen plaatsvinden: een door de winden, het andere door de engelen; en twee bevelen aan de engelen: één, dat zij de winden tegenhouden, zodat de winden niet waaien “over de aarde,  nog over de zee, noch over enige boom” (openb. 7:1); de andere, dat de engelen zichzelf bedwingen om “de aarde. (…) zee,” en “de bomen,” geen schade toe te brengen, totdat de dienstknechten Gods verzegeld zijn. (Openb. 7:2, 3) {KJV}.  Aangezien daarom, zo spoedig als de dienstknechten van God zijn verzegeld, zowel de winden als de engelen zullen aanvangen met het schade toebrengen, rijst de vraag betreffende wat het werk van de winden en het werk van de engelen voorstelt — politieke strijd of iets anders? Daar de naties altijd oorlog hebben gevoerd, zou dit tweeledig werk van het toebrengen van schade geen politieke strijd kunnen betekenen. En aangezien Jezus zegt dat tegen de tijd van het einde “natie zal opstaan tegen natie, en koninkrijk tegen koninkrijk” (Matt. 24:7), is het duidelijk dat het schade toebrengen door de winden, zo ook het schade  toebrengen door de engelen die beiden worden tegengehouden totdat de 144.000 zijn verzegeld, figuurlijk moeten  zijn voor het weerhouden van de “tijd der benauwdheid, zoals nooit eerder geweest was sinds er een natie was.” (Dan. 12:1 {KJV}. Dus, is het weerhouden van de vier winden door God het weerhouden van Hem van de activiteit van het beeld van het beest (Openb. 13:15-17) tegen de heiligen, terwijl Zijn weerhouden van de vier engelen dat zij geen schade toebrengen Zijn weerhouden is van het ten uitvoer brengen van Zijn

22

 wraak (Jes. 63:1-4; Jer. 51:18) over de zondaren die de kerk moeilijkheden bezorgen, totdat de verzegeling van de 144.000 voleindigd is. Samengevoegd, brengen deze twee schadetoebrengers de tijd der benauwdheid met zich mee zoals nog nooit eerder geweest was. {TN8: 22.1}

Openbaring 7:1-3 openbaart daarom een tweevoudige strijd: goddeloze mensen tegen God(het waaien van de winden) en God tegen hen (de engelen die hen schade toebrengen). Maar hoewel het waaien van de winden en het schade toebrengen van de engelen nadat de dienstknechten Gods zijn verzegeld, de “tijd der benauwdheid” teweeg brengen, toch “zal” “een ieder, die in het boek geschreven zal worden bevonden,” “verlost worden.” Dan.12:1{KJV}. {TN8: 23.1}

Uit deze feiten zien wij dat deze tijd van benauwdheid wordt teruggehouden ten einde de verzegeling van de 144.000 dienstknechten te verzekeren, opdat zij, “juist de uitverkorenen,” niet neergehaald worden om het beeld van het beest te aanbidden, of gedood worden wegens het weigeren daarvan. {TN8: 23.2}

Aangezien “al de boeken van de Bijbel in de Openbaring samenkomen en eindigen” (The Acts of the Apostles, p.585{Van Jeruzalem tot Rome, blz..}), dan moet de verzegeling van de dienstknechten van God (Openb.7) noodzakelijkerwijs ook in de profetieën gevonden worden. In Ezechiël, hoofdstuk negen, wordt het merken voorzien van hen die zuchten en uitroepen “over al de gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden”(in Juda en in Jeruzalem), en de slachting van hen die niet aldus zuchten en uitroepen. En het feit dat God in geen enkele tijd de zondaars van tussen de rechtvaardigen in Juda en in Israël heeft weggenomen, toont aan dat deze profetie

23

 van reiniging door een slachting nog nooit is vervuld. Dus, omdat het merken hetzelfde is als de verzegeling, is het slachten door de engelen daarom hetzelfde als het schade toebrengen door de engelen. {TN8: 23.3}

Deze beschadiging en verzegeling welke Johannes zag, en de slachting en het merken welke Ezechiël zag, wordt nogmaals geïdentificeerd als één en dezelfde: “Deze verzegeling van de dienstknechten van God is dezelfde die aan Ezechiël in een visioen werd getoond.”—Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz.445; Testimonies, Vol.5, blz.211{Getuigenissen, Deel 5, blz..}; Vol.3{Deel 3}, blz.267. {TN8: 24.1}

Hoewel het merken en de slachting (Ezech.9) alleen de kerk inhoudt, –Juda en Israël,– omvat het beschadigen door de winden en het beschadigen door de engelen (Openb.7) de gehele wereld –zowel “de aarde” als “de zee,” waarvan elk een aanduiding is van een andere locatie: de zee, die in de natuurlijke wereld de opslagplaats (tehuis) is van de wateren, is daarom op het gebied van de symbolen de geboorteplaats van de natiën – de Oude Wereld{Vaderland} , de aarde,die het tegengestelde is van de zee, is daarmee samenhangend een gebied dat weg is van de Oude Wereld. Het is gelokaliseerd aan Johannes in de voorstelling van het tweehoornige beest die opkomt, niet uit de zee, maar “uit de aarde”(Openb.13:11), de enige plaats waar bomen van nature groeien. En omdat bomen volgens Daniël 4:20-22 een figuurlijke voorstelling zijn van regeerders, stellen de bomen daarom in dit geval “de oude mannen(…)voor het huis”(Ezech.9:6) voor—een feit da openbaart dat het hoofdkwartier van de kerk, in deze periode zich bevindt in het gebied van het tweehoornige beest—de Nieuwe Wereld, “de aarde.” {TN8: 24.2}

24

Met het oog op deze duidelijk doorsneden feiten voor ons, zien wij dat het voornaamste doel van de verzegeling of het merken van de dienstknechten van God is, om de kerk van zonde en zondaars te reinigen, zodat zij in staat kan zijn om sterke te staan tegen het beeld-beest in de tijd der benauwdheid; en dat wanneer  dit reinigens werk voleindigd is, “het zal geschieden dat hij, die is achtergelaten in Sion, en hij die overblijft in Jeruzalem, heilig genoemd zal worden, namelijk een ieder die opgeschreven staat onder de levenden in Jeruzalem; wanneer de Here het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen en het bloed van Jeruzalem uit het midden daarvan zal hebben gezuiverd door de geest van gericht en door de geest van verbranding.”Jes.4:3,4{KJV}. {TN8: 25.1}

Wanneer dit “bijzonder werk van reiniging, van het wegdoen van de zonde onder Gods volk,”is volbracht, dan “zal de kerk ingaan tot haar laatste strijd. ‘Schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren,’ zal zij voortgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.”—The Great Controversy, blz.425{De Grote Strijd, blz..}; Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz…}. {TN8: 25.2}

“En de Here zal over iedere woonplaats van de berg Sion en over haar samenkomsten, des daags een wolk en rook scheppen, en des nachts een schijnsel van vlammend vuur; want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn. En er zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een schuilplaats en een toevlucht

25

tegen stortbui en tegen regen.” “En zij zullen hen noemen:Het heilige Volk, De Verlosten des Heren; en gij zult genoemd worden: Begeerde, Niet verlaten Stad.” Jes.4:5,6;62:12{KJV}. {TN8: 25.3}

“De gehele kerk, handelend als een, samenvloeiend in volmaakte eenheid, zal een levende, actief zendingswerktuig zijn, bewogen en beheerst door de Heilige Geest.” “Alles wat de apostelen deden, zal iedere gemeentelid vandaag de dag doen.” ”Zijn werkers zullen dan oog aan oog zien, en de arm des Heren, waarvan de kracht werd gezien in het leven van Chirstus, zal geopenbaard worden.” –Testimonies, Vol.8 {Getuigenissen, Deel 8}, blz.47; Vol.7{Deel 7}, blz.33; Vol.9{Deel 9}, blz.33. {TN8: 26.1}

Dan zal het geschieden, zegt de Here, dat “Ik Mijn grote naam zal heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Here ben, zegt de Here God, wanneer Ik geheiligd zal zijn in u voor hun ogen. Want Ik zal u weghalen van tussen de heidenen, en u bijeen vergaderen uit alle landen, en zal u brengen naar uw eigen land. {TN8: 26.1}

“Dan zal Ik rein water over u sprengen, en gij zult rein zijn; van al uw onreinheden en

van al uw afgoden zal Ik u reinigen;  een nieuw hart zal Ik u ook geven en een nieuwe geest in uw binnenste zetten; en Ik zal het hart van steen uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. En Ik zal Mijn Geest in uw binnenste zetten en maken, dat gij naar Mijn inzettingen wandelt zult,

26

en gij zult Mijn rechten onderhouden, en ze doen. En gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mijn volk zijn, en Ik zal uw God zijn. Ook zal Ik u van al uw onreinheden verlossen; Ik zal het koren roepen, en zal het vermeerderen, en geen hongersnood over u brengen. En Ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst van het veld vermeerderen, opdat gij niet meer de smaad van hongersnood ontvangt onder de heidenen. {TN8: 26.3}

“Dan zult gij terugdenken aan uw boze wandel en aan uw handelwijze, die niet goed was, en gij zult van uzelf walgen in uw eigen ogen om uw ongerechtigheden en uw gruwelen. Niet om uwentwil doe Ik het, zegt de Here God; weet dat wel! Schaamt u en wees verbaasd over uw eigen wandel, o huis Israëls.  Zo zegt de Here God: Ten dage dat Ik u zal hebben gereinigd van al uw ongerechtigheden, zal Ik u ook weer in de steden doen wonen, en de puinhopen zullen herbouwd worden. Dan zullen de heidenen die om u heen overgebleven zijn weten, dat Ik, de Here, de vernielde plaatsen herbouw, en beplant hetgeen verwoest was; Ik, de Here, heb het gesproken, en Ik zal het doen.” Ezech.36:23-33,36.{KJV}. {TN8: 27.1}

Nogmaals: “Door de tempel te reinigen van de kopers en verkopers van de wereld, kondigde Jezus zijn zending {of missie} aan,” ten eerste, “om het hart te reinigen van de verontreiniging der zonde, –van de aardse lusten, de zelfzuchtige begeerten, de kwade gewoonten, die de ziel verderven”( The

27

Desire of Ages, bl.z161{De Wens der Eeuwen, blz..}); en ten tweede, om de gehele kerk te reinigen van zonde en zondaars. Omdat Hij tweemaal (eenmaal in de afsluiting van de verkondiging van het koninkrijk door Johannes de Doper, en in de opening van het evangelie dispensatie, aan het begin van de bediening van Christus, en andermaal in de afsluiting van Zijn werk en in de opening van die van de apostelen—Special Testimonies to Ministers, No.7{Speciale Getuigenissen aan Predikanten, Nr.7},blz. 54) de tempel reinigde van de onheilige praktijken waarmee de Joden het ontheiligden (Johannes 2:q15,16; Matt.21: 12,13), gaf Hij daardoor tweemaal de waarschuwing aan in type, dat ook in de afsluiting van de Christelijke dispensatie, Hij tweemaal Zijn kerk zal reinigen; eenmaal bij de verzegeling van de eerste vruchten, de 144.000, en andermaal bij de verzegeling van de tweede vruchten, de “grote schare.” Openb.7:1-9. {TN8: 27.2}

Aangezien beide deze reinigingen bovendien plaatsvonden op het feest van het Pascha, en omdat ook allen die “zich niet voldoende gereinigd hadden”(2.Kron.30:3:Ex.12:3-6) het werd verboden om deel te nemen aan het Pascha in de eerste maand, maar werden toegestaan zich erop voor te bereiden en het te vieren in de tweede maand (Num.9-11; 2 Kron. 30:13), wordt daardoor getypeerd de reiniging van de kerk in twee delen, aldus nochtans opnieuw aantonend dat er twee bijeenvergaderingen zijn, twee verzegelingen, twee scheidingen, twee gezelschappen—eerste vruchten en tweede vruchten (Voor een nadere behandeling van de twee verzegelingen, zie onze Tract No.1, Pre-Eleventh Hour Extra!{Traktaat Nr. 1, Extra Vóór Het Elfde Uur!}, en voor het antitype van het Pascha, The Shepherd’s Rod, Vol.2{De Herdersstaf, Deel 2} blz.256.}. {TN8: 28.1}

28

“Er moet,” zegt de Geest der Profetie, “een reiniging plaatsvinden van de instellingen, die gelijksoortig is aan de reiniging door Christus van de vroegere tempel. ‘Er staat geschreven,’ zegt de Here, ‘Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden, maar gij hebt het gemaakt tot een rovershol. Er vinden in onze instellingen van vandaag transacties plaats die gelijksoortig zijn aan die plaatsvonden in de tempelhoven in de tijd van Christus; en de gehele hemel kijkt toe(…)De Heer zal werken om Zijn kerk te reinigen. Ik vertel het u in waarheid: de Heer staat op het punt de instellingen die naar Zijn naam genoemd zijn, om te keren en omver te werpen. Hoe spoedig precies dit zuiveringsproces zal beginnen, kan ik niet zeggen, maat het zal niet lang uitgesteld worden. Hij, Wiens wan in Zijn handen is, zal Zijn tempel reinigen van haar morele verontreiniging. Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.” – Brethren in Responsible Positions, {Broeders in Verantwoordelijke Posities}, Sept.1895. {TN8: 29.1}

In een parabolische voorvertoning van de reiniging van de kerk, verklaart Christus: “(…)de engelen zullen uitgaan, en de goddelozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden”(Matt.13:49)—de goddelozen wegnemen en de goeden achterlaten; terwijl Hij in de Openbaring, zich richtend tot de Zijnen in Babylon, zegt: “Kom uit van haar, Mijn volk” (Openb.18:4)—de rechtvaardigen eruit roepend en de goddelozen erin latend.De eerstgenoemden worden gereinigd doordat de goddelozen uit hun midden worden uitgeworpen; de laatstgenoemden, doordat zij worden weggenomen uit het midden van de goddelozen. {TN8: 29.2}

Ook zijn er twee verschillende gelijkenissen van de talenten (Matt. 25:15-30; Lukas 19:13-

29

27), waarvan beiden het tafereel nadrukkelijk binnengaan in haar huidige stand. In de één zijn er drie dienstknechten; in de ander tien dienstknechten. Dit opmerkelijke verschil toont aan dat de eerstgenoemde slechts een lokale toepassing heeft, terwijl de laatstgenoemde een wereldwijde toepassing heeft (overigens aantonend, zoals The Shepherd’s Rod, Vol.2{De Herdersstaf, Deel 2}, blz. 85,86 dat doet, dat het getal “tien” in de Geschriften staat voor universaliteit, en het getal “drie” voor de Drie-eenheid in de kerk.) {TN8: 29.3}

Deze onveranderlijke waarheden van type en gelijkenis en “het woord van Zijn getuigenis,” confronteren ons met de ernstige realiteit, dat wij zijn gekomen tot de tijd van het antitypische Pascha en reiniging van de tempel, en tot de oogst van de wereld,—“de grote en vreselijke dag des Heren.” De Geest Gods gebiedt ons “met ontzagwekkende ernst: ‘Maak u gereed! Maak u gereed! Maak u gereed! Want de vurige toorn des Heren zal spoedig komen. Zijn grimmigheid zal uitgegoten worden, ongemengd met genade, en gij zijt niet gereed. Scheur het hart, en niet het kleed.” –Early Writings, blz.119{Eerste Geschriften, blz..}. {TN8: 30.1}

O, laat niemand ertoe misleid worden te denken dat Gods kerk na de afsluiting van de genadetijd, of na de tweede komst van Christus (nadat de zondaars in de wereld zijn]vernietigd), de verheven standaard van karakter zal verwerven, of de hoge positie, door de hemel aangesteld, en gereinigd worden van zonde en zondaars! In tegendeel: “te dien dage”(voordat de zondaars in de wereld zijn

30

vernietigd), zegt de Here, “zal Ik Jeruzalem maken tot een lastige steen voor alle volken; allen die zich daarmee belasten zullen aan stukken gesneden worden, hoewel alle volken der aarde zich ertegen verzamelen. Te dien dag zal de Here de inwoners van Jeruzalem beschermen; en hij die zwak is onder hen te dien dage, zal zijn als David; en het huis van David zal zijn als God, als de engel des Heren voor hun aangezicht. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen al de natiën, die tegen Jeruzalem aankomen.” “Te dien dage zal; er op de bellen der paarden staan: HEILIGHEID DES HEREN; en de potten in het huis des Heren zullen zijn als de sprengbekkens vóór het altaar. Ja, iedere pot in Jeruzalem en in Juda zal heiligheid zijn voor de Here der heerscharen; en allen die offeren, zullen komen, en van hen nemen, en daarin koken; en te dien dage zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.12:3,8,9;14:20,21{KJV}. {TN8: 30.2}

Deze verzen verklaren nadrukkelijk dat de kerk zal zijn “als God, als de engel des Heren voor hun aangezicht,” gedurende de tijd der benauwdheid, wanneer de natiën zich tegen har zullen verzamelen, en de Heer in Zijn vergelding hen dan zal slaan. Omdat de genadetijd nog voortduurt terwijl deze opeenvolging van gebeurtenissen plaatsvinden, zullen daarom “allen die offeren” (een handeling die uitgevoerd wordt vóór de afsluiting van de genadetijd) heilig zijn, en “er zal

31

geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de Here.” {TN8: 31.1}

Iedere ware Bijbelstudent weet dat de kerk deze reinheid van hart en karakter en positie moet bereiken, niet nadat, maar voordat het bemiddelingswerk van Christus is voleindigd en voordat het “offer” is opgehouden. Zulke studenten weten allen ook dat God ook niet Zijn grote macht ten toon kan spreiden om hen te beschermen in de tijd waarin “alle volken der aarde ertegen verzameld zijn”, noch Zijn Geest over hen kan uitstorten, zoals Hij dat deed over de vroegere Christenen op de Pinksterdag, als er zich zondaars bevinden tussen zijn volk, en als de gehele kerk niet “eendrachtig{ of eenstemmig}” is (Handelingen 2:1{KJV}), “gekleed met de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, (…) “Schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren”—zoals dat was met de apostolische kerk, waarop de Geest neerdaalde als een “geweldige windvlaag.” Handelingen 2:2. {TN8: 32.1}

“Alleen zij,” zegt de Geest der Profetie, “die verleidingen hebben weerstaan en overwonnen door de kracht van de Machtige, zullen worden toegestaan om deel te hebben in het verkondigen van deze boodschap, wanneer het zal zijn aangezwollen tot een Luide Roep.” –Review en Herald, 19 November, 1908. {TN8: 32.2}

En opdat de Luide Roep niet zal falen om op tijd of helemaal niet te luiden, moeten zij die “hun plicht hadden verzaakt,” –“ de oudsten, aan wie God groot licht gegeven had en die als

32

wachters voor het geestelijk welzijn van het volk hadden gestaan,” –verwijderd worden. “Dit wordt bekrachtigend voortgezet door de uitleg van de profeet betreffende het laatste werk voorgesteld door mannen met ieder een slachtwapen in zijn hand.”—Testimonies, Vol.3{Getuigenissen, Deel 3}, blz.266. “Mannen, meisjes, kleine kinderen, allen komen zij tezamen om.” –Idem, Vol.5{Deel 5}, blz.211. {TN8: 32.3}

  Geconfronteerd met de torenende zekerheid van het op handen zijnde reiniging, verzegeling, en de daarop volgende heerlijkheid van de kerk, haasten wij ons om onder ogen te zien de

Toestand van de Kerk Net Voor De Reiniging. {TN8: 33.1}

Welke grotere misleiding kan het verstand der mensen bevangen dan een zekerheid dat zij allen gelijk hebben, terwijl zij allen het verkeerd hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een treurige misleiding, doch oprecht in die misleiding. Zij weten niet dat hun toestand betreurenswaardig is in Gods ogen. Terwijl de geadresseerden zichzelf vleien dat zij in een verheven geestelijke toestand verkeren, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid door de alarmerende veroordeling van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede, en ellendigheid. De getuigenis, die zo doorsnijdend en scherp is, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige die spreekt, en Zijn getuigenis moet correct zijn.”—Testimonies,Vol.3{Getuigenissen, Deel 3},blz.252-253. {TN8: 33.2}

“Wie kan naar waarheid zeggen: ‘Ons goud is beproefd in het vuur; onze kledingstukken zijn onbevlekt van de wereld’? Ik zag onze Instructeur wijzen

33

naar de kledingstukken van de zogenaamde gerechtigheid. Ze verwijderend, legde Hij de verontreiniging daarbeneden bloot. Toen zei Hij tegen mij: ‘Kunt u niet zien hoe zij op aanmatigende wijze hun verontreiniging en verdorvenheid van karakter hebben bedekt?’ “Hoe is de getrouwe stad een hoer geworden?” Mijn Vaders huis is tot een huis van handelswaar gemaakt, een plaats vanwaar de goddelijke aanwezigheid en heerlijkheid is weggegaan! Dit is de reden waarom er zwakheid is, en er kracht ontbreekt.”—Idem, Vol. 8{Deel 8}, blz. 250. {TN8: 33.3}

“De oudsten, aan wie God groot licht gegeven had en die als wachters voor het geestelijk welzijn van het volk hadden gestaan, hadden hun plicht verzaakt(…)Deze stomme honden die niet wilden blaffen zijn degenen die de rechtvaardige wraak van een beledigde God voelen. Mannen, meisjes, kleine kinderen, allen komen zij tezamen om.”– Idem, Vol.5{Deel 5}, blz.211. {TN8: 34.1}

“Het is moeilijk voor degenen die zich verzekerd voelen in hun verworvenheden, en die van zichzelf geloven dat zij rijk zijn in geestelijke kennis, om de boodschap te ontvangen die verklaart dat zij misleid zijn en iedere geestelijke genade nodig hebben. Het ongeheiligde hart is “arglistig boven alles, en wanhopig verderfelijk.’” Idem, Vol.3{Deel 3}, blz.253. {TN8: 34.2}

“Er zijn velen die niet de oordeelkundigheid van Jozua hebben, en die geen bijzondere plichtsbesef hebben om verkeerdheden uit te zoeken, en onmiddellijk af te handelen met de zonden die onder hen bestaan. Laten dezulken niet degenen verhinderen die

34

de last van dit werk op zich dragen; laat hen niet in de weg staan van degenen die deze taak te vervullen hebben. Sommigen maken er een punt van om vraagtekens te plaatsen, te twijfelen, en fouten te zoeken, omdat anderen het werk doen dat God hen niet heeft opgelegd. Dezen staan direct in de weg om degenen te verhinderen, waarop God de last heeft gelegd van het berispen en corrigeren van overheersende zonden, zodat Zijn afkeuring kan worden afgewend van Zijn volk. Als er een geval zoals die van Achan zich onder ons zou voordoen, dan zijn er velen die degenen, die de taak van Jozua zouden uitoefenen in het uitzoeken van de verkeerdheid, ervan zouden beschuldigen een boosaardige, fouten zoekende geest te hebben. God laat niet lichtzinnig met zich omgaan, en laat Zijn waarschuwingen niet straffeloos worden veracht door een verdorven volk. {TN8: 34.3}

* * *

“Gods ongenoegen is over Zijn volk, en Hij zal Zijn macht niet ten toon spreiden in het midden van hen, terwijl er zonden onder hen bestaan, en worden gekoesterd door degenen die een verantwoordelijke functie bekleden. {TN8: 35.1}

“Zij die werken in de vreze Gods om de kerk van hindernissen te ontdoen, en om ernstige verkeerdheden te corrigeren, zodat het volk van god de noodzaak kan zien om de zonde te verafschuwen, en voorspoedig kan zijn in reinheid, en zodat de naam van God verheerlijkt kan worden, zullen altijd tegenstaande invloeden ondervinden van de  niet toegewijden. Zefanja beschrijft aldus de ware toestand van deze klasse, en de vreselijke oordelen die over hen zullen komen: — {TN8: 35.2}

“En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem met lampen zal doorzoeken,

35

en de mannen straffen die dik geworden zijn op hun droesem; die in hun hart zeggen: De Here zal geen goed doen, noch zal Hij kwaad doen.’ ‘De grote dag des Heren is nabij, het is nabij, en zeer haastende, namelijk de stem van de dag des Heren; de held zal daar bitter schreeuwen’(…) {TN8: 35.3}

“Wanneer er uiteindelijk een crisis komt, zoals dat zeker zal komen, en God ten behoeve van Zijn volk spreekt, kunnen degenen die hebben gezondigd, zij die een wolk van duisternis zijn geweest, en die direct in de weg hebben gestaan van Gods werking voor Zijn volk, gealarmeerd worden tot hoever zij zijn gegaan in het morren en ontmoediging overbrengen over de zaak; en net zoals Achan, zijnde bevreesd geworden, kunnen zij erkennen dat zij hebben gezondigd. Maar hun belijdenissen zijn te laat, en zijn niet van de juiste aard om hen van nut te zijn, ondanks dat zij verlichting kunnen brengen in de zaak van God(…) {TN8: 36.1}

“Zij die haast hun gehele leven beheerst zijn gewest door een geest die even vreemd is van de Geest van God als die van Achan dat was, zullen zeer passief zijn wanneer de tijd voor allen komt om een beslissende actie te ondernemen. Zij zullen niet beweren aan welke kant dan ook te staan.” Idem, blz. 270,272. {TN8: 36.2}

“Wij zijn geneigd te denken dat daar waar er geen getrouwe predikan­ten zijn er geen ware Christenen kun­nen zijn; maar dat is niet het geval. God heeft beloofd dat daar waar de herders niet trouw zijn Hij zelf Zich over de kudde zal ontfermen. God heeft de kudde nooit

36

volle­dig afhankelijk gemaakt van men­se­lijke instru­menten. Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal een volk hebben dat zuiver en waarach­tig is. In de grote zif­ting die spoedig zal plaatsvinden, zullen wij beter in staat zijn de sterkte van Israël te meten. De voortekenen openbaren dat de tijd nabij is wan­neer de Heer zal tonen dat Zijn wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen. {TN8: 36.3}

“(…)Zij die vertrouwd hebben op intellect, genie of talent, zullen dan niet aan het hoofd staan van rang en gelid. Zij hebben geen gelijke tred gehouden met het licht. Zij die zichzelf bewezen hebben ontrouw te zijn, zullen dan niet met de kudde worden toevertrouwd. In het laatste plechtige werk zullen weinig mannen van naam betrokken zijn. Zij zijn verwaand, onafhankelijk van God, en Hij kan ze niet gebruiken. De Heer heeft getrouwe dienstknechten, die in de tijd van schudding en beproeving zichtbaar bekend gemaakt zullen worden. Er zijn kostbaren nu verborgen die hun knie niet voor Baäl hebben gebogen. Zij hebben het licht niet gehad dat in een geconcentreerde vlammenzee op u heeft geschenen. Maar het kan zijn dat onder een ruwe, onaantrekkelijk uiterlijk, de zuivere helderheid van een oprechte Christelijk karakter zal worden geopenbaard.” -Idem, Vol.5, blz.80, 81{Deel 5, blz.70}. {TN8: 37.1}

De voorafgaande reeks verklaringen tonen aan dat de kerk gereinigd moet worden voordat het overige van Gods volk wordt vergaderd “uit alle” landen. Dan, “in die dagen, en in die tijd, wanneer Ik de gevangenschap van Juda en Jeruzalem zal wenden, “ zegt de

37

Heer, “Zal Ik ook alle natiën vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat, en zal aldaar met hen richten {of pleiten,KJV} voor Mijn volk en voor Mijn erfdeel Israël, die zij onder de natiën verstrooid, en Mijn land gedeeld hebben.” Joel 3:1,2{KJV}. {TN8: 37.2}

Maar om verlost te worden van gevangenschap, en om de Heer “aldaar” te horen “(…)richten{of pleiten}” voor Zijn volk, waagt men het niet om nu te verwerpen

Zijn Pleidooi. {TN8: 38.1}

“Zij zeggen: Als een man zijn vrouw verlaat, en zij gaat van hem, en wordt van een andere man, zal hij ook tot haar nog weerkeren? Zal het land niet grotelijks ontheiligd worden? Maar gij hebt met veel minnaars gehoereerd; keer nochtans weer tot Mij, zegt de Here. Heft uw ogen op naar de hoge plaatsen, en zie toe, waar gij niet gelegen hebt.  Aan de wegen hebt gij voor hen gezeten, als de Arabier in de woestijn; en gij hebt het land ontheiligd met uw hoererijen en met uw boosheid. Daarom zijn de regenstromen ingehouden, en er is geen spade regen geweest; en gij hebt en hoerenvoorhoofd, gij weigert beschaamd te worden. Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman van mijn jeugd? {TN8: 38.2}

“Ga heen, en verkondig deze woorden tegen het noorden, en zeg: Keer terug, gij afkerige Israël, zegt de Here; en Ik zal Mijn toorn niet op u doen vallen; want Ik ben genadig, zegt de Here, en Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. Alleen, erken uw

38

ongerechtigheid, dat gij tegen de Here, uw God, overtreden hebt, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemdelingen onder iedere groene boom, en gij zijt aan Mijn stem niet gehoorzaam geweest, zegt de Here. Keert, o afkerige kinderen, zegt de Here; want Ik ben ben met u getrouwd; en Ik zal nemen, een uit de stad, en twee uit een geslacht, en Ik zal u brengen te Sion; en Ik zal u herders geven naar Mijn hart, die u zullen weiden met kennis en verstand. En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vermeerderd bent in het land, in die dagen, zegt de Here, dat zij niet meer zullen zeggen: De ark van het verbond des Heren;  noch zal het in gedachte komen; noch zullen zij het gedenken; noch zullen zij het bezoeken; noch zal dat ooit weer gedaan worden. Te dien tijde zullen zij Jeruzalem noemen de troon des Heren; en al de natiën zullen ertoe vergaderd worden, tot de naam des Heren, tot Jeruzalem; ook zullen zij niet meer wandelen naar de gedachten van hun boos hart. In die dagen zal het huis van Juda wandelen met het huis van Israël, en zij zullen samen komen uit het land van het noorden, tot het land dat Ik aan uw vaders tot een erfenis heb gegeven.” Jer.3:1-4, 12-18{KJV}.{TN8: 38.3}

Nochtans zegt de Here: “Zie, Ik zal u zenden de profeet Elia, vóór de komst van de grote en geduchte dag des Heren. En hij zal het hart der vaderen terug­voe­ren tot de kinderen en het hart der

39

kinde­ren tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en de aarde treffe met de vloek.” Mal.4:5,6(KJV.). {TN8: 39.1}

“Zie, Ik zend Mijn boodschap­per, en hij zal de weg voor Mij bereiden; en de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen(…)Doch wie kan de dag van zijn komst ver­dragen, en wie zal standhouden, als Hij ver­schijnt? Want Hij is als het vuur van de smel­ter en het loog van de blekers. En Hij zal zitten als een smelter en reiniger van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reini­gen, en hen louteren als goud en zil­ver, opdat zij de Here in ge­rechtig­heid een offer kunnen brengen. Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Here aangenaam zijn, als in de dagen van ouds, en als in vroegere jaren. En Ik zal tot u ten oordeel naderen; Ik zal een snelle Getuige zijn tegen de tove­naars, tegen de echtbrekers, tegen de mein­edigen, tegen hen die het loon van de daglo­ner drukken, weduwe en wees verdrukken, en de vreemdeling terzijde dringen van zijn recht, maar Mij niet vrezen, zegt de Here der heer­scharen. Want Ik ben de Here, Ik ver­ander niet; daarom zijt gij, zonen van Ja­kob, niet verteerd. {TN8: 40.1}

“Zelfs van de da­gen uwer vaderen af zijt gij afgeweken van mijn inzet­tingen, en hebt ze niet onder­houden. Keert te­rug tot Mij, dan zal Ik tot u terugke­ren, zegt de Here der heer­scharen. En dan zegt gij: In welk opzicht moeten wij terugkeren? {TN8: 40.2}

Mag een mens God bero­ven? Toch hebt gij Mij berooft. En dan zegt gij: Waarin hebben wij

40

U beroofd? In de tien­den en de (hef)offers. Met een vloek zijt gij vervloekt, want gij hebt Mij be­rooft, namelijk dit gehele volk. Brengt gij al de tienden naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in Mijn huis, en beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en een zegen over u uitgieten, zodat er geen plaats genoeg zal zijn om hem te ontvangen. En Ik zal, u ten goede, de afvreter dreigen, en hij zal de vrucht van uw land niet verderven; noch zal uw wijnstok haar vrucht vóór de tijd afwerpen op de akker, zegt de Here der heerscharen. En alle volken zullen u ge­lukkig prijzen, omdat gij een land van wel­be­hagen zult zijn, zegt de Here der heer­scharen.” {TN8: 40.3}

” Vermetel [overmoedig, hoogmoe­dig] zijn uw woorden tegenover Mij, zegt de Here. En dan zegt gij: Wat heb­ben wij dan zo­zeer tegenover U gesproken? Gij zegt: Nut­te­loos is het God te dienen; en wat ge­win geeft het, dat wij zijn geboden onder­hou­den en dat wij in rouw gaan voor het aan­ge­zicht van de Here der heer­scha­ren? En nu, wij prijzen de hoogmoedi­gen gelukkig; ja, zij die goddeloos­heid bedrijven worden gebouwd, ja, zij die God verzoe­ken worden zelfs uitgered.” {TN8: 41.1}

“Dan spraken zij die de Here vrezen, vaak onder elkander: en de Here bemerkte het en hoorde het, en er werd een gedenk­boek voor Zijn aange­zicht geschreven, ten goede van hen die de Here vrezen, en zijn naam in ere hiel­den. En zij zullen van Mij zijn, zegt de Here der heerscharen, op die dag wanneer Ik mijn sieraden zal opma­ken; En Ik zal hen spa­ren, zoals iemand zijn eigen zoon spaart, die hem dient.”

41

Dan zult gij terugkeren, en het onderscheid zien tussen de rechtvaar­dige en de goddeloze; tussen wie God dient, en wie Hem niet dient.” Mal.3:1-18{KJV}. {TN8: 41.2}

“Daarom, alzo zegt de Here God; Ziet, Ik leg in Sion ten grondslag een steen, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, een vaste grondlegging; hij die gelooft, zal niet haasten. Ook zal ik gericht stellen naar het richtsnoer, en gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugens wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overstromen. {TN8: 42.1}

“En uw verbond met de dood zal te niet gebracht worden, en uw verdrag met de hel zal geen standhouden; wanneer de overvloeiende gesel zal doortrekken, dan zult gij erdoor vertreden worden. Van de tijd af, dat het voortgaat, zal het u wegnemen; want morgen aan morgen zal het doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal een verbijstering {of kwelling} zijn om enkel het gerucht te verstaan. Want het bed is korter dan dat een mens zich daarop kan uitstrekken; en de deken smaller dan dat hij zich daarin kan wikkelen. Want de Here zal opstaan, zoals op de berg Perazim, Hij zal toornig zijn, zoals in het dal van Gibeon, opdat Hij zijn werk kan doen, Zijn vreemd werk; en Zijn daad te verrichten, Zijn vreemde daad. Nu dan, wees gij geen spotters, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want Ik heb van de Here der heerscharen gehoord een verwoesting, namelijk {één die} vast besloten {is} over de ganse aarde. {TN8: 42.2}

42

“Neemt ter ore, en hoort Mijn stem; merk op, en hoort mijn rede.” Jes.28:16-23{KJV}. {TN8: 43.1}

Aangezien “God heeft beloofd dat daar waar de herders niet trouw zijn Hij zelf Zich over de kudde zal ontfermen” (Testimonies, Vol.5, blz.80{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}; Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz.300; Jer.3:17), en omdat de afstammelingen van Jakob, opnieuw een koninkrijk zijnde geworden, over zich één hoofd aanstellen (Hos.1:11), “David, hun koning”(Hos.3:5), “en de Here, hun God, zoeken,” dan is het duidelijk dat de kerk, in de tijd van de Luide Roep van de Derde Engel Boodschap,

Een Theocratie{Godkoninkrijk} zal zijn. {TN8: 43.2}

“De scepter zal van Juda niet wijken, nog de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en tot hem zal de vergadering der volken zijn.” Gen.49:10{KJV}. {TN8: 43.3}

“Zie, een koning zal regeren in gerechtigheid, en vorsten zullen heersen naar het recht. En een mens zal zijn als een schuilplaats voor de wind, en een beschutting tegen de storm; als waterstromen in een dorre streek, als de schaduw van een machtige rots in een dorstig land.” Jes. 32:1,2{KJV}. {TN8: 43.4}

“Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; en de heerschappij zal op Zijn schouder rusten; en Zijn naam zal genoemd worden: Wonderijk, Raadsman, de machtige God, de Eeuwige Vader, de Vredevorst. Aan de grootheid van Zijn heerschappij en vrede zal er geen einde komen, op de

43

troon van David, en in Zijn koninkrijk, om het te bevelen, en te bevestigen met gericht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen. De Here heeft een woord gezonden in Jakob, en het heeft geschenen over Israël.” Jes.9:6-8{KJV}. {TN8: 43.5}

“Zie, de Here zal komen met een sterke hand, en Zijn arm zal voor Hem heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, [Hij zal hen dan het koninkrijk geven] en Zijn werk is voor Hem [Hij zal dan Zijn volk vergaderen].” Jes.40:10{KJV}. {TN8: 44.1}

“En er zal een rijsje {roede of staf} voortkomen uit de tronk {of stam} van Isaï {of Jesse},” profeteert Jesaja in een figuurlijke beschrijving van deze heerlijke zege van Gods voornemen, “en er zal een scheut {of tak} uit zijn wortelen groeien. En op Hem zal de Geest des Heren rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren; en zal Hem van snel inzicht maken in de vreze des Heren. En Hij zal niet richten naar hetgeen Zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen Zijn oren horen; maar in gerechtigheid zal Hij de armen richten en in billijkheid over de ootmoedigen der aarde berispen; en Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds en met de adem Zijner lippen de goddeloze doden. En gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn, trouw de gordel van Zijn heupen.” Jes.11;1-5.{KJV} {TN8: 44.2}

44

shepherds-rod-tract-8-kingdom-illustrated

In deze illustratie worden er drie personen in zicht gebracht: Isaї {of Jesse}(de vader van David), het rijsje{of roede}(David), en de Scheut{of Tak}(Christus). De relatie toont aan dat David(het rijsje) niet Christus is(de Scheut), want het “rijsje” kwam voort uit de tronk{of stam} van

45

Isaї, en de Scheut uit het rijsje—een feit dat wordt bevestigd door de roep van de menigte toen Christus Jeruzalem binnenging. Zij schreeuwden: “Hosanna tot de zoon van David.” Matt.21:15. Het is daarom duidelijk, dat het “rijsje,” dat uit de tronk van Isaї komt, een symbolische voorstelling is van David; en de Scheut, komende uit het rijsje, is een symbolische voorstelling van de zoon van David—Christus. {TN8: 45.1}

Op deze “banier” (Scheut en rijsje) “zal de Geest des Heren rusten(…), de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des Heren; en zal Hem van snel inzicht maken in de vreze des Heren. En Hij zal niet richten naar hetgeen Zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen Zijn oren horen; maar in gerechtigheid zal Hij de armen richten en in billijkheid over de ootmoedigen der aarde berispen; en Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds en met de adem Zijner lippen de goddeloze doden. En gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn, trouw de gordel van Zijn heupen.” Jes.11;2-5.{KJV}. {TN8: 46.1}

Dus, hoewel het “banier” het verband tussen drie personen (Isai, de wortel; David, het rijsje; en Christus, de Scheut) zinnebeeldig voorstelt, toch de macht en wijsheid van Christus haar onderliggende en beheersende kracht. Daarom zegt Christus: “Ik ben de wortel en het nageslacht van David, en de blinkende en morgenster” (Openb.22:16{KJV}), bevestigend dat Hij alles en in allen is. {TN8: 46.2}

46

Aangezien er daarom uit de “tronk” van Isai het rijsje (David) kwam, en uit het rijsje voortkwam de Scheut (Christus), dan zullen David, de zichtbare koning en Christus, de onzichtbare Koning der koningen “te dien dage”—in onze tijd—het “banier” vormen, en “daarnaar zullen de Heidenen zoeken; en Zijn rust [of Zijn rustplaats—de locatie waar het “rijsje” of banier staat—het koninkrijk] zal heerlijk zijn.” Ja, “Ik zal de plaats van Mijn voet heerlijk maken”(Jes.60:13), zegt de Here. {TN8: 47.1}

“En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik, de Here, zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst in hun midden; Ik, de Here, heb het gesproken. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boze dieren uit het land doen ophouden; en zij zullen veilig wonen in de woestijn, en slapen in de bossen.” Ezech.34:23-25{KJV}.{TN8: 47.2}

Aldus wordt Zijn kerk, of koninkrijk, nogmaals weerspiegeld zonder “vlek, of rimpel, of iets dergelijks” (Ef.5:27), een theocratie van vrede, veiligheid, en onoverwinnelijkheid, onder de regering van één herder en een koning—David, Zijn knecht. Maar het feit dat vele koningen over Israël geregeerd hebben, kan in de gedachten van sommigen de vraag doen opkomen: {TN8: 47.3}

Waarom David als type?

Onvermijdelijk omdat hij de enige is die op volmaakte wijze past bij het antitype—het leider-

47

schap in de tijd van de Luide Roep van de Derde Engel Boodschap. Aangezien dit zo is, dan volgt het noodzakelijkerwijs dat Saul, de eerste koning die over Israël regeerde, en die grotendeels verantwoordelijk was voor de vroegere ervaring van David’s leven, een type is van het kerkleiderschap in de periode die voorafgaat aan de Luide Roep—het leiderschap dat werd opgericht in 1844, en tot het enkelvoudige doel van het vergaderen van de 144.000, de eerste vruchten van het koninkrijk. In elk geval past het type op volmaakte wijze bij het antitype. {TN8: 47.4}

Op grond van zijn uiterlijke koninklijke voorkomen, werd Saul gekozen door het volk, zoals de lezer zal gedenken, om hun koning te zijn, ondanks Gods afkeuring (1 Sam.8:7). Toen God hem dan uiteindelijk verwierp en David zalfde om in zijn plaats  koning te zijn, was hij vastbesloten om de troon te behouden door te proberen David te doden, maar eindigde, zelfs voordat David het besteeg, door zichzelf opzettelijk te doden (1 Sam.31:4). {TN8: 48.1}

De tijd heeft reeds aangetoond dat het Z.D.A. organisatie het type vervult. De voorkeur hebbend om zich te verenigen, en om functionarissen te verkiezen door de stem van het volk, hebben zij daardoor getoond dat zij zich niet zozeer zorgen erover hebben gemaakt om God te behagen door “een bijzonder volk” te zijn, zoals Hij zou willen dat zij dat zijn, dan dat zij dat hebben gemaakt om zichzelf te behagen door zoveel mogelijk te zijn als de andere kerkgenootschappen—net zoals het volk in de tijd van Saul wilde zijn als de natiën rondom

48

hen (1 Sam. 8:5,7).  En hoewel verkozen door het volk, toch werden de functionarissen van de Generale Conferentie desondanks door God aangenomen om de regeerders te zijn over Zijn volk van nu, zoals Saul dat vroeger was. Net zoals hij zijn plicht echter verzaakte, door ongehoorzaam te zijn aan het Woord van God zoals het tot hem was gesproken door de profeet Samuël, alzo heeft de huidige kerkorganisatie, “de oude mannen ….voor het huis,” zegt de profeet tot de kerk van vandaag, “hun plicht verzaakt {hun vertrouwen beschaamd}.” –Testimonies, Vol.5, blz.211{Getuigenissen, Deel 5, blz. 173}. (Voor een uitvoerigere behandeling van het onderwerp organisatie, zie onze Handleiding Organisatie{ Organization Manual}.) {TN8: 48.2}

Sprekende tot het Z.D.A. leiderschap, zegt de dienstknecht des Heren: “U heeft geen recht om te beheren, tenzij u beheert naar Gods bevel. Staat u onder de beheersing van God? Ziet u uw verantwoordelijkheid tot Hem in? (…) Dat deze mannen zouden staan op een heilige plaats om als de stem van God te zijn tot het volk, zoals wij eens geloofden dat de Generale Conferentie dat is—dat is voorbij. Wat wij nu willen is reorganisatie.” –Generale Conferentie Bulletin, 34ste Sessie, Deel 4, Extra Nr.1, 3 April, 1901, blz.25, Kol. 1 en 2. {TN8: 49.1}

Deze openbarende verklaring bewijst beslissend dat na de historische vergadering te Minneapolis in 1888, toen de leiders zowel de boodschap als de raad die hen werd gegeven verwierpen (Testimonies to Ministers{getuigenissen voor Predikanten}, bladzijde 468), de Heer niet langer de Generale Conferentie achtte als Zijn

49

dienstknechten, net zoals Hij Saul niet langer als koning achtte over Israël nadat hij zich afkeerde van Gods geboden tot hem. En nu, hebbende sinds lange tijd de populaire behoefte{of vraag, eis} toegekend om de Generale Conferentie te organiseren, ter vervulling van het type, waarschuwt God dat Zijn verdraagzaamheid ten einde is gekomen vandaag, net zoals het dat was toen. Ernstig verklaart de Geest der Profetie: {TN8: 49.2}

“‘God roept op tot een geestelijke herleving en een geestelijke hervorming. Tenzij dit plaatsvindt, zullen zij die lauw zijn voortgaan met steeds afschuwelijker te zijn voor {de ogen van} de Here, totdat Hij zal weigeren hen te erkennen als Zijn kinderen. {TN8: 50.1}

“ ‘Er moet een herleving en hervorming plaatsvinden onder de bediening van de Heilige Geest.  Herleving en hervorming zijn twee verschillende dingen. Herleving betekent een vernieuwing van het geestelijk leven, een verkwikking van de krachten van het verstand en het hart, een opstanding uit de geestelijke dood. Hervorming betekent een reorganisatie, een verandering in meningen en theorieën, gewoonten en praktijken. Hervorming zal de goede vrucht van gerechtigheid niet voortbrengen, tenzij het wordt verbonden met de herleving van de Geest. Herleving en hervorming zullen hun aangewezen werk doen, en in het doen van dit werk moeten zij zich vermengen.” –Christ Our Righteousness{Christus Onze Gerechtigheid}, blz.154, Herdrukt uit Review en Herald, 25 Febr., 1902. {TN8: 50.2}

Zoals de val van Saul kwam door te verzuimen om tot de letter gehoorzaam te zijn aan het Woord van de Heer,

50

en door daarna zijn ongehoorzaamheid te verontschuldigen onder het voorwendsel dat hij het beste van het vee had gespaard voor een offer in aanbidding tot God, zo heeft het huidige leiderschap, hoewel haar is geboden alle wereldse verbintenissen en wegen te vermijden, en alle wijzen van zakendoen op de Sabbat te vermijden, zoals het verkopen van lectuur, doelen bereiken, enz., desondanks zich verbonden met de wereld en nagevolgd in verboden paden, zelfs tot het veranderen van het huis Gods in een huis van handelswaar(Testimonies, Vol.8{Getuigenissen, Deel 8}, blz.250). Vervolgens, voortgaande naar de wijze van Saul, verdedigen zij zich met een verzachting voor deze ongehoorzame en ontheiligende koers, op grond van dat zulk een handelwijze goede zendingswerk is! Maar de Geest der Profetie zegt: {TN8: 50.3}

“Er is een grote vergissing begaan door sommigen die belijden tegenwoordige waarheid te geloven, door handelswaar voor te stellen gedurende een serie van bijeenkomsten en door hun handel de gedachten af te leiden van het doel van de bijeenkomsten. Als Christus nu op aarde was, zou Hij deze verkopers en handelaars uitdrijven, hetzij zij predikanten zijn of {gewone} mensen, met een gesel van kleine koorden, zoals toen Hij de tempel in vroegere tijden binnenging, ‘en allen uitwierp die verkochten en aanbrachten in de tempel, en de tafels omkeerde van de geldwisselaars, en de stoelen van hen, die duiven verkochten. En zeide tot hen: Er staat geschreven: Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden, maar gij hebt het gemaakt tot een rovershol.’ Deze verkopers konden zich hebben verdedigd met de verontschuldiging dat de artikelen die zij

51

verkochten bestemd waren voor offergaven. Maar hun doel was om winst te maken, om middelen te werven, om te vergaren. {TN8: 51.1}

Mij werd getoond, dat als de morele en intellectuele vermogens niet beneveld waren geweest met verkeerde leefgewoonten, dan zouden de predikanten en leden snel zijn om het kwaad te onderscheiden van het vermengen van heilige dingen met alledaagse dingen.  Predikanten hebben in het paneel gestaan, en een meest plechtige lezing gepredikt, en vervolgens, door handelswaar voor te stellen, en als een verkoper te handelen, zelfs in het huis van God, hebben zij de gedachten van hun hoorders afgewend van de indrukken die zij ontvingen, en de vrucht van hun arbeid vernietigd.” – Testimonies, Vol.1{Getuigenissen, Deel 1}, blz.471,472. {TN8: 52.1}

Hoewel hij Samuël erkende als Gods profeet, gehoorzaamde Saul met opzet niet aan zijn woord; evenzo, hoewel zij Zuster White erkent als Gods dienstknecht, verloochent ook de Generale Conferentie vandaag de dag, jammer genoeg, door de koers die zij navolgen, haar gezag. Dit wijd open staande feit wordt talrijke keren aan de dag gelegd in de Geest der Profetie, waarvan een vertegenwoordigende verklaring is: {TN8: 52.2}

“Zij die vertrouwd hebben op intellect, genie of talent, zullen dan niet aan het hoofd staan van rang en gelid. Zij hebben geen gelijke tred gehouden met het licht(…)Zij zijn verwaand, onafhankelijk van God, en Hij kan ze niet gebruiken. De Heer heeft getrouwe dienstknechten, die in de tijd van schudding

52

en beproeving zichtbaar gemaakt zullen worden.” —Testimonies, Vol. 5, p. 80{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70}. {TN8: 52.3}

“Als zij in deze toestand doorgaan, zal God hen verwerpen.” —Testimonies, Vol. 6{Getuigenissen, Deel 6}, blz. 427. {TN8: 53.1}

Net zoals de uiterlijke vertoning van Saul dus alleen maar als gevolg had dat hij werd onttroond door een andere koning, evenzo zal de mannen van naam van vandaag, zij die aan het hoofd staan van het werk, en die vertrouwen op “intellect, genie of talent,” vervangen worden door hen die, hoewel zij niet een gepolijste uiterlijke voorkomen hebben, “zichtbaar gemaakt” zullen worden in deze tijd, als openbarende “de zuivere helderheid van een oprechte Christelijk karakter.” (Voor een verdere studie over de verandering van leiderschap, zie onze Traktaat Nr. 2, De Waarschuwende Paradox.) {TN8: 53.2}

Zoals Saul, verder, God verachtte door te weigeren om afstand te doen van de troon, en door te proberen Zijn gezalfde, koning David, van het leven te beroven, evenzo ondervinden wij nu bij het klinken van de bazuin vandaag, dat de Generale Conferentie weigert God de teugels in Eigen handen te laten nemen (Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor predikanten}, blz.300), met hun poging Zijn troon te bezetten door vast te stellen dat zij het kerkgenootschap zullen beheren tot aan het einde der wereld, en door iedere gelegenheid te benutten om ons uit hun midden te werpen, ten einde hun beheer erover zeker te stellen. Zij die dit doen zijn degenen die de profeet Ezechiel op profetische wijze hoorde zeggen: “Deze stad is de pot, en wij zijn het vlees.” Ezech.11:3{KJV”}. Zij zijn nu

53

al het mogelijke aan het doen wat om zichzelf te verheffen en te bestendigen in macht, en ontdaan te zijn van degenen die in de naam van de Heer “vrede” hebben “verkondigd,” en tot hen hebben gebracht de “goede tijdingen” dat “de goddeloze niet meer door u zal heentrekken; hij is volkomen afgesneden.” Nah. 1:15{KJV}. Maar “deze stad zal ult gij niet,” zegt de Heer, “uw pot zijn, noch zult gij het vlees zijn in het midden daarvan; maar Ik zal u richten in het gebied van Israël.” Ezech.11:11{KJV}. {TN8: 53.3}

Zij die ernaar verlangen om voor zichzelf de waarheid te weten te komen betreffende het soort behandeling die wij ontvingen door toedoen van de kerkambtenaren (zoals David door toedoen van Saul), kan onze Traktaat Nr. 7 lezen, Tel de Bewijzen van Beide kanten Alvorens Ervoor of Ertegen te Strijden. {TN8: 54.1}

Door de boodschap te verwerpen die tot hen is gekomen met waarschuwingen en berispingen, en door voort te gaan met hun kwade handelwijzen, dwingen onze broeders de Heer ertoe om hen neer te snijden door de slachtwapens van Ezechiel 9, tenzij zich onmiddellijk bekeren. Hoewel zij onderweg zijn naar zelfmoord samen met Saul, zeggen zij nochtans in hun hart: “De Heer zal niets goeds maar ook niets kwaads doen. Hij is te genadig om Zijn volk met een oordeel te bezoeken.’ Aldus is ‘vrede en veiligheid’ de roep van mannen die nooit meer hun stem als een bazuin zullen verheffen om Gods volk hun overtredingen te tonen en het huis Jakobs hun zonden. Deze stomme honden die niet wilden blaffen zijn degenen die de rechtvaardige wraak van een

54

beledigde God voelen. Mannen, meisjes, en kleine kinderen, allen komen zij tezamen om.” (Testimonies, Vol.5, blz.211{Getuigenissen, Deel 5, blz.173}.) {TN8: 54.2}

Zoals Saul, verder nog, verantwoordelijk was voor de dood van niet alleen zijn zonen, maar ook van het volk (1 Sam.31:6), evenzo dal de geestelijke leiding verantwoordelijk zijn voor de “mannen, meisjes, en kleine kinderen” die falen het zegel te ontvangen, en die dus omkomen in de slachting. {TN8: 55.1}

Niettemin, ondanks hun grote zonde en zekere ondergang, openbaart David, het type, het feit dat hoewel wij de slip van hun klederen kunnen afsnijden terwijl zij verbitterd en toornig tegen ons zijn, en ons achterna jagen rondom de “schaapskooien”, of dat wij “de speer en de waterkruik van” hun “hoofdeinde” kunnen afnemen terwijl zij in “een diepe slaap van de Heer” verkeren, of dat wij hen slapende vinden binnen de “wagenburg,” of hun voeten bedekkende in onze schuilplaatsen (1 Sam.26:7-12), zij overgeleverd kunnen zijn aan onze genade, met de macht en de gelegenheid om hen veel schade toe te brengen, toch zullen wij in geen geval zelfs de minste schade bij hen aanrichten, maar eerder een vriend zijn voor hen. {TN8: 55.2}

En terwijl zij ons vervolgen, zoals Saul David vervolgde, zal een ieder die verontrust is, en een ieder die in de schuld staat, en een ieder die in ontevredenheid verkeert, zoals het type aantoont, zich bij ons voegen (1Sam. 22:2); terwijl allen die “noch koud noch heet,(…)lauw”(tevreden) zijn, samen met de engel van de gemeente der Laodicenzen, in

55

het kritieke gevaar verkeren van “ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt” te blijven, en van, als gevolg, “uitgespuwd” te worden,–verworpen—“neergesneden.” –Testimonies, Vol. 6, {Getuigenissen, Deel 6}blz. 427; Vol. 5, p. 80{ Deel 5, blz.70 }; Vol. 1{Deel 1}, blz. 190; Vol. 5, p. 211{Deel 5,blz.173}. {TN8: 55.3}

In de voorafgaande uiteenzetting zien wij dat zij die gehoor geven aan de stem van de Goede Herder, worden getypeerd {voorgesteld} door David’s volgelingen, en zij die geen gehoor geven, worden getypeerd door Saul en zijn volgelingen. {TN8: 56.1}

In de gelijkenis van Lukas van het grote avondmaal, brengt Christus opnieuw beide klassen in zicht. Enerzijds voorafschaduwen Saul’s sympathisanten in de gelijkenis degenen die zichzelf verontschuldigen op grond van dat zij het te druk hadden met de zorgen van dit leven, en die zich dus “eendrachtig begonnen te verontschuldigen”; De eerste zeggende tot Hem: “Ik heb een akker gekocht, en ik moet die noodzakelijk gaan bezien; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga die keuren; ik verzoek u, houd mij voor verontschuldigd. Weer een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.” Anderzijds, typeren David’s volgelingen degenen die werden gevonden in “de straten en stegen” van de stad—“de armen, en de verminkten, en de kreupelen, en de blinden.”Lukas 14:17-24{KJV}.{TN8: 56.2}

Onmiddellijk nadat Saul werd geïnformeerd door Samuël dat God vanwege zijn ontrouw hem had verworpen als regeerder over zijn volk, werd Samuël heimelijk gezonden om

56

David te zalven in de plaats van Saul. En ondanks het Saul was verteld dat de Heer hem had verworpen, toch weigerde hij af te treden, met als gevolg dat de Filistijnen zijn leger overvielen, en op het punt stonden het koninkrijk over te nemen; De reus Goliath “stond daar en riep de slagorden van Israël toe: Waarom trekt gij uit om u in slagorde te scharen? Ben ik geen Filistijn, en zijt gij geen knechten van Saul? Kiest u een man, en laat hij naar mij toe komen. Indien hij met mij vermag te strijden en mij verslaat, dan zullen wij u tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en versla, dan zult gij ons tot knechten zijn en ons dienen. Ook zeide de Filistijn: Ik tart heden de slagorden van Israël: geeft mij een man, dat wij samen strijden. Toen Saul en geheel Israël deze woorden van de Filistijn hoorden, werden zij verschrikt en vreesden zeer. 1 Sam.17:8-11. {TN8: 56.3}

Hoewel hij niets was dan slechts een knaap, die veracht werd door zijn broers, en slechts gering werd geacht door alle anderen, zei David tot Saul: “Laat niemand om hem de moed verliezen; uw knecht zal gaan en met deze Filistijn strijden. En hij nam zijn staf in de hand, zocht zich vijf gladde stenen uit de beekbedding en deed ze in de herderstas, die hij bij zich had, in de tas voor de slingerstenen, maar zijn slinger hield hij in de hand. Zo naderde hij de Filistijn. En David stak zijn hand in de tas, nam er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn tegen zijn voorhoofd, zodat de steen in zijn voorhoofd drong, en hij

57

voorover ter aarde viel. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij versloeg de Filistijn en doodde hem; maar David had geen zwaard in zijn hand. Dus snelde David toe, bleef bij de Filistijn staan, greep diens zwaard, trok het uit de schede en doodde hem. Hij hieuw hem het hoofd ermee af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun held dood was, sloegen zij op de vlucht.” 1 Sam.17:32,40,49-51{KJV}. {TN8: 57.1}

De overwinning van David over de reus tegen wie niemand in staat was te strijden, typeert de overwinning van de kerk (het huis van David—Zach.12:8), in de “tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was,” over het beest en zijn beeld (de antitypische Goliath), betreffende wiens geduchtheid de Openbaarder vraagt: “Wie is aan het beest gelijk? Wie kan er oorlog tegen voeren?” De reus Goliath stelt daarom degenen voor die nu de dienstknechten van God verachten, en die het Beeld van het Beest zullen omvatten{vormen}, het religieus-politieke systeem dat de legerscharen van de Heer zal verachten, en een decreet uitvaardigen “dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft(…)en maken dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden.” Openb.13:17,15. {TN8: 58.1}

Maar “te dien dage,” zegt de Here, “zal Ik Jeruzalem maken tot een lastige steen voor alle volken; allen die zich daarmee

58

belasten, zullen in stukken gesneden worden, hoewel alle volken der aarde zich ertegen zullen verzamelen. Te dien dage zal de Here de inwoners van Jeruzalem beschermen; en hij, die zwak is onder hen, zal op die dag zijn als David; en het huis van David zal als God zijn, als de engel des Heren voor hun aangezicht. Zach.12:3,8{KJV}. {TN8: 58.2}

De vijf gladde stenen in de tas van David, waarvan hij met één van hen Goliath versloeg, typeren de vijfvoudige macht in de antitypische herderstas (de Bijbel), waarvan God met een deel daarvan vandaag het beeld en zijn beeld, de natiën–de antitypische Goliath, zal verslaan. En omdat wij weten dat Hij door Zijn Woord, in de vorm van een boodschap, de natiën zal verslaan, dan stellen de vijf gladde stenen vanzelfsprekend vijf boodschappen voor, waarvan de laatste het beest zal verwonden, zijn beeld vernietigen, en Gods volk bevrijden van de vrees der heidenen. {TN8: 59.1}

Omdat dus de vijf stenen in de herderstas een voorstelling zijn van vijf boodschappen, moeten de boodschappen daarom, noodzakelijkerwijs, ergens in de Bijbel in kaart zijn gebracht. Zij bevinden zich in Christus’ gelijkenis van de wijngaard: de eerste op het “vroege” uur(het ceremonieel systeem); de tweede, op het “derde uur”  (de kruisiging en de opstanding van Christus); de derde, op het “zesde uur” (de drie en twintig honderd dagen van Dan.8:14); de vierde, op het “ negende uur” (het oordeel van de doden); en de vijfde, en laatste, op het “elfde uur” (het oordeel van de levenden, de

59

tijd van de Luide Roep), welke het beest zal verwonden, en met zijn eigen zwaard (de tien horens van Openbaring 17:16), zijn hoofd zal afsnijden, en hem dan met vuur vernietigen, zodat de wond nooit meer zal genezen. In de bodschap van het uur ligt daarom de veiligheid van Gods volk. (Voor een volledige studie over de gelijkenis van Mattheus 20:1-16, en het beest van Openbaring 17, lees The Shepherd’s Rod, Vol.2, blz. 222-239;155,156{De Herdersstaf, Deel 2, blz…}). {TN8: 59.2}

Verkondigend “de grote en vreselijke dagdes Heren”(Mal.4:5), “een dag van slachting”(Jes.30:25), en “een dag van duisternis” (Joel 2:2), zal deze laatste boodschap geklonken worden op het elfde uur – net voor de tijd waarin, zoals Johannes voorzag, “de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en iedere slaaf, en vrije, verborgen zich in de holen en de rotsen der bergen; en zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van Zijn toorn is gekomen; en wie zal kunnen bestaan?” (Openb.6:15-17)?—niemand dan de rechtvaardigen, de toekomstige leiders van de kerk, zoals de regering van David dat typeert. {TN8: 60.1}

“Wie heeft de rechtvaardige verwekt van het oosten, hem geroepen op zijn voeten, de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt dat hij over koningen heerste? Hij gaf hen als stof voor zijn

60

zwaard, en als een voortgedreven stoppel voor zijn boog. Hij joeg ze na en doortrok veilig; namelijk door de weg, die hij met zijn voeten niet begaan had. Ik heb een verwekt van het noorden, en hij zal komen; van de opgang der zon zal hij Mijn naam aanroepen; en hij zal komen over vorsten als over leem, en gelijk de pottenbakker het klei treedt.” Jes.41:2,3,25. {TN8: 60.2}

“Ziet, Ik heb hem tot een getuigenis der volken gegeven, een leider en gebieder der volken. Ziet, gij zult een natie roepen, die gij niet kende, en natiën die u niet kenden zullen tot u snellen, om de Here uw God, en om de Heilige Israëls; want Hij heeft u verheerlijkt. {TN8: 61.1}

“Zoekt gij de Here, terwijl Hij te vinden is; roept gij Hem aan, terwijl Hij nabij is.” Jes.55:4-6{KJV}.{TN8: 61.2}

Aangezien, om Gods er en om de voorspoed van Zijn volk, zowel Elia’s boodschap als de regering van David het leven ontnam van velen (Elia’s boodschap, de levens van de afvallige leraars in Israël—1 Koningen 18:40; en David’s regering, de levens van de heidenen die God en Zijn legers verachtten—1 Kronieken 22:6-8), typeert daarom het werk van Elia in het bijzonder de dag van de slachting in de kerk, en de regering van David, de vernietiging van de heidenen en het in bezit nemen van de aarde (Zach.12:8,9; Jer.30:3,9). Waarna Christus (de zoon van David) zichtbaar zal verschijnen, Zijn koninkrijk tot Zich nemen, en het verheerlijken met

61

 eeuwige vrede (zoals wordt voorgesteld door de vreedzame regering van David’s zoon, Salomo). En in de dagen van deze antitypische gebeurtenissen zal volledig verwezenlijkt worden de belofte: {TN8: 61.3}

“Het zal geschieden, wanneer uw dagen zijn vervuld, dat gij [David] heen moet gaan tot uw vaderen, dat Ik uw zaad na u zal doen opstaan, dat uit uw zonen zal zijn; en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen. Hij zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon bevestigen in eeuwigheid. Ik zal zijn Vader zijn, en hij zal Mijn zoon zijn; en Ik zal Mijn ontferming niet van hem wegnemen, zoals ik die wegnam van hem, die voor u geweest is.” 1 Kron. 17:11-13{. “Wanneer de rechtvaardige gezag heeft, verblijdt het volk zich; maar wanneer de goddeloze heerst, treurt het volk.” Spr.29:2{KJV}. {TN8: 62.1}

Terwijl Hij voor de rechtvaardigen, het koninkrijk maakt tot Zijn plaats en bescherming, tot de heidenen,

Maakt God Het tot Zijn Strijdbijl. {TN8: 62.2}

“Gij zijt Mijn strijdbijl en strijdwapens,” verklaart de Heer bij het vooraf tonen aan het nageslacht van Jakob hun uiteindelijke bestemming, “want met u zal Ik in stukken slaan de natiën, en met u zal Ik koninkrijken vernietigen; en met u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en met u zal Ik in stukken slaan de wagen en zijn rijder; met u zal Ik ook in stukken slaan man en vrouw; en met u zal Ik in stukken slaan oud en jong; en met

62

u zal Ik in stukken slaan de jongeling en de jonkvrouw; Ik zal ook met u in stukken slaan de herder en zijn kudde; en met u zal Ik in stukken slaan de landbouwer en zijn jukossen; en met u zal Ik in stukken slaan de landvoogd en heersers.” Jer.51:20-23{KJV}. {TN8: 62.3}

“De steen” (Dan.2:45;Zach.3:9), de 144.000, “uit de berg afgesneden [De Laodiceese kerk] zonder mensenhanden (zonder menselijke hulp), zal de natiën die worden voorgesteld door “het ijzer, het koper, het leem, het zilver, en het goud” van het grote beeld. En “allen die zich daarmee belasten, zullen in stukken gesneden worden, hoewel alle volken der aarde zich ertegen zullen verzamelen.” Dus, “in de dagen van deze koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, die nooit vernietigd zal worden; en het koninkrijk zal niet overgelaten worden aan andere volken, maar het zal al deze koninkrijken in stukken slaan en verteren, en het zal stand houden in eeuwigheid.” Dan.2:44{KJV}. {TN8: 63.1}

Maar op de berg Sion zal er ontkoming zijn, en er zal heiligheid zijn; en het huis van Jakob zal hun bezittingen bezitten. En het huis van Jakob zal een vuur zijn, en het huis van Jozef een vlam, en het huis van Ezau voor stoppels, en zij zullen in hen in verbranden, en hen verslinden; en er zal niemand overblijven van het huis van Ezau; want de Here heeft het gesproken. En zij van het zuiden zullen de berg van Ezau bezitten; en zij van de vlakte de

63

Filistijnen; en zij zullen de velden van Efraїm bezitten, en de velden van Samaria; en Benjamin zal Gilead bezitten. En de gevangenschap van dit leger van de kinderen Israëls zal dat van de Kanaänieten bezitten, tot Sarefat toe; en het gevangenschap van Jeruzalem, welke in Safarad is, zal de steden van het zuiden bezitten. En verlossers zullen opkomen op de berg Sion, om over de berg van Ezau gericht te oefenen; en het koninkrijk zal van de Here zijn.” “En het zal geschieden, dat een ieder de naam des Heren zal aanroepen, behouden zal worden; want op de berg Sion en te Jeruzalem zal er verlossing zijn, zoals de Here gezegd heeft, en in het overblijfsel, die de Here zal roepen.” Obad.17-21; Joël 2:32{KJV}. {TN8: 63.2}

“Want de natië en het koninkrijk dat u niet zal dienen, zal omkomen; ja, die natiën zullen volkomen verwoest worden.” Jes.60:12{KJV}. {TN8: 64.1}

Uit de voorafgaande schriftgedeelten, zien wij dat als gevolg van het verwerpen van de waarheid die wordt verkondigd door Zijn kerk, de goddelozen ten vernietiging gaan. En deze profetische vooraankondiging van hun ondergang weerklinkend, verklaart Christus: “En hij die overwint, en Mijn werken bewaart tot het einde, aan hem zal Ik macht geven over de natiën; en hij zal over hen heersen met een ijzeren staf; als de vaten van een pottenbakker zullen in stukken verbroken worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.” Openb.2:26,27{KJV}.{TN8: 64.2}

“Hij die overwint” zijnde degene die zal heersen over “de natiën” “met een ijzeren

64

staf,” en de noodzaak van het werk van overwinnen zijnde niet van Hem maar van Zijn volgelingen, dan is de waarheid vanzelfsprekend dat de Heer een zegevierende natie zal hebben—een koninkrijk door welke Hij Zijn grote macht ten toon zal spreiden, en welke zal zijn

Een Koninkrijk van Vrede. {TN8: 64.3}

Dat een hemelsgelijkende veiligheid en vrede het koninkrijk zal bezielen op het tijdstip waarin God het zal gebruiken als Zijn “strijdbijl” om daarmee de natiën te slaan, wordt bewezen dor de volgende schriftgedeelten: {TN8: 65.1}

“De wolf zal ook met het lam verkeren, en de luipaard zal zich bij het bokje nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen; en een klein kind zal ze hoeden. En de koe en de berin zullen {samen} weiden; hun jongen zullen zich samen nederliggen; en de leeuw zal stro eten als een os. En de zuigeling zal spelen bij het hol van een adder, en het gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk {giftige slang}. Zij zullen geen schade toebrengen noch vernietigen op gans Mijn heilige berg; want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, gelijk de wateren de {bodem der} zee bedekken.” Jes. 11:6-9{KJV}. Wanneer deze staat van kennis en vrede overheerst in het koninkrijk, dan “zal er te dien dage een wortel van Isaї zijn, die zal staan tot een banier van het volk; daarnaar zullen de Heidenen zoeken; [dus is het in de genadetijd] en(…) te dien dage,(…) zal de Here

65

ten tweeden male Zijn hand opheffen, om terug te krijgen het overblijfsel van Zijn volk.” Jes.11:10, 11{KJV}. {TN8: 65.2}

“En te dien dage,” zegt de Heer door Zijn profeet Hosea, ter herhaling van Zijn vredesverbond, “zal Ik een verbond voor hen sluiten met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde; en Ik zal de boog en het zwaard en de krijg van de aarde verbreken, en hen veilig doen neerliggen.” Hos.2:18{KJV;vs.17,NBG/SV}. (Voor een uitgebreide behandeling van Hosea’s hoofdstukken één en twee, lees onze Traktaat Nr.4, Het Laatste Nieuws Voor Moeder{ Tract No. 4, The Latest News For Mother}.) {TN8: 66.1}

Zoals in Noach’s ark, het type, zo ook in het antitype, het koninkrijk, zal er niets schade toebrengen of vernietigen; de leeuw, de wolf, het lam, de luipaard, de kalf, het mestvee, zullen vreedzaam met elkaar leven en, gelijk de os, zullen allen zich voeden met “stro.” Aldus zal God nu, evenals in de tijd van Noach, een overblijfsel van mens en dier bewaren van Zijn gehele schepping, in plaats van ieder levend wezen te verdelgen, en hen weer helemaal opnieuw te scheppen. {TN8: 66.2}

Dit feit erkennend, zegt de apostel Paulus:  “Want de ernstige verwachting van het schepsel wacht op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om de wil van Hem, die het daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook het schepsel zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de heerlijke vrijheid der

66

kinderen Gods. Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wijzelf, die de eerste vruchten van de Geest hebben, zelfs wij zuchten in onszelf, verwachtende de aanneming, namelijk: de verlossing van ons lichaam.” Rom.8:19-23{KJV}. {TN8: 66.3}

“En Hij zal op deze berg [dit koninkrijk van vrede] vernietigen het aangezicht van de bedekking, die over alle volken geworpen is, en de sluier, die over alle natiën uitgespreid is. Hij zal de dood verslinden in de overwinning; en de Here God zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en de smaad van Zijn volk zal Hij van de gehele aarde wegnemen; want de Here heeft het gesproken. {TN8: 67.1}

“En men zal te dien dage [de dag waarin de Here de tranen van de aangezichten van al Zijn mensen afwist] zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen. Deze is de Here; wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid. Want op deze berg zal de hand des Heren rusten, en Moab zal onder Hem vertreden worden, gelijk het stro vertreden wordt tot een mesthoop.” Jes.25:7-10{KJV}. “En de inwoner zal niet zeggen: Ik ben ziek; het volk dat daarin woont, zal vergeven zijn van hun ongerechtigheid. Jes.33:24{KJV}. {TN8: 67.2}

“Looft de Here, o mijn ziel,” jubelt David, “en al wat in mij is, looft Zijn heilige naam. Loof de Here, o mijn ziel,

67

 en vergeet geen van Zijn weldaden; Die al uw ongerechtigheden vergeeft; die al uw krankheden geneest; die uw leven verlost van het verderf; die u bekroont met goedertierenheid en barmhartigheden; Die uw mond verzadigt met het goede; opdat uw jeugd wordt vernieuwd als van de arend.” Ps.103:1-5{KJV}. (Voor verdere studie over het onderwerp van de voortgang van het leven, zie onze Traktaat Nr. 5, Laatste Waarschuwing, blz..{Tract No.5, p.63-65}, Gereviseerde Editie, 1940.) {TN8: 67.3}

“En Ik zal het huis van Juda versterken, en Ik zal het huis van Jozef verlossen, en Ik zal hen terugbrengen om hen te plaatsen; want Ik ontferm Mij over hen; en zij zullen zijn alsof Ik hen niet verworpen had; want Ik ben de Here, hun God, en zal hen verhoren. En zij van Efraїm zullen zijn als een held, en hun hart zal zich verheugen als van wijn; ja, hun kinderen zullen het zien, en zich verblijden; hun hart zal zich verheugen in de Here. Ik zal hen tot Mij fluiten, en hen vergaderen; want Ik heb hen verlost; en zij zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij vermenigvuldigd waren. En Ik zal hen zaaien onder de volken; en zij zullen Mij gedenken in de verre landen; en zij zullen leven met hun kinderen, en terugkeren. Ik zal hen ook terugbrengen uit het land Egypte, en hen vergaderen uit Assyrië; en Ik zal ze brengen in het land van Gilead en Libanon; en er zal geen plaats {genoeg} voor hen te vinden zijn. En hij zal door de zee gaan met benauwdheid, en zal de golven in de zee slaan, en al de diepten der rivieren zullen opdrogen; en de

68

hoogmoed van Assyrië zal neergehaald worden, en de scepter van Egypte zal wegwijken. En Ik zal hen versterken in de Here; en zij zullen op en neer wandelen in Zijn naam, zegt de Here”(Zach.10:6-12{KJV})—de niet falende verzekering dat voor ons het verheven voorrecht is om

God Over Ons te Laten Heersen. {TN8: 68.1}

Eeuwenlang hebben Christus’ volgelingen gebeden: “Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede.” Daar nu de tijd is gekomen voor het gebed om te worden vervuld, laten wij dan onze gebeden uitleven, zodat niemand van ons wordt gevonden tussen de ontrouwe klasse waarmee Christus de volgende gelijkenis afsluit: {TN8: 69.1}

“Hij zeide daarom: Een zekere edelman ging naar een ver land om voor Zichzelf een koninkrijk te ontvangen, en terug te keren. En hij riep Zijn tien slaven, en gaf hun tien ponden, en zeide tot hen: Drijft handel, totdat ik kom. Maar Zijn burgers haatten hem, en zonden een boodschap achter hem aan, zeggende: Wij willen niet dat deze mens over ons heerst. En het geschiedde, toen Hij teruggekeerd was, hebbende het koninkrijk ontvangen, dat Hij dan deze slaven gebood om tot Hem geroepen te worden, aan wie Hij het geld gegeven had, opdat Hij mocht weten, hoeveel een ieder door te handelen gewonnen had. {TN8: 69.2}

“Toen kwam de eerste, zeggende: “Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen. En Hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht; omdat gij in het minste getrouw zijt geweest, hebt gij dan gezag over tien steden. {TN8: 69.3}

69

“En de tweede kwam, zeggende: Heer, Uw pond heeft vijf ponden daartoe gewonnen. En Hij zeide evenzo tot hem: Wees gij over vijf steden. {TN8: 70.1}

“En een andere kwam, zeggende: Heer, zie, hier is Uw pond, welke ik in een doek bewaard heb; want ik vreesde U, omdat Gij een streng mens bent; Gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en maait, wat gij niet gezaaid hebt. En Hij zeide tot hem: Uit uw eigen mond zal Ik u oordelen, gij slechte slaaf. Gij wist dat Ik een streng mens was, wegnemende wat Ik niet heb neergelegd, en maaiende wat Ik niet gezaaid heb; waarom hebt gij dan Mijn geld niet in de bank gegeven, opdat Ik bij Mijn komst het met rente had kunnen opeisen? En Hij zeide tot hen, die erbij stonden: Neemt hem het pond af, en geef het hem, die tien ponden heeft. ( En zij zeiden tot Hem: Heer, hij heeft tien ponden.) {TN8: 70.2}

“Want Ik zeg u, dat aan een ieder, die heeft, gegeven zal worden; en van hem, die niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem afgenomen worden. Doch die vijanden van Mij, die niet wilden, dat Ik over hen zou heersen, brengt hen hier, en slacht ze voor Mijn ogen.” Lukas 19:12-27{KJV}.{TN8: 70.3}

De “zekere edelman” in deze gelijkenis is Christus Zelf, Die spoedig na Zijn opstanding, vertrok naar de hemel der hemelen, “het verre land,” om tot Koning der koningen en Heer der Heren gekroond te worden. Zijn tien

70

dienstknechten, die handel zouden drijven tot aan Zijn komst, stellen klaarblijkelijk de geestelijke leiding voor bij de afsluiting van de evangelie dispensatie. En Zijn burgers, stellen dienovereenkomstig de leken voor—de onderdanen van Zijn koninkrijk. Gezamenlijk vormen Zijn dienstknechten en Zijn burgers dan Zijn gehele koninkrijk—de kerk. {TN8: 70.4}

Aangezien zij “een boodschap tot Hem zonden, zeggende: Wij willen niet dat deze mens over ons heerst,” dan is de enige toelaatbare conclusie dat kort voor Zijn terugkeer, Christus Zijn “burgers” op de hoogte zal stellen dat Hij “de teugels in Eigen handen neemt” om Zijn koninkrijk op te richten, en dat zij, bij het horen van de aankondigen, zullen weigeren om zich te onderwerpen aan degene door wie Hij zal heersen. {TN8: 71.1}

Merk op dat in de boodschap die zij “achter Hem aan zonden,” zijn dienstknechten niet zeiden: “Wij willen niet dat U over ons heerst,” maar eerder: wij willen niet dat deze mens over ons heerst.” Waar zij bezwaar tegen hadden was dat Christus heerste over hen door middel van iemand anders. Het is dan duidelijk, dat Hij voordat Hij gekroond wordt, en voordat Hij terugkeert om af te rekenen met Zijn dienstknechten, een “mens” aanstelt om over hen te heersen in Zijn plaats. Waarbij zij tot Hem zeggen, door hun houding en standpunt tegenover Zijn boodschap: wij willen niet dat deze mens over ons heerst,” ondanks dat “deze mens,” zoals wij nu zien, de antitypische David is (de “eenvoudige middelen”), de zichtbare koning. {TN8: 71.2}

71

Aldus beloont Hij, wanneer Christus terugkeert en afhandelt met Zijn dienstknechten, de getrouwen al naar gelang zij het beginsel hebben vermenigvuldigd waarmee zij begonnen, maar veroordeelt Hij degenen die geen last hebben gedragen om voor zielen te werken en om Zijn koninkrijk te bevorderen, en die ermee tevreden zijn geweest om Hem het maar zonder hun diensten te laten doen. Vanwege deze ontrouw, neemt Hij van hen af het “pond,” (het licht der waarheid), welke Hij aan hen had toevertrouwd, daarbij aantonend dat allen verantwoordelijk zullen worden gehouden “voor iedere lichtstraal,” voor ieder moment dat verloren is gegaan, voor iedere verwaarloosde gelegenheid. En zij die niet willen dat Hij aldus over hen heerst, zullen bij Zijn terugkeer, gedood worden voor Zijn ogen, zoals dat werden gedaan met degenen die tegen God’s regering rebelleerden in vroegere tijden. {TN8: 72.1}

De Joden bij de eerste komst van Christus, die Zijn zending verkeerd begrepen omdat zij blind waren betreffende wat hun boodschap (de ceremoniële dienst) onderwees, en betreffende wat de profeten schreven over Hem, verdraaiden Zijn leer over het koninkrijk. Door het hartelijk begeren van de vervulling van hun lang aangehouden hoop op het koninkrijk, werden zij geërgerd door Zijn vreemde leringen, en waren gereed om Hem te stenigen tot de dood, in plaats van hun dwalingen te laten blootleggen voor de menigte die zij in duisternis hielden. Alzo is het met de kerk van vandaag. Zij is even blind voor de boodschap van het uur, en voor de waarheid van Christus’ koninkrijk, als de Joden dat waren in hun tijd. En terwijl de boodschap aan haar deur klopt met waarschuwing, is haar antwoord: Gaat gij

72

heen, Ik ben “rijk, en met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek,” hoewel zij “ellendig” is,  “en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.” {TN8: 72.2}

De kerk in de dagen van Christus was vastbesloten om het koninkrijk toentertijd opgericht te hebben, toen nog niet alles daarvoor gereed was; de kerk van vandaag is vastbesloten om het niet nu opgericht te hebben, terwijl “het einde aller dingen nabij is”(1 Petr.4:7) – terwijl de tijd ten volle is aangebroken! De Joden het koninkrijk terughebben die zij hadden verloren—een koninkrijk van zonde en zondaars. Zij hunkerden ernaar om bevrijd te zijn alleen maar van de Romeinse slavernij, in plaats van eveneens {bevrijd te zijn} van zonde en van zondaars. Dus, toen Christus zei: “Mijn koninkrijk is niet van deze wereld”(Johannes 18:36), wilden zij het niet zo hebben; terwijl de kerk van vandaag, op blinde wijze de schriftgedeelten negerend die duidelijk verklaren dat God nu Zijn vlekkeloos koninkrijk zal oprichten, en Zijn volk zal bevrijden, niet alleen van de Babylonische slavernij, maar ook van zonde en zondaars, vastbesloten is om het uit te stellen tot na het millennium! Alzo is de ironische verdorvenheid van het natuurlijk hart—zelfs met het feit in zicht dat zij in elk opzicht wordt gezien als op de grens staande van de eeuwigheid,

In Haar Gereinigde Staat. {TN8: 73.1}

In een van zijn grootste profetieën, beeldt Jesaja in onmiskenbare kenmerken uit de grote antitypische tegenhanger van de Exodus beweging: “En er zal een hoofdweg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, welke zal zijn

73

overgebleven uit Assyrië; gelijk het was voor Israël in de dagen toen hij opkwam uit het land van Egypte.” Jes.11:16{KJV}. Zoals het “Pascha”en de slachting van de “eerstgeborenen” (eerste vruchten) die het bloed niet aan de “deurposten” hadden, God’s vroegere volk vrij maakte van de slavernij van Egypte, zo zal het antitypische Pascha (Ezech.9:4; Jes.66:16) de eerste vruchten bevrijden, de 144.000, Zijn eerstgeborenen van nu, van de slavernij der zonde en zondaars van vandaag. {TN8: 73.2}

“En het zal geschieden, dat hij die is achtergebleven in Sion, en hij die overblijft in Jeruzalem, heilig genoemd zal worden, namelijk een ieder die geschreven wordt gevonden onder de levenden in Jeruzalem; wanneer de Here zal hebben weggewassen het vuil van de dochters van Sion, en het bloed van Jeruzalem zal hebben gezuiverd uit het midden daarvan door de geest van oordeel, en door de geest van verbranding. En de Here zal op iedere woonplaats van de berg Sion, en op haar samenkomsten, een wolk en rook scheppen des daags, en het schijnsel van een vlammend vuur des nachts; want over al de heerlijkheid zal er een bescherming zijn. En er zal een tabernakel zijn tot een schaduw overdag tegen de hitte, en tot een schuilplaats, en een bedekking tegen storm en tegen regen.” Jes.4:3-6{KJV}. (Voor een gedetailleerdere uiteenzetting van de exodus beweging in type en antitype, lees De Herdersstaf, Deel 1{The Shepherd’s Rod, Vol.1}, blz. 64-111.) {TN8: 74.1}

In het licht van de Tegenwoordige Waarheid betreffende het koninkrijk, is de volgende profetie

74

(samen met vele andere relevante profetieën) zelfuitleggend: {TN8: 74.2}

“Ontwaak, ontwaakt; trek uw sterkte aan, o Sion;trek uw sierlijke klederen aan, O Jeruzalem, de heilige stad; want van nu aan zal er niet meer in u komen de onbesnedene en de onreine. Schudt het stof van u af; sta op, en zit neer [op uw troon], O Jeruzalem; maak u los van de [door de mens veroorzaakte] banden om uw hals, o gevangen dochte van Sion. Want zo zegt de Here: Gij hebt uzelf om niets verkocht; en gij zult verlost worden zonder geld. Want zo zegt de Here God: Mijn volk ging in vorige tijden af tot Egypte, om daar te verkeren; en de Assyriër verdrukte hen zonder reden. Daarom nu, wat heb Ik hier, zegt de Here, dat Mijn volk om niet is weggenomen? Zij die over hen heersen doen hen huilen, zegt de Here; en Mijn naam wordt iedere dag voortdurend gelasterd. Daarom zal Mijn volk mijn naam kennen; daarom zullen zij eten in die dag dat Ik Degene ben, die spreekt: zie, Ik ben het. {TN8: 75.1}

“Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hem, die goede tijdingen brengt, die vrede verkondigt; die goede tijdingen van het goede brengt, die zaligheid verkondigt; die tot Sion zegt: Uw God regeert! Uw wachters zullen de stem verheffen; met de stem zullen zij tezamen zingen; want zij zullen oog aan oog zien, wanneer de Here Sion terugbrengen zal. {TN8: 75.2}

75

 “Breek uit in vreugde, zingt tezamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem; want de Here heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. De Here heeft Zijn heilige arm blootgelegd voor de ogen van alle natiën; en al de einden der aarde zullen de zaligheid van onze God zien. {TN8: 76.1}

“Vertrekt gij, vertrekt gij, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van haar; wees gij rein, die de vaten des Heren draagt. Want gij zult niet uitgaan met haast, noch heengaan met vlucht; want de Here zal voor u uitgaan; en de God van Israël zal uw achterhoede zijn. {TN8: 76.2}

“Zie, Mijn dienstknecht zal verstandig handelen, hij zal verhoogd en verheven , en zeer hoog worden. Zoals velen zich over u ontzet hebben; zijn gelaat was zo verdorven, meer dan enig mens, en zijn gedaante meer dan de zonen der mensen; zo zal hij vele natiën besprengen; de koningen zullen hun mond over hem gesloten houden; want wat hen niet verteld was, zullen zij zien; en wat zij niet gehoord hadden, zullen zij opmerken.” Jes.52:1-15{KJV}.{TN8: 76.3}

Onszelf ziende aan de rand van de eeuwigheid, worden wij aangemoedigd om ons te voegen bij Ouderling James White in zijn in vervoering gebrachte uitroep: “O, Glorie! Halleluja! Mijn arme hart is brandend voor het koninkrijk, terwijl ik stilsta bij dit herlijk vooruitzicht, voor de ware gelovige. Als wij “vasthouden” voor nog slechts een paar dagen meer, zullen de donkere schaduwen van de nacht verdwijnen

76

voor de heerlijkheid van de voorbereidende  taferelen van de komst van de Zoon des mensen.” —Een Woord tot de Kleine Kudde {A Word to the Little Flock}, blz.8. {TN8: 76.4}

Alleen zij die deel hebben aan deze antitypische exodus beweging zullen bevoorrecht zijn om “het lied van Mozes en het Lam” te zingen, en om in de beloften te delen van

Het Verbond in het Antitype. {TN8: 77.1}

“Ziet, de dagen komen, zegt de Here, dat Ik een nieuw verbond zal maken met het huis Israëls, en met het huis van Juda; niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage dat Ik hun hand aangreep, om hen uit te voeren uit het land Egypte; welk Mijn verbond zij verbroken hebben, hoewel Ik een echtgenoot tot hen was, zegt de Here; maar dit zal het verbond zijn, dat Ik met het huis van Israël maken zal, zegt de Here: Na die dagen, zal Ik Mijn wet in hun binnenste leggen, en die in hun hart schrijven; en zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn. En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste leren, en een ieder zijn broeder, zeggende: Kent de Here; want zij allen zullen Mij kennen, van hun kleinste tot hun grootste toe, zegt de Here; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en Ik zal hun zonden niet meer gedenken.” Jer.31:31-34{KJV}. {TN8: 77.2}

Het oude “verbond” of overeenkomst tussen God en Zijn volk was gebaseerd op de beloften van beide partijen; te weten: “En het zal geschieden , indien gij aandachtig

77

zult luisteren naar de stem van de Here, uw God, en al Zijn geboden, die ik u heden gebied, naarstig zult onderhouden, dat de Here, uw God, u zal verheffen boven alle natiën der aarde. En al deze zegeningen zullen over u komen en u ten deel vallen, indien gij luistert naar de stem van de Here, uw God: Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn op het veld. Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw bodem en de vrucht van uw vee: de worp van uw runderen, de dracht van uw kleinvee, en de kudden van uw schapen. Gezegend zult gij zijn bij uw ingang en gezegend zult gij zijn bij uw uitgang. De Here zal maken dat uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen worden voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vluchten. De Here zal de zegen over u gebieden in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land dat de Here, uw God, u geeft. De Here zal u bevestigen tot een heilig volk voor Zichzelf, zoals Hij u gezworen heeft, indien gij de geboden van de Here, uw God, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.” {TN8: 77.3}

 “En al het volk antwoordde tezamen, en zeide: Al wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden van het volk weer tot de Here.” Deut.28:1-9; Ex.19:8{KJV}. {TN8: 78.1}

78

 Dit eerste verbond reikt vanaf het tijdstip waarop het werd ingesteld tot aan de op handen zijnde en laatste vergadering van de twaalf stammen als een koninkrijk. En toch, hoewel het nooit ongeldig is verklaard door God, is de geldigheid ervan  aanhoudend geloochend door de Nieuwe Testamentische kerk, en haar heiligheid geschonden door zowel de Oude als de Nieuwe Testamentische kerken, tot op deze huidige dag. Dus, zoals het volk, dat in hun belofte faalde, hebben zij daardoor ook verbroken “het verbond dat God maakte met hun vaderen.” Maar bij het nieuwe verbond, welke de Heer nu op het punt staat te vervullen, zullen de geboden van God (Ex.20:1-17), anders dan bij het oude, niet geschreven zijn op tafelen van steen (Ex.31:18), maar in de vleselijke tafelen van het hart, en tegen die tijd zullen allen “de Here kennen,(…)van hun kleinste tot hun grootste toe”(Jer.31:34)—een kerk vertonend zonder onkruid. {TN8: 79.1}

Dit verdrag, dat op het punt staat plaats te vinden, is het tweede verbond, en Zijn wet, zijnde geschreven in het hart, zal op volmaakte wijze onderhouden worden. Dán, en niet daarvoor, zullen de zegeningen, die Zijn vroegere volk faalde te ontvangen, volledig verwezenlijkt worden. {TN8: 79.2}

Jeremia, die ook ervan getuigt dat dit beloofde verbond nog niet is vervuld, maar dat het geëerd zal worden nu in de tijd van verzameling, verklaart: {TN8: 79.3}

“Zo spreekt de Here God van Israël, zeggende: Schrijf gij al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek. Want ziet, de

79

dagen komen, zegt de Here, dat Ik het gevangenschap van Mijn volk Israël en Juda wenden zal, zegt de Here; en Ik zal hen doen terugkeren naar het land dat Ik hun vaderen gaf, en zij zullen het bezitten.” Jer. 30:2,3{KJV}. {TN8: 79.4}

Deze verzen tonen levendig aan dat God het tweede verbond zal doen gelden wanneer Hij Zijn volk terug zal brengen van hun gevangenschap, terwijl de daarop volgende verzen de tijd vaststellen van deze bevrijding of vergadering: “Want het zal te dien dage geschieden, zegt de Here der heerscharen, dat Ik zijn juk zal verbreken van uw hals, en uw banden zal verscheuren, en vreemdelingen zullen zich niet meer van hem doen dienen; maar zij zullen de Here, hun God, dienen, en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal.”Jer.30:8,9{KJV}. {TN8: 80.1}

Deze profetie, zoals wij opmerken, ging niet in vervulling bij de terugkeer van de Joden uit hun gevangenschap van het vroegere Babylon, want in die tijd had God David hun koning niet “verwekt.” In feite hadden zij helemaal geen koning voor zichzelf, maar leefden onder de Medo-Perzische heerschappij. De profetie kan daarom op geen andere tijd worden toegepast dan vandaag, wanneer beide “Israël en Juda” samengevoegd zullen worden tot een groot koninkrijk, opgericht in eeuwige gerechtigheid. Dan “zullen zij allen Mij kennen, van hun kleinste tot hun grootste toe,” zegt de Here. Dus, het feit dat er nooit een tijd is geweest vanaf

80

de tijd waarin dit schriftgedeelte werd geschreven tot op de huidige dag, dat iedereen van God’s volk, als een kerk of een natie, de Here gekend en Zijn geboden onderhouden heeft, bewijst wederom dat de vervulling van het tweede verbond (waarvan de exodus beweging een type was), nog in de toekomst ligt. {TN8: 80.2}

“Hoe lang,” zegt de Here, “zult gij u onttrekken, o gij afvallige dochter? Want de Here heeft wat nieuws op de aarde geschapen: een vrouw zal een man omvangen.” Jer.31:22{KJV}. Deze “vrouw” moet symbolisch zijn, want niet één persoon kan mogelijkerwijs een ander omvangen. Om deze reden moet zij een voorstelling zijn van de kerk, en de “man” moet Christus zijn, Die in die tijd “zal hebben weggewassen het vuil van de dochters van Sion”—De kerk heeft gereinigd (Jes.4:4; Testimonies, Vol.5, blz.80{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}). Dan zal Hij “voor haar zijn een muur van vuur rondom, en zal de heerlijkheid zijn in het midden van haar, en (…) zal wonen in het midden van” haar. Zach.2:5,11{KJV}. {TN8: 81.1}

Hoewel velen op verscheidene wijze hun stem verheffen tegen het bevestigen van “het zaad Israëls” door God tot een rechtvaardige en heilige natie dat vrij is van zondaars, zullen zij falen om de plannen omver te werpen van Hem, Die “de zon tot een licht geeft des daags, en de ordeningen der maan en der sterren des nachts, Die de zee doorklieft, wanneer de golven daarvan bruisen; de Here der heerscharen is Zijn naam; In dien deze ordeningen van Mijn aangezicht zullen wijken, zegt de Here, dan

81

zal ook het zaad Israëls ophouden een natie te zijn voor Mijn aangezicht voor eeuwig. Zo zegt de Here: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, dan zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, zegt de Here.”Jer.31:35-37{KJV}. {TN8: 81.2}

Aangezien de beloften zijn gemaakt aan Israël alleen (het zaad van Abraham), de oorspronkelijke wijnstok die vertreden is geweest, moet deze wijnstok daarom opgericht worden; dan zullen de boetvaardige Heidenen door middel van aanneming in Christus, erin geënt worden, en alleen aldus bij de planting van de Heer toebehoren. {TN8: 82.1}

“Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? God verhoede! Want ik ben ook een Israëliet, uit het van Abraham, van de stam Benjamin. God heeft zijn volk niet verstoten, die Hij tevoren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Elia? hoe hij bemiddelt bij God tegen Israël, zeggende: Here, zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel. Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelf nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baäl niet gebogen hebben. Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade. En indien het door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer; maar indien het is uit werken, dan is het gen genade meer; anders is het werk geen werk meer. {TN8: 82.2}

82

Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen werden verblind. (Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op de huidige dag. En David zegt: Laat hun tafel worden tot een strik, en tot een val, en tot een struikelblok en tot een vergelding voor hen. Laat hun ogen verduisterd worden, opdat zij niet kunnen zien, en verkrom hun rug allen tijd. Zo zeg ik dan: {TN8: 83.1}

Hebben zij gestruikeld, opdat zij zouden vallen? God verhoede! Maar eerder is door hun val de zaligheid tot de heidenen gekomen, om hen tot jaloersheid te verwekken. Indien nu hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid? Want ik spreek tot u, heidenen, voor zover ik de apostel der heidenen ben; ik maak mijn bediening heerlijk; als ik zo mogelijk  hen, die van mijn vlees zijn, tot jaloersheid mocht verwekken, en sommigen van hen mocht behouden. Want indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden? Want indien de eerste vrucht [de Jood] heilig is, zo is ook het deeg [Jood en Heiden] heilig; en indien de wortel [de Jood] heilig is, zo zijn ook de takken [hetzij zij oorspronkelijk of ingeënt zijn]heilig. En zo enige van de takken afgebroken zijn, en gij een wilde olijfboom [de Heidense boom] zijnde, tussen hen zijt ingeënt, en met hen deelachtig zijt geworden aan

83

de wortel en de vettigheid van de [goede]olijfboom, zo roemt dat niet tegen de takken. Maar indien gij roemt, gij [heiden] draagt de wortel niet, maar de wortel[de Jood] u. Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden. Goed! Zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door geloof. {TN8: 83.2}

“Wees niet hoogmoedig, maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken [de ongelovige Joden] niet gespaard heeft, ziet toe, dat Hij ook u niet spaart. Zioe dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over hen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden.En ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeënt worden; want God is machtig om ze weer in te enten. Want indien gij afgehouwen zijt uit de olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in de goede olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geënt worden? Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend is (opdat gij niet wijs zijt bij uzelf), dat de blindheid voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal gehel Israel zalig worden; gelijk geschreven is; De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob; want dit is Mijn verbond tot hen, als Ik hun zonden zal wegnemen. {TN8: 84.1}

84

“Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil; Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk. Want gelijk ook gij eertijds niet in God hebt geloofd, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door de ongeloof van dezen; alzo hebben ook dezen nu niet geloofd, opdat door uw barmhartigheid ook zij barmhartigheid zouden verkrijgen. Want God heeft hen allen onder ongeloof besloten, opdat Hij hun allen barmhartig zou zijn. {TN8: 85.1}

“O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem weer vergolden worden? Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.” Rom.11{KJV}. {TN8: 85.2}

“Hoort naar mij, O eilanden! en luistert toe, gij volken van verre; De Here heeft mij [Israël] geroepen van de buik af, van het ingewand van mijn moeder af heeft hij mijn naam gemeld. En Hij heeft mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw van Zijn hand heeft Hij mij verborgen, en heeft mij tot een zuivere pijl gemaakt; in Zijn pijlkoker heeft Hij mij verborgen. En Hij heeft tot mij gezegd: Gij zijt Mijn knecht, O Israël, door wie Ik verheerlijkt zal worden. Toen zeide ik: Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb mijn kracht onnut en

85

ijdel besteed; doch gewis, mijn recht is bij de Here, en mijn werk bij mijn God. {TN8: 85.3}

“En nu zegt de Here, Die mij van de buik af tot Zijn knecht geformeerd heeft, om Jakob[Zijn nageslacht] tot Hem terug te brengen: Alhoewel Israël niet zal worden bijeen vergaderd, nochtans zal ik heerlijk zijn in de ogen des Heren, en mijn God zal mijn sterkte zijn. [Ook wij kunnen zeggen: al zou de gehele wereld God en Zijn boodschap verwerpen, “toch zullen wij vertrouwen in de Here.”]En Hij zeide: Het is te gering, dat gij Mijn dienstknecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om terug te brengen de bewaarden van Israël [alleen]; Ik zal U ook geven tot een licht der heidenen, opdat gij Mijn heil kunt zijn tot aan het einde der aarde.” Jes.49:1-6{KJV}. Anders gezegd: Zij (van Israël) die de verzegelingboodschap van de 144.000 verkondigen tot de kerk, zullen ook God’s heerlijkheid verkondigen onder de heidenen, en aldus zijn heil zijn tot aan het einde der aarde, en “al [hun] broeders brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën.” Jes.66:19,20{KJV}. {TN8: 86.1}

“Zo zegt de Here, Verlosser van Israel, en Zijn Heilige, tot hem wie de mensen  verachten [degene die zij noemen: “deze mens” (Lukas 19:14). Zie pagina 71], tot hem wie de natie verafschuwt, tot een knecht der heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten zullen aanbidden, om de Here, die getrouw is, en de Heilige Israëls, en Hij zal u verkiezen. Zo zegt de Here: In een tijd des welbehagens

86

heb Ik u verhoord, en ten dage des heils heb Ik u geholpen; en ik zal u bewaren, en Ik zal u geven tot een verbond des volks, om de aarde te bevestigen, om de verwoeste erfenissen te doen beërven; opdat gij tot de gevangenen kunt zeggen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn. Zij zullen in de wegen weiden, en hun weide zal in alle hoge plaatsen zijn. Zij zullen noch hongeren noch dorsten; noch zullen de zon en de hitte hen treffen; want Hij die Zich over hen ontfermt, zal hen leiden, aan de springaders der wateren zal Hij ze voeren. En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn hoofdwegen zullen verhoogd zijn. Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, dezen van het noorden en van het westen; en  dezen uit het land Sinim. {TN8: 86.2}

“Zingt, o hemelen; en wees verheugd, o aarde; en breek uit in gejubel, o bergen; want de Here heeft Zijn volk getroost, en zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen. Doch Sion zei: De Here heeft mij verlaten, en mijn Here heeft mij vergeten.” Jes. 49:7-14{KJV}. {TN8: 87.1}

Sion, zoals we hierin zien, zijnde de kerk waarin de 144.000 zich bevinden in de tijd waarop de verzegelingboodschap wordt gehoord, en zijnde als de appel van Zijn oog, vraag de Heer haar: Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermt over de zoon van haar buik? Ja, zij kunnen vergeten, toch zal Ik u niet vergeten. Zie, Ik heb u in Mijn handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij. Uw

87

kinderen zullen zich haasten; uw verdelgers en zij die u verwoestten zullen van u uitgaan.” Jes. 49:15-17{KJV}.  Dat betekent, de zondaars zullen uit haar weggenomen worden, weggeworpen “uit het midden der rechtvaardigen.” Matt.13:48,49{KJV}. {TN8: 87.2}

“Hef uw ogen op rondom, en zie, deze allen vergaderen zich, en komen tot u. Zowaar Ik leef, zegt de Here, voor zeker, gij zult u met ze allen bekleden, als met een sieraad, en ze tot u aanbinden, gelijk een bruid doet. [Zie Zacharia 8:23; De Herdersstaf, Deel 2{The Shepherd’s Rod, Vol.2}, blz.281.] Want uw verwoeste en uw verlaten plaatsen, en het land van uw vernietiging, zal zelfs nu te nauw zijn vanwege de inwoners, en zij die u verslonden, zullen ver weg zijn. {Dat wil zeggen: een grote schare zal zich bij de kerk voegen, maar de zondaars zullen eruit gehouden worden.]  De kinderen zie gij zult hebben [zij die erin vergaderd zullen worden], nadat gij de anderen verloren hebt [zij die gevallen zijn onder de slachting van Ezechiel Negen], zullen nog in uw oren zeggen: De plaats is mij te nauw, geef mij plaats, zodat ik kan wonen. Dan zult gij zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen gegenereerd, aangezien ik mijn kinderen verloren heb, en eenzaam ben, een gevangene, en heen en weer geweken? En wie heeft dezen opgevoed? Zie, ik was alleen overgelaten; waar waren dan dezen? [Deze vraag toont aan dat de kerk onwetend is over de grote schare van Openbaring 7:9—de tweede vruchten.] Zo zegt de Here God: Zie, Ik zal Mijn handen opheffen tot de heidenen, en Mijn banier

88

opsteken tot de volken; en zij zullen uw zonen in hun armen brengen, en uw dochters zullen op hun schouders gedragen worden.En koningen zullen uw voedstervaders zijn, en hun koninginnen uw zoogmoeders; zij zullen voor u neerbuigen met hun aangezicht ter aarde, en zij zullen de stof van uw voeten likken; en gij zult weten dat Ik de Here ben; want zij zullen niet beschaamd worden, die Mij verwachten. {TN8: 88.1}

“Zal de buit van de machtige ontnomen worden, of de wettige gevangene verlost worden? Doch zo zegt de Here: De gevangenen van de machtige zullen weggenomen worden, en de buit van de tiran zal verlost worden; want Ik zal twisten met hem die met u twist, en Ik zal uw kinderen verlossen. En ik zal hen die u verdrukken spijzen met hun eigen vlees, en zij zullen dronken worden met hun eigen bloed, als van zoete wijn; en alle vlees zal weten, dat Ik, de Here, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.” Jes.49:18-26{KJV}. {TN8: 89.1}

“Maar wanneer hij zijn kinderen ziet, het werk Mijner handen ziet, in het midden van hem, zullen zij Mijn naam heiligen, en de God van Israël vrezen.” “Ziet, de naam des Heren komt van ver, brandende met Zijn toorn, en de last daarvan is zwaar; Zijn lippen zijn vol gramschap, en Zijn tong als een verterend vuur; en Zijn adem, als een overstromende beek, zal tot aan het midden van de hals reiken, om de natiën te ziften met de zeef van ijdelheid; en er zal

89

een toom zijn in de kaken der volken, dat hen doet dwalen.” Jes.29:23; 30:27,28{KJV}. {TN8: 89.2}

“Maar de milddadige beraamt milddadige dingen; en voor milddadige dingen zal hij staan. Want het paleis al verlaten zijn; de menigte van de stad zal achtergelaten zijn; de burchten en torens zullen tot spelonken zijn in eeuwigheid, een vreugde voor de woudezels, een weide voor kudden; totdat over ons gegoten wordt de Geest uit den hoge, en de woestijn tot een vruchtbaar veld wordt, en het vruchtbare veld tot een woud. Dan zal het recht in de woestijn wonen, en gerechtigheid verblijven in het vruchtbare veld. En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn; en de werking der gerechtigheid gerustheid en zekerheid in eeuwigheid. En Mijn volk zal wonen in een woonplaats des vredes, en in welverzekerde woningen, en in stille rustplaatsen; wanneer het zal hagelen, neerkomende over het woud; en de stad zal laag zijn in een laagte. Welzalig zijt gij die aan alle wateren zaait, die de voeten van de os en de ezel daarheen zendt.” Jes.32:8; 14-20{KJV}. {TN8: 90.1}

“Hoort, gij de ver zijt, wat Ik gedaan heb; en gij die nabij zijt, erken Mijn macht. De zondaars in Sion zijn bevreesd; verschrikking heeft de huichelaars overvallen. Wie onder ons zal wonen bij het verterend vuur? Wie onder ons zal bij de eeuwige verbrandingen wonen? Hij die in gerechtigheid wandelt, en oprecht spreekt; hij die het gewin der onderdrukkingen veracht, die zijn handen afschudt van het aannemen van geschenken, die zij oren toestopt voor het horen van

90

bloed, en zijn ogen sluit voor het aanzien van het kwade. Die zal in de hoogte wonen; zijn plaats der beschutting zal zijn de bewapening der rotsen; zijn brood zal hem gegeven worden; zijn wateren zullen gewis zijn. {TN8: 90.2}

“Uw ogen zullen de Koning in Zijn schoonheid zien; zij zullen het land aanschouwen dat vergelegen is. Uw hart zal de verschrikking overdenken. Waar is de schriftgeleerde [secretaris]? Waar is de ontvanger [penningmeester]? Waar is hij die de torens [voorzitters van de conferentie] telt [statistieke secretaris]? Gij zult geen vurig volk zien, een volk dat dieper van spraak is dan gij kunt begrijpen; van een stamelende tong, welke gij niet kunt verstaan [gij zult alle talen en spreken en verstaan].” Jes.33:13-19{KJV}. {TN8: 91.1}

“Versterk gij de slappe handen, en verstevig de zwakke knieën. Zeg tot hen die vreesachtig zijn van hart: Wees sterk, vrees niet; ziet, uw God zal komen met wraak, namelijk God met een vergelding; Hij zal komen en u verlossen. Dan zullen de ogen der blinden geopend worden, en de oren der doven zullen ontsloten worden. Dan zal de lamme springen als een hert, en de tong der stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen er wateren ontspringen en beken in de wildernis. En het dorre grond zal een plas worden, en het dorstig land tot springaders der wateren; in de woonplaats der draken, waar elkeen ligt, zal er gras zijn met riet en biezen. En een hoofdweg zal daar zijn, en een weg, en het zal worden genoemd

91

 de weg der heiligheid; de onreine zal daar niet doortrekken; maar het zal zijn voor diegenen; de eigenzinnige, hoewel een dwaas, zal daarin niet dwalen. Er zal geen leeuw daar zijn, noch enig verscheurend gedierte zal daar wandelen; maar de verlosten zullen daar wandelen; en de vrijgekochten des Heren zullen terugkeren en tot Sion komen met met gezang, en eeuwige blijdschap op hun hoofden; zij zullen blijdschap en vreugde  verkrijgen, en droefenis en zuchting zullen wegvluchten.” Jes.35:3-10{KJV}. {TN8: 91.2}

In zoverre beide het “veld” met het tarwe en onkruid (Mat.13:30), en het “net” met de goede en slechte “vissen” (Matt.13:47, 48), het evangeliekerk voorstellen gedurende de periode waarin de heiligen en de huichelaars vermengd zijn, dan moeten de “vaten” waarin de “goede vissen” worden gezet nadat de “slechte” zijn weggeworpen “uit het midden van” hen, en de “schuur” waarin het “tarwe” wordt geplaatst nadat het “onkruid” ervan is gescheiden, noodzakelijkerwijs de kerk voorstellen, overgaand van haar onreine staat (veld of net) tot een andere, haar gereinigde staat, welke wordt gesymboliseerd, niet door het “veld”of het “net,” maar eerder door een “schuur” en door “vaten” –een nieuwe veilige en schone plaats—waar “van nu aan er niet meer zal komen(…) de onbesnedene en de onreine.” Jes.52:1{KJV}. {TN8: 92.1}

Dus, het maakt niet uit welke term wij kunnen gebruiken voor deze nieuwe plaats waarin de heiligen vergaderd zullen worden, de plaats zelf zal

92

absoluut vrij zijn van zonde, omdat alle zondaars temidden van de rechtvaardigen dan zullen zijn vernietigd. {TN8: 92.2}

Aangezien, na de scheiding van de onbekeerden temidden van God’s ware volk, de kerk (dán gevormd door de 144.000, de eerste vruchten van de twaalf stammen der kinderen Israëls) zal oprijzen tot een theocratische{door God bestuurde} regering, dan is het onontkoombaar, dat de “vaten” de samenstellende onderdelen voorstellen, de stammen, waarin de verlosten in verscheidenheid worden vergaderd, terwijl de “schuur” de samengestelde eenheid voorstelt, het koninkrijk, waarin als een groep worden vergaderd. En deze grote vergadering, selectief, absoluut, en de laatste, zoals het is, toont wederom alleen maar aan dat de geboorte van het koninkrijk absoluut afhankelijk is van de reiniging van de kerk. {TN8: 93.1}

“Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om u te betuigen deze dingen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht van David, en de blinkende en morgenster.” Openb.22:16{KJV}. “Staat op, dat gij tegen hen op kunt trekken; want wij hebben het land gezien, en ziet, het is zeer goed; en blijft gij stilzitten?” (Richteren 18:9{KJV}). Wees niet laks, handel meteen, maak u gereed, volg

Het Lam tot de Heerser van het Land. {TN8: 93.2}

“Zendt gij het lam tot de heerser des lands, van Sela af tot de woestijn, naar de berg der dochter van Sion. Want het zal zijn dat, gelijk een zwervende vogel, verdreven uit

93

het nest, alzo zullen de dochters van Moab zijn bij de voorden van Arnon. Geeft raad, houdt gericht, maak uw schaduw als de nacht in het midden van de middag; verberg de verdrevenen; verraad hem, die zwerft, niet. Laat Mijn verdrevenen bij u wonen, Moab; wees gij een schuilplaats voor hen voor het aangezicht van de plunderaar; want de afperser komt ten einde, de plunderaar houdt op, de onderdrukkers zijn verteerd uit het land.  En in ontferming zal de troon bevestigd worden; en hij zal erop zitten, in waarheid in de tent van David, oordelend, en het recht zoekend, en gerechtigheid verhaastend.” Jes.16:1-5{KJV}. {TN8: 93.3}

Hoewel deze passage kan toeschijnen niet meer dan de duistere taal van ritmische mysticisme te bevatten, toch houdt het lessen in, die beraamd zijn om zelfs de verharde ongelovige te bekeren tot de zekere waarheid van de Bijbel. Inderdaad, als God’s volk zich kon redden zonder dit schriftgedeelte, dan kunnen wij er zeker van zijn dat Hij noch de tijd van de profeet zou verdoen om het te schrijven, noch plaats innemen in de Bijbel om het op te tekenen. Kortom, ware het slechts een geheimzinnig, enthousiast verhaal van profetische inhoud zonder rijm of reden, dan was het niets dan een ijdele herhaling, een onvolmaaktheid—iets dat onmogelijk is bij God. Door dus geen betekenis of belangrijkheid te voegen aan deze verzen, zou men zich onder de vreselijke veroordeling plaatsen van het volgende schriftgedeelte: {TN8: 94.1}

“Indien iemand zal afnemen van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het Boek des

 94

Levens en van de Heilige Stad, en van de dingen die in dit boek beschreven zijn.” Openb.22:19 {K.J.V.}. {TN8: 94.2}

Aangezien de woorden van Jesaja daarom licht moeten bevatten, waarvan de afwezigheid {ervan} ons pad duister achterlaat, ons blootstelt aan het risico van samen met de blinde languit in de afgrond te vallen, zal de ijverige zoeker naar waarheid ontdekken dat hoewel de passage verborgen en betrokken toeschijnt te zijn in mysterie, het duidelijk en eenvoudig is wanneer het wordt gezien in het licht dat schijnt van boven. {TN8: 95.1}

“Zendt gij het lam tot de heerser des lands, van Sela af tot de woestijn, naar de berg der dochter van Sion.” Jes.16:1{KJV}.{TN8: 95.2}

Het bepaalde lidwoord “de” verleent een absolute betekenis aan het zelfstandig naamwoord “lam,” aantonend dat een lam, de enige van zijn soort, het voorwerp was van het gebod om “het lam”te zenden” van Moab “tot de berg der dochter van Sion” –de berg Sion in Jeruzalem. {TN8: 95.3}

“Want het zal zijn dat, gelijk een zwervende vogel, verdreven uit het nest, alzo zullen de dochters van Moab zijn bij de voorden van Arnon.” Dat betekent, het lam moest uit Moab weggenomen worden omdat de Moäbieten zouden worden “uitgeworpen” , “gelijk een zwervende vogel”  “bij de voorden van Arnon.” Jes.16:2{KJV}.{TN8: 95.4}

De heilige geschiedenis vermeldt dat het ene lam dat uit Moab is weggenomen voordat de Moabieten werden “uitgeworpen uit [hun] nest,” die Ene was van Wie Johannes de Doper zei: “Zie, het

95

Lam Gods”—Christus. De profetie toont aan dat het lam haastig vervoerd werd van Moab tot de berg Sion (David’s paleis te Jeruzalem)—een gebeurtenis die plaatsvond toen Naomi, met haar zonen, naar Moab ging (de “woestijn”—een natie die zich niet onder de directe zorg van de Heer bevond, en daarom geen wijngaard) en Ruth, de Moabitische, bracht, van Moab naar Jeruzalem; want “Boaz nam Ruth en zij werd hem tot vrouw(…)en zij baarde een zoon(…) en zij noemden hem Obed. Deze is de vader van Isai, de vader van David(…)en Isaï verwekte David.” Ruth 4:13-22{KJV} {TN8: 95.5}

Aldus werd Christus, de Zoon van David, “gezonden” uit Moab tot de Berg Sion—David’s paleis; aldus aantonend de goddelijkheid van Christus als de Zoon van God, en Zijn menselijkheid als de Zoon, niet alleen van David, maar ook van Lot—Moab. {TN8: 96.1}

O, hoe wonderbaarlijk nauwgezet is onze God; de namen: Obed, Isaï, en David betekenen in de Hebreeuwse taal Christus—een dienstknecht (Obed), die Mijn tegenwoordigheid (Isaï) zal zijn, de geliefde (David). {TN8: 96.2}

Daar Christus in het vlees zowel een Moabiet als een Israeliet is, zegt God: “Laat Mijn verdrevenen bij u wonen, Moab [Christus]; wees gij een schuilplaats voor hen voor het aangezicht van de plunderaar.”En een mens [wederom verwijzend naar Christus] zal zijn als een schuilplaats tegen de wind en als een beschutting voor hen tegen de storm; als waterstromen in een dorre streek, als de schaduw van een machtige rots in een dorstig land.” Jes.16:4;32:2{KJV}. {TN8: 96.3}

96

Gezonden om “raad te geven, gericht te houden,” Zijn “schaduw” te “maken als de nacht in het midden van de middag; de verdrevenen te verbergen; hem, die zwerft, niet te verraden” (Jes.16:3), is Christus, onze “schuilplaats tegen de wind en als een beschutting voor hen tegen de storm” “in een dorstig land,” een grote en volmaakte schaduw, zelfs als middernacht in de middag. Alzo roept ook uit de Psalmist: “Hoe voortreffelijk is Uw goedertierenheid, o God; daarom stellen de mensenkinderen hun vertrouwen in de schaduw Uwer vleugelen.” “Omdat Gij mij een hulp zijt geweest, daarom zal ik jubelen in de schaduw van Uw vleugelen.”Ps.36:7;63:7{KJV}. {TN8: 97.1}

En “daarom,” roept de Evangelieprofeet ook uit, “zal een sterke natie U eren, de stad van gewelddadige natiën zal U vrezen; want Gij zijt voor de geringe een sterkte geweest, een sterkte voor de arme toen hij benauwd was, een schuilplaats tegen de storm, een schaduw tegen de hitte, wanneer het briesen der geweldenaars is als een storm tegen een muur.” Jes.25:3,4{KJV}.{TN8: 97.2}

“En in ontferming zal de troon bevestigd worden; en hij zal erop zitten, in waarheid in de tent van David, oordelend, en het recht zoekend, en gerechtigheid verhaastend.” Jes.16:5{KJV}.{TN8: 97.3}

Aangezien de oprichting van de troon van Christus volgens dit schriftgedeelte nog in de toekomst ligt, en omdat het bovendien opgezet zal worden in de tent van David (wat niet plaatsvond bij Zijn eerste

97

komst), zal Christus daarom, wanneer Hij komt om in Zijn aanstaande koninkrijk te regeren, op de troon van David zitten. En omdat Hij dán zal oordelen, en het recht zoeken, en gerechtigheid verhaastend, vindt de gehele handeling plaats net voor de afsluiting van de genadetijd—de tijd waarin Hij gerechtigheid kan bespoedigen. Dus, gelukkig werd deze profetie van de stamboom van Christus, en van dat Hij “de teugels in Eigen handen”neemt, gegeven tot “waarschuwing en tot lering” voor degenen die zullen leven tegen het einde der tijd, wanneer “al deze dingen zullen geschieden.” Hoogst belangrijk  is daarom de noodzaak de allerbelangrijke lessen ervan te gedenken, en met

De Getrouwen Onmiddellijk te Handelen. {TN8: 97.4}

Aangezien zowel Lot als Abraham in het geslachtsregister van Christus voorkomen, dan rijst natuurlijk de vraag op: Waarom zouden deze twee mannen zo groots vereerd worden? En het antwoord staat op ons te wachten: Abraham verkreeg deze grote eer omdat hij getrouw was tot het Woord van God en Het nooit in twijfel trok, ondanks dat alle dingen gedoemd toeschenen zich tegengesteld te vervullen tot zijn belangen en God’s beloften; Hoewel God beloofde het land aan hem te geven en aam zijn nageslacht tot een gedurige bezitting, heeft Abraham persoonlijk de belofte nooit verkregen. Naast het doorstaan van deze geloof beproevende testen, wachtte hij vijf en twintig jaren op de beloofde zoon, alleen maar om opgedragen te worden, toen dit enig kind een jongeling was geworden, hem te

98

 offeren tot een brandoffer! Nochtans, door iedere beproeving heen, verloor hij nooit zijn geloof in God, maar vertrouwde onvoorwaardelijk op Hem en gehoorzaamde ongereserveerd Zijn bevelen. Om deze reden heeft God hem buitengewoon geëerd. {TN8: 98.1}

Toch komt de grote les die hier te leren valt niet zozeer uit de ervaring van Abraham, als uit die van Lot, want hoewel Lot niet bepaald zo vrijgevig was als Abraham, en niet bepaald gewillig om gescheiden van de wereld te leven, toch was zijn geloof in de beloften van God tot Abraham even groot als het geloof van Abraham zelf, ja, in zekere zin, zelfs groter; want God sprak persoonlijk tot Abraham, terwijl Hij tot Lot sprak door Abraham. Lot moest daarom onvoorwaardelijk erop hebben vertrouwd dat God tot hem had gesproken door Abraham. {TN8: 99.1}

Aangezien er bovendien in de dagen van Abraham geen Bijbel bestond, om daarmee te bewijzen dat zijn uitgaan van zijn vader’s huis een vervulling van profetie was, en dat God hem leidde om de vertrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar een land waarvan hijzelf niet wist waar dat lag (Hebr.11:8,9), zien wij dat Lot niet was zoals de meeste mensen vandaag de dag, die alles tijdens de ontvouwing der waarheid in twijfel trekken en bekritiseren. Zonder enige vertwijfeling of twijfel, stelde hij zijn vertrouwen in de God van Abraham, en met zekerheid volgde hij na in de zoektocht naar het beloofde land. {TN8: 99.1}

Wat een tegenstelling tussen het karakter van Lot en dat van de Joden die de profeten

99

 verwierpen en hen zelfs ter dood brachten! Om deze reden eerde God Lot met de grootste gave die de hemel kon uitstorten op een mens—het deel hebben in het aardse ouderschap van de Heer der Heerlijkheid, de eeuwige Koning! {TN8: 99.3}

Hoewel, voorts, Lot’s nakomelingen, de Moabieten en de Ammonieten, niet beter waren dan de andere heidenen, toch heeft God, ter wille van Lot, hen niet behandeld zoals Hij dat deed met de rest van de heidenen, maar gebood Mozes om “de Moabieten niet te benauwen, en daag hen niet uit ten strijde; want Ik zal u van hun land niet ter bezitting geven.” “En wanneer gij in de nabijheid komt van de kinderen Ammons, benauw hen niet, en daag hen niet uit; want Ik zal u van het land van de kinderen Ammons niet enige bezitting geven; want Ik heb het aan de kinderen van Lot ter bezitting gegeven.”Deut.2:9,19{KJV}. {TN8: 100.1}

En “indien iemand Mij dient,” zei Jezus, “laat hij Mij volgen; en waar Ik ben, daar zal ook Mijn dienaar zijn; indien iemand Mij dient, hem zal Mijn Vader eren.” Johannes 12:26{KJV}. Ook: “hij zal Mij aanroepen,”zegt de Psamlist,  “en Ik zal hem antwoorden; Ik zal met hem zijn in de benauwdheid; Ik zal hem uitredden, en hem eren.”Ps.91:15{KJV}. {TN8: 100.2}

Naast de gelukkige daad van gastvrijheid tonen aam de engelen die Sodom bezochten (Gen.19:1), is de edelmoedigste handeling in het bevlekte verslag van Lot’s leven,  dat hij zich bij Abraham

100

voegde in zijn nieuw gevonden en vreemde godsdienst en dat, ten einde alzo te doen, hij vertrok van zowel zijn vader’s huis als van zijn thuisland, niet wetende waarheen hij zou gaan. Behalve dus het ontvangen van de eeuwige zegening van een van de aardse voorouders te zijn van Christus (een zegening die hij zich zal realiseren door Christus op de blijde dag der opstanding, en door de eeuwen heen zich erin zal verheugen), ging hij niet met gebrek aan tijdelijke zegeningen, en terwijl hij omringd was met aards gevaar, verlosten zelfs door de hemel gezonden engelen hem van de gedoemde stad van Sodom voordat het werd teruggebracht tot as(Gen.19:16,24,25). {TN8: 100.3}

Had hij echter gewacht op groter bewijs wat betreft of God hem wel of niet leidde in deze gedenkwaardige gebeurtenis van zijn leven; als hij in zijn hart had gezegd: “Ik neem geen risico, maar zal wachten totdat deze onderneming succesvol blijkt te zijn. Ik zal eerst onderzoeken en met zekerheid weten dat het land vruchtbaar is, en het klimaat behaaglijk voor mijn gezin, voorraad, enz.,” dan zou hij nooit deel hebben gehad in de beweging zelf, of in de lijn van het ouderschap van de Heer der Heerlijkheid, of in Zijn eeuwige koninkrijk! {TN8: 101.1}

O, broeder, zuster, heeft u het geloof van Lot? “Al deze dingen zijn hen overkomen tot voorbeelden; en(…)zijn geschreven tot waarschuwing voor ons, over wie de einden der wereld zijn gekomen.” 1 Kor. 10:11{KJV}. O laat ons dan in de voetstappen navolgen van deze grote mannen Gods, vertrouwende in Zijn onveranderlijk

101

Woord, en ernaar handelen zonder de geringste aarzeling! Volg niet de weg na van hen die twijfelden, in twijfel trokken, en bekritiseerden, en die, als fataal gevolg, nooit tot de kennis der waarheid kwamen. Van dezulken, die leefden in de tijd van de eerste Advent Beweging, zegt de kerkgeschiedenis: “Menigten, die onvoorwaardelijk op hun predikanten vertrouwden, weigerden om naar de waarschuwing te luisteren; en anderen, hoewel zij overtuigd waren van de waarheid, durfden het niet te erkennen, opdat zij niet “uit de synagoge gezet” zouden worden. {TN8: 101.2}

“De grootste hindernis voor zowel de aanvaarding als de verkondiging van waarheid, is het feit dat het ongemak en smaad meebrengt. Dit is het enige argument tegen de waarheid, welke de ondersteuners ervan nooit hebben kunnen weerleggen. Maar dit weerhoudt de ware volgelingen van Christus niet. Dezen wachten niet af totdat de waarheid populair wordt. Overtuigd zijnde van hun taak, aanvaarden zij vastberaden het kruis, met de apostel Paulus toerekenend dat ‘onze lichte verdrukking, welke slechts voor een ogenblik geldt, bewerkt voor ons een veel uitnemender en eeuwige gewicht der heerlijkheid;’ met één van ouds, ‘achtende de smaad van Christus grotere rijkdom dan de schatten in Egypte.’” –The Great Controversy, blz.380, 460{De Grote Strijd, blz..}. {TN8: 102.1}

Daar zowel de Moabieten als de Ammonieten de afstammelingen zijn van Lot, en Lot één was met Abraham, en ook daar de Edomieten de afstammelingen zijn van Ezau, Jakob’s tweelingbroer, allen tot wie God verklaarde: “maar

102

bij het vierde geslacht zullen zij hierheen wederkeren”(Gen.15:13-16), zouden zij daarom hebben kunnen weten dat de tijd was gekomen voor de vervulling van die lang verwachte gebeurtenis, en zouden dienovereenkomstig er klaar voor moeten zijn geweest, of, als zij de waarheid uit het oog hadden verloren, dan zouden zij het zich moeten hebben herinnerd toen zij de beweging zagen die nu zelfs aan hun grenzen stond. Als zij geloofd hadden in de God van Abraham zoals God geloofde, dan zouden zij niet hebben geweigerd om de kinderen van  Israël, hun bloedverwanten, te laten doortrekken door hun land naar het beloofde land, maar zouden eerder zich bij hen gevoegd, zoals Lot zich voegde bij Abraham, om hem te helpen het te bezitten. {TN8: 102.2}

Inderdaad, de Moabieten gingen zo ver in hun vijandigheid tegen hun verwanten dat zij Bileam inhuurden om hen te vervloeken, ondanks het feit dat God, door de Israëlieten Zijn belofte tot Lot te doen gedenken, hen gebood dat zij hun broeders geen kwaad doen {RIchteren 11;16-18). {TN8: 103.1}

Aldus, door het af te wijzen om hen te verwelkomen en hen vrije doorgang tot het land te verlenen, weigerden de Moabieten niet alleen God’s wonderlijke voorzienigheid te erkennen, maar ook verwierpen zij Hem in de persoon van Zijn volk, van wie zij maar al te goed wisten dat Hij hen met tekens en  wonderen had geleid, uit het land Egypte. {TN8: 103.2}

Moge deze tragische les doordringen tot de binnenste harten van allen vandaag de dag, en hen veroorzaken om God’s machtige kracht te erkennen

103

 in het vervullen van profetie. Zullen Christenen de fouten en blunders{grove fouten} uit het verleden niet voorkomen zonder aarzelen, zich voegen bij God´s volk tijdens hun voorwaartse optocht naar het antitypische beloofde land? Of zal wie dan ook in deze verlichte eeuw op koppige wijze het Woord van God veronachtzamen, en Zijn volk tegenstaan, zoals de Moabieten en de Ammonieten dat deden, die dus zowel hun koninkrijk als het eeuwig leven verloren? O, wat een ramp, om na aldus verlicht te zijn door het Woord der waarheid, tegen zichzelf dezelfde vreselijke zin te horen die de Moabieten en de Ammonieten buitensloot van de vergadering van de Heer!— {TN8: 103.3}

“Een Ammoniet of Moabiet zal niet in de gemeente des Heren komen; zelfs hun tiende geslacht zal nimmer in de gemeente des Heren komen, omdat zij u bij uw uittocht uit Egypte op de weg niet met brood en water tegemoet gekomen zijn, en omdat zij tegen u Bileam, de zoon van Beor, uit Petor in Mesopotamië, gehuurd hadden om u te vervloeken.” Deut.23:3,4. {TN8: 104.1}

Het inhuren van Bileam door de Moäbieten richt de aandacht tot het feit dat, in het antitype, zij die God’s volk zouden moeten verwelkomen en zegenen, in plaats daarvan, met beloften van geld en roem, valshartige dienstknechten zullen inhuren, om hen te vervloeken. Maar wij worden getroost door de waarheid (in type) dat hetgeen God gezegend heeft, niemand kan vervloeken. {TN8: 104.2}

104

 “Ik sta ervan versteld,” zegt de dienstknecht van de Heer, “dat wij, met de voorbeelden die voor ons liggen van wat de mens kan zijn, en wat hij kan doen, niet gestimuleerd worden tot een grotere inspanning om de goede werken van de rechtvaardigen na te volgen. Niet allen kunnen een verheven functie bekleden; toch kunnen allen functies bekleden van bruikbaarheid en vertrouwen, en kunnen, door hun volhardende getrouwheid, veel meer goeds doen dan zij enig idee hebben dat zij kunnen doen. Zij die de waarheid aannemen zouden een duidelijker inzicht moeten zoeken van de Schriften, en een experimentele kennis van de levende Verlosser. Het intellect zou moeten worden beoefend, het geheugen zou belast moeten worden. Alle intellectuele luiheid is zonde, en geestelijke lusteloosheid betekent de dood.” Testimonies, Vol.4{Getuigenissen, Deel 4), blz. 399. {TN8: 105.1}

“Wij verlangen ernaar dat een iedere van u dezelfde ijver betoont tot de volle verzekering der hoop tot het einde toe; dat gij niet lui zijt, maar navolgers van hen die door het geloof en het geduld de beloften beërven. “ Hebr. 6:11,12{KJV}. {TN8: 105.2}

Zij die wachten op de predikant om de boodschap aan te nemen voordat zijzelf handelen naar hun overtuiging, zullen nooit tot de kennis der waarheid komen. De Geest der Profetie zegt: {TN8: 105.3}

“Zoals het licht en leven der mensen werd verworpen door de kerkelijke gezaghebbers in de dagen van Christus, zo is het verworpen geweest in iedere opeen volgende generatie. Keer op keer werd de geschiedenis van het zich terugtrekking door Christus van Juda herhaald. Toen de

105

 Hervormers het woord van God verkondigden, hadden zij geen voornemen om zich van de vastgestelde gemeente te scheiden; maar de godsdienstige leiders konden geen licht verdragen, en zij die het uitdroegen werden gedwongen om een andere klasse te zoeken, die naar waarheid verlangden. In onze tijd worden maar weinig van de belijdende navolgers van de Hervormers bewogen door hun gezindheid. Weinigen luisteren naar de stem van God, en zijn bereid om de waarheid aan te nemen, in welke vorm dan ook het kan worden voorgesteld. Vaak worden degenen die de voetstappen navolgen van de Hervormers gedwongen zich af te keren van de kerken die zij liefhebben, ten einde de duidelijke leer van het Woord van God te verkondigen. En vele malen  worden zij die naar licht zoeken, door dezelfde leer verplicht om de kerk van hun vaders te verlaten, zodat zij gehoorzaamheid kunnen betuigen. –The Desire of Ages, p.232, par.2{De Wens der Eeuwen, blz…}. {TN8: 105.4}

“In die dagen, en te dien tijd, zegt de Here, zullen de kinderen van Israël komen, en de kinderen van Juda tezamen, gaande en wenende; zij zullen gaan, en de Here, hun God, zoeken. Zij zullen de weg vragen naar Sion met hun aangezichten derwaarts, zeggende: Kom, en laten wij ons voegen bij de Here in een gedurig verbond, die niet vergeten zal worden. Mijn mensen zijn verloren schapen geweest; hun herders hebben hen doen afdwalen, zij hebben hen afgekeerd op de bergen; zij zijn van berg naar heuvel gegaan, zij zijn hun rustplaats vergeten. Allen, die hen hebben gevonden, hebben hen verslonden; en hun vijanden zeiden:

106

Wij laden geen schuld op ons; want zij hebben gezondigd tegen de Here, de woonplaats der gerechtigheid, namelijk de Here, de hoop hunner vaderen. Vlucht uit het midden van Babel weg, en trekt uit het land der Chaldeeën en wees als bokken [leiders] voor de kudde uit.” Jer.50:4-8{KJV}. {TN8: 106.1}

“De tijd is aangebroken voor een grondige hervorming om plaats te vinden. Wanneer deze hervorming begint, zal de geest van gebed iedere gelovige activeren, en zal uit de kerk verbannen de geest van tweedracht en strijd. Zij die niet Christelijke gemeenschap hebben geleefd, zullen nader tot elkaar trekken. Een lid die in rechte lijnen werkt zal andere leden ertoe leiden zich met hem te verenigen in het bemiddelen voor de openbaring van de heilige Geest. De hindernissen die de gelovigen van elkaar scheiden zullen afgebroken worden, en God’s dienstknechten zullen dezelfde dingen spreken. De Heer zal samenwerken met Zijn dienstknechten. Allen zullen een op verstandelijke wijze het gebed bidden dat  Christus  Zijn dienstknechten leerde: ‘Uw koninrijk kome. Uw wil geschiede op aarde, zoals het wordt gedaan in de hemel.’ Matt.6:10{KJV}.” –Testimonies, Vol.8{Getuigenissen, Deel 8}, p.251. {TN8: 107.1}

“De Here zeide tot mijn Here: Zit gij aan Mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden  maak tot uw voetenbank. De Here zal de staf van uw sterkte zenden uit Sion; heerst gij in het midden van uw vijanden. Uw volk zal gewillig zijn op de dag van uw

107

macht, in de schoonheden der heiligheid van de schoot van de morgen; gij hebt de dauw van uw jeugd. De Here heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt een priester in eeuwigheid naar de orde van Melchisedek. De Here aan uw rechterhand zal koningen doorslaan op de dag van Zijn toorn. Hij zal richten onder de heidenen, Hij zal de plaatsen vullen met dode lichamen; Hij zal de hoofden verwonden van vele landen. Hij zal drinken van de beek in de weg; daarom zal Hij het hoofd opheffen.”Ps.110{KJV}. {TN8: 107.2}

“Denk aan de vrouw van Lot.”

“Vlucht voor uw leven.”

Aldus torent voort het bolwerk van waarheid, die de boodschap uitzendt dat het koninkrijk zal worden hersteld door de antitypische profeet Elia, net voor de afsluiting van de genadetijd, maar omdat de aarde ongeschikt is voor de heiligen om er voor eeuwig op te wonen, zal Jezus daarom “weder komen”en al de verlosten tot Zich nemen (zowel zij die opgestaan uit hun graven als zij die levend zullen worden bevonden bij Zijn komst—1 Thess.4:16, 17), en zal hen meenemen naar de woningen daarboven, waartoe Hij is heengegaan om te bereiden (Johannes 14:3). Daarna, wanneer de heiligen opstijgen en de goddelozen sterven, zal de aarde leeg en duister worden achtergelaten (Jer.4:23-19) voor duizend jaren (Openb.20:3), waarna de Heer zal neerdalen met de heiligen (Openb.21:1-3), de aarde zal reinigen met vuur (2 Petr.3:10-13), en het opnieuw geschikt maken als de eeuwige woonplaats van de heiligen (Jes.45:18)! {TN8: 108.1}

108

 Laat nu daarom uw geloof in het Woord uw liefde vernieuwen in de waarheid en in de belofte van de toekomstige heerlijkheid: {TN8: 109.1}

“O zingt de Here een nieuw lied; want Hij heeft wonderbare dingen gedaan; Zijn rechterhand, en Zijn heilige arm, hebben Hem de overwinning gegeven. De Here heeft Zijn heil bekend gemaakt; Zijn gerechtigheid heeft Hij openlijk betoond voor de ogen der heidenen. Hij heeft gedacht aan Zijn barmhartigheid en Zijn waarheid jegens het huis Israëls; alle einden der aarde hebben het heil van onze God gezien. Juigt voor de Here, gij ganse aarde; breek uit in gejubel, en verheugt u, en psalmzingt. Zing tot de Here met de harp; met de harp, en met luide zang. Met trompetten en met bazuingeschal, juicht voor de Here, de Koning. Laat de zee bruisen, en haar volheid; de wereld, en die daarin wonen. Laat de stromen hun handen klappen; laten de heuvels tezamen jubelen voor het aangezicht des Heren; want Hij komt om de aarde te richten; met gerechtigheid zal Hij de wereld richten, en de volken met rechtmatigheid.” Ps.98. {TN8: 109.2}

O, wat een taferelen van toekomstige heerlijkheid! Wie zou ze willen missen! Broeder, zuster, u moet daar zijn. Wat u dan ook verliest hier, wees vastbesloten om u voor een thuis daarginds zeker te stellen. “(…)Het zal een eeuwige zaligheid zijn, een gezegende eeuwigheid, nieuwe heerlijkheden ontvouwend door de oneindige eeuwen heen.” Testimonies, Vol.8{Getuigenissen, Deel 8}, blz.131. {TN8: 109.3}

109

 Zie “(…) het kristallen rivier en groene velden, de wuivende bomen en levende fonteinen, de blinkende stad en de met wit beklede zangers, van onze hemelse thuis,–die wereld van schoonheid welke geen enkele kunstenaar kan afbeelden, geen sterfelijk tong kan beschrijven. “Wat geen oog heeft gezien, noch enig oor gehoord, noch in het hart der mensen is opgekomen, de dingen die die God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.” 1 Kor.2:9.{KJV} {TN8: 110.1}

“Om voor eeuwig te wonen in dit thuis van de gezegenden, om in ziel, lichaam, en in geest te dragen, niet de duistere sporen van de zonde en de vloek, maar de volmaakte gelijkenis van onze Schepper, en door de oneindige eeuwen heen vooruit te gaan in wijsheid, in kennis, en in heiligheid, altijd nieuwe  gedachtenisvelden te verkennen, altijd nieuwe wonderen en nieuwe heerlijkheden ontdekkend, altijd toenemend in vermogen om te kennen en te genieten en lief te hebben, en wetend dat er nochtans boven ons oneindige vreugde en liefde en wijsheid bestaat,–dat is het onderwerp waartoe de hoop van de Christen leidt…”—Counsels to Teachers{Adviezen voor Leraren},blz.55. {TN8: 110.2}

(Schuingedrukte door Ons)

—0—

 .

 


TN1-1-1200x675.jpg

 

1

Kopierecht, 1933, 1940, 1941

Alle rechten voorbehouden

T. Houteff

In het belang van het bereiken van ieder verstand dat naar waarheid zoekt, die ernaar verlangt om te ontkomen aan het pad dat naar vernietiging leidt van zowel lichaam als geest, zal dit traktaat kosteloos verspreid worden zolang als deze uitgave voorradig is.

TRAKTAAT NR. 1

Herdruk 1986

2

VOORWOORD

PERSOONLIJK UITZIEN NAAR IEDERE  LICHTSTRAAL

   Degene die het onderzoeken van een boodschap van de Heer aan een ander toevertrouwt, maakt vlees tot zijn arm, en handelt aldus op dwaze wijze als zonder zijn eigen verstand. En “het verstand dat steunt op het oordeel van anderen zal zeker, vroeg of laat, worden misleid.” — Education, p. 231. {Karaktervorming, blz. 232,233} {TN1: 3.1}

   Op dezelfde manier is iemand die toestaat dat vooroordeel hem de weg verspert tot een oprecht onderzoek van alles wat nieuw is, wat in de naam van de Heer komt, zonder het te weten een ongelovige. {TN1: 3.2}

   Gelijkerwijs is Hij die tevreden is met zijn tegenwoordige verworvenheden in het Woord van God, in feite aan het zeggen: “Ik ben rijk, en verrijkt met goederen, en heb aan niets gebrek.” {TN1: 3.3}

   Al dezulken, die op verschillende manieren dat deel ten uitvoer brengen dat de veroordeling prikkelt die geschreven is tegen de Laodiceanen, vervullen daardoor de profetie die zij niet behoren te vervullen, en zijn zichzelf aan het voor bereiden om te worden uitgespuwd (Openb. 3:14-18). En als zij voortgaan in een zelftevreden houding dat zij alle waarheid hebben, en aldus niets meer nodig hebben, zullen zij elke nieuwe eis van waarheid versmaden en de boodschap terzijde leggen, omdat het door een onverwachte kanaal komt. Het is dan zeker, dat indien dit traktaat niet de ontvouwing van profetie was, het een

3

 onvermijdelijk feit is dat toen de ontvouwing kwam, zij het op gelijke wijze zouden behandelen, en dus hun verlossing wegwerpen! {TN1: 3.4}

Door de eeuwen heen hebben allen die hun vertrouwen in de zogenaamde wijze mensen gesteld hebben, en voorname Christenen van vandaag, alle naar men zegt godvruchtige mensen, zijn juist door dezen beroofd van het eeuwig leven, zoals de Joodse leken dat waren in de dagen van Christus vanwege hun falen in het nemen van de volle verantwoording voor hun eigen verlossing. Op aanmatigende wijze vertrouwend in de wijsheid van hun zogenaamde “grote mannen,” stonden zij afwijzend in het geloven van de woorden van Jezus: “O Vader, Heer van hemel en aarde, (…) Gij hebt deze dingen verborgen voor de wijze en de schrandere, en hebt hen aan kinderkens geopenbaard.” Matt. 11:25 { KJV}, “Waar is de wijze? Waar is de Schriftgeleerde? (…) heeft God niet dwaas gemaakt de wijsheid van deze wereld?” 1 Cor. 1:20 {KJV}. {TN1: 4.1}

    “(…) Als een boodschap komt die u niet begrijpt, neem de moeite zodat u de reden kunt horen die de boodschapper kan geven, Schriftgedeelte met Schriftgedeelte vergelijkend, zodat u kunt weten of het wel of niet ondersteund wordt door het woord van God.” — Testimonies on Sabbath-School Work, p. 65. {Getuigenissen over het Sabbatschool Werk. blz. 65}. {TN1: 4.2}

   Wilt u daarom, broeders, zusters, dus niet de fouten van anderen kopiëren? Wilt u geen voordeel uit hen halen? Als u dat wilt, bent u verplicht uw eigen verstand te gebruiken om uit te reiken naar verlossing, voordat u faalt om de reddende waarheid te begrijpen in de gewichtige blootlegging van:

4

 HETGEEN EXTRA VOORAFGAAT AAN HET “ELFDE UUR”!

DE DARDANELLEN* VAN DE BIJBEL. {TN1: 4.3}

{*De zeestraat of zee-engte die de Middellandse Zee met de Zwarte Zee verbindt}

   De roeping van Ezechiël tot het profetisch ambt is een van de meest boeiende ervaringen van de zieners van vroeger, en de openbaring van wat hij zag aan de Chebar rivier is hoogstwaarschijnlijk van groter belang voor hemel en aarde in deze tijd dan welke andere visioen dan ook in het heilig verslag {dat is}, want op een opmerkelijke wijze openbaart het Datgene Wat de Hemel met de Aarde verenigt, zoals de Dardanellen twee belangrijke zeeën met elkaar verenigt. Aldus mag deze studie van Ezechiël’s visioen die het bezoek die de Majesteit van het Universum aan de aarde aan het licht brengt, op passende wijze, “De Dardanellen van de Bijbel” genoemd worden. {TN1: 5.1}

De lezer die het best deze ogenschijnlijk meest verwarrende en gecompliceerde Bijbel symbolieken zou willen begrijpen, zal de afbeelding op de voorpagina volgen, tezamen met:

De Beschrijving van de Profeet over de Mysteries Hierin Behandeld. {TN1: 5.2}

   “En ik keek, en zie, een storm kwam op uit het noorden, een grote wolk, en een vuur vouwde zich naar binnen, en een helderheid was eromheen, en uit het midden daarvan als de kleur van amber, uit het midden van het vuur. {TN1: 5.3}

“Ook uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier levende schepsels. En dit was hun voorkomen: zij hadden het voorkomen van een mens. En elkeen had vier aangezichten, en

5

elkeen had vier vleugels. En hun voeten waren rechte voeten; en de zool van hun voeten was als de zool van een kalfspoot; en zij glommen als de kleur van gepolijst koper. En zij hadden de handen van een mens onder hun vleugels aan hun vier zijden; en zij vieren hadden hun aangezichten en hun vleugels. Hun vleugels waren aan elkaar gevoegd, zij keerden zicht niet als zij gingen; zij gingen ieder recht voor zich uit. {TN1: 5.4}

“Wat de gelijkenis van hun aangezichten betreft, zij vieren hadden het aangezicht van een mens, en het aangezicht van een leeuw, aan de rechterzijde; en zij vieren hadden het aangezicht van een rund aan de linkerzijde; zij vieren hadden ook het aangezicht van een arend.(…) {TN1: 6.1}

 “En ik zag als de kleur van amber, als de verschijning van vuur rondom vanbinnen erin, van de verschijning van zijn heupen naar boven, en van de verschijning van zijn heupen naar beneden, zag ik als het ware de verschijning van vuur, en het had helderheid rondom. Als de verschijning van de boog die in de wolk is op de dag van regen, zo was de verschijning van de helderheid rondom. Dit was de verschijning van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heren. En toen ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde de stem van iemand die sprak.” Ezech. 1:4-10, 27, 28 {KJV}.{TN1: 6.2}

“En het geschiedde, dat toen Hij de man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging,

6

en stond bij de wielen.” Ezech.10:6 {KJV}.{TN1: 6.3}

     Tot dit wonderbaarlijke tafereel, welke Ezechiël zag aan de rivierbank in het land der Chaldeeërs, wordt onze onverdeelde aandacht nu getrokken. Zijnde Ade verschijning van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heren,” dan was het, vanzelfsprekend,

De Heer op Eén van Zijn Tronen. {TN1: 7.1}

Naast deze goddelijke verschijning welke Ezechiël zag (Ezech.1:28), beschrijft de Bijbel God, zittende op een troon, bij drie andere gelegenheden — eenmaal zoals werd gezien door Jesaja, en tweemaal zoals werd gezien door Johannes de Openbaarder; te weten: {TN1: 7.2}

(1) ”(…) Ook zag ik de Here, zittende op een troon, hoog en verheven, en Zijn gevolg vulde de tempel. Erboven stonden de serafs; elkeen had zes vleugels, met twee bedekte hij zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. En een riep tot een ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig, is de Here der heerscharen; de gehele aarde is vol van Zijn heerlijkheid. En de posten van de deur bewogen van de stem van hem, die riep, en het huis was gevuld met rook.” Jes.6:1-4 {KJV}.{TN1: 7.3}

(2) ”En terstond was ik in de geest; en zie, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon(…) En rondom de troon waren vier en twintig zetels; en op de zetels zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen; en zij hadden op hun hoofden kronen

7

van goud (…) en er waren zeven lampen van vuur, brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden van de troon, en rondom de troon waren vieren dieren, vol ogen, van voren en van achteren.” Openb.4:2, 4-6 {KJV}.{TN1: 7.4}

(3) “En hij toonde mij een zuivere rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam.” Openb.22:1 {KJV}. {TN1: 8.1}

     Aangezien de troon die werd gezien door Jesaja een “gevolg” (hofstoet) was, en aangezien het de tempel binnenging, “bewogen de posten van de deur bij de stem van hem, die riep, en het huis was gevuld met rook” (Jes.6:1, 4), is het daarom een reizende troon, terwijl zowel de ene van Openbaring 4, hebbende de Azee van glas” ervoor, als die van Openbaring 22, hebbende de “rivier (…) des levens” ervoor, vaststaande tronen zijn. {TN1: 8.2}

Hoewel de troon welke Ezechiël zag gelijksoortig is aan die ene welke aan Jesaja werd getoond, zijn zij toch verschillende en aparte tronen, want elk van de “serafs” van het visioen van Jesaja had zes vleugels, terwijl elk van de “cherubs” van het visioen van Ezechiël slechts vier had. In het laatstgenoemde, stonden de cherubs bovendien onder de troon, terwijl in het eerstgenoemde, zij erboven stonden. Er staan daarom vier tronen opgetekend — twee vaststaande, en twee reizende. {TN1: 8.3}

8

Om de locatie vast te stellen van de troon van Openbaring 4, en de troon van Openbaring 22, merken wij om te beginnen op, dat de laatstgenoemde, de ene van waaruit de “rivier (…) des levens” voortkomt, zoals de Openbaarder zegt: “de troon van God en van het Lam” is — die {troon} waarop Christus zat aan de rechterhand Gods na Zijn opstanding. De eerstgenoemde, die ene, hebbende de zee van glas ervoor, bevindt zich (ook volgens de zienswijze van Johannes) in de meest heilige afdeling van het hemelse heiligdom, want Johannes zag ervoor “zeven lampen van vuur” (Openb.4:5) –een voorwerp van het heiligdom. “Terwijl de apostel Johannes in een visioen een inzage werd gegeven van de tempel van God in de hemel, zag hij daar ‘zeven lampen van vuur, brandende voor de troon.’“ — The Great Controversy, p. 414 {De Grote Strijd, blz. 388}. {TN1: 9.1}

Dan, betreffende het zich verplaatsen van de Vader en de Zoon van de troon van God en van het Lam — die {troon} waar de rivier des levens is — naar de troon waar de zee van glas is, lezen wij: “Ik zag de Vader opstaan van de troon, en in een vlammende wagen binnengaan tot het heilige der heiligen binnen het voorhangsel, en zette zich neer. Toen stond Jezus op van de troon, (…) Toen kwam er een wolkenwagen, met wielen als vlammend vuur, door engelen omringd, tot waar Jezus was. Hij stapte in de wagen, en werd naar het allerheiligste gevoerd, waar de Vader zat.” — Early Writings, p. 55 {Eerste Geschriften, blz. 56}.{TN1: 9.2}

Dezelfde gebeurtenis optekenend zoals hij het zag, zegt Daniël: “Ik zag toe, totdat de tronen werden neergezet, en de Oude van dagen zette zich neder,

9

Wiens kleding wit was als sneeuw, en het haar van Zijn hoofd gelijk zuivere wol; Zijn troon was gelijk de vurige vlam, en Zijn wielen als brandend vuur. Een vurige stroom kwam vloeiend voort van voor Hem uit; duizend duizenden bedienden Hem, en tienduizend maal tienduizend stonden voor Hem; het oordeel had zich opgesteld, en de boeken werden geopend.” — Dan.7:9,10 {KJV}.{TN1: 9.3}

Onze grootste belang echter, op dit moment, is om te weten te komen de locatie en de missie van de troon welke Ezechiël zag, en betreffende welke hij zegt: “(…) Ik keek, en ziet, een werverlwind kwam uit het noorden.” Ezech.1:4 {KJV}. Het feit dat de “wervelwind,” die de troon omgaf, “kwam,” zegt Ezechiël, toont aan dat deze troon, net zoals met die van Jesaja 6, een bewegende troon is, en dat het kwam tot de oevers van de rivier Chebar. {TN1: 10.1}

“Dit is het levende schepsel,” vervolgt Ezechiël, “dat ik zag onder de God Israëls [Die “boven de cherubs” is], bij de rivier Chebar; en ik wist, dat zij de cherubs waren.” “En de cherubs hieven hun vleugels op, en stegen van de aarde op voor mijn ogen.” — Ezech. 10:20, 19 {KJV}. {TN1: 10.2}

Aangezien het “opstijgen” van de wagen “van de aarde” aantoont dat God op deze bijzondere troon de aarde bezoekt, en dan, wanneer Zijn missie is volbracht, terugkeert naar de hemel, dan is het natuurlijk onze allergrootste verlangen om het antwoord te kennen op de vraag:

10

Wanneer Zal Dit Profetische Visioen In Vervulling Gaan? {TN1: 10.3}

Volgens Ezechiël 2:3; 3:1, 4, 5, 7, zou de profeet zijn boodschap overbrengen tot het ganse “huis Israëls” (de term “huis Israëls,” betekent óf alle twaalf stammen, óf alleen de tien stammen, wat het geval ook moge zijn). Toch begreep hij de betekenis van het visioen niet. Had hij het begrepen, dan zou hij het hebben uitgelegd, in plaats van te verklaren: “Ik kwam bij de gevangenen te Tel-Abib, die aan de rivier de Chebar woonden, en ik zat waar zij zaten, en bleef daar verbaasd onder hen zeven dagen.” Ezech.3:15 {KJV}. {TN1: 11.1}

Aangezien ten tijde van het visioen het huis van Juda, het tweestammen koninkrijk, in gevangenschap was in het land der Chaldeeërs, en het huis Israëls, het tienstammen koninkrijk, in verstrooiing verkeerde onder de natiën waarheen het was weggevoerd en verspreid enige jaren daarvoor (2 Koningen 17:6), dan was er geen mogelijkheid dat Ezechiël de boodschap tot hen bracht. En aangezien het gericht is tot  zowel het huis Israëls als tot het huis van Juda (Ezech.9:9), — de twaalf stammen, – was het dus profetisch in de tijd van Ezechiël. {TN1: 11.2}

Bovendien had de Joodse natie, tot aan de tijd van Christus, geen licht over deze profetie, en het scheen hen toe als te ingewikkeld om te verstaan, en zelfs onveilig voor een simpel verstand om te lezen. “Alles van dit hoofdstuk scheen zo verborgen en vol geheimenissen, voor de vroegere Hebreeërs, dat zij, zoals wij leren

11

van St.Jerome (Ep. ad Paulin.), niemand toelieten het te lezen voordat zij dertig jaar oud waren.” Douay Versie, voetnoot bij Ezechiël 1:5. En geen licht gezien hebbende in dit Schriftgedeelte tot aan de tegenwoordige tijd, heeft de Christelijke kerk weinig of geen poging gedaan om het uit te leggen. {TN1: 11.3}

En daar er ten slotte nooit een slachting als die wordt beschreven in Ezechiël 9 heeft plaatsgevonden, ligt de vervulling ervan vanzelfsprekend nog in de toekomst. {TN1: 12.1}

Het is daarom duidelijk, dat het visioen profetisch was in de tijd van Ezechiël, en is sindsdien altijd profetisch geweest. En als het ooit in vervulling zal gaan, en  geen onbruikbaar en nutteloos geschrift zal blijven, — iets wat God nooit schept,– dan moet de verborgenheid ervan, vanzelfsprekend, nu ontsluierd worden, en de verrichting ervan ten uitvoer worden gebracht in de nabije toekomst. {TN1: 12.2}

In het duidelijke licht van deze feiten, wordt van hoofdstuk negen gezien dat dit het hoogtepunt van het tafereel van het visioen bevat. Het ontzagwekkend werk beschrijvend welke de Heer zal doen wanneer Hij, met de cherubs, de aarde bezoekt, toont het de vreselijke gevolgen aan voor hen die de boodschap ervan verwerpen: het mislopen van de zegeningen ervan, het verliezen van het koninkrijk! Tragische, vreeswekkende ervaring, het zal het lot zijn van allen die weigeren om nu te ontwaken en ervan op de hoogte te zijn, maar die eerder verkiezen om onwetend te blijven over de waarheid ervan, en over

Het Doel van de Komst van de Heer Op Zijn Troon. {TN1: 12.3}

Toen de profeet naar het noorden keek, zag hij een “grote wolk” komende als een

12

“wervelwind” naar de aarde. Toeziende met intense belangstelling hoe het steeds dichterbij naderde, zag hij uiteindelijk de “levende schepselen,” de “wielen,” en de rest, –“de verschijning van de gelijkenis van de heerlijkheid des Heren.” Waarop “ik viel,” zegt hij, “op mijn gezicht, en ik hoorde een stem van één die sprak [niet mis te verstaan de Here Zelf komende om een boodschap te geven aan Ezechiël]. {TN1: 12.4}

“(…) En Hij zeide tot mij: Mensenzoon, Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot een opstandige natie die tegen Mij opstandig is geweest; zij en hun vaders hebben tegen Mij overtreding gepleegd, zelfs tot op deze dag. Want zij zijn kinderen, schaamteloos en hardvochtig. Ik zend u tot hen; en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here God. En zij, hetzij zij zullen horen, of hetzij zij zullen nalaten, (want zij zijn een opstandig huis,) toch zullen zij weten dat er een profeet in hun midden is geweest. En gij, mensenzoon, wees niet bevreesd voor hen, en wees ook niet bevreesd voor hun woorden, al zijn er netels en doornen met u, en gij onder schorpioenen woont; wees niet bevreesd voor hun woorden, en wees ook niet verontrust bij hun blikken, hoewel zij een opstandig huis zijn.” Ezech.1:28; 2:3-6  KJV}. {TN1: 13.1}

“En Hij zeide tot mij,” vervolgt de profeet, “Mensenzoon, ga heen, gaat gij tot het huis Israëls, en spreek tot hen met Mijn woorden. Want gij zijt niet gezonden tot een volk met een vreemde uitspraak en van een moeilijke taal, (…) wiens woorden gij niet kunt verstaan.” Ezech. 3:4-6 {KJV}.{TN1: 13.2}

13

Deze verplichte woorden (van gewichtige betekenis voor allen) openbaren dat de boodschap die de profeet ontving alleen bestemd is voor Gods volk, en dat daarom, als logisch gevolg, het gehele visioen, waarvan het deel uitmaakt, zijn vervulling vindt op een tijd waarin de Heer een waarschuwing uitzendt, dat vanwege {het feit} dat Zijn kerk zich geestelijk op een zeer laag niveau bevindt, — “schaamteloos en hardvochtig” en “een opstandig huis,” — Hij daarin een werk van merken en slachten zal verrichten.  En in de gehele Bijbel zal er in maar één kerk een situatie gevonden worden, betreffende toestand, oorzaak, tijd, en gevolg, die beantwoordt aan de profetie, en dat is in

De Laodiceaanse Kerk. {TN1: 14.1}

 De veroordeling van Openb. 3:14-18 tegen de Laodiceanen, en de veroordeling van Ezech.2:1-7 en 3:4-7 tegen Ahet huis Israëls” zijn dezelfde; daarom is elkeen de aanvulling van de ander: de een is de Openbaring van datgene waarvan de ander de profetie is. {TN1: 14.2}

Beiden rechtvaardigen de waarschuwing van de Geest der Profetie dat er geen “grotere misleiding het menselijk verstand kan bevangen dan een zekerheid dat zij gelijk hebben, terwijl zij het allen verkeerd hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een treurige misleiding [in plaats van in een uitstekende toestand], en toch oprecht in die misleiding. Zij weten niet dat hun toestand betreurenswaardig is in de ogen van God. Terwijl degenen tot wie het gericht is zichzelf vleien

14

dat zij in een verheven geestelijke toestand verkeren, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid door de schokkende aanklacht van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede, en ellendigheid. Een getuigenis, zo doorsnijdend en (af)snijdend, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige die spreekt, en Zijn getuigenis moet juist zijn.”–Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 252, 253. {TN1: 14.3}

Aangezien de Heer zegt dat “het gehele huis Israëls schaamteloos en hardvochtig is”  (Ezech.3:7), dan zal voorzeker een ieder, die zich voorneemt om gered te zijn, Avastbesloten zijn om het ergste geval van” zijn “zaak te weten” (Testimonies, Vol.1 {Getuigenissen, Deel1}, p. 163), en

De Tijd Van Het Lage Niveau Van de Kerk. {TN1: 15.1}

Als Gods volk in zelfmisleiding zou voortgaan, ”schaamteloos en hardvochtig,” en als de geestelijkheid van de kerk zou voortgaan te verzwakken, dan zou God met zulk een kerk nooit Zijn werk op aarde kunnen afronden, en moet de genadetijd uiteindelijk over een wereld in volkomen duisternis afsluiten, zonder levende heiligen om getransformeerd {veranderd} te worden bij de verschijning van Christus. {TN1: 15.2}

“De Heer werkt nu niet,” zegt de Geest der Profetie, “om vele zielen tot de waarheid te brengen, vanwege de kerkleden die nooit bekeerd zijn geweest, en zij die een bekeerd waren, maar die zijn afgevallen. Welke invloed zouden deze niet toegewijde leden hebben op nieuwe

15

bekeerlingen? Zouden zij niet de door God gegeven boodschap, welke Zijn volk zal uitdragen, zonder uitwerking maken?” — Testimonies, Vol. 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p. 371. {TN1: 15.3}

Door tot op deze tijd te zijn teruggehouden vanwege de onbekeerde en afgevallen leden in de kerk, wat zal Hij nu dan doen wanneer, zoals Hij zegt: “Het gehele huis Israëls schaamteloos en hardvochtig is”? Juist het feit dat Hij terughoudt, is het meest veelbetekenend bewijs dat Hij een bijzonder werk voor de kerk moet doen voordat zij Zijn werk op aarde kan afronden. {TN1: 16.1}

Met deze ernstige zekerheid voor ogen zal daarom een ieder die “een erfenis daarboven” zoekt, de meest nauwgezette integriteit {onkreukbaarheid} en openheid van geest {on-bevooroordeeldheid} handhaven, naargelang hij onderzoek doet betreffende het bijzonder werk waar het hier om draait, voordat hij vanwege zijn Laodiceaanse bezoeking, nooit zal vinden

Het Geneesmiddel: {TN1: 16.2}

“(…)Terwijl het onderzoekend oordeel voortgang vindt in de hemel, (…) zal er een bijzonder werk zijn van reiniging, van het wegdoen van zonde, onder Gods volk op aarde (…) Dan zal de kerk, welke onze Heer bij Zijn komst tot Zich zal nemen, ‘een heerlijke kerk’ zijn, ‘ die geen vlek, of rimpel, of iets dergelijks’ heeft. Dan zal zij er uitzien ‘als de morgen, schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren.’“ “Gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, zal de kerk ingaan tot haar laatste strijd (…) zal zij voortgaan in

16

de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” —The Great Controversy, p. 425 {De Grote Strijd, p. 397, 398}; Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, p. 445}.{TN1: 16.3}

Let op de schuingedrukte woorden: “die geen vlek heeft,” “haar laatste strijd,” “voortgaande in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” Deze verklaringen benadrukken een zuivere en zegevierende kerk, vervolmaakt door een “bijzonder werk van reiniging” welke plaats moet vinden voordat het werk van het evangelie in welk deel dan ook in de wereld is volbracht. {TN1: 17.1}

De bekwaamheid die de kerk dán zal bezitten aantonend voor het grote werk dat aan haar is toevertrouwd, vervolgt Inspiratie: “Machtige wonderen werden tot stand gebracht, de zieken werden genezen, en tekenen en wonderen volgden de gelovigen.” — Early Writings, p.278 {Eerste Geschriften, p.333}.{TN1: 17.2}

Omdat deze machtige werken worden gedaan in de tijd van de “Luide Roep van de Derde Engel Boodschap,” zal daarom de reiniging op onweerlegbare wijze plaatsvinden aan het begin van de “Luide Roep.” En hieruit komt als een logische noodzaak naar voren dat de profetie van Ezechiël van het merken en slachten de aankondiging moet bevatten van de reiniging van de kerk. {TN1: 17.3}

Doorgaand met het aanschouwen in visioen van de cherubs en de heerlijkheid van Gods troon, zag de profeet de Heer komen tot de drempel {deur} van het huis (de kerk), en terwijl Hij Zijn engel gelastte, die was “bekleed met linnen” en die Aeen schijvers-inktkoker aan zijn zijde had,” hoorde Ezechiël Hem de man gebieden: “Ga door het midden van de stad,

17

 door het midden van Jeruzalem, en plaats een merkteken op de voorhoofden van de mannen, die zuchten en die uitroepen over al de gruwelen, die in het midden daarvan gedaan worden. {TN1: 17.4}

“En tot de anderen zeide Hij tot mijn aanhoren: Gaat gij hem achterna door de stad, en slaat neer; laat uw oog niet ontzien, en hebt gij ook geen medelijden; Doodt geheel en al oud en jong, zowel maagden als kleine kinderen, en vrouwen; maar nadert tot niemand, op wie het merkteken is; en begin bij Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oude mannen, die voor het huis waren. En Hij zeide tot hen: Verontreinig het huis, en vul de voorhoven met de gedoden; gaat gij voort. En zij gingen voort en doodden in de stad. {TN1: 18.1}

“En het geschiedde, terwijl zij hen doodden, en ik was achtergebleven, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach Here God! Zult Gij al het overblijfsel van Israël verdelgen, bij het uitgieten van Uw grimmigheid over Jeruzalem? Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israëls en van Juda is uiterst groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad vol van verdorvenheid; want zij zeggen: De Here heeft de aarde verlaten, en de Here ziet niet.” Ezech.9: 3-9 {KJV}. {TN1: 18.2}

Door een volkomen scheiding van de goddelozen van onder de rechtvaardigen te openbaren, waarschuwen deze verzen daarom op profetische wijze vooraf voor de ophanden zijnde reiniging van de kerk — haar enige redding. En door plaats te vinden in “de stad,” “Jeruzalem,” “Israël,” en “Juda,”

18

— termen waarmee de wereld met geen van hen genaamd kan worden, aangezien zij uitzonderlijk van toepassing zijn op het volk van God, de kerk, — is dit werk van scheiding dienovereenkomstig nauwgezet beperkt tot de kerk. {TN1: 18.3}

Verder toont het feit, dat de goddelozen worden weggenomen van onder de rechtvaardigen ook aan dat de scheiding niet in de wereld kan zijn. Vond het daar plaats, dan zou het op de tegenovergestelde wijze gedaan moeten worden — de rechtvaardigen weggenomen van onder de goddelozen. {TN1: 19.1}

Gedenk dat de Heer tot Ezechiël zei: “Mensenzoon, Ik zend u tot de kinderen Israëls, tot een weerspannige natie die tegen Mij weerspannig is geweest.” “Want gij zijt niet gezonden tot een volk met een vreemde uitspraak en van een moeilijke taal, maar tot het huis Israëls” (Ezech. 2:3; 3:5) — een zending welke zal resulteren in

De Verzegeling Van De 144.000 –De Eerste Vruchten. {TN1: 19.2}

“Deze machtigste der engelen,” zegt de Geest der Profetie, Aheeft in zijn hand het zegel van de levende God, of van Hem Die alleen leven kan geven, die het merkteken kan aanbrengen op de voorhoofden(…)” {TN1: 19.3}

“Deze verzegeling van de dienstknechten van God, is dezelfde die aan Ezechiël in visioen werd getoond. Johannes was ook een getuige geweest van deze meest opzienbarende openbaring.” –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 444,445. {TN1: 19.4}

Aangezien de verzegeling (Openb.7) dezelfde is als het merken (Ezech.9), — de “reiniging,”

19

 Bn wordt aan ons aldus een tweevoudige zicht gegeven van het “afsluitingswerk voor de kerk, (…) de verzegelingstijd van de honderd vier en veertig duizend die zonder fout zullen staan voor de troon van God (…) Zij gevoelen het meest diepzinnig de verkeerdheden van Gods belijdend volk. Dit wordt bekrachtigend voortgezet door de illustratie van de profeet van het laatste werk onder de voorstelling van de mannen, hebbende elk een slachtwapen in zijn hand. Eén man in hun midden was met linnen bekleed, met een schrijvers-inktkoker aan zijn zijde.” — Testimonies, Vol 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p.266. {TN1: 19.5}

Aangezien de reiniging, of de verzegeling, kwam bij de aanvang van de “Luide Roep,” zoals wij reeds hebben gezien, zijn de 144.000 daarom de “eerste vruchten” — de eersten die verzegeld zullen worden; terwijl degenen die worden verzegeld na de reiniging van de kerk, de tweede vruchten zijn, van wie Johannes (na de 144.000 verzegeld te hebben gezien) zegt: “Hierna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natiën, en geslachten, en volk, en talen, stond voor de troon, en voor het Lam, bekleed met witte gewaden, en palmtakken in hun handen.” Openb. 7:9 {KJV}. {TN1: 20.1}

Daarom toont het feit dat er een inzameling is van twee vruchten aan, dat het merken of verzegelen in twee delen is — twee perioden B er zijn dus

Twee Verzegelingsverslagen. {TN1: 20.2}

“En ziet,” zegt Ezechiël, “de man, met linnen bekleed, welke de inktkoker

20

aan zijn zijde had, bracht verslag uit van de zaak [terwijl {hij} op aarde {was}], zeggende: Ik heb gedaan zoals Gij mij geboden hebt.” Ezech.9:11. Hier is het eerste verslag, gebracht bij de voleinding van de verzegeling in de kerk — de verzegeling van de eerste vruchten, de 144.000. {TN1: 20.3}

“Ik zag,” zegt de dienstknecht des Heren, “(…) een engel met een schrijvers-inktkoker aan zijn zijde, van de aarde teruggekeerd, en bracht verslag uit aan Jezus dat zijn werk was gedaan, en de heiligen waren geteld en verzegeld.”–Early Writings, p. 279 {Eerste geschriften, p. 334}. Hier is zijn tweede verslag, uitgebracht bij de voleinding van de verzegeling in de wereld — de verzegeling van de tweede vruchten, de grote schare. {TN1: 21.1}

Door beide verslagen te vergelijken, wordt van elk gezien een verschillende gebeurtenis te zijn: Bij het eerste verslag, was de Heer bij Ade drempel van het huis” op aarde (Ezech.9:3); bij de tweede, was Hij in het hemelse heiligdom. {TN1: 21.2}

Nadat de engel zijn eerste verslag had uitgebracht, gebood de Heer hem: “Ga in tussen de wielen, namelijk onder de cherub, en vult uw hand met kolen van vuur van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad. En hij ging in voor mijn ogen.” Ezech.10:2 {KJV}. {TN1: 21.3}

Maar volgend op zijn tweede verslag, A(…) legden al de engelenschaar hun kronen af toen Jezus de ernstige verklaring uitsprak: >Hij die onrechtvaardig is, laat hem nog meer onrechtvaardig zijn; en hij die vuil is, laat hem nog vuiler zijn; en hij die gerechtvaardigd is, laat hem nog gerechtvaardigd zijn;

21

en hij die heilig is, laat hem nog heiliger zijn.’“– Early Writings, p. 279, 280 {Eerste Geschriften, blz. 334, 335}. {TN1: 21.4}

Als de genadetijd zou sluiten tegen de tijd van het eerste verslag (Ezech. 9:11), dan moet de Heer, volgens de voorafgaande verklaring, in de hemel zijn, en dan neerdalen tot de aarde om Zijn heiligen tot Zich te nemen, in plaats van reeds op aarde te zijn, en dan opstijgend in Zijn troon, zoals Hij dat in werkelijkheid doet, zonder Zijn heiligen (Ezech.10:19). {TN1: 22.1}

Nogmaals: Dat de profeet werd achtergelaten toen de Heer opvoer, toont op figuurlijke wijze aan dat bij dit bijzondere neerdalen en opstijgen, de heiligen niet zullen worden meegenomen naar de hemel, maar alleen zullen worden bevrijd van zonde en zondaars – geschikt gemaakt voor het laatste werk. {TN1: 22.2}

Bij het tweede verslag van de engel echter, “vertrok” Jezus, Zich in de hemel bevindend, “van uit de allerheiligste plaats” (Early Writings, p. 280 {Eerste Geschriften, p. 335}) om neer te dalen tot de aarde. {TN1: 22.3}

Deze korte vergelijking brengt voornamelijk naar voren het tweeledige feit, dat Jezus ten tijde van het eerste verslag de tempel binnenging, terwijl Hij tegen de tijd van het tweede verslag, eruit ging. {TN1: 22.4}

Verder dan het verslag uitbrengen door de engel over de zaak van het merken en slachten in de kerk, werd aan Ezechiël niet gegeven te zien. Maar {aan}Jesaja {werd het} wel {gegeven}. Hij zag

De Ontkomen Gaan Naar Alle Natiën. {TN1: 22.5}

“Want met vuur en met Zijn zwaard,” verklaart

22

 de evangelieprofeet, “zal de Here gericht oefenen met alle vlees; en de gedoden des Heren zullen velen zijn. (…) En Ik zal hen die van hen ontkomen zenden tot de natiën, (…) tot de verre eilanden, die Mijn faam niet gehoord hebben, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid verkondigen onder de heidenen. En zij zullen al uw broeders voor een offer tot te Here brengen uit alle natiën, (…) naar Mijn heilige berg Jeruzalem, zegt de Here, (…) in een rein vat in het huis des Heren.” Jes.66:16,19, 20 {KJV}.{TN1: 22.6}

Aangezien “zij die ontkomen” aan de slachting (de 144.000) “al uw broeders [al degenen die gered zullen zijn in de tijd van de ‘Luide Roep’]” zullen “brengen (…) in het huis des Heren,” dan volgt daaruit dat zij die ontkomen degenen zijn die het werk afronden – daarom worden zij “de dienstknechten Gods” genoemd. Openb.7:3. {TN1: 23.1}

Bovendien vindt de boodschap hen in de kerk, niet in de wereld, daarom zijn zij “maagden;” dat wil zeggen, “niet bevlekt met vrouwen” (Openb.14:4) — de kerken van de wereld. En zij zijn zonder bedrog in hun monden, daar zij hun tongen weerhouden hebben van

Bekritiseren en Fouten Zoeken. {TN1: 23.2}

“(…)Zij zullen alles in twijfel trekken en bekritiseren” zegt de Geest der Profetie als vooraf waarschuwing voor de reiniging, “dat opkomt bij het ontvouwen van waarheid, het werk en de positie van anderen , elke

23

 tak van het werk bekritiseren, waaraan zijzelf geen deel hebben. Zij zullen zich voeden met de fouten en misstappen en vergissingen van anderen, ‘totdat,’ zei de engel, ‘de Here Jezus zal opstaan van Zijn bemiddelingswerk in het hemels heiligdom, en Zich zal kleden met de klederen der wraak, en hen verrassen bij hun onheilige feest; en zij zullen zichzelf onvoorbereid vinden voor het bruiloftsmaal van het Lam.’ —Testimonies, Vol. 5, p. 690 {Getuigenissen, Deel 5, p. 561}.{TN1: 23.3}

Moge elkeen deze ernstige woorden ter harte nemen, en dat niemand zich door de vijand laat bedriegen “met goede woorden en mooie toespraken” over deze zaak van leven en dood. Houdt u het feit in gedachte dat het “opstaan” van Christus “van Zijn bemiddelingswerk” niet kan zijn nadat de genadetijd is afgesloten, want, merk zorgvuldig op, dat Hij zal “opstaan” gedurende “het ontvouwen van waarheid.” {TN1: 24.1}

Laat elkeen ervoor zorgdragen dat hij niet vervalt tot het bekritiseren van de boodschap of de boodschappers, maar eerder dat hij “zucht en uitroept,” zoals de Heer dat gebiedt, “over al de gruwelen die daarbinnen [de kerk] gedaan worden,” opdat hij niet gevonden wordt aan de verkeerde kant, meegeteld met de boosdoeners, en aldus gedoemd om te vallen onder de slachtwapens van de engelen. {TN1: 24.2}

“Roep luidkeels, spaar niet,” is het bemoedigend gebod, “verhef uw stem als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes.58:1{KJV}. Neem uw standpunt in, broeder, zuster, aan de goede kant, en verzekert u ervan, “alles gedaan te hebben, om

 24

 stand te houden,” want er is geen ontkomen aan het feit, dat de Heer Zijn hand heeft gezet om “de goddelozen van tussen de rechtvaardigen” te scheiden, zoals verder wordt gezien

In Het Licht Van De Gelijkenissen. {TN1: 24.3}

“En toen de koning binnenkwam om de gasten te overzien, zag hij daar een man, die geen bruiloftskleed aanhad;(…)Toen zei de koning tot de dienstknechten: Bind hem aan handen en voeten, neemt hem weg en werp hem in de buitenste duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Matt.22:11,13{KJV}. {TN1: 25.1}

Dit onderzoeken en uitwerpen vindt plaats voordat de genadetijd afsluit, want de bruiloftsceremonie was nog niet uitgevoerd op het tijdstip dat de “koning binnenkwam om de gasten te overzien.” {TN1: 25.2}

“Wederom, is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, dat werd uitgeworpen in de zee, en allerlei soort bijeen vergaderde; welke, toen het vol was, zij aan de oever trokken, en neerzaten, en de goeden in vaten verzamelden, maar de kwaden wegwierpen. Zo zal het zijn bij het einde der wereld: de engelen zullen voortkomen, en de goddelozen scheiden van onder de rechtvaardigen, en zullen hen werpen in de oven van vuur; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Matt.13:47-50 {KJV}. {TN1: 25.3}

Ook in dit Schriftgedeelte wordt de reiniging van de kerk gezien, want de kwaden worden weggenomen van onder de goeden, en niet de goeden van onder de kwaden, dat wil zeggen, de

25

kwaden die in het net (de kerk) zijn, worden eruit geworpen, en de goeden behouden. {TN1: 25.4}

Dit net stelt het evangeliewerk voor tot aan de tijd van de reiniging van de kerk, want nadat de kerk is gereinigd, zullen alleen zij Adie behouden zouden worden” het lidmaatschap toegekend worden; “Ontwaakt, ontwaakt; trek uw sterkte aan, o Sion, trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, de heilige stad; want van nu aan zal er tot u niet meer inkomen de onbesnedene en de onreine.” Jes.52:1{KJV}. {TN1: 26.1}

Dit opwekkende alarm moet luiden voordat de genadetijd sluit, want het zou daarna geen goed kunnen doen, het zou dan inderdaad slechts een bespotting kunnen zijn. Het zou ook niet van toepassing kunnen zijn op de tijd van de “Luide Roep,”want de kerk is dan niet in slaap en zonder de “sierlijke klederen;” “Alleen zij,” bevestigt de Geest der Profetie, “die verleiding hebben weerstaan en overwonnen in de kracht van de Machtige, zullen worden toegestaan om deel te hebben aan het verkondigen van deze boodschap, wanneer het zal zijn aangezwollen tot de Luide Roep.” —Review and Herald, 19 nov.1908. “En te dien dage zal de Kanaäniet er niet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.14:21{KJV}. {TN1: 26.2}

“En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult genoemd worden met een nieuwe naam, welke de mond des Heren zal noemen.” Jes. 62:2 {KJV}. “Daarom zullen uw poorten voortdurend openstaan; zij zullen niet gesloten zijn, dag noch nacht;

26

opdat de mensen tot u kunnen inbrengen de vermogens der heidenen, en dat hun koningen gebracht kunnen worden.” Jes.60:11{KJV}. {TN1: 26.3}

Bij de reiniging van de kerk, “zullen de engelen (…) de goddelozen scheiden temidden van de rechtvaardigen” (Matt.13:49), maar in de tijd van de “Luide Roep,” zullen zij de rechtvaardigen bijeen vergaderen temidden van de goddelozen. Zo staat het geschreven: “En na deze dingen zag ik een andere engel, nedergedaald uit de hemel, hebbende grote macht; en de aarde werd verlicht met zijn heerlijkheid (…) En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Kom uit haar, Mijn volk, opdat gij geen deelhebbers zijt aan haar zonden, en opdat gij niet ontvangt van haar plagen.” Openb.18:1,4 {KJV}. {TN1: 27.1}

Deze twee verschillende scheidingen, elk op een ander tijdstip, geschieden wanneer (om de feiten op specifieke wijze kort samen te vatten), in de tijd van de eerste vruchten, de goddelozen worden weggenomen van tussen de rechtvaardigen in de kerk (het net), en wanneer, in de tijd van de tweede vruchten, de rechtvaardigen worden weggenomen van tussen de goddelozen in Babylon. En zulk en kerk –volstrekt rein — vooronderstelt een volstrekte

Zuivere Boodschap. {TN1: 27.2}

Aangezien de profetie van Ezechiël zelf openbaart dat het een boodschap is voor de kerk van vandaag, dan moet de profeet zelf, noodzakelijkerwijs, de boodschappers voorstellen die de boodschap brengen tot de kerk op de bestemde tijd. En als antwoord op het gebod van de Heer: “Wees gij

27

niet weerspannig, gelijk dat weerspannige huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef,” wordt door Ezechiël’s reactie: “Toen at ik het op; en het was in mijn mond zoet als honing” (Ezech.2:8; 3:3), aangetoond dat de boodschappers de Heer gehoorzamen en Zijn Woord liefhebben boven al het andere. {TN1: 27.3}

“En Ik,” zei de Heer, “zal uw tong doen kleven aan uw verhemelte, opdat gij stom zult zijn, (…) Maar wanneer Ik tot u spreek, zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Here God: Hij die hoort, laat hem horen: en hij die verwerpt, laat hem verwerpen; want zij zijn een weerspannig huis.” Ezech.3:26, 27. {TN1: 28.1}

Deze daadwerkelijke verklaring door de Heer in Eigen Persoon, openbaart dat de boodschap onvervalst is — de zuivere waarheid, absoluut opgewassen tegen bezoedeling door de uitlating van mensen. De boodschappers, die stom gemaakt zijn, kunnen alleen spreken wanneer Hij hun mond opent, en alleen wat Hij in hun mond legt — een “Zo zegt de Here God.” Aangezien zij geen eer aan zichzelf toekennen, zullen zij

Inspiratie Verheffen. {TN1: 28.2}

“Indien iemand,” zegt de apostel Paulus, “meent een profeet te zijn, of geestelijk, laat hem erkennen dat de dingen die ik tot u schrijf, de geboden des Heren zijn.” 1 Kor. 14:37 {KJV}. {TN1: 28.3}

Wanneer God door een persoon spreekt, moet diegene, als Zijn mondstuk, het feit erkennen, opdat hem niet hetzelfde lot overkomt

28

 als die Herodus overkwam, die, “op een bepaalde dag (…), bekleed met een koninklijk gewaad, op zijn troon zat, en een rede hield tot hen. En het volk juichte, zeggende: Het is de stem van een god, en niet van een mens. En onmiddellijk sloeg hem de engel des Heren, omdat hij God de eer niet gaf; en hij werd door wormen opgegeten, en gaf de geest.” Handelingen 12:21-23 {KJV}. {TN1: 28.4}

Uit deze vreselijke ervaring, opgetekend voor ons als waarschuwing, en uit de andere ernstige waarheden die hierin naar voren zijn gebracht, zien wij duidelijk dat de Heer, ten einde Zijn dienstknechten voor te bereiden op het zegel, iedere noodzakelijke les voorzet, zelfs de les die samengaat met

De Manier Waarop de Boodschap Wordt Afgeleid. {TN1: 29.1}

De lezer zal opmerken dat, hoewel het de profeet was geboden om tot zijn volk te spreken, werd hem toch, in plaats van te worden verteld wat te zeggen, geboden: “Open uw mond, en eet datgene wat Ik u geef. En toen ik keek,” zegt Ezechiël, “ziet, een hand was tot mij gezonden; en ziet, een boekrol was daarin (…) Verder zeide Hij tot mij: Mensenzoon, eet wat gij vindt; eet deze rol, en ga heen, en ga spreken tot het huis Israëls. Dus opende ik mijn mond, en Hij deed mij die rol eten.” Ezech. 2:8, 9; 3:1, 2 {KJV}. {TN1: 29.2}

Aangezien de woorden die Ezechiël zou spreken tot zijn volk werden gevonden in het boek dat hij at, kan het “boek” geen andere zijn dan

29

 de Bijbel, van waaruit de boodschap komt, die zijn hoogtepunt bereikt in

Blijdschap, Rouwklacht, en Wee {Rampspoed}. {TN1: 29.3}

“En zie, een boekrol was daarin; en Hij rolde het voor mij open; en het was van binnen en van buiten beschreven; en er was daarin geschreven klaagliederen, en rouwklacht, en wee {rampspoed}.” (Ezech.2:9,10 {KJV}) — het vreselijk geschrift dat de slachting voorziet van Ezechiël 9, en de weeën uitgesproken in de gelijkenissen van de Meester: “De Heer van die dienstknecht zal komen op een dag, waarop hij Hem niet verwacht, en op een uur, dat hij het niet weet. En zal hem afsnijden, en zijn deel zetten met de huichelaars; daar zal geween zijn en tandengeknars.”  “Toen zei de koning tot zijn dienstknechten: Bind hem aan handen en voeten, en neem hem weg, en werp hem in buitenste duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars.” Matt. 24:50,51;22:13 {KJV}. {TN1: 30.1}

En vroeger verklaarde Hij door zijn dienstknecht Mozes aan Zijn volk: “Het zal geschieden, indien gij niet zult luisteren naar de stem van de Here, uw God, om naarstig te onderhouden al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebied, dat al deze vervloekingen over u zullen komen, en u treffen.” Deut.28:15 {KJV}. “Ik roep hemel en aarde op om deze dag tegen u op te tekenen, dat ik voor u gesteld heb leven en dood, zegen en vloek; kies daarom het leven, opdat zowel gij als uw zaad moogt leven.” Deut. 30:19 {KJV}. {TN1: 30.2}

30

Daar het “boek” dat Ezechiël opat “van binnen en van buiten beschreven” was (Ezech.2:10), kan het geschrift “van binnen” daarom alleen het profetisch Woord van God zijn, de vervloekingen en de zegeningen die staan geschreven in de Bijbel verkondigend; terwijl het geschrift “van buiten,” niets anders kan zijn dan het vast staand verslag van de vervulling van datgene van binnen B kortom, het verslag van de profetieën die geschiedenis worden; daarbij aantonend dat God het heeft gesproken en het ten uitvoer zal brengen. {TN1: 31.1}

Het geschrift “van binnen en van buiten,” betekent bovendien ook dat de boodschap in type en antitype zal zijn. {TN1: 31.2}

Toen Ezechiël het “boek” opat, was het, zoals ook zal worden opgemerkt, in zijn mond zoet als honing,”maar niet “bitter” in zijn “buik,” zoals datgene dat was welke Johannes opat (Openb.10:10). Alhoewel daarom, zoals het Woord aantoont, er geen teleurstelling zal zijn met deze boodschap, zoals dat {het geval} was met die in 1844 N. Chr., verklaart het toch op droevige wijze, dat het volk aan wie het wordt gezonden, voor de waarschuwing ervan

Hun Oren Zullen Toestoppen En Hun Deuren Zullen Sluiten. {TN1: 31.3}

 “Maar het huis Israëls zal naar u niet luisteren; want zij willen niet naar Mij luisteren; want het ganse huis Israëls is schaamteloos en hardvochtig.” Ezech.3:7 {KJV}. “Maar gij, o mensenzoon, ziet, zij zullen banden op u leggen, en zullen u met hen binden, en gij zult niet uitgaan in hun midden; (…) en zult hen niet tot een berisper zijn;

31

want zij zijn een opstandig huis.” Ezech.3:25, 26 {KJV}.{TN1: 31.4}

“In het laatste plechtige werk,” voorzegt de Geest der Profetie op gelijke zienswijze, “zullen weinig groten van naam betrokken worden.” — Testimonies, Vol. 5, p. 80 {Getuigenissen, Deel 5, p. 70}. “(…) zij zullen het werk van God niet herkennen wanneer de luide roep van de derde engel zal worden gehoord. Wanneer er licht voortgaat om de aarde te verlichten, zullen zij, in plaats van tot de hulp van de Here te komen, zij zullen Zijn werk aan banden willen leggen om hun bekrompen ideeën tegemoet te komen (…) Er zullen diegenen onder ons zijn, die altijd het werk van God zullen willen beheren, om zelfs te bepalen welke handelingen gedaan zullen worden, wanneer het werk vooruit gaat onder de leiding van de engel die zich voegt bij de derde engel in de boodschap die moet worden gegeven aan de wereld.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. Vandaar de vraag:

Hoe Zal De Boodschap Het Volk Bereiken? {TN1: 32.1}

Vanwege hun weigeren om te horen, “zal God manieren en middelen gebruiken,” beantwoordt de Geest der Profetie, “waardoor er gezien zal worden dat Hij de teugels in Eigen handen aan het nemen is. De werkers zullen verbaasd staan over de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk van gerechtigheid tot stand te brengen en te vervolmaken.” — Idem, p.300. {TN1: 32.2}

“God heeft beloofd, dat waar de herders ontrouw zijn, Hij zelf de leiding zal nemen over de kudde (…) In deze tijd, zal het goud gescheiden worden van de slak {het afval} in de kerk

32

 ware godsvrucht zal duidelijk onderscheiden worden van schijngoud. Heel wat sterren die wij om hun schittering bewonderd hebben, zullen dan in duisternis ondergaan (…) Zij die verlegen en zelfwantrouwend zijn geweest, zullen openlijk vooruit komen dat zij voor Christus staan en Zijn waarheid. De meest zwakke en aarzelende in de kerk zal zijn als David — bereid om de doen en te durven” (Testimonies, Vol.5, p. 80, 81{Getuigenissen, Deel 5, p. 70, 71) — feiten die, samen met die hierna volgen, aantonen dat

Niets De Heer Kan Verhinderen. {TN1: 32.3}

Een vluchtige blik werpend op de afbeelding op de voorpagina, zal de lezer opmerken dat “twee vleugels van elkeen” van de levende schepselen “met elkander verbonden waren.” Ezech.1:11. Zowel zij als de wielen vormden daarom elk een vierkant: “één wiel bij een cherub, en een ander wiel bij een andere cherub.” Ezech. 10:9. {TN1: 33.1}

Toen Ezechiël de schepselen zag naderen, zag hij dat zij van voren “het gezicht van een mens” hadden, van achteren “het gezicht van een arend”, “het gezicht van een leeuw aan de rechterzijde,” en het “gezicht van een os aan de linkerzijde” (Ezech.1:10), want hun vieren hadden “vier zijden” (Ezech.1:8); ook dat zij vleugels hadden, “twee (…) aan deze zijde, en (…) twee (…) aan die zijde” (Ezech.1:23 {KJV}). Bovendien zag hij de levende wielen zodanig opgesteld dat “zij naar hun vier zijden gingen.” Ezech.1:17 {KJV}. (Zie voorpagina.) {TN1: 33.2}

Het vierzijdige zicht van de levende schepselen, samen met de vierzijdige beweging

33

van de wielen, maakt een vier-richtingen beweging mogelijk — voorwaarts of achterwaarts, naar rechts of naar links; de levende schepselen “keerden zich niet om als zij gingen.” Ezech.10:11 {KJV}. {TN1: 33.3}

“En hun voeten” die “rechte voeten” waren(Ezech.1:7), stelde hen in staat om zich vrijelijk te bewegen in iedere richting zonder te keren, zodat zij “heen en weer snelden als de verschijning van weerlicht” (Ezech.1:14 {KJV}). “En de heerlijkheid van de God van Israël was van boven over hen”(Ezech.10:19), “en de gelijkenis van de handen van een mens was onder hun vleugels.” Ezech.10:21{KJV}. {TN1: 34.1}

Omdat deze wielen die een vierkante formatie maken, “heen en weer snelden,” en daar God “boven over hen” op Zijn troon zat, is het duidelijk dat dit wonderlijke, levende mechanisme, het voertuig van God is — Zijn wagen waarmee Hij is gekomen om de boodschap te brengen om de “goddelozen te scheiden van de rechtvaardigen.” Aldus wordt de ernst verlevendigd dat, omdat de “strijd des Heren is,” “Hij” voorwaar “Zelf de leiding over de kudde zal nemen.” {TN1: 34.2}

“Zoals de op wielen gelijkende ingewikkeldheden zich onder leiding van de hand onder de vleugels van de cherubs bevonden, zo staat het ingewikkelde schouwspel van menselijke gebeurtenissen onder goddelijke leiding. Te midden van de strijd en het gewoel van natiën, leidt Hij, Die boven de cherubs troont, nog steeds de aangelegenheden van deze aarde. {TN1: 34.3}

“De geschiedenis van de natiën spreekt ons vandaag aan de dag aan. Aan iedere natie en aan elk individu

34

 heeft God een plaats toegewezen in Zijn groot plan. Mensen en volkeren worden vandaag getoetst met het paslood in de hand van Hem, Die geen vergissingen begaat. Allen zijn door hun eigen keus hun bestemming aan het bepalen, en God is alles aan het nietig verklaren {aan het overstemmen}  ter vervulling van Zijn doel.” — Prophets en Kings, p. 536 {Profeten en Koningen, p. 327}. {TN1: 34.4}

“In het visioen van Ezechiël, had God Zijn hand onder de vleugels van de cherubs. Dit is om Zijn dienstknechten te leren dat het goddelijke kracht is die hen succes geeft. Hij zal met hen werken als zij ongerechtigheid wegdoen, en rein worden in hart en leven. {TN1: 35.1}

“Het heldere licht dat zich met de snelheid van weerlicht bewoog tussen de levende schepselen, stelt de snelheid voor waarmee dit werk uiteindelijk  ter voltooiing zal voortgaan” ten behoeve van Zijn volk gedurende het Oordeel uur (Testimonies, Vol.5, p.754 {Getuigenissen, Deel 5, p. 612}); want de gezichten van de levende schepselen zijn

Een Figuurlijke Voorstelling van de Heiligen in de Tijd van Het Oordeel. {TN1: 35.2}

De gezichten van de cherubs die hetzelfde zijn als die van de dieren van de Openbaring, hebben beiden noodzakelijkerwijs een aanvullende betekenis, waarvan Johannes de sleutel verschaft: “En zij zongen een nieuw gezang, zeggende: Gij zijt waardig om het boek te nemen, en de zegels daarvan te openen; want Gij was geslacht, en hebt ons verlost voor God door Uw bloed uit ieder geslacht, en taal, en volk, en natie.” Openb.5:9 {KJV}.

35

Juist het feit dat deze dieren zijn verlost door het bloed van Christus en op de aarde zullen heersen, toont aan dat zij een symbool zijn van de heiligen, evenals de beesten van Daniël symbool staan voor de natiën. Noodzakelijkerwijs zijn dan de gezichten van de cherubs, evenals de gezichten van de dieren staande voor de Oordeel troon, een figuurlijke voorstelling van de heiligen in de tijd van het Oordeel. {TN1: 35.3}

Dat de Heer “boven over hen [de cherubs]” is, betekent dat dit de levende wagen is waarin Hij, hun Verlosser, daaropvolgend de heiligen zal {transformeren of ten hemel zal} *opnemen. {*Zie 1 Tess. 4:16, 17; 1 Kor. 15:50-54.} {TN1: 36.1}

En “aan elke zijde van de wolkachtige wagen,” weerklinkt de Geest der Profetie, Awaren vleugels, en daaronder waren levende wielen; en toen de wagen omhoog voer, riepen de wielen: >Heilig,’ en de vleugels riepen, terwijl zij zich bewogen: ‘Heilig,’ en het gevolg van heilige engelen rondom de wolk, riep: ‘Heilig, heilig, heilig, Here God Almachtig!’ en de heiligen in de wolk riepen: ‘Glorie! Halleluja!’ ” —Early Writings, p. 287{Eerste Geschriften, p. 343}.{TN1: 36.2}

Het feit dat het aller-gelukkige uur nadert, wanneer wij zullen opstijgen in deze meest glorieuze wagen, beroert onze harten dusdanig, dat het maakt dat wij met recht de vragen luid uitroepen:

Wanneer Zal Deze Wagen Arriveren? Hoe Lang Zal Het Blijven? {TN1: 36.3}

Wanneer beschouwd in het licht van de vier hoofdfeiten die tot dusver zijn vastgesteld, beantwoorden deze vragen feitelijk zichzelf: (1) de

36

 Heer komt naar de aarde in deze wagen; (2) van daaruit gebiedt Hij Ezechiël om tot Zijn volk te gaan spreken; (3)Ezechiël bracht de boodschap niet over aan het volk van zijn dagen; (4) hij zal het overbrengen tot het volk aan het begin van de “Luide Roep.” {TN1: 36.4}

Aldus wordt gezien dat wanneer de tijd komt dat de kerk de toestand heeft bereikt die door de Heer wordt beschreven (Ezech.3-9), de verborgenheid van het visioen zal worden geopenbaard, en de boodschap tot de kerk zal worden gebracht. En dat de kerk deze tijd en toestand reeds heeft bereikt, wordt op afdoende wijze bewezen door het drievoudige feit dat het eerste deel van deze “meest opzienbarende openbaring”(hierin uitgeweid), was gepubliceerd in december 1930, in een 255 pagina’s bevattend boek, getiteld, De Herdersstaf Deel 1{The Shepherd’s Rod Vol. 1}; dat het tweede deel werd gepubliceerd in de maand september, 1932, in een 304 pagina’s bevattend boek, getiteld, De Herdersstaf Deel 2{The Shepherd’s Rod Vol. 2}; en dat het derde deel — de serie traktaten (waarvan deze de eerste is), welke sinds 1933 in totaal ongeveer 898 pagina’s bedraagt — Volume {Deel} 3 omvat. {TN1: 37.1}

Het feit daarom, dat de Heer vanuit de wagen de profeet beveelt om te gaan spreken, de boodschap uit te dragen naar Zijn volk, en dat de boodschap in totaal meer dan 1250 pagina’s aan lectuur bedraagt, gepubliceerd vanaf 1930, die de waarheid ervan ontvouwen vanuit verschillende invalshoeken, openbaart op plechtige wijze dat de wagen, alhoewel onzichtbaar voor mensen (zoals de wagens die de bergen bedekten dat waren voor “de jongeling” –2 Koningen 6:17), reeds gearriveerd is.

37

En aangezien het reeds hier is, dan moet het natuurlijk het goddelijke werktuig zijn waardoor de Heer, als een soort basis van verrichtingen, Zijn werk beveelt en bestuurt, en waardoor Hij zo zal doen totdat “dit evangelie van het koninkrijk (…) verkondigd is over de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natiën; en (…) het einde komt.” Matt. 24:14 {KJV}. “Het einde” — het ongelooflijke! Voor hen die zeggen: “Waar is de belofte van Zijn komst? Want sinds de vaderen ontslapen zijn, gaan alle dingen voort, zoals zij van het begin der schepping zijn geweest” (2 Petr. 3:4 {KJV}); maar het lang verwachte, voor degenen die zullen zeggen: “Zie, deze is onze God; wij hebben op Hem gewacht, en Hij zal ons verlossen”(Jes. 25:9 {KJV}). — Een vreselijke, ontzagwekkende eindresultaat! Het zou allen ertoe moeten leiden om vast te stellen:

Het Doel van de Boodschap. {TN1: 37.2}

 “En het geschiedde, terwijl zij hen doodden, – en ik was achtergebleven, – dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zei: Ach, Here God! Zult Gij al het overblijfsel van Israël verdelgen bij het uitgieten van Uw grimmigheid over Jeruzalem? Toen zei Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israëls en van Juda is uitermate groot, (…) en ook wat Mij aangaat, zullen Mijn ogen niet sparen, noch zal Ik medelijden hebben.” Ezech.9:8-10 {KJV}. {TN1: 38.1}

Nadat de zuchtenden en de uitroependen waren gemerkt (wat niet begrepen moet worden als zijnde voltrokken wereldwijd in zijn totaliteit voordat de slachting waar dan ook volgt), de slachting voltooid, en de zaak

38

gerapporteerd, “sprak” de Here “tot de man bekleed met linnen, en zei: Ga in tussen de wielen, namelijk onder de cherub, en vul uw hand met kolen van vuur van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad.” Ezech.10:2 {KJV}. {TN1: 38.2}

Het strooien van de “kolen van vuur (…) over de stad” stelt de volstrekte reiniging van het hart voor (Gospel Workers {Evangeliewerkers}, p. 23), tot stand gebracht door de uitstorting van de Heilige Geest over degenen die het “merkteken” ontvangen — zij die aan de “slachting” ontkomen. {TN1: 39.1}

Volgend op de voltooiing van de “slachting,” en net voorafgaand aan de verstrooiing van de “kolen van vuur” “over de stad,” “stonden de cherubs aan de rechterzijde van het huis, (…) en de wolk vulde de binnenste hof.” Ezech.10:2, 3 {KJV}. Later “verhieven” zij “hun vleugels, en stegen op van de aarde voor mijn ogen,” zegt de profeet. Ezech.10:19 {KJV}. Toen zag hij hen daarop volgend wederom “hun vleugels verheffen” (Ezech.11:22, 23), aantonend dat hoewel zij waren vertrokken nadat de scheiding plaatsvond (Ezech.10:3,19), zij later waren teruggekeerd, en nu voor de tweede keer aan het vertrekken waren. {TN1: 39.2}

Met de stad aldus gezuiverd van zonde en zondaars, en niemand behalve het “overblijfsel,” de rechtvaardigen, overblijvend, “zal Ik, zegt de Here, voor haar zijn een muur van vuur rondom, en zal de heerlijkheid zijn in het midden van haar (…) Zing en verheug u, o dochter van Sion; want zie, Ik kom, en Ik zal in uw midden wonen, zegt de Here. En vele natiën zullen

39

 te dien dage aan de Here toegevoegd worden, en zullen Mijn volk zijn; en Ik zal in uw midden wonen, en gij zult weten, dat de Here der heerscharen mij tot u gezonden heeft.” Zach.2:5, 10, 11 {KJV}. (Voor een breedvoeriger uitlegging van deze verzen, zie The Shepherd’s Rod, Vol.2 {De Herdersstaf, Deel 2}, p. 259-282.). {TN1: 39.3}

Merk op dat terwijl Hij te midden van Zijn volk woont, “vele natiën aan de Here toegevoegd zullen worden te dien dage,” en dat Hij voor hen zal zijn “een muur van vuur rondom.” Hier worden wij op aanschouwelijke wijze opnieuw ervan verzekerd, dat “te dien dage,” ten dage dat de Heer de teugels in Eigen handen neemt en komt om in het midden van de stad te wonen, Zijn Aanwezigheid, Zijn wonderlijke wagen, een bescherming rondom Zijn volk zal zijn! {TN1: 40.1}

Aldus wordt gezien dat de Heer is gekomen om Zijn volk te zuiveren door de goddelozen weg te doen van tussen hen, “de leiding te nemen” over Zijn reine kudde, en met hen Zijn werk af te ronden. Hierin zien wij dat de kerk tot haar kritieke punt is gekomen. Zij, die in barensnood is, “moet baren.” En “zodra Sion in barensnood was, bracht zij haar kinderen voort.” Jes.66:8 {KJV}.{TN1: 40.2}

Dan zal de wagen, die toegewijd is aan de heiligen, en gevuld naar laadvermogen, opstijgen naar de portalen der heerlijkheid — ”het land dat zeer veraf is.” ”(…) en toen de wagen omhoog voer, riepen de wielen: ‘Heilig,’ en de vleugels riepen, terwijl zij zich bewogen: ‘Heilig,’ en het gevolg van heilige engelen rondom de wolk riep: ‘Heilig, heilig, heilig, Here God

40

Almachtig!’ en de heiligen in de wolk riepen:  ‘Glorie! Halleluja!’ En de wagen voer opwaarts naar de heilige stad.” — Early Writings, p. 287, 288 {Eerste Geschriften, p. 343}. {TN1: 40.3}

Met het oog op dit heerlijk vooruitzicht, samen met de bovenmate ontzagwekkende omvang en verhevenheid van het werk dat voor ons ligt, en de uiterste beknoptheid van tijd waarin het volbracht moet worden, laat ieder afzonderlijk zich haasten om te delen in

De Verantwoordelijkheid van Hen Die de Boodschap Dragen. {TN1: 41.1}

Aangezien Ezechiël degenen voorstelt wiens harten de boodschap heeft bereikt, dan spreekt de Here tot hen, wanneer Hij zegt: “Mensenzoon, Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls; hoort daarom naar het woord van Mijn mond, en waarschuw hen namens Mij. Wanneer Ik zeg tot de goddeloze: gij zult zeker sterven; en gij waarschuwt hem niet, noch spreekt om de goddeloze te waarschuwen van zijn goddeloze weg, om zijn leven te redden; dezelfde goddeloze zal dan sterven in zijn ongerechtigheid; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Doch indien gij de goddeloze waarschuwt, en hij keert zich niet af van zijn goddeloosheid, noch van zijn goddeloze weg, dan zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel gered. {TN1: 41.2}

“Wederom: Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en ongerechtigheid pleegt, en Ik een struikelblok voor hem leg, dan zal hij sterven; omdat gij hem geen waarschuwing hebt gegeven, zal hij in zijn zonde sterven, en

41

aan zijn gerechtigheid welke hij heeft gedaan zal niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Niettemin, indien gij de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is; ook hebt gij uw ziel gered.” Ezech.3:17-21{KJV}.{TN1: 41.3}

Vanwege de ontrouw van de vorige wachters, stelt de Heer de anti typische Ezechiël — hij en zij die “zucht en uitroept vanwege de gruwelen die gedaan worden in het midden daarvan”(de kerk) — tot een “wachter” (Ezech.3:17) in hun plaats. Wees daarom voorzichtig, Broeder, Zuster, opdat ook u niet uw plicht verzaakt en ontdekt dat u uitgeworpen bent. “Daarom, laat hij die meent te staan, erop toezien dat hij niet valle.” 1 Kor. 10:12 {KJV}. Alleen zij die op die wijze zich nu verootmoedigen, zal de Here te zijner tijd verheffen om

Zijn Getrouwe Wachters Te Zijn Om te Staan Voor de Ontrouwen. {TN1: 42.1}

“Zij die vertrouwd hebben op intellect, genialiteit, of talent, zullen dan niet aan het hoofd staan van rang en gelid. Zij hebben geen gelijke tred gehouden met het licht. De kudde zal dan niet aan hen worden toevertrouwd, die zich ontrouw hebben bewezen. In het laatste ernstige {of plechtige} werk zullen weinig mannen van naam betrokken zijn. Zij zijn zelfingenomen, onafhankelijk van God, en Hij kan hen niet gebruiken.” —Testimonies, Vol.5, p. 80 {Getuigenissen, Deel 5, p. 70). {TN1: 42.2}

“De dienstknechten van de Heer zullen enthousiastelingen genoemd worden. Predikanten {bedienaren} zullen de mensen waarschuwen om

42

niet naar hen te luisteren. Noach ontving dezelfde behandeling toen de Geest van God bij hem erop aandrong de boodschap te geven(…)” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 233. {TN1: 42.3}

Het feit dat onze conferenties alleen ministeriële {bedienings-} licenties verlenen aan -mensen die in colleges zijn opgeleid, bevestigt dat zij vertrouwen op “intellect, genialiteit, en talent.” “Gods wachters zullen niet roepen: ‘Vrede, vrede,’ wanneer God geen vrede heeft gesproken. De stem van de getrouwe wachters zal gehoord worden: ‘Gaat gij uit  vandaar, raak het onreine niet aan (…) Weest gij rein, gij die de vaten des Heren draagt.’” — Testimonies, Vol.5, p. 83 {Getuigenissen, Deel 5, p. 72.} {TN1: 43.1}

Ontvang onderricht en leer het woord van de Heer te gehoorzamen, want door zo te doen zal Hij u in staat stellen om grote dingen te doen in Zijn naam. Neig uw oor en hoor naar de bemoedigende verzekering van de Heer: “Zie, Ik heb uw aangezicht sterk gemaakt tegen hun aangezichten en uw voorhoofd sterk tegen hun voorhoofden. Als een diamant, harder dan een kiezelsteen heb Ik uw voorhoofd gemaakt; vrees hen niet, wees ook niet verontrust voor hun blikken, hoewel zij een opstandig huis zijn (…) ontvang al Mijn woorden die Ik tot u zal spreken in uw hart, en hoort met uw oren. En ga heen, gaat gij tot hen (…) en spreek tot hen, en zeg tot hen: zo zegt de Here God; hetzij zij zullen horen, of hetzij zij zullen nalaten.” Ezech.3:8-11 {KJV}. {TN1: 43.2}

Behalve dit, toont de door-de-Geest-beheerste beweging van de wagen aan, dat de Geest de allesbeheersende macht zal zijn: want “waarheen ook

43

de geest zou gaan, gingen zij [de levende schepselen] heen, daarheen zou hun geest gaan en de wielen waren opgeheven tegenover hen; want de geest van het levende schepsel was in de wielen.”Ezech.1:20 {KJV}. {TN1: 43.3}

“Als nooit tevoren, zouden wij niet alleen moeten bidden, dat er arbeiders gezonden kunnen worden in het grote oogstveld, maar dat wij een duidelijk begrip mogen hebben van waarheid, zodat wanneer de boodschappers der waarheid zullen komen, wij de boodschap kunnen aannemen en de boodschapper respecteren.” — Testimonies, Vol. 6, {Getuigenissen, Deel 6}, p. 420. Laat ons daarom de Here der Heerscharen Zelf heiligen, en

Aflaten van Mensen. {TN1: 44.1}

Aangezien u zich onder hevige beproeving zult bevinden als u uw innerlijke overtuigingen gehoorzaamt en de waarheid aangrijpt, moet u daarom alleen de Heer uw gids, en Inspiratie uw enige leraar laten zijn. Schat uw verlossing niet zo gering door te vertrouwen op de wijsheid van een ander. Wees wijs: gehoorzaam het woord van de Heer, onderzoek voor uzelf, en stelt niet uit, want u kent de smalle kantlijn des tijds niet tussen u en de hemel!  “Vertrouwt gij niet in een vriend, stelt gij geen vertouwen op een gids; behoed de deuren van uw mond voor haar die aan uw boezem ligt.” Mic. 7:5 {KJV}. {TN1: 44.2}

De regeerders van het vroegere Israël — priesters, Schriftgeleerden en Farizeeërs — die het volk beroofden van hun door-God-gegeven recht om voor zichzelf de leringen van Christus te onderzoeken,

44

 kwamen samen om met hun slachtoffers onder de veroordeling van de wetten die hen zouden redden. {TN1: 44.3}

“Wee u, wetgeleerden,” zei Christus daarom: “want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen: zelf zijt gij niet binnengegaan, en hen, die binnen aan het gaan waren, hebt gij verhinderd {tegengehouden}.” Lucas 11:52 {KJV}. {TN1: 45.1}

Deze fatale vergissing werd herhaald gedurende de Reformatie, en ook bij het verkondigen van de Eerste-, Tweede-, en Derde-engel boodschappen. Aldus deed een ieder die de voortschrijdende waarheid aannam en een lid werd van het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten dat alleen, door zijn eigen onderzoek te verrichten en besluit te nemen onafhankelijk van priester, Schriftgeleerde of Farizeeër. En als die methode van onderzoek de enige zinnige en veilige was tóen, dan is het even zeker zo nú daar wij Gods Woord beter begrijpen dan toen wij eerst geloofden! En hoewel de ontrouwe wachters van vandaag “u uitwerpen,” en uw naam verwijderen uit de kerkboeken, vanwege uw gehoorzaam navolgen in de weg die God gebiedt, zou u zich moeten verheugen(Jes.66:5, Lucas 6:22, 23), en blijmoedig de beproeving van uw geloof doorstaan, wetende dat het “voor ons bewerkt een veel meer uiterste en eeuwig gewicht der heerlijkheid” (2 Kor.4:17 {KJV}; dat inderdaad uw aanneming van de waarheid en het gehoorzamen ervan het enige is dat voor altijd uw lidmaatschap zal zekerstellen met de verlosten, in de eeuwige kerk, en dat het enige boek dat de moeite waard is om uw naam daarin te hebben staan, “Het Boek des Levens van het Lam” is. {TN1: 45.2}

45

 “De mensen nemen de uitleggingen van de Schriften aan van hun predikanten aan, en onderzoeken niet voor zichzelf. Daarom kan ik, door via de predikanten te werk te gaan,” zegt Satan, “de mensen beheersen naar mijn wil.” – Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 473. Dus, vanwege “hen, die (…) vertrouwen stellen in de leidinggevende mannen, en de beslissingen aannemen die zij nemen; (…) zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God zendt tot Zijn volk, als deze leidinggevende broeders ze niet aannemen.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 106, 107. “ (…) als zij hun tegenstand zo ver doordrijven dat zij datgene tegenstaan waarin zij geen ervaring hebben gehad, (…) kan de kerk weten dat zij het bij het verkeerde eind hebben.” – Testimonies, Vol. 5, p. 668, 669 {Getuigenissen, Deel 5, p. 543}. {TN1: 46.1}

“Ziet, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, en om te luisteren dan het vet der rammen.” 1 Sam. 15:22 {KJV}. {TN1: 46.2}

“En het zal geschieden in die tijd, dat Ik Jeruzalem zal doorzoeken met lampen, en de mannen bestraffen, die gevestigd zijn op hun droesem* {mannen die verhard of vereelt zijn in hun denken; zich gevestigd hebben op hun afval en zich daaraan vasthouden}; die in hun hart zeggen: De Here zal geen goed doen, noch zal Hij kwaad doen.” Sef.1:12 {KJV}.{TN1: 46.3}

{*Droesem of grondsop – Eng. Lees — (heb. shemarim), from a word meaning to keep or preserve. it was applied to “lees” from the custom of allowing wine to stand on the lees that it might thereby be better preserved (isa. 25:6). “men settled on their lees (zeph. 1:12) are men “hardened or crusted {verhard of vereelt}.” the image is derived from the crust formed at the bottom of wines long left undisturbed (jer. 48:11). the effect of wealthy undisturbed ease on the ungodly is hardening. they become stupidly secure (comp. ps. 55:19; amos 6:1). to drink the lees (ps. 75:8) denotes severe suffering.} hEnglish – advanced version

{Vergelijk, 1Tim 4:2 — Speaking lies in hypocrisy; having their conscience seared with a hot iron (een toegeschroeid geweten hebben)}

{-sediment of kleine deeltjes op de bodem van gegiste wijn of andere drank}

“En Hij zal zitten als een verfijnder en zuiveraar van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en hen louteren als goud en zilver, opdat zij aan de Here een offer in gerechtigheid kunnen brengen.” Mal.3:3 {KJV}. {TN1: 46.4}

Hij, “Wiens wan in Zijn hand is, (…) zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn

46

 tarwe bijeen vergaderen in de schuur; maar Hij zal het kaf verbranden met onuitblusbaar vuur.” Matt. 3:12 {KJV}. {TN1: 46.5}

“En zij die wijs zijn, zullen schijnen als de helderheid van het uitspansel; en zij die velen tot gerechtigheid keren als de sterren, voor eeuwig en altoos.” Dan.12:3 {KJV}. {TN1: 47.1}

“Roep luidkeels,” daarom, en “spaar niet; verhef uw stem als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes.58:1{KJV}. {TN1: 47.2}

“Zie, op de bergen de voeten van Hem die goede berichten brengt, die vrede publiceert! O Juda, onderhoudt uw plechtige feesten, breng uw geloften ten uitvoer; want de goddeloze zal niet meer door u heen trekken; hij is geheel en al afgesneden.” Nah.1:15 {KJV}. {TN1: 47.3}

 “(…) de Here der heerscharen brengt het leger bijeen voor de strijd.” Jes.13:4 {KJV}. {TN1: 47.4 }

“De stem des Heren roept tot de stad, en de mens der wijsheid zal uw naam zien; hoort gij de roede, en Die het aangesteld heeft.” Mich.6:9 {KJV}. {TN1: 47.5}

“Want zoals de regen neerdaalt, en de sneeuw uit de hemel, en daarheen niet terugkeert, maar de aarde doorvochtigt, en het doet voortbrengen en uitspruiten, opdat het zaad kan geven aan de zaaier, en brood aan de eter; Alzo zal Mijn woord zijn, dat uit Mijn mond uitgaat: het zal niet leeg tot Mij terugkeren, maar het zal datgene volbrengen wat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zond.” Jes.55:10, 11{KJV}. {TN1: 47.6}

47

“Maar pas u ervoor op datgene te verwerpen wat waarheid is. Het grote gevaar bij ons volk is het zich afhankelijk opstellen van mensen geweest, en vlees tot hun arm te stellen.” – Testimonies to Ministers { Getuigenissen aan Predikanten }, p. 106. {TN1: 48.1}

“Om Sions wil zal Ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat de gerechtigheid daarvan voortgaat als helderheid, en de verlossing daarvan als een lamp, die brandt.” Jes.62:1 {KJV}. {TN1: 48.2}

O mijn bedienende broeders*, hoewel u uw harten hebt verhard tegen de boodschap en vastberaden hebt geweigerd om ernaar te “luisteren,” toch is God nog steeds met u aan het pleiten om u over te geven voordat het te laat is. Vandaar deze

Tweede Beroep Doening en Gebed. {TN1: 48.3}

{Concise Oxford English Dictionary  — *brethren

Archaic (ancient) plural of brother.
plural noun fellow Christians or members of a male religious order.}

Hoewel u op onrechtvaardige wijze de geschreven beroep doening van de Heer hebt genegeerd die bij de Generale Conferentie bijeenkomst in 1930 in uw handen is gelegd, en uw ogen en uw schreden halsstarrig hebt afgekeerd van het toegevoegde licht van de “Drie Engelen Boodschappen,” toch hebt u op nog onrechtvaardigere wijze over het gehele kerkgenootschap (vòòr de ontmoeting met ons door het “Onderzoekend Conferentie Comité,” op 19 februari, 1934, te Los Angeles, California) het valse verslag verspreid dat u ons een verhoor hebt gegeven. Maar ondanks deze verkeerde voorstelling, houdt God nog steeds van u, en houden wij nog steeds van u, en Hij zal u vergeven en u niets kwalijk nemen, als u Hem dat op boetvaardige wijze zult vragen. {TN1: 48.4}

48

(Voordat de eerste uitgave van dit traktaat was gepubliceerd, hadden zij ons geen enkel verhoor gegeven. Maar vanaf toen hebben zij dat wel gedaan. Maar dat het erger was dan het helemaal niet te geven, wordt gezien van het getrouwe verslag in onze Traktaat Nr.7, Reken de Bewijzen van Beide Kanten mee Alvorens Ervoor of Ertegen te Zijn.) {TN1: 49.1}

Aangezien mijn woorden over het algemeen verkeerd uitgelegd worden, en bij sommigen blijkbaar van slechts weinig gewicht zijn, zal daarom mijn gebed vanuit de Schriften, en mijn oproep vanuit de Geest der Profetie zijn. Zeker, mijn broeders, zult u gehoor geven aan de Woorden Gods: {TN1: 49.2}

“Here, Ik heb de woning van Uw huis liefgehad, en de plaats waar Uw eer verblijft.” Ps.26:8 {KJV}. En “(…) de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden van hen die U smaden, zijn op mij gevallen”. “Het was geen vijand die mij smaadde; (…) maar het was (…) een mens mijns gelijke, mijn gids, (…) wij (…) wandelden naar het huis Gods in gezelschap.” Ps.69:9, {KJV; vs.10, NBG,SV}; 55: 12,13,14{KJV; vs. 13, 14, 15, NBG, SV}. Daarom, “verlos ons, o God van onze verlossing, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, opdat wij Uw heilige naam mogen dankzeggen, en ons beroemen in Uw lof.” 1 Kron.16:35 {KJV}. {TN1: 49.3}

“Komt nu, en laat ons tezamen richten, zegt de Here: al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit zijn als sneeuw; al zijn zij rood als karmozijn, zij zullen zijn als wol.” Jes.1:18 {KJV}. “Zalf uw ogen

49

met ogen zalf, opdat gij moogt zien.” Openb.3:18 {KJV}. {TN1: 49.4}

Uw houding, mijn broeders, tegenover het heerlijke licht dat nu schijnt op de “Drie Engelen Boodschappen,” is slechts een vervulling van profetie: “Omdat gij zegt: Ik ben rijk, en ben met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek,” –  waarheid of profeten, — weigert u geïnteresseerd te zijn in het onderzoeken van de roep van de Engel wiens heerlijkheid “de aarde” zal “verlichten.” {TN1: 50.1}

“Het licht dat de aarde zal verlichten met haar heerlijkheid zal een vals licht genoemd worden, door hen die weigeren te wandelen in haar voortschrijdende heerlijkheid.” – Review en Herald, 27 Mei, 1890. {TN1: 50.2}

“De profeet verklaart: ’En na deze dingen zag ik een engel nedergedaald uit de hemel, hebbende grote kracht; en de aarde werd met zijn heerlijkheid verlicht.’ Helderheid, heerlijkheid, en kracht zullen verbonden zijn met de derde engel boodschap, en overtuiging zal volgen waar het dan ook is gepredikt in manifestatie van de Geest. Hoe zullen welke van onze broeders dan ook weten wanneer dit licht zal komen tot het volk van God?” — Review en Herald, 1 April, 1890. {TN1: 50.3}

U weet heel goed dat de Waarheid, waarin wij ons groots verblijd hebben sinds 1844, is gekomen door middel van de door God aangewezen dienstknecht wiens geschriften wij de “Geest der Profetie” noemen. Die stem is nu opnieuw tot u aan het spreken in deze dringende oproep: {TN1: 50.4}

50

 “Laat niemand tot de slotsom komen dat er geen waarheid meer geopenbaard zal worden.” – Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk }, p. 53. Niemand zal tot het besluit komen “dat de gehele waarheid ontvouwd is geweest, en dat de Oneindige geen licht meer heeft voor Zijn volk.”—Idem, p. 60. {TN1: 51.1}

“’Filippus vond Nathanaël, en zeide tot hem: Wij hebben Hem gevonden, van Wie Mozes in de wet, en de profeten, geschreven heeft, namelijk Jezus van Nazareth, de zoon van Jozef. En Nathanaël zeide tot hem: Kan er iets goeds komen uit Nazareth?’ Vooroordeel en ongeloof sprongen op in het hart van Nathanaël, maar Filippus probeerde het niet te bevechten. Hij zei: ‘Kom en zie.’” – Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenisen over Sabbatschool Werk }, p. 63. {TN1: 51.2}

“(..)als een boodschap komt die u niet begrijpt, neem dan de moeite zodat u de redenen kunt horen die de boodschapper kan geven,(…) want uw standpunt zal niet aan het wankelen worden gebracht door in contact te komen met dwaling. Er is geen deugd of mannelijkheid in het onderhouden van een voortdurende strijd in het duister, uw ogen sluitend zodat u niet kunt zien, uw oren sluitend zodat u niet kunt horen, uw hart verhardend in onwetendheid en ongeloof, zodat u zich niet hoeft te vernederen en te erkennen dat u licht heeft ontvangen over sommige punten van waarheid. {TN1: 51.3}

“Door u afzijdig te houden van een onderzoek naar waarheid is niet de manier om het bevel van de Verlosser ten uitvoer te brengen om ‘de Schriften te onderzoeken.’ Is het graven naar verborgen

 51

schatten om de resultaten van iemands arbeid een hoop rommel te noemen, en geen kritisch onderzoek te verrichten om te zien of er al dan niet kostbare juwelen van waarheid zijn in de verzameling van gedachten, die u veroordeelt? (…) Zo handelden de Joden in de dagen van Christus, en wij zijn gewaarschuwd niet te handelen zoals zij dat deden, en ertoe geleid te worden om eerder duisternis dan licht te kiezen (…) Niemand van hen die zich inbeelden dat zij het allemaal weten is te oud of te intelligent om te leren van de nederigste der boodschappers van de levende God. ”—Idem, p. 65, 66. {TN1: 51.4}

“Kostbaar licht zal schijnen vanuit het Woord van God, en laat niemand het zich aanmatigen om voor te schrijven wat wel of niet aan het volk zal worden voorgehouden in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven.  Niemand, wat zijn positie van gezag ook mag zijn, heeft het recht om het volk het licht te onthouden. Wanneer er een boodschap in de naam van de Heer tot Zijn volk komt, mag niemand zich verontschuldigen om haar eisen te onderzoeken. Niemand kan het zich veroorloven zich terug te trekken in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen, en zeggen: ‘Ik weet wat waarheid is. Ik ben tevreden met mijn standpunt. Ik heb mijn grenzen bepaald, en ik zal niet van mijn standpunt afwijken, wat er ook mag komen. Ik zal niet naar de boodschap van deze boodschapper luisteren; want ik weet dat het geen waarheid kan zijn.’ Het was juist vanwege het volgen van deze koers dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en dat is de reden waarom de boodschappen van

52

 de hemel hen niet bereikt hebben.” — Testimonies on Sabbath School  Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk }, p. 65. {TN1: 52.1}

O broeders, welke verontschuldiging zult u hebben als u weigert om ook naar dit dringend verzoek te luisteren? Zal het uw wijsheid rechtvaardigen en uw ziel redden als u ondervindt dat u zich aan de verkeerde zijde bevindt? Zo ja, dan zult u zeker het beste ervan willen maken. Maar zo niet, maak dan haast om aan de goede zijde te staan, zelfs al vernedert het u tot in het stof om tot het Licht te komen. Dat u niet weer zeggen mag: “Hij heeft de Getuigenissen uit hun verband gehaald.” Moge u ophouden te trachten de weg te versperren, zodat de boodschap de mensen niet bereikt, daar u gewaarschuwd bent: “Laat niemand het zich aanmatigen om voor te schrijven wat wel of wat niet aan het volk zal worden voorgehouden in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven.” God verhoede dat! {TN1: 53.1}

 (alle cursivering door ons)

————

Hoewel het onderwerp van dit traktaat op grootse wijze uitgeweid had kunnen zijn geweest, is het ter wille van de beknoptheid, aldus kort samen gevat, brengende alleen de sleutelpunten die de boodschap ontsluiten die aan het pleiten is aan de deuren van Gods dierbare kerk. Wie dan ook daarom tot dusver heeft gelezen, zou geen obstakel hem moeten laten verhinderen om een verzendaanvraag in te dienen voor al de

53

Gratis Literatuur {TN1: 53.2}

De Tegenwoordige Waarheid series van publicaties openbaren dat “de dagen nabij zijn, en de uitwerking van ieder gezicht” Ezech.12:23 {KJV}; dat betekent: de profetische visioenen die vol geheimenissen schenen te zijn, zijn nu duidelijke feiten geworden. {TN1: 54.1}

Dertien traktaten, bestaande uit ongeveer 900 pagina’s, zullen kosteloos verzonden worden naar een ieder die hen aanvraagt. {TN1: 54.2}

Richt alle bestellingen tot de Universele Publicerende Associatie {Universal Publishing Association}, naar het adres dat aan de binnenkant staat van de voorpagina. {TN1: 54.3}

“(…) De Geest der Waarheid is gekomen, Hij zal u leiden tot alle waarheid; Hij zal niet van Zichzelf spreken; maar wat Hij dan ook zal horen, zal Hij spreken; en Hij zal u tonen de dingen, die komen zullen.” Joh. 16:13 {KJV}.{TN1: 54.4}

Geest der Profetie Index

54

Schriftuurlijke Index

55

Inhoudsopgave

PERSOONLIJK UITZIEN NAAR IEDERE  LICHTSTRAAL VOORWOORD 3,4
HETGEEN  EXTRA VOORAFGAAT AAN  HET  AELFDE UUR”! DE  DARDANELLEN  VAN  DE  BIJBEL 5
De Beschrijving van de Profeet over de Mysteries Hierin Behandeld 5-7
De Heer op Een van Zijn Tronen 7-10
Wanneer Zal Dit Profetische Visioen In Vervulling Gaan? 11,12
Het Doel van de Komst van de Heer Op Zijn Troon 12-14
De Laodiceaanse Kerk 14,15
De Tijd Van Het Lage Niveau Van de Kerk 15,16
Het Geneesmiddel 16-19
De Verzegeling Van De 144.000 BDe Eerste Vruchten 19,20
Twee Verzegelingsverslagen 20-22
De Ontkomen Naar Alle Natiën Gingen 22,23
Bekritiseren en Fouten Zoeke 23-25
In Het Licht Van De Gelijkenissen 25-27
Zuivere Boodschap 27,28
Inspiratie Verheffe 28,29
De Manier Waaruit de Boodschap Wordt Afgeleid 29,30
Blijdschap, Rouwklacht, en We 30,31
Hun Oren Zullen Toestoppen En Hun Deuren Zullen Sluiten 31,32
Hoe Zal De Boodschap Het Volk Bereiken? 32,33
Niets De Heer Kan Verhinderen 33-35
Een Figuurlijke Voorstelling van de Heiligen in de Tijd van Het Oordeel 35,36
Wanneer Zal Deze Wagen Arriveren? Hoe Lang Zal Het Blijven? 36-38
Het Doel van de Boodschap 38-41
De Verantwoordelijkheid van Hen Die de Boodschap Uitdragen 41,42
Zijn Getrouwe Wachters Te Zijn, Om te Staan Voor de Ontrouwen 42-44
Aflaten van Mensen 44-48
Tweede Oproep en Gebed 48-53

—000—

56


TN9-1200x675.jpg

“WAARHEID DAT TER AARDE VERBRIJZELD IS, ZAL OPNIEUW OPKOMEN”

Kopierecht 1940, 1942

Alle Rechten Voorbehouden

V.T.HOUTEFF

In het belang van het bereiken van ieder verstand dat naar waarheid zoekt, die ernaar verlangt om te ontkomen aan het pad dat naar vernietiging leidt van zowel lichaam als geest, zal dit traktaat kosteloos verspreid worden.

TRAKTAAT NR.9

INHOUD

 

“ZIE, IK MAAK ALLE DINGEN NIEUW” 3,4
HET MILLENNIUM 4-6
Woest of Bewoond? 6-11
Bij de Komst van Christus 11-14
De Rechtvaardigen Zijn de “Achtergelaten” 14-16
De Gereinigden—Zij zullen Voor Eeuwig Staan 16-19
De Vernieuwing van de Aarde 19,20
Verdere Gegronde Redenen 20-22
De Hemel in het Begin 22-24
Het Verbreken van het Verwarmingssysteem van de Aard 24,25
Het Zonnestelsel 25-26
De Hemelen Moeten Vernieuwd worden 26-28
Zal “Alle Dingen Herstellen” Matt.17:11 28-31
GEBEURTENISSEN ROND HET MILLENNUIM 31,32
Doden van de Goddelozen 32,33
Gedood Net Voor het Millennium 33,34
Satan wordt Alleen Achtergelaten 34
Het Oordeel Gedurende het Millennium 34-36
Na het Oordeel 36-37
Satan Wordt Voor een Kleine Tijd Losgelaten 37-38
De Tweede Dood 38,39
“Hoedanig een Persoon Behoort Gij Te Zijn?” 40
ZIJN KONINKRIJK OPRICHT 40,41
De Dagen Waarin het Koninkrijk wordt Opgericht 42,43

2

Het Vergeldende Werk van het Koninkrijk 43,44
Volmaakte Vrede en Absolute Veiligheid 44,45
Vóór de Afsluiting van de Genadetijd 45-47
Waar het Koninkrijk Staat: Daar Bestaat de Zonde Niet 47-49
De Joden Terugkerend naar Jeruzalem 49-51
Identificeren van de 144.000 51-54
De Eerste Vruchten van de Oogst 54,55
Een Klasse Die Niet Bevlekt is Met Vrouwen 55,56
Om een Klasse Bijeen te Vergaderen Die Met Vrouwen Bevlekt is, Een Tweede Vruchten 56,57
In Hun Mond Wordt Geen Bedrog Gevonden 58
Wanneer de Winden Zijn Losgelaten en Waaien 58,59
Degenen Die de Koning Zien 60,61
“Hoort Gij naar de Roede, En Wie Het Besteld Heeft” Micha 6:9 61,62
Het Werk In Laodicea Typeert Datgene in Babylon 63,64
Het Koninkrijk Kerk, De Achtste, Blijft Rein 64,65
Vijf Groepen in het Koninkrijk 65-67
Een Samenvatting van de Eerste en Tweede Vruchten 67-71
“Altijd Met de Here Zijn” 1 Tess.4:16,17 71,72
De Hemelen Zullen Wijken, De Goddelozen Zullen Roepen tot de Bergen Om Op Hen te Vallen 72-74
Satan Misleidt Hen Opnieuw 74
“De Oude Paden” Jer.6:16 74-76

“Zie, Ik Maak Alle Dingen Nieuw”

In de profetische woorden: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw”(Openb.21:5), waarschuwt God dat “alle dingen” oud zullen worden. Om deze profetie op de correcte wijze te verstaan, moeten wij het feit in gedachten houden dat, ten einde een oud ding nieuw te maken, het eerst ontbonden moet worden,–teruggebracht tot de staat van de componenten of onderdelen ervan waaruit het bestond voordat zij waren samengevoegd tot een samengesteld geheel,–daarna gerenoveerd, gereproduceerd, en uiteindelijk gereïntegreerd{of }. Terwijl een dergelijk proces bovendien in werking is, kan dat ding daarom, omdat het wordt vernieuwd, vanzelfsprekend zijn functie niet hervatten, totdat het voleindigd is. Gedurende de periode van vernieuwing, is het buiten werking gesteld en onbruikbaar. {TN9: 3.1}

In dit geval, is het oud worden {of verouderen} van “alle dingen,” zoals alle Bijbelstudenten het goed verstaan, niet het gevolg van natuurlijke achteruitgang, welke het oud worden met zich meebrengt, maar van de vloek van de zonde, die is ingebracht door het misleiden van de natiën door Satan. Dus, wanneer “alle” aardse “dingen” in het proces van vernieuwing verkeren, en aldus buiten werking gesteld en onbruikbaar, moet de aarde, zijnde niets anders geworden dan een massa{of vormeloze materie}, noodzakelijkerwijs werkelijk een bodemloze put zijn. {TN9: 3.2}

Dienovereenkomstig, voorschaduwt het schriftgedeelte: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw,”een periode van ontbinding en renovatie van

3

alle dingen—een tijd waarin Satan gebonden is, zoals voorzegd in de profetieën betreffende

Het Millennium. {TN9: 3.3}

Aangezien de leerstelling van het millennium verscheidene verbijsterende en onuitgemaakte vragen voorlegt die van vitaal belang zijn voor de zaligheid van ieder mens, en omdat de waarheid alleen de ziel bevrijdt van misleiding en zonde, en het hart heiligt, is de noodzaak daarom onontkoombaar, dat wij het juiste antwoord achterhalen tot elk van dergelijke vragen. {TN9: 4.1}

In zijn hoofd visioen, die het millennium behelst, “zag” Johannes “een engel neerkomen uit de hemel, hebbende de sleutel van de bodemloze put en een grote keten in zijn hand. En hij greep de draak, die oude slang, welke is de Duivel, en Satan, en bond hem duizend jaren, en wierp hem in de bodemloze put, en sloot hem op, en zette en zegel over hem, opdat hij de natiën niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden zijn vervuld; en daarna moet hij een kleine tijd losgelaten worden. {TN9: 4.2}

“En ik zag,” vervolgt hij, “tronen, en zij zaten daarop, en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest noch zijn beeld, niet aangebeden hadden, noch zijn teken op hun voorhoofden of aan hun handen ontvangen hadden; en zij leefden en heersten met Christus, duizend jaren. Maar de overigen

4

der doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding; over dezen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zullen met Hem heersen duizend jaren. {TN9: 4.3}

“En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal Satan uit zijn gevangenis worden losgelaten, en zal uitgaan om de natiën te misleiden, die aan de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen; en hun getal is als het zand der zee. En zij gingen op over de breedte der aarde, en omsingelden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er daalde vuur neer van God uit de hemel, en verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd geworpen in een poel van vuur en zwavel, waar het beest en de valse profeet zijn, en zal gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheden. {TN9: 5.1}

“En ik zag een grote witte troon, en Hem, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten; en geen plaats werd voor hen gevonden. {TN9: 5.2}

“En ik zag de doden, kleinen en groten, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het boek des levens; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de

5

doden, die daarin waren; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken. En de dood en de hel werden geworpen in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood. En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs. {TN9: 5.3}

“En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan; en de zee was niet meer.”Openb.20;21:1{KJV}. {TN9: 6.1}

Hier, door het getuigenis van de Heer in Eigen Persoon, zijn de feiten waartoe “wij te meer aandacht moeten schenken” (Hebr.2:1) ten einde te komen tot de exacte en gehele waarheid—het slotsom dat bekend is bij alle geschriften van de Bijbel betreffende het millennium en de bijbehorende onderwerpen; feiten die bovendien ook de vraag doen oprijzen: Is de aarde gedurende het millennium

Woest of Bewoond? {TN9: 6.2}

Bij het in beschouwing nemen van de verscheidene schriftgedeelten die dit punt behandelen, en over de verwante punten in kwestie, moeten wij onze conclusie enkelvoudig baseren op het gewicht der bewijzen, zodat wij niet alleen al de waarheid kunnen weten, maar ook niets anders dan de waarheid onderwijzen –een tweevoudig doel dat alleen kan worden bereikt door onverhinderd in beschouwing te nemen zowel de geschriften van de profeten als die van de Openbaarder. En aangezien de Openbaring de ontvouwing is van de profetieën, dwingt de logica ons om verder te gaan van

6

profetie naar openbaring. In dit huidige verband, schenken wij daarom eerst aandacht aan de woorden van Jeremia: {TN9: 6.3}

“Ik zag de aarde,  en zie, het was zonder vorm, en ledig; en de hemelen, zij hadden geen licht. Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en al de heuvelen bewogen lichtelijk. Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte der hemelen was weggevlogen. Ik zag, en zie, de vruchtbare plaats was een woestijn, en al de steden daarvan waren afgebroken voor de aanwezigheid des Heren, en door Zijn brandende toorn. Want zo heeft de Here gezegd: Het ganse land zal woest zijn; toch zal Ik geen volledige einde maken. Hierom zal de aarde treuren, en de hemelen boven zwart zijn; omdat Ik het gesproken heb, Ik het besloten heb, en zal geen berouw hebben, noch zal Ik ervan terugkomen.” Jer.4:23-28{KJV}. {TN9: 7.1}

De handeling die hier wordt weergegeven, tegen een achtergrond van Gods komende oordelen over het land van het vroegere Israël, vanwege hun weerspannigheid, kan onmogelijk, in de juiste beredenering van de dingen, beperkt worden tot slechts dat land. Het kan eenvoudigweg niet, met andere woorden, beperkt worden, zoals sommigen denken dat het kan, door te betekenen dat alleen het land van Gods volk  “leeg” en “woest”achtergelaten en “zonder vorm” is geweest of gemaakt zal worden, –zonder licht en zonder vogel of dier of inwoner, — en dat de rest van de aarde overblijft om van al deze zegeningen te genieten. Het schriftgedeelte moet, in tegendeel, genomen worden juist zoals het leest, aantonend dat de ganse aarde

7

zal lijden onder hetzelfde besluit. Met het oog daarom op dit feit, kan de term de aarde vanzelfsprekend niet worden geïnterpreteerd, zoals het door sommigen is gedaan, om te betekenen het “land”—alleen Palestina. {TN9: 7.2}

Toen het vroegere Israël bovendien werd weggevoerd door de natiën, werden de bergen en de heuvelen niet beven en “lichtelijk bewogen” gemaakt; de steden waren niet volledig afgebroken en zonder inwoner achtergelaten; de vogels werden niet gedwongen om weg te vliegen van het land; en het land was niet in duisternis achtergelaten. Vanzelfsprekend dus, heeft de verstrooiing van de Joden niet in het minste geval de profetie van Jeremia 4:23-28 in vervulling gebracht. Daarom zal e aarde noodzakelijkerwijs wederom, zoals op de eerst dag van de schepping, “zonder vorm,  en ledig” zijn.Gen.1:2{KJV}. En net zoals er toen “duisternis” was “…over het gezicht van de diepte,” zo zal het weer zijn. {TN9: 8.1}

Uit de voorafgaande paragraven, zien wij dat terwijl de eerste tweeëntwintig verzen van Jeremia 4 spreken tegen de goddeloosheid van het vroegere Israël, de drieëntwintigste tot aan de zevenentwintigste verzen ingelast zijn, en de verwoesting verklaren van de aarde en de vernietiging van al de goddelozen, waar zij zich dan ook bevinden. Door de ingelaste verzen weg te laten, wordt de voortgang van gedachte samengevoegd: {TN9: 8.2}

“Want Mijn volk is dwaas, zij hebben Mij niet gekend; zij zijn zotte kinderen, en zij hebben geen verstand; zij zijn wijs om kwaad te doen, maar om goed te doen hebben zij geen kennis…Hierom zal

8

de aarde treuren, en de hemelen daarboven zwart zijn; omdat Ik het gesproken heb, Ik het besloten heb, en zal geen berouw hebben, noch zal Ik ervan terugkomen.” Jer.4:22,28{KJV}. {TN9: 8.3}

Met de gedachten aldus verbonden, komt het feit naar voren dat in het achtentwintigste vers: “Hierom zal de aarde treuren, en de hemelen daarboven zwart zijn,” het voornaamwoord hier haar afgeleide, voorgaande zelfstandig naamwoord: “goddeloosheid” vindt in de verzen vòòr de tussen haakjes geschreven gedachte. Jer.4:23-27 is daarom {als het ware}tussen haakjes ingevoegd om aan te tonen dat God, net zoals Hij Zijn vroegere volk niet verontschuldigde voor hun goddeloosheid, op dezelfde wijze de wereld van vandaag niet zal verontschuldigen voor haar goddeloosheid, maar zal alle zonden op dezelfde wijze behandelen, of het nu wordt beoefend in de kerk of in de wereld. Kort samengevat, zegt God tot Zijn volk, Israël: Om goddeloosheid gelijkend op die van u, “zal de aarde treuren en de hemelen daarboven zwart zijn.” Zal ik, dan, overwegen u te verontschuldigen? {TN9: 9.1}

Terwijl echter in Jeremia 4, de Here spreekt tegen Israël, hoewel incidenteel verwijzend naar de verwoesting van de aarde, spreekt Hij in Jesaja tegen de aarde, en gunstig tegen het land Israël, zeggende: “Maar met gerechtigheid zal Hij de armen richten, en met billijkheid de ootmoedigen des lands berispen; en Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en de met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen doden.” Jes.11:4{KJV}.  Indien er enige mogelijkheid is te verstaan dat Jeremia 4 alleen van toepassing is op het land Israël, dan is

9

 er zeker geen enkele {mogelijkheid} dan ook om dit schriftgedeelte van Jesaja 11 zo te verklaren. {TN9: 9.2}

“Zolang de aarde bestaat,” belooft de Heer bovendien, “zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.” Gen.8:22{KJV}. De woorden: “terwijl de aarde bestaat,” die nadrukkelijk een beperking van tijd aangeven, impliceren dat hoewel de aarde niet altijd zal bestaan, toch zullen, zolang het wel bestaat, de genoemde toestanden de overhand zullen hebben. {TN9: 10.1}

En ook: “(…)de Here zeide in Zijn hart: Ik zal de aarde niet weer vervloeken om de mens; want de verbeelding van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan; noch zal Ik al wat leeft weer slaan, zoals Ik gedaan heb.”Gen.8:21{KJV}. En aanvullend op deze verplichting, belooft Hij: “Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij eb u, en alle levende wezens die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: Ik stel mijn boog in de wolken; en het zal tot een teken zijn van een verbond tussen Mij en de aarde. En het zal geschieden wanneer Ik wolken over de aarde breng, dat de boog gezien zal worden in de wolken; en Ik zal Mijn verbond gedenken, welke is tussen mij en u en elk levend wezen van alle vlees’en de wateren zullen niet meer tot een vloed worden, om alle vlees te vernietigen. En de boog zal in de wolken zijn; en Ik zal het zien, opdat Ik het eeuwig verbond kan gedenken tussen God en iedere levend wezen van alle vlees, dat op aarde is. {TN9: 10.2}

10

En God zeide tot Noach: Dit is het teken van het verbond, dat Ik heb opgericht tussen Mij en alle vlees, dat op aarde is.” Gen.9:12-17{KJV}. {TN9: 11.1}

Hoewel de Heer in deze schriftgedeelten plechtig heeft beloofd nooit meer iedere levend wezen te vernietigen door een vloed, geeft Hij geen belofte dat Hij de goddelozen niet zal vernietigen op een andere manier. Met andere woorden, de enige verzekering die is gegeven in de voorafgaande schriftgedeelten, is dat er nooit weer een andere universele vloed zal zijn. Verder dan dit, gaat het niet. Vanuit zowel een morele en logische, als een Bijbelse benadering, is een uiteindelijke en volkomen einde van alle vlees dat is overgegeven aan vernietiging, een absolute noodzaak

Bij de Komst van Christus. {TN9: 11.2}

Duidelijk verklarend dat de steden compleet vernietigd zullen worden “vanwege de aanwezigheid van de Here, en vanwege Zijn brandende toorn” (Jer. 4:23-26{KJV}), en niet door een vloed of door de macht van de natiën, sluit de Bijbel de deur stevig toe voor iedere poging om deze profetie op zulk een wijze te verklaren ten einde de profetie ervan mogelijk op een andere tijd te plaatsen dan die van de verschijning van de Heer. Dan zal Hij “zelf op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan” en ook “de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.” 1 Thess.4:16; 2 Thess.2:8. {TN9: 11.3}

11

Aangezien bovendien de zeven laatste plagen (Openb.16), zoals het wijdverspreid begrepen is, zal vallen op de onboetvaardigen na de afsluiting van de genadetijd en net voor de verschijning van de Heer, en aangezien de verzameling van Gods volk zal voorafgaan aan de plagen (want de stem uit de hemel zei: “Komt uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt van haar zonden, en dat gij niet ontvangt van haar plagen”—Openb.18:4{KJV}), is het daarom noodzakelijk dat, net voordat de plagen worden uitgestort, en voordat Christus ten tweede male verschijnt, al de levende rechtvaardigen, ter wille van hun bescherming, gescheiden zullen zijn van zonde en zondaars, opdat zij niet ook verteerd worden. {TN9: 12.1}

Volgend op het uitgieten van de zevende plaag, “vielen de steden van de natien,” zegt de Openbaring, “en iedere eiland vluchtte weg, en de bergen werden niet gevonden”(Openb.16:19,20{KJV}), wederom aantonend dat bij de verschijning van Christus, de aarde leeg en zonder vorm zal worden gemaakt; dat zij die zullen leven en regeren met Hem, gered en beschermd zullen moeten zijn vòòr Zijn verschijning; en dat er daarna geen genadetijd meer zal zijn. Dan zullen de doden in Christus opstaan: “Want de Here Zelf zal neerdalen uit de hemel met een geroep, met de stem van een aartsengel, en met de bazuin Gods; en de doden in Christus zullen eerst opstaan; dan zullen wij, die leven en overblijven, tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Here wezen.” 1 Thess.4:16,17 {KJV}. {TN9: 12.2}

12

De duizendjarige periode van vrede zal daarom duidelijk niet doorgebracht worden op aarde, maar in de “woningen” daarboven, want de belofte van de Heer is: “Ik ga heen om u een plaats te bereiden. En als ik heengegaan ben en u een plaats te bereid heb, dan kom Ik weer, en zal u tot Mij nemen; opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.” Johannes 14:2,3{KJV}. {TN9: 13.1}

Aldus zullen bij de tweede verschijning van Christus, zowel al de rechtvaardigen als al de goddelozen hun beloningen ontvangen; de rechtvaardige doden worden opgewekt tot eeuwig leven, en de rechtvaardige levenden worden veranderd tot onsterfelijkheid in een ondeelbaar ogenblik, en worden dan met de verrezenen weggenomen naar de hemel (1 Kopr.15:52,53; 1 Thess.4:15-17), terwijl de goddeloze levenden tot hun graven gaan (2 Thess.2:8; Jes.11:4; Hebr.10:27; Lukas 19:27). En aangezien er vanaf de opstanding van al de rechtvaardigen tot aan de opstanding van al de goddelozen (Openb.20:5) er duizend jaren (het millennium)verstrijken, dan kan deze periode vanzelfsprekend niet een tijd zijn voor het ontvangen van beloningen, maar moet eerder een tijd zijn waarin de rechtvaardigen in de hemel genieten van de beloningen die reeds zijn ontvangen, en waarin de goddelozen in hun graven rusten. {TN9: 13.2}

Van degenen die zullen omkomen bij de verschijning van de Heer, zegt Jesaja:”…zij zullen bijeen veranderd worden, zoals gevangenen vergaderd worden in de put, en zullen opgesloten worden in de gevangenis, en na vele dagen zullen zij bezocht worden.”Jes.24:22 {KJV}. Gevangen zijnde “vele dagen,” zijn deze goddelozen klaarblijkelijk zij, die “niet weer” leven,

13

”totdat de duizend jaren” zijn “voleindigd”{Openb.20:5), wanneer zij zullen worden “bezocht” –voort geroepen uit hun graven – alleen om, na een korte tijd voort te gaan, de tweede dood te ontvangen, veroorzaakt door “vuur,” “neer” komende “van God uit de hemel.” Zie (Openbaring 20:9,14.) {TN9: 13.3}

De tweede dood is het volkomen en definitieve einde van de goddelozen. Over de rechtvaardigen echter, “heeft” het “geen macht”, en zij regeren voor altijd daarna in de nieuwe aarde (Openb. 20:6; Dan.7:27). Zij zijn de verlosten uit alle eeuwen, –een grote menigte heiligen, –en toch zullen zij als slechts een handvol zijn in vergelijking met de toestromende legioenen van goddelozen vanaf de tijd van Kain tot aan de afsluiting van de genadetijd, ontelbaar “als het zand der zee.”Openb.20:8. {TN9: 14.1}

Het is dus zeer duidelijk dat hoewel de Heer bij Zijn verschijning, de aarde zal slaan met de roede Zijns mods, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen slaan”(Jes.11:4), of zij nu kerkleden zijn of niet, zal Hij de rechtvaardigen sparen en achterlaten. Dus,

Zijn de Rechtvaardigen de “Overgeblevenen.” {TN9: 14.2}

Profeterend, zoals Jeremia dat deed, over de verwoesting van de aarde, zegt Jesaja: “Ziet, de Here maakt de aarde leeg, en maakt het woest, en keert het ondersteboven, en verstrooit de inwoners daarvan (…)De aarde treurt en verwelkt, de wereld kwijnt weg, en verwelkt, het hooghartige volk van

14

de aarde kwijnt weg. Ook is de aarde verontreinigd onder de inwoners daarvan; omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzettingen veranderd, het eeuwig verbond verbroken. Daarom heeft de vloek de aarde verslonden, en zij die daarin wonen zijn verwoest; daarom zijn de inwoners van de aarde verbrand, en weinig mensen overgebleven(…)De aarde is volkomen afgebroken, de aarde is volkomen uiteen gevallen, de aarde is uiterst bewogen. De aarde zal heen en weer waggelen als een dronkaard, en zal verwijderd worden, gelijk een nachthut; en de overtreding daarvan zal zwaar op haar zijn; zij zal vallen, en niet weer opstaan.” Jes. 24:1,4-6,19,20{KJV}. {TN9: 14.3}

Deze verzen, die de voortzetting van gedachte overbrengen, beschrijven wat de Heer zal doen aan de aarde, terwijl die zijn weggelaten {de verzen 2,3, en 7 tot en met 18 inclusief), zoals is aangegeven door de weglatingstekens, bevatten {als het ware} tussen haakjes ingevoegde gedachten die beschrijven hoe Hij het zal doen, en verklaren dat Hij op een klasse van mensen al de zegeningen zal uitstorten, en op een andere klasse al de vervloekingen zal overbrengen. Verzen 2 en 3 ontsluieren de aarde, leeggemaakt van al haar inwoners, ongeacht welke positie van wie dan ook, hetzij van eer of van oneer—van de vrome priester tot aan de nederige slaaf. En vers 4 tot en met 12 onthullen dat al de vreugde zal worden weggenomen van het volk; dat grote calamiteiten {of rampspoed} hen zullen overvallen, net voordat de aarde wordt leeggemaakt; en dat “wanneer het alzo zal zijn in het midden des lands onder de

15

volken, zal het zijn als het afschudden van een olijfboom, en als het nalezen der druiven, wanneer de wijnoogst voleindigd is.” Vers 13{KJV}. Kortom, deze verzen openbaren dat er net voor het leegmaken van de aarde, een grote schudding zal zijn onder de volken, met als gevolg dat allen die niet standvastig worden bevonden in Christus, –de Weg, de Waarheid, en het Leven (Johannes 14:6), –zullen vallen; terwijl zij die standvastig worden bevonden, zullen worden “achtergelaten,” en aldus zijnde

De Gereinigden—Zullen Zij Voor Eeuwig Staan. {TN9: 15.1}

“Zij zullen hun stemmen verheffen, zij zullen zingen vanwege de majesteit des Heren, zij zullen luidkeels roepen van de zee af.” Vers 14{KJV}.”Daarom, “ vermaant de profeet met het oog op dit vooruitzicht, “vereert gij de Here in de vuren, namelijk de naam van de Here God van Israël in de eilanden der zee.” Vers 15{KJV}. {TN9: 16.1}

Door zich te verblijden in de Heer terwijl zij door de “vuren” (beproevingen—1 Petr.4:12) heengaan, “zullen de getrouwen gereinigd worden, en wit gemaakt, en beproefd; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zullen het verstaan; maar de wijzen zullen het verstaan.” Dan.12:10{KJV}. {TN9: 16.2}

“Doch wie,” vraagt de profeet Maleachi, sprekende over deze tijd en dit gebeuren, “kan de dag  van Zijn komst verdragen? En wie zal standhouden wanneer Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van een smelter en {een}reiniger

16

van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en hen louteren als goud en zilver, opdat zij tot de Here een offer in gerechtigheid kunnen brengen.” Mal.3:2,3{KJV}. {TN9: 16.3}

De gereinigde klasse, die standvastig staat gedurende de schudding in het midden van het land (de kerk-Jes.19:24), wordt ook aan het licht gebracht in Jesaja’s profetie, hoofdstuk 24, vers 14: “(…)zij zullen zingen vanwege de majesteit des Heren”; terwijl er in vers 16{KJV} een daarop volgende gereinigde klasse wordt weergegeven, die wordt vergaderd “van het uiterste einde der aarde,” en van wie worden “gehoord psalmen, namelijk heerlijkheid tot de rechtvaardige.” Met andere woorden, de schudding vergadert eerste en tweede vruchten van heiligen—de een vanuit de kerk, “het midden des lands,” en de ander vanuit de wereld, “het uiterste einde der aarde.” En terwijl die van de kerk “zingen vanwege de majesteit des Heren,”zingen die van de wereld “heerlijkheid tot de rechtvaardige.” {TN9: 17.1}

Aldus zien wij duidelijk dat de verlosten uit de kerk—de dienstknechten van God (de eerste vruchten, of eerstgeborenen—de Bijbelse term voor het priesterschap of de geestelijke leiding)—standvastig staan gedurende de schudding “in het midden van het land,” met als gevolg dat zij de waarheid brengen tot alle natiën gedurende de “schudding” in de wereld, daarbij zaligheid brengend tot velen. Deze twee klassen van de levenden zijn daarom noodzakelijkerwijs de enige verlosten die zijn overgebleven na de schudding. Zij zijn gespaard, “verlost,” van de vernietiging, omdat hun namen zijn

17

“gevonden geschreven in het boek.” Dan.12:1. En dat zij niet zijn “overgebleven” op de aarde terwijl het in een volledig afgebroken, verwoeste, en lege staat verkeert, maar eerder “overgebleven” van de vernietiging, maakt Jesaja zelf duidelijk, wanneer hij zegt: “de inwoners van de aarde zijn verbrand, en weinig mensen overgebleven.” Jes.24:6. Deze woorden duiden zelfs niet eens aan dat de verlosten zijn achtergebleven op de aarde gedurende de tijd van haar verwoesting, maar zijn achtergebleven, “gespaard,” uit de vernietiging. {TN9: 17.2}

De feiten voor ons versterkend, ondervinden wij dat het millennium wordt ingeluid door een zesvoudige serie van gebeurtenissen die plaatsvinden op de volgorde waarop zij worden genoemd: (1) Het vernietigen van de huichelaars in de kerk door God; (2) het uitroepen van de Zijnen uit de natiën, en dan het brengen van hen in de gereinigde kerk—het Koninkrijk; (3) het afsluiten van de genadetijd; (4) het vernietigen van de goddelozen; (5) het doen opstaan van de rechtvaardige doden en het veranderen van de rechtvaardige levenden; (6) en ten laatste, het ledig maken van de aarde. {TN9: 18.1}

Met het bereiken van het hoogtepunt van deze zes eindgebeurtenissen, de tijd welke de Bijbel noemt het einde der wereld, valt het gordijn voor eeuwig over de eeuwenlange drama van zonde en verlossing. Voortijds echter, “zal dit evangelie van het koninkrijk [de tekenen van het einde(Matt.24)], “ zei Christus, “gepredikt worden in de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natien [die nu bestaan]; en dan zal het einde komen” (Matt.24:14), en het zal zijn geschied, zoals het staat geschreven: “(…)de hemel week terug als een boekrol, wanneer

18

het is samengerold; en iedere berg en eiland was van zijn plaats bewogen.”Openb.6:14{KJV}. “Want alzo heeft de Here gesproken: Het ganse land zal woest zijn;” echter toevoegend: “toch zal Ik geen volkomen einde maken”(Jer.4:27{KJV})—de belofte nalatend voor

De Vernieuwing van de Aarde. {TN9: 18.2}

Vooruit blikkend op de vernietiging van de aarde, zegt de apostel Petrus: “(…)we verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in welke gerechtigheid woont.” 2 Petr.3:13. {TN9: 19.1}

En Johannes de Openbaarder, die in een profetisch visioen werd toegestaan verder dan evenals voor het millennium te zien, schrijft: “(…)Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbij gegaan; en de zee was niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen [terwijl, gedurende de duizend jaren, zij bij Hem wonen (Openb.20:4)], en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en er zal geen dood meer zijn, noch rouw, noch geween, noch moeite zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.” {TN9: 19.2}

19

 “En Hij, Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. En Hij zeide tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet. Hij die overwint, zal alles beërven; en Ik zal zijn God zijn, en hij zal Mijn zoon zijn. Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en moordenaars, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en alle leugenaars, zullen hun deel hebben in de poel, die brandt van vuur en zwavel; welke is de tweede dood.” Openb.21:1-8{KJV}. {TN9: 20.1}

Aangezien de profeten evenals de Openbaarder de eerste aarde en de eerste hemel voorbij zagen gaan, en dat zij door nieuwe werden vervangen, dan zou wie dan ook even dwaas zijn als hij oneerlijk zou zijn om deze duidelijke waarheid te betwisten en tegen te spreken, en daarbij zichzelf misleidend en anderen in de war brengend. De noodzaak is dus zeer dringend, dat allen zorgvuldig in beschouwing nemen de nu volgende

Verdere Gegronde Redenen. {TN9: 20.2}

Ware de aarde niet woest gelaten aan het begin van het millennium, wat zou dan de noodzaak zijn om “alle dingen nieuw” te maken? (Opneb.21:5). Verder nog, als de heiligen gedurende de tijd van het millennium, niet zouden wonen in de hemel, dan zou er geen noodzaak zijn om het “nieuwe Jeruzalem”(Openb.21:2,10) daar te hebben. En als, bovendien,

20

de heiligen dan op aarde zouden leven, dan zou de Stem der Profetie niet zeggen dat zij “met Christus” leefden, maar eerder dat Christus met hen leefde. En ten laatste, als zij met Hem regeerden op aarde, waar zij voor eeuwig zullen leven, dan zou de profetie niet zeggen dat zij “met Christus heersten, duizend jaren, “ maar eerder dat zij met Hem heersten voor eeuwig. {TN9: 20.3}

Johannes zei, terwijl hij vooruit blikte op de tijd dat Christus zal leven en heersen met hen op aarde: “De koninkrijken der wereld zijn geworden de koninkrijken van onze Here, en van Zijn Christus; en Hij zal heersen in alle eeuwigheid.” Openb.11:15{KJV}. “En het koninkrijk en de heerschappij,”verklaart Daniël, betreffende het heersen van de heiligen met Hem, “en de grootheid van het koninkrijk onder de ganse hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens koninkrijk een eeuwig koninkrijk is, en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen.” Dan.7:27{KJV}. {TN9: 21.1}

In de hemel zullen de verlosten slechts duizend jaren met Christus heersen, terwijl Hij op aarde met hen zal heersen in alle eeuwigheid; want “de hemel, namelijk de hemelen, zijn des Heren; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.”Ps. 115:16.{KJV}. “Want zo zegt de Here, Die de hemelen schiep; God Zelf, die de aarde geformeerd, en het gemaakt heeft: Hij heeft het gevestigd, Hij schiep het niet tevergeefs, Hij formeerde het om te bewonen; Ik ben de Here; en er is geen ander.”Jes.45:18{KJV}. {TN9: 21.2}

21

Aangezien de Schriften veel zeggen over de nieuw gemaakte “hemel,” en ook over “de hemelen,” rust de verantwoordelijkheid daarom, om het verschil vast te stellen tussen hemel en hemelen, op iedere onderzoeker naar waarheid. Met dit doel vervolgend, moeten wij eerst in beschouwing nemen

De Hemel in het Begin. {TN9: 22.1}

“Laat er een uitspansel zijn in het midden der wateren,” sprak de heer, bij het scheppen van de aarde, “en laat het de wateren scheiden van de wateren. En God maakte een uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren die onder het uitspansel waren en de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo. En God noemde het uitspansel Hemel.” Gen.1:6-8{KJV}. {TN9: 22.2}

In den beginne, “had de Here God het niet,” laat ons gedenken, “doen regenen op de aarde”(Gen.2:5), en er was water “boven het uitspansel” evenals “onder het uitspansel”: en het uitspansel noemde Hij “Hemel.” Gen.1:7,8. Deze gescheiden wateren konden niet het water zijn in de wolken, die nu dienen als watervoorziening voor de aarde, want de bovenste wateren waren niet in het midden van het uitspansel, zoals de wolken dat zijn, maar erboven. Dus, net zoals de aarde omringd was door het uitspansel, zo was ook het uitspansel omringd door water. De aarde was, met andere woorden, tweemaal omringd, zoals wordt getoond in de afbeelding, — eerst door het uitspansel; daarna door het water. {TN9: 22.3}

22

shepherds-rod-tract-9-heaven-beginning

Aangezien beide het uitspansel en het water transparant {doorzichtig of doorlatend} waren, en het water slechts een dunne bedekking vormde rondom het uitspansel, schenen de stralen van de zon even helder op de aarde in die tijd als zij dat nu doen.  En aangezien ook de zonnestralen in die tijd

23

het water raakten, voordat zij werden afgekoeld door het zware lucht van de atmosfeer, dan waren zij heter wanneer zij het water boven het uitspansel bereikten, dan zij dat nu zijn onder het uitspansel, wanneer zij de aarde bereiken. Zijnde eerst verspreid door het water, maakten de stralen het heet; het hete water op zijn beurt verwarmde, door te circulerend rondom het uitspansel, de aarde overal gelijkmatig –zowel bij de polen als bij de evenaar.  De enige verandering in temperatuur vond incidenteel plaats door de aanwezigheid van licht (dag) en de afwezigheid van licht (nacht). Dus was de nacht toentertijd, evenals nu, koeler dan de dag. Maar aangezien deze toestand niet langer overheerst, heeft de ramp vanzelfsprekend op enige tijd veroorzaakt

De Afbreuk van het Verwarmingssysteem van de Aarde. {TN9: 23.1}

In het begin bloeiden de nu bevroren gebieden van de polen met vegetatie en hadden zij een overvloed aan dieren, welke de geologen nu ontdekken, bewaard in het ijs. Wie zou dan kunnen eraan twijfelen dat het water “boven het uitspansel” het verwarmingsegalisatie systeem was van de aarde? Maar zodra het water, bij de vervulling van de voorzegging van Noach, begon neer te dalen,–in feite, zelfs voordat het enige kans had om neer te dalen tot de lagere gebieden van de aarde, — werd dit natuurlijke thermosstatische systeem haastig afgebroken, en de regen bevroor, toen het op aarde viel, zo plotseling in de poolgebieden, dat de dieren, terwijl zij nog leefden, ermee bevroren; zij hadden klaarblijkelijk niet eens tijd om hun voedsel

24

in te slikken, zoals het feitelijk wordt vastgesteld door verscheidene archeologische opgravingen. {TN9: 24.1}

De aarde, nu bestaande zonder haar verwarmingsegalisatie systeem, wordt getroffen met intense hitte wanneer de zon zich in een dusdanige positie bevindt dat het zijn stralen door de minste dichtheid van de atmosfeer heenzendt, zoals dat het geval is ’s middags, wanneer de zon loodrecht neerschijnt, in plaats van in een schuine straal; en met een nog intensere hitte wanneer er een dichtheid is in de atmosfeer, zoals wordt veroorzaakt door vochtigheid en lage hoogte; terwijl omstandigheden die tegengesteld zijn aan dezen, een tegengesteld uiterste voortbrengen. De schommelende, onaangename atmosferische uitersten die tot stand zijn gebracht door de vloed, zijn slechts een andere der gevolgen van de vervloekingen die het ongeloof van de mens in goddelijke waarschuwingen en berispingen, en zijn ongehoorzaamheid aan Gods geboden, navolgden. {TN9: 25.1}

Deze tegenwerkende verstoring van de natuurlijke thermosstaat, met de resulterende onaangename toestand op aarde, die beide uitroepen, niet alleen voor een nieuwe aarde, maar ook voor een nieuwe hemel, keert onze aandacht naar

Het Zonnestelsel. {TN9: 25.2}

Inspiratie verklaart dat de zon werd geschapen op de vierde dag van de scheppingsweek, en de astronomische wetenschap heeft ontdekt dat er in onze zonnestelsel naast de planeet Aarde, acht andere planeten zijn die afhankelijk zijn van de zon voor licht, warmte, en leven gevende energie. (De mogelijkheid bestaat, dat er nog drie planeten ontdekt zullen

25

worden, want volgens Genesis 37:9 en andere feiten, moeten er twaalf hoofdplaneten in onze zonnestelsel zijn.) Gedurende de scheppingsweek, moet God dus niet alleen de aarde hebben geschapen, maar ook het gehele zonnestelsel. Anders zouden de planeten, in hun bestaan zonder voordeel te trekken van de levensbehoudende invloed van de zon, noodzakelijkerwijs moeten hebben geleden aan een onbewoonde en algemene nutteloos bestaan. Bovendien zegt Inspiratie ook dat God in de scheppingsweek de aarde, de zon, de maan, en “ook de sterren” schiep. Gen.1:16. {TN9: 25.3}

Zonder een zon, zou onze zonnestelsel slechts een planetaire samenstelling zijn geweest zonder een besturende eenheid, om zonder hoofd door de ruimte heen voort te razen en suizen, alleen maar om, bij de genadeloze bevlieging van onvoorziene omstandigheid, een oneindige opeenvolging van botsing te doorstaan. Geschapen en in werking gesteld echter, door de Hand die hen onderhoudt, volgen al de planeten veilig de zon, terwijl het door de ruimte heen voorwaarts beweegt met een enorme snelheid van 400.000.000 mijl per jaar. {TN9: 26.1}

Aangezien onze hemel en aarde een onderdeel {of eenheid} is in het zonnestelsel, dan wordt daarom bij zowel hun voorbijgaan als bij hun vernieuwd worden, noodzakelijkerwijs het gehele stelsel erbij betrokken. Dus, niet alleen onze hemel, maar ook

De Hemelen Moeten Vernieuwd Worden. {TN9: 26.2}

Aangezien elk van de planeten in ons zonnestelsel is omringd door zijn eigen uitspansel

26

of hemel, dan zijn er dus evenveel hemelen (uitspansels) als er planeten zijn in het stelsel. Op deze planetaire “hemelen” zijn de volgende schriftgedeelten van toepassing: {TN9: 26.3}

“Hierom zal de aarde treuren, en de hemelen daarboven zwart zijn.”Jer. 4:28{KJV}. “En al het heer des hemels zal uiteengegaan zijn, en de hemelen zullen samengerold zijn als een boekrol; en al hun heer zal neervallen, zoals een loof afvalt van de wijnstok, en zoals een vallende vijg van de vijgenboom.”Jes. 34:4{KJV}. {TN9: 27.1}

“Maar de dag des Heren zal komen als een dief in de nacht; in welke de hemelen zullen voorbijgaan met een groot gedruis, en de elementen zullen smelten door een gloeiende hitte, ook zullen de aarde en de werken, die daarin zijn, verbranden.” 2 Petr.3:10 {KJV}.{TN9: 27.2}

“Zij zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; ja, zij alle zullen als een kleed verouderen; als een gewaad zult Gij ze veranderen, en zij zullen veranderd zijn.” Ps.102:26 {KJV; vs.27,NBG &SV}. {TN9: 27.3}

“Want zoals de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen blijven bestaan, zegt de Here, zo zal uw zaad en uw naam blijven bestaan.” Jes.66:22{KJV}. {TN9: 27.4}

Als gevolg van de zonde op aarde,die de ganse schepping veroorzaakte te zuchten(Rom.8:22), heeft het gehele zonnegezin geleden. De voorafgaande schriftgedeelten tonen aan dat niet alleen de aarde, maar ook de hemelen verouderd zijn

27

geworden onder de vloek der zonde; dat de zonde een besmettelijke ziekte is met ver reikende gevolgen; dat “als een lid lijdt, lijden alle leden mede; of als een lid er ontvangt, delen alle leden in de vreugde” (1 Kor.12:26); dat God een absolute {of volkomen} uitroeiing van de zonde zal bewerkstelligen, en dat Hij dus niet alleen de aarde leeg zal maken, maar ook het gehele zonnestelsel; en dat terwijl Hij de nieuwe aarde maakt, Hij ook het zonnestelsel nieuw zal maken! {TN9: 27.5}

“Wat bedenkt gij tegen de Here? Hij zal een volkomen einde maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.”Nah.1:9{KJV}. “En Hij zeide tot mij: Schrijf; want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.” Openb.21:5. {TN9: 28.1}

“Zie, “ zegt Hij verder, sprekende met het oog op de dag dat Hij “en volkomen einde “ zal uitvoeren, “Ik zal tot u zenden de profeet Elia, voordat de grote en vreselijke dag des Heren komt.” Mal.4:5. Vandaar de woorden van Jezus: “Elias zal waarlijk eerst komen, en”

Zal “Alles Herstellen.” {TN9: 28.2}

Matt.17:11{KJV}.

Alhoewel het verloren is gegaan door de zonde, zal alles wat was geschapen in het begin hersteld worden in “de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van al Zijn heilige profeten, vanaf de wereld begon.”Handelingen 3:21{KJV}. Hebbende de zee geschapen voordat de zonde begon, dan is het wegdoen daarvan na de uitroeiing van de zonde, zoals sommigen onderwijzen

28

dat Hij dat zal doen, zeker niet dat Hij “alle dingen” herstelt, maar eerder dat Hij ze wegdoet, en zou impliceren dat Hij in het begin een fout heeft gemaakt  door de zee te scheppen, aldus Zijn aankondiging niet waar makend, “dat het goed was.” Gen.1:10. Aangezien bovendien de slang, niet de zee, Adam en Eva deed zondigen (Gen.3:1-7), en aangezien de slang in het herstelde koninkrijk zal zijn (Jes. 65:25), waarom zou God dan de zee moeten wegdoen? {TN9: 28.3}

“God is jaloers,” verklaart de profeet Nahum in zijn visioen over de tijd van het einde, “en de Here wreekt; de Here wreekt, en is grimmig; de Here zal zijn tegenpartijders vergelden, en Hij bewaart de toorn voor Zijn vijanden. De Here is lankmoedig, en groot van kracht, en zal de goddeloze geenszins ongestraft laten; de here heeft Zijn weg in de wervelwind en in de storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten. Hij dreigt de zee, en doet haar opdrogen, en legt alle rivieren droog; Basan kwijnt weg, en Carmel, en de bloem van de Libanon verwelkt. De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten, en de aarde wordt verbrand bij Zijn aanwezigheid, ja, de wereld, en allen die daarin wonen. Wie kan standhouden voor Zijn gramschap? En wie kan staande blijven bij Zijn brandende toorn? Zijn grimmigheid wordt uitgegoten als vuur, en de rotsen worden door Hem neergestort. De Here is goed, een sterkte ten dage der benauwdheid; en Hij kent hen die op Hem vertrouwen. Maar met een overstromende vloed

29

zal Hij een volkomen einde maken aan de plaats daarvan, en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen. Wat bedenkt gij tegen de Here? Hij zal een volkomen einde maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.”Nah.1:2-9{KJV}. {TN9: 29.1}

“(…)Ik zag, ” zegt Johannes de Openbaarder op gelijke wijze, na de verwoesting van de aarde te hebben aanschouwd, “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de  eerste aarde waren voorbijgegaan; en de zee was niet meer.” Openb.21:1. {TN9: 30.1}

Wanneer was de zee niet meer? –Toen de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan. Het schriftgedeelte zegt niet dat er geen zee meer zal zijn in de nieuw gemaakte aarde. Het zegt simpelweg dat “er geen zee meer was” terwijl de hemel en de aarde in hun verwijderde staat verkeerden –“voorbijgegaan.” Met ander woorden, het eerste gedeelte van het vers brengt in zicht een “nieuwe hemel en een nieuwe aarde,” terwijl het laatste gedeelte voorzegt dat er geen zee meer zal zijn voordat de “nieuwe hemel” en de “nieuwe aarde” zijn gemaakt. {TN9: 30.2}

Aldus zal de Heer, op grond van de onbetwistbare beslistheid van Zijn Eigen Woord, alle dingen ten einde brengen, zelfs tot aan het droogleggen van de rivieren en de zeeën, wanneer Hij een schone verwijdering maakt van de zonde. {TN9: 30.3}

Aangezien onze gehele zonnestelsel daarom, samen met onze hemel en aarde, zal voorbijgaan, dan zullen niet alleen de heiligen van de aarde, maar met hen ook de zonen van God

30

van het gehele stelsel, leven en heersen met Christus in de Hemel der hemelen voor duizend jaren! O, wat een voorrecht! Wat een gelegenheid! Wat een vergadering zal dat zijn! {TN9: 30.4}

“Ik heb de tedere liefde gezien, die God heeft voor Zijn volk, en die is zeer groot.(..) de Hemel is een goede plaats. Ik verlang ernaar om daar te zijn, en mijn lieflijke Jezus te aanschouwen, die Zijn leven voor mij gegeven heeft, en veranderd te worden in Zijn heerlijk beeld. O, dat ik de woorden had om de heerlijkheid van de schone wereld, die te komen staat, te beschrijven! Ik dorst naar de levende stromen, die de stad van onze God verblijden.”—Early Writings, pp.39 {Eerste Geschriften, blz. 34,35}. {TN9: 31.1}

Door deze meest glorieuze beloning wordt men aangemoedigd om verder te studeren om de waarheid te kennen. Tot De Openbaring, de ontvouwing van de profetieën, wordt men daarom geleid voor een onderzoek naar belangrijke

GEBEURTENISSEN ROND HET MILLENNIUM. {TN9: 31.2}

Laat ons onze onverdeelde aandacht schenken aan de schriftgedeelten die verslag brengen van de dingen die zullen plaatsvinden net voordat de duizend jaren beginnen—de dingen die de duizend jarige periode van vrede zullen tot stand brengen, zoals wordt geopenbaard door Johannes: {TN9: 31.3}

“(…)Ik zag(…)een wit paard; en Hij, Die erop zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig(…)Hij was gekleed met een kleed, dat met bloed gekleurd was; en Zijn naam wordt genaamd het Woord Gods.(…)En Hij had aan zijn kleed en op Zijn dij een naam

31

geschreven: KONING DER KONINGEN, EN HERE DER HEREN.” Openb.19:11,13,16. {TN9: 31.4}

Hier openbaart Christus Zichzelf, niet als een priester of een lam, maar als de Koning der koningen, betredende “de wijnpersbak van de wijn van de toorn en van de gramschap van de Almachtige God.” Vers 15. Dit is Zijn

Doden van de Goddelozen. {TN9: 32.1}

De “engel, staande in de zon(…)riep met een luide stem, zeggende tot al de vogels, die in het midden van de hemel vlogen: Kom, en vergadert u tot het avondmaal van de grote God; opdat gij kunt eten het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle mensen, beide vrijen en slaven, beide klein en groot. En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heerlegers vergaderd, om oorlog te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heerleger. {TN9: 32.2}

“En het beest werd gegrepen, en met hem de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hem gedaan had, waardoor hij verleid had hen, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en hen, die zijn beeld aanbaden. Deze twee werden levend geworpen in een poel des vuurs, die met zwavel brandt. En de overigen [de “koningen” en “oversten” en “sterken” en “paarden” en “dergenen, die daarop zitten” en alle mensen, beide vrijen en slaven, beide klein en groot”] werden gedood met het zwaard van Hem, die op het paard

32

zat, wiens zwaard uit Zijn mond ging; en al de vogels werden verzadigd met hun vlees” (Openb.19:17-21)—een definitief werk, van waaruit er duidelijk wordt gezien dat de goddelozen worden

Gedood Net Voor het Millennium. {TN9: 32.3}

Aangezien de goddelozen na het millennium niet worden gedood en hun vlees niet wordt gegeten door de vogels, maar eerder vernietigd door vuur (Openb.20:9), wordt Openbaring 19:17-21 gezien te verwijzen naar een vernietiging voor het millennium. {TN9: 33.1}

Het is daarom onbetwistbaar dat de Koning der koningen net voor het millennium allen zal doden, behalve de rechtvaardigen—behalve hen die “de overwinning”verkrijgen “over het beest, en over zijn beeld, en over zijn merkteken, en over het getal van zijn naam.” Openb.15:2. Dan zullen de rechtvaardigen doden opgewekt worden, terwijl de goddeloze doden in hun graven blijven en, samen met de goddeloze levenden, waarvan allen dan worden gedood door de Heer, “niet weer “ leven totdat de duizend jaren” zijn “voleindigd.” (Openb.20:5). {TN9: 33.2}

Aangezien bovendien, bij de aanvang van het millennium, wanneer de goddelozen worden gedood, de hemel en de aarde voorbijgaan, dan, als gevolg,

Verhuizen de Heiligen naar een Andere Sfeer. {TN9: 33.3}

Daar de Openbaring zegt dat “zij leefden en heersten met Christus duizend jaren” (Openb.20:4), leeft Christus daarom niet

33

met hen op aarde, maar eerder leven zij met Hem in “de plaats” welke Hij voor hen bereid heeft, en waarvan Johannes zegt (na gezien te hebben dat “de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan” en vervangen door “een nieuwe hemel en een nieuwe aarde”—Openb.21:1): En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.” Openb.21:2. {TN9: 33.4}

De goddelozen, zijnde dan verborgen in hun graven, en de rechtvaardigen, zijnde weggegaan om te leven met Christus, wordt daardoor

 Satan Alleen Achtergelaten. {TN9: 34.1}

Zwervende over de aarde tot aan de opstanding van de goddelozen (Openb.20:13), is Satan opgesloten tot duizend jaren van afzondering! Gebonden door deze keten van omstandigheden, is hij niet in staat om “de natiën te misleiden” (vers 3{KJV}), totdat de doden die “niet weer leefden totdat de duizend jaren voleindigd waren,” opstaan om te leven, volgend op het

Oordeel Gedurende het Millennium. {TN9: 34.2}

Als een aardse rechter een misdadiger niet beschuldigt en veroordeelt zonder het voordeel van een onderzoek door de jury, dan zal de alrechtvaardige God des Hemels dat zeker ook niet doen. Hij zal geen laatste vonnis uitspreken over de goddelozen, en beschuldigend van zonde en hen veroordelend om “de tweede dood” te sterven (Openb.20:14), tot nadat Hij de heiligen (de jury) de gelegenheid heeft gegeven om voor zichzelf getuigen te zijn van het oordeel van de goddelozen—de echtgenoten, echtgenotes, kinderen, familieleden,

34

vrienden en kennissen die dan ontbreken in de woonplaatsen daarboven—en hun register te onderzoeken, die aantonen waarom zij niet daar zijn, maar in de plaats in hun graven beschimmelen{of verrotten} daarbeneden. {TN9: 34.3}

Opdat er geen verontschuldiging zal overblijven voor wie dan ook wegens onwetendheid, of dwaling over deze waarheid, werd Johannes niet alleen getoond de grote witte troon waarop de Grote Rechter zit, “voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten” (vers 11), maar ook andere tronen, of zetels, waarop de jury klaarblijkelijk zit. En in plaats van alleen maar “tienduizend maal tienduizend, en duizenden van duizenden” (Openb.5:11) engelen als getuigen, zag hij aanwezig bij deze gelegenheid ook “de zielen van hen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord van God, en die niet aanbaden hadden het beest, noch zijn beeld, noch zijn merkteken op hun voorhoofden, of in hun handen, ontvangen hadden; en zij leefden en heersten met Christus duizend jaren(…)Dit is de eerste opstanding.” Verzen 4,5. {TN9: 35.1}

Het feit echter, dat “de overigen der doden niet weer leefden totdat de duizend jaren voleindigd waren” (vers 5), toont aan dat degenen die aanwezig waren voor de troon, waren opgewekt. {TN9: 35.2}

Maar de doden, “klein en groot,”die niet opstaan in de eerste opstanding (Openb.20:6), zag Johannes figuurlijk “staan voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het

35

Boek des levens; en de doden werden geoordeeld naar hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.” Vers 12. Met de afsluiting van dit werk, komt de gebeurtenis

Na het Oordeel. {TN9: 35.3}

Toen het oordeel was afgelopen en de duizend jaren waren verstreken, “gaf de zee de doden, die daarin waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.” Openb.20:13{KJV}. {TN9: 36.1}

“En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, en hun God zijn. En {God} zal alle tranen van hun ogen afwissen; en er zal geen dood meer zijn, noch rouw, noch geween, noch moeite zal er meer zijn; want de eerste dingen zijn voorbijgegaan.” Openb.21:2-4{KJV} {TN9: 36.2}

Zijnde neergedaald met de heiligen, die voor altijd met Hem zullen heersen op de nieuw gemaakte aarde, roept Christus de goddeloze doden uit hun graven, terwijl er tegelijkertijd “een grote stem uit de hemel” wordt gehoord, “zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij

36

zal bij hen wonen (Openb.21:3), terwijl gedurende de duizend jaren, zij hebben “geleefd” met Hem (Openb.20:4). Waarbij

Satan Voor een Kleine Tijd Wordt Losgelaten. {TN9: 36.3}

Door de opstanding van de goddeloze doden, “(…)zal Satan uit zijn gevangenis losgelaten worden, en zal uitgaan om de natiën te misleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, de God en de Magog, om het te vergaderen tot de strijd; het getal van hen is als het zand der zee.” Openb. 20:7,8.{KJV} {TN9: 37.1}

Betreffende deze “kleine tijd” waarin Satan zal worden toegelaten om de natien te misleiden, hoorde de profeet Jesaja de Heer zeggen: {TN9: 37.2}

“Want zie, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen. Maar wees gij vrolijk en verheugt u in eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want zie, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid. En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en de stem van geween zal niet meer in haar gehoord worden, noch de stem van geschreeuw. Er zal daar niet meer wezen een zuigeling van dagen, noch een oude man, die zijn dagen niet heeft vervuld; want het kind zal honderd jaren oud sterven; maar de zondaar, zijnde honderd jaren oud, zal vervloekt zijn. Jes.65:17-20{KJV}. {TN9: 37.3}

De lezer zal bemerken dat, wanneer de Heer de nieuwe hemelen en de nieuwe

37

aarde schept, vanaf de tijd dat de goddelozen opstaan uit hun graven, tot de tijd dat zij voor altijd vernietigd worden door de tweede dood, –de “kleine tijd”—“ Er zal daar [onder hen]niet meer wezen een zuigeling van dagen [geen geboorten meer], noch een oude man, die zijn dagen niet heeft vervuld [geen sterfgevallen meer voordat de dagen van de mens zijn vervuld]; want het kind zal honderd jaren oud sterven; maar de zondaar, zijnde honderd jaren oud, zal vervloekt zijn. Zowel oud als jong (dat wil zeggen, zij die in hun graven blijven gedurende het millennium) zullen daarna gezamenlijk voortkomen, elk om “honderd jaren” te leven–“de korte tijd” waarin Satan hen weer zal misleiden. Er zullen noch sterfgevallen noch geboorten zijn, maar al de goddelozen zullen dan voor altijd vervloekt zijn met

De Tweede Dood. {TN9: 37.4}

Dat gedeelte van de nieuwe aarde, welke de goddelozen hebben betreden en verontreinigd gedurende de “korte tijd”, zal gereinigd worden door het vuur, “neer” komende “van God uit de hemel” en hen verbrandt en hun werken, terwijl zij die de nieuwe aarde zullen bewonen in de eeuwigheid, beschermd {beschut} zullen zijn in en rondom “de heilige stad.” Openb.21:2. {TN9: 38.1}

“En zij gingen op over de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neer van God uit de hemel, en verslond hen. En de duivel,

38

die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel, waar het beest en de valse profeet zijn, en zal gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid(…)En de dood en de heel werden geworpen in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood. En wie dan ook niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in de poel des vuurs. Openb.20:9,10,14,15 {KJV}. {TN9: 38.2}

Aangezien niet alleen Satan, maar ook “wie dan ook niet gevonden werd geschreven in het Boek des Levens, die werd geworpen in de poel des vuurs,” dan zet het vuur in de poel simpelweg dezelfde vernietiging voort die tot stand werd gebracht door het vuur dat “neer” komt “van God uit de hemel.” Vers 9. Na e duizend jaren, anders gezegd, heeft het vuur dat “neer” komt “van God uit de hemel” tot gevolg “de poel des vuurs” (Vers 10) en de eeuwige uitroeiing van alle zondaars. Van deze laatste vernietiging, zal er een demonstratie gegeven worden voor het millennium, wanneer het beest en de valse profeet worden geworpen in de ”poel des vuurs”—hun graf voor de duizend jaren. En omdat het vuur natuurlijk niet blijft branden gedurende de duizend jaren, toont de verklaring: “de duivel(…)werd in de poel van vuur en zwavel, waar het beest en de valse profeet zijn” (Vers 10) daarom aan, dat er zowel een typische als een antitypische vernietiging zijn; de poel des vuurs voor het millennium, zijnde een type van die ene na het millennium. {TN9: 39.1}

“Daar  dan deze dingen alle zullen vergaan, “ zegt de apostel,

39

“Hoedanig Een Persoon Behoort Gij Te Zijn?” {TN9: 39.2}

De Schriften vermanen dat degenen die in de Waarheid zijn, verkeren “in alle heilige wandel en godsvrucht, verwachtende en haastende tot de komst van de dag Gods, in welke de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen zullen versmelten door vurige hitte? Niettemin verwachten wij naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, beijvert u, opdat gij door Hem in vrede bevonden moogt worden, onbevlekt en onberispelijk”(2 Petr.3:11-14), en dit te meer terwijl Hij

ZIJN KONINKRIJK OPRICHT. {TN9: 40.1}

“Te dien dage”(wanneer de Heer op het punt staat de aarde ledig te maken), “zal” Hij “Zijn hand ten tweede male opheffen,” zegt de profeet Jesaja, “om weer te verwerven het overblijfsel van Zijn volk, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Kus, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten voor de natiën, en zal de verdrevenen van Israël verzamelen, en de verstrooiden van Juda vergaderen, van de vier hoeken der aarde. Jes.11:11,12{KJV}. {TN9: 40.2}

Het vergaderingwerk dat in deze schriftgedeelten wordt voorgezet, toont aan, dat vóór de opstanding van de rechtvaardigen (1 Thess.4:16) en vóór de vernietiging van de natiën vóór het

40

millennium, de Heer Zijn Koninkrijk in de eerste plaats zal opmaken uit de levende heiligen alleen, zoals wordt gezien uit de profetie van Daniël 2: de “steen” zijnde “afgesneden” uit de berg (vers 45), en zijnde een symbolische voorstelling van het koninkrijk van Christus in zijn beginfase (vers 44), dan moet de berg van waaruit het is afgesneden, noodzakelijkerwijs de kerk voorstellen van waaruit de eerste vruchten van het koninkrijk, de 144.000, worden vergaderd. En omdat de steen groeit en “een grote berg” wordt nadat het is “afgesneden,” dan stelt het vanzelfsprekend het koninkrijk voor in zijn beginstadium—alleen de “eerste vruchten.” Het feit ook, dat de steen groeit en “de gehele aarde” vult, is een ander bewijs in de bewijsvoering, dat nadat dit lang verwachte koninkrijk is “opgericht,” er een grote schare eraan wordt toegevoegd. Ware dit niet zo, dan kon de steen niet tot “een grote berg” worden. Daar het verder nog eerst slechts een zeer kleine gedeelte is van de berg, toont aan dat het koninkrijk een zeer klein begin heeft, net zoals de heer dat zegt: “Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad, (…) dat wel het minste is onder al de zaden; mar het gegroeid is, dan is het de grootste onder de kruidgewassen.” Matt.13:31,32{KJV}. {TN9: 40.3}

De “berg,” het koninkrijk van God, is dan duidelijk begonnen met de eerste vruchten der levenden (de 144.000) en wordt gevolgd door de tweede de vruchten der levenden (de grote schare—Openb.7:9), en wordt voltooid met de eerste en tweede vruchten der doden –de 120 (zij die de Geest

41

ontvingen op de Pinksterdag), plus degenen die opstonden met Christus (Matt.27:52,53), plus de grote schare die Hem aannamen na de Pinsterdag (Handelingen 5:14), plus allen die opstaan tot eeuwig leven in de opstanding van Daniël 12:2, plus de overblijvende doden van alle eeuwen, die opstaan op de grote opstandingsdag (Openb.20:6), en ook degenen van Ezech.37:1-14{KJV}. {TN9: 41.1}

Teruggaand naar de profetie van Daniël, vinden wij daar

De Dagen Waarin het Koninkrijk Wordt Opgericht. {TN9: 42.1}

“In de dagen van die koningen [niet na, maar in de dagen van de koningen die worden gesymboliseerd met de voeten en tenen van het grote beeld] zal de God des hemels, “ zegt Daniël, de aandacht vestigend op het koninkrijk in zijn beginfase, “een koninkrijk oprichten, welke nimmer vernietigd zal worden; en het koninkrijk zal niet worden overgelaten aan andere volken, maar het [het koninkrijk] zal al deze koninkrijken aan stukken slaan en verteren, en het zal in eeuwigheid bestaan. “ Dan.2:44{KJV}. Aldus zien wij dat terwijl de natiën van onze tijd (voorgesteld door de voeten en tenen van het grote beeld in Daniël 2:41,42) nog bestaan, de Heer het koninkrijk zal oprichten waarmee Hij hen zal omverwerpen. Dan zal er gezegd worden: “De koninkrijken van deze wereld zijn geworden de koninkrijken van onze Here, en van Zijn Christus; en Hij zal heersen in alle eeuwigheid.” Openb.11:15{KJV}. {TN9: 42.2}

42

De veroordeling uitsprekend over het vroegere Israël, beschrijft de profeet Hosea de ernstige woorden: “(…) de kinderen Israëls zullen vele dagen verblijven zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder beeld, en zonder efod, en zonder terafim.”Hos.3:4{KJV}. Tegelijkertijd echter, werd een belofte gemaakt, dat “daarna [na de vele dagen] zullen de kinderen Israëls terugkeren, en zoeken de Here hun God, en David hun koning; en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid, in de laatste dagen.” Hos.3:5{KJV}. {TN9: 43.1}

Aangezien David van ouds in zijn graf is, dan moet de koning die hier wordt beloofd een antitypische David zijn, net zoals de Elia van Maleachi 4:5 een antitypische Elia moet zijn. Anders moet, ten einde de profetie in vervulling te laten gaan, de vroegere David noodzakelijkerwijs opstaan uit zijn graf, en de vroegere Elia neerdalen uit de hemel. {TN9: 43.2}

Daniel’s verklaring (blz.42), dat de Heer met dit antitypische koninkrijk de natiën zal verbreken, en Jeremia’s verklaring (in de opvolgende paragraven) dat het Zijn strijdbijl is, tonen duidelijk aan

Het Vergeldende Werk van het Koninkrijk {TN9: 43.3}

“Gij zijt Mijn strijdbijl en strijdwapens, “ zegt de Heer tot Israël van vandaag (zij die het koninkrijk in het beginstadium zullen samenstellen), “want met u zal Ik in stukken slaan de natiën, en met u zal Ik koninkrijken vernietigen;(…)ook zal Ik met u in stukken

43

slaan man en vrouw; en met u zal Ik in stukken slaan oud en jong; en met u zal Ik in stukken slaan de jonge man en de jonkvrouw; Ik zal ook met u in stukken slaan de herder en zijn kudde; en met u zal Ik in stukken slaan de landbouwer en zijn span ossen; en met u zal Ik in stukken slaan oversten en heersers.” Jer.51:20-23{KJV}.{TN9: 43.4}

Dit schriftgedeelte kan niet toepasselijk zijn op het Israël in de tijd van Jeremia, want zij leed toen eerder verlies dan dat zijn overwon, en vanaf die tijd tot nu toe, heeft zij geen eigen koninkrijk gehad. Het is daarom vanzelfsprekend het Israël van deze laatste dagen, het koninkrijk, door wiens werking God deze wereld ten einde zal brengen. {TN9: 44.1}

Dit spoedig komende koninkrijk, zijnde niet als een aardse koninkrijk, maar als een hemelse, dan zal haar grensgebied een plaats zijn van

Volmaakte Vrede en Absolute Veiligheid. {TN9: 44.2}

Zowel de koning als het koninkrijk kenmerkend, dat na de “vele dagen” zal worden gevestigd, verklaart de profeet Jesaja: “(…) met gerechtigheid zal Hij de armen richten, en met billijkheid zal Hij de zachtmoedigen der aarde bestraffen; en Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met de adem Zijner lippen zal Hij de goddelozen doden. En gerechtigheid zal de gordel van Zijn lendenen zijn, en trouw de gordel van Zijn lendenen. {TN9: 44.3}

44

“De wolf zal ook met het lam verkeren, en de luipaard zal zich bij het bokje nederliggen; en het kalf en de jonge leeuw en het mestvee tezamen; en een klein kind zal ze hoeden. En de koe en de berin zullen {samen} weiden; hun jongen zullen zich samen nederliggen; en de leeuw zal stro eten als een os. En de zuigeling zal spelen bij het hol van een adder, en het gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van de basilisk {giftige slang}. Zij zullen geen schade toebrengen noch vernietigen op gans Mijn heilige berg; want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, gelijk de wateren de {bodem der} zee bedekken.” Jes. 11:4-9{KJV}. {TN9: 45.1}

Deze geprofeteerde periode van absolute gerechtigheid, vrede, en kennis van God (in het koninkrijk) onder de regering van het “rijsje” (David) en van de “Scheut” (Christus), moet beginnen

Vóór de Afsluiting van de Genadetijd. {TN9: 45.2}

De Schriften tonen aan dat het koninkrijk wordt gevestigd vóór, in plaats van bij, het begin van het millennium, want “te dien dage [op de dag dat het koninkrijk is opgericht en vrede heerst] (…) zal (..)een wortel van Isaї [het rijsje en de Scheut](…)staan tot een banier van het volk [van het koninkrijk],” zegt Jesaja, en “daarnaar zullen de Heidenen zoeken.” Jes.11:10 {KJV}. En omdat de deuren van het koninkrijk na de afsluiting van de genadetijd voor allen gesloten zullen zijn, moet het banier daarom opgericht worden voordat de genadetijd afsluit; de enige tijd waarin de heidenen een kans zullen hebben om bekeerd te

45

worden tot de Heer en Zijn koninkrijk,–een bekende conclusie uit de volgende schriftgedeelten: {TN9: 45.3}

“Ook heeft hij voor u, o Juda, een oogst gezet, toen Ik de gevangenschap van Mijn volk wendde.” Hos.6:11{KJV}. {TN9: 46.1}

Alzo zal het geschieden “dat de berg van het huis des Heren zal gevestigd zijn op de top der bergen, en zal verheven zijn boven de heuvelen; en alle natiën zullen ertoe vloeien. En vele volken zullen opgaan en zeggen: Komt, en laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs; en Hij zal ons leren van Zijn wegen, en wij zullen wandelen in Zijn paden; want vanuit Sion zal de wet voortgaan, en het woord des Heren vanuit Jeruzalem.” Jes.2:2,3{KJV}. {TN9: 46.2}

Zeker zullen de eilanden op Mij wachten, en de schepen van Tarsis als eerste, om uw zonen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot de naam van de Here uw God, en tot de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft. En de zonen van vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn toorn sloeg Ik u, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. Daarom zullen uw poorten voortdurend openstaan; zij zullen niet gesloten zijn, dag noch nacht; opdat men tot u kan brengen het vermogen der heidenen, en opdat hun koning gebracht kunnen worden. Want de natie en het koninkrijk dat u niet zal dienen, zal vergaan; ja, die natiën zullen volkomen verwoest worden. {TN9: 46.3}

45

 “De heerlijkheid van de Libanon zal tot u komen, de dennenboom, de pijnboom, en de buksboom tezamen, om de plaats van Mijn heiligdom te versieren; en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Ook zullen de zonen van hen, die u onderdrukten, buigende tot u komen; en allen die u verachtten zullen zich neerbuigen aan uw voetzolen; en zij zullen u noemen: De stad des Heren, het Sion van de Heilige Israëls. Terwijl gij verlaten waart en gehaat, zodat niemand door u heentrok, zal ik u tot een eeuwige voortreffelijkheid maken, een vreugde van vele geslachten” (Jes.60:9-15) in het land

Waar het Koninkrijk Staat: Daar Bestaat de Zonde Niet. {TN9: 47.1}

“Want zie, de dagen komen, zegt de Here, dat Ik de gevangenschap van Mijn volk Israel en Juda zal wenden, zegt de Here; en Ik zal hen doen terugkeren tot het land dat ik aan hun vaders gaf, en zij zullen het bezitten(…)Want Ik zal de gezondheid tot u herstellen, en Ik zal u genezen van uw wonden, zegt de Here; omdat zij u noemden een Verworpene, zeggende: Dit is Sion, waar niemand naar vraagt. {TN9: 47.2}

“Zo zegt de Here: Zie, Ik zal de gevangenis van de tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar eigen hoop, en het paleis zal {staande} blijven naar zijn wijze. {TN9: 47.3}

47

 En van hen zal dankzegging uitgaan, en de stem van hen die vrolijkheid maken; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet weinig zijn; ook zal Ik hen verheerlijken, en zij zullen niet klein zijn. Jer.30:3,17-19{KJV}. {TN9: 48.1}

“Want Ik zal u weghalen van onder de heidenen, en u bijeen vergaderen uit alle landen, en zal u brengen in uw eigen land. Dan zal Ik rein water over u sprengen, en gij zult rein zijn; van al uw onreinheid, en van al uw afgoden, zal Ik u reinigen. Een nieuw hart zal Ik u ook geven [een werk dat alleen gedaan kan worden in de genadetijd], en een nieuwe geest zal Ik in uw binnenste zetten; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en Ik zal u een hart van vlees geven. En Ik zal Mijn Geest in uw binnenste zetten en maken, dat gij naar Mijn inzettingen zult wandelen, en gij zult Mijn rechten bewaren en doen.” Ezech.36:24-27{KJV}. {TN9: 48.1}

In deze naderende tijd, wanneer het volk van de Heer, dat verstrooid is geweest bijeen vergaderd zal worden “van onder de heidenen,”en gebracht in hun “eigen land,” zullen hun harten veranderd worden; dan zal er in feite gezegd worden: “wie dan ook uit God is geboren, zondigt niet; want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, omdat hij uit God geboren is.” 1 johannes 3:9{KJV}. Dan zal de wet der zonde, die nu overheerst in het natuurlijk hart, niet langer bestaan. Aldus berijd van de tirannie van de zonde, zal het “stenen hart” vervangen zijn

48

door een “hart van vlees” met de wet van God erop geschreven voor eeuwig. {TN9: 48.3}

Juist het feit dat God nu het koninkrijk van Israël zal herstellen, doet de vraag oprijzen of Hij het al dan niet zal doen door middel van de huidige poging van

De Joden, Terugkerend naar Jeruzalem. {TN9: 49.1}

Met betrekking tot de huidige activiteiten in Jeruzalem van oud, en van de terugkerende Joden naar hun thuisland, als het vervullen van de belofte, gemaakt tot de afstammelingen van Jakob, moeten wij niet uit het oog verliezen het feit dat de beloften niet hun vervulling zullen vinden in het terugkeren naar het beloofde land, van hetzij de Joden die hun Heer verloochend en gekruisigd hebben, of hun afstammelingen die over haast tweeduizend jaren hebben verzuimd om Hen aan te nemen als hun verlosser, maar eerder doordat God die Joden daar brengt, die niet alleen Joden zijn door bloedverwant, maar ook door het geloof. {TN9: 49.2}

De belofte is daarom onmiskenbaar bestemd voor de laatstgenoemden, en hun afstammelingen, die de Christelijke kerk samenstelden aan haar beginfase, en die bereid zijn voor hun Heer te sterven, in plaats van Hem te verloochenen. De belofte is, met andere woorden, niet bestemd voor de onbekeerden (ten eerste voorgesteld door Ismaël, en ten tweede door Ezau); het is eerder voor hun jongere broeders—de bekeerde Joden (voorgesteld eerst door Izaak, en ten tweede door Jakob). Het is daarom voor degenen die de Heer hebben toegestaan om hun namen te veranderen van “Joden” (vleselijk Israël) tot

49

 “Christenen” (geestelijk Israël), net zoals Jakob, hun voorvader, God toeliet zijn naam te veranderen van Jakob tot Israël. Aldus zijnde van natuurlijke geboorte het zaad van Jakob, en door geestelijke geboorte het zaad van Christus (de Waarheid), zijn zij beide zonen van Jakob en zonen van God, en daardoor (ras)echte Joden, ware Israëlieten. {TN9: 49.3}

“(…)Ik ken de godslastering,”zegt de engel, “van hen die zegen dat zij Joden zijn, en dat niet zijn, maar de synagoge van Satan zijn.” Openb.2:9{KJV}. {TN9: 50.1}

Hoewel de eerste Christelijke kerk werd opgemaakt uitsluitend door Joden, verloren zij toch, toen zij “Christenen” genoemd begonnen te worden (de nieuwe Joodse sekte), in tegenstelling tot de Joden (de oude Joodse sekte), geleidelijk aan hun raciale onderscheiding, totdat zij uiteindelijk helemaal stopten Joden genoemd te worden; terwijl de niet-christelijke Joden door de eeuwen heen hun raciale identiteit in tact bewaard hebben. {TN9: 50.2}

“Want er staat geschreven, ”zegt Paulus, figuurlijk deze twee lijnen identificerend, “dat Abraham twee zonen had, de een uit een dienstmaagd en de ander uit een vrije. Maar hij die van de dienstmaagd was, was geboren naar het vlees; maar die van de vrije was door de belofte. Welke dingen een zinnebeeldige voorstelling zijn; want dezen zijn de twee verbonden; de een van de berg Sinaї, tot dienstbaarheid barende, welke is Hagar. Want deze Hagar betekent de berg Sinaї en Arabiё, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en is in

50

dienstbaarheid met haar kinderen. Maar Jeruzalem, dat boven is, is vrij, welke de moeder is van ons allen. Want er staat geschreven: Verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart; breekt uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de verlatene heeft veel meer kinderen dan haar, die een man heeft. {TN9: 50.3}

“Wij nu, broeders, zijn de kinderen der belofte, gelijk Izaak was. Doch gelijk toen, hij die naar het vlees geboren was, hem vervolgde, die naar de Geest geboren was, zo is het ook nu. Maar wat zegt het schriftwoord? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met de zoon der vrije. Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.” Gal.4:22-31{KJV}. {TN9: 51.1}

Dienovereenkomstig, aangezien de 144.000 klaarblijkelijk niet samengesteld kunnen zijn uit Joden die niet bekeerd zijn tot Christus, zien wij dat wij dieper moeten graven bij het

Identificeren van de 144.000 {TN9: 51.2}

  1. Zij zijn de “eerste vruchten.” Openb.14:4{KJV}.
  1. Zij worden verzegeld in een tijd van vrede, terwijl de vier engelen “de vier winden tegenhouden.” Openb.7:1-3.
  1. Zij zijn “niet bevlekt met vrouwen.” Openb.14:4{KJV}.
  2. Zij hebben in hun mond “geen bedrog.” Vers 5.

51

  1. Zij staan met het Lam op de berg Sion, en volgen Hem “waar Hij ook heengaat.” Verzen 1,4.
  2. Zij hebben  de “Vader’s naam geschreven aan hun voorhoofden.” Vers.1.
  3. Volgend op de verzegeling, “stond” er een grote schare, “uit alle natien, en geslachten, en volken, en talen,” zegt de Openbaarder, “voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met witte klederen, en palmtakken in hun handen.”Open.7:1-9.

In het licht van deze zeven feiten, wordt de identiteit en de missie van de 144.000 vastgesteld. {TN9: 52.1}

Alleen al het feit op zich dat zij eerste vruchten zijn, geeft ons niet het recht te concluderen dat zij verzegeld zijn geweest gedurende het eerste gedeelte van de menselijke geschiedenis. Inderdaad, dat zij Israëlieten zijn, afstammelingen van Jakob, sluit beslist uit dat zij verzegeld zijn geweest in de tijd van hetzij Adam tot Noach of van Noach tot Jakob–voordat Israël was geboren. Ook konden zij niet verzegeld zijn gedurende de drie en een halve jaren van de persoonlijk bediening van Christus op aarde, als dat zich voorstelt als een mogelijke tijd; want Christus Zelf en al Zijn volgelingen, werden in die tijd vervolgd, velen van hen werden gedood; terwijl gedurende de verzegeling van de 144.000, worden de “vier winden,” een voorstelling van al de natiën die verspreid zijn over de vier hoeken der aarde,

52

niet toegelaten de waaien—om wat dan ook te beschadigen (Openb.7:1). {TN9: 52.2}

En omdat de natiën gedurende de verzegelingperiode ervan worden weerhouden om de verzegeling van de rechtvaardigen te verhinderen, en de “vier engelen” (Openb.7:2) worden opgedragen de goddelozen niet te beschadigen, zien wij dat de 144.000 worden verzegeld in een periode van vrede—niet in een tijd, echter, van vrede onder de natiën zelf, maar eerder in een tijd waarin het noch de natiën worden toegestaan de kerk (zij die worden verzegeld) te vervolgen, noch de engelen worden toegestaan om de goddelozen schade toe te brengen.  Deze toestand, echter, zijnde in tegenstelling tot die bestond in de dagen van de apostelen, toen zowel de Romeinen als de Joden de Christenen vervolgden, en toen God het leven nam van Ananias en Safira, en vernietiging teweeg bracht over Jeruzalem, dan kan niemand dus oprecht concluderen dat de 144.000 in die tijd waren verzegeld. {TN9: 53.1}

Noch konden zij, zoals sommigen denken, degenen zijn die uit hun graven opstonden toen Christus “de geest gaf”(Matt.27:50,52,53), want de engel kwam, naast de reeds opgegeven redenen, “van het oosten, “niet om hen uit hun graven te roepen, maar om hen te verzegelen in hun voorhoofden (Openb.7:3,4). {TN9: 53.2}

Bovendien werd de Openbaarder verteld, dat de dingen die hij zou schrijven, “hierna”(Openb.4:1) zouden geschieden –na {het jaar} 96 N.Chr., toen hij het visioen kreeg. En

53

 verder nog, vindt de verzegeling van de 144.000 plaats in de periode van “het zesde” zegel, net voor het openen van “het zevende” zegel(Openb.6:12-17; 7:1-17; 8:1), kort voor het einde van alle dingen. {TN9: 53.3}

En verder nog, in plaats van te worden genoemd eerstgeborenen, worden zij “eerste vruchten “genoemd –een benaming die aantoont dat zij van

De Eerste Vruchten Zijn van de Oogst. {TN9: 54.1}

Aangezien alle boeken van de Bijbel samenkomen en eindigen in de Openbaring, dan moet de verzegeling van de 144.000 als gevolg zijn aanvulling vinden in de geschriften van de profeten. En omdat er nergens anders dan in Ezechiël 9 een gebeurtenis wordt gevonden die overeen komt met die van Openbaring 7, dan volgt het dat het merken en de verzegeling identiek zijn, waarvan beiden de goddelozen zullen scheiden van de rechtvaardigen; de engelen in de eerstgenoemde, slaan allen neer die het merkteken niet hebben; de engelen in de laatstgenoemde, brengen schade toe aan allen, die het zegel niet hebben. (Zie Ezechiël 9:4-6; Openbaring 7:2,3; 9:15). {TN9: 54.2}

Het feit daarom, dat er in geen enkele tijd van de kerkgeschiedenis, behalve in de dagen van Noach, God al de goddelozen vernietigde en alleen de rechtvaardigen spaarde, is beslissend bewijs in de bewijsvoering dat het merken, of de verzegeling, van de 144.000, nog niet volledig is. Het is dan duidelijk, dat onder Gods volk, degenen die falen het zegel te ontvangen, in de afbeelding van de gelijkenis worden voorgesteld door het “onkruid,” en zijn aangesteld voor vernietiging, terwijl zij die het zegel ontvangen en die ontkomen

54

aan de vernietiging, worden voorgesteld door het “tarwe,” en zijn bestemd voor de schuur –het koninkrijk (Matt.13:30). {TN9: 54.3}

Aangezien het “onkruid” en het tarwe zullen opgroeien tot aan de oogst, en omdat de oogst het einde der wereld is (Matt.13:30,39), dan worden de 144.000 vanzelfsprekend eerste vruchten genoemd, omdat zij de klasse heiligen zijn (tarwe) die het eerst worden gescheiden van het onkruid. Bovendien zijn zij

Een Klasse Die niet Bevlekt is Met Vrouwen. {TN9: 55.1}

Volgens Openbaring 7, komen de 144.000 uit de twaalf stammen, Israël en Juda, niet uit de Heidenen; ook vinden zowel het merken als het slachten, volgens Ezechiël 9, plaats in zowel Israël als Juda, de kerk, waar de oogst, het oordeel, begint. En als het oordeel, vraagt de apostel, “eerst begint bij ons, wat zal dan het einde zijn van hen die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?”1 Petr.4:17. {TN9: 55.2}

Met het toenemende licht dat zich richt op dit punt komen de 144.000, de “eerste vruchten,” duidelijk naar voren als Christelijke Joden die worden gevonden in de kerk aan het begin van de oogst. In dit verband zijn zij niet bevlekt met vrouwen. Zij zijn, met andere woorden, van hun geboorte af Gods volk geweest (Joden) –niet bevlekt met heidense aanbidding. Zij “volgen het Lam waar Hij ook heengaat,” met als gevolg dat wanneer Hij op de berg Sion staat, zij ook daar staan. {TN9: 55.3}

55

 En verder, geeft het feit, dat “dezen zijn het die niet bevlekt waren met vrouwen; want zij zijn maagden,”en dat zij “de dienstknechten van onze God“ zijn, duidelijk aan dat zij

Een Klasse Zullen Bijeen Vergaderen Die Met Vrouwen Bevlekt is, Een Tweede Vruchten. {TN9: 56.1}

Deze klasse moet degenen zijn die op een tijd getrouwd zijn geweest met een onchristelijke vrouw des huizes, een heidense kerk, en die dus geen afstammelingen zijn van hetzij Jakob of de Christelijke kerk. Dus zullen er twee oogsten zijn – één van de kerk en één van de wereld; het verslag van de eerstgenoemde, vermeldt alleen de Israëlieten, de 144.000, zij die niet bevlekt zijn met vrouwen, hoewel het niet zegt dat er geen anderen kunnen zijn; terwijl het verslag van de laatstgenoemde echter, absoluut een “grote schare “behelst, uit alle natiën, die noodzakelijkerwijs zowel onbevlekt als bevlekt moeten zijn—Joden en Heidenen. {TN9: 56.2}

Aldus, aangezien er na de verzegeling van de 144.000, de eerste vruchten, een grote schare uit alle natiën komt, kunnen de laatstgenoemden logischerwijs alleen maar de tweede vruchten genoemd worden. Anders kunnen de 144.000 niet de eerste vruchten genoemd worden; want waar er geen tweede is, kan er geen eerste zijn. En omdat de eerste vruchten, de 144.000, levende heiligen zijn, is het daarom ook zo met de grote schare. De eerste vruchten, zijnde bovendien overeenkomend met de eerstgeborenen, de priesters, zijn daarom de

56

geestelijke leiders, “de dienstknechten Gods” – zij die de tweede vruchten zullen binnenbrengen. {TN9: 56.3}

Profeterend over de scheiding van de één, en de bijeen vergadering van de ander, verklaart Jesaja: “Want met vuur en met Zijn zwaard zal de Here pleiten met alle vlees; en de verslagenen des Heren zullen velen zijn(…)En Ik zal een teken onder hen stellen, en Ik zal hen, die uit hen ontkomen zijn, zenden tot de natiën, tot Tarsis, Pul, en Lud, die de boog spannen, tot Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En zij zullen al uw broeders brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën, op paarden, en in wagens, en in koetsen, en op muildieren, en op snelle beesten, naar Mijn heilige berg Jeruzalem, zegt de Here, zoals de kinderen Israëls een offer in een rein vat brengen tot het huis des Heren.” Jes. 66:16,19,20{KJV}. {TN9: 57.1}

Merk op, dat zij die aan de slachting van de Heer ontkomen worden gezonden om Zijn gerucht te verkondigen en om Zijn heerlijkheid onder de heidenen voort te tonen. “Zij zullen al” hun “broeders brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën.” Zij zullen, anders gezegd, “dit evangelie van het koninkrijk” prediken “(…)…over de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natiën; en dan zal het einde komen.” Matt.24:14{KJV}. Dit groot werk, welke geen ander ooit in staat is geweest te volbrengen, zullen deze ontkomenen doen, omdat er

57

In Hun Mond Geen Bedrog Wordt Gevonden. {TN9: 57.2}

Het feit dat de 144.000 zonder bedrog in hun mond zijn, toont aan dat zij, als dienstknechten van God, een boodschap te verkondigen hebben, en dat zij onberispelijk zullen bevonden worden bij hun verkondiging ervan; de waarheid sprekende en niets anders dan de waarheid, zullen zij voorspoedig zijn waar zij dan ook heengaan met de boodschap, hoewel zij ermee worden gezonden

Wanneer de Winden Zijn Losgelaten en Waaien. {TN9: 58.1}

Het terughouden van de winden aan de vier hoeken der aarde door de engelen, geeft aan dat zij een bepaalde wereldwijde benauwdheid tegenhouden, welke, als het zou uitbreken terwijl de kerk in haar Laodiceese toestand verkeert, de verzegeling zou verhinderen. En uit dit feit volgt het, dat onmiddellijk nadat de 144.000 zijn verzegeld, de benauwdheid zal beginnen, aantonend dat de engelen de winden loslaten. Met deze benauwdheid “zoals er nooit geweest was sinds er een natie bestond”(Dan.12:1), zal de grote schare persoonlijk geconfronteerd worden terwijl zij uit Babylon worden geroepen (Openb.18:4), om in te gaan tot het koninkrijk. {TN9: 58.2}

Deze tijd van benauwdheid wordt vooraf geschaduwd door de tegenwoordige benauwdheid die de kerk brengt over de eerste vruchten, zij die verzegeld, gemerkt worden, in haar midden, om verplaatst te worden naar het koninkrijk—de schuur (Matt.13:30), de vaten (Mat.13:48). {TN9: 58.3}

Dus, omdat het maken van het beeld van het beest (Openb. 13:11-18) in

58

profetie de enige wereldwijde gebeurtenis is van dien aard, en omdat de grote schare met palmtakken in hun handen uit een grote verdrukking komen, dan is het de enige logische conclusie, dat nadat de 144.000 verzegeld zijn, en terwijl de winden waaien, de tweede vruchten vergaderd zullen worden en het werk van het evangelie zal zijn afgesloten. {TN9: 58.4}

De benauwdheid zal losbarsten wanneer het tweehoornig beest het decreet uitvaardigt “dat niemand kan kopen of verkopen, behalve hij die het merkteken [heeft], of de naam van het beest, of het getal van zijn naam.” Openb.13:17{KJV}. Aldus zal de draak “toornig” zijn “op de vrouw” en “oorlog voeren met het overblijfsel van haar zaad, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben.” Openb.12:17{KJV}. En tegen dezelfde tijd zal het de engelen toegestaan worden om allen schade toe te brengen die de kerk van God benauwen, en die pogen zich op dezelfde manier erbij te voegen zoals het onkruid dat nu doet. Door aldus de goddelozen schade toe te brengen, brengen de engelen “de toorn van het Lam” ten uitvoer. Met het oog hierop, vraagt de Heer: “wie zal in staat zijn stand te houden?” Openb.6:17 {KJV}. Het is “de grote en vreselijk dag des Heren”(Mal.4:5), en “de zondaars in Sion zijn bevreesd; verschrikking heeft de huichelaars overvallen.” Vandaar de vraag: “Wie onder ons zal wonen bij het verterende vuur? Wie onder ons zal wonen bij de eeuwige verbrandingen?” –Alleen degenen die zichzelf zien als gebrek lijdende in alles. En dezen zijn

59

 Degenen Die de Koning Zien. {TN9: 59.1}

“Hij die rechtvaardig wandelt, en die oprecht spreekt; hij die het gewin der onderdrukkingen veracht, die zijn handen schudt, dat zij geen omkopingen vasthouden; die zijn oor toestopt dat hij geen bloed hoort, en zijn ogen toesluit, dat hij het kwade niet aanziet; die zal in de hoogten wonen; zijn plaats van verdediging zal de bewapening der rotsen zijn; brood zal hem gegeven worden; zijn wateren zullen gewis zijn. {TN9: 60.1}

“Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen het ver gelegen land aanschouwen. Uw hart zal de verschrikking overdenken. Waar is de schrijver? Waar is de ontvanger? Waar is hij, die de torens telt? Gij zult niet een vurig volk zien, een volk van diepere spraak dan gij kunt horen; van een belachelijke tong, welke gij niet kunt verstaan. Aanschouwt Sion, de stad van onze bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een rustige woonplaats, een tent, die niet terneer geworpen zal worden; niet een der pinnen daarvan zal ooit verwijderd worden, noch zal er een van de koorden daarvan verbroken worden. Maar daar zal de glorierijke Here voor ons zijn een plaats van wijde rivieren en stromen; daarin zal geen roeischuit doorvaren, noch zal daar een machtig schip overvaren. Want de Here is onze rechter, de Here is onze wetgever, de Here is onze Koning; Hij zal ons behouden.” Je.33:14-22{KJV}. {TN9: 60.2}

“Michael,” “de Grote Vorst,” zal dan “opstaan” en verlossen “een ieder

60

die zal worden gevonden geschreven te zijn in het boek.” Dan.12:1{KJV}. {TN9: 60.3}

Omdat de Here te dien dage zowel de getrouwen zal hoeden en de ontrouwen straffen, is de boodschap die deze “grote en vreselijke dag”(Mal.4:5) aankondigt, getiteld: De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}. “De stem des Heren roept” daarom “tot de stad, (…)

“Hoort Gij Naar de Roede, en Wie Het Besteld Heeft.”

                                  Mich.6:9{KJV}. {TN9: 61.1}

Verzonken in de Laodiceese sluimering en slaap, zal “de stad,” de kerk, in Gods genadevolle poging om het voor te bereiden op deze dag van benauwdheid, opgeschrikt worden ten leven door Zijn oproep: {TN9: 61.2}

“Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion; trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, de heilige stad. Want voortaan zal er geen onbesnedene of onreine meer in u komen.” Jes. 52:1{KJV}. {TN9: 61.3}

“Sta op, schijn; want uw licht is gekomen, en de heerlijkheid des Heren is over u opgegaan. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch de Here zal over u opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En de heidenen zullen tot het licht komen, en koningen tot de glans van uw opgang. Jes.60:1-3{KJV}. {TN9: 61.4}

De kerk der Laodiceeërs, zijnde de laatste van de zeven kerken, is de laatste afdeling

61

 van de Christelijke kerk waarin de tarwe en het onkruid vermengd zijn. De overwinnaars, de gemerkten daarvan, zij die naar de Roede{of Staf} horen, beginnen de achtste afdeling van de kerk—die ene die wordt voorgesteld door de “schuur” (Matt.13:30) en door de ”vaten” (Matt.13:48), en ook door de “gouden kandelaar” van Zacharia 4. Van haar zegt de Heer: “(…)de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, welke de mond des Heren zal noemen. Gij zult ook een kroon der heerlijkheid zijn in de hand des Heren,  en een koninklijke hoofdband in de hand van uw God.” Jes.62:2,3{KJV}. {TN9: 61.5}

Onder de Laodiceeërs echter, zij die weigeren te ontwaken en de situatie te begrijpen {of aan te nemen}, die niet willen “zuchten en(…)uitroepen vanwege al de gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden”(Ezech.9:4), zullen zonder het merkteken achtergelaten worden, en zullen dus vallen onder de slachtwapens van de engelen (Ezech.9), terwijl zij die het merkteken ontvangen aan hen zullen ontkomen, en beschermd worden tegen de benauwdheid, de bescherming zijnde voorgesteld door de schuur en de vaten (Matt.13:30,48). {TN9: 62.1}

Dit sparen van het tarwe enerzijds, en het doden van het onkruid anderzijds, onder de eerste vruchten, –degenen in de kerk, — geeft een voorteken van het sparen van de goeden en het doden van de slechten onder de tweede de vruchten, degenen in Babylon (Openb.18:4). Vandaar dat

62

Het Werk In Laodicea Datgene Typeert in Babylon. {TN9: 62.2}

Terwijl de Heer nu de eerste vruchten van Zijn koninkrijk aan het merken is, proberen degenen in Laodicea, “de ousten” (Getuigenissen, Deel 5, blz..{Testimonies, Vo.2, p.211}), zich veronderstellend dat zij Zijn gebod uitvoeren door de leken te dwingen om niet te luisteren naar de boodschappers van de Heer en Zijn boodschap niet te lezen in De Herdersstaf{The Shepherd’s Rod}, te voorkomen dat zij Zijn merkteken ontvangen, welke hen van omkomen zal behoeden. En zoals de profetie aantoont,  breidt deze oorlog, wanneer het beëindigd is in Laodicea, zich uit tot in Babylon, wanneer de Heer de tweede vruchten van Zijn koninkrijk begint te merken, en wanneer het beest, zich veronderstellend (zoals de oudsten dat nu doen) dat hij het gebod van de Heer uitvoert, het dekreet uitvaardigt dat “allen, beide kleinen en groten, rijken en armen, vrijen en slaven”(Openb.13:16), zijn merkteken ontvangen in plaats van die van de Heer, welke ook hen van omkomen zal behoeden. {TN9: 63.1}

Deze twee markeringen (van het beest en van de Heer), tonen op zichzelf genomen een tijd aan van het scheiden van de burgers van de hemel van de burgers van de wereld. En omdat dit een werk is zoals er nooit geweest was, brengt het de tijd der benauwdheid zoals er nooit was geweest tot stand—“de grote en vreselijke dag des Heren.” De huidige benauwdheid in Laodicea zal daarom zich uitbreiden in Babylon en zich ontwikkelen tot de tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was, een ontwikkeling die aantoont dat dezelfde satanische macht die nu werkt in Laodicea, zich spoedig volledig zal openbaren, in versterking

63

met het beest, binnen de kerken in Babylon, om daar het merken van de tweede vruchten tegen te werken, zoals het nu in Laodicea het merken van de eerste vruchten tegenstaat. {TN9: 63.2}

En verder nog, zoals de achtste afdeling van de kerk, de eeuwige kerk, uit de zevende afdeling is, de tijdelijke kerk, net zo is het achtste beest, de wereld na het millennium, uit het zevende beest (Openb.17:11), de wereld vóór het millennium. {TN9: 64.1}

Deze onontkoombare overeenkomstigheid tussen het werk van God en het werk van Satan, welke Inspiratie zo scherp en levendig in zicht brengt, spreekt voor zich dat wij ingaan tot “de grote en vreselijke dag des Heren”—een feit dat onze harten zou moeten beroeren zoals niets anders dat ooit heeft gedaan. {TN9: 64.2}

En aangezien ” voortaan,” vanaf de tijd dat de 144.000 zijn gemerkt, en de zondaars onder hen zijn weggenomen, de goddelozen niet meer vermengd zullen zijn met de rechtvaardigen,  –vanaf die tijd tot in de eeuwigheid daarom,

Blijft Het Koninkrijk Kerk, De Achtste, Rein.  {TN9: 64.3}

Profetisch vooruit blikkend op de gereinigde staat van de kerk, zag de profeet Zacharia, dat “iedere pot in Jeruzalem en in Juda zal heiligheid zijn voor Here der heerscharen; en allen die offeren zullen komen en van hen nemen, en daarin koken; en te dien dage zal er geen

64

Kanaäniet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.14:21{KJV}. {TN9: 64.4}

“Maar dit zal het verbond zijn, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal; na die dagen, zegt de Here, zal Ik Mijn wet in hun binnenste leggen, en die in hun hart schrijven; en zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn. En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, zegt de Here; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en Ik zal hun zonde niet meer gedenken.Jer.31:33,34{KJV}. {TN9: 65.1}

“Dan zal het woord des Heren uitgaan: “Hoort gij, die verre zijt, wat Ik gedaan heb; en gij die nabij zijt, erken Mijn macht.” Jes.33:13{KJV}. {TN9: 65.2}

Allen die Zijn macht erkend en voordeel eruit getrokken hebben in het verleden, samen met allen die Zijn macht zullen erkennen en voordeel eruit zullen trekken in de toekomst, zullen gevonden worden in

Vijf Groepen In Het Koninkrijk. {TN9: 65.3}

Deze vijf groepen zijn: (1) de 144.000 Israëlieten, de eerste vruchten van de levenden, wiens “edelen uit hen zullen zijn,” en wiens “heerser uit hun midden zal voortkomen” (Jer.30:21); zij zullen terugkeren naar Jeruzalem, en staan op de Berg Zion met het Lam; (2) zij die Johannes zag, na de verzegeling van de 144.000, verzameld uit “alle natiën, en stammen, en

65

volken, en talen,” gedurende de “grote verdrukking,” de “tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was” – de grote schare die naar Jeruzalem gaan vóór de opstanding;(3) zij die opstaan ten eeuwigen leven in de opstanding van Daniël 12:2;(4) die Israëlieten die zullen voortkomen in de opstanding van Ezechiel 37:1-14; (5) allen die opkomen in de opstanding van Openbaring 20:6; –gezamenlijk zijn dezen al de Israëlieten en Heidenen die zullen terugkeren naar Jeruzalem, het beloofde land zullen bezitten, en daarna de gehele aarde. {TN9: 65.4}

Ironisch vergeefs is daarom (met het oog op wat wij op deze bladzijden hebben gezien) het voortdurend sterker wordende doel om Jeruzalem te herbouwen, zoals een beweging dat tracht te doen ter beantwoording op de profetieën van het koninkrijk, door daarheen te brengen de niet-christen Joden; en zoals een andere beweging tracht om, ter beantwoording op dezelfde profetieën, de Engelssprekende wereld daarheen te brengen. {TN9: 66.1}

Een koninkrijk van zowel gelovigen als ongelovigen zou niet beter zijn dan de koninkrijken van vandaag. Het zou in feite niet meer zijn dan een Babylon, niet meer dan “de schuilplaats van iedere onreine geest en een schuilplaats van iedere onreine en hatelijk gevogelte.” Openb.18:2{KJV}. Om te werken voor zulk een verwachting betekent een lange stap nemen tot het inbrengen van Satans “machtige misleiding,” een vervalsing van Christus makend in een vervalst koninkrijk. {TN9: 66.2}

66

Aldus is het dat “alleen zij die ijverige studenten zijn geweest van de Schriften, en die de liefde van de waarheid hebben ontvangen, zullen beschermd zijn tegen de machtige misleiding die de wereld verovert. Door de Bijbelse getuigenis zullen dezen de bedrieger in zijn vermomming herkennen(…)Is het volk van God nu zo stevig gegrondvest op Zijn woord dat zij niet zullen toegeven aan de bewijsvoering van hun zinnen? Zullen zij, in zulk een crisis, zich vastklampen aan de Bijbel en de Bijbel alleen?” De Grote Strijd, blz…{The Great Controversy, p.625}. {TN9: 67.1}

Met het oog op deze urgentie om de kronende verwachting van de Christen, het koninkrijk, te verzekeren, is het daarom raadzaam om de hoofdpunten die tot dusver zijn vastgesteld in de verzameling te versterken. Vandaar:

Een Samenvatting van de Eerste en Tweede Vruchten. {TN9: 67.2}

  1. Wanneer de tijd van het “onkruid”, de kinderen van de boze” (Matt.13:18), tot zijn volheid is gekomen, dan zal “de oogst” aanvangen, en het zal “het einde der wereld” tot stand brengen. Matt.13:30,40. Plaatsvindend in het einde der wereld, is het noodzakelijkerwijs de verzameling van de mensen door de boodschap van Elia, de laatste door de hemel gezonden verkondiging van het evangelie, welke eerst wordt gepredikt tot de kerk, net voor de grote en vreselijke dag des Heren (Mal. 4:5), en dan tot de gehele wereld gedurende die lang verwachte dag. {TN9: 67.3}

67

Daar de boodschap het net vol vindt bij haar aankomst en daarop volgend een verdeeldheid veroorzaakt tussen degenen die het aannemen en degenen die het verwerpen, stelt het de engelen in staat om de kwaden uit te zoeken tussen de goeden (Matt.13:48). Deze “goeden” zijn de eerste vruchten der verlosten. Dan volgt de scheiding die wordt toegespeeld in de roep: “Kom uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt aan haar zonden en opdat gij niet ontvangt van haat plagen.” Openb.18:4. Deze uitgeroepenen zijn de tweede vruchten. {TN9: 68.1}

In het eerste geval worden de kwaden uitgeworpen van tussen de goeden die zijn gevangen in het net (de boodschap die in de kerk rust); terwijl in het tweede geval, alleen Gods getrouwen worden uitgeroepen van tussen de zondaars in Babylon, daar zijnde geen onkruid onder hen. {TN9: 68.2}

Het onkruid en het tarwe waren in de eerste geval vermengd doordat “terwijl de mensen sliepen,“ zegt de Heer, de “vijand kwam en onkruid zaaide tussen het tarwe”; terwijl het tarwe in het laatste geval is vrijgehouden van het onkruid, omdat de Heer zegt: “Ik heb wachters op uw muren gesteld, o Jeruzalem, die nooit zullen zwijgen, dag noch nacht.”Jes.62:6{KJV}. {TN9: 68.3}

De heerschappij van Babylon zijnde voorgesteld door het scharlakenrood beest, het beest waarop de vrouw zit (Openb.17), is het symbool daarom een voorstelling van een internationale religieuze-politieke

68

systeem. Het religieuze aspect wordt voorgesteld door de vrouw; het burgerlijk aspect door de horens van het beest; in combinatie, een symbolische voorzegging van een wereldwijd systeem van vereniging van kerk en staat. Het beest alleen, met uitzondering van de horens, stelt, zoals de beesten van Daniël 7 dat doen, de menigten van de wereld voor—de onderdanen van het antitypische Babylon van waaruit Gods volk wordt uitgeroepen. Deze verzameling vormt de scheiding van de tweede vruchten. {TN9: 68.4}

Hieruit wordt de waarheid weer gezien dat de eerste en de tweede vruchten van de levenden (de één vergaderd van binnen in de kerk bij de aanvang van “de grote en vreselijke dag,” en de ander vergaderd uit Babylon gedurende die dag) het koninkrijk vormt in zijn beginstadium en vóór de opstanding van de doden. {TN9: 69.1}

Het feit, bovendien, dat alleen de goeden uit het net werden behouden, en dat alleen Gods volk uit Babylon werd geroepen, verwelkomt het koninkrijk als het tehuis van alleen de rechtvaardigen. {TN9: 69.2}

“Maar dit zal het verbond zijn,” verklaart de Heer, betreffende deze heerlijke waarheid van het koninkrijk,  “dat Ik met het huis van Israël sluiten zal; na die dagen, zegt de Here, zal Ik Mijn wet in hun binnenste leggen, en die in hun hart schrijven; en zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn. En zij zullen niet meer een ieder zijn naaste, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Kent de Here: want

69

zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, zegt de Here; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en Ik zal hun zonde niet meer gedenken.Jer.31:33,34{KJV}. {TN9: 69.3}

“En zij zullen hen noemen, “ roept Jesaja uit, “Het heilige volk, De verlosten des Heren.”Jes. 62:12{KJV}. “En er zal daar een hoofdweg zijn, “verzekert hij, “en een weg, en het zal genoemd worden: De weg der heiligheid; de onreine zal daarover niet doortrekken; maat het zal zijn voor diegenen: de zwervende mensen, hoewel dwazen, zullen daarin niet dwalen.” Jes.35:8{KJV}. {TN9: 70.1}

  1. Wanneer “dit evangelie van het koninkrijk zal worden verkondigd over de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natien”(Matt.24:14), dan zal het werk van het evangelie eindigen, en de genadetijd zal sluiten voor ieder mens. {TN9: 70.2}
  2. Wanneer zowel de Jood als de Heiden, die gehoor heeft gegeven aan de roeping, vergaderd zal zijn van de vier hoeken der aarde, dan zal de oogst eindigen; dan zal het laatste voortdurende moment van de genadetijd voor altijd zijn vervlogen; dan zal het einde gekomen zijn, en vanuit de “grote witte troon” zal het onveranderlijk bevel zijn uitgegaan: “Hij die onrechtvaardig is, laat hij nóg onrechtvaardig zijn; en hij die vuil is, laat hij nóg vuil zijn; en hij die rechtvaardig is, laat hij nóg rechtvaardig zijn; en hij die heilig is, laat hij nóg heilig zijn.”Openb. 22:11{KJV}. {TN9: 70.3}

Tot hun verschrikking zich realiserend, bij het voorbijgaan van de genadetijd, dat zij voor eeuwig zijn

70

verloren, zullen de nalatigen bitter uitroepen: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” Jer.8:20{KJV}. {TN9: 70.4}

Zie, Ik kom spoedig, “verklaart Christus, volgend op Zijn plechtige verkondiging van de afsluiting van e genadetijd (Openb.22:11), “en Mijn beloning is met Mij, om aan een ieder te geven naar wat zijn werk zal zijn.” Openb.22.12. Hier is het verankerde bewijs dat de genadetijd sluit vóór de zichtbare terugkeer van de Heer. {TN9: 71.1}

Bij de afsluiting van de zevende plaag, “zal” de Here Zelf, zichtbaar voor elk oog (Openb.1:7), nederdalen van de hemel met een kreet, met de stem van een aartsengel, en met de bazuin Gods; en de doden in Christus zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij die leven en overblijven, samen met hen op de wolken weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht; en zo zullen wij

Altijd Met de Here Wezen.

1.Tess.4:16,17{KJV}. {TN9: 71.2}

Met het van de rechtvaardige doden uit alle eeuwen opgestaan en verenigd met de levende heiligen, is het koninkrijk volledig samengesteld—de rechtvaardigen zijnde gesteld aan Zijn rechterhand (het koninkrijk), en de goddelozen, aan zijn linkerhand (Babylon). Dan, terwijl de Koning degenen aan Zijn linkerhand heenzendt “tot de eeuwige straf,” zegt Hij tot de degenen  aan Zijn rechterhand: “Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af.” Matt.25:46,34. Hierop volgend wordt verwezenlijkt de lang

71

verwachte vervulling van de glorieuze hoop, voortgebracht door de belofte van Christus: “In Mijn Vaders huis zijn vele woningen; indien dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om u plaats te bereiden. En wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder, en zal u tot Mij nemen; opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.”Johannes 14:2,3{KJV}. {TN9: 71.3}

Deze beroerende hoop van ieder Christen wordt op prachtige wijze voorzien in de opname van Henoch (Gen.5:24), de opname van Elia (2 Koningen 2:11), en de opstanding van de menigte die Christus ten hoogte leidde (Matt.27:52,53; Ef.4:8)—een drievoudige typering in drievoudige overeenstemming met Gods wet van type, dat waar er een type is, er ook een antitype moet zijn. {TN9: 72.1}

Ware er zonder twijfel, in dit verband, geen antitype (opvoering van alle heiligen), dan zou er geen type zijn geweest (opname van Henoch en Elia, en opvoering van de menigte). Het type zou dan willekeurig, doellos, en misleidend zijn geweest. Niet alleen de heiligen, daarom, maar ook

De Hemelen Zullen Wijken, De Goddelozen Zullen Roepen tot de Bergen Om Op Hen te Vallen. {TN9: 72.2}

Bij de afsluiting van de zevende plaag zal de volheid van het einde aanbreken, waarvan de Openbaarder uitroept: “(…)de hemel[de atmosfeer van onze aarde—Gen1:8]

72

week terug als een boekrol, als die wordt opgerold, en elke berg en eiland (…) van zijn plaats gerukt(…) de koningen der aarde, en de groten en de oversten over duizend en de rijken en de machtigen en iedere slaaf en vrije verborgen(…)in de holen en in de rotsen der bergen;” zeggende “tot de bergen en tot de rotsen: Valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?”Openb.6:14-17. {TN9: 72.3}

Het feit dat al deze gebeurtenissen afsluiten met de tweede komst van Christus, en ook het feit dat de profetieën duidelijk verklaren dat God al Zijn mensen zal bijeen vergaderen van tussen de natiën, de Zijnen zal voortroepen uit hun graven, al de verlosten in de hoogte zal brengen, zowel de levenden als de herrezenen – om Hem in de lucht te ontmoeten en met Hem te gaan naar de woningen die Hij voor hen bereid heeft vanaf Zijn hemelvaart, al de goddelozen zal vernietigen, de aarde ledig zal achterlaten zonder leven of licht, dàn het leeg maken en zonder vorm, en als laatste, de doden niet weer te laten leven totdat de duizend jaren voleindigd zijn, — al deze feiten maken duidelijk dat de aarde in een chaotische staat zal verkeren terwijl de heiligen “leven en heersen” met Christus in de hemel gedurende de duizend jaren. {TN9: 73.1}

Op deze wijze is Satan gebonden door een keten van omstandigheden, wat het voor hem onmogelijk maakt

73

 de natiën te misleiden totdat de duizend jaren zijn voleindigd, en totdat de Heer opnieuw terugkeert met de heiligen, de goddeloze doden voortroept uit hun graven, en toelaat dat zij voor een korte tijd leven – de tijd waarin

Satan Hen Opnieuw Misleidt. {TN9: 73.2}

Vooruit blikkend op de opstanding na het millennium, zag de Openbaarder dat de goddelozen “gingen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder van God uit de hemel, en verslond hen. En de duivel, die hen misleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn(…)Dit is de tweede dood.” Openb.20: 9,10,14{KJV}. {TN9: 74.1}

Dan “zal het koninkrijk en het heerschappij, en de grootheid der koninkrijk onder de ganse hemel, gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens koninkrijk is een eeuwig koninkrijk, en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen. Hier eindigt het bericht.” Dan7:27,28{KJV}. {TN9: 74.2}

Aangezien al deze dingen spoedig zullen geschieden, “staat gij in de wegen,”zegt de Heer, “en ziet, en vraagt naar

“De Oude Paden.”

Jer.6:16{KJV}. {TN9: 74.3}

“Noch gehoor te geven aan fabels en eindeloze

74

geslachtsrekeningen, die vraagtekens voortbrengen, in plaats van goddelijke stichting, die in het geloof is; doe alzo.1 Tim.1:4{KJV}.  “Niet het oor lenen aan Joodse verdichtsels en geboden van mensen, die zich van de waarheid afkeren.”Tit.1:14.  “Want de tijd zal komen, dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar naar hun eigen begeerte zullen zij tot zich leraars verzamelen, hebbende jeukende oren; en zij zullen hun oor van de waarheid afwenden, en zullen gekeerd worden tot fabels.” 2 Tim.4:3,4{KJV}. {TN9: 74.4}

“(…)Mijn rede en mijn prediking,” zegt de apostel Paulus, “was niet in meeslepende woorden der menselijke wijsheid, maar met betoon van de Geest en van kracht, opdat uw geloof niet zou rusten op wijsheid van mensen, maar op de kracht van God.” 1 Kor.2:4,5. {TN9: 75.1}

Laat deze raad Gods volk waarschuwen weg te blijven van de gevaarlijke beoefening van hun leerstellingen en hun geloof afhankelijk te stellen van de vergulde haken van verdorven uitleggingen en van weergaven van talen die hen niet bekend zijn (het Hebreeuws, het Grieks, en deze, en die, of de andere) en van uitleggende vertalingen die de belangen van theologische vooropgezette meningen en voorkeuren beter ondersteunen en van dienst zijn, dan de geautoriseerde versie dat doet – de versie welke God, in Zijn voorzienigheid en in Zijn voorkennis van het afronden van Zijn werk door de Engelssprekende wereld, aan Zijn volk heeft gegeven om hen te leiden tot Zijn koninkrijk. Wees daarom voorzichtig voor de aanspraken van

75

valse geleerdheid, die zich veronderstelt betrouwbaarder te zijn dan datgene wat God Zelf heeft verkozen en tot stand heeft gebracht in eenvoud. {TN9: 75.2}

“De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.” Matt.24:35. {TN9: 76.1}

—000—

(Cursivering door ons)

76

Schriftuurlijke Index

77

 Schriftuurlijke Index (vervolg)

Verwijzingen Index

—-0—-

 

 

 


shepherds-rod-tract-10-heart-of-earth.jpg

“Drie dagen en drie nachten in het hart der aarde.”

“Het Teken van Jonah”

EN

VRAAG EN ANTWOORD DISCUSSIE

MATT. 12 : 39, 40

Hoewel wij een aantal keren de vragen of (1) Jezus om “het teken van Jonah” in vervulling te doen gaan “3 dagen en 3 nachten” in het graf was , of  (2 ) of het teken op een andere manier was vervult en (3)  of Hij op vrijdag, op donderdag of op woensdag gekruisigd werd;  overtuigend hebben verduidelijkt, schijnen er nog steeds sommige punten te zijn die niet duidelijk zijn voor allen, waaraan ten grondslag ligt de eerste vraag :

Was Christus Gekruisigd op de Dag dat het Zuurdesem Uit de Huizen werd Geplaatst —- Op de Veertiende Dag ? {TN10: 3.1}

Markus die een ooggetuige was van de gebeurtenis zegt, “Op den eersten dag der ongezuurde brooden, waarop men het Pascha slachtte, zeiden zijn leerlingen tot Hem: Waar zullen wij voor U het Paschamaal gaan aanrichten?
Hij zond dan twee zijner leerlingen met den last: Gaat naar de stad, en u zal iemand tegenkomen die een waterkruik draagt; volgt hem…. De leerlingen gingen heen, kwamen in de stad, bevonden het

3

zoals Hij gezegd had: en bereidden het Pascha. Des avonds kwam hij met de Twaalve. En toen zij aanlagen en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, een van u zal mij verraden, een die met mij eet.” Markus 14: 12,13, 16-18. {TN10: 3.2}

Aangezien het Pascha lam in de avond van de veertiende dag van de eerste maand gedood werd (Ex. 12: 6), en werd gegeten  bij de aanvang van de vijftiende dag ( Num. 28: 17) en aangezien de evangelie schrijvers verklaren dat Jezus het Pascha op het zelfde tijdstip at als de gehele Joodse natie het at, is het feit onomstotelijk vastgelegd dat de tijd van de kruisiging van Christus  niet samenviel met de tijd van het doden van het lam op de 14e dag op de eerste van het Pascha feest. Het viel echter wel samen met het doden van het lam voor de tweede der feesten , zoals gezien zal worden in de volgende hoofdstukken. {TN10: 4.1}

Zelf astrologische aantekeningen zijn in overeenstemming dat het offer op de 14e dag van het Pascha avondmaal dat jaar op een woensdag viel en de Bijbel stelt nadrukkelijk dat het Pascha feest op de 15e dag moest worden nageleefd (Num. 28: 17), donderdag dat jaar. Jezus kon daarom op geen van deze dagen gekruisigd zijn geweest. Dit wordt ondersteund door het feit dat zoals eerder gesteld Hij de eerste dag van het feest met zijn discipelen vierde. Verder stelt Mattheus 26: 5 duidelijk dat de samenkomst der priesters en schriftgeleerden, met Kajafas in

4

de oordeelszetel, besloten Hem niet te doden ”op een feestdag” —-donderdag, de vijftiende. Vandaar de vraag: Waarom zegt de Bijbel dat Hij gekruisigd werd op

De Voorbereidings Dag ? {TN10: 4.2}

 De bewering van Markus, “ De voorbereiding dat is de dag voor de Sabbat”

(Markus 15 : 42), verklaart dat deze voorbereidingsdag vrijdag was, “de dag voor de Sabbat.” En als Johannes deze zelfde Sabbat “een hoge dag “noemt (Joh. 19: 31) , kan het alleen de zevende Sabbat dag zijn geweest in de Pascha week, een Sabbat in een Sabbat, want de Pacha week was een gebeurtenis van zeven dagen (Num. 28: 17), en daarom was er in elke Pacha week een zevende dag Sabbat, en vandaar  twee heilige dagen in een dag— een hoge dag. {TN10: 5.1}

Alhoewel in de Schriften een groep feestdagen soms sabbatdagen of sabbatten wordt genoemd, wordt het Pascha op zichzelf nooit de Sabbat genoemd. Dit is speciaal waar door het Nieuwe Testament heen. En om de Pascha dag , de Sabbatdag te noemen is voor elk van de apostelen dan ook niet alleen de redelijkheid negeren, maar ook het Pascha verwarren met de “zevende dag Sabbat” de enige dag die ooit “ De Sabbat” werd genoemd. {TN10: 5.2}

Vanuit dit oogpunt gezien is het duidelijk gemaakt dat de “voorbereidingsdag “, de dag dat ze Jezus kruisigden, vrijdag was— de voorbereiding  voor de Sabbat in de week van het Pascha;

5

dat het Pascha lam, welke gedood werd op de Woensdag (de veertiende dag), niet samenviel met de kruisiging en dat Jezus het Pascha at op de donderdag (de vijftiende dag), op de zelfde dag gearresteerd werd, voor de dag aanbrak, gekruisigd op vrijdag (de zestiende ) begraven voor de Sabbat en opgestaan op zondag (de achttiende). Deze Bijbelfeiten die ook door traditie worden ondersteunt doen de vraag oprijzen :

Was Jezus Niet Drie Dagen en Drie Nachten in het Graf? {TN10: 5.3}

Laat het niet vergeten worden dat Hij begraven was op de dag die de “voorbereidingsdag” werd genoemd, vrijdag en dat de hoofdpriester en de Farizeeën naar Pilatus gingen op de “dag die volgde na de dag der voorbereiding” (Matt. 27: 62), op Sabbat, hem verzoekend om een wacht te stellen over het graf. Het was daarom de tweede nacht na de begrafenis dat het graf werd bewaakt. En het feit dat dit de nacht was dat Jezus verrees ( Matt.28: 1-5) bewees dat Hij slechts twee nachten in het graf was—- vrijdag nacht en zaterdag nacht. Als gevolg daarvan, moet de bewering “drie dagen en drie nachten in het hart der aarde,” voor iets meer staan dan eenvoudigweg Zijn in het graf zijn als door sommigen wordt uitgelegd. {TN10: 6.1}

De woorden in Mattheus 28: 1, “als het begon te lichten tegen de eerste dag der week,” zijn dan niet uitgesproken met de intentie om de tijd van Jezus zijn opstanding te vertellen, maar

6

 om de tijd aan te geven toen de vrouwen bij het graf arriveerden, en kunnen daarom niet genomen worden om te betekenen, zoals sommigen denken, de avond aan het eind van de Sabbat. Want de vrouwen kwamen bij het graf in de ochtend zoals elke evangelie schrijver getuigd :

Lucas— “ En op den eersten [dag] der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf.” Lukas 24 : 1.

Markus— “ En zeer vroeg op den eersten [dag] der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging .” Markus 16 : 2.

Johannes—“ En op den eersten [dag] der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf.” Johannes 20 : 1.

Mattheus—“ En laat [na] de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten [dag] der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien.” Mattheüs 28 : 1. {TN10: 6.2}

De bewering dat Maria Magdalena en de andere Maria het graf kwamen bezien ”als het begon te lichten tegen de eerste dag van de week” (Matt. 28: 1), is uitgelegd door

7

sommigen dat ze bij het graf kwamen op de Sabbat, voor zonsondergang en toen ontdekten dat de Heer reeds was opgestaan. Maar laat het onthouden worden dat op de dag dat ze kwamen, Maria de Heer zelf ontmoette en met Hem praatte. Als zij daarom op de Sabbat door de engelen was verteld dat Jezus uit de dood was opgestaan en zij zelf het graf leeg had gezien en ook gesproken had met de Heer ( Matt. 28: 1-9), waarom zou ze dan de dwaas spelen op zondagmorgen door naar het graf te gaan om de Heer zijn lichaam te zien alsof ze niets wist van Zijn opstanding, terwijl ze in plaats daarvan Zijn instructies zou moeten opvolgen om het goede nieuws aan zijn discipelen te geven en Hem te ontmoeten in Galilea ( Matt. 28 : 1-7), Johannes 20 : 1-17) ? {TN10: 7.1}

Markus 16: 1,2 en Lukas 24: 1-10, en ook Johannes 20: 1, dragen drievoudig bewijs aan dat met betrekking tot de Heere’s opstanding , Maria Magdalena niets wist voor zondagmorgen, toen tot haar verbazing de engel zei: Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien.” Markus 16: 6,7. {TN10: 8.1}

Dan, ook , zegt Markus “ En als [Jezus] opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten [dag] der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena.” Markus 16: 9. {TN10: 8.2}

Zij, die daarom de

8

woorden, “als het begon te lichten, tegen den eersten [dag] der week,” uitleggen, als zou het betekenen dat het laat de Sabbat avond was, en dat Jezus dan verrezen was, zijn in een serieuze dwaling. {TN10: 8.3}

Markus zegt,” als de Sabbat voorbij was, “ terwijl Mattheüs zegt, “ aan het eind van de Sabbat.” In een ander geval, zegt de een, “heel vroeg in de morgen de eerste dag van de week”; terwijl de andere zegt, “ als het begon te lichten, tegen de eerste dag van de week.” Deze vergelijkbare zinnen hebben allen dezelfde betekenis. {TN10: 9.1}

En verder toont een vergelijking van Mattheüs 28: 1 en Johannes 20: 1 aan dat beiden schriftgedeelten verwijzen naar één en dezelfde gebeurtenis, hoewel velen dit feit proberen te weerleggen. Johannes zegt dat de vrouwen naar het graf kwamen, “ de eerste dag van de week…als het nog duister was.” Dit kan niet betekenen aan het eind van de Sabbat als de zon net onderging, want als dat de tijd was, zou Johannes niet gezegd hebben, “als het nog duister was,” duidelijk aangevend dat de nacht bijna voorbij was, maar niet helemaal.  En Mattheüs sprekend over dezelfde tijd , zegt:  En laat na de Sabbat , als het begon te lichten tegen de eerste dag van de week.” {TN10: 9.2}

Aldus in het licht van al de evangeliën, kan het woordlichten uitgelegd worden om alleen het aanbreken van de dag te betekenen— de morgen. Het Engelse woordenboek ondersteund deze definitie. {TN10: 9.3}

Welnu, zelf een oppervlakkig onderzoek van deze vier samenvattende overzichtelijke passages kan resulteren in slechts

9

één conclusie dat alle vier waarnemers schrijven over dezelfde gebeurtenis ( het bezoek van Maria Magdalena en de andere Maria aan het graf), van dezelfde plaats ( Christus’ zijn tombe) en van hetzelfde tijdstip ( vroeg in de morgen, de eerste dag van de week), alleen geeft elk van hun de gebeurtenis in zijn eigen woorden weer—een drievoudige conclusie welke verder gedragen wordt door het onderzoeken van dit onderwerp vanuit het oogpunt van

Het Uur van Elke Gebeurtenis. {TN10: 9.4}

In oudere tijden, werd de tijdseenheid geregeld rond twaalven, zonsondergang. Middernacht en ’s middags waren rond het zesde uur en de morgen om twaalf uur. Vanuit dit origineel tijdssysteem, is het verslag in verband met het proces en met de kruisiging als volgt gemaakt: {TN10: 10.1}

Johannes’  verslag van de rechtszaak verklaart dat Jezus “rond het zesde uur “in Pilatus zijn oordeels hal was (Johannes 19 : 14), terwijl Markus’ verslag van de kruisiging verklaart dat Jezus “rond het zesde uur” aan het kruis hing. Markus 15 : 33. Vanzelfsprekend kunnen deze twee “zesde” uren niet hetzelfde zijn, want bij het eerste zesde uur was Hij voor het gerecht in Pilatus zijn oordeels hal, terwijl bij het volgende “zesde uur” (drie uren nadat Hij gekruisigd was en terwijl Hij aan het kruis hing) de zon duister werd : na nog drie uren, –vanaf  “het zesde uur” tot “het negende uur, “toen de zon opnieuw verscheen ( Markus 15 : 33) , —Jezus stierf ( Markus 15 : 37). {TN10: 10.2}

10

Maar daar er nog steeds een andere privé mening over dit punt is , zullen we een resulterende vraag analyseren,

Werd de Tijd Toen Niet Weergegeven door “Waaktijden”? {TN10: 11.1}

Om te proberen de uren van het verslag als “waaktijden” te interpreteren- perioden van vier uren – in plaats van feitelijke uren van de dag en nacht, is om het verstand in te spannen tot een breekpunt in het belang van de idee dat alles in verband met het Pascha , de rechtzaak en de kruisiging op één dag plaats vond ! {TN10: 11.2}

Voor zover we weten zijn alle Bijbel studenten het eens dat Jezus gekruisigd was gedurende de dag en begraven was voor zonsondergang. En daar slechts de uren van de nacht ooit waren beschouwd als “waaktijden” worden de “waak” perioden op dwaze wijze in de discussie betrokken. Hoewel totaal onbelangrijk in dit verband, verdienen zij door alle aanspraak geen beschouwing. Omwille echter van hen die echt de waarheid willen weten, maar die in de war zijn over de idee ter discussie,  zullen wij het een korte behandeling geven. {TN10: 11.3}

Aangezien de “waaktijd” theorie niet opgedrongen kan worden aan de uren gedurende de dag, hebben we geen keus dan te concluderen dat Jezus gekruisigd werd op het feitelijke derde uur (Markus 15 : 25); dat drie uur later, de zon verduisterd was op het feitelijke zesde uur ( Markus 15 : 33) ; en dat na nog drie uren Jezus dood ging en de zon

11

opnieuw verscheen op het feitelijke negende uur van de dag (Markus 15 : 34-37) , en niet op een zekere “waaktijd” van de nacht. {TN10: 11.4}

En aangezien er niet drie zesde uren maar slechts een zesde uur in een dag is, het zesde uur in de tijd van het proces in Pilatus zijn oordeels hal en het zesde uur rond de tijd van het verduisteren van de zon, welke kwam drie uren nadat Jezus aan het kruis genageld was, niet vier uren van elkaar verwijdert zijn, maar eerder twaalf of vierentwintig uren van elkaar verwijdert ! Klaarblijkelijk, daarom, hoewel men zich mag behelpen met het middel van het  “waaktijd” systeem, kan men niet redelijkerwijs concluderen dat de rechtzaak en het verduisteren van de zon, om de gebeurtenissen in verband daarmee niet te noemen, dezelfde dag (voor)kwamen. Noodzakelijkerwijs duurde het langer. {TN10: 12.1}

Verder nog als er twaalf uren of vier “waaktijden” tussen dit specifieke proces en het verduisteren van de zon waren en daar Hij gekruisigd was rond het derde uur ( negen uren na het proces, en drie uren voor de tijd dat de zon verduisterd was ) is het dwaasheid om te proberen om deze feitelijke twaalf-uur periode op te hopen in een vier-urige  “waaktijd”, en nog ergere dwaasheid om het zo te doen alsof het proces op donderdag namiddag was. {TN10: 12.2}

De evangeliewerkers bedoelen niet “waaktijden” wanneer ze ”uren” zeggen, want Jezus heeft ze niet zo geleerd, Er zijn vier waaktijden in de dag; maar veeleer Er zijn twaalf uren in de dag ( Johannes 11: 9). Verder , zoals reeds eerder gesteld, werd

12

nooit de dag maar alleen de nacht verdeeld in waaktijden. En bovendien werden de klokwijzers niet aangegeven door waaktijden, maar door uren , en als ze zeiden “uren,” bedoelden ze nooit “waaktijden.” Deze bewijzen maken het “waaktijden” schema van uitlegging totaal verdacht. {TN10: 12.3}

Hou niet vast aan wat voortgebrachte ideeën de Geschriften schijnen te laten zeggen, maar grijp volhardend vast aan wat het Woord in alle eenvoud, duidelijk zegt. Deze procedure volgend, laten we nu de studie overzien in de volgende

Samenvatting.

De  Uren van de Nacht

(Zonsondergang)   1-2-3-4-5-6-7-8-9-10-11-12

De Uren van de Dag

(Zonsopkomst)   1-2-3-4-5-6-7-8-9-10-11-12

Door de diagram boven te controleren; de uren genoemd door de evangelieschrijvers, zal de lezer zien dat er geen mogelijke manier is waardoor men al deze gebeurtenissen slechts één dag in beslag kan laten nemen. Ten eerste controleer het eerste “zesde uur”—de rechtzaak ( Johannes 19: 14); controleer dan het “derde uur”—de kruisiging, ( Markus 15 : 25); controleer vervolgens,  het tweede “zesde uur”—de verduistering van de zon (Markus 15 : 33); dan, het “negende uur”

13

—de dood (Markus 15 : 34-38) ; en ten slotte het “twaalfde uur”—de begrafenis (Markus 15 : 42,46). {TN10: 13.1}

Hieruit zal het gezien worden dat al deze gebeurtenissen niet plaatsvonden in een twaalf urige dag, en dat noodzakelijkerwijs, daarom Christus of te middernacht voorafgaand aan Vrijdag morgen of op Donderdag middag voor Pilatus werd gebracht. Om vast te stellen welke , hoeven we slechts Johannes zijn verslag van het proces te raadplegen, die het middag tijdstip op Donderdag niet toestaat, want het zegt: “Het was de voorbereiding van het Pascha.” Johannes 19: 14. En daar deze “voorbereidings” dag op de Vrijdag was, kunnen we alleen concluderen dat Jezus te middernacht voor Pilatus gebracht werd—“het zesde uur”— op wat wij Donderdagnacht noemen, maar wat volgens Genesis hoofdstuk 1, en volgens de Joodse Sabbat-naleving, feitelijk de Vrijdag was. {TN10: 14.1}

Dientengevolge, was Jezus vroeg Donderdag morgen gearresteerd;  geleid voor Ananias terwijl het nog donker was (Johannes 18 : 13); gebracht voor Kajafas in de vergadering van het Sanhedrin ( Zijn officiële proces) bij het aanbreken van de dag (Matt. 26: 57; 27: 1); vervolgens voor Pilatus , Vrijdag voor zonsopkomst– tegen het zesde uur (Johannes 19: 14); dan voor Herodes (Lukas 23: 7); dan weer terug naar Pilatus ( Lukas 23 : 11); en tenslotte gekruisigd in de morgen van dezelfde dag rond het derde uur (Markus 15 : 25) – 9.00 voor de middag, moderne tijd. {TN10: 14.2}

Dit tijdsverslag toont aan dat Zijn gevangen neming,

14

Zijn proces, en Zijn kruisiging nauwkeurig en listig bedisseld werd om plaats te vinden te middernacht en vroeg in de morgen om een opschudding te voorkomen, want, “ zij vreesden het volk.” Lukas 20 : 19. {TN10: 14.3}

Dat Hij twee nachten in het graf verbleef en opstond op Zondag; dat de drie dagen en drie nachten de tijd is van Zijn eerst officiële proces tot de tijd van Zijn opstanding; dat het hart der aarde onjuist uitgelegd is als betekenend het graf, terwijl, in plaats daarvan het is zoals Jonah’s ervaring aantoont, symbolisch van Christus zijn gevangenschap in de handen van zondaars en in het graf ( Matt. 20 : 19; 16: 21; 17: 22, 23; 27: 63; Lukas 9 : 22; 24: 21; 18: 33; 24: 7; — “Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.” Lukas 24: 46); dat het teken van de “drie dagen en drie nachten” letterlijk vervult is van Donderdag morgen, de tijd van Zijn officiële proces, tot Zondag morgen toen Hij opstond; dat het Pascha lam, welke gedood werd toen Jezus aan het kruis was, niet datgene was welke gedood werd op de eerste dag van de Pascha week, de veertiende dag van de maand, maar datgene wat gedood werd op de zestiende dag, de tweede dag van de feesten; al deze conclusies zijn grondig gebaseerd op de

vaststaande feiten eenvoudigweg hierin tot stand gebracht; niet geachte lezer, op fabels of op vertalingen onbekend aan u, of op zogenaamde “ originele handschriften, “ welke u zelf niet kunt lezen en welke niet toegankelijk voor

15

 u zijn, en welke sommige daarvan niet eens bestaan! {TN10: 15.1}

Om nu andere punten in dit verband te verhelderen, zullen we de vraag  overwegen:

Is de Avond het Begin of het Einde van de Dag? {TN10: 16.1}

Door de Bijbel heen, evenals in boeken geschreven in deze eeuw, betekend het woord “avond” de namiddag van dezelfde dag. Woensdag avond betekend daarom het eindigen van de Woensdag en het beginnen van de Donderdag, niet het eindigen van Dinsdag en het beginnen van Woensdag, alhoewel Woensdag nacht zich samensmelt met en de nacht van Donderdag wordt. Dit feit zal dadelijk gezien worden uit de volgende schriftgedeelten: {TN10: 16.2}

Vroeg in de morgen, “ ging Maria Magdalena en boodschapte de discipelen dat zij den Heere gezien had en dat Hij haar dit gezegd had” ( Johannes 20 : 18) . Dus in de dagen van Jezus, werd de term “avond” gebruikt om het laatste gedeelte van de dag aan te geven. {TN10: 16.3}

Nogmaals: En op den eersten dag der ongezuurde [broden], wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet? En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water,

16

volgt dien;… En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust [en] gereed; bereidt het ons aldaar… En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.” Markus 14: 12, 13, 15, 17. {TN10: 16.4}

Markus zegt hier dat op de veertiende dag , toen ze het Pascha lam doodden , Jezus twee van Zijn discipelen zond en nadat ze de plaats hadden voorbereid en de avond van dezelfde dag aangebroken was, toen kwam Jezus. Dus in dit schriftgedeelte zien we ook dat de “avond” niet  het begin , maar het eind van de dag betekend. {TN10: 17.1}

Nogmaals: “En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen.“ Ex. 16 : 13 . Aangezien kwakkels niet ’s nachts vliegen, moesten ze daarom naar het kamp komen voor zonsondergang, de tijd die Mozes “avond”noemt—het einde van de dag, niet het beging van de nacht. {TN10: 17.2}

Deze Bijbel feiten tonen aan dat de Heer zijn bevelen met betrekking tot het Pascha Lam, “En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand… en … zal het slachten tussen twee avonden” ( Ex. 12 : 6) , betekend dat het lam gedood zou worden in de namiddag van de veertiende dag. Derhalve, om Vrijdag nacht “Sabbatavond,” te noemen zoals sommigen doen, is onbijbels en onverantwoordelijk, net zoals een

Mening gebaseerd op Suggestie, een Huis Gebouwd op een Fundering van Zand is. {TN10: 17.3}

De bewering, “dezelfde nacht werd Hij genomen door slechte handen, om gekruisigd en gedood te

17

worden (The Great Controversy, p. 399), betekend niet, zoals sommigen denken, dat Hij die nacht gekruisigd werd, maar betekend eerder eenvoudigweg, precies zoals het zegt, dat Hij “genomen” werd om gekruisigd te worden. Dienovereenkomstig, hoewel “dezelfde nacht genomen,” kon Hij dagen daarna gekruisigd zijn geweest, indien nodig, en feitelijk was dat het geval. {TN10: 17.4}

Evenzo, betekend de bewering  “Op de laatste avond met Zijn discipelen” (The Desire of Ages, p. 643) niet dat het de laatste avond was voordat Hij gekruisigd werd, maar eerder dat het de laatste avond met Zijn discipelen voor Zijn dood was. {TN10: 18.1}

De tijd-tabel in The Shepherd’s Rod Vol 2 , pp 23-25, is niet ontworpen om de exacte tijd  van de gebeurtenissen te laten zien, zoals sommigen in hun eigen belang het willen laten zeggen; maar haar doel is eerder om slechts een idee te geven van hoe lang het geduurd kon hebben om al hetgeen dat gedaan had moeten worden voor het feest te voltooien, als het lam gedood was geweest precies op het zelfde moment bij het ondergaan van de zon; de onmogelijkheid aantonend van het in een dag voltooien van alles dat gedaan was in verband met het Pascha, verraad, rechtzaak, kruisiging en begrafenis. {TN10: 18.2}

Diegenen die getracht hebben om “het zesde uur” dat de aandacht vestigde op Jezus zijn rechtzaak  in Pilatus zijn oordeelshal, en “het zesde uur” dat  de verduistering  begon terwijl Hij aan het kruis was, — een periode  van twaalf uren, — te dringen in een “waaktijd” van vier uren, denken dat de twee schriftgedeelten in

18

volmaakte harmonie zijn met hun ideeën, terwijl in feite ze zoals hier gezien wordt, ze overduidelijk zo onverenigbaar zijn als nacht en dag!.  Toch zijn het dezelven die geen einde hebben aan eigenzinnig plezier in het niet in staat kunnen zijn om het “middernachtelijk in hechtenis nemen” te verenigen met de tijd zoals die gerangschikt is in de voornoemde tabel, welke naar hun interpretatie, drie tot vier uren verschil vertoond! Waarom hebben ze niet het “waaktijd systeem” hier gebruikt waar het gebruikt kan worden. {TN10: 18.3}

De tijd-tabel poogt niet om het “middernachtelijk in hechtenis nemen” te laten zien, maar eenvoudigweg de tijd dat de joden “ de hand aan Jezus legden: –toen Hij voor de priesters werd gebracht en in het bijzonder voor het Sanhedrin ( Matt. 26: 57) . (Zie chart, The Shepherd’s Rod Vol,. 2 p. 22)

Terwijl ( The Desire of Ages, pp. 699, 760 spreekt over de tijd dat Hij in de tuin was gevangen genomen ( Matt. 26: 50)—het “middernachtelijk in hechtenis nemen.” {TN10: 19.1}

Als het te middernacht in hechtenis nemen, de rechtzaak voor Pilatus , de kruisiging en de begrafenis van Jezus allemaal op een dag plaatsvonden ( vrijdag) hoe kon Hij dan gevangen zijn genomen in de tuin kort na middernacht, succesvol daarvandaan geleid naar Annanias, naar  Kajafas , naar het Sanhedrin en naar Pilatus en toch rond middernacht in Pilatus zijn oordeels hal zijn?  Deze volslagen onmogelijkheid alleen al zou een ieder met verstand moeten overtuigen dat deze gebeurtenissen noodzakelijkerwijs twee dagen in beslag hebben moeten nemen en dat

19

 ieder argument dat de idee ondersteunt dat ze slechts een dag in beslag namen niet tegen de uitlegging is van The Shepherd’s Rod, maar tegen de getuigenissen van Markus en Johannes die ooggetuigen waren van deze gebeurtenissen. {TN10: 19.2}

Nog andere van zulke verwarrende opmerkingen zijn gemaakt geworden, maar aangezien wij reeds al de voornaamste in overweging hebben genomen, verdienen de minder belangrijke geen commentaar. Het voldoet te zeggen dat onze ervaringen in het uitgeverswerk van het evangelie ons leert dat velen die bijna ontelbare waardevolle uren hebben besteed aan het verwarren van het onderwerp van het teken van Jonah, maar heel weinig tijd hebben besteed aan het bestuderen van veel meer belangrijke onderwerpen zoals het verbod tegen eigen interpretaties van de geschriften (2 Petr.1 : 19, 20); de Geest der Profetie (Openb. 19: 10); de Sabbat (Ex20: 8-11); de doop (Matt. 3 : 15; Handelingen 2 : 38); het Koninkrijk (Jes. 2: 2); de slachting van Ezechiel 9; het betalen van tienden (Mal. 3 : 10); alhoewel deze essentiële onderwerpen  oproepen toe uitvoering—is het een plicht om de waarheid die ze leren in praktijk te brengen, –terwijl het teken van Jonah niets vereist. {TN10: 20.1}

Nadat men al de nodige kennis heeft verkregen behorend bij het teken van Jonah, is hij noch beter noch slechter af voor zover het zijn Christelijkheid betreft, zonder in acht te nemen de tijd die hij verkwist heeft als zijn conclusies over het onderwerp juist zijn. {TN10: 20.2}

Maar wat nog erger is, als een groep mensen die op de juiste manier de geopenbaarde leerstellingen verkondigt, het niet eens willen zijn met deze

20

ijverige predikanten van het teken van Jonah, m.b.t. “het hart der aarde” mag betekenen, dat de laatstgenoemde in de meeste gevallen niet alleen de omgang met hun broeders zullen verzaken en ophouden te helpen om de meer belangrijke leerstellingen te verkondigen, maar ook nog bezeten zullen raken met hun lievelingsidee, zodat hun verstand niet veel meer kan bevatten. {TN10: 20.3}

Juist tot zo een klasse van mensen “antwoordde hij en zei tot hen, Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken ; en hun zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jonas, den profeet”( Matt. 12 : 39), — en hier hebben ze het ! {TN10: 21.1}

Feitelijk zagen de joden het “teken” maar vanwege hun ongeloof faalden zij om er profijt van te hebben. Wij hopen echter dat de tekortkoming van de teken-zoekers in die dagen een waarschuwing zal zijn voor de teken-zoekers in deze dagen. {TN10: 21.2}

Door nu de kaart op de voorpagina te bestuderen kan de lezer snel het totale onderwerp samenvatten en zodoende een blijvende afbeelding krijgen van onwankelbare Schriftuurlijke wegwijzers van elke gebeurtenis, afsluitend met de onmogelijkheid om Hem te berechten voor beiden; de Joodse en de Romeinse rechterlijke machten, Hem in aansluiting daarop bespottend en kruisigend, in drie korte uren — van zonsopkomst ( het twaalfde uur) tot het derde uur ! Met andere woorden, laat de kaart  zien dat het totaal onmogelijk is om in drie korte uren tenminste één proces voor het Sanhedrin te hebben, twee voor Pilatus en één voor Herodes, het

21

 een totaal makend van niet minder dan vier processen, naast de tijd om Hem te kruisigen. Het totaal in beslag gelegde tijd verdelend (drie uren) door het totaal aantal gebeurtenissen (vijf) vinden wij dat er slechts zes en dertig minuten waren voor elke gebeurtenis! Terwijl slechts het lopen van de ene oordeelsplaats naar de andere, tezamen met het organiseren van de processen alleen meer dan drie uren in beslag zou hebben genomen! {TN10: 21.3}

VRAGEN EN ANTWOORDEN DISCUSSIE

AT JEZUS HET PASCHA OP DE PASCHA DAG?

Vraag:

Werd van Jezus verondersteld dat hij het Pascha op de eerste dag van de ongezuurde broden in de Pascha week van de kruisiging, of ervoor gegeten zou hebben? {TN10: 22.1}

Antwoord:

De tijd van de Pascha naleving, die door de wet uit was geroepen, kon door niemand als feest gevierd worden op een ander tijdstip en toch beloond worden als een Pascha houder. Jezus kon daarom nog minder het ervoor gegeten hebben, omdat Hij daardoor een slecht voorbeeld zou geven maar ook de Joden de juiste gelegenheid zou hebben gegeven om Hem te beschuldigen en het te verergeren, waarbij als het feitelijk was voorgekomen, de apostelen het natuurlijk zouden hebben vastgelegd. Het feit echter, dat ze niet zo’n verslag hebben

22

gemaakt, toont uiteindelijk aan dat er geen was om te maken. {TN10: 22.2}

Het was bovendien  op “de eerste dag der ongezuurde broden”, de dag “dat ze het pascha slachten” (niet ervoor), dat “Zijn discipelen tot Hem zeiden, Waar wilt Gij dat we heengaan en bereiden dat Gij het Pascha eet? … En als het avond geworden was kwam Hij met de twaalven. En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus : Voorwaar, Ik zeg u , dat een van u die met Mij eet , Mij zal verraden.” Markus 14 : 12, 17, 18. {TN10: 23.1}

Hier stelt de Bijbel in een zo duidelijke taal als mogelijk, dat Jezus met de twaalf het Pascha at op de tijd vastgesteld door de Mozaische wet. {TN10: 23.2}

HEEFT JEZUS HET PASCHA GEGETEN (OP) DE DAG VAN ZIJN KRUISIGING ?

Vraag:

The Desire of Ages, p. 642, zegt: “… op de dag dat het Pascha gegeten was, zou Christus geofferd moeten worden.” Als het Pascha gegeten was op woensdag avond, hoe kon Hij gekruisigd zijn geworden op vrijdag, en toch deze stelling waar zijn? {TN10: 23.3}

Antwoord:

Als de vragensteller de hele context nauwkeurig zou willen lezen van de betreffende bewering, zal hij gauw zien dat hij het woord “opgeofferd” misverstaat, zoals die gebruikt wordt door de schrijver. De schrijver zelf legt het uit

23

 als Zijn “lijden” een term die niet begrensd kan worden door Zijn kruisiging, maar welke inhoud, zoals de context van de betreffende bewering aantoont, Zijn rechtzaak, mishandeling en kruisiging: {TN10: 23.4}

“In de opperzaal van een woning te Jeruzalem zat Christus aan tafel met Zijn discipelen. Ze waren bijeengekomen om het Pascha te vieren. De Heiland verlangde dit feest alleen met de twaalven te vieren. Hij wist, dat Zijn ure gekomen was; Hijzelf was het paaslam, en Hij zou worden gekruisigd op de dag dat het Pascha werd gegeten. Hij stond op het punt de beker des toorns te drinken; Hij moest weldra de uiteindelijke lijdensdoop ontvangen. Maar er restten Hem nog een paar rustige uren, en deze zouden worden doorgebracht tot welzijn van Zijn discipelen, die Hij zo liefhad.”The Desire of Ages, p. 642. De wens der Eeuwen, p. 563. {TN10: 24.1}

OP WELKE DAG WAS HET PASCHA?

Vraag:

Hoe kan men de dag van de week waarin de veertiende dag van de eerste maand (het begin van de Pascha week waarin Christus gekruisigd was) vaststellen ?  Hoe kan men bewijzen dat het woensdag was? {TN10: 24.2}

Antwoord:

Aangezien een periode van drie dagen en drie nachten werd beslagen om te berechten, bespotten, rond te zwerven en uiteindelijk Christus te

24

kruisigen, en dan in Zijn dood, in het graf zijnde en te herrijzen (zie Matt. 20 : 19; 16: 21; 17: 22,23; 27: 63; Lukas 9: 22; 24: 21; 18: 33; 24: 7, 46), dan terugtellend drie dagen en drie nachten vanaf zondag, de dag dat Hij herrees ( Markus 16: 9), geeft woensdag. Dus was het woensdag nacht dat Hij het Pascha avondmaal at met de twaalf. {TN10: 24.3}

KAN EEN DAG TWEE OCHTENDEN HEBBEN?

Vraag:

Sprekend over Judas bij het proces voor Kajafas, De Wens der Eeuwen, p. 629, 630 zegt: “Hartstochtelijk greep hij de mantel van Kajafas en smeekte hem Jezus los te laten…Later op diezelfde dag, op de weg van het gerechtsgebouw van Pilatus naar Golgotha, was er een onderbreking in de kreten en bespottingen van de verdorven menigte die Jezus naar de plaats der kruisiging begeleidde.” {TN10: 25.1}

Hier zegt De Wens der Eeuwen dat beiden het proces voor Kajafas en het proces voor Pilatus, als ook de kruisiging op dezelfde dag plaatsvonden, terwijl De Herderstaf duidelijk bewijst vanuit de Bijbel dat de rechtzaken en de kruisiging twee dagen innamen. {TN10: 25.2}

Hoe kan dan De Wens der Eeuwen overeenkomen met de Bijbel? {TN10: 25.3}

Antwoord:

Houd het feit in gedachten dat Christus in totaal zeven maal was berecht: “twee keer voor de priesters, twee keer voor

25

het Sanhedrin, twee keer voor Pilatus en een keer voor Herodus” ( The Desire of Ages, p. 760). De eerste twee waren voor zonsondergang (Johannes 18 : 13, 24), en de derde begon met het aanbreken van de dag ( Matt 26 : 57 ; 27 : 1). {TN10: 25.4}

Volgens de tijd van de dag nu, kwam het proces voor Pilatus eerder (terwijl het nog duister was—Johannes 18 ; 28, 29; Johannes 19 : 14) dan die voor het Sanhedrin (bij zonsopkomst) maar chronologisch (feitelijk) kwam die voor het Sanhedrin eerst en die voor Pilatus daarna. Deze twee rechtszaken konden daarom niet op dezelfde dag hebben plaatsgevonden. {TN10: 26.1}

Vandaar dat de bewering, “dezelfde dag” niet kan verwijzen naar de dag dat Jezus gearresteerd was, maar de dag later, zoals De Wens der Eeuwen zelf duidelijk maakt: {TN10: 26.2}

“Zodra het dag was, kwam het Sanhedrin opnieuw bijeen en opnieuw werd Jezus de raadzaal binnengeleid.” De Wens der Eeuwen, p. 622. {TN10: 26.3}

“De Romeinse Stadhouder was haastig uit zijn slaapkamer geroepen, en hij besloot zijn werk zo snel mogelijk te verrichten. … hij wendde zich om ten einde te zien wat voor man hij moest verhoren, voor wie hij zo vroeg uit zijn rust was gehaald.” De Wens der Eeuwen, p. 631. {TN10: 26.4}

Vanuit deze citaten is het te zien dat De Wens der Eeuwen erkend dat de gebeurtenissen

26

op twee verschillende ochtenden waren: de ene voor Kajafas, “zodra het dag was” en de andere voor Pilatus, ook “ op een vroeg tijdstip.” {TN10: 26.5}

De Wens der Eeuwen, p. 722, is een verhandeling van de totale juridische vervolging, niet in haar zevendelige scene’s, maar als een samengesteld geheel—een aaneengesloten proces.  Want Judas werd wanhopig na gezien te hebben dat Jezus in ieder proces veroordeeld werd tot de kruisiging en aldus ging en zichzelf verhing. {TN10: 27.2}

Aldus is De Wens der Eeuwen in perfectie overeenstemming  met de Bijbel, maar de lezer heeft gefaald om tussen de lijnen te lezen. {TN10: 27.3}

EEN PASCHA FEEST THEORIE TRACHTEND OM DE MAAN-SABBAT TE ONDERSTEUNEN

Vraag:

In een poging zijn eigen privé theorie op te bouwen, beweert een brochure getiteld De Sabbat van de Schepping dat het Pascha feest werd gehouden aan het begin van de veertiende dag van de eerste maand, de dertiende dag van dezelfde maand vaststellend als de voorbereiding om het Pascha lam te doden. Is dit juist? {TN10: 27.4}

27

Antwoord:

“In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des Heeren pascha. En op den vijftienden dag derzelver maand is het feest van de ongezuurde brooden des Heeren.” Lev.23: 5,6 {TN10: 28.1}

Overduidelijk, daarom moesten zij het Pascha lam doden in de namiddag van de veertiende dag, en het feest houden in de nacht of aan het begin van de vijftiende dag. {TN10: 28.2}

Het boekje beweert ook dat Jezus op de dertiende dag van de maand stierf, welke volgens haar berekeningen, gebeurde precies rond de tijd wanneer het Pascha lam op de veertiende dag gedood zou worden. Terwijl Mattheus, Markus, Lukas en Johannes –alle vier evangeliën—overeenstemmen dat,  “en op de eerste dag der ongezuurde broden, wanneer zij het pascha slachten, zeiden zijn discipelen tot hem: Waar wilt gij dat wij heengaan en bereiden dat gij het pascha eet?”  En dit bereid hebbende, “zaten zij en aten.

“ Mark. 14: 12, 18; Matt. 26: 1-21; Lukas 22: 1-15; Johannes 13: 1, 2. {TN10: 28.3}

Veronderstellend dat de zevende dag Sabbat is bepaald door de maan kalender, in plaats van een onafhankelijke wekelijkse cyclus,

Zegt de Brochure: {TN10: 28.4}

Ja , heel de Christenheid, met uitzondering van sommige zaterdag houders, houden een heidense dag van de Zon. Maar de zaterdag houders houden en eren ook een dag van

28

heidense origine—de dag van Saturnus. Al deze dagen met hun systeem van het naamsregister, komen van de Grieken en de Romeinen, vandaar uit over de hele wereld van Egypte, waar Julius Caesar zijn kalender van 365 dagen in een jaar verkreeg maar, een vierde dag toevoegde aan ieder jaar. Beiden zijn verkeerd. {TN10: 28.5}

“De eerste dag van de week van de Egyptenaren was Saturnus dag ( zaterdag) en maandag ( maandag) hun zevende dag. Ze hadden zeven dagen in hun week. Maar de Romeinen in deze tijd en in de tijd van Constantijn, hadden acht dagen in hun week. ( Zie New International Encyclopedia, Vol. 23, p. 436, als bewijs.)  De zaterdag dus, evenals de zondag is van heidense menselijke origine en niet van God. Maar toen de Romeinen officieel de zevende week van Egypte overnamen (waar Julius ook zijn 365 dagen in een jaar vandaan had, hoewel hij een extra vierde dag aan ieder dag toevoegde aan ieder jaar ) vanaf de dagen van Constantijn, 321 A.D.  tot de dagen van Theodosius de Grote, ongeveer 75 jaren later, keerde de Romeinen het naamregister van de Egyptenaren om door de zondag ( de midweek van Egypte) aan het hoofd te plaatsen van hun eigen kalender. Aldus was de dag van de Zon gemaakt tot het hoofd van de week, zoals Julius Caesar Januari gemaakt had ( van Janus, Zonne-god) tot vader van het jaar. En zaterdag werd gemaakt tot de zevende dag van de week van hun kalender, en deze kalender werd later opgedrongen aan de Katholieke kerk met diezelfde kracht aan de hele wereld en onderhouden door de gehele

29

Christelijkheid tot deze dag. Het is dit feit dat de Derde engelen boodschap werd uitgeroepen door God om Zijn volk uit te roepen van deze bediening  aan Rome, onder de bestraffing van lijden onder de zeven laatste plagen tenzij ze zich van de Romeinse bediening zou keren tot het houden van de Sabbat…. {TN10: 29.1}

“Exodus 12: 1,2: ‘De Heere nu had tot Mozes en tot Aäron in Egypteland gesproken, zeggende : Deze zelfde maand zal u lieden het hoofd der maanden zijn ; zij zal u de eerste van de maanden( maan) des jaars zijn.’ De maan werd gesteld tot het uitmeten van de maanden. Vergelijk 1 Samuel 20, verzen 5, 18, 24, 27, 34. En ook om de seizoenen te meten (Gen. 1: 14 en Ps. 104: 19). De maan en de zon en de sterren zijn Gods Kalender aan het uitspansel dat iedereen kan zien Gods tijden samen met de aarde…. {TN10: 30.1}

“Daarom is de Sabbat van de Bijbel, de Sabbat waarop de Pascha ieder jaar valt. De Heer heeft doelbewust de Pascha viering geplaatst op de tweede Sabbat van de eerste Maan (Abib) , ieder  jaar, ter herinnering van de jaarlijkse Sabbat (Ex. 20 : 80. Het is de tweede Sabbat van de eerste maand, als rede dat het Pascha op de veertiende van iedere maand zou zijn, welke de eerste volle maan na de lentenacht is als de lente begint.” De Sabbat van de Schepping, p 9, 10, 13, 14, 16. {TN10: 30.2}

Aan de vertegenwoordigers van zulk een Sabbat berekening

30

 zoals vooraf geciteerd, geeft de Geest der Waarheid

Het Antwoord {TN10: 30.3}

In de schuin gedrukte hoofdstukken, tracht de goedbedoelde maar overmatig fout geïnformeerde schrijver de huidige wekelijkse zevende dag Sabbat omver te werpen, door de onafhankelijke wekelijkse cyclus aan te vallen en door de maan-kalender goed te keuren. Hij stelt de zevende, de veertiende, de een en twintigste en de acht en twintigste dagen van elke maan-omwenteling voor als gedenkbare sabbatten van de scheppingsweek. {TN10: 31.1}

Wij betwisten niet dat de oude Romeinen zulk een acht daagse week hadden en dat de namen van de maanden en dagen van de week van mythologische afkomst zijn, maar wij vragen wel de maan-sabbat schrijver om bewijs dat gebaseerd is op feiten, niet op veronderstellingen dat de Sabbat van de schepping ooit bestuurd werd door de maancyclus. Het is waar dat de Heer tot Mozes zei, “ Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.” Ex. 12: 2. Maar Hij zei niet “Het is het begin van onze weken.” Inderdaad kon Hij dat niet gedaan hebben, want zo een koers zou

In tegenstelling zijn tot de Natuur en tot de Logica. {TN10: 31.2}

Als een van de twee lichtgevende planeten geëerd  moet worden om de heilige Sabbat te bepalen,  zou het de zon moeten zijn, de ene die heerst niet alleen over de maan maar ook over het totale systeem. Had God de maan

31

 ingesteld om de tijdsregelaar en indicatie te zijn, dan zou het systeem maan- in plaats van zonnestelsel genoemd zijn geworden. Had Hij verder de intentie om de maan de tijd van de heilige Sabbat te laten vastleggen, dan zou Hij het haar omwenteling rond de aarde als het niet eens in precies vier weken, dan eens in precies een hele week of in precies een dag laten voltooien. En had Hij voorts de bedoeling dat de zon de heilige tijd zou uitbeelden, dan zou de aarde haar omwenteling eromheen in precies 52 weken moeten hebben voltooid. {TN10: 31.3}

We zullen nu kort bestaande zonnestelsels, maanstelsels en Bijbelse feiten voortbrengen, geen veronderstellingen, dat de wekelijkse cyclus niet kan en nooit beïnvloed is geweest door een maandelijkse kalender; dat noch de Oud- noch de Nieuw Testamentische kerk onder Gods leiding op welke tijd dan ook een maan zevende dag sabbat heeft gehouden, zoals het boekje , De Sabbat van de schepping , zo valselijk getiteld is en dat ;

De Wekelijkse Cyclus Noch een Zonne Noch een Maan (cyclus) is. {TN10: 32.1}

De Sabbat waarop de Heer rustte was precies zes dagen na het moment dat de schepping begon; dan , op de zevende dag rustte Hij ( Gen. 2: 2). Had Hij echter een dag gezegend die bepaald werd door de maan, dan zou Hij gerust hebben op de tiende dag, want de maan was niet geschapen tot op de vierde dag van de schepping (zie Genesis 1: 14-19). Maar een Sabbat houdende op de zevende dag van de schepping van de maan

32

zou niet ter herdenking zijn geweest van de schepping, maar ter herdenking van de maan! {TN10: 32.2}

Aangezien de eerst Sabbatsweek van de schepping drie dagen ouder was dan beiden de zon en de maan, is het duidelijk dat geen van de lichtdragers de week van de schepping kan regelen. Zulk een regelende kracht zou noodzakelijkerwijs Tijd en Schepping beroofd hebben van de eerste drie dagen, hun als een spookbeeld, “verloren periode” achterlatend. {TN10: 33.1}

De twee voorgaande hoofdstukken maken het idee volledig ongeldig van de weken die afhankelijk zijn van de maandelijkse baan van de maan en maken enige verdere discussie van dit onderwerp onnodig. In het belang echter om andere omstreden punten op te helderen, alsook onszelf later tijd te besparen in het beantwoorden van gedetailleerde vragen over dit onderwerp, geven wij toe aan bijgevoegde observaties. Met betrekking tot deze wordt de lezer gevraagd in overweging te nemen dat als de maansabbat juist benoemd was, zou het niet genoemd, niet de sabbat van de schepping, maar eerder

Alleen een Planetaire Sabbat ? {TN10: 33.2}

De Heer gerust hebbende op de “zevende dag, “niet op de tiende,” begon de wekelijkse cyclus met de eerste dag van de schepping, terwijl de tijd van de zonnetijd en de maantijd drie dagen later begon. Een sabbat die is bepaald door of een zon- of een maankalender, echter zou nooit de week

33

 van de schepping kunnen herdenken, maar eerder alleen de planeten zelf, en daarom als het juist betiteld werd, zou het planetair genoemd moeten worden. Ook dan, zou de maandelijkse omwenteling van de maan rondom de aarde, niet in samenwerking zijn met de dagelijkse omwenteling van de aarde rond de zon, zoals reeds aangegeven is, het

Onmogelijk maken om een Planetaire Sabbat te houden. {TN10: 33.3}

Zouden wij de zevende, de veertiende, de een en twintigste en de acht en twintigste dagen met betrekking tot de maan-maand voor de herdenking van de sabbat normaliseren, zoals het foutgenoemde boekje verdedigt, dan  zouden het feit dat de maan er langer dan acht en twintig dagen over doet om haar omwenteling rond de aarde te voltooien, ons toch niet gelijk houden  met de maan want de maan-maand is feitelijk niet acht en twintig dagen, maar bij benadering negen en twintig en een halve dagen. {TN10: 34.1}

Een maan-sabbat moet noodzakelijkerwijs samenvallen met beiden maan- en zon tijd. Maar een sabbat maand ( 28 dagen) komt een en een halve dag tekort voor een maan maand (29,05); en een sabbat jaar ( 12 x 4 = 48 weken; 48×7=336 dagen) komt achttien dagen tekort voor een maan-jaar (354) en negen en twintig dagen tekort voor een zon-jaar (365). Dus aan het eind van ieder sabbats jaar, zou de maan sabbat houder om bij te blijven met de wekelijkse cyclus, evenals de rotatie van de aarde om de maan , de aarde negen en twintig dagen en de maan achttien dagen stil moeten laten staan. {TN10: 34.2}

34

Deze analyse bekrachtigd het feit dat de weekcyclus niet bepaald kan worden door de beweging van de maan of de zon, maar alleen door de kracht van God, welke de eerste dag van de schepping voortbracht, drie dagen voordat de zon of de maar er was. En zo, zoals we weer getoond zijn geworden, is de Sabbat een gedenkteken, niet van de zon of de maan, maar van de schepping. {TN10: 35.1}

Er is geen twijfel in de gedachten van wie dan ook dat de Joodse en de Apostolische kerken in de tijd van Christus de juiste Sabbatdag onderhielden, en dat de ijver welke de Romeinse Keizer, Constantijn had voor het Christelijk geloof hem absoluut verboden zou hebben om de Christelijke kalender af te schaffen en een andere vast te stellen, welke beiden de Sabbat van de schepping en haar herdenking van de opstanding zou te niet doen. {TN10: 35.2}

Ongetwijfeld verondersteld niemand dat had hij zo een niet vroom ding gedaan, de Christenen hem zo groots geëerd zouden hebben door hem een heilige te noemen en door de twintigste dag van Mei als zijn feestdag vast te leggen, welke sommige nog tot de dag van vandaag vieren. (Zie Twentieth Century Cyclopaedia, Vol 3, p. 13) {TN10: 35.3}

Sterker nog, de Christenen zouden zo veel van zijn heiligschennis gemaakt hebben dat geen denkbare omstandigheid zijn godslasterlijke handeling zou hebben kunnen verbergen van de glurende ogen van de geschiedenis. Maar zo een ingang in niet te vinden geweest in

35

De Analen van de Geschiedenis. {TN10: 35.4}

“Het gebruik van de week werd geïntroduceerd in het Romeinse Rijk rond de 1e of 2e eeuw van het Christelijke tijdperk vanuit Egypte en werd onafhankelijk van het Christendom erkend voordat keizer Constantijn het bevestigde door het samen te voegen met de viering van de Christelijke Sabbat. Bij de Mohammedanen heeft de week ook een religieus karakter, vrijdag wordt door hen gevierd als de Sabbat.”–Twentieth Century Cyclopaedia, Vol 8 , p.487. {TN10: 36.1}

“De periode van zeven dagen… werd gebruikt door de Brahmanen in India met de zelfde gezindheid aangewend als de onze, en was evenzo gevonden in de kalenders van de Joden, Egyptenaren, Arabieren en de bewoners van Assyrië.”—Standard Dictionary, omschrijving “Kalender.” {TN10: 36.2}

“ De week is een periode van zeven dagen, geen enkel verband hebbend met de hemelse bewegingen, – een omstandigheid waaraan het zijn onwrikbare uniformiteit ontleend. Het was ingezet sinds onheugelijke tijden in bijna alle oosterse landen; en daar het noch een gemeten deel van het jaar , noch van de maan-maand vormt, zullen zij die het Mozaise relaas verwerpen, benadeeld worden, zoals Dalambre opmerkt, het toewijzen aan een oorsprong die een schijn heeft van mogelijkheid.” Brittanica Encyclopedia. {TN10: 36.3}

“Het is ons genoegen (hetgeen de Keizerlijke stijl is) dat al de natiën die bestuurd worden door onze weldaad en matigheid,

36

standvastig zullen houden aan de godsdienst die geleerd werd door St. Peter aan de Romeinen; wiens trouwe traditie werd behouden; en welke nu beleden wordt door Pontiff Damascus en door Peter, Bisschop van Alexandria, een man van Apostolische heiligheid. Laten wij volgens de orde van de Apostelen, en de leerstelling van het Evangelie, uitsluitend de godheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; onder een gelijke majesteit en een godvruchtige Drie-eenheid geloven. Wij machtigen de volgelingen van deze leer de titel van Katholieke Christenen aan te nemen; en zoals wij oordelen, dat alle anderen buitensporige gekken zijn, kenmerken wij ze met de impopulaire naam van Ketters; en verklaren dat hun bijeenkomsten niet langer de respectabele benamingen van de kerken in beslag zullen nemen.”—Gibbon’s Rome, Vol 3, p. 81. (Milman edition.) {TN10: 36.4}

Dit historisch verslag toont duidelijk aan dat de wekelijkse periode van zeven dagen onafgebroken voortgang had sinds onheugelijke tijd, dat Rome niet de Christelijke week afgeschaft had maar de Romeinse, en dat die ene die haar plaats innam hetzelfde was als de Joodse of de Christelijke. {TN10: 37.1}

Zelf de maan-sabbat verdediger zelf, geeft ongewild toe dat Constantijn in de dagen van zijn bekering tot het Christendom, de achtdaagse week verwierp en de zevendaagse week aannam—de week van de schepping: “ Deze drie getuigen[ The New International Encyclopedia,

37

 Encyclopedia Birittanica en Encyclopedia Americana] “zegt de brochure, “zeggen ons dat de Romeinen niet zeven dagen in hun week hadden, noch hun astrologische namen, tot de dagen van Constantijn, maar tot aan die tijd hadden ze acht dagen.”

De Sabbat van de Schepping, p. 24. {TN10: 37.2}

Hoewel de volkeren van vandaag de Bijbelse maandelijkse kalender niet volgen, heft dat het feit op geen enkele wijze op dat de originele wekelijkse cyclus nooit verandert is geworden. En aangezien het totaal onafhankelijk is van beiden de zon -en de maankalender, had God het niet in tact gehouden door de eeuwen heen, dan zouden de heiligen, nu in de “tijden van herstel van alle dingen” de grootste problemen hebben om het te herstellen en haar echtheid te rechtvaardigen. Aldus is te zien dat het door iedere test die het heeft doorstaan, dat zo een maan sabbat onbijbels en niet historisch is; en hoe meer het aan het licht wordt gebracht, hoe duidelijker het gezien zal worden als zijnde

Nog Onlogischer. {TN10: 38.1}

Het is waar dat het ceremoniële systeem (jonger dan de Sabbat instelling, en opgezet omdat de zonde intrede deed in de menselijke familie) in sommige gevallen onderhevig was aan maan wetten; maar de zevende dag Sabbatten zijn tot stand gekomen, niet in relatie tot de zonde, maar allen in relatie tot het volmaakte werk van de schepping, konden niet meer bestuurd worden door de wet van de zonde dan dat het zou kunnen door de wet van de maan.

De Sabbat instelling is ouder dan de ceremoniële instelling en heeft niets

38

van doen met de wet van de zonde, evenals het Heiligdom. De Sabbat, kan daarom niet buigen in ondergeschiktheid aan een instelling die niet allen zijn jongere is, maar die ook zijn bestaan uitsluitend aan de zonde ontleend ! {TN10: 38.2}

Opnieuw merken we op de deze schrijvers theorie van een “Planetaire Sabbat” zowel godslasterlijk is als onredelijk en doelloos. {TN10: 39.1}

De theoreticus heeft de geschriften van zekere historici gebruikt, maar laat de student der Waarheid nauwkeurig de citaten onderzoeken, en hij zal ontdekken dat zij de theorie niet ondersteunen, nog minder dan de Bijbel dat ondersteunt, hetgeen leidt tot

Het Voornaamste Probleem van de Theoreticus. {TN10: 39.2}

Zo’n gedachtesprong maken is het gevolg van het slikken van lectuur en het uitleggen van de woorden van anderen zonder diep genoeg te graven om de gedachte van de originele schrijvers te vinden. En de voornaamste reden die getuigt dat dwaling blijft in haar dwaler is dat de meeste van hen vastbesloten zijn tegen welke prijs dan ook, vast te staan aan hun zelf gemaakte theorieën! En dat is hun voornaamste probleem. Maar wij hopen en bidden dat deze dwalende broeders de Waarheid zullen verwelkomen zoals die in de duidelijk puntsgewijze, onbedrieglijke en fundamentele feiten voorgezet in deze pagina’s wordt gevonden, en HET toestaan om in hun harten woning te maken. Alleen zodoende zullen ze geleid worden om te lopen in het licht en rust te vinden in Hem Die bezorgd is om ons te leiden in alle Waarheid en Die daarom stuurt dit

39

Advies en Oproep. {TN10: 39.3}

Behoed uw stappen, en bewijs geen eer aan noch een maan-, noch een zon sabbatdag. Want door een gewone dag zo heilig te eren, zult u die dingen aanbidden, welke in de laatste drie dagen van de scheppingsweek zijn gecreëerd; namelijk de planeten van de hemelen en de schepselen der zee, de vogels in de lucht en de kruipende dingen op de grond, de beesten van het veld en de sterfelijke man van klei! {TN10: 40.1}

Volg de leiding van God in de plaats van de leiding van de maan. Wees geen afgodendienaars, want ”…het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja ook de profeten en den onreine geest zal ik uit het land wegdoen.” Zach. 13: 2 {TN10: 40.2}

EEN STROOM VAN RELIGIEUZE LITERATUUR

Vraag:

Een stroom van religieuze literatuur, gevarieerd en tegenstrijdig komt tot mij en ik weet niet wat ik van dit alles moet maken, daar een deel tracht mij te indoctrineren in een zekere richting en een ander deel in de tegengestelde richting, en nog andere delen in nog andere richtingen, met het resultaat dat zou ik proberen tegelijkertijd te gaan in al de verdedigde of opgedragen richtingen, ik bij wijze van spreken zelf in

40

 rondjes zou rennen. Welke hoop is er om je weg te vinden door zo een doolhof van leerstellingen?  Enerzijds vrees ik dat als ik mij in alles verdiep, het mij het zicht zal laten verliezen op de waarheid die ik nu heb, en anderzijds vrees ik dat als ik het niet bestudeer, ik waardevolle tegenwoordige waarheid kan verwerpen en zodoende de eeuwigheid verliezen. {TN10: 40.3}

Het feit dat er zoveel winden van leerstellingen waaien is mijns inziens, onomstotelijk bewijs dat de Heer een boodschap in het land moet hebben en dat de grote stroom van religieuze literatuur die de religieuze wereld overspoeld, wordt uitgestort in een wanhopige poging om de stem van de Heer Zijn boodschap van vandaag te doen verdrinken. {TN10: 41.1}

Dus aangezien u betere Bijbelse gronden heeft voor uw standpunten dan de anderen dat voor hun hebben, en daar u ook een enkelvoudige Schriftuurlijke bekrachtiging ( Micha 9 : 6) heeft om uw boodschap te horen, vat ik de moed bijeen om mij tot u te wenden in de hoop dat de stem van de Roede mij uit de verwarring van stemmen zal leiden die roepen “zie hier”en “zie daar.” {TN10: 41.2}

Wilt u mij allereerst helpen om de Brits Israel theorie betreffende het koninkrijk te onderzoeken? {TN10: 41.3}

Antwoord:

De vragensteller is duidelijk juist met betrekking tot de reden dat er heden ten dage vele winden van leerstellingen waaien. En met het oog op deze verwarring van stemmen, zijn zijn angsten om naar hen te luisteren begrijpelijk, en

41

maakt het nog meer aan te bevelen zijn vastbeslotenheid om zijn door God gegeven verantwoordelijkheid van persoonlijk onderzoek te ontladen : {TN10: 41.4}

“ Zo zegt de Heere: Staat op de wegen, en ziet toe en vraagt naar de oude paden waar toe de goede weg zij en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.”Jer. 6 : 16

“Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.”1 John 4:1. {TN10: 42.1}

Alles naar de prullenbak te verwijzen is zeker niet alleen juist de waarheid te verbannen, maar ook de Heer zijn bevel te negeren zoals te zien is in de  reeds geciteerde verzen. {TN10: 42.2}

Voor elke zoeker van waarheid, staat bovendien de belofte dat Hij geen van hen toelaten misleid te worden: “God eert nooit ongeloof en ondervragingen en twijfel. Wanneer Hij spreekt, hoort Zijn woord herkend te worden en uitgevoerd worden in de dagelijkse handelingen. En als het hart van de mens in een levende verbinding staat met God, zal de stem de van boven komt herkend worden… Zij die de wil van God doen zullen weten van de leerstelling of het van God is , want geen misleiding zal hun verstand vertroebelen.”Testimonies on Sabbath-School Work, pp. 64,65. {TN10: 42.3}

Met deze onbetwistbare beloften om op te staan, laat ons nu onderzoeken

42

De Brits-Israelische Leerstelling. {TN10: 42.4}

Een tijdschrift getiteld, Kingdom Correspondence School, stelt het standpunt van de beweging: “ Wij Oud-Engelsen zijn hetzelfde volk  dat bestond onder de naam van Israel in de Oud Testamentische dagen…. {TN10: 43.1}

“…De Koningen van Solomon, rijken in een directe ongebroken lijn tot de huidige Koning—GeorgeVI—gezeten op de troon in Engeland vandaag. We geloven dat de Heer—die de Koning der Koningen is van de stam van Judah en van het Huis van David—want Hij is de Leeuw van de stam van Judah, (Openb. 5: 5) en dat Hij spoedig zal wederkeren en de troon over zal nemen van Zijn vader, David,”p 1.8. {TN10: 43.2}

De schrijver van deze bewering betoogd dat hoewel Gods volk van ouds, onderging  als het koninkrijk van Israel, ze vandaag als het koninkrijk van Groot Brittanië zijn tevoorschijn gekomen. Maar sprekend van het Israelische Koninkrijk en haar volk, in oude tijden, zei de Geest der Profetie: {TN10: 43.3}

“ Daartoe zal Ik  u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de Heidenen, die rondom u zijn voor de ogen van al dengenen die voorbij gaat.” Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven en zal door honger in het midden van u te niet worden en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien en Ik zal het zwaard achter hem uittrekken. Alzo zal mijn toorn volbracht worden en Ik zal mijne grimmigheid op hen doen rusten en Mij troosten en zij zullen weten dat Ik de

43

Heere in mijnen ijver gesproken heb als Ik mijne grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben. Daartoe zal Ik  u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de Heidenen, die rondom u zijn voor de ogen van al dengenen die voorbij gaat…. Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik [wil] aan u, ja Ik, want Ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van die heidenen.En Ik zal onder u doen, hetgeen Ik niet gedaan heb, en desgelijks Ik voortaan niet doen zal, om al uwer gruwelen wil….” “ Ik zal die [kroon] omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die [daartoe] recht heeft, en [dien] Ik geven zal.” Ezech. 5 : 14,12-14, 8, 9; 21-27. {TN10: 43.4}

“Maar Damaskus zal het hoofd van Syrie zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraim verbroken worden, dat het geen volk zij.” Jes. 7: 8. {TN10: 44.1}

Het bovengenoemd tijdschrift benadrukt speciaal dat Engeland de stam van Ephraim is, hoewel het onbetwistbare woord der profetie expliciet stelt dat Ephraim “niet een volk zal zijn.” Aldus verklaren de profetieën dat het Israelisch koninkrijk zou ophouden te bestaan en dat het volk verstrooid zou worden onder de volkeren van de aarde. Desondanks is er een belofte dat na jaren van verstrooiing , de Heer “de kinderen Israëls  zal halen uit het midden der Heidenen, waarheen zij getogen zijn en

44

 zal ze vergaderen van rondom, en hen brengen in hun land.” Ezech. 37: 21. {TN10: 44.2}

“En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks.” Jes. 11 : 12 {TN10: 45.1}

“Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun Koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.” Hosea 3 : 4, 5.

“En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, welken des HEEREN mond uitdrukkelijk noemen zal. En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.
Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want de HEERE heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden. En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.” Jes. 62: 2-4,12. {TN10: 45.2}

Deze teksten zetten duidelijk het feit uiteen dat God Israël zou

45

verstrooien  onder de volkeren, ze zonder een koning laten of een vaderland voor “vele dagen” en uiteindelijk ze een voor een terugbrengen vanuit ieder volk. In die tijd zullen zij David als hun Koning kiezen en “het heilige volk” zijn. {TN10: 45.3}

Voor een gedetailleerde behandeling van het Koninkrijk, lees onze traktaten nr. 8 ,  Mount Sion at the eleventh Hour, en nr.12 , The World, Yesterday, today and tomorrow. {TN10: 46.1}

 De vragen hierin behandelt openbaren dat een ongeziene bovennatuurlijke kracht werkend door mensen, ieder mogelijke gelegenheid te baat neem om afleiding en verwarring in te brengen en om de kracht van gedachte en concentratie te verstrooien. Ze laten zien dat terwijl een theoreticus de ene waarheid tracht te verwarren, een andere theoreticus tracht een andere waarheid te verwarren. Het is dus duidelijk dat de vijand van God en mensen vastbesloten is op welke manier dan ook het volk in een diepe put te laten duiken. Om deze vreselijke ramp te voorkomen, is de lezer daarom gewaarschuwd, zich te keren van de geschriften van ongeïnspireerde mannen en slecht acht te slaan alleen op die geïnspireerd zijn, en onophoudelijk te waken en te bestuderen alles dat komt in de naam van de Heer. {TN10: 46.2}

(al het schuingedrukte is van ons)

Voor verdere studie over dit onderwerp van het teken van Jonah, lees Vol. 2 van The Shepherd’s

46

 Rod, p 17-26; The Symbolic Code, Vol 1, no. 6, p5-7 (1934); Vol 2, No 12, p. 6 (1936); Vol 3, Nos. 8-9-10, p. 10 (1937). {TN10: 46.3}

Iedereen die ons namen en adressen stuurt van zevende dag Sabbat houders, heeft recht op het gratis ontvangen van onze complete Tegenwoordige waarheid serie van dertien traktaten tot op heden en onze officiële orgaan , The Symbolic Code( waarin al de lezers vragen worden beantwoord).

 


shepherds-rod-tract-6-universal-diary.jpg

kopierecht 1936,1941,1943 door

V.T. Houteff

alle Rechten Voorbehouden.

Opdat een ieder die dorst naar de Waarheid, het kan verkrijgen, wordt dit traktaat kosteloos per post verzonden. Het vereist één vordering, de verplichting van de ziel aan zichzelf om alle dingen te onderzoeken en vast te houden aan datgene wat goed is. De enige voorwaarden die verbonden zijn aan dit aanbod zijn de gouden stranden en de karmozijnrode koorden van Golgotha–de banden die bindend zijn.

Namen en adressen van Z.D. Adventisten die naar ons worden verzonden zullen gewaardeerd worden.

TRAKTAAT NR. 6

Universal Publishing Association

P.O. Box 119

Mountaindale, N.Y.

12763, U.S.A.

INHOUD

Oordeelt Voor Uzelf 3
Het Kwade Werk van Haar Concurrent 3
Pleidooien van de Heilige Geest 4
“Tot Johannes toe Geprofeteerd” 5
Het Gebed van Christus 11
Satan’s Vooropgezette Voornemen 11
Op Zoek naar Iets Beters 13
Door de Pen van “de Schrijver” 13
De Gaven van de Geest 14
De Geest der Profetie In feite Verworpen Is 15
Onderwijzen de Schriften de Waarheid Op Verschillende Manieren 16
De Figuurlijke Vorm van Geïnspireerde Uitleg. Zacharia 4. 17
Inspiratie de Zinnebeeldige Voorstelling Uit­een­zet 19
Samenvatting van Zacharia Vier ‘s 24
Hemels Specifieke Geneesmiddel 25
De Universele Zuivelfabriek Stelt Begunstigers In Staat Om Het Kwade te Verwerpen en Het Goede Te Verkiezen 27
Boter en Honing 28
Waarvan Zijn Zij Een Symbolische Voorstelling? 28
De Jonge Koe En De Twee Schapen 29
De Honing 30
Een Wereld van Boterproducerende Melk 31
Land Vloeit Met “Melk en Honing” 32
Zijn Wijngaard Woest Achter te Laten. 33
Een Plaats om Heiligen Uit te Werpen. 35
Totdat de Wijngaard Volledig Is Hersteld. 38
Als het Mosterdzaad 39
“Het Vertreden van het Kleinere Vee” 40
Kiezen  Voor De Heerlijke Toekomst 41
Gespaard Door Middel Van “Boter en Honing” 42
“Een Man Zal” Hen “Voeden” 44
De Geest der Profetie en de Vervalsingen Ervan 45
Het In Een Kwaad Daglicht Stellen Van Iemands Karakter, Heeft Geen Invloed Op de Waarheid 47
Een Schijnweerlegging Tonen. 49
Het Antwoord van de Verdediger 50
Wanneer Ging De Deur Open? Wanneer Was De Troon Opgericht? 53
Het Doel van Het Oprichten van De Troon 54
Twee Verschillende Tronen–Een Regerende en Een Gerechtelijke 57
Onwetend Vechtende Tegen de Waarheid 59
Zacharias, Hoofdstuk Een 60
Tot Velen Maar Niet Tot Allen 65
Voordat Het Evangelie tot Alle Natiën Gaat, Er Een Grote Slachting Plaatsvindt 67
Het Laatste Pleidooi van De Heer 70
Hoe Zit Het Met de Onderwijzing Door Vrouwen? 75
De Slotsom 79

WAAROM OMKOMEN?

De Universele Zuivelfabriek Zal U Voeden

———————————–

Oordeelt voor Uzelf

Aangezien het het doel is van dit traktaat om aan iedere oprechte ziel, zelfs aan de armste en aan de meest ver verwijderde van de aarde, het meer dan overvloedige, uitmuntende product van de grote Universele Zuivelfabriek te introduceren en kosteloos te bezorgen, is het daarom noodzakelijk om bij de ontvangers ervan uit de weg te ruimen

Het Kwade Werk van Haar Concurrent. {TN6: 3.1}

Van de vele hedendaagse aanvallen die zijn gesticht door deze vijand tegen het leger der begunstigers van de zuivelfabriek, is er ongetwijfeld niet één zo gewelddadig geweest als die tegen het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten, de voornaamste gebruiker van het product van de zuivelfabriek, en in het bijzonder tegen het werk van de grondlegger van het kerkgenootschap, Mw. E.G.White, wiens geschriften bij de organisatie bekend staan als zijnde de Geest der Profetie (Openb.12:17;19:10). {TN6: 3.2}

Is het niet tegenstrijdig dat er zoveel tijd, energie, en geld wordt besteed door verscheidene individuen en organisaties aan het geven van vijandige publiciteit aan welke schrijver dan ook van godsdienstige literatuur, terwijl honderden Christelijke ismen {doctrines, leringen} en schrijvers de wereld overschaduwen, elk trachtende een godsdienstige mening te verdedigen die verschilt van dat van de ander? Aangezien er maar één Waarheid is, en aangezien niet twee

3

 sekten in absolute overeenstemming zijn betreffende wat het is, dan kunnen vanzelfsprekend niet allen gelijk hebben, maar allen behalve één moeten het verkeerd hebben. Waarom zouden dan de leerstellingen van Mw. White inkomen voor meer tegenstand in verhouding tot de mate van aanhang dan welk dan ook van de anderen? {TN6: 3.3}

Daar iedere door de hemel gezonden boodschap vanaf de tijd van Adam tot deze dag, op bittere wijze is bestreden door mensen die belijden door God te zijn geleid, dan zou alleen het feit van tegenstand tegen de geschriften van Mw. White niet kunnen bewijzen dat zij het verkeerd heeft. En in zoverre zij het voornaamste mikpunt van tegenstand van vandaag is geworden, zoals de profeten dat waren in hun tijd, dan moeten wij, om vast te stellen of haar geschriften gevaarlijk en gedoemd zijn óf gezond en wel, onze aandacht keren naar de Godsspraken, welke het verleden, heden, en toekomst openbaren. Daar moet haar werk, hetzij goed of verkeerd, gevonden worden. Door de profetieën alleen, kunnen wij bewijzen of weerleggen, weten wat wij geloven en geloven wat wij weten, en met veiligheid  welke boodschap dan ook aanvaarden of verwerpen. Anders kan ons geloof slechts gegrondvest zijn op onzekerheden –op een zanderig fundament,– welke ons uiteindelijk op teleurstellende wijze zal brengen tot de “linkerhand” van de Meester. Om dus het aan Zijn rechterhand staan zeker te stellen, moeten wij niet falen om ernstig gehoor te geven aan de

Pleidooien van de Heilige Geest: {TN6: 4.1}

“Wij hebben ook het vaster staande woord der profetie; waartoe gij wel doet daarop acht  te slaan, als op een licht dat schijnt op een

4

duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de dagster opgaat in uw harten: dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift van enige eigenmachtige uitlegging is.” 2Petr.1:19, 20. {TN6: 4.2}

Maar het geschreeuw van de tegenstand is: Weg met profetieën in deze tijd! Want al de profeten en de wet hebben

“Tot Johannes toe Geprofeteerd.”

Matt.11:13. {TN6: 5.1}

Als het eerder geciteerde schriftgedeelte betekent dat er geen profeten meer waren na Johannes, dan zouden er geen enkele meer moeten zijn geweest vanaf die tijd. En als dit de betekenis was, dan zouden de Schriften zichzelf tegenspreken, want zij dragen het bewijs dat terwijl Christus de Zoon van God was, Hij ook “een profeet” was. Lukas 24:19. En hoewel Johannes de Doper nooit een enkele profetische uitspraak heeft geschreven, werd hij toch door Christus gerekend tot de grootste der profeten (Lukas 7:28). Ook Mattheüs, Marcus, en Lukas, schreven, onder de Geest der Inspiratie, betreffende Christus en Zijn werk. Op gelijke wijze profeteerden Johannes, Petrus, en Paulus, en andere tijdsgenoten met hen, in hun eigen recht van vele toekomende dingen. Al dezen worden Schriftuurlijk de titel “profeet” toegekend. {TN6: 5.2}

Jezus Zelf getuigt dat het Boek Openbaring een profetie is, want de engel ” die getuigenis aflegt van het Woord  Gods, en van het getuigenis van Jezus Christus, en van alle

5

dingen die hij zag,” zegt: “Zalig is hij, die leest, en zij die horen de woorden  van deze profetie, en die dingen bewaren die daarin geschreven zijn: want de tijd is nabij.” Openb.1:2,3 {K.J.V.}.”Want Ik betuig aan een ieder, die de woorden van de profetie van dit boek hoort: Indien iemand tot deze dingen zal toevoegen, zal God tot hem toevoegen de plagen die in dit boek geschreven zijn.” Openb.22:18 {K.J.V.}. {TN6: 5.3}

Het feit nu, dat deze profetie bijna een eeuw was geschreven nadat Johannes was onthoofd, is historische erkenning dat de profeten niet eindigden met hem. Aldus, door Mattheüs 11:13 zo verkeerd te interpreteren ten einde Johannes tot de laatste van de profeten te maken, probeert de tegenpartij de geest van profetie in de Christelijke periode te vervangen met “eigenmachtige” (ongeïnspireerde) uitleggingen van de Schriften. En door dit te doen, worden zij ertoe geleid om te negeren of weg te redeneren de onweerlegbare verklaring van Paulus: “En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna wonderen, daarna gaven der genezing, helpers, regeringen, verscheidenheid van tongen” (1 Kor.12:28)-absoluut bewijs dat de tweede van de acht gaven aan de kerk in de Christelijke periode, profeten is. {TN6: 6.1}

Terwijl de meeste van deze gaven, in het bijzonder tongen en regeringen, ijverig naar worden gezocht door de Christelijke kerken, wordt de ene-“profeten”-datgene wat door de Joden werd veracht, volledig verworpen door bijna het gehele

6

Christendom! Aldus doet de geest die het doden van de vroegere zieners door de hand van de Joodse leiders veroorzaakte, in feite hetzelfde soort van vernietigend werk door middel van de georganiseerde tegenstand. {TN6: 6.2}

Terwijl zij lof en eer toeschreven aan de dode profeten die door de voorvaderen werden gedood, verwierpen de Joden de levende profeten, daardoor over zich brengende de treurige verklaring van de Meester: {TN6: 7.1}

“Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeeërs, huichelaars! want gij bouwt de graven van de profeten, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen, en zegt: Indien wij in de dagen van onze vaderen waren geweest, zouden wij geen deelnemers met hen zijn geweest aan het bloed van de profeten.” Matt. 23:29, 30{K.J.V}.{TN6: 7.2}

De hedendaagse Christenen die de gave van profetie verachten in deze tijd, en ook ontkennen dat de Schriften van het Oude Testament enige toepassing hebben op de evangelie dispensatie, verwerpen daarbij al de profeten, terwijl zij tegelijkertijd erkennen dat zij de dienstknechten van God waren. Zo gaan zulke kerkleden door met het bouwen en versieren van de graven van de profeten zoals de Joden, die beweerden in Mozes te geloven, dat deden, maar, toen zij beproefd werden, als leugenaars werden bevonden.   Op dezelfde manier belijden de meeste Christenen vandaag te geloven in de gehele Bijbel, en toch leren zij dat al de wetten en verordeningen, al de waarschuwingen en veroordelingen, slechts van toepassing zijn op de vroegere Joden, terwijl zij de gunsten begerig omarmen binnen de Christelijke kerk! {TN6: 7.3}

7

De hedendaagse zogenaamde gave van tongen is wartaal, en is niet meer de Bijbelse gave, dan dat Zondag de “geheiligde” Sabbatdag is; en de gave van regeringen is verlaagd tot een instelling van voorrechten, formaliteiten, doelen, en dergelijke, welke, in hun tegenwoordige lege staat, niets zijn dan instrumenten die in feite strijden tegen de Waarheid en de vroomheid van de kerk neutraliseren{teniet doen}. Schijnen de besten van deze belijdende Christenen van vandaag, met deze gang van zaken, beter te zijn dan de ergste van de Joden van gisteren? {TN6: 8.1}

“Waak op, waak op,” roept het Woord, “maak u los van de banden van uw hals, o gevangen dochter van Sion.” Jes.52:2.{K.J.V.}. “Dooft de Geest niet uit,” o gemeente van God! “Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; houdt vast aan datgene wat goed is.” 1 Thess. 5: 19-21.{K.J.V.} {TN6: 8.2}

Zie het feit niet langer over het hoofd dat de gave van profeten de tweede in rang is, en de gaven van regeringen en verscheidenheid van tongen zijn de laatste. Merk daarom op, dat zij die de gave van profetie verachten, maar de gaven van regeringen en tongen verheffen, de wagen {kar} duidelijk aan de achterkant aan het trekken zijn, en de verkeerde richting opgaan. Aan hen zegt Christus: “Weet niet dat gij jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt zijt.” Openb. 3:17. {TN6: 8.3}

Zij die enerzijds volhouden dat er geen profeten meer zouden zijn na

8

 Johannes de Doper, en die anderzijds belijden te geloven in de Schriften van het Nieuwe Testament, die na de dood van Johannes waren geschreven, zijn zelf in duisternis, en verspreiden, door hun eigenmachtige (ongeïnspireerde) uitleggingen van de Schriften, een wolk van duisternis, waar zij ook heengaan. Moge God hen allen genadig zijn. {TN6: 8.4}

In het licht van deze feiten, heeft Jezus’ verklaring dat “al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd” vanzelfsprekend een geheel andere betekenis dan wat is geleerd door ongeïnspireerde mensen. Wanneer het is verlicht door dezelfde Geest Die het ten laste legde, is de resulterende uitlegging zonder problemen, openbarend dat Christus de profeten  onderscheidde in een tweevoudige klasse–degenen tot aan Johannes en degenen na hem. {TN6: 9.1}

De heilige geschiedenis  toont aan dat de profeten van de eerste afdeling het Woord rechtstreeks van God ontvingen door middel van Zijn Geest. Zij waren niet verplicht om welk deel van hun profetieën dan ook te bewijzen door de geschriften van de voorafgaande profetieën. Terwijl de profeten van de tweede bedeling zijn aangewezen door de zalving van de Geest om de geschriften van de profeten van de eerste afdeling uit te leggen. {TN6: 9.1}

Deze allerbelangrijkste onderscheiding toont aan dat de Schriften van het Oude Testament een licht van onze zaligheid bevatten voor beide perioden-de Joodse en de Christelijke. En wanneer men in beschouwing neemt dat de eerste periode

9

de “typische” bedeling wordt genoemd, en de laatste de “antitypische,” dan legt bewijs op bewijs de slotsom vast dat het evangelie van het Nieuwe Testament is gebaseerd op het evangelie van het Oude dat ontvouwd is. {TN6: 9.3}

Aangezien de Schriften uitleggen dat de kerk in alle eeuwen is geleid tot de waarheid alleen door de gave van profetie, dan heeft de Christen geen keus dan te concluderen dat Gods wil en plan voor deze tijd precies is als het was voor het verleden tijd; dat wil zeggen, dat de kennis van de zaligheid uitgedeeld wordt door de Schriften van de profeten van het Oude Testament, zoals het wordt uitgelegd door degenen op wie, naar gelang de rol zich ontvouwt, Hij dezelfde Geest uitstort door welke Hij “heilige mannen Gods” bewoog “in de oude tijd.” 2 Petr.1:21. “Want Ik ben de Here, Ik verander niet; daarom zijt gij, zonen van Jakob, niet verteerd.”Mal.3:6. {TN6: 10.1}

God zou het Christendom voor altijd verenigd willen houden door Inspiratie, geopenbaarde waarheid, maar ongeïnspireerde mannen wilden zich niet vernederen en hun eigenmachtige uitleggingen verzaken, met het tragische resultaat dat zij de tegenwoordige schandelijke,  sektarische verwarring tot stand hebben gebracht. {TN6: 10.2}

Zulk een wanorde van meningen over de Schriften, die niet alleen bestaat tussen het ene kerkgenootschap en de ander, maar ook binnen de gelederen zelf van elk van hen, maakt duidelijk dat zij niet worden geleid door de Geest Die Christus zond om te “leiden ..in alle waarheid” zodat alle gelovigen in Hem als één kunnen zijn.

10

Deze eenheid door de Geest, wordt op krachtige wijze geleerd in

Het Gebed van Christus. {TN6: 10.3}

“Dat zij allen één mogen zijn, gelijk Gij, Vader, in Mijn zijt, en Ik in U, dat zij ge­lijkerwijs één mogen zijn in Ons; zodat de wereld mag geloven dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik aan hen gegeven, zodat zij één mogen zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen, en Gij in Mij, zodat zij volmaakt gemaakt worden tot één; en dat de wereld kan weten dat Gij Mij gezonden hebt, en hen hebt liefgehad, gelijk Gij Mij hebt liefgehad.” (Joh. 17:21-23, KJV.) {TN6: 11.1}

  Onophoudelijke theologische speculaties over de Schriften, met de daaruit voortvloei­ende meningsverschillen en fabels waar men zich graag in verlustigt, zorgen voor een voortdurend groei van verwarring, onenigheid, ver­deeldheid, die strijdige geloofsbelijde­nissen en sekten voortbrengen. Terwijl chris­tenen niets anders zouden moeten doen, dan, door volmaakte eenheid, aan de wereld te to­nen dat de Vader de Zoon heeft gezonden. {TN6: 11.2}

  Aantonend dat Hij slechts één kerkgenootschap erkent, zei Christus: “En andere scha­pen heb Ik, die niet van deze schaapskooi zijn; ook hen moet Ik brengen, en zij zullen Mijn stem horen; en er zal één schaapskooi zijn, en één herder.” (Joh. 10:6, KJV.)  De bestaande ver­deeldheid onder de christenen van vandaag is daarom geen vervulling van Gods wil, maar:

Satans Vooropgezette Voornemen. {TN6: 11.3}

  De zogenaamde Christelijke wereld van van­daag

11

is zover afgeweken van Gods ideaal voor Zijn kerk, en heeft een hoogtepunt be­reikt, waar zelfs Christus’ persoonlijke gebed in gebreke blijft om hen te desillusione­ren (wak­ker te schudden uit hun bedrieglijke denk­beeld), en om hen te doen beseffen dat hun verschil­lende wijze van geloven, denkende dat zij al­len gelijk hebben, zeker allen verkeerd zijn. Zij, die niet ver­bonden zijn met enige kerk, en voor wiens be­kering de kerken opeisen ten volle hun midde­len aan te wenden en hun tijd beste­den, kijken spottend en lachend neer op deze mis­leiding en huichelarij. Zulke christe­nen beha­gen alleen Satan, bedriegen zichzelf en hen, die hen ga­deslaan. (…) {TN6: 11.4}

12

Op Zoek naar Iets Beters. {TN6: 12.2}

  Christenen die zich met afval voeden, en daardoor aan onder­voeding lijden, zijn niet in staat om juist te oordelen. Van­daar, dat som­migen onder hen in de hoop leven om “het bete­re” van hén te ontvangen, die zij als de meest toegewijde gelovi­gen beschou­wen. Ande­ren ver­wachten het te ontvangen van de meest geleerde Doctors in de Godgeleerdheid, ter­wijl weer anderen denken het te vinden in deze of gene kerkgenootschap, en wel om de een­voudigen re­den, dat Vader, Moeder, een andere in­vloedrij­ke persoon, of verwanten tot die kerk behoren. Door deze dwaze keuze, die geen krachtige in­spanning van het ver­stand noch een persoonlij­ke ervaring vergt, worden zij, iro­nisch ge­noeg, weer teruggevoerd naar het afval. En de niet-chris­telijke wereld, die altijd kritisch gadeslaat, keert zich met afschuw van deze inconsequente en dwaze han­delin­gen af, die zich op het christelijk to­neel afspelen. Op deze wijze drijven gelovi­gen, in plaats van ongelovigen tot het chris­ten­dom te bekeren, hen nog verder van weg! {TN6: 13.1}

  Dat ook anderen zich terdege bewust zijn van deze noodlottige, schaapachtige, volg-de-bel instinct, wordt met nadruk aangetoond in het aangenomen geval van het gezin, dat in een satirische karikatuur wordt bekeken,

Door de Pen van “de Schrijver.” {TN6: 13.2}

  “Mary gaat naar de Bapteriaanse kerk — hoewel zij lid is van de Prestiaanse kerk (er toe overgehaald om zich bij die kerk te voe­gen op jonge 10 jarige leeftijd, voordat zij wist wat de Heer of de Duivel werkelijk is), maar zij bezoekt de Bapteri­aanse kerk omdat haar stief-

13

zuster ertoe behoort. John gaat naar de Cathodisten kerk, omdat de meesten van zijn klanten daarheen gaan. Jack gaat naar de Cam­paliaanse kerk, omdat zijn meisje erheen gaat (…) Patricia bezoekt de Lu­ther­gationale kerk, omdat haar klasse leraar daar voorgaat in de Zondags­choolklas. Betty gaat naar de Bapte­riaanse kerk met haar moeder, omdat zij nog niet oud genoeg is om beter te we­ten.” — “The Dallas Morning News,” Dec. 28, 1940. ­­­­­­{TN6: 13.3}

  Zij, die ernstig opzoek zijn naar verlossing, door Christus, moeten zich bij Hem “­aan­sluiten” door bekering, en dat, ter wille van de Waarheid. En de enige manier waarop men dit doen kan, is, om met blijdschap te verwelko­men, al

De Gaven van de Geest. {TN6: 14.1}

  “En Hij,” zegt Paulus van Degene, Die alleen, door al Zijn gaven, Zijn kerk kan ver­enigen, “gaf zowel apostelen als profeten; zowel evangelisten als herders en leraars; voor de vervolmaking der heiligen, voor het werk der bedie­ning, voor de opbouw van het lichaam van Christus.” (Efe. 4:11-13, KJV.) “Hij, die een oor heeft, laat hem horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.” (Openb. 3:22, KJV.) {TN6: 14.2}

14

  Hoewel de Geest van God gesproken heeft in deze duidelijke bewoordingen, komt men toch tot de ontdekking, door een opi­niepeiling on­der christenen, dat:

De Geest der Profetie In feite Verworpen Is. {TN6: 15.1}

  Een groot aantal belijdende christenen zeg­gen in wezen in hun harten: Zolang wij maar geloven dat er een God en een Christus bestaat, dat wij tot een kerk behoren, dat wij een oprecht leven leiden, en als wij maar af en toe een goede daad verrichten, als de ge­legenheid zich voordoet, zijn wij op weg naar de Heilige Stad. En, hoe droevig het ook mag zijn dit te moeten vermelden, deze fatale en misleidende hoop is ook in de gemeente der Zevende-dags Adventisten aanwezig. {TN6: 15.2}

  Wat ook droevig is, hoewel het kerkgenoot­schap werd opge­richt door de gave der profe­tie, zijn haar tegenwoordige leden–zowel predikanten als leken–in een voortdurende strijd met elkaar verwikkeld over de profeti­sche gaven, net zoals zij dat zijn over ande­re zaken in de Schriften. En onder hen, die vast­houden aan het feit, dat de geschriften van Mw. White geïnspireerd zijn, is de grote meerderheid onwetend betreffen­de, en even ongehoorzaam aan deze geschriften, net als dege­nen, die belij­den niet in hen te geloven. {TN6: 15.3}

       “De kerk,” zegt zij, verband houdend met deze toestand, “volgt Christus niet langer na als haar Leider en keert gestaag terug

15

naar Egyp­te. Toch zijn er maar weinigen gealarmeerd of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht. Twijfel, en zelfs ongeloof in de ge­tuigenissen van de Geest van God, doordringen overal onze kerken. Zo ziet Satan het graag. Zo zien predikan­ten die zichzelf prediken in plaats van Chris­tus het graag. De Getuigenis­sen worden niet gelezen en worden niet ge­waar­deerd.— Testi­monies, Vol.5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz.178}. {TN6: 15.4}

  Toch houden beide klassen in de kerk voet bij stuk, dat zij goede Zevende-dags Adven­tis­ten zijn! O, wat een uitzonderlijke iro­nie, dat zulke vreselijke tegenstrijdigheden in heilige zaken het verstand van redelijke we­zens heeft overschaduwd! Ja, wat een trage­die! In het bijzonder, omdat deze toestand niet had hoeven te bestaan; want in overvloe­dige be­scherming hiertegen,

Onderwijzen de Schriften de Waarheid

Op Verschillende Manieren. {TN6: 16.1}

  Naast de onderwijzing door de letterlijke getuigenissen van de profeten, wordt het evan­gelie ook geleerd door figuurlijke profetieën. Daarom, moeten wij, voor onze eigen bestwil, met de onderwijzing van de Geest betreffende hoe God Zijn geschreven Woord aan de mens openbaart, niet alleen de letterlijke, maar ook de figuurlijke getuigenissen van de pro­feten in beschou­wing nemen. En aangezien het vierde hoofdstuk van Zacharia een geïllus­treerde ontsluiting is van de manier waarop God Zijn woord openbaart, worden wij daardoor geleid voor een expositie van:

16

De Figuurlijke Vorm van Geïnspireerde

Uitleg. Zacharia 4. {TN6: 16.2}

  “En de engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, ge­heel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: Dit is het woord des HEREN tot Zerubbabel: Niet door kracht noch geweld, maar door Mijn Geest! zegt de HERE der heerscharen. (…) {TN6: 17.1}

  “Andermaal nam ik het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftakken, die door twee gouden buizen het goud van zich doen uitvloeien? En hij zeiden tot mij: Weet gij niet, wat zij betekenen? Ik antwoordde: Neen, mijn heer. Toen zeide hij: Zij zijn de twee gezalfden die vóór de HERE der ganse aarde staan.” Zach. 4:1-6, 12-14. {TN6: 17.2}

17

shepherds-rod-tract-6-zechariah-4

18 

De tijd vaststellend waar deze figuurlijke profetie naar verwijst, zegt de HERE, spre­kend door de profeet Haggai, die in dezelfde tijd profeteerde als de profeet Zacharia: {TN6: 19.1}

  “Ik zal de troon der koninkrijken omverwer­pen, de kracht van de koninkrijken der volken verdelgen, die wagens en wie daarop rijden, omverwerpen en de paarden en hun ruiters zul­len neer­storten, ieder door het zwaard van zijn broeder. Te dien dage, luidt het woord van de HERE der heerscharen, zal Ik u, Zerub­babel, zoon van Sealtiël, Mijn knecht, nemen, luidt het woord des HERE, en Ik zal u tot een zegelring maken, want u heb Ik uitverkoren, luidt het woord van de HERE der heerscha­ren.” (Hag. 2:23, 24 / Eng., vv. 22, 23.) {TN6: 19.2}

  Haar vervulling aan het einde van de wereld, wanneer God de tronen en de konink­rijken der aarde zal omverwerpen, toont de profetie van Haggai aan dat Zerubbabel, de knecht des HE­REN, een type is van Zijn dienstknechten van­daag aan de dag, die, nood­zakelijkerwijs, daarom de anti-typische “zegelring” zijn. En aangezien het visioen van Zacharia tot heden nog nooit eerder begrepen is geweest, kan het alleen direct tot ons spreken, in deze tijd. Aangezien, dienovereen­komstig, zijn illustra­tie van “het Woord der HEREN aan Zerubbabel” In de tegenwoordige tijd in vervulling zal gaan, behoren wij de meest nauwgezette oplet­tendheid betrachten, als:

Inspiratie de Zinnebeeldige Voorstelling Uit­een­zet. {TN6: 19.3}

  “Dit is het Woord van de HERE aan Zerrubba­bel.” Zach. 4:6. De methode die

19

God nu zal toepassen, in de eindtijd, in het communiceren met Zerubbabel — de bestuurders of bediena­ren van Zijn volk — is neergelegd in deze symbo­liek. Laten wij het daarom behoedzaam symbool na symbool ontcijferen. Wanneer wij de beteke­nis van de “olijfbomen,” de “kande­laar,” de “gouden oliehouder,” en de “buizen” begrijpen, dan zal het symbool zelf zonder geschil aanto­nen hoe de Schriften, waar­door God met Zijn dienstknechten communiceert, moeten worden uitgelegd. {TN6: 19.4}

  Aangezien al de boeken van de Bijbel samen komen en eindigen in de Openbaring, die een ontvouwing van de profetieën is, vestigen wij de aandacht van de lezer op een citaat daar­uit, waarin Johannes verslag doet van het ambt van deze olijfbomen: {TN6: 20.1}

  “En Ik zal Mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalf­hon­derd zestig dagen lang. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de HERE der aarde staan.” (O­penb. 11:3, 4.) {TN6: 20.2}

  Deze twee olijfbomen worden “getuigen” ge­noemd, “gezalfden,” “profeten.” Zij moesten, met een zak bekleed, gedurende twee en veer­tig maanden profeteren. Dit is een periode dat gelijk staat aan Daniël 7:25 en Openba­ring 12:14; dat wil zeggen: voor “een tijd, tijden en een halve tijd.” “Een tijd” — één jaar; “tijden” — twee jaren; “een halve tijd” — een half jaar; — twee en veertig maanden in totaal. Het

20

staat ook gelijk aan dat in Openbaring 13:5: “twee en veertig maanden”; en aan die van Openbaring 12:6: “duizend tweehonderd en zestig dagen.” In alle gevallen, staat de tijd, berekend door de Bijbelse regel van dertig dagen voor een maand, gelijk met 1260 dagen. {TN6: 20.3}

  Wanneer berekend in letterlijke tijd, over­eenkomstig Eze­chiël 4:6, staan deze 1260 da­gen van profetische tijd gelijk aan 1260 jaar. Verder gaand op het goed gestoeld feit (zie The Shepherd’s Rod, Vol. 2, pp. 126-139) dat deze tijdspanne profetisch is van de 1260 jaren, van 538 n. Chr. tot 1798, komen wij tot de volgende conclusie, dat wie of wat ook, met een “zak” bekleed, in deze periode profeteer­de, datgene is welke wordt gesymbo­liseerd door deze “twee olijfbomen.” {TN6: 21.1}

  Het feit dat niets anders dan de Bijbel Zelf profeteerde gedurende de periode 1260 jaar, — de duistere Middeleeuwen van gods­dienst, — toont automatisch aan, dat de twee “olijf­bo­men,” waarvan de engel zei dat ze het Woord van God zijn (Zach. 4:6), een figuur­lijke voorstelling zijn van de Schrif­ten van het Oude en het Nieuwe Testament, die, met een zak bekleed, profeteerden. Met andere woorden, zij stonden zich­zelf, in zelfvernede­ring, toe om te worden weggestopt, zonder te worden bestu­deer, hoewel zij de kracht hadden om “hun vij­an­den” te verslinden, ja zelfs “om de hemel te sluiten, zodat het niet zou rege­nen.” {TN6: 21.2}

  En van deze twee bomen (Testamenten), zoals Zacharia aan­schouwde, vloeide de gouden olie door

21

 de “twee gouden buizen,” die zichzelf ledigden in de “gouden oliehouder.” Dan be­voorra­den op hun beurt de “zeven buizen” of “pijpjes,” met de “gou­den olie” uit de olie­houder, de gouden “kandelaar” {TN6: 21.3}

  Aangezien de twee olijfbomen staan voor de Schriften van het Oude en het nieuwe Testament, stelt, vanzelfsprekend, de gouden olie, die van hen uitvloeit, “het Woord des HEREN” in de christelijke bedeling voor, niet zoals het rechtstreeks uit de hemel komt, maar zo­als het vanuit de Bijbel komt. {TN6: 22.1}

  Verder de betekenis van het geheimenis van de kandelaar ontsluitend, zegt Christus (in het onthullen van de mysterie die Hij aan Jo­hannes toonde): “De zeven sterren zijn de en­ge­len der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren, welke gij zag, zijn de zeven ge­meenten.” (Openb. 1:20, KJV.) {TN6: 22.2}

  In deze verklaring, beknopt uiteengezet, vertelt Christus ons, dat de zeven gemeenten worden voorgesteld door de zeven kandelaren, aldus de waarheid bevestigend, dat een kande­laar een symbolische voorstelling is van de gemeente — het licht der wereld (Matt. 5:14.) {TN6: 22.3}

  Het eerste gedeelte van Openbaring 1:20, zoals reeds werd aangehaald, maakt duidelijk, dat er een begeleidende engel is voor iedere kandelaar, en dat aan Johannes werd opgedra­gen om te schrijven, niet aan de kandelaren, maar aan de engelen, die de leiding over hen heef­t. Aldus maken de woorden: “en schrijf aan de engel van de gemeente te Laodicea” (Openb. 3;14), duidelijk, dat het

22

 de engel is, die “ellendig, jammerlijk, arm, blind, en naakt” is. {TN6: 22.4}

  Concluderend, toont deze veroordeling aan, dat de engel géén hemelse wezen is, maar lou­ter een voorstelling is van de aardse toezichthouders, aan wie de leiding gegeven is over de gemeen­te (de kandelaar). Hun taak is, zoals het zinnebeeld laat zien, om de kande­laar van olie te voorzien, en het op orde en bran­dende te houden — licht gevende. De kan­delaar zelf symbo­li­seert de leden, met uit­zon­dering van de leiders. {TN6: 23.1}

  In het visioen van Zacharia, worden de be­dienaren echter voorgesteld, niet door zeven engelen, maar door zeven “bui­zen.” Zij ont­trekken hun olie van de oliehouder en voeden de kandelaar daarmee. {TN6: 23.2}

  Het is dus duidelijk, dat de oliehouder, waar de gouden olie in ligt opgeslagen, een symbool is van de voorraadschuur van Tegen­woordige Waarheid — het Woord uiteengezet. De enige “voorraadschuur” die geïnspireerde com­mentaren bevat over beide Testamenten, zijn de boeken van de Geest der Profetie. Daarom zijn zij de “gouden oliehouder.” De symbolische voor­stelling laat duidelijk zien, dat van hen de predikers de licht-produceren­de waarheid moeten onttrekken, waarmee zij de gemeente moeten bevoorraden, zodat zij helder kan schijnen in deze donkere wereld, “allen” tot het licht trekkend, die de duisternis ha­ten. {TN6: 23.3}

  De twee buizen waardoor de olie in de olie­houder wordt overgebracht, kunnen slechts een voorstelling zijn van de kanalen (de profeten), door wie

23

 de olie wordt overgebracht van de Bijbel in de oliehouder, in de periode waarin beide olijf­bomen (Oude en Nieuwe Testa­ment) leven — de Christelijke tijdperk. {TN6: 23.4}

  Laat de lezer een onderzoekende blik werpen op de visuele illustra­tie op de voorpagina, en hij zal ontdekken dat het volstrekt onmogelijk is voor de kandelaar (de kerkleden) en de bui­zen (de predikers) om uit eigen beweging de olie recht­streeks van de olijfbomen te onttrekken. Daarom toont het aan, dat de uitleg van de Schriften toevertrouwd is aan de twee buizen (de profeten) in de christelijke tijd­perk, dat “géén eigen­machti­ge uitleg van de profetie der Schrift kan worden toe­gestaan,” maar dat alleen inspi­ratie dat kan. {TN6: 24.1}

Om nu voor altijd de waarheid van dit meest belangrijke onderwerp in ons verstand vast te leggen, laat ons het over­zien in een:

Samenvatting van Zacharia Vier. {TN6: 24.2}

  Deze symbolische eenheid, die aangetoond heeft dat de Bijbel slechts op de juiste ma­nier uitgelegd kan worden door de Geest, Die Haar gedicteerd heeft, toont aan, dat de kerk slechts in alle Waarheid geleid kan worden door deze door de Geest beheerste methode: door de uitleggers (de twee gouden buizen), die alleen gekwalificeerd en in staat zijn om voedsel op z’n tijd (gouden olie) te voorschijn te brengen van de Schriften (de olijf­bomen) in de voorraadschuur (de gouden olie­hou­der) van Tegenwoordige Waarheid; en ach­tereenvolgens, door de predikers (de zeven buizen), die alleen de olie van de olie­houder aan de gemeente

24

(de kandelaar) moeten doorge­ven, zodat zij met het licht des levens deze donkere wereld van ons kan verlich­ten. {TN6: 24.3}

  Hier leert God in een geïllustreerde les op niet mis te verstane wijze, dat Hij de Schriften beheerst en dat Hij ze openbaart wanneer een behoefte ontstaat, gelijk Jozef, die al het graan in de voorraadschuren van het oude Egypte onder zijn beheer had, om het uit te delen in de tijd van schaarste. En zo­als alleen door hem zowel de Israëlieten als de Egyptenaren graan konden verkrijgen in de tijd van gebrek, zo kan gelij­kerwijs alleen van Christus, de Koning, door Zijn met-de-Geest-vervulde werktuigen — Jozefs (Zijn spe­ciaal aangestelde uitleggers van de dromen en de visioenen welke de Bijbel bevat, of zij nu daar zijn om de kerk te berispen en te ver­lichten of de heidenen te waarschuwen) — kun­nen wij de olie verkrijgen die God in de Bij­bel geplaatst heeft. {TN6: 25.1}

  In het openbaren van Zijn geïnspireerde me­thode van de uitleg der Schriften door de sym­boliek van Zekere, heeft God op aan­schouwe­lijke wijze voor de veelvuldige heden­daagse religieuze kwalen, voorgeschreven:

‘s Hemels Specifieke Geneesmiddel. {TN6: 25.2}

  De vele afschuwelijke geestelijke epidemieën die nu de christelijke kerk teisteren, worden voor een groot deel ver­oorzaakt door christe­nen die, zonder het te weten, tegen de Schrif­ten worstelen, ze verdraaien, en ze verderven. Deze handelwijze heeft de Duivel bedacht en gevoed, om zo de Tegen­woordige Waarheid de pas af te snijden,

25

het geloof in de Schriften te­niet te doen, zielen te misleiden, en het doen toenemen van onge­loof, hopende daardoor het menselijk geslacht af te snijden van de enige ware en levende God, en om aldus hen uiteinde­lijk van de aardbodem weg te vagen. {TN6: 25.3}

  Broeders, zusters, op een ieder van ons valt ronduit de zware verantwoording om te beslis­sen of wij nu zullen kiezen om de profeten van God, van zowel de periode van het Oude als die van het Nieuwe Testament, te volgen, of dat wij ons zullen voegen bij de tegenstan­ders, die ongeïnspireerde uit­leggingen van de schriften bepleiten, en die, tezamen met al hun aanhan­gers, als zij voortgaan in hun boze handelwijze, schuldig zullen worden bevonden, met de Joden, aan het vergo­ten bloed van de profeten. {TN6: 26.1}

  Deze ernstige overwegingen zullen allen, die eerlijk met zichzelf en met God zijn, noodzaken om te handelen overeenkom­stig de plechtige zekerheid dat Hij de waarheid open­baart zoals Hij die verkiest. Zij zullen u ertoe brengen om Gods wet te kiezen als be­schutting, en dat u op deze wijze kunt ontko­men aan de snel naderende storm die op het punt staat in al haar woede los te barsten over de zonde en zondaren. {TN6: 26.2}

Vooruitziende op de donkere sluier van verwarring welke de mensen vandaag over de Bijbel heen werpen, en hun brede afwijking van het duidelijke Schriftuurlijke {Bijbelse} pad, als een resultaat van hun volledige minachting van de gave van profetie, is God daarom genoodzaakt om in Zijn geschreven Woord een soort van profetische aankondiging te maken van dit grote kwaad en haar uitkomst, net zoals Hij dat deed betreffende

26

het rampzalige lot welke Zijn vroegere volk overkwam, en betreffende hun daaropvolgende bestemming. {TN6: 26.3}

 Laat ons nu, om dit aan te tonen, met bijzondere eerbied voor de gave van profetie (haar functie, en haar verband met de bedienaars evenals met de leken in de periode van het Nieuwe Testament), onderzoeken hoe

De Universele Zuivelfabriek  Begunstigers In Staat Stelt Om

Het Kwade te Verwerpen en Het Goede Te Verkiezen. {TN6: 27.1}

“Daarom zal de Here Zelf u een teken geven; Ziet, een maagd zal zwanger worden, en een zoon baren, en zal Hem de naam Immanuël geven. Boter en honing zal Hij eten, opdat Hij het kwade weet te verwerpen, en het goede te verkiezen.” Jes. 7: 14,15 {K.J.V}. {TN6: 27.2}

Het is aangenomen dat het kind over welk hier profetisch wordt gesproken, Christus is. En volgens deze verzen was Hem een bijzonder dieet voorgeschreven, zoals dat was bij Johannes de Doper (Lukas 1:15; Matt.3:4). Toch is er geen verslag dat aantoont dat het dieet van Christus ooit letterlijk uit “boter en honing” bestond. Er is echter wel opgetekend dat Hij wel al het geheiligde voedsel at dat gewoonlijk werd gebruikt door de Joden in Zijn tijd. En “Johannes kwam,” zei Christus, “noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft een duivel.” Matt.11:18. Aldus at Johannes, op het woord van de Heer Zelf, niet alles wat de Joden aten. In feite, leefde hij van “sprinkhanen en honing.” Marcus 1:6. Niettemin vonden de Joden fouten, en beschuldigden zij hem ervan fanatiek en buiten zinnen te zijn. {TN6: 27.3}

27

Anderzijds: “de Zoon des mensen kwam, “ zegt de Heer van Zichzelf, “etende en drinkende, en zei zeggen: Ziet een mens, vraatzuchtig, en een wijnzuiper, een vriend van tollenaars en zondaars.”Matt.11:19. In deze woorden, die aantonen dat Hij wat voor wettige voedsel dan ook at wat Hem werd voorgezet, maakt Christus duidelijk dat Hij Zijn dieet niet beperkte tot letterlijke

Boter en Honing. {TN6: 28.1}

Zoals van tevoren is verklaard, is er geen optekening dat aangeeft dat Jezus werkelijk boter en honing at.  Maar aangezien de uitspraak van de profeet juist moet zijn, dan is de enige mogelijke conclusie dat de “boter en honing” en symbolische voorstelling zijn van iets wat Christus vrijelijk gebruikte, en wat Hem wijs maakte en in staat stelde om onderscheid te maken tussen goed en kwaad. Bovendien, in zoverre deze twee letterlijke voedselartikelen -boter en honing-nooit op zichzelf wie dan ook in staat kunnen stellen om het verschil tussen goed en slecht te weten, wordt het daarom dubbel vastgesteld dat zij symbolisch zijn.  En natuurlijk roept deze zekerheid de vraag op:

Waarvan Zijn Zij Een Symbolische Voorstelling? {TN6: 28.2}

De enige manier om te ontdekken wat de boter en honing voorstellen, is door vast te stellen wat Jezus in staat stelde om onderscheid te maken tussen goed en kwaad, en om de een te verkiezen en de ander te verwerpen-de reden waarom Hij ze at. {TN6: 28.3}

De Verlosser versloeg de machten van het kwaad door geïnspireerd te zijn om de Schriften uit te leggen,

28

 wat Hem in staat stelde te zeggen:”Er staat geschreven.” Dit openbaart dat de “boter en honing,” welke Hem machtigden om “het kwade te verwerpen” en “het goede te verkiezen,” symbolisch staan voor de Schriften. Toen Hij aldus zei: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet“ (Johannes 4:32), moet Hij hebben verwezen naar de “boter en honing”van Jesaja. {TN6: 28.4}

“En het zal geschieden te dien dage, dat een man een jonge koe en twee schapen zal voeden; en het zal geschieden, dat vanwege de overvloed van melk dat zij zullen geven, hij boter zal eten; want boter en honing zal een ieder eten die in het land is overgebleven.” Jes.2:21,22. {K.J.V.}. {TN6: 29.1}

Aangezien de “boter en honing” van vers 15 klaarblijkelijk bedoeld zijn om de sleutel der uitlegging te verschaffen voor de “boter en honing” van vers 22, dan is het duidelijk, dat de “boter en honing” van beide verzen het Woord van God voorstellen. En vanwege het opeenvolgende en natuurlijke verband met de boter, worden wij vervolgens geleid om navraag te doen over de betekenis van

De Jonge Koe En De Twee Schapen. {TN6: 29.2}

Aangezien boter wordt gekolkt uit melk, en aangezien de melk van welke deze geestelijke “boter” is gemaakt, afkomstig is van de “twee schapen” en de “jonge koe,” dan vloeit de waarheid voort dat deze drie melkproducerende schepselen drie verschillende bronnen symboliseren van welke het Woord van de Heer (boter) wordt verkregen. De koe is jong; de schapen zijn dat niet. Derhalve is de bron van de boter, Gods

29

Woord, voorgesteld door de jonge koe, van een latere oorsprong dan de bronnen die worden voorgesteld door de twee schapen. De twee-van-één-soort kunnen daarom alleen de Oude en Nieuw Testamentische Schriften voorstellen; terwijl de koe, zijnde groter en jonger dan de schapen, heilige boekdelen voorstelt van, daarmee corresponderend, grotere omvang en van latere oorsprong dan de Bijbel. Deze boekdelen zijn duidelijk de geschriften van de “Geest der Profetie” (Openb.19:10) van de laatste dagen, welke hun begunstigers in staat stelt om “het kwade te verwerpen, en het goede te verkiezen,” en welke tot hen brengt

De Honing. {TN6: 29.2}

De sleutel van de uitlegging van deze “honing”wordt gevonden in Openbaring 10:10. “En ik nam het boekje,” zegt Johannes, “uit de hand van de engel, en at het op; en het was in mijn mond zoet als honing: en zodra ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.” Deze honingzoetheid (in detail uitgelegd in onze Traktaat Nr.5, De Laatste Waarschuwing),  stelt de vreugde voor die tot de gelovigen kwam in de tijd van William Miller, doordat zij van ganser harte geloofden dat de Heer zou komen in de herfst van 1843 N.Chr. om naar hun thuis te brengen in “het land dat veraf is,” waar hun ogen “de Koning in Zijn schoonheid” zouden “zien.” Jes.33:17. Maar toen de dag voorbijging, en de verwachte gebeurtenis faalde verwezenlijkt te worden, toen overkwam een overweldigende teleurstelling, zoals voorzegd door het boekje dat “bitter” werd, een ieder die, in oprechte verwachting, smachtend uitzag naar die lang gehoopte

30

{verwachte} reis door de schitterende {met sterren bezaaide} hemelen tot de “vierkante” stad – de Hoofdstad van de nieuw gemaakte aarde. {TN6: 30.1}

De honingzoetheid van Openbaring 10:10, staande, zoals het dat doet, voor grote vreugde als resultaat van het zich te goed doen aan het Woord van God, bedeelt automatisch toe aan de “honing” van Jesaja 7:22 de betekenis van vreugde dat zal komen tot allen die zich toevoegen bij het eten van de “boter”van zowel de “koe”als van de “schapen,” welke nu “vers {voort}komen.” Alleen zij die alzo doen, zullen “in het land overblijven.” {TN6: 31.1}

Deze hartelijke uitnodiging om van geestelijke “boter en honing” te eten, die tot nu toe nooit te evenaren was in kwantiteit of in kwaliteit, is in het bijzonder uitgereikt aan degenen die geneigd zijn te twijfelen. Aanvaard deze ongekende uitnodiging, mijn broeders en zusters, en u zult uzelf overtuigen van de oprechtheid en oordeel die onze pleidooi{smeekbede} aanmoedigt, en zult door het eerst te proeven zich realiseren dat het product van deze nobele schepselen alles is wat u nodig heeft, niet alleen om u in leven en gezond te houden, maar ook in vreugde en vrede van “nu aan” en voor altijd! En ondanks er een ontelbare menigte is om te voeden, hoeft u niet te vrezen voor een tekort aan voedsel, want de Universele Zuivelfabriek heeft

Een Wereld van Boterproducerende Melk. {TN6: 31.2}

Deze nobele schepselen geven zulk een grote hoeveelheid aan melk dat wij gedwongen zijn om de room af

31

te scheiden, en in staat zijn om alleen dát uit te delen. Deze overvloed spreekt van ons zijnde gezegend met zulk een volheid van waarheid (melk) dat het enige wat wij kunnen doen is het uitzenden van de hoofdpunten-de boter of de room.  Geopenbaarde waarheid dat zich nooit tevoren zich heeft opgestapeld in zulk een onuitputtelijke opslagruimte zoals het dat vandaag de dag heeft gedaan, maakt het bewijs compleet dat de uitlegging van deze profetie juist {correct} is, en dat De Herdersstaf, welke de waarheid voor deze tijd bevat, heeft veroorzaakt dat het

Land Vloeit Met “Melk en Honing.” {TN6: 31.3}

Toen God beloofde om het vroegere Israël in te leiden tot een land “vloeiende met melk en honing,” waren zulke toestanden niet letterlijk verworven in Kanaän, dus kon de uitdrukking toen alleen symbolisch {in beeldspraak} zijn, haar vervulling vindend in het feit dat de profeten daar profeteerden en de Schriften schreven, aldus het land vloeiende met “melk en honing”-waarheid en vreugde. {TN6: 32.1}

Waarom hongerig blijven, broeders en zusters, terwijl er zulk een grenzeloze voorraad is aan zielenvoedend voedsel juist voor uw handen {binnen uw bereik}? Als uw eetlust niet te afgemat is geworden, komt dan, en doet u tegoed aan deze verse “boter en honing.” “Komt, koopt wijn en melk zonder geld en zonder prijs.”Jes.55:1. Maar indien u toevalligerwijs uw honger naar en uw smaak voor waarheid heeft verloren, doet dan een beroep op onze uitdelende vertegenwoordigers. Hun diensten zijn kosteloos en zonder verplichting, en garanderen zekere en bevredigende

32

resultaten. Wees niet als degenen die nog steeds volharden in het opscheppen dat zij al de waarheid hebben, en “aan niets gebrek hebben.” Want de reden waarom God zulk een voorraad van “voedsel op zijn tijd”heeft gezonden en nog steeds zendt, is om aan te tonen dat in plaats van “aan niets gebrek te hebben,” zij aan van alles gebrek lijden, en dat het hun gruwelen en geestelijke armoede die Hem heeft veroorzaakt

Zijn Wijngaard Woest Achter te laten. {TN6: 32.2}

“En het zal te dien dage geschieden, dat iedere plaats zal zijn, waar er duizend wijnstokken waren van duizend zilverlingen, het zelfs voor doornen en distels zal zijn.”Vers 23. {TN6: 33.1}

Het feit dat deze wijngaard (figuurlijk staand voor de kerk-Jes.5:7) , waarin iedere wijnstok eens een “zilverling”waard was, een plaats “voor doornen en distels”is geworden, toont aan dat de Landman ervan het woest heeft achtergelaten, een typische toestand welke Christus vollediger projecteerde in de volgende woorden: {TN6: 33.2}

“O Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en degenen stenigt die tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt het niet gewild! Ziet, uw huis wordt u woest achtergelaten” (Matt.23:37, 38, K.J.V)-dat wil zeggen, het is een plaats geworden vanwaar de goddelijke aanwezigheid en heerlijkheid is weggegaan. {TN6: 33.3}

33

Daar de ongeschonden toestand en eeuwigheid van de Geest der Profetie nu onbetwistbaar is, dwingt het op morele wijze ons om de eigen getuigenis van Christus aangaande de geestelijke toestand van de Zevende-dags Adventistische Kerkgenootschap te presenteren zoals het is opgetekend door de Geest der Profetie: {TN6: 34.1}

“ ‘Kunt u niet zien hoe zij op aanmatigende wijze hun verontreiniging en verdorvenheid van karakter hebben bedekt?’ “Hoe is de getrouwe stad een hoer geworden?” Mijn Vaders huis is tot een huis van handelswaar gemaakt, een plaats vanwaar de goddelijke aanwezigheid en heerlijkheid is weggegaan! Dit is de reden waarom er zwakheid is, en er kracht ontbreekt.”– Testimonies, Vol. 8, p. 250. {Getuigenissen, Deel 8, blz. 250.} {TN6: 34.2}

Het visioen van Jesaja bevestigt op volmaakte wijze het tevoren geciteerde getuigenis: beide profeten konden onmogelijk, tenzij door dezelfde Geest, dezelfde toestand openleggen met zulk een absolute getrouwheid aan het feit. Aldus worden wij door de Schriften en door logica gevoerd tot het toppunt van bewijs en van overtuiging dat Mw.White geïnspireerd was door dezelfde Geest als Jesaja dat was. {TN6: 34.3}

Het opmerkelijke feit dat beide profeten (Jesaja en Mw. White) in zulk een overeenstemming zijn met elkaar betreffende de juiste toestand waarin de kerk zich nu bevindt, verleent tweevoudige samenwerking tot de beschuldiging dat het “huis van God” niet alleen een huis van handelswaar en een rovershol is geworden, maar ook

34

Een Plaats om Heiligen Uit te Werpen. {TN6: 34.4}

“Met pijlen en met bogen zal men aldaar komen; omdat het gehele land tot doornen en distels zal worden.” Vers 24 {K.J.V.}. Met andere woorden, de wijngaard is zo verwoest geworden, en zo overstroomd door wilde beesten (onbekeerde mensen), dat indien een heilige erin wil binnengaan, hij gedwongen zou zijn om met zich mee te nemen “pijlen”en “bogen” (het Woord van God) om zichzelf te beschermen (Hebr.4:12). {TN6: 35.1}

“Maar Zijn boog verbleef in kracht, en de armen van Zijn handen werden sterk gemaakt door de handen van de machtige God van Jakob; (daarvan is de Herder, de Steen Israëls).” Gen. 49:24{K.J.V.}. “Uw boog werd zeer blootgelegd,…namelijk Uw Woord.” Hab.3:9.{K.J.V.} {TN6: 35.2}

Daarom, in de plaats dat de kerk een toevlucht is, verlossing behelzend voor Gods volk, is het een rovershol geworden en een plaats voor het beschutten van zondaars. Want zodra iemand blijkt gehoor te geven aan het verzet van de Heer tegen de gruwelen, en zichzelf kenbaar maakt als een hervormer, staan de wilde beesten (de onbekeerden in de kerk) óf gereed om hem te verslinden, zoals zij Paulus trachtten te verslinden (1 Kor.15:32), óf om hem anders uit de kerkelijke samenkomsten te verdrijven! Hieraan kan een ieder zien waarom degenen die verantwoordelijk zijn voor de kerkgenootschappen luidkeels aan het afgeven zijn op de leerstelling van een reine kerk. {TN6: 35.3}

Wij hoeven niet verbaasd te zijn over de tegenstand welke Gods dienstknechten ontvangen

35

van mensen van geleerdheid en bevoegdheid, want aldus is het altijd geweest; en nu, zoals in vroegere dagen, zal de presentatie van een waarheid die zonden berispt en dwalingen corrigeert tegenstand opwekken. “Een ieder die kwaad doet,” zegt de Heer, “haat het licht, en komt ook niet het licht, opdat zijn daden niet bestraft zouden worden.” Joh.3:20. {K.J.V.} {TN6: 35.4}

Naargelang de mensen zien dat zij, volgens de Schriften, hun standpunt niet kunnen volhouden, nemen zij een besluit om ten koste van wat dan ook het te verdedigen, en als een laatste toevlucht voor een verloren zaak geven zij toe aan persoonlijkheden, door het heftig aanvallen van het karakter en de motieven van degenen die hun pad doorkruisen met onpopulaire waarheid. Zulk een zelfrechtvaardiging is dezelfde traditionele verdedigingsmechanisme tot welke er een toevlucht is genomen door alle eeuwen hen. {TN6: 36.1}

 “Elia werd beschouwd als een onruststoker in Israël, Jeremia als een verrader, Paulus als een tempelschenner. Sinds die tijd tot vandaag, zijn zij die de waarheid trouw zouden willen blijven uitgemaakt voor opruiers, ketters en scheurmakers. Menigten die te ongelovig zijn om het vaste profetische woord te aanvaarden, zullen blindelings instemmen met de beschuldiging tegen hen die algemeen aanvaarde zonden afkeuren. Deze houding zal steeds meer voorkomen.”-The Great Controversy, pp.458,459{De Grote Strijd, p.425}. {TN6: 36.2}

“Zij die verschilden met de gevestigde leerstellingen zijn opgesloten, gepijnigd en ter dood gebracht op aanstichten van mensen die beweerden dat zij handelden op

36

 bevel van Christus. Maar het is de geest van Satan en niet van Christus die tot zulke daden aanspoort. Dit is de methode die Satan gebruikt om de wereld in zijn greep te krijgen. God is op onjuiste wijze voorgesteld door de kerk, die op deze wijze mensen heeft behandeld die als ketters werden beschouwd.”-Christ’s Object Lessons, p.74{ Lessen uit het Leven van Alledag, blz.40} {TN6: 36.3}

 “Hoort het woord des Heren, gij die voor Zijn Woord beeft; Uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijnentwil zeiden: Laat de Here verheerlijkt zijn: maar Hij zal tot uw vreugde verschijnen, en zij zullen beschaamd zijn.” Jes.66:5{K.J.V.} {TN6: 37.1}

En nu, om  deze reden, zullen wij die het licht der Waarheid hebben, het aan ons toevertrouwde verraden onze verantwoordelijkheden schuwen? “Aan de dienstknechten van God in deze tijd wordt het bevel gericht: : ‘Heft uw stem op als een bazuin, en toont aan Mijn volk hun overtredingen, en het huis van Jakob hun zonden.’ {TN6: 37.2}

“Voor zover als zijn gelegenheden reiken, heeft een ieder die het licht der waarheid heeft ontvangen,  dezelfde heilige en eerbiedige verantwoordelijkheid als die de profeet van Israël had, aan wie het woord van de Heer kwam, zeggende: ‘Mensenzoon, u heb Ik tot een wachter over het huis Israëls aangesteld; daarom zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen voor Mij waarschuwen. Wanneer Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult zeker sterven; indien gij niet spreekt om de goddeloze van zijn weg te waarschuwen, dan zal die goddeloze in zijn ongerechtigheid sterven; maar

37

 van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Niettemin, indien Gij de goddeloze waarschuwt van zijn weg, om ervan af te keren, indien hij niet van zijn weg afkeert, dan zal hij in zijn ongerechtigheid sterven: maar gij hebt uw ziel gered.’ {TN6: 37.3}

“De grote hindernis zowel voor de aanvaarding als voor de verkondiging van de waarheid, is het feit dat het ongemak en afkeuring{of smaad} met zich meebrengt. Dit is het enige argument tegen de waarheid welke de voorstanders ervan nooit hebben kunnen weerleggen. Maar dit schrikt de ware volgelingen van Christus niet af. Dezen wachten niet totdat de waarheid populair is geworden. Overtuigd zijnde van hun verplichting {taak}, aanvaarden zij doelbewust het kruis, het met de apostel Paulus aanrekenend dat “ onze lichte verdrukking, welke slechts voor een ogenblik is, bewerkt voor ons een veel meer uitnemende en eeuwig gewicht der heerlijkheid; met iemand van vroeger, ‘achtende de versmaadheid van Christus grotere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte.’” — The Great Controversy pp.  459, 460{ De Grote Strijd, blz.426}. {TN6: 38.1}

Vanwege deze betreurenswaardige toestand, draagt God nu Zijn boodschappers op om met hun “bogen”en “pijlen”te gaan om getrouw hun takenposities te bezetten

Totdat de Wijngaard Volledig Is Hersteld. {TN6: 38.2}

“En op al de heuvels die met een houweel uitgegraven zullen worden, daar zal de vrees niet opkomen voor doornen en distels.” Jes.7:25, eerste deel.{K.J.V.} {TN6: 38.3}

Dat wil zeggen, hoewel de gehele wijngaard vol van “doornen en

38

distels”is geworden, heeft God het niet voor altijd verlaten, maar zal het uitgraven met een houweel, de doornen en distels ontwortelen, en het andermaal beplanten met de keurigste wijnstokken, want aan haar “geeft Hij Zijn hoogste achting.”– Testimonies to Ministers, p. 15 {Getuigenissen voor de Predikanten, blz.15}. En nadat Hij dit werk ten uitvoer heeft gebracht, “zal de vrees voor doornen en distels” “daar niet opkomen.” Of, letterlijk gesproken, gedurende de reiniging van de kerk, neemt Gods wraak de goddelozen weg van onder Zijn volk, en houdt hen daarna eruit en bewaart Zijn kerk voor altijd rein, zonder de vrees dat het ooit weer verontreinigd zal worden. Door aldus beslist de doornen en distels (de goddelozen) te ontwortelen, sluit Hij de vrees voor hun terugkeer uit. {TN6: 38.4}

Jesaja’s visioen richt zich duidelijk tot onze tijd, want de goddelozen zijn altijd in de kerk geweest en zullen voortgaan daarin te zijn tot aan de uiteindelijke reiniging, welke spoedig zal plaatsvinden, en welke, volgens de Schriften, aan het begin ervan zal zijn

Als het Mosterdzaad. {TN6: 39.1}

“Er zal daar geen vrees opkomen voor doornen en distels; maar het zal zijn voor het uitzenden van ossen, en voor het vertreden van kleinere vee.”  Vers 25, laatste deel. {TN6: 39.2}

Dat de wijngaard wordt uitgegraven met een houweel betekent dat het hervormingswerk in het begin langzaam vooruit zal gaan en dat het zware arbeid zal vereisen, maar dat elke “heuvel” of kerk dat lokaal wordt

39

gegraven, een plaats zal worden “voor het uitzenden van ossen.” Kortom, tegen die bijzondere tijd zal Hij zendelingen uitzenden naar zijn verwaarloosde wijngaard (kerk) in plaats van naar de Heidense wereld. {TN6: 39.3}

Ondanks dat het werk, bovendien, een kleine, zware, houweelachtige begin zal hebben, zal het in snelheid toenemen en zal opkomen van de houweelachtige fase tot de door ossen geploegde fase-de fase welke al de gelovigen van Tegenwoordige Waarheid (behalve het “kleinere vee”) verenigd zal zien voortgaan om andere “heuvels” te graven of om te ploegen, totdat alle doornen en distels ontworteld zullen zijn over het gehele land, het grond opgebroken is, en de wijngaard hersteld is zelfs boven haar oorspronkelijke uitnemendheid. Aldus herwonnen, zal het een plaats zijn, niet alleen “voor het uitzenden van ossen,” zendelingen, maar ook voor het

“Het Vertreden Van Kleiner Vee.” {TN6: 40.1}

Maar de termen “vertreden” en “kleiner vee” hebben twee betekenissen. “Vertreden” betekent zowel het overstappen als het vertrappen van iets dat onder de voeten is. “Kleiner vee” betekent zowel jonger vee als minderwaardig vee. Daarom moet het zinsdeel “ voor het vertreden van kleiner vee,” in het licht genomen van de eerste betekenis, van elk van de twee termen, verwijzen naar de kinderen en naar degenen die nieuw tot de waarheid komen, die kunnen verblijven, “vertreden,” rondom de nieuw gegraven heuvels.  In het licht genomen van de tweede betekenis van elke term, moet het verwijzen naar het {ver}drukken of vertrappen,

40

“vertreden” tot de grond, van al de onbekeerden die kunnen trachten de wijngaard binnen te komen. Van deze laatste klasse zegt Zacharia: “En het zal geschieden, wanneer iemand zal profeteren, dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: “ Gij zult niet leven; want gij spreekt leugens in de naam des Heren; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert.” Zach.13:3.{K.J.V.} {TN6: 40.2}

De directe toepassing van het schriftgedeelte, is echter op het laatste paar van betekenissen, en slechts een tweede gedachte is die verkregen wordt van het eerste paar van betekenissen. {TN6: 41.1}

Het laatste overzicht van de wijngaard noodzaakt de mensen om te kiezen hetzij voor een heerlijke toekomst of een onheerlijke einde. Onze hoop is dat elk zal

Kiezen  Voor De Heerlijke Toekomst . {TN6: 41.2}

Want wanneer Hij uiteindelijk Zijn wijngaard herstelt, zal de Heer het nooit meer verlaten of toelaten dat het wordt vervuild door “doornen en distels,” de vreugde van de mens zal ongebonden moeten zijn, hem veroorzakend God bij dag en nacht te prijzen voor Zijn nooit falende liefde! Nog verrukkelijker is de gedachte dat een menigte nu juist in het stadium verkeert van het overgaan van deze sterfelijke staat tot onsterfelijkheid-om nooit meer de onbewuste staat van de doden te ervaren! Moge deze oproep iedere lezer doen ontwaken van zijn lange sluimering (Matt.25:5), en bij hem erop aandringen om als nooit tevoren te streven naar het “merkteken” van de levende God (Ezech.9:4). {TN6: 41.3}

41

“Ontwaakt, ontwaakt,” pleit de Stem der Liefde, “trek uw sterkte aan, o Sion, trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, de heilige stad: want voortaan zal niet meer in u binnenkomen de onbesnedene en de onreine.” Jes.52:1{K.J.V.} {TN6: 42.1}

Bevind u in de klasse van de vijf wijze maagden, mijn broeders en zusters, en maakt u nú gebruik van deze extra olie, voordat uw lampen uitgaan en de deur voor eeuwig dichtgaat (Matt.25: 10). “Zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.” Openb.3:18. Zucht en roept uit vanwege de gruwelen die worden gedaan in de kerk (Ezech.9:4), opdat gij kunt blijken waardig te zijn om de boodschap tot haar te brengen. Nadat u dan heeft uitgeroepen: “ O Juda, vier uw plechtige feesten, voer uw geloften uit; want de goddeloze zal niet meer door u heen trekken; hij is volledig afgesneden” (Nah.1:15, laatste deel), zal er van u gezegd worden, “Ziet op de bergen de voeten van hem die goede tijdingen brengt, die vrede publiceert” (Nah.1:15, eerste deel), en u zult worden

Gespaard Door “Boter en Honing.” {TN6: 42.2}

“Want boter en honing zal een ieder eten die in het land is overgebleven.” Jes. 7:22. {TN6: 42.3}

O, wat een zielenverkwikkende verzekering! Waarom zou u omkomen terwijl uw Hemelse Vader zulk een aanbod biedt? Geloof volledig in de Geest der Profetie en leef voor eeuwig. “…gelooft aan Zijn profeten, zo zult gij voorspoedig zijn.” 2 Kron.20:20. {TN6: 42.4}

42

Heeft u nog niet ontdekt dat, hetzij in vroegere of in de moderne tijden, al de Bijbelse waarheden die mensen uit geleerd hebben, alleen zijn gekomen door middel van de geïnspireerde kanaal-de Geest der Profetie? Hoe kunt u dan, mijn broeders en zusters, nog langer deze plechtige uitnodiging weigeren? Komt, eet ten volle van “boter en honing,” waarvan slecht het proeven ervan u zal aanvangen op uw weg tot herstel van uw ellendige Laodiceese toestand. {TN6: 43.1}

Hoewel de kerk nu “lauw” (tevreden) is in haar “betreurenswaardige misleiding,” toch zal, als zij deze tegenwoordige gelegenheid uit haar greep laat wegglippen, de dag komen wanneer elk lid zijn tanden zal knarsen in de pijniging van onbeschrijfelijk verdriet. Ja, en allen die hetzij de Oude of de Nieuwe Testamentische Schriften, of de Geest der Profetie, of alle drie verloochenen, en die, door in vastberaden onwetendheid te blijven, niet in overeenstemming zijn met de vereisten van de Waarheid, zullen niet “overgebleven” zijn, maar zullen omkomen. {TN6: 43.2}

Als Christus, de Schepper van het universum (Johannes 1:3; Hebr.1:2), Zichzelf vernederde door in al de geschriften van de profeten te geloven, waarom zouden mensen dat ook niet doen? Zijn zij groter dan Hem? Zult u onder degenen zijn aan wie Hij zegt: “ O dwazen, en tragen van hart, om te geloven al wat de profeten hebben gesproken”? (Lukas 24:25). {TN6: 43.3}

Als Christus Zelf “boter en honing” at ten einde “ het kwade te weigeren, en eb het goede te verkiezen,” hoe kunt u dan verwachten te leren wat goed en verkeerd is als u

43

uw ogen sluit opdat u niet ziet en w oren toestopt opdat u niet hoort, en aldus in volledige onwetendheid te blijven betreffende Zijn wil? Zonder Zijn “boter en honing” te eten, zal uw gerechtigheid dan niet zijn als de “vuile klederen” van eigen gerechtigheid (Jes. 64:6)? {TN6: 43.4}

Komt, mijn broeders en zusters, terwijl er een overvloed aan boter is voor uw onderhoud, honing om u blij te maken, en een “gouden oliehouder” vol “olie” om u te doen “schijnen.” Waarom nog langer kwijnen in duisternis, honger lijdende aan schillen(of kaf), terwijl God u verzoekt(of uitnodigt) vrienden te worden met Zijn “jonge koe” en Zijn “twee schapen”? Maar ten slotte heeft u voor uw eigen bestwil, niet voor de hunne, er behoefte aan om u met hun boter te voeden. Komt het dus halen, want, zegt de Heer:

“Een Man Zal” Hen “Voeden.” {TN6: 44.1}

Hier vertelt de Heer ons dat het melken van de twee schapen en de jonge koe (het ontvouwen van de door de hemel gezonden rollen) niet aan allen is toevertrouwd, maar aan “een man” (profeet). Dit betekent dat degene door wie het licht is geopenbaard, deze voorzieningsbronnen voedt {of onderhoudt, koestert} door wijdverspreide belangstelling voor hen op te wekken, hen aldus in leven houdend en producerend. En elk één die in het land zou willen blijven, moet hen zijn bestendige{of betrouwbare, vaste} begunstiging geven, en alert zijn, om vanzelfsprekend, anderen te interesseren in hun duurzame, leven gevende product. {TN6: 44.2}

Wetende dat sommigen de Oude Testament en anderen de Nieuwe Testament

44

Geschriften zouden verloochenen, dat ook nog anderen zouden twijfelen aan de Geest der Profetie, roept God daarom op tot aandacht voor alle drie. De symbolen: “een jonge koe en twee schapen,” uniek in hun melk producerende vermogen, maakt duidelijk dat hun product het leven voor de eeuwigheid kan behouden, en dat de heiligen tot de “man” die hen voedt zullen gaan voor hun boter. Dan zullen zij het verschil kennen tussen

De Geest der Profetie en de Vervalsingen Ervan. {TN6: 44.3}

Men kan zeggen: “Ja, ik geloof in de Geest der Profetie, maar niet zoals u dat doet.” Als datgene echter, wat hij gelooft als zijnde de Geest der Profetie, hem niet ertoe leidt “de geboden van God” te “bewaren”en te weten dat de getuigenis van Jezus Christus de altijd actieve Geest der Profetie (Openb. 12:17;19:10) is, dan kan hij beter dat verzaken en dit aannemen, want “hij die zegt: ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar, en in hem is de waarheid niet.” 1 Johannes 2:4. Op gelijke wijze zegt de Heer: “Wie dan ook de gehele wet zal onderhouden, en toch aanstoot geeft op één punt, die is schuldig aan allen.” Jakobus 2:10.{K.J.V}. “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat…zij door de poorten mogen ingaan in de stad.” Openb. 22:14. {TN6: 45.1}

Als bovendien datgene, wat zo iemand gelooft als zijnde de Geest der Profetie werkelijk dat is, dan zou het de waarheden die hierin zijn ontvouwd moeten openbaren. Aldus zou datgene wat

45

hij aanneemt en wat wij aannemen als de Geest der Profetie bevestigd en verheven zijn. {TN6: 45.2}

Niet lang geleden zei een zekere bedienaar: “Mijn idee over de Geest der Profetie is anders dan het uwe; de profetieën in de Bijbel zijn mijn Geest der Profetie.” Nu , alzo moet hij dat wel zeggen als de Geest der Profetie niet altijd actief was. Maar als de Geest der Profetie begint en eindigt met de Bijbel, dan hebben alle Christenen de Geest der Profetie. Als dit echter zo is, waarom maakt dan de Openbaring een onderscheid tussen Christenen die de Geest der Profetie hebben en degenen die dat niet hebben? Het idee van deze predikant is, op zijn minst gezegd, onlogisch, want het plaatst Openbaring 12:17 en 19:10 in het rijk zonder betekenis. {TN6: 46.1}

Maar wat nog erger is, is dat dezelfde predikant, wanneer hij later tot zijn gemeente spreekt, de leerstellingen van “The Shepherd’s Rod” {De Herdersstaf} deed voorkomen als zijnde in tegenspraak tot de geschriften van Mw. White, welke hij dan betitelde als de  “Geest der Profetie”!  Ja, het is moeilijk te geloven dat predikanten waarin menigten hun vertrouwen in stellen, zo wisselvallig{of onverenigbaar} zouden zijn en dat deze menigten zo blind en zo onwetend betreffende hen zouden zijn! {TN6: 46.2}

Door deze bladzijden heen heeft de Geest der Profetie, door het profetisch Woord, zichzelf bewezen als zijnde onkwetsbaar tegen aanvallen. Het heeft zichzelf bevestigd niet als een stem, beginnend met Mozes en eindigend met Johannes de Doper, maar als de eeuwig levende getuigenis,

46

beginnend bij de schepping en voortgaand met de patriarchen Henoch, Noach, Abraham, Isaac en Jakob; daarna met de profeten; vervolgens met de apostelen; en ten laatste, met de boodschappers van de Heer in onze eigen tijd en verder. Steeds hoger opstijgend bij elke confrontatie, zoals de lezer zonder problemen kan zien, zal het nog hoger opstijgen wanneer er vervolgens in beschouwing wordt genomen dat

Het In Een Kwaad Daglicht Stellen Van Iemands Karakter,

Geen Invloed Heeft Op de Waarheid. {TN6: 46.3}

Gefaald hebbend om door middel van eerlijke middelen op succesvolle wijze het werk van Zuster White te weerleggen, hebben sommigen lange tijd hun toevlucht genomen tot het aanvallen van haar karakter. Denkt wie dan ook dat afbreuk van karakter iemands geschriften onwaar maakt? Als dat zo is, wat zullen zij dan doen met Bileam’s profetie betreffende Christus, onze Verlosser? Het karakter van deze ongelovige profeet was zo verlaagd, dat zelfs terwijl hij winst begeerde van de goddeloze koning van Moab, hij in de diepste huichelarij slachtoffers bracht tot God opdat Hij Israël zou vervloeken. Doch terwijl hij bezig was met deze trouweloosheid, sprak hij de meest verheven profetie uit over Christus: {TN6: 47.1}

“…er zal een Ster komen uit Jakob en een Scepter zal opkomen uit Israël, en zal de grenzen van Moab slaan, en al de kinderen van Set vernietigen. En Edom zal een beziting zijn, ook zal Seir een bezitting zijn voor zijn vijanden; en Israël zal moedig handelen. Uit Jakob zal Hij komen, die heerschappij zal

47

hebben, en hem die van de stad overblijft, zal vernietigen.” Num. 24: 17-19.{K.J.V.} {TN6: 47.2}

Waagt wie dan ook het nu om Christus af te wijzen alleen omdat een goddeloze profeet van Zijn komst profeteerde? Hier is elke gelovige in het Woord van God ertoe gedwongen om toe te geven dat Bileam’s hebzuchtig karakter zijn profetieën niet vals maakte! Hoe kunnen dan beschouwingen van karakter vandaag, enigszins meer dan gisteren, iemands verwerping van het Woord van de Heer rechtvaardigen en aldus zondigen tegen de Heiligen Geest? {TN6: 48.1}

Bovendien zullen degenen, die hun toevlucht nemen tot persoonlijkheden, bij het onderzoeken van zichzelf ondervinden dat hun eigen karakters zevenmaal erger is! Terwijl zij echter duizenden dollars uitgeven, en jaren van zware arbeid om het vertrouwen van de mensen te vernietigen in degenen tegen wie zij de voorkeur hebben valse beschuldigingen aan te brengen, bepleiten zij op hun beurt dat dezelfde menigte hun leerstellingen zouden moeten aannemen, alhoewel hun eigen armoedige karakters die van Mw. White, bij vergelijking, zo wit als sneeuw maken. {TN6: 48.2}

Maar het grootste mysterie ligt in het feit dat menigten deze reusachtige wisselvalligheid{of onverenigbaarheid} niet kan bespeuren! Als het veronderstelde misvormde karaker van Mw. White haar geschriften onbetrouwbaar maakt, hoe komt het dan dat zij rechte, nobele, gebodenbewarende karakters maken van degenen die ze liefhebben? Hoe kunnen wij ons dan ook nog afhankelijk stellen van de geschriften en de meningsuitingen van dezulken die zich tot de diepte verlagen van haar te veroordelen zonder verhoor, terwijl zij in haar graf ligt,

48

niet in staat zijnde om zichzelf te verdedigen? {TN6: 48.3}

Zij hebben haar schriften niet meer weerlegd dan de Farizeeërs de leringen van Christus weerlegden. En zoals de vijanden van Christus door hun kritiek Zijn karakter niet konden veranderen van heilig naar onheilig, alzo kunnen de tegenstanders van Mw.White haar ook niet misvormd maken als zij recht is. Aangezien de ware volgeling van Christus echter, het zich niet kan veroorloven om zijn tijd te verpillen aan hetzij het neerhalen of verdedigen van mensen, is het daarom ons enige doel, om de Waarheid van God te verdedigen, en het feit aan het licht te brengen dat de tegenpartij niets meer heeft gedaan dan

Een Schijnweerlegging Tonen. {TN6: 49.1}

Om dit aan het licht te brengen, moeten wij eenvoudigweg hun sterkste poging onder de aandacht van de lezer brengen, welk het middelpunt is van de gehele twist, en welk een voorbeeld is van hun handelwijzen evenals het kenmerk van hun weerlegging. Deze poging zal welke dwaling dan ook boven water halen, hetzij van Mw. White of van haar tegenstanders. {TN6: 49.2}

In een boekje dat is uitgegeven tegen haar uitlegging van de 2300 dagen van Daniël 8:14, zegt de schrijver: {TN6: 49.3}

“Laat ons deze verklaringen van Mw.White vergelijken en zien hoe zij te vergelijken zijn met de Bijbel en de voorafgaande schriftgedeelten; Ten eerste zeggen de schriftgedeelten ons duidelijk dat toen Jezus de hemel inging, Hij inging tot de

49

 tegenwoordigheid van God en neerzat aan Zijn rechterhand. Mw. White ontkent dit en zegt dat Jezus de hemel inging tot de eerste afdeling van het heiligdom en bediening deed vóór het voorhangsel welke zich voor achttien eeuwen vóór God bevond. Hoe kon Jezus in de tegenwoordigheid van God zijn en aan Zijn rechterhand, en tegelijkertijd bediening doen vóór Hem met een tussen beiden komende voorhangsel? Zou het niet veel beter zijn om te verwerpen wat Mw. White zegt op dit punt en het Woord van God aan te nemen? Als wij de verklaring van Mw. White aannemen, moeten wij dan niet de Bijbel verloochenen? {TN6: 49.4}

Als de verklaring van Mw. White waar is dat Jezus dienst deed vóór God zoals de priesters dagelijks dienst deden in de eerste afdeling van het aardse heiligdom, het bloed van het zondeoffer presenterende, waar was God dan? Was Hij niet in de tweede afdeling? Kan wie dan ook ontkennen dat Hij daar was, volgens het type, wanneer de Schriften leren dat Hij de genadetroon overschaduwde terwijl de priesters dagelijks dienst deden vóór het voorhangsel?”- The Twenty-three Hundred Day 1844 Doctrine Weighed and Found Wanting {De Drieëntwintighonderd dagen 1844 Leerstelling Gewogen en Te Licht Bevonden}, blz.44. {TN6: 50.1}

Daar wij de beschuldiging van de aanklager hebben gehoord, laat ons nu horen naar

Het Antwoord van de Verdediger. {TN6: 50.2}

Aangezien de schrijver van de twee schuinsgedrukte alinea’s absoluut gevoelt dat de troon van God altijd in het hemelse heiligdom is geweest,

50

neemt hij daarom het standpunt aan dat toen Christus opsteeg ten Hemel, Hij nergens anders aan de rechterhand van God kon zitten dan in het Heilige der heiligen van het hemels heiligdom. Dit standpunt leidt hem haastig ertoe te concluderen dat Christus, onmiddellijk na Zijn opstijging, de Allerheiligste afdeling binnenging en daar neerzat aan het rechterhand van God, in plaats van dat Hij onmiddellijk opsteeg naar het rechterhand van Zijn Vaders troon elders in de hemel, zoals de geschriften van Mw. White dat uitleggen. {TN6: 50.3}

Als het waar is dat Gods troon altijd in het heiligdom is geweest, dan is het standpunt van de tegenstanders van Mw. White gerechtvaardigd, en de dwaling zou blootgelegd moeten worden. Maar voordat wij ze aannemen en haar verwerpen, laat ons eerst vaststellen of Gods troon al dan niet in het heiligdom was toen Christus ten Hemel opsteeg. Voor dit doel, richten wij de aandacht op twee tronen, elk op een andere plaats. {TN6: 51.1}

“Na dezen zag ik,” zegt Johannes, “en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, was als het ware van een bazuin, met mij sprekende, zeggende: Kom hier op, en Ik zal u dingen tonen, die hierna moeten geschieden. En terstond was ik in de Geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. {TN6: 51.2}

“En Hij die zat was in het aanzien gelijk aan een jaspis en een sardius steen; en er was een regenboog rondom de troon, in het

51

aanzien gelijk aan een smaragd. En rondom de troon waren vier en twintig zetels; en op de zetels zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen; en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. {TN6: 51.3}

“En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en er waren zeven lampen van vuur brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk; en in het midden van de troon, en rondom de troon, waren vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. {TN6: 52.1}

En ik zag, en zie, in het midden van de troon en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, stond een Lam, als Het was geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde. (…)En ik zag, en ik hoorde de stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizenden van duizenden.” Openb. 4:1-6; 5:6,11{K.J.V.}. {TN6: 52.2}

Alleen thuishorend in het Heiligdom, tonen het bloedende lam en de zeven lampen daarom aan dat Johannes een voorbeschouwing werd gegeven van een profetische gebeurtenis die zou plaatsvinden in het hemelse heiligdom, wanneer de “deur” daar zou “open” gaan. Verder, in zoverre de troon werd opgericht in het heiligdom nadat de deur was geopend, dan kon er d

52

aarvóór geen troon zijn geweest. Dienovereenkomstig, zat Christus na Zijn opstijging niet op de troon van het heiligdom, aan de rechterhand van de Vader, maar eerder op die waar “een zuivere rivier van het water des levens” was, “helder als kristal, voortkomende uit de troon van God, en van het Lam. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens.” Openb.22:1,2. {TN6: 52.3}

Gedenk, dat er vóór de troon van het heiligdom de “glazen zee” is, en vóór de troon van God en het Lam is “de rivier…des levens.” Nu, alleen een dwaas persoon zou trachten uit te leggen dat deze twee tronen (de ene van Openbaring 2:1,2 en de ander van Openbaring 4 en 5) één en dezelfde zijn, of dat Christus, na Zijn opstijging, op de troon in het heiligdom zat. {TN6: 53.1}

In verband met de laatste troon, blijven de {volgende} twee vragen over om te beantwoorden:

Wanneer Ging De Deur Open? Wanneer Was De Troon Opgericht? {TN6: 53.2}

Wij hebben reeds ingezien dat de deur in de tijd van Johannes nog niet was geopend en dat de troon nog niet was opgericht. Hoewel deze gebeurtenissen toen nog niet hadden plaatsgevonden, moeten zij plaatsvinden vóór de afsluiting van de genadetijd, want het Lam “als het was geslacht” werd daar gebracht om verzoening te doen voor de zondige mens–een werk dat niet gedaan kan worden na de afsluiting van de genadetijd. {TN6: 53.3}

Aangezien het daarom een feit is dat deze troon in het bijzonder

53

 opgericht moest worden na de tijd van Johannes +en vóór de afsluiting van de genadetijd, willen dan, indien het niet werd opgericht in 1844 N.Chr., zoals Mw. White verklaarde dat het was, haar tegenstanders alstublieft vertellen wanneer het dat wél was? Terwijl wij wachten op een antwoord, kan de lezer in beschouwing nemen

Het Doel van Het Oprichten van De Troon. {TN6: 53.4}

Johannes’ beschrijving van deze bijzondere troon, om welke menigten van engelen zich bevonden, het Lam, de oudsten, de dieren, en de kandelaren, laat slechts één slotsom toe, dat het de troon des oordeels is. Ditzelfde gerechtelijk tafereel werd ook getoond aan Daniël: {TN6: 54.1}

“Ik zag toe, totdat de tronen neergezet werden, en de Oude van Dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was als de vurige vlam, en Zijn raderen{wielen} als brandend vuur. Een vurige stroom vloeide, en ging van voor Hem uit; duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht werd gezet, en de boeken werden geopend…Ik zag in de nachtgezichten, en ziet, er kwam één als de Zoon des mensen met de wolken des hemels, en kwam tot de Oude van Dagen, en zij brachten Hem nader vóór Hem.” Dan. 7:9,10,13{K.J.V.} {TN6: 54.2}

Door vers 8 te lezen, zal de student opmerken dat de troon die Daniël zag, werd opgezet nadat de vervolgende hoornmacht

54

(welke de “ogen als mensenogen” had, “en een mond, grote dingen sprekende “–Dan.7:8, laatste deel) haar goddeloos werk had gedaan. De woorden “Ik zag toe totdat de tronen neergezet werden” (gezet voor gebruik), toont aan dat de tronen daar eerder niet waren; wederom de slotsom afdwingend dat deze tronen eeuwenlang na Christus’ opstijging “werden neergezet”, “het gericht werd gezet, en de boeken werden geopend.” {TN6: 54.3}

Vers 13 van Daniël 7 en vers 6 van Openbaring 5 tonen aan dat “Eén als de Zoon des mensen” zich vóór de oordeelstroon bevindt, als een geslacht lam, gereed om verzoening te doen voor de zondige mens. Na de sluiting van de genadetijd echter, is Hij niet langer een zondevergevende Verlosser, maar is dan als “KONING DER KONINGEN, EN HEER DER HEREN,” uit “Wiens mond een scherp zwaard uitgaat, opdat Hij daarmee de natiën zou slaan.” Openb.19:16,15. En verder verklaart de Geest door middel van Daniël dat gedurende het oordeel, niet ervoor, er aan “Hem werd gegeven heerschappij, en heerlijkheid, en een koninkrijk, dat alle volken, natiën, en tongen, Hem dienen zouden; [en dat] Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, welke niet zal vergaan, en Zijn koninkrijk datgene wat niet zal vernietigd worden.” Dan.7:14{K.J.V.}. {TN6: 55.1}

De Schriften maken duidelijk dat terwijl Hij in het heiligdom is, Christus het koninkrijk ontvangt nadat “de tronen [zijn] neergezet,” en

55

 nadat het onderzoekend oordeel is voltooid–vóór Zijn tweede komst. Dat dit zo is, wordt verder bewezen door de gelijkenis van Lukas 19:15, welk verklaart dat Christus het koninkrijk ontvangt, en dat Hij daarna komt om Zijn vijanden te slaan{doden}. {TN6: 55.2}

Daniël 7:22 toont aan dat het “oordeel” werd gegeven aan de heiligen van de Allerhoogste en dat zij na het oordeel het Koninkrijk in bezit hadden. Terwijl het uitvoerende oordeel van al de goddelozen-van degenen die niet opstonden in “de eerste opstanding”(Openb.20:5,6)-daarna plaatsvindt, terwijl de goddelozen in hun graven zijn, want Johannes zegt; “En ik zag de doden, klein en groot, staande vóór God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het boek des levens; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.” Openb.20:12. {TN6: 56.1}

Na dit oordeel, “gaf” “de zee de doden, die daarin waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken.” Openb. 20:13. En “wie dan ook niet werd gevonden in het boek des levens, werd geworpen in de poel des vuurs.” Openb.20:15. “…Dit is de tweede dood.” Openb.20:14.

56

Aangezien er twee oordelen zijn, elk voor een andere tijd en groep {klasse}, en twee opstandingen die duizend jaar van elkaar gescheiden zijn (Openb.20:5), zijn er daarom

Twee Verschillende Tronen–Een Regerende en Een Gerechtelijke. {TN6: 56.2}

De regerende troon staat aan het hoofd van de “rivier …des Levens” (Openb.22:1,2), in het Paradijs; de gerechtelijke troon, aan het hoofd van de vurige stroom(Dan.7:10), de “ glazen zee” (Openb.4:6) “met vuur vermengd” (Openb.15:2), in het heiligdom. Dat de laatstgenoemde niet eerder werd opgericht dan jaren na de opstijging van Christus, sluit de mogelijkheid uit dat het die ene {troon} is waarop Hij zat aan de rechterhand van God. Dus moest Christus, na Zijn opstijging, op de troon hebben gezeten die aan het hoofd staat van de rivier des levens–een omstandigheid welke aan de troon verleent de titel: “de troon van God en van het Lam.” Vanuit deze regerende troon stond de Vader op, en ging in een vlammende wagen (Jes.6:1) binnen tot het Heilige der Heiligen binnen het gordijn, waar de vurige stroom, de glazen zee is, en zat daar neer op de troon (Openb. 4:2). Daarop volgend, stond Christus ook op van dezelfde troon, en werd in “een bewolkte wagen, met wielen als vlammend vuur, omgeven door engelen” gebracht, niet tot de rechterhand van God, maar “nader vóór Hem”(Dan. 7:13)–tot de

57

gerechtelijke troon, waar Hij zich in het heiligdom bevond. Aldus werd de plechtige gebeurtenis aangetekend in 1844, toen de gerechtelijke ceremonie plaatsvond. (Over dit onderwerp wordt verder uitgewijd in onze Traktaat Nr. 3, Het Oordeel en de Oogst{Tract No.3, The Judgment and The Harvest}.) {TN6: 57.1}

De reden nu waarom Gods troon niet altijd in het hemelse heiligdom is geweest en waarom het niet altijd daar zal zijn, is eenvoudigweg omdat het heiligdom was gebouwd alleen maar voor het wegdoen van de zonde, zoals men dat gemakkelijk kan bekennen door middel van de dienst van het aardse {heiligdom}. Vooruit ziende op de tijd waarin er geen zonde meer zal zijn, zegt Johannes: “En ik zag geen tempel daarin; want de Here God Almachtig en het Lam zijn de tempel ervan. En de stad behoeft de zon en de maan niet, om erin te schijnen; want de heerlijkheid Gods verlichtte het, en het Lam is het licht ervan.” Openb.21:22,23. {TN6: 58.2}

Door de keten van feiten die hier verbonden zijn, staat de “1844 leerstelling,” in plaats van zijnde “gewogen en licht bevonden,” nu vaster, gegronder, en zekerder dan ooit, aantonend dat geïnspireerde

58

openbaringen, gelijk olie en water, altijd opstijgen boven eigenmachtige theorieën, terwijl de theorieën neer – en wegzinken in de vergetelheid. (Voor verdere studie over Openbaring 4 en 5, het Oordeel, lees The Shepherd’s Rod, Vol.2, blz. 187-201{De Herdersstaf, Deel 2}).{TN6: 58.3}

Mijn broeders en zusters, wees niet als de Joden van ouds, verbolgen tegen de Waarheid, de stralende licht ervan hatende, maar prijs God voor het geven van een andere gelegenheid aan u om te hervormen terwijl de genade nog geldt. En alhoewel een hartgrondige belijdenis iemands trotse mening kan vernederen, zal het toch zijn karakter verbeteren en God veroorzaken hem te verheffen “te Zijner tijd” (1Petr.5:6) met het eeuwige leven. Als persoonlijke tegenstand tot de boodschap puur afstamt van misvatting en misverstand, ontstaan niet door eigen belang maar slechts door een gewetensvolle{nauwgezette} verlangen om dwaling te vermijden, dan valt er geen veroordeling op te leggen op iemands beschuldiging: alleen wanneer men op koppige wijze zou doorgaan om bewijzen te verwerpen, zou er een veroordeling op hem rusten. Het ontvouwen van de profetische rol zal aan allen openbaren “van welk soort geest{gezindheid}” (Gospel Workers{Evangeliewerkers}, blz.302) zij zijn – hetzij gewillig om dwaling om te ruilen voor waarheid, of vastbesloten om zich kenbaar te maken als de klasse die voor altijd zal worden bevonden als

Onwetend Vechtende Tegen de Waarheid. {TN6: 59.1}

De tegenstanders van de waarheid, door Inspiratie

59

te negeren en te verzuimen een zorgvuldige overdenking aan de zaak te besteden, werden natuurlijk ertoe geleid om de leerstelling van de 2300 dagen te verwerpen; ten eerste met de verontschuldiging dat William Miller de komst van de Heer naar de aarde verkondigde in plaats van Zijn komst tot het oordeel; en ten tweede, door bevooroordeeld  te zijn tegen de Inspiratie van Zuster White. Maar aangezien de godsdienstige banden van Miller voornaam waren, kon God Zijn volk niet consequent achterlaten om te gissen en struikelen in duisternis betreffende zijn werk. Ook moet het, hetzij goed of slecht, net als dat van Zuster White, gevonden worden in het “profetisch woord, dat zeer vast staat.” 2 Petr.1:19. Dus wordt onze aandacht gevestigd op

Zacharia, Hoofdstuk Eén. {TN6: 59.2}

“Ik zag des nachts, en ziet, een man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter hem waren rode, gevlekte en witte paarden. Toen zeide ik: O, mijn heer, wat zijn deze? En de engel die met mij sprak, zeide tot mij: Ik zal u tonen, wat deze zijn. En de man, die tussen de mirten stond, antwoordde, en zeide: Deze zijn het, die de Here uitgezonden heeft, om de aarde te doorwandelen. En zij antwoordden  de engel des Heren, die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben de aarde doorwandeld, en ziet, de ganse aarde zit stil, en is in rust.” Zach. 1:8-11.{K.J.V.}. {TN6: 60.1}

60

shepherds-rod-tract-6-zechariah-1

61

1.Wat zijn deze? 2. Ik zal u tonen, wat deze zijn.3. Deze zijn het, die de Here uitgezonden heeft, om de aarde te doorwandelen. 4. Wij hebben de aarde doorwandeld.} {TN6: 62.1}

De “twee schapen” en de “jonge koe” (Jes.7) geven, zoals reeds is aangetoond, een veel overvloediger voorraad melk dan dat wij onmiddellijk kunnen uitgeven. Dus zijn wij genoodzaakt om in de volgende studie van Zacharia 1, zoals wij dat waren in de studie van Jesaja 7, en ook in die van Zacharia 4, om slechts het “boter” (room) te geven en de melk te bewaren. {TN6: 62.1}

In het visioen van Zacharia 1, merken wij op dat de “paarden” “die de Heer uitgezonden heeft om de aarde te doorwandelen,” de gave hebben om te spreken, want  “zij antwoordden de engel des Heren…en zeiden: Wij hebben de aarde doorwandeld.”  De vanzelfsprekende mededeling van dit symbolisme is dat deze “paarden” kunnen spreken en dat zij de Heer dienen door te gaan waarheen Hij hen uitzendt. Zij kunnen daarom alleen een voorstelling zijn van de dienstknechten van de Heer, de bediening {geestelijke leiding}die wordt “uitgezonden.” {TN6: 62.2}

Het is dan onvermijdelijk, dat het symbolisme een Beweging voorzegt, die voortgaat met een boodschap en welke, bij het voleindigen van haar werk van uitgaan om “de aarde” te “doorwandelen,” terugkeert. {TN6: 62.3}

Zonder de logica tegen te spreken, kan men niet veronderstellen dat dit symbolisme een profetische beschrijving is van de evangeliewerkers die worden voorschaduwt in de profetie van Christus dat “dit evangelie van het koninkrijk zal gepredikt worden in de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natiën; en dán zal het einde komen.“ Matt.24:14. Want nadat de paarden

62

beantwoordden met: “Wij hebben de aarde doorwandeld” – wat betekent, “Wij hebben ons werk volbracht,”-gebiedt de Heer hen: “Roep nog,” dat wil zeggen, verkondig weer! En dit gebod geeft bovendien aan, dat de Heer nochtans Zijn genade zou uitstorten op Zijn volk, en alsnog Zijn verlossingswerk zou volbrengen, want Hij zegt: “Mijn steden zullen… nóg uitgespreid worden; en de Here zal Sion nóg troosten, en zal Jeruzalem nóg verkiezen.” Zach.1:17.{K.J.V.}. {TN6: 62.4}

Het is daarom noodzakelijk, dat de “paarden” die hier in zicht zijn een opgerichte Beweging voorstellen, die is georganiseerd om de boodschap over de gehele aarde te verkondigen. Het antwoord van de paarden: “Wij hebben de aarde doorwandeld, en ziet, de ganse aarde zit stil, en is in rust,” openbaart dat de beweging  dacht dat haar werk volbracht was en dat de genadetijd was gesloten. Met andere woorden, zij dacht dat de verlossing door middel van het evangelie was afgelopen en dat het verkondigen ervan de aarde niet langer kon veroorzaken om bekeerlingen voort te brengen. (Aangezien het onderwerp van het symbolisme het voortbrengen van geestelijk leven is, roept het noodzakelijkerwijs op tot de verlossing van zielen, niet tot het voortbrengen van het plantaardig of dierlijk leven.) Terwijl de Heer in feite hen de opdracht gaf :”roep nog,” wat aantoont dat zij het verkeerd {zich vergist} hadden. {TN6: 63.1}

Om vast te stellen of deze symbolische profetie verwijst naar Gods dienstknechten uit het verleden, van vandaag, of in de toekomst, moet men de kerkelijke geschiedenis raadplegen. Haar bladen vermelden

63

 dat de Beweging van de Millerieten de enige is die was uitgegaan met een boodschap tot elke Christelijke zending in de wereld (De Grote Strijd, blz. 343/ The Great Controversy, blz.368), en die per vergissing dacht, dat door zo te doen, de laatste uitnodiging van het evangelie was geklonken tot ieder levend schepsel onder de hemel, wat daarbij kenmerkte dat de genadetijd voor de mens was gesloten. In tegendeel was de uitnodiging van het evangelie voor deze tijd, in plaats van te zijn afgesloten, pas begonnen, en in plaats van dat de Heer toen naar de aarde kwam, ging Hij tot Zijn hemelse tempel! {TN6: 63.2}

De bijzondere samenloop van omstandigheden die de Millerieten Beweging omringde vóór 1844, bevestigt dat het degene is die wordt voorgesteld in het symbolisme van Zacharia 1.  En er zou eraan gedacht moeten worden dat de Heer enerzijds niet de waarschuwing toevoegde: “Kijk uit, want deze paarden zijn valse (vergissende) profeten,” of anderzijds de paarden berispte of hen gebood om te zwijgen, maar dat Hij hen in de plaats gebood om des te meer te roepen. En de engel des Heren verklaart ter bevestiging: “Deze zijn het, die de Here uitgezonden heeft.” {TN6: 64.1}

Johannes de Doper predikte dat Christus een letterlijke koninkrijk zou oprichten bij Zijn eerste komst, en alhoewel Johannes het verkeerd had {begrepen}, zei de Heer van hem: Er is niemand opgestaan groter dan Johannes de Doper.” Matt.11:11. En met het oog op het licht dat nu schijnt vanuit de Schriften, kan een

64

ieder zien dat degenen die voortdurend uitroepen: “Gevaar! gevaar!” ter bespotting van de 2300-dagen leerstelling, willens en wetens, aan het werken zijn tegen God door te trachten Zijn stem tot zwijgen te brengen. Zij voeren het bevel uit van hem die de waarheid probeert te verbergen, dat de volgende beweging na de Millerieten beweging het evangelie moet verkondigen

Tot Velen Maar Niet tot Allen. {TN6: 64.2}

Aangezien de Openbaarder ook een visioen was gegeven van deze twee bewegingen (opgetekend in de hoofdstukken 10 en 11), richten wij de aandacht van de lezer op het “boekje” welke hem werd gevraagd op te eten. In zijn “mond” was het zo zoet als honing, maar in zijn “buik” werd het zeer bitter. Deze abrupte ervaring, in visioen, van een zoete voorsmaak die verandert in een bittere teleurstelling, voorzegt op exacte wijze de 1844 ervaring van Gods volk. Hun zoete en alles in beslag nemende hoop in de belofte van de Heer: “ Ik zal weder komen, en u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben” (Johannes 14:5), werd toen verwacht verwezenlijkt te worden, terwijl het in de plaats veranderde in een bittere teleurstelling. {TN6: 65.1}

Volgend op deze zoet-bitter ervaring, kwam de vervulling van de woorden van de engel: “Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en talen, en koningen.“ Openb.10:11. {TN6: 65.2}

Ook hier, zoals in de profetie van Zacharia, zou de Beweging “wederom profeteren” of “nóg roepen”; dat wil zeggen: haar zending{missie} herhalen, aantonend dat de genadetijd niet was gesloten. {TN6: 65.3}

65

Dus zou de beweging, met het gezag van deze schriftgedeelten, opnieuw, na de teleurstelling, het evangelie verkondigen, maar slechts tot “velen,” niet tot “allen.” Dienovereenkomstig, zou  de kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten in haar opdracht van 1844, “profeteren” (leren), niet tot “alle,” maar eenvoudigweg tot “vele” natiën. Noodzakelijkerwijs moet zij dan een andere opdracht ontvangen, één om naar “alle natiën” te gaan. {TN6: 66.1}

Er is daarom een andere boodschap; het zal zich voegen bij de Derde Engel Boodschap, net zoals er wordt verklaard door de Geest der Profetie: {TN6: 66.2}

“Toen zag ik een andere machtige engel die werd opgedragen om naar de aarde neer te dalen, om zijn stem te verenigen met de derde engel, en kracht en macht te geven aan zijn boodschap. Grote kracht en heerlijkheid werden aan de engel toebedeeld, en toen hij neerdaalde, werd de aarde verlicht met zijn heerlijkheid…Deze boodschap scheen een toevoeging te zijn aan de derde boodschap, zich erbij voegende zoals de middernacht roep zich voegde bij de tweede boodschap in 1844.”-Early Writings, blz.277/Eerste Geschriften, blz.331,332. {TN6: 66.3}

“Wanneer er licht voortgaat om de aarde te verlichten,” zegt de Geest der Profetie, betreffende de ontvangst van de boodschap door de kerk, en de manier waarop de Heer dan zal werken, “zullen zij, in plaats van de Heer ter hulp te komen, Zijn werk willen inbinden om aan hun bekrompen ideeën te voldoen. Laat mij u vertellen dat de Heer bij het laatste werk op een manier zal werken die zeer veel afwijkt van de normale stand van zaken, en op een manier dat in tegenstelling zal zijn tot welke menselijke

66

planning dan ook. Er zullen onder ons degenen zijn die altijd het werk van God willen beheren, om zelfs te dicteren welke acties ondernomen zullen worden wanneer het werk voorwaarts gaat onder de leiding van de engel die zich voegt bij de derde engel in de boodschap die gegeven zal worden aan de wereld. God zal manieren en middelen gebruiken waardoor het gezien zal worden dat Hij de teugels in Eigen handen neemt.” –Testimonies to Ministers{ Getuigenissen aan Predikanten}, blz. 300. {TN6: 66.4}

Weer terugkerend naar “het woord der profetie, dat vaster staat,” op zoek naar de opdracht tot alle natiën, ondervinden wij ook dat

Voordat Het Evangelie tot Alle Natiën Gaat,

Er Een Grote Slachting Plaatsvindt. {TN6: 67.1}

“Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de Here in het recht treden {pleiten} met alle vlees; en de verslagenen des Heren zullen velen zijn.” Jes.66:16.{K.J.V.} {TN6: 67.2}

Hier zien wij juist dat-een grote slachting; en dat door de Heer Zelf. Maar waar de lezer natuurlijk zich het meest om bekommert is te weten wanneer en waar deze vernietiging zal plaatsvinden. Vers 19 en 20 verklaren dat degenen die aan de slachting ontkomen, de Here zal zenden tot alle natiën die Zijn “gerucht” nog niet gehoord, “noch” Zijn “heerlijkheid gezien hebben.” {TN6: 67.3}

Van de opdracht tot de grote wereld wijde zendingsbeweging die hier in zicht wordt gebracht, en welke noodzakelijkerwijs plaatsvindt voor de afsluiting van de genadetijd, wordt de slachting duidelijk gezien als zijnde uitgevoerd voordat het “evangelie van het Koninkrijk

67

gepredikt zal worden in de gehele wereld tot een getuigenis voor alle natiën; en… het einde komen.” Matt.24.14. “En zij [de ontkomenen] zullen al uw broeders uit alle natiën de Here tot een spijsoffer brengen…in een rein vat brengen in het huis des Heren.” Jes.66:20.{K.J.V.} {TN6: 67.4}

Gedenk dat zij die ontkomen aan de slachting degenen zijn die deze zielenoogst uitvoeren. De slachting is daarom de vernietiging van het “onkruid” dat zich bevindt onder Gods volk-de kerk. Indien het zou zijn uit de heidenen (degenen buiten de kerk), dan zouden degenen die ontkomen zelf ook heidenen moeten zijn. En dezulken zouden noch Zijn heerlijkheid en Zijn gerucht kunnen verkondigen noch al hun broeders in het huis des Heren brengen. Ook zou er geen enkele natie over zijn waartoe de ontkomenen zouden kunnen gaan! {TN6: 68.1}

Verbind dit met het feit dat degenen die aan de slachting ontkomen degenen zijn die naar alle natiën gaan en al hun broeders (allen die gered zullen worden) in het huis van de Heer brengen, en u heeft een onbreekbare opeenvolging van bewijzen dat deze vernietiging plaatsvindt net voordat het evangelie in haar laatste golf{aanzwelling} over de gehele wereld gaat. {TN6: 68.2}

Hoewel deze volle aandacht trekkende onderwerp slechts kort hier wordt behandeld, staat toch de waarheid ervan, betreffende duidelijkheid, harmonie, en logica, in dezelfde rang als welk andere dan ook. Het geeft een profetische beschrijving van de kerkgeschiedenis vanaf de tijd van Miller tot de tegenwoordige tijd, aantonend de

68

 sluiting van elke Beweging, evenals haar werk en bestemming; dat wil zeggen, de vergissing die aanwezig was bij de Millereten Beweging (het aannemen dat de reiniging van het “heiligdom” de reiniging van de aarde betekent); de beperkte opdracht van de Zevende-Dags Adventisten Beweging (het de bevoegdheid gevend om te gaan, niet tot “alle” natiën maar eenvoudigweg tot “vele”); haar reiniging ( het verwijderen van het onkruid uit het midden van haar); het inwijden van haar als een nieuwe, en gereinigde beweging, de kerk van Christus voorstellend, Zijn gezegende naam waardig, voor het eerst vanaf de apostolische dagen. Eindelijk een licht tot de gehele wereld zijnde, verkondigt het met en luide roep “tot een getuigenis voor alle natiën”: dan komt de finale-het onvermijdelijke einde. (Matt. 24:14). {TN6: 68.3}

Deze samengestelde beeldende openbaring van evangeliewerk en werkers, bijgedragen door de profeten, maakt een kerk bekend die “de geboden van God” onderhoudt en “het getuigenis van Jezus Christus” heeft. Het is “gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, …’schoon als de maan, helder als de zon en een krijgsschaar met banieren,…om de gehele wereld in te gaan, overwinnende en om te overwinnen.” -Prophets and Kings, blz.725/Profeten en Koningen, blz.445. {TN6: 69.1}

Enerzijds stelt het licht van de Tegenwoordige Waarheid het oog in staat om zowel het werk van William Miller als dat van Zuster White diep geworteld te zien in het “vaster staande woord der profetie.” Anderzijds legt het bloot de geestelijke armoede en naaktheid van

69

hun critici. De stem van de Heer wordt ook gehoord, die tegen hen zegt: “Ik heb deze profeten niet gezonden, nochtans liepen zij; Ik heb hen niet gesproken, nochtans profeteerden zij.” Jer.23:21.{K.J.V.} {TN6: 69.2}

De ogen van de Heer, die overal de gehele aarde doordringen, hebben niet gefaald om deze ongeroepen werkers te voorzien, die, niettegenstaande Zijn van ver en dichtbij klinkende ernstige waarschuwing dat “de grote en vreselijke dag des Heren” hier is, in blinde tegenspraak proberen de stem der Waarheid te overstemmen met hun opstijgende roep van “vrede en veiligheid.” Laten wij, mijn broeders en zusters, onze oren afkeren van de menigte stemmen die afwijken van de Heilige Geest, en ernstig gehoor geven aan

Het Laatste Pleidooi van De Heer. {TN6: 70.1}

“Zo zegt de Here der heerscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten die tot u profeteren; zij maken u ijdel: zij spreken het gezicht huns harten, en niet uit des Heren mond. Zij zeggen steeds tot degenen die Mij verachten: De Here heeft het gesproken, gij zult vrede hebben; en zij zeggen tot een ieder die naar het goeddunken van zijn hart wandelt: Geen kwaad zal u overkomen. Want wie heeft in des Heren raad gestaan, en Zijn woord gezien en gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?” Jer.23:16-18. {TN6: 70.2}

“Ziet,” antwoordt de Heer Zelf, “een wervelwind des Heren is uitgegaan in

70

grimmigheid, namelijk een verschrikkelijke{ernstige} wervelwind; het zal verschrikkelijk{ernstig, pijnlijk} vallen op het hoofd van de goddeloze. De toorn des Heren zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben uitgevoerd de gedachten van Zijn hart: in de laatste dagen zult gij volkomen daarop letten. Ik heb deze profeten niet gezonden, nochtans liepen zij; Ik heb hen niet gesproken, nochtans profeteerden zij. Maar indien zij in Mijn raad hadden gestaan, en Mijn volk Mijn woorden hadden doen horen, dan zouden zij hen hebben doen afkeren van hun boze weg, en van de boosheid hunner handelingen.” Verzen 19-22.{K.J.V.} {TN6: 70.3}

Het is overduidelijk dat de tegenstand wordt veroorzaakt en gevoed door zelfaangestelde leiders die, door openlijk toe te kennen geen aanspraak te maken op “inspiratie,” daarmee onbewust uitroepen dat de Heer hen niet gezonden heeft! Toch bemerken noch zij noch hun aanhangers de ironie of de dwaasheid van hun standpunt! Vandaar: “slapende predikanten, predikend tot een slapend volk!” –Testimonies{Getuigenissen}, Vol. 2, blz.337. {TN6: 71.1}

Wanneer zij zichzelf van aangezicht tot aangezicht bevinden met ofwel de “overstromende gesel” (Jes.28:18) van de laatste bezoeking van “de toorn Gods” (Openb.15:1), zullen zij doorstoken worden met de tragedie van een nutteloze bewustwording. Datgene wat hen nu van een afstand als een begoocheling toeschijnt, een oceaan van genade, zal hen dan onafwendbaar verzwelgen in een hopeloze{bodemloze, gruwelijke} ondergang-voor eeuwig! {TN6: 71.2}

“Want de Here zal opstaan, gelijk op de berg Perazim, Hij zal toornig zijn, gelijk in het dal

71

van Gibeon, opdat Hij Zijn werk kan doen, Zijn vreemd werk; en Zijn daad {kan} doen geschieden, Zijn vreemde daad. {TN6: 71.3}

“Nu dan, wees gij geen spotters, opdat uw banden niet sterk gemaakt worden: want Ik heb van de Here God der Heerscharen gehoord een vertering, die namelijk vastbesloten is over de gehele aarde. Neemt gij ter ore en hoort mijn stem; merkt op en hoort Mijn rede” (Jes.28:21-23 {K.J.V.}), opdat uw hoop van genade niet “{zal} zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar hij ontwaakt, en zijn ziel is leeg: of gelijk wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt: maar hij ontwaakt, en ziet, hij is mat, en zijn ziel is begerig: alzo zal  de menigte van alle natiën zijn, die tegen de berg Sion strijden. {TN6: 72.1}

“Vertoeft{wacht}, en verwondert u; roept gij uit, en roept: zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterke drank. Want de Here heeft over u uitgegoten een geest van diepe slaap, en heeft uw ogen toegesloten; de profeten en uw heersers, de zieners heeft hij bedekt. En het gezicht van allen is tot u geworden gelijk de woorden van een boek dat is verzegeld, dat men geeft aan één die geleerd is, zeggende: Lees dit, bid ik u; en hij zegt: Ik kan het niet, want het is verzegeld; en het boek  wordt gegeven aan hem die niet geleerd is, zeggende: Lees dit, bid ik u; en hij zegt: Ik ben niet geleerd.”Jes.29:8-12.{K.J.V.} {TN6: 72.2}

“Mannen en vrouwen bevinden zich in de laatste uren

72

van de genadetijd, en toch zijn zij onoplettend en dwaas, en predikanten hebben geen macht om hen aan te sporen; zij zijn zelf slapende. Slapende predikanten, predikend tot een slapend volk.”-Testimonies {Getuigenissen}, Vol. 2, blz. 337. {TN6: 72.3}

“Twijfel en zelfs ongeloof in de getuigenissen van de Geest van God, doordringen…gemeenten overal. Satan wil dat zo. Predikanten die zichzelf prediken in plaats van Christus, willen dat zo.”- Testimonies, Vol. 5, blz. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz.178}. {TN6: 73.1}

Broeders en zusters, omdat de Heer u liefheeft, en omdat Hij ervan walgt om van u een vat van oneer te maken, richt Hij dit traktaat tot u. Ook wij zijn bedroefd dat u, gelijk de Joden van oud, zich diep betrokken heeft in een strijd tegen de Geest der Profetie-een strijd die u niet kunt winnen. Door de door de hemel gezonden boodschappen te verwerpen, door de wijze raad van de geleerde Gamaliël (Handelingen 5:34-39), en door aanhoudend te trachten om met schriftgedeelten uw twijfelachtige uitleggingen van de Bijbel te ondersteunen, zoals de Sabbatovertreders dat doen door de waarheid van de Sabbat te ontwijken, volgt u dezelfde koers welke, indien er daarin volhard wordt, u ertoe zal leiden de zonde tegen de Heilige Geest te plegen. {TN6: 73.2}

In plaats van uw stemmen te verheffen tegen de waarheid, verhef ze tot lofprijzing ervan en aan de Heer, want Hij heeft uw dwaasheid toegeschreven aan uw onwetendheid van de waarheid. Als u terugkeert tot Hem bij deze laatste waarschuwing, zal Hij u blijmoedig ontvangen en zijn dienstknechten opdragen u te kleden met zijn beste “kleed”

73

(Christus’ gerechtigheid-Jes.52:1), een “ring” te plaatsen om uw vinger (het bewijs van uw prinsschap-Ester 3:12; 8:2; Gen.41:42, 43), “schoenen” te plaatsen aan uw voeten (u voorbereiden voor de verkondiging van het evangelie-Ef.6:15) en dan “hierheen brengen het gemeste kalf” (u thuis verwelkomen in Zijn huis-het Koninkrijk-om “het bruiloftsavondmaal van het Lam” te vieren-Lukas 15:23; Openb.19:9)! {TN6: 73.3}

Maar hoewel onze gebeden voor u worden opgezonden, zullen zij geen uitwerking hebben als u voortgaat met het tegenstaan van de waarschuwende bevelen en pleidooien van de Geest evenals uw eigen overtuigingen, en nog langer weigert of nalaat om een volledige kennis te verkrijgen van de Bijbelse waarheden voor deze tijd. {TN6: 74.1}

(Degenen die Openbaring 11 verder wensen te bestuderen, kunnen gratis kopieën van onze Traktaat Nr. 5, Laatste Waarschuwing, en Nr. 2, De Waarschuwende Paradox, welke gedetailleerde bewijzen vergaren dat deze drie Bewegingen in profetie worden gevonden.) {TN6: 74.3}

Mijn broeders en zusters, “staat op, schijn; want uw licht is gekomen” Jes. 60:1{K.J.V.}. “Ziet op de bergen de voeten van hem die goede berichten brengt, die vrede publiceert!” Die zegt: “ O Juda, onderhoud uw plechtige feesten, voer uw geloften uit; want de goddeloze zal niet meer door u hen trekken; uit is volkomen afgesneden.” Nah.1:15{K.J.V.}. Wandel in het licht, en sta degenen, die altijd twijfels en kritiek hebben over alles waaraan zij geen deel hebben, niet toe uw eeuwige beloning in gevaar te

74

brengen door hun ijdele vragen, zoals

Hoe Zit Het Met de Onderwijzing Door Vrouwen? {TN6: 74.3}

Wanneer zij van aangezicht tot aangezicht worden gebracht met de waarheid, handelen sommigen als mensen die hun verstand hebben verloren. Als vissen die zich naar het lokaas snellen, gaan zij op dwaze wijze haastig over tot conclusies. En wanneer zij op genadevolle wijze zijn bevrijd van de haak, en hen een kans wordt gegeven om te leven, snellen zij zich, in plaats van het verzaken van hun hebzuchtige, zelfzuchtige beleidsvoeringen, en zichzelf ervan te weerhouden om weer gevangen te worden, naar een andere lokaas, alleen maar om zichzelf steeds weer aan de haak geslagen te bevinden. Wanneer zij aldus ondervinden dat zij zichzelf herhaaldelijk in diskrediet hebben gebracht, dan besluiten zij zelfs dàn niet om het juist te hebben en op de juiste weg te blijven. {TN6: 75.1}

Degenen die zichzelf in een hoek laten drijven en afgesneden van elke ingang van ontkomen aan de waarheid, in plaats van hun verkeerde meningen over te geven, wagen een wanhopige poging om hun plicht te ontduiken, door vervanging van het afzonderen van de schriften: “Laat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar haar is geboden om onder gehoorzaamheid te zijn, gelijk ook de wet zegt.” 1 Cor.14:34{K.J.V.}. {TN6: 75.2}

Deze toevlucht echter, scherpt slechts het punt aan van de waarheid dat het nooit redelijk is dat men een standpunt aanneemt over een zaak, alleen maar vanwege een mening dat is afgeleid van een of twee verzen, zonder eerst de verzen in beschouwing te nemen in het licht van de gehele hoofdstuk,

75

ja, zelfs van de gehele Bijbel; want als iemands uitlegging van de Schriften niet wordt ondersteund door iedere zin van het Heilig Schrift, dan is het een valse uitlegging, een blinde conclusie {slotsom}, zonder de Bijbel als grondslag. {TN6: 75.3}

In 1 Corintiërs 14 ondervinden wij dat velen van de vrouwen “uitzinnig” waren geworden (vers 23) van het spreken in onbekende talen. Vandaar dat Paulus probeert de verwarring uit te sluiten, niet om wie dan ook, die een geïnspireerde boodschap heeft te brengen, het zwijgen op te leggen. Een poging om vrouwen ervan te weerhouden te onderwijzen zou niet in harmonie zijn met de volgende schriftgedeelten: {TN6: 76.1}

“En Debora, een profetes, de vrouw van Lappidoth, deze richtte in die tijd Israël. En zij woonde onder een palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-El, op het gebergte van Efraïm: en de kinderen Israëls gingen op tot haar ten gerichte.” Richteren 4:4.5. En er was ene Anna, een profetes, de dochter van Fanuël, uit de stam van Aser; zij was tot grote ouderdom gekomen, en heeft met haar man zeven jaren geleefd, van haar maagdom af; en zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, die niet week uit de tempel, maar God diende met vasten en bidden, dag en nacht.” Lukas 2:36,37 {K.J.V.}. Ook “Hulda, de profetes, de vrouw van Sallum” onderwees Israël(2 Koningen 22:14-16). En “Filippus, de evangelist…had vier dochters, maagden, die profeteerden.” Handelingen 21:8,9. {TN6: 76.2}

Zij die dus denken dat Paulus een vrouw verbiedt te onderwijzen, zijn niet in het minste

76

de functie van Mw. White te schande aan het maken of in twijfel te trekken, maar zijn eerder onwetend bezig de geschriften van Paulus in een kwaad daglicht te stellen – proberende hen in een schijnbare tegenstrijd te brengen met de geschriften van zijn medeschrijvers van de Schriften. {TN6: 76.3}

Zij die zorgvuldig onderzoeken zullen leren zich niet te haasten naar met lokaas {versierde} {vis}haken, maar eerder zich nederig te onderwerpen aan de leringen van de Geest van Christus als zij verwachten dat Hij hen verlost van de vloek der zonde en van de toorn Gods. {TN6: 77.1}

(Betreffende de gevolgen van het verwerpen van de profeten van God  van deze tijd, bestudeer onze Tract No.4, The Latest News for Mother{ Traktaat Nr.4, Het Laatste Nieuws voor Moeder}, uitgave 1941, blz.53,54) {TN6: 77.3}

Net zoals de Geest, in de preek op de dag van het Pinksterfeest, beredeneerde met de Joden, om hem te verlossen van de eeuwige ondergang, zo redeneert Hij in deze bladzijden met u, broeders en zusters. In hoofdzaak zei Hij tot hen: “Gelijk David profeteerde van Eén Die geen verderving zou zien, kon het niet mogelijk zijn dat zijn profetie op zichzelf van toepassing was, zoals u veronderstelt, want zijn lichaam ligt verdorven in zijn graf tot op deze dag. God heeft slechts Eén [Christus] doen opstaan zonder dat Zijn lichaam verderving heeft gezien”(Handelingen 2:22-32); daarom moet Hij de enige zijn waarop Davids profetie van toepassing kan zijn. {TN6: 77.3}

De redenering van Petrus dat de profetie van David van toepassing is op Christus’ opstanding, heeft geen duidelijkere ondersteunend bewijs dan dit traktaat

77

 heeft in het aantonen dat de geschriften van Mw. White, tezamen met wat hier is geopenbaard, de Geest der Profetie is-het “getuigenis van Jezus.” Openb. 19:10. Als u dus ook de oneerbare koers navolgt welke die goddeloze Joden navolgden, zal uw schuld dan enigszins minder zijn dan de hunne? Waarom {zou u} dan nu zo handelen om in die schuld te delen? Waarom niet nu in de plaats de betere keuze maken, en de Geest van God dezelfde woorden in uw monden laten zetten zoals Hij dat deed in de monden van de weinige boetvaardige Joden, die ernstig vroegen: “Mannen broeders, wat zullen wij doen?” Handelingen 2:37. {TN6: 77.4}

Wees niet als de “bijna bewogen{overtuigde,overgehaalde}” Agrippa. Handel niet in tegenstelling tot uw overtuigingen, zoals Felix dat deed, zeggende: “Voor dit maal ga heen; en als ik gelegen tijd  zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen”(Handelingen 26:28;24:25), want de Heer zegt: “Heden, indien gij Zijn stem zult horen, verhardt uw harten niet.” Hebr.4:7. {TN6: 78.1}

Nu, broeders, u weet best wel dat u niet in waarheid in staat bent geweest om welk gedeelte dan ook van De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod} te weerleggen. Waarom dan doorgaan met uw kritiek in het “ontvouwen van waarheid,” totdat u zich onherroepelijk bevindt onder de klasse wiens kwade werken werden voorzien en opgetekend door Inspiratie: {TN6: 78.2}

“Zij zullen alles in twijfel trekken en bekritiseren wat opkomt in het ontvouwen van waarheid, het werk en de positie van anderen bekritiseren, iedere afdeling van het werk bekritiseren

78

waaraan zijzelf geen deel hebben. Zij zullen zich voeden met de fouten en vergissingen en verkeerdheden  van anderen, ‘totdat,’ zeide de engel, ‘de Here Jezus zal opstaan van Zijn bemiddelend werk in het hemels  heiligdom, en Zich zal bekleden met het gewaad van vergelding {wraak}, en hen verrassen tijdens hun onheilige feest; en zij zullen zichzelf onvoorbereid bevinden voor het bruiloftsavondmaal van het Lam.’ Hun smaak is zo verdorven geweest dat zij geneigd zouden zijn om zelfs de tafel van de Heer in Zijn Koninkrijk te bekritiseren.”-Testimonies, Vol.5, blz.690{Getuigenissen, Deel 5, blz. 561,562}. {TN6: 78.3}

Laten de heiligen nu dus, van de gehele zaak, gehoor geven aan

De Slotsom. {TN6: 79.1}

In de volheid van het licht dat deze bladzijden toeschijnt, zou de lezer, zoals in de helderheid van de middag, moeten zien, dat de altijd tegenwoordige Geest der Profetie alleen in staat is om te gaan met de verwarring in de wereld van vandaag, die resulteren van de vele “winden van leer.” {TN6: 79.2}

“Ziet,” zegt het Woord, “ Ik zal u zenden de profeet Elia, voor de komst van de grote en vreselijke dag des Heren.” Naar hem zult gij luisteren. “En er zal op iedere hoge berg, en op iedere hoge heuvel, rivieren en stromen van wateren zijn op de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen.” “Zie, de naam van des Heren komt van verre, brandende met Zijn toorn,

79

en de last daarvan is zwaar: Zijn lippen zijn vol gramschap, en zijn tong als een verterend vuur; en Zijn adem zal, als een overstromende stroom, tot het midden van de hals reiken, om de natiën te ziften met de  zeef der ijdelheid; en er zal een breidel zijn in de kaken van de volken, wat hen zal doen dwalen,” “omdat zij de liefde van de waarheid niet ontvangen hebben, opdat zij gered mogen zijn.” Mal .4:5; Jes. 30:25,27,28;2 Thess. 2:10. {TN6: 79.3}

Hier wordt gezien dat de profetieën en de juiste uitleggingen ervan “nuttig” is “tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens volmaakt zij.” 2 Tim. 3:16,17. {TN6: 80.1}

Daarom, broeders en zusters, stelt u het zich voor eens en altijd vast, dat u met de hulp van de Heer niet langer wordt meegevoerd door winden van leer die zijn geschapen en gedreven door de geest van dwaling, niet door de Geest der Waarheid,  maar dat u altijd zal uitkijken naar, en staan bij het geïnspireerde Woord van God – “het getuigenis van Jezus,” aan u geleverd door “de Geest der Profetie” (Openb.12:17; 19:10); dat u “hoort naar de roede, en Wie het besteld heeft.” Micha 6:9{K.J.V.}. {TN6: 80.2}

80

(Alle Schuine Druk Door Ons Toegepast)

{Schriftuurlijke Index}

“…de Geest der Waarheid, is gekomen, Hij zal u leiden in al de Waarheid; want Hij zal van Zichzelf niet spreken; maar zo wat Hij zal horen, dat zal Hij spreken; en Hij zal u de toekomende dingen tonen.” Johannes 16:13 {K.J.V.}. {TN6: 81.1}

81

———-000———–


TN3-1200x675.jpg

Alle Rechten Voorbehouden

V.T.HOUTEFF

Deze traktaat word gratis verspreid met als bedoeling om iedere waarheid-zoekende verstand die ernaar verlangt het pad dat leid naar de vernietiging van zowel lichaam en ziel te ontkomen.

TRAKTAAT NR. 3

Derde Editie

HERDRUK 2009(Engels)

Universal Publishing Association

P.O.Box 7613

Waco, TX 76714

1

—————-

2

Verward vanwege de Essentie

Hoewel het, het kronend werk is van onze verlossing en van het oprichten van het koninkrijk van Christus op aarde, toch is het “onderzoekend oordeel” een van de minst begrepen en de meest raadselachtige en verwarrende Bijbelonderwerpen van de eeuw. Ware het niet van wezenlijk belang voor onze verlossing, dan zou de vijand niet elke mogelijke poging hebben aangewend om het in duisternis te hullen. Noodzakelijk dan, is de aanhoudende noodzaak om de Schriften te onderzoeken “als naar verborgen schatten,” en om God de leiding van Zijn Geest af te smeken ten einde dit allerbelangrijkste onderwerp op de juiste wijze te begrijpen. Welk onderzoek dan ook naar waarheid, tenzij het motief is om de wil van God te leren en te doen, is echter tevergeefs. Vandaar: “indien iemand,” zegt Jezus, ” Zijn wil doen wil, zal hij van de leer weten, of zij uit God is.” Johannes 7:17. {TN3: 3.1}

Aangezien het onderwerp van het oordeel wordt geleerd in typen en gelijkenissen, en aangezien de Heer uitlegt dat Zijn leer door gelijkenissen zodanig is dat alleen Zijn discipelen de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen kunnen kennen (Matt.13:11), is het daarom vanzelfsprekend, dat

Niemand Anders Dan Zijn Volgelingen De Gehele Waarheid Kunnen Verstaan. {TN3: 3.2}

“Het koninkrijk der hemelen,” zegt Hij, “is gelijk aan een schat, verborgen in een akker; welke toen een mens het vond, hij het verborg, en vanwege de vreugde ervan heenging en alles verkocht wat hij had, en de akker kocht. Wederom, is het

3

koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die op zoek naar schone parels; die, toen hij een parel van grote prijs vond, heenging en alles verkocht wat hij had, en het kocht.” Matt.13:44-46. {TN3: 3.3}

In deze gelijkenissen, brengt Christus duidelijk tegenwoordige waarheid naar voren als de onmisbare voorwaarde voor het bevestigen van Zijn koninkrijk, en meest verheven poging  als de onmisbare voorwaarde om erbinnen te gaan. Aldus is het dat “niemand anders,” verklaart de Geest der Profetie, “dan degenen die het verstand versterkt hebben met de waarheden van de Bijbel door de laatste grote strijd heen zullen standhouden. Tot iedere ziel zal komen de onderzoekende toets: Zal ik eerder God dan mensen gehoorzamen? Het beslissende uur is zelfs nu nabij. Zijn onze voeten geplant op de rots van Gods onveranderlijk Woord?” –The Great Controversy, blz.593, 594 {De Grote Strijd, blz…}. {TN3: 4.1}

            Laat ons uit de verdoving komen van de aanmatiging van Gods genade, en Hem toch verantwoordelijk achten voor welke daaruit volgende zaak dan ook van ons leven. Hij heeft op volmaakte wijze Zijn deel gedaan in het volledig in kaart brengen van het smalle pad tot het koninkrijk; laten wij onze eerlijke best doen om daarin te volgen tot het einde van de weg, voor de vreugde die ons daar te wachten staat! Maar nooit zullen wij alzo doen behalve door terug te keren tot de oude grenspalen, door de Duivel te verlaten, die Gods volk heeft gekeerd van “de Weg, de Waarheid, en het leven” (Johannes 14:6), tot  “een weg die een mens recht schijnt,” maar  waarvan het einde “zijn de wegen des doods.” Spr.14:12. {TN3: 4.2}

4

Het Oordeel en de Oogst

in

Getuigenis, Gelijkenis, en Ceremonie en Getal

—————–

In het Licht van de Getuigenissen van de Profeten

Aangezien er door sommigen op krachtige wijze het standpunt wordt volgehouden dat deze allerbelangrijke waarheid niet door de Schriften alleen kan worden vastgesteld, laat  de lezer daarom aandacht schenken aan wat de Bijbel zegt:  {TN3: 5.1}

“Ik zag toe totdat er tronen werden neergezet, en de Oude van dagen gezeten was, Wiens kleed wit was als sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als de zuivere wol; Zijn troon was als de vurige vlam, en Zijn wielen als brandend vuur. Een vurige stroom vloeide, en ging van voor Hem uit; duizend  duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem; het oordeel was opgesteld, en de boeken werden geopend.”  Dan. 7:9,10{KJV}. {TN3: 5.2}

In dit schriftgedeelte worden vier toepasselijke feiten naar voren gebracht: (1) de tronen waren niet aanwezig voordat de opening van het tafereel in zicht werd gebracht; (2) de Oude van dagen kwam en zat toen de tronen waren opgesteld; (3) toen werden de boeken geopend; (4) dit alles

5

(tronen, de Oude van dagen, en boeken) openbaart een oordeelstafereel. En aangezien de boeken vanzelfsprekend het brandpunt zijn in het tafereel, rijst natuurlijk de vraag op,

Wat Is de Reden van Boeken? {TN3: 5.3}

Van fundamenteel belang voor een juist begrip van het oordeel, is een juiste verstandhouding van de aard ervan en van de reden voor de boeken. Wat het laatste betreft, zegt Johannes de Openbaarder:  {TN3: 6.1}

“En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het Boek des Levens; en de doden werden geoordeeld naar die dingen die in de boeken geschreven waren.” Openb.20:12.  {TN3: 6.2}

Het is daarom onbetwistbaar, dat de boeken zowel de namen als de verslagen bevatten van allen die geoordeeld zullen worden. En natuurlijk werden deze namen en verslagen erin opgetekend toen elk persoon leefde. “Uw ogen,” zegt de Psalmist, ” hebben mijn wezen gezien, nog onvolmaakt zijnde; en in Uw boek waren al mijn leden geschreven, welke in voortgang geformeerd werden, toen er nog geen van hen waren.” Ps.139:16{KJV}. “De Here zal rekenen, wanneer Hij de mensen opschrijft, dat deze mens daar was geboren.” Ps.87:6 {KJV}. {TN3: 6.3}

Aldus openbaart Inspiratie dat de daden van een ieder met ontzettende nauwkeurigheid staan opgetekend in de boeken des hemels, en dat er in de reden voor de boeken bestaat de

6

Reden Voor Het Oordeel. {TN3: 6.4}

Dat niet iedere naam die opgetekend is geweest in de boeken van het Lam daarin zal worden behouden, wordt met treurige beslistheid bevestigd door de volgende schriftgedeelten: {TN3: 7.1}

“En de Here zeide tot Mozes: ‘Wie dan ook tegen Mij gezondigd heeft, hem zal Ik uit Mijn boek delgen.’ Ex.32: 33 {KJV}. ” En indien iemand zal afnemen van de woorden van het boek dezer profetie, dan zal God zijn deel afnemen uit het Boek des Levens, en uit de heilige stad, en van de dingen die in dit boek geschreven zijn.” Openb. 22:19{KJV}. {TN3: 7.2}

Dienovereenkomstig, bevatten de boeken de namen van een gemengde menigte, –zowel  van degenen die standvastig stonden in het geloof en geduldig doorgingen tot het einde toe, als van degenen die dat niet deden.  Christus zei: “Hij die zal volharden tot het einde, dezelfde zal gered worden.” Matt 24:13{KJV}. Maar zij die niet volharden, zullen verloren gaan. {TN3: 7.3}

“En dezen zijn gelijk, diegenen op steenachtige grond gezaaid zijn; die, wanneer zij het Woord gehoord hebben, het terstond met vreugde ontvangen; en hebben geen wortel in zichzelf, en dus volharden {zij} slechts voor een tijd; daarna, wanneer er verdrukking en vervolging opkomt terwille van het Woord, zijn zij meteen geërgerd.” Mark. 4:16,17{KJV}. {TN3: 7.4}

“O Here, de hoop van Israël, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden, en zij die van Mij afwijken zullen in de aarde geschreven

 7

worden; want zij hebben de Here verlaten, de fontein van levende wateren.” Jer.17:13 {KJV}. {TN3: 7.5}

Dus moet er een dag komen van vergelding, een dag waarop de namen van degenen die onwaardig zijn bevonden voor het eeuwig leven uitgewist zullen worden uit het Boek des Levens van het Lam–een gerechtelijke actie waarvoor de enige juiste term kan zijn: “onderzoekend oordeel.”  {TN3: 8.1}

En nu dat de “tijd is gekomen dat het oordeel begint bij het huis Gods (…),” “gij daarom, lijdt verdrukkingen, als een goed soldaat van Jezus Christus” (2 Tim. 2:3), want “indien het [het oordeel] eerst bij ons begint, wat zal dan het einde zijn van hen die het evangelie van God ongehoorzaam zijn?” 1Pet. 4:17{KJV}. {TN3: 8.2}

Aangezien daarom, in de volheid des tijds, het oordeel zal beginnen in het huis van God, de kerk, wordt elk een geconfronteerd met de verplichte noodzaak om te weten

Hoe Namen Worden Behouden In Het Boek.  {TN3: 8.3}

Op het moment dat wij Christus aannemen als onze persoonlijke Verlosser door het Woord der Waarheid,– op dat meest verheven moment vergeeft God ons van onze zonden, en de met bloed bevlekte handen door Golgotha schrijven onze namen op in het Boek des Levens van het Lam. Dan begint tegelijkertijd de pen der engelen in het hemelse register met het  ten leven of ten dood te boek stellen van onze Christelijke ervaring, gescheiden van ons verleden. Zelfs “ de haren van uw hoofd zijn alle geteld.” Matt.10:30. Daarom, “laat uw mond niet toe,uw vlees te laten zondigen; zegt gij ook niet voor het aangezicht van

8

de engel, dat het een fout was.” Pred.5:6 {KJV}. Want in het onderzoekend oordeel worden de boeken geopend en de daden gedaan in het vlees worden aan het licht gebracht voor de laatste vergelding voor de Oude van dagen. Allen die standvastig zijn gebleven tot het einde zullen dan voor eeuwig hun zonden hebben laten uitwissen uit het boek en hun naam daarin behouden; terwijl allen die geen overwinnaars zijn zullen dan voor eeuwig hun zonden hebben behouden in de boeken en hun namen daaruit uitgewist. {TN3: 8.4}

Altijd is de grootste beproeving van de mens, en een die altijd een haast ogenblikkelijke beslissing heeft vereist,  tijdens het ontvouwen van de rol–bij het overschaduwen van een vroegere boodschap door een nieuwe,– tegenwoordige waarheid geweest. Bij elk van dergelijke gelegenheden heeft een ieder moeten kiezen: Zal ik gehoor geven aan de nieuwe en onpopulaire waarheid en in haar licht  wandelen, mij voegend bij degenen die worden veracht door haast iedere godsdienstige leider in het land? of zal ik mijzelf toestaan om afgeschrikt te worden door de beslissing of raad van de geestelijke bediening in mijn kerk? {TN3: 9.1}

Wanneer het oordeel begint en de boeken opengaan en de gevallen van elke generatie opeenvolgend ter inspectie voorbijgaan voor het gerechtelijke tribunaal, lijden sommige generaties aan een haast massale uitwissing van namen in plaats van zonden. Wanneer de generatie van Christus’ eerste komst is gewogen in de weegschaal van het heiligdom, zal een gehele natie te licht bevonden worden en hun namen zullen uit het boek gewist worden. En zo is het in variërende mate geweest bij de introductie van

9

iedere boodschap in iedere eeuw. “Verschillende perioden in de geschiedenis van de kerk zijn elk gekenmerkt geweest door de ontwikkeling van een zekere bijzondere waarheid, aangepast aan de behoeften van Gods volk in die tijd. Iedere nieuwe waarheid heeft haar weg gebaand tegen haat en tegenstand; zij die werden gezegend met haar licht , werden verzocht en beproefd.” –The Great Controversy, p. 609{ De Grote Strijd, blz. ..}. {TN3: 9.2}

Dienovereenkomstig, “wanneer er een boodschap komt in de naam van de Heer tot Gods volk, mag niemand zich ervan verontschuldigen om een onderzoek te plegen naar haar beweringen.” –Testimonies on Sabbat-School Work{ Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, p.65. Leg terzijde alle vooroordelen, eigen meningen, en ideeën van mensen die het kenmerk van Inspiratie niet dragen en die door hun handelingen in feite zeggen: “Ik ben rijk, en met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek” (waarheid noch profeten). Openb.3:17. {KJV}. {TN3: 10.1}

De Bijbel kan alleen op de juiste wijze uitgelegd worden door de Geest Die het gedicteerd heeft. Hij “zal u leiden in alle waarheid; want Hij zal van Zichzelf niet spreken; maar wat Hij ook zal horen, dat zal Hij spreken; en Hij zal u de toekomende dingen tonen” zodat u “bevestigd” kunt “zijn in de tegenwoordige waarheid.” En ” wie dan ook (…) lastert tegen de Heilige Geest [kwaad spreekt tegen de boodschap], het zal” hem “niet vergeven worden”; want het is het enige middel waardoor wij gered kunnen worden (Johannes 16:13; 2 Petr. 1:12; Lukas 12:10). {TN3: 10.2}

Dus, het grootste gevaar van de mensen is niet geweest dat zij luisterden naar dwaling,

10

maar eerder dat zij tegenwoordige waarheid verwierpen. “Als een boodschap komt,” zegt de Heer, ” die u niet begrijpt, neem dan de moeite zodat u de redenen kunt horen die de boodschapper kan geven,(…) breng dan uw sterke redenen naar voren; want uw standpunt zal niet aan het wankelen worden gebracht door in contact te komen met dwaling.”  — Testimonies on Sabbath-School Work{Gertuigenissen over Sabbatschool Werk}, pp. 65,66. Daarom, laat hij die meent te staan, erop toezien dat hij niet valle.” 1 Kor. 10:12. {KJV} {TN3: 10.3}

Het is daarom duidelijk, dat elke houding die iemand  niet beweegt  tot een grondig onderzoek te doen van welke boodschap dan ook die toegevoegde waarheid beweert  te zijn, onvermijdelijk ondergang over zichzelf moet brengen. Terwijl hij die anderzijds de waarheid aanneemt, maar verzuimt om het getrouw uit te leven en te verkondigen, daardoor ook ondergang over zichzelf brengt — datgene  waartegen Ezechiël waarschuwt: “Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en ongerechtigheid doet, en Ik een struikelblok [een boodschap] voor hem neerleg, dan zal hij sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand afeisen. Als gij de rechtvaardige waarschuwt, dat de rechtvaardige niet zondigt, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, want hij is gewaarschuwd; ook hebt gij uw ziel gered.” Ezech. 3:20, 21. Maar de goddelozen zullen “uitgedelgd worden uit het boek der levenden, en met de rechtvaardigen niet geschreven worden.” Ps. 69:28 {KJV}. {TN3: 11.1}

11

Aldus degelijk vastgesteld, maakt het voorafgaande standpunt over het onderzoekend oordeel alle tegensprekende standpunten tot

Ongegronde Conclusies. {TN3: 12.1}

Vanwege hun dwaal geloof dat Gods troon altijd in het heiligdom is geweest en dat Christus na opgevaren te zijn naar de hemel daar zat aan de rechterhand van Zijn Vader, hebben mensen iedere mogelijke poging aangewend om te bewijzen dat Christus “binnen  het voorhangsel” inging onmiddellijk nadat Hij Zijn discipelen verliet. Maar aangezien al deze pogingen, hoe goed bedoeld zij dan ook zijn in het belang van de waarheid, naar voren zijn gebracht door gedachten die zijn geïnspireerd, niet door de Geest der Waarheid, maar eerder door vooropgezette mening, moeten wij daarom ijverig de Here dringend verzoeken voor de beloofde Trooster om ons te leiden in alle waarheid, en ons te bewaren van aanmatigend te zijn en van het blindelings dingen als vanzelfsprekend aannemen en conclusies te vormen zonder onder de oppervlakte te graven.  {TN3: 12.2}

“Wij hebben ook een vaster staande woord der profetie,” zegt de apostel Petrus, “waaraan gij wel doet, dat gij daarop acht slaat, als op een licht dat schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt, en de dagster opkomt in uw harten; dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift van enige eigen uitlegging is. Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens; maar heilige mensen Gods spraken, zoals zij door de Heilige Geest gedreven waren.” 2 Petr. 1:19-21. {TN3: 12.3}

12

De wijze lezer zal daarom voortaan ophouden om ruimte te geven aan menselijke theorieën en speculaties, die hem tot het uiterste toe verleiden om vlees tot zijn arm te stellen. Hij zal in plaats daarvan ijverig letten op Bijbelse profetie en op geïnspireerde uitleggingen, en zal daarvan leren dat het heiligdom is

Gods Tijdelijke Troonzaal. {TN3: 13.1}

Aangezien aardse wezens, daar zij zelf nooit in de hemel zijn geweest, van nature vreemdelingen zijn voor hemelse werkelijkheden (1 Cor 2:9), dan moet God, ten einde hemelse waarheid aan hen bekend te maken, het openbaren door middel van aardse werkelijkheden waarmee zij vertrouwd zijn. Vandaar dat door middel van het heiligdomswerk op aarde ,het heiligdomswerk in de hemel wordt gezien (Hebr. 9:1-9). Inderdaad, aangezien het heiligdom van boven het voorbeeld is van het heiligdom van beneden, worden daarom de diensten van de eerstgenoemde duidelijk geopenbaard in de diensten van de laatstgenoemde. En het feit dat het aardse heiligdom was aangesteld als een plaats voor belijdenis en voor vergeving van zonden, toont aan dat de troonruimte in het hemels heiligdom slechts tijdelijk is. Van daaruit, terwijl de zonde bestaat, zet de Heer het werk voort van het verwijderen van zonde en zondaars uit het universum. En dit licht op zijn beurt toont duidelijk aan dat pas nadat de zonde zijn intrede deed in het universum, het heiligdom overeenstemmend in de hemel kon hebben bestaan. {TN3: 13.2}

“Ik zag toe,” riep de Openbaarder uit, ongeveer 96 N.Chr., toen hem de troon in het heiligdom werd getoond, “en ziet, een

13

deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, was als het ware van een bazuin, met mij sprekende, zegende: Kom hier op, en Ik zal u dingen tonen, die hierna moeten geschieden. {TN3: 13.3}

“En terstond was ik in de Geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. En Hij die zat was in het aanzien gelijk aan een jaspis en een sardius steen; en er was een regenboog rondom de troon, in het aanzien gelijk aan een smaragd. En rondom de troon waren vier en twintig zetels; en op de zetels zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte gewaden; en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en er waren zeven lampen van vuur brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk; en in het midden van de troon, en rondom de troon, waren vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. {TN3: 14.1}

“En ik zag, en zie, in het midden van de troon en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, stond een Lam, als Het was geslacht, hebbende zeven hoorns, en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde…En ik zag, en ik hoorde de stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizend,

14

en duizenden van duizenden.” Openb. 4:1-6; 5:6,11. {KJV} {TN3: 14.2}

Hier wordt een tweevoudig tafereel naar voren gebracht. Aan de ene kant, staan voor de troon de “zeven lampen, brandende” en het “Lam, zoals het was geslacht,” aantonend dat de troon daar was “opgesteld” om te dienen in de tijd van genade. Het licht van de kandelaar stelt het licht der waarheid voor in de kerk terwijl het bloed van het Lam verzoening doet voor zondige wezens. Aan de andere kant, zit op de troon de Oude van dagen, de Rechter, omgeven met de jury van vierentwintig oudsten plus de engelen getuigen, “tien duizendmaal tien duizend, en duizenden van duizenden” van hen, plus de vier dieren (die, zijnde “verlost” “uit elk geslacht, en taal, en volk, en natie” –verzen 8,9–daarom het zinnebeeld zijn van de heiligen–al degenen wiens zonden zullen worden uitgewist uit de verslagboeken,–net zoals de dieren van Daniël 7 het zinnebeeld zijn van al de koninkrijken die zullen omkomen in hun zonden), met het Lam, onze Advocaat, in het midden. Dit alles toont een gecombineerde bemiddelend-gerechtelijk werk aan. {TN3: 15.1}

Tot zover zien wij nu, dat toen Johannes in visioen de deur –het voorhangsel– zag, naargelang het  opende tot de Allerheiligste afdeling van het hemelse heiligdom, hij werd toegestaan om naar binnen te kijken,  en dat de dingen die hij zag, “hierna” zouden plaatsvinden vanaf zijn tijd; daarbij aantonend dat op de tijd van zijn visioen (ongeveer 96 N.Chr.), het Aller

15

heiligste afdeling was gesloten. Ter toevoeging hieraan, zullen wij nu zien uit Daniël’s profetie dat de oordeelstroon werd opgesteld in het Allerheiligste afdeling van het hemels heiligdom nadat de “kleine hoorn” van Daniël 7 opkwam. {TN3: 15.2}

“Ik nam acht op de hoorns,” zegt de ziener, ” en ziet, een andere kleine hoorn kwam tussen hen op, waarvoor er drie van de eerste hoorns  bij de wortels werden uitgerukt; en ziet, in deze hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, vol grootspraak. “Ik zag toe totdat er tronen werden neergezet, en de Oude van dagen gezeten was, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als de zuivere wol; Zijn troon was als een vurige vlam, en Zijn wielen als brandend vuur. Een vurige stroom vloeide, en ging van voor Hem uit; duizend duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizend stonden voor Hem; het gericht {oordeel} was opgesteld, en de boeken werden geopend.” Dan.7:8-10.{KJV}. {TN3: 16.1}

Deze verzen openbaren dat nadat “het oordeel was opgesteld, en de boeken waren geopend,” “de Zoon des mensen,” Christus, toen werd “gebracht” naar een plek, niet aan “de rechterhand van God,” “de Oude van dagen,” maar “dicht voor” Hem (Dan.7:8-10,13{KJV}). {TN3: 16.2}

Zowel Johannes’ als Daniëls visioenen openbaren dat de troon in het heiligdom niet al vanaf het begin van de schepping Gods daar was; of vanaf de dagen van Mozes; of vanaf het uur dat Christus opvoer ten

16

hemel; of zelfs vanaf de dagen van heidens Rome; dat het inderdaad niet was “opgesteld” tot na de val van heidens Rome, toen de “kleine hoorn” van het moeilijk-te-beschrijven beest opkwam — in de dagen van Kerkelijk Rome (Dan.7:7-12,21,22). Daarom bevindt zich, elders dan in het heiligdom,

Gods Eeuwige Troonzaal. {TN3: 16.3}

Omdat het heiligdom niet bestond in de dagen ven de eerste Christengemeente, kon de troon, waarop Stefanus  Christus zag “aan de rechterhand van God”(Hand.7:56), daarom niet in het heiligdom zijn geweest, waarin  de “glazen zee,” is, maar eerder in het Paradijs, van waaruit de ” rivier van het water des levens,” vloeit en waarvan aan beide zijden ‘ de boom des levens” is. Openb. 22:1, 2. Het is daarom zeer vanzelfsprekend, dat de troon die Stefanus zag, “de troon van God en van het Lam” is, de blijvende en eeuwige troon. Rondom deze heerlijkheids-zetel zijn er geen dieren, geen getuigen, geen jury, en ervoor is er “geen kandelaar,” en geen bloed om te worden geofferd. Kortom, het staat niet in het met zonden beladen heiligdom, maar in het Paradijs. Het is de soevereine regeringstroon, van waaruit de Oneindige regeert over Zijn onsterfelijke, zondeloze wezens! {TN3: 17.1}

Naar deze troon dan, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is, steeg Christus op, en zat daarop neer aan de rechterhand van Zijn Vader totdat de tijd kwam waarop, ter vervulling van Daniëls profetie en Johannes’ openbaring, enige tijd nadat de kleine hoorn

17

macht tot stand kwam, zowel Hij als Zijn Vader zich naar de heiligdomstroon verplaatsten. Op de laatstgenoemde zit Hij niet als een koning aan de rechterhand van God; maar eerder staat Hij ervoor, zowel als een geofferd lam (Openb. 5:6), en als een bemiddelaar (Dan.7:13) pleitend voor zondige mensen. Vandaar dat Zijn bemiddelend werk begon,

Eerst In Het Heilige,

Daarna In Het Allerheiligste. {TN3: 17.2}

In het aardse heiligdom oefende de hogepriester (Christus typerend) het gehele jaar door zijn functie eerst uit in de heilige afdeling, en dan op de Dag der Verzoening {Grote Verzoendag}, de dag van de reiniging van het heiligdom en het beoordelen van het volk, oefende hij zijn functie uit in de Allerheiligste afdeling voor slechts een dag. Deze tweevoudige dienst geeft aan dat in het hemels heiligdom, Christus, de Hogepriester, noodzakelijkerwijs zijn functie eerst moet beoefenen in de heilige afdeling tot aan de antitypische dag van Verzoening, en dan gedurende die dag, moet Hij zijn functie beoefenen in de Allerheiligste afdeling, voor de troon. Aldus verwerpen ook de aardse diensten het idee, dat Christus de Allerheiligste afdeling van het hemels heiligdom binnenging, meteen na Zijn hemelvaart. {TN3: 18.1}

Het is dan zeer duidelijk, dat het ceremonieel stelsel openbaart dat vanaf de tijd dat Christus ” zat aan de rechterhand van God”(Markus 16:19), waar de “rivier van het water des levens” is, tot aan de tijd dat Hij en de Vader zich verplaatsten naar de troon in het heiligdom, waar “de glazen zee” is (Dan. 7:9; Openb. 4:6), Hij

18

ten behoeve van ons dienst deed als een hogepriester in “de heilige plaats” (Hebr.9:12); en dat tegelijkertijd, gezamenlijk met de Vader, op de eeuwige soevereine regeringstroon (“de troon van God en van het Lam”), Hij regeerde over het zondeloze universum. {TN3: 18.2}

Uit de voorafgaande, heldere en duidelijke feiten, is de enige verdedigbare conclusie die getrokken moet worden, dat Christus, onmiddellijk na Zijn hemelvaart, in plaats van in te gaan binnen het voorhangsel in het heiligdom, neerzat aan de rechterhand van Zijn Vader, in het Paradijs, en van daaruit Zijn werk voortzette in de heilige afdeling van het heiligdom. {TN3: 19.1}

Hoe helder is reeds het licht der waarheid dat uiteindelijk voortschijnt over dit allerbelangrijk onderwerp van verlossing, dat zo lang gehuld is geweest in de dichte mist van menselijke theorieën en speculaties! En hoe solide de daaruit voortvloeiende rechtvaardiging van de herbevestiging van de Geest de Profetie betreffende haar standpunt over het onderwerp: “dat het rond het heiligdom vraagstuk standhoudt in gerechtigheid en waarheid, net zoals wij het gedurende zoveel jaren hebben beschouwd.” — Gospel Workers {Evangeliewerkers}, blz. 303. {TN3: 19.2}

“Werpt daarom uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote loonsvergelding heeft. Want gij hebt lijdzaamheid  nodig, opdat gij, nadat gij de wil van God hebt gedaan, de beloften mag ontvangen. Want nog een korte tijd, en Hij die te komen staat, zal komen, en zal niet vertoeven.” Hebr. 10:35-37{KJV}. {TN3: 19.3}

“De slotsom nu der dingen, die wij besproken hebben, is: Wij hebben zulk een

19

hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een bedienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, welke de Here heeft opgericht, en niet de mens.” Hebr. 8:1, 2. {KJV}. {TN3: 19.4}

Want Christus is niet binnengegaan in de heilige plaatsen met handen gemaakt, welke een afbeelding zijn van het ware; maar in de hemel zelf, om thans voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons.”Hebr. 9:24{KJV}. Inderdaad,”thans eenmaal,  aan het einde der wereld, is Hij verschenen om de zonde weg te doen door het offer van Zichzelf. En zoals het de mens beschikt is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel” (Hebr. 9:26,27) – de reiniging van het heiligdom (Dan. 8:14{KJV}). {TN3: 20.1}

Het is daarom duidelijk, dat het oordeel zal beginnen en het heiligdom worden gereinigd, niet voor, maar na de vervulling van de periode voor degenen die bestemd zijn te sterven. Omdat het oordelen in lijn is met de verslagen die worden gevonden in de boeken van de hemel, worden daarom de namen van degenen, die onwaardig zijn bevonden, zonder het “bruiloftskleed”aan, gewist uit de boeken. Aldus wordt het heiligdom gereinigd. Sprekende over de aanvang van dit werk van oordelen en reinigen, zei de engel tot Daniël: “Tot tweeduizend driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden.” Dan. 8:14{KJV}. {TN3: 20.2}

Aangezien de reiniging dienovereenkomstig plaatsvindt aan het einde van de 2300 dagen en aangezien het, zoals wij hebben gezien, het oor-

20

deel is, welke plaatsvindt ” aan het einde der wereld” (Hebr. 9:26), dan volgt daaruit dat het eindigen van de dagen, en het begin van het bemiddelend gerechtelijk werk van Christus, op gezag van Inspiratie zelf vastgesteld zijn, aan het einde der wereld. Vandaar dat concluderend de 2300 dagen niet eindigen in de dagen van Antiochus Epifanes, zoals sommigen leren dat, dat  het geval is. Dit niet te verdedigen standpunt over het onderwerp, samen met andere soortgelijke niet ondersteunbare zienswijzen erover, maakt het daarom noodzakelijk, dat wij, ten einde juist de datum vast te stellen van de reiniging, eerst

De Verwarring Betreffende De 2300 Dagen Verdrijvend. {TN3: 20.3}

Zij die het oneens zijn met de leer dat de 2300 dagen hun einde vinden aan het einde van de  wereld, zijn het zelf sterk oneens onder elkaar over wanneer de dagen wel, zouden moeten eindigen, net zoals zij dat zijn over de waarheid van een hoop van leerstellingen. Het feit is daarom volledig bewezen, dat geen van hen de waarheid bezit over het onderwerp. En toch, ondanks dit feit, falen zij om in te zien, dat de geest die hen geleid heeft  hun huidige staat van versplintering, verschil in leerstellingen, strijd, en verwarring, ongeëvenaard in de geschiedenis, onmogelijk de Geest der Waarheid kan zijn, Die alleen hen kan leiden tot de waarheid van de 2300-dagen profetie. Aldus gaan zij voort met het verduisteren van het Christendom met wat zij zich inbeelden en verkondigen als licht erop te zijn. {TN3: 21.1}

In de poging om hun standpunt te ondersteunen,

21

voeren zij de Septuagenta, het Vulgaat, en de English Revised Version {Engelse Gereviseerde Versie} aan. In de aangegeven volgorde vertolken deze, uiteenlopend het getal in Daniël 8:14  als 2400, 2200, en 2300 “avond morgen.” Dit verschil alleen al is ruimschoots bewijs dat de vertolkingen geen betrouwbare resultaten zijn van een exacte, letterlijke vertaling van het vers; maar zij zijn eerder het product van uitleggende vertalingen daarvan, ontstaan door theologische vooropgezette meningen over het onderwerp. {TN3: 21.2}

Desalniettemin, verlenen zelfs deze vertolkingen, zoals ze weergegeven worden, zo  een zwakke geloofwaardigheid aan de theorieën die in strijd worden gehouden met de leer dat de 2300 dagen eindigen aan het einde van de wereld, dat het de theoriseerders noodzaakt om in Daniël 8:14 het woord “offer” in te lezen om zodoende de “avond morgen” fase van de tekst te lezen als “avond morgen offers.”  Vervolgens, op de gronden dat er twee offers per dag waren, delen zij het getal van hen in tweeën. En als het getal 2400, 2200, of 2300 is, afhankelijk van welke versie zij gebruiken, krijgen zij respectievelijk 1200, 1100, 1150 dagen! Dit toevoegen aan- en afsnijden van, verkondigen zij dan botweg als bewijs van hun theorie.! ondanks dat er geen ontkomen is aan de kristalheldere betekenis van “avond morgen,” wanneer het wordt gezien in het licht van Genesis 1:5, wat zoals iedere Bijbelstudent wel weet, slechts een vierentwintig uren periode kan betekenen (zowel de nacht als de dag), en wat niets te maken heeft met offers. {TN3: 22.1}

22

Het is daarom duidelijk, dat de getallen 2400 en 2200, en de inlassing van het woord “offers,” de vergeefse resultaten zijn van valse uitlegging van Daniël’s profetieën. De afwijking tussen de twee cijfers is te wijten aan het verschil in de data die noodzakelijk zijn om de verschillende ideeën over de tekst uit te werken. Zowel het streven, als het lot blootleggend van degenen die verantwoordelijk zijn voor deze ijdele poging om de vervulling van de profetie te plaatsen, verklaarde de Heer aan Daniël: ” Ook zullen de rovers van uw volk zich verheffen om het gezicht te bevestigen; maar zij zullen vallen.” Dan.11:14 {KJV}  {TN3: 23.1}

Hoewel de poging van deze rovers van Gods volk om het visioen te schikken naar hun ideeën gedoemd is te falen, proberen zij  toch in hun blinde zelfvertrouwen hun best te doen om het vast te stellen, zelfs zo ver gaand in de poging, om de geschriften van Josephus te laten spreken als heilige geschiedenis, ter ondersteuning van hun theorie. {TN3: 23.2}

“En inderdaad gebeurde het zo,” zegt de Joodse geschiedkundige, in een passage die zij meestal gebruiken, “dat onze natie te lijden had onder deze dingen onder Antiochus Epifanes, volgens Daniël’s visioen en wat hij jaren schreef voordat zij plaatsvonden.” –Antiquities, Boek 12, Hoofdstuk 5. {TN3: 23.3}

Hoewel Josephus niet in de verste verte zinspeelt op het aantal dagen die vermeld worden in Daniël 8:14, nemen zij hem echter, omdat hij het visioen toepast op het werk van Antiochus Epifanus,

23

in feite aan als een profeet, geïnspireerd om de Schriften uit te leggen! Aangezien hij echter slechts een geschiedschrijver was, en geen profeet, en dienovereenkomstig bij het opschrijven van de geschiedenis van de Joden slechts een geschiedkundige toepassing van de overeenkomstigheid  maakte, die hij zag tussen Daniël’s voorzegging en Antiochus’ werk . En zulks was niet verkeerd binnen zijn bevoegdheid van een geschiedschrijver. Maar aangezien hij de gave der profetie niet bezat, wordt het Gods volk verboden, om zijn toepassingen van de Schriften aan te nemen als gezaghebbend en betrouwbaar. {TN3: 23.4}

Uit deze manier van verdraaien, goochelen, rationaliseren, en wegredeneren van simpele feiten, zal de grondige lezer zien tot hoever mensen gaan ten einde geopenbaarde waarheden te ontwijken die hen niet aanstaan, en om de handen in elkaar te slaan met eigenmachtige theorieën die hen behagen. Inderdaad is het gezegde waar: “geef een mens een theorie {bewering}, en de feiten zullen zich in menigten aansluiten!”  {TN3: 24.1}

Daar nu de mist der dwaling is verdreven, is onze weg vrijgemaakt om verder te gaan met het vaststellen

Wanneer De 2300 Dagen Beginnen En Eindigen. {TN3: 24.2}

Uit Daniël 7 werd gezien dat de oordeel- of reinigingstroon niet opgericht zou worden tot enige tijd nadat de kleine-hoorn macht kwam te bestaan, terwijl uit Hebr. 9:24-27 werd gezien dat het zou worden opgericht enige tijd voor “het einde der wereld.” Om nu het licht volledig te richten op de feiten die reeds naar voren zijn gebracht, moeten wij gaan naar Daniël 8 en 11, naar de uitdrukkelijke profetie van het onderwerp — de 2300 dagen. {TN3: 24.3}

24

Dan. 8:11,12

Ja, hij maakte zich groot, zelfs tegen de Vorst van het heer, en door hem werd het dagelijkse offer weggenomen, en de plaats van Zijn heiligdom werd neergeworpen. En een heer werd hem gegeven tegen het dagelijkse offer wegens de overtreding, en het wierp de waarheid ter aarde; en het oefende het uit, en was voorspoedig.” {KJV}

Dan 11: 31

“En er zullen wapens staan aan zijn kant, en zij zullen het heiligdom der sterkte ontheiligen, en zullen het dagelijkse offer wegnemen, en zij zullen de gruwel plaatsen, die verwoest maakt.” {KJV} {TN3: 25.1}

Door het naast elkaar plaatsen  van Daniël 8:11.12 en Daniël 11:31, zal de lezer opmerken dat beide schriftgedeelten van dezelfde macht spreken. En Christus, die de tekenen van het einde van de wereld voorzegde, terwijl Hij vooruitkeek langs de tijdstroom, verklaarde: “Wanneer gij [Zijn volgelingen die zouden leven in de tijd dat deze hoorn-macht aan het werk was tegen God, Zijn waarheid, en Zijn volk] daarom de gruwel der verwoesting zult zien, waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, staand in de heilige plaats,(wie het leest, laat hij het verstaan:) laten dan zij, die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Matt.24:15,16 {KJV}. Deze duidelijk woorden van Christus Zelf, plaatsen het werk van deze macht in de toekomst vanaf Zijn tijd. {TN3: 25.2}

Hier verklaart Christus duidelijk dat in Zijn tijd, de gruwel der verwoesting nog niet was opgestaan “in de heilige plaats,” maar dat

25

enige tijd in de Christelijke overheersing {dispensatie}, het daar staande zou worden gezien. Verder nog, instrueerde de engel Daniël dat het gezicht in de tijd van het einde zal zijn (Dan. 8:13,17). Deze twee feiten dragen overweldigend bewijs dat de 2300-dagen periode niet kon eindigen totdat, volgend na Christus’ tijd, het dagelijkse was uitgeworpen en de gruwel opgericht: want beiden van deze gebeurtenissen zouden plaatsvinden binnen de 2300 dagen. {TN3: 25.3}

Deze verwoestende macht zou, volgens Daniël, door overtreding het aardse heiligdom, of de kerk, ontheiligen. Dit zou volbracht worden door de Waarheid ter aarde te werpen, door het dagelijkse weg te nemen, en door in de heilige plaats in te brengen “de gruwel die woest maakt,” al hetgeen dat zou zijn, zei de engel, “tot tweeduizend en driehonderd dagen,” en “dan zal het heiligdom gereinigd worden.”  {TN3: 26.1}

Uit de gewichtige bewijzen die hier zijn vergaard, is er overduidelijk slechts een conclusie mogelijk: de verontreiniging van de heilige plaats, het beëindigen van de 2300 dagen, en de reiniging van het heiligdom, konden niet hebben plaatsgevonden voor de tijd van Christus. {TN3: 26.2}

De doorslaggevende beslistheid van deze drievoudige slotsom onder ogen ziend, zouden de talrijke stemmen die de gebeurtenissen verbonden met de 2300 dagen, nadrukkelijk plaatsen binnen de Oud Testamentische periode, zichzelf nu volledig en voor altijd  het zwijgen moeten opleggen. Maar als zij dat

26

niet doen, dan weet God alleen, wat zij vervolgens zullen verkondigen! {TN3: 26.3}

U kunt het zich niet veroorloven, broeders en zusters, nu daar het licht is gekomen, om de gelegenheid van u te laten ontglippen om de theorieën van mensen te ontvluchten, die hierin in opspraak worden gebracht door de “Geest der Waarheid,” en om uw voeten standvastig te plaatsen op het vaste fundament dat hier in hun plaats is vastgesteld door de getuigenis van Jezus Christus. {TN3: 27.1}

Op deze vaste rots zal de structuur der waarheid die nu wordt gebouwd, zoals de lezer reeds kan zien, de meest hevige storm van zowel “wind” als “regen” weerstaan. Laat ons dus, bij het vervolgen van het oprichten van haar verheven structuur, vrijmoedig gebruik maken, zonder de kleinste vrees voor de komende storm (welke zal vernietigen en wegvagen alles dat staat op een zanderig fundament), van het materiaal dat zo vrijelijk is gegeven: {TN3: 27.2}

Om het aardse heiligdom te reinigen, moet de gruwel die de goddeloze macht, die hier wordt besproken, inbracht, noodzakelijkerwijs uitgeworpen worden, en dan moet “de waarheid,” en ook “het dagelijkse,” welke dezelfde macht vertrad en uitwierp, hersteld worden. Het is daarom vanzelfsprekend, dat er geen enkele ruimte is voor twijfel over hetzij de manier waarop het heiligdom werd ontheiligd of de manier waarop het gereinigd moet worden. {TN3: 27.3}

Het achtste hoofdstuk van het boek Daniël bevat een levendige profetische symboliek van twee dieren (een ram en een geitenbok),waarover

27

de engel uitlegde: “De ram, die gij zag, hebbende twee hoorns, zijn de koningen der Meden en Perzen. En de ruwe geitenbok is de koning van Griekenland.” Dan. 8:20, 21{KJV}. {TN3: 27.4}

“…de geitenbok maakte zich zeer groot; en toen hij sterk was, was de grote hoorn afgebroken; en er kwamen daarvoor in de plaats vier aanzienlijke hoorns op, naar de vier winden des hemels. En uit een van hen kwam voort en kleine hoorn, welke uitermate groot werd, tegen het zuiden, en tegen het noorden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijk land.” Dan. 8: 8, 9. “…De grote hoorn, die tussen zijn ogen is, ” legde de engel uit, “is de eerste koning”–Alexander. “Dat  er nu, toen het verbroken was, vier in zijn plaats opstonden, vier koninkrijken zullen uit de natie opkomen, doch niet met zijn macht”– niet met Alexander’s macht; dat wil zeggen, niet  “aan zijn nageslacht.” Dan. 8:21, 22; 11:4. {TN3: 28.1}

” En in de latere tijd van hun koninkrijk, wanneer de overtreders [de Joden] tot volheid gekomen zijn, zal er een koning, wreed van aangezicht, en duistere uitspraken verstaand, opstaan. En zijn kracht zal machtig zijn, doch niet door zijn eigen kracht [want “wapens zullen staan aan zijn kant” (Dan. 11:31) –de legers van de burgerlijke machten]: en hij zal wonderlijk vernietigen, en zal voorspoedig zijn, en ten uitvoer brengen, en zal de machtige en het heilige volk vernietigen.” Dan. 8:23,24{KJV}. {TN3: 28.2}

Het is dan vanzelfsprekend, dat Daniël 8:22-24 parallel loopt met Daniël 7:25: “En hij zal

28

grote woorden spreken tegen de Allerhoogste, en zal de heiligen van de Allerhoogste uitputten, en menen tijden en wetten te veranderen; en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd. ”  {TN3: 28.3}

shepherds-rod-tract-3-exceeding-great-horn

29

Daniël had het visioen in Babylon, wat ten noordoosten ligt van “het plezierig land”– Palestina. Babylon de uiterst grote hoorn ging eerst naar het “zuiden,” vervolgens naar het “oosten,dan naar het noorden, ” ten einde een draai te maken westwaarts –“naar het plezierig land.” Aldus ging het naar alle vier richtingen, aangevend dat het een wereldmacht werd. Bovendien stelt, ook het “koper” van het grote beeld van Daniël 2, waarvan Daniël uitlegt dat het zal “heersen over de gehele aarde,” Griekenland voor. Maar aangezien noch de grote hoorn van de geitenbok, noch zijn daarop volgende vier hoorns universeel regeerden, dan moet zijn uiterst grote hoorn, ten einde de profetie van het koperen koninkrijk te vervullen, degenen zijn die zou “heersen over de gehele aarde.”  Dan. 2:39. {TN3: 30.1}

Hoewel het vierde beest van Daniël 7 aantoont dat deze verwoestende macht afkomstig is uit Rome, gaat het zinnebeeld van de geitenbok, verder terug om aan te geven dat deze wereldmacht oorspronkelijk afkomstig was van een van de Griekse divisies (Dan.11:5), en later het kleed van het Christendom aandeed– de godsdienst van “een god, die zijn vaders niet gekend hebben.” Dan. 11:38. {TN3: 30.2}

Door geleidelijk de versiersels van het heiligdom aan te nemen, maakte hij zich weldra groot tegen de Vorst (Christus) van het heer (de Christenen). En “de god van zijn vaders” veronachtzamend, werd hij ogenschijnlijk Christen, maar tegen wat een prijs voor het Christendom!-Niet alleen werd het “dagelijkse” “weggenomen,”maar ook werd “de plaats van Zijn

30

heiligdom neergeworpen.” Met andere woorden, hij “wierp neer”de “plaats”van de Heer en stelde daar zijn eigen plaats voor in -verhoogde zichzelf tot de plaats van Christus. {TN3: 30.3}

 Daar het woord “offer” is aangevoerd in verband met het woord “dagelijkse,” behoort het klaarblijkelijk niet bij de tekst. Aangezien, echter, de Engelse taal geen exacte equivalent {gelijkwaardigheid} heeft voor het Hebreeuwse woord “dagelijkse,” welke verschillend wordt vertaald als “gedurig”,“bestendig”,“eeuwigdurend,”en omdat geen van deze termen synoniem zijn, maar individuele bijbetekenissen hebben, is het dientengevolge noodzakelijk om hen allen gezamenlijk als een samengesteld woord te nemen, om zodoende te komen tot de exacte waarheid. Met het oog daarom op dit feit, en ook het feit dat de Sabbatsleer de enige Bijbelse leer is in de Christelijke periode die mogelijkerwijs kan worden aangewezen als “dagelijks”(aangaande het aanbidden met betrekking tot een dag), en ook als “gedurig”,“bestendig”,“eeuwigdurend,” -vanaf onheuglijke tijden tot eeuwige tijden,– is het vandaar duidelijk dat al deze verschillende vertolkingen op geen andere leer van toepassing kunnen zijn dan de Sabbat – de eeuwige rustdag. En als goddelijke verklaring van de voortdurendheid ervan, weerklinken door de eeuwen heen vanuit de Sinaï de onveranderlijke woorden:  {TN3: 31.1}

“Daarom zullen de kinderen Israëls de Sabbat onderhouden, om de Sabbat te vieren door al hun geslachten heen, tot een gedurig verbond. Het is een teken tussen Mij en de kinderen Israëls voor eeuwig: want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, en

31

op de zevende dag rustte Hij, en was verkwikt.” Ex.31:16,17{KJV}. {TN3: 31.2}

Het wegnemen van het “dagelijkse” door de hoorn, was daarom niets anders dan het door hem wegnemen van de Sabbat van de Heer van de Christelijke kerk en in  de plaats daarvoor de Zondagaanbidding instellen, een heidense sabbat,–“gruwel die woest maakt,”-een ontheiliging die Gods aanwezigheid van de Kerk weg griefde. {TN3: 32.1}

De ram en de geitenbok werden aan Daniël in visioen getoond, “in het derde jaar van de regering van koning Belsazar.” Dan.8:1. Daniël was “ontzet over het gezicht, maar niemand verstond het.” Dan. 8:27. De tijd was bovendien verstreken, en Jeruzalem was nog steeds een woestenij. Dus later, “in het eerste jaar van Darius,”die “koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën, (Dan.9:1), werd Daniël getoond “door de boeken het getal der jaren, waarvan het woord des Heren kwam tot de profeet Jeremia, dat Hij zeventig jaren zou volbrengen in de verwoestingen van Jeruzalem.” Dan.9:2. Jeruzalem was echter nog steeds een verwoesting, ondanks dat de tijd van de gevangenschap van het volk volgens de profetieën was vervuld, en het visioen nog steeds {door} “niemand [niet] {werd} verstaan,” zoals duidelijk wordt gezien uit Daniël’s gebed:  {TN3: 32.2}

“(…) ik stelde mijn aangezicht tot de Here God, om {Hem} te zoeken door gebed en smekingen, met vasten, en zak, en as; en ik bad tot de Here, mijn God (…) O Here, [p.32]

naar al Uw gerechtigheid smeek ik U, laat toch uw toorn en uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg: want om onze zonden en om de ongerechtigheden van onze vaderen, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid geworden bij allen, die rondom ons zijn. Daarom nu, O onze God, hoor naar het gebed van Uw knecht, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is, om des Heren wil (…){TN3: 32.3}

“Ja, terwijl ik sprak in gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin van het gezicht gezien had [in het achtste hoofdstuk], die veroorzaakt was snel te vliegen, en raakte mij aan tegen de tijd van het avondoffer (…) en zei: (…) Zeventig weken zijn vastgesteld over uw volk en over uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, en een einde te maken aan de zonden, en om in eeuwige gerechtigheid te brengen de ongerechtigheid te verzoenen, en om het gezicht en de profetie te verzegelen, en om de Allerheiligste te zalven. {TN3: 33.1}

“Weet daarom en versta, dat vanaf het uitgaan van het gebod om Jeruzalem te herstellen en te bouwen, tot de Messias toe, de Vorst, zullen zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straat zal herbouwd zijn, en de muur, zelfs in benauwdheid der tijden. En na twee en zestig weken zal de Messias afgesneden worden, doch niet voor Zichzelf; en het volk van de vorst, die komen zal, zal de stad vernietigen en het heiligdom,; en het einde daarvan zal

33

zijn met een vloed, en tot het einde toe van de oorlog zijn verwoestingen vast besloten. En Hij zal het verbond bevestigen met velen voor een week; en in het midden der week zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden, en voor de verspreiding van de gruwelen zal Hij het doen verwoesten, zelf tot de voleinding toe, en datgene wat is vastbesloten, zal  uitgestort worden over het verwoeste. ” Dan.9:3-27{KJV}. {TN3: 33.2}

De engel verdeelde de zeventig weken in drie perioden: “zeven weken, en twee en zestig weken,” en “een week.” En hoewel hij in zijn woorden tot Daniël, die boven zijn geciteerd, de geprofeteerde tijd uitlegde, toch begreep Daniël het gezicht niet volledig. Aangezien hij echter wel met zekerheid de uitlegging van de engel begreep van de “ram” en de “geitenbok,” als zinnebeeldig te zijn voor respectievelijk “Perzië” en “Griekenland,” was daarom het werk van “de uiterst grote hoorn” datgene wat hij niet begreep. En dus geschiedde het dat hij later “in die dagen” weer “treurde”; dit keer, “drie volle weken.” Waarover hij zegt: {TN3: 34.1}

Ik zag “een zekere man met linnen bekleed, wiens lendenen waren omgord met fijn goud van Ufaz (…) Toen zeide hij tot mij: (…) Nu ben ik gekomen om u te doen verstaan wat uw volk zal overkomen in de laatste dagen: want het gezicht is nog voor vele dagen.” “Want tegen de tijd van het einde zal het gezicht zijn .” Dan.10:5,12,14; 8:17{KJV} {TN3: 34.2}

34

Dat de hoofdstukken 11 en 12  de uitlegging bevatten van het visioen zoals beloofd door de engel in hoofdstuk 10, kan gelijk herkend worden, niet alleen aan de voortzetting van de rede van de engel, maar ook uit het feit dat deze hoofdstukken een uitlegging zijn van het gezicht in het achtste hoofdstuk. Voor het gemak van de lezer, citeren wij de laatste twee verzen van hoofdstuk 10, en een deel van de uitlegging van de engel, opgetekend in hoofdstuk 11: {TN3: 35.1}

“Toen zeide hij: Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben? En nu zal ik weerkeren om te strijden tegen de vorst der Perzen: en wanneer ik ben uitgegaan, ziet,  dan zal de vorst van Griekenland komen. Maar ik zal u tonen datgene wat getekend is in het Schrift der Waarheid: en er is niemand, die het mij houdt in deze dingen, dan Michaël, uw Vorst.”  {TN3: 35.2}

“In het eerste jaar ook van Darius, de Meder, stond ik, ja ik, om hem te versterken en te bekrachtigen. En nu zal ik u de waarheid tonen. Ziet, er zullen nog drie koningen opstaan in Perzië; en de vierde zal veel rijker zijn dan hen allen; en door zijn sterkte door middel van zijn rijkdom, zal hij allen opwekken tegen het koninkrijk van Griekenland. En een machtige koning zal opstaan, die met grote heerschappij zal heersen, en zal doen naar zijn wil. En wanneer hij zal opstaan, zal zijn koninkrijk verbroken worden, en zal verdeeld worden naar de vier winden des hemels; en niet aan zijn nageslacht, noch naar zijn heerschappij waarover hij regeerde;

35

want zijn koninkrijk zal worden uitgerukt, zelfs voor anderen, dan die. “Dan. 10:20,21; 11:1-4. {TN3: 35.3}

Het is duidelijk dat de engel in dit hoofdstuk in detail “het gezicht” uitlegt welke was getoond aan Daniël in het achtste hoofdstuk, en dat Daniël 8: 11,12 parallel {evenredig} loopt in tijd met Daniël 11:31. Een vergelijking van beide schriftgedeelten, zoals wordt gevonden op bladzijde 25, maakt duidelijk dat het elfde hoofdstuk een verklaring is in het bijzonder van de macht die wordt geprojecteerd door de uiterst grote hoorn van het achtste hoofdstuk. {TN3: 36.1}

Ook maakt het duidelijk dat het heiligdom waarvan wordt gesproken in Daniël 8:11 niets anders kan zijn dan Gods heiligdom; want enerzijds kan een heidense structuur nooit van sterkte zijn of anderzijds verontreinigd worden als het nooit schoon is geweest. En bovendien, nooit noemt de Bijbel het een heiligdom. {TN3: 36.2}

En als laatste, juist het feit dat het heiligdom in Jeruzalem noch verontreinigd noch gereinigd was op de manier waarop wordt beschreven door de engel, maar woest was achtergelaten en uiteindelijk werd vernietigd (Dan. 9:26), plaatst het onomstotelijk bewijsstuk voor het bewijs dat noch de verontreiniging, noch de reiniging plaatsvond in de periode van het Oude Testament. {TN3: 36.3}

Deze solide conclusie wordt dubbel vastgesteld door de verdienste van Christus’ verklaring (bladzijde 25), wat het werk van de verwoestende macht in de Christelijke dispensatie {periode} plaatst. {TN3: 36.4}

36

Er is geen andere tijd dan de “tweeduizend en driehonderd dagen” (Dan.8:14) en de “zeventig weken” (Dan.9:24),

shepherds-rod-tract-3-2300-days

37

waarop de verklaring kan worden toegepast: “de vastgestelde tijd was lang.” Dan.10:1. Maar aangezien de eerstgenoemde periode te lang was voor het herstellen en reinigen van het heiligdom in Jeruzalem, en dat  de laatstgenoemde periode te lang was voor het herbouwen van de stad (want de zeventig jaren waarover wordt gesproken door Jeremia waren reeds vervuld), was Daniël genoodzaakt om tot de Here uit te roepen voor verstand. {TN3: 37.1}

“Toen,” zegt hij, vervolgens, “Hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zeide tot die ene heilige die sprak: Tot hoe lang zal het gezicht zijn betreffende het dagelijkse (…), en de overtreding der verwoesting, om zowel het heiligdom als het heer over te geven om onder de voet vertreden te worden?  En hij zeide tot mij: Tot tweeduizend en driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden.” Dan. 8:13,14{KJV}. {TN3: 38.1}

In moderne taal uitgedrukt, zou het antwoord van de engel op Daniël’s vraag zijn dat er 2300 dagen zouden zijn vereist voor “zowel het heiligdom als het heer om onder de voet vertreden te worden,” en ook voor het dagelijkse om neergeworpen te worden en voor de overtreding der verwoesting om ingesteld te worden, en dat daarna het heiligdom gereinigd zal worden.” {TN3: 38.2}

In dit licht wordt gezien dat de 2300-dagen periode moet eindigen nadat “het dagelijkse” is weggenomen en “de overtreding der verwoesting” is volbracht. Aldus zal het wegnemen van “het dagelijkse” en het inbrengen van de gruwel die woest maakt [p.38]

”door de overtreding der verwoesting, “zowel het heiligdom als het heer overgeven om onder de voet vertreden te worden.” {TN3: 38.3}

Het vertreden van het heer is het uitmoorden van de Christenen die niet wilden aanbidden volgens de bevelen van de hoorn- macht. Het vertreden van het heiligdom, de kerk, veroorzaakte de oprichting van een aardse priesterschap in de plaats van Christus, Die bediening doet van binnen in het hemelse heiligdom. {TN3: 39.1}

En aangezien de grote hoorn van de geitenbok een voorstelling is van de Romeinse (ijzer- Dan. 2:40) wereld in haar drie perioden- heidens, kerkelijk, en protestants – en aangezien ook in haar tweede periode, zij de waarheid en het “heer” onder de voet vertrad, en het heiligdom verontreinigde door de gruwelen in te brengen terwijl “het beoefende, en voorspoedig was” (Dan.8:12), dan reikt de 2300-dagen periode, dienovereenkomstig, verder dan de val van het Kerkelijk Rome en strekt het zich uit tot in de Protestantse periode. {TN3: 39.2}

Aangezien, verder, het bevel om Jeruzalem te herbouwen uitging in 457 V.Chr. (Ezra 7:21-27), blijkt het beginpunt van de zeventig weken één te zijn met dat van de 2300 dagen. {TN3: 39.3}

En Christus’ bediening binnen deze periode lokaliserend, zei de engel: “(…) Hij [Christus] zal het verbond bevestigen met velen voor één week; en in het midden der week zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden.” Dan.9:27. {TN3: 39.4}

39

Aangezien het bevestigen van het verbond met de velen (de Joden) was volbracht gedurende de zeven jaren vanaf het begin van Christus’ bediening, de tijd van Zijn doop, tot de tijd dat Petrus werd opgedragen het evangelie tot de Heidenen te brengen (Handelingen 10:28; lees het gehele hoofdstuk), en aangezien Christus in het midden van deze periode werd gekruisigd, bewijst het dat “de week” zeven letterlijke jaren zijn, en openbaart {het} dat de 2300-dagen periode moet worden gehanteerd met de regel van Ezechiel 4, een dag berekenend voor een jaar, aldus:  {TN3: 40.1}

“(…) vanaf het uitgaan van het gebod [gevonden in Ezra 7:21-27] om Jeruzalem te herstellen en te bouwen [het begin van de 2300 dagen], tot de Messias toe, de Vorst [Christus bij Zijn doop], zullen zijn zeven weken [49 jaren], en twee en zestig weken [434 jaren],” komende tot 483 jaren in totaal, met de eerste zeven weken of negen-en-veertig jaren, die bestemd zijn voor het herbouwen van de stad. {TN3: 40.2}

Daarna, na “zeven weken” plus “twee-en-zestig weken [483 jaren] zal de Messias afgesneden worden,(…) en het volk van de vorst [de Romeinen] die komen zal, zal de stad vernietigen en het heiligdom [vervuld door Titus rond 70 N.Chr.]; en het einde daarvan zal zijn met een vloed, en tot het einde toe van de oorlog zijn verwoestingen vast besloten. En Hij [Christus] zal het verbond bevestigen met velen voor een week [zeven jaren, beginnend bij Zijn doop];

40

en in het midden der week [in het midden van de zeven jaren] zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden [door het offeren van Zichzelf en door het overbrengen ervan tot het hemels heiligdom; Zijn offer, de plaats innemend van het aardse offer, en aldus het hemels heiligdom de plaats innemend van het aardse heiligdom, met Christus Zelf als de hogepriester], en voor de verspreiding van de gruwelen zal Hij het [de tempel in Jeruzalem] doen verwoesten [Zijn aanwezigheid volledig verwijderd], zelf tot de voleinding toe, en datgene wat is vastbesloten, zal  uitgestort worden over het verwoeste. ” Dan.9:3-27{KJV}. {TN3: 40.3}

Het restant van de 2300 dagen, of jaren, reiken tot de tijd van de reiniging van het heiligdom. (Zie afbeelding op bladzijde 37.) {TN3: 41.1}

Door 2300 jaren vooruit te tellen vanaf Oktober 457 N.Chr., wordt het eindpunt Oktober 1844 N.Chr. En aangezien de engel zei: “Tot tweeduizend en driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden,” dan moet de reiniging hebben aangevangen in 1844, precies het jaar waarin, voor de eerste keer in de geschiedenis, de boodschap van de eerste engel de verkondiging deed weerklinken: “Vrees God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen” (Openb.14:7; Dan. 7:9,10) — de tijd waarin de Grote Rechter en het hemels tribunaal  in oordeel zitten om de slechten van de goeden te scheiden; dat wil zeggen, om uit het Boek des Levens de namen

41

uit te wissen van degenen die tot de dienst van Christus zijn ingegaan, maar die niet tot het einde toe hebben standgehouden. {TN3: 41.2}

Aangezien deze ontzaglijke waarheid, zoals hier is geopenbaard, haar tegenhanger vindt in Christus’ gelijkenis van de tarwe en het onkruid, moeten de gelijkenissen noodzakelijkerwijs daarom onderwijzen het onderzoekend

Oordeel Onder De Levenden. {TN3: 42.1}

“Laat beiden tezamen groeien,” gebiedt Christus, betreffende de vermenging van de tarwe en het onkruid, “tot de oogst; en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert gij eerst het onkruid, en bindt ze in bossen, om ze te verbranden; maar brengt de tarwe samen in Mijn schuur.” Matt.13:30. {TN3: 42.2}

Hier leert de Heer op parabolische wijze dat er een tijd van onderzoek zal komen, en dat dan de engelen de zondaars zullen verwijderen van “de vergadering der rechtvaardigen.” Ps.1:5. {TN3: 42.3}

“Wederom, is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, die was geworpen in de zee, en  allerlei soort bijeen bracht; welke, toen het vol was, zij aan de oever trokken, en neerzaten, en het goede verzamelden in vaten, maar het kwade wegwierpen. Alzo zal het zijn bij in voleinding der wereld; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden.” Matt. 13:47-49. {TN3: 42.4}

In beide van deze gelijkenissen luidt Christus de voorwaarschuwing dat het onderzoekend

42

oordeel zal plaatsvinden in de tijd genaamd “oogst,” welke is de voleinding der wereld–de tijd waarin de 2300 dagen op het toppunt zijn, net zoals de engel verklaarde: “Versta, o zoon des mensen; want tegen de tijd van het einde zal het gezicht zijn.” Dan. 8:17. ” (…) sluit het gezicht toe; want het zal zijn voor vele dagen.” Dan.8:26. “(…)want het gezicht is nog voor vele dagen.” Dan.10:14. {TN3: 42.5}

Direct verwijzend naar de tijd waarin het onderzoekend oordeel onder de levenden zal plaatsvinden, stelt Maleachi beide gelijkenissen op een lijn in zijn profetie: {TN3: 43.1}

” (…) de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen, (…) Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen? en wie zal standhouden, als Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter en het loog van de blekers; en Hij zal zitten als een smelter en reiniger van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en hen louteren als goud en zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid een offer kunnen brengen.” Mal.3:1-3{KJV}. {TN3: 43.2}

Aangezien de reinigingen, waartoe er in de gelijkenissen en de profetie van Maleachi wordt opgeroepen, nooit hebben plaatsgevonden, dan ligt het onderzoekend oordeel van de levenden, vanzelfsprekend, nog in de toekomst. Dit onderzoekend werk wordt daarom veroorzaakt door het  scheidingswerk in het aardse heiligdom (kerk), zoals het ook in zicht wordt gebracht in Ezechiel 9: {TN3: 43.3}

43

” En zie, zes mannen kwamen van de weg van de Bovenpoort, die ligt naar het noorden, ieder met zijn vernietigingswapen in de hand; en één man onder hen was in linnen gekleed met een schrijfkoker aan zijn zijde en zij gingen naar binnen en gingen staan naast het koperen altaar. En de heerlijkheid van de God van Israël nu had zich opgeheven van de cherub waarop Hij rustte naar de dorpel van de thuis, en Hij riep de man die in linnen gekleed was die schrijfkoker aan zijn zijde had;  En de HERE zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en plaats een teken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en die uitroepen over al de gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden.  {TN3: 44.1}

” En tot de anderen zeide Hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem aan door de stad en slaat neer. Ontziet niet en hebt geen medelijden: Slaat volkomen, oud en jong, zowel maagden en kleine kinderen, vrouwen, maar nader geen mens waarop het teken is, En begin bij Mijn Heiligdom. Toen begonnen zij bij de  oudste mannen,  die voor het huis waren.” Ezech. 9:2-6. {TN3: 44.2}

Hier worden de mensen aangetoond als zijnde in een gemengde staat (onkruid en tarwe vermengd), met de tijd net voor hen waarin enerzijds degenen die hebben gezucht en uitgeroepen over de gruwelen in hun midden, het merkteken van verlossing zullen ontvangen, terwijl anderzijds degenen die

44

niet  hebben gezucht en uitgeroepen, zonder het merkteken achtergelaten zullen worden, om om te komen (in hun zonden) onder de vernietigingswapens van de engelen. {TN3: 44.3}

Uit deze scheiding –de ene in de kerk– komen de eerste vruchten voort. {TN3: 45.1}

Dan volgt de scheiding van onder de natiën, zoals wordt gezien in de gelijkenis van Mattheus 25, die op profetische wijze de komst van Christus beschrijft, echter niet die {komst} in zicht gebracht in 1 Thessalonicenzen 4:16,17, want tegen de tijd van de laatstgenoemde, “zullen de doden in Christus eerst opstaan; dan zullen wij, die in leven en overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, om de Here in de lucht te ontmoeten”; terwijl tegen de tijd van de eerstgenoemde, “wanneer de Zoon des mensen zal komen in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid [de koninkrijk-kerk, welke op dit moment alleen bestaat uit de eerste vruchten]. {TN3: 45.2}

“En voor Zijn aangezicht zullen alle natiën vergaderd worden; en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk een herder zijn schapen scheidt van de bokken; en Hij zal de schapen stellen aan Zijn rechterhand, maar de bokken aan de linker{hand}. Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand [dezen, die de tweede vruchten zijn]: Komt, gij gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld (…) Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan de linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, tot het

45

eeuwige vuur, dat bereid is voor de duivel en zijn engelen.” Matt.25:31-34,41. {TN3: 45.3}

Uit deze scheiding –die onder de natiën — komen de tweede vruchten voort. {TN3: 46:1}

De engelen die rondom de troon zijn in het hemels heiligdom gedurende het oordeel van Daniël 7:9, 10 en van Openbaring 5:11, zullen, zoals de gelijkenis verklaart, neerdalen met “de Zoon des mensen” wanneer Hij komt “tot Zijn tempel” (Zijn kerk) om door het oordeel “de goddeloze ” te scheiden ” van onder de rechtvaardigen,” en als goud en zilver te louteren degenen “die de dag van Zijn komst kunnen verdragen(…) opdat zij de Here in gerechtigheid een offer kunnen brengen.” Mal. 3:2, 3. {TN3: 46:2}

In een grafische demonstratie dat Hij op aarde zal komen met al Zijn engelen om het oordeel uit te voeren over de levenden, openbaarde de Heer Zichzelf op profetische wijze aan Ezechiel als Hij tot de aarde gebracht werd zittend op een troon door vier levende schepselen net voordat de slachting van de huichelaars in de kerk plaatsvind.  En aangezien elk van de levende schepselen het gezicht heeft van een leeuw, het gezicht van een kalf, het gezicht van een mens, en het gezicht van een arend (Ezech.1:10),– dezelfde onderscheidingstekenen als de dieren hebben die zich voor de troon in het hemels heiligdom bevinden (Openb. 4:7) in de tijd van het oordeel van de doden,– en aangezien zij neerdalen tot de aarde, tonen zij daarmee symbolisch aan dat het werk van de bemiddelend-gerechtelijke troon welke dagvaart en

46

de leiding heeft over het oordeel van de doden, is uitgebreid naar de aarde. {TN3: 46:2}

Deze uitbreiding moet, voor zover wij nu in staat zijn te weten, plaatsvinden bij het openen van de zevende zegel (Openb. 8:1), want tegen die tijd houden de hemelse stemmen op, die het oordeel van de doden openden, in het hemels heiligdom, en {zij} beginnen, na de half uur stilte, te klinken op de aarde. Met andere woorden, net zoals in de hemel bij de opening van het oordeel van de doden, er “bliksemen, en donderslagen, en stemmen” waren (Openb. 4:5), evenzo zijn er op aarde, bij de opening van het “oordeel van de levenden,” “stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en een aardbeving.” Openb.8:5. {TN3: 47:1}

Bij het oordeel van de doden, echter, vindt het scheidingswerk plaats in de boeken in het hemels heiligdom; terwijl bij het oordeel van de levenden, de scheiding plaatsvindt onder de mensen in de kerk evenals onder hun namen in de boeken in het hemels heiligdom, aldus aantonend dat beide heiligdommen uiteindelijk gereinigd zullen worden. {TN3: 47:2}

Het is daarom onontkoombaar, dat de komst van de Heer tot Zijn tempel (Mal. 3:1-3), Zijn komst met al Zijn engelen (Matt. 25), en Zijn komst zittend op Zijn troon boven de levende schepselen (Ezech.1),– die alle drie dezelfde gebeurtenis voorstellen, zoals is aangetoond,– plaatsvindt aan het begin van het oordeel van de levenden: de tijd waarin de gerechtelijke activiteiten van het hemels heiligdom

47

zich uitbreiden tot het aardse heiligdom –de kerk. {TN3: 47:3}

“En ik zag, en ziet, een witte wolk, ” hief Johannes de Openbaarder aan, dezelfde komst beschouwend, op verscheidene wijzen beschreven door Maleachi, Mattheus en Ezechiel, “en op de wolk was Een gezeten, de Zoon des mensen gelijk,  hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon, en in Zijn hand een scherpe sikkel. En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met en luide stem tot Hem, die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de tijd om te oogsten is voor U gekomen; want de oogst der aarde is rijp. En Hij, Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.” Openb. 14:14-16{KJV}. {TN3: 48:1}

Deze komst van de Zoon des mensen is, daarom, duidelijk niet wanneer de verrezen en de levende rechtvaardigen tezamen opgenomen worden om Hem in de lucht te ontmoeten; want de verzen 17-20, volgend op die in de bovenste alinea zijn geciteerd, openbaren dat nadat Hij kwam en de aarde maaide, “een andere engel (…) hebbende een scherpe sikkel,”  kwam en een tweede oogst maaide voordat de toorn Gods — de zeven laatste plagen (Openb. 15:1) –werd uitgegoten op de goddelozen. {TN3: 48:2}

Aldus wordt er nogmaals en voor de vierde keer gezien, dat er twee verschillende komsten zijn van de Zoon des mensen; de ene om “de goddelozen van onder de rechtvaardigen te scheiden” in de kerk (Matt.13:49), en daarna onmiddellijk de rechtvaardigen te roepen van onder de goddelozen in

48

Babylon (Openb. 18:4); de ander om de heiligen , zowel de verrezenen als de levenden, te brengen naar de woningen welke Hij voor hen heeft bereid (1 Thess. 4:16; Johannes 14:1-3). {TN3: 48:3}

Bij de eerstgenoemde komst van de zoon des mensen, werd de steen die het grote beeld sloeg zonder handen (zonder menselijke hulp, en door de Heer Zelf) uitgesneden, omdat, zoals de Heer zegt: “er was niemand die hielp; en Ik verwonderde Mij dat er niemand was, om te ondersteunen; daarom bracht Mijn arm Mij heil toe; en Mijn grimmigheid, die ondersteunde Mij. En Ik zal het volk vertreden in Mijn toorn en hen dronken voeren in Mijn grimmigheid, en Ik zal hun kracht doen neerdalen tot de aarde.” Jes. 63:5,6{KJV}. {TN3: 49:1}

Dit werk van scheiding, of reiniging, in zicht gebracht in de gelijkenis van Mattheus 13: 30 en nogmaals in die van Mattheus 13:47-49, ook in de profetie van Maleachi 3:1-3 en in die van Ezechiel 9, evenals in Openbaring 14, is direct van toepassing op het oordeelsdag voor de levenden; maar de reiniging van het heiligdom aan het einde van de 2300 dagen, volgens Daniël 8:14 en Daniël 7:9,10, is direct van toepassing op het

Oordeel Onder de Doden. {TN3: 49:1}

Hoewel de reiniging van het heiligdom, zoals reeds is gezien uit Daniëls profetieën, zou plaatsvinden na 1844 N.Chr., toch heeft, zijn visioen van het oordeel vanzelfsprekend betrekking op de doden, aangezien de levende rechtvaardigen nog steeds vermengd zijn met de zondaars in de kerk, en aangezien Daniël de Oude

49

van Dagen zag zitten in oordeel, niet om degenen te doden die “het merkteken” hadden, maar om te beoordelen vanuit “de boeken” welke “werden geopend.” {TN3: 49:2}

Wat de reiniging van de kerk op aarde betreft, het zal volbracht worden door ten eerste de gruwel uit te werpen, ten tweede de waarheid te herstellen, en ten derde door het onkruid weg te nemen. Maar wat de reiniging van het heiligdom van boven betreft, wordt het nu volbracht door uit het Boek des Levens te verwijderen de namen van degenen die in gebreke zijn bevonden; daarna door hen te plaatsen in het boek welke de namen bevat van degenen die zullen opkomen bij de opstanding van de goddelozen na de duizend jaren (Openb. 20:5); daardoor in het Boek des Levens achterlatend alleen de namen van degenen die overwinning over de zonde hebben verkregen, en die aldus wachten om op te komen bij de opstanding van de rechtvaardigen (Openb. 20:6). Johannes “zag,” dienovereenkomstig, “de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het Boek des Levens; en de doden werden geoordeeld uit die dingen die geschreven waren in de boeken, naar hun werken.” Vers 12. {TN3: 50:1}

Naast de redenen die reeds zijn aangevoerd, zijn er nog

Verdere Redenen voor Beide Oordelen. {TN3: 50:2}

Aangezien de reiniging van het hemelse heiligdom een werk is van reinigen  van de boeken door

50

het uitwissen uit hen de namen van zowel de afvalligen als het onkruid, en aangezien tegen de “tijd der benauwdheid, zoals er nooit was geweest sinds er een natie bestond,” degenen  die “verlost zullen worden,” alleen degenen zijn wiens namen geschreven worden bevonden in het boek, is het daarom vanzelfsprekend, dat de reiniging van de boeken plaatsvindt voor de opstanding, en voor de tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest is. Aldus zullen ontrouwe doden in hun graven gelaten worden bij de eerste opstanding, en de ontrouwe levenden zullen worden achtergelaten zonder verlossing van de komende benauwdheid.  Maar waren hun namen toegelaten om te blijven in de boeken, dan zouden volgens de verslagen óf de goddeloze doden verrezen moeten worden met de rechtvaardigen, en de levende goddelozen verlost worden met de levende rechtvaardigen, óf zouden anderszins zowel de rechtvaardige doden als de rechtvaardige levenden met hen verlaten moeten worden- alternatieven die beiden, natuurlijk, onmogelijk zijn; aldus wederom een absolute scheiding verplicht makend, zoals als voorbeeld aangehaald in type in Jozua’s tijd:  {TN3: 50:3}

“Er is een vervloekt ding,” zei de Heer, “in uw midden, O Israël; gij kunt niet standhouden voor uw vijanden, totdat gij het vervloekte ding wegneemt van onder u (…) En Jozua, en het ganse Israël met hem, nam Achan (…) en al wat hij had; …en het ganse Israël stenigden hem.”Joz. 7: 13, 24, 25 {KJV}. {TN3: 51:1}

Uit dit bolwerk van bewijzen ten bewijsvoering van de reiniging van de kerk op aarde

51

en van de boeken in de hemel, torent de ondoordringbare waarheid voort ,dat de levenden die, getrouw zijn doorgegaan tot het einde, hun namen behouden in het Boek des Levens, zullen in deze tijd van scheiding, Gods merkteken, of zegel, van verlossing ontvangen, terwijl degenen die dat niet ontvangen, zonder zullen worden achtergelaten, om om te komen in hun zonden. En, dienovereenkomstig, zullen de doden, wiens namen worden behouden na het oordeel, in het boek der doden, voortkomen in de eerste opstanding (Openb.20:6), terwijl degenen die ontrouw waren in het leven, wachten tot na de duizend jaren, om voort te komen  met al de goddelozen in de tweede opstanding (vers 5). {TN3: 51:2}

Terwijl het dus noodzakelijk is in de vergadering van de doden om de goddelozen te scheiden van de rechtvaardigen, die nu de opstandingmorgen afwachten, is het net zo noodzakelijk in de vergadering van de levenden om de goddelozen te scheiden van de rechtvaardigen, die zich nu voorbereiden op de verlossing  van de komende benauwdheid, en de tweede komst van Christus afwachten-Zijn zichtbare komst om de dode heiligen te doen ontwaken en zowel hen als de levenden op te nemen. {TN3: 52:1}

Er zijn daarom twee scheidingen, één onder de rechtvaardige doden en de andere onder de rechtvaardige levenden, de doden bestemd zijnde  voor opstanding en de levenden voor opname {of verandering}. {TN3: 52:2}

Anderzijds, zij, wiens namen worden uitgewist uit de boeken, degenen zijn die verzuimd zullen hebben  om het “bruilofts

52

kleed” aan te doen. Matt. 22:11. Op bevel van de Meester (vers 13), zullen zij worden uitgeworpen, om zich nooit meer onder de bruiloftsgasten te bevinden. Deze reiniging van het Boek des Levens wordt verder gezien als het zijn van  een noodzakelijkheid ten einde de engelen in staat te stellen op rechtmatige wijze de heiligen te selecteren, want wanneer de Zoon des mensen komt met al Zijn engelen, zal Hij hen zenden “met een groot geluid van een bazuin, en zij zullen zijn uitverkorenen [de verrezenen] bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan” (Matt. 24:31), en hen nemen om zich te voegen bij de levenden. {TN3: 52:3}

Het geconcentreerde licht dat nu doorschijnt vanuit de profetieën die hierin worden gezien in hun wederzijds betrekkelijke samenhang, toont aan dat zowel het heiligdom in de hemel als de ene op aarde verontreinigd was, niet door de politieke en militaire veroveringen van heidense machten, maar eerder, ten eerste, doordat sommigen van haar bekeerlingen niet standhouden (Matt.10:22); ten tweede, doordat Satan het onkruid inbrengt terwijl de mensen sliepen (Matt. 13:25); en ten derde, door het uitwerpen van het “dagelijkse” door de uiterst grote hoorn, het vertreden van de waarheid, en het inbrengen van de gruwel die woest maakt; aldus zowel de aardse als de hemelse heiligdommen betrekkend. {TN3: 53:1}

Deze ontstellende openbaring toont overtuigend aan dat de reiniging volgens Daniël ten eerste is van het heiligdom in de hemel, en ten tweede van het heiligdom op aarde. {TN3: 53:2}

53

Zo belangrijk is het, dat een ieder die zou verzuimen een ijverig en zorgvuldig onderzoek te doen naar de aard en de betekenis van dit groot werk van Gods onderzoeken van de gasten die zijn ingekomen voor de bruiloft, eenvoudigweg onverschillig over de verwachtingen zijn van het eeuwig leven-“zulk een grote verlossing.” Want wanneer iemands oordeel inbehandeling is, en hij is zich niet bewust van het feit, dan zal hij onvoorbereid zijn en niet in staat om stand te houden wanneer zijn zaak onderzocht wordt. Aan dit allerbelangrijke onderwerp “behoren wij daarom des te meer ernstig gehoor te geven.” Hebr. 2:1. En door dit te doen, moeten wij het oordeel benaderen

In Het Licht Van De Gelijkenissen. {TN3: 54:1}

De zaadzaaier, het zaad, de akker, het seizoen van bebouwen en groeien, en het seizoen van de oogst, moeten samen op volmaakte wijze uitgerekend zijn om het geestelijk koninkrijk af te beelden; anders kan de voorstelling alleen maar leiden tot dwaling in plaats van tot waarheid. {TN3: 54:2}

Aangezien de vier seizoenen van het jaar allemaal vereist zijn om het proces van beplanten, kweken, en oogsten van de jaarlijkse gewassen, en herfst zijnde het begin van het landbouw jaar (net zoals de afsluiting van het zomer seizoen ” de feest der inzameling ” is, ” welke is aan het einde van het jaar, wanneer gij uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben”–Ex.23:16), illustreert deze gelijkenis daarom met de twaalf maanden van het jaar een periode van evangelische geschiedenis, waarvan er bij de afsluiting er van het koninkrijk van Christus zal worden opgericht, en waarvan het begin is

54

De Zaaitijd. {TN3: 54:3}

Daar er een periode van kerkelijke geschiedenis wordt geïllustreerd door deze twaalf maanden oogst

Matt-13

55

periode, moeten wij daarom achterhalen de tijd van haar begin –de tijd van het zaaien van het zaad, en de tijd van de afsluiting ervan–de tijd van het oogsten. {TN3: 55:1}

“Hij die het goede zaad zaaide,” zegt Christus, “is de Zoon des mensen,” en de vijand die het onkruid zaaide “is de duivel.” Matt. 13:37,39. {TN3: 56:1}

“De Zoon des mensen,” Hij die “het goede zaad zaaide,” is natuurlijk niemand anders dan Christus. Maar aangezien Hij niet de “Zoon des mensen” genoemd kon worden voordat Hij uit een vrouw werd geboren, kon Hij dienovereenkomstig niet “het goede zaad” hebben gezaaid van de geestelijke oogst tot na Zijn geboorte in Bethlehem, Judea. {TN3: 56:2}

Aangezien Zijn bediening–Zijn zaaien van “het goede zaad,” de waarheid–gelijk begon na Zijn doop (Matt.4:17), moeten wij daarom, om het begin van de parabolische {vergelijkende} oogstperiode te bewijzen, de datum vaststellen waarop Hij werd gedoopt. {TN3: 56:3}

“En na twee en zestig weken,” profeteerde Daniël, betreffende Christus’ bediening en Zijn dood, “zal de Messias afgesneden worden, doch niet voor Zichzelf; …en Hij zal het verbond bevestigen met velen voor een week; en in het midden der week zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden.” Dan. 9:26,27{KJV}. {TN3: 56:4}

Dat dit profetische tijd is, berekend door de jaar-dag regel van Ezechiel 4:6, wordt gezien uit het feit dat er zeven jaren waren

56

vanaf de tijd dat Christus was gedoopt tot de tijd dat de apostelen werden toegestaan om het evangelie te brengen tot de Heidenen. Gedurende deze periode, bevestigde of vervulde Christus het verbond. “In het midden der week,” of aan het einde van drie en een halve jaar, zou Hij gekruisigd worden, aldus het aardse offer veroorzakend op te houden. {TN3: 56:5}

Het feit nu hebbende vastgesteld (zie  afbeelding op blz.55) dat de drie en een half jaar van Christus’ bediening eindigde op de 16de dag van de eerste maand, dan ondervinden wij, door drie en een half jaar te tellen (volg de afbeelding op blz.55), dat Zijn doop plaatsvond op de 16de dag van de zevende maand, welke was in de Week der Loofhutten, en de viering daarvan was het einde van het landbouw jaar, de afsluiting van de oogst (Lev.23:39). {TN3: 57:1}

Aldus zien wij dat de gelijkenis in volmaakte getrouwheid is aan de natuur, en dat “de Zoon des mensen” juist op tijd aanving met het zaaien van het geestelijk zaad –aan het einde van het oude en aan het begin van de nieuw jaarse oogst–in precies het juiste seizoen van het jaar. Met het zaaien van het zaad beginnend met Christus’ doop, en de oogst komend aan het “einde der wereld,” behelst de periode van de gelijkenis vanzelfsprekend de gehele evangelie dispensatie–vanaf het begin van Christus’ bediening tot aan de afsluiting van de genadetijd. Tussen die twee bevindt zich de

57

Tarwe-groeitijd. {TN3: 57:2}

De drie en een half jaar vanaf het begin van Christus’ bediening tot aan Zijn kruisiging zijnde de zaaitijd, en de oogsttijd zijnde het einde der wereld, dan is de tussenliggende periode de tijd voor het groeien en rijp worden van het graan, alsmede het

Onkruid-zaaitijd.  {TN3: 58:1}

Bij het afronden van Zijn zaaien van het goede zaad, “verliet….de Zoon des mensen…Zijn huis, en gaf Zijn dienstknechten macht, en elk zijn werk, en gebood de deurwachter om te waken.” Markus 13:34. Maar daar Hij er niet was, “sliepen de mensen,” zoals mensen gewoonlijk doen wanneer hun werkgever niet aanwezig is. Aldus, enige tijd nadat Christus opvoer ten hemel, “kwam Zijn vijand en zaaide onkruid onder het tarwe, en ging zijns weegs.” Matt.13:25. Maar Zijn dienstknechten, daar slapende, wisten het niet! Wat een tragische ironische voorstelling! Sions wachters in slaap gevallen zelfs aan haar muren, terwijl de vijand ongezien en  ongehinderd voorbij glipt! O, wat een vreselijke schuld van groffe plichtsverzuim rust op de wachters sinds de apostolische dagen! {TN3: 58:2}

Degenen aanklagend die vandaag verantwoordelijk zijn voor dit falen om  de kerk te beschermen van het lidmaatschap toe te zeggen aan feitelijk iedereen die belangstelling belijdt te hebben en een wens aantoont om lid te worden, hoewel zo iemand noch gegrond is in de waarheid noch “vruchten” voortbrengt “die aan de bekering beantwoordt,”

58

verklaart de Geest der Profetie: “Er wordt teveel haastig werk besteed aan het toevoegen van namen in het kerkregister. Ernstige gebreken worden gezien in het karakter van sommigen die zich bij de kerk voegen. Zij die hen toelaten, zeggen: Wij zullen ze eerst de kerk inbrengen, en daarna hen hervormen. Maar dit is een dwaling. {TN3: 58:3}

Het allereerste werk dat gedaan moet worden, is het werk van hervorming…Sta hen niet toe om zich te verenigen met Gods volk in kerkelijk verband, totdat zij besliste bewijzen hebben dat de Geest van God in hun harten aan het werken is. Velen, wiens namen staan geregistreerd in de kerkelijke boeken, zijn geen Christenen.” –The Review and Herald, 21 Mei, 1901. {TN3: 59:1}

Welk sterker bewijs is nodig voor iemand om zich te overtuigen dat de wachters het geestelijk inzicht hebben verloren welke Johannes de Doper en de apostelen hadden? Tragisch waar, is inderdaad de scherpe aanklacht: “Slapende predikanten, predikend tot een slapend volk.” –Testimonies, Vol.2 {Getuigenissen, Deel 2}, blz.337. {TN3: 59:2}

Waarnemend, “toen hij velen van de Farizeeers en Sadduceeers zag komen tot zijn doop,” dat zij later zijn Heer zouden kruisigen, zie Johannes tot hen: ” O, adderengebroed, wie heeft u een gewaarschuwd om te vluchten van de komende toorn? Brengt daarom vrucht voort dat aan de bekering beantwoordt.” Matt.3:7,8. Aldus onthulde en dwarsboomde hij het plan van de duivel om het onkruid in te brengen in die tijd. Want hij wist maar al te goed, dat als het onkruid eenmaal binnenkwam en hij dan zou trachten hen uit te wieden, hij het tarwe met hen zou uitrukken.  {TN3: 59:3}

59

En daarna , gedurende de tijd van de apostelen, zei Petrus, als een getrouwe wachter van de kerk,  het opnieuw pogen van de duivel bespeurend om binnen te komen met zijn kwade zaad, tot de schuldige: “Ananias, waarom heeft Satan uw hart vervuld, om tegen de Heilige Geest te liegen, en een deel van de prijs van het land achter te houden? …En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest; en er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden…En het omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw …inkwam. En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: JA, voor zoveel…Toen viel zij terstond neer voor zijn voeten, en gaf de geest.” Hand. 5:3,5,7,8,10. {TN3: 60:1}

Het feit dat ook de gemeente gefaald heeft om waar te nemen dat de duivel zijn zaad onder hen zaait, rechtvaardigt ten tweede male de aanklacht: “Slapende predikanten, predikend tot een slapend volk” (Testimonies, Vol.2 {Getuigenissen, Deel 2}, blz.337), en bewijst fat de gehele kerk, zowel de leiding als de leken, in dieope slaap is ter vervulling van de worden van Christus: “Dan zal hert koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden…en vijf van hen waren wijs, en vijf waren dwaas…Doch…terwijl de bruidegom vertoefde, sluimerden zij allen en sliepen.” Matt.25:1-5{KJV}. {TN3: 60:2}

Het onheil van het toelaten van de duivel om vrijelijk het onkruid onder het tarwe te zaaien, heeft in de Christelijke kerk bestaan vanaf het heengaan van de apostelen, met als gevolg dat wanneer

60

de Heer een boodschap heeft gezonden tot Zijn volk, het onkruid onder hen onmiddellijk (onder onderwijzing van de leiders) hun handen hebben opgeheven en wie dan ook  uit stemden die zou luisteren naar de boodschapper en de boodschap zou gehoorzamen. Door aldus keer op keer hun geboorterecht te veerkopen voor minder dan een pot voedsel, heeft het belijdend volk van God verlies geleden, en nochtans heeft de kerk nooit geleerd van de tragische les!  {TN3: 60:3}

“O, gij huis Israëls,” waarschuwt de Heer, “laat het u genoeg zijn vanwege al uw gruwelen, dat gij  in Mijn heiligdom heeft gebracht vreemdelingen, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om het te verontreinigen, namelijk Mijn huis.” Ezech. 44:6,7{KJV}. {TN3: 61:1}

Maar tot de getrouwen, aangezien het onkruid hen uit hun midden heeft verdrongen, is altijd de vertroostende verzekering van de Heer geweest: “Zalig zijt gij, wanneer mensen u zullen haten, en wanneer zij u zullen afscheiden van hun gezelschap, en u zullen smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om de Zoon des mensens’ wil. Verblijdt u in die dag, en spring op van vreugde; want ziet, uw loon is groot in de hemel; want op gelijke wijze deden hun vaders aan de profeten.” Lukas 6:22,23{KJV}. {TN3: 61:2}

Aangezien de periode vanaf het heengaan van de apostelen de groeitijd van het tarwe en het onkruid is geweest, en aangezien, bovendien, de Laodiceese gemeente de laatste is van de zeven afdelingen van de Christelijke kerk waarin het tarwe en het onkruid vermengd zijn, moeten wij het antwoord leren op de vraag:

61

Welke {Gemeente} Is De Laodiceese Gemeente? {TN3: 61:3}

Laodicea kan onfeilbaar herkend worden temidden van de vele “ismen” der Christendom aan het werk dat zij doet–het oordeel verkondigen. Inderdaad, dit merkteken van herkenning wordt aangewezen juist door de naam Laodicea, dat is samengesteld door de twee Griekse woorden lao en dekei, de ene betekenend “volk{of mensen},” en ook “spreek,” de ander betekenend “oordeel,” de twee in een betekenend het volk dat oordeel verkondigt. De kerk, daarom, die verkondigt: “Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid; want de ure van Zijn oordeel is gekomen” (Openb. 14:7), is klaarblijkelijk die ene, genaamd Laodicea. En het is haast even wel bekend buiten de Adsventistische kringen als van binnen, dat de Zevende-dags Adventisten gemeente de oordeelsboodschap van Openbaring 14:7 tracht over te brengen, en is daarom onbetwistbaar in haar opeising van de titel Laodicea.  {TN3: 62:1}

Het is dan duidelijk, dat de namen van “de zeven gemeenten” (de opeenvolgende afdelingen van de Christelijke kerk voorstellend, waarvan de Laodiceese de laatste is) niet “slechts namen” zijn. Neem als een ander voorbeeld de naam van de zesde, “Filadelfia.” Haar betekenis, “broederlijke liefde,” zijnde een verkeerde benaming voor de geestelijke toestand van welke andere gemeente dan ook in de gehele Christelijke periode, past onvoorwaardelijk echter, bij de staat van liefdadigheid die gewoonlijk en enkelvoudig bekend was van de zesde–de Millerieten gemeente. {TN3: 62:2}

Zijnde het ene schijnende voorbeeld van een gemeente die zich nooit schuldig maakte aan het dwarsbomen of trachten op welke manier dan ook haar leden te dwarsbomen in

62

hun beoefening van hun onvervreemdbare recht om voor zichzelf te onderzoeken en te aanvaarden wat dan ook hun geweten hen verzoekt te onderzoeken en te aanvaarden, is zij de enige die niets bijdroeg tot de ernstige toestand, die te voorschijn roept het schriftgedeelte: “Hoort het Woord des Heren, gij die voor Zijn woord beeft; uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijnentwil, zeiden: Laat de Here verheerlijkt worden; maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden” (Jes.66:5{KJV}) in de

Scheiding Van Het Onkruid Van Onder Het Tarwe. {TN3: 63:1}

Het einde van de periode waarin het tarwe en het onkruid vermengd zijn is de tijd van het afsluitingswerk voor de Laodiceese gemeente (de laatste van de zeven gemeenten). Dit werk wordt geïdentificeerd door de grondlegger van de gemeente als het merken in Ezechiël 9, de verzegeling van het geestelijk Israël, de 144.000. (Zie Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz.445 en Testimonies, Vol.3{Getuigenissen, Deel 3}, blz. 266; Vol.5, blz. 211{Deel 5, blz…}) En deze identificatie wordt beslissend ondersteund door het feit, zoals hierin wordt gezien, dat Ezechiël’s profetie een scheiding is van twee groepen–zij die “zuchten en uitroepen voor al de gruwelen die worden bedreven in het midden daarvan” (de kerk) en zij die

63

dat niet doen. En aangezien de eerstgenoemden worden verlost terwijl de laatstgenoemden vallen onder de slachtwapens van de engelen, is er duidelijk een volledige scheiding van het onkruid van onder het tarwe in de

Tijd Van De Oogst. {TN3: 63:2}

Hoewel de ware betekenis en tijd van de oogst grootschalig door sommigen in verwarring wordt gebracht en verwarrend is voor velen, zal een nadere studie van het Woord opheldering erin brengen op net zo een simpele wijze als het opheldering bracht in zowel de tijd van het zaad zaaien en de periode van het tarwe en het onkruid. {TN3: 64:1}

Met Zijn ogen de nevel der eeuwen doorsnijdend, voorzag Christus de nalatigheid van Zijn wachters en het kwaad welke zou opkomen in Zijn kerk. Desondanks, nadat Hem werd gevraagd door Zijn dienstknechten: ” Hebt Gij geen goede zaad gezaaid in Uw akker? van waar heeft het dan dit onkruid? …Wilt Gij dan, dat wij heengaan en het vergaderen?…zeide Hij: Neen, opdat gij niet, terwijl gij het onkruid vergadert, ook het tarwe met hen uittrekt. Laat beiden samen opgroeien tot de oogst; en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert gij eerst het onkruid, en bindt het in bossen, om het te verbranden; maar verzamelt het tarwe in Mijn schuur.” Matt. 13:27-30{KJV}. {TN3: 64:2}

Een oogst betekent het “resultaat van poging {inspanning},” of zware arbeid, “het inzamelen van een gewas,”–het oogsten{maaien} van het resultaat der arbeid en het vullen van de schuren met graan. Dus, in plaats van dat de arbeid van het jaar

64

is voleindigd aan het begin van de oogst, begint, juist dan, de zwaarste arbeid van het jaar. En hoewel de oogsttijd de kortste tijd is van het oogstjaar, wordt het werk van het maaien niet in een ogenblik gedaan; het neemt tijd in beslag. De opbrengst wordt niet bijeen vergaderd door de akker gelijk te veranderen in de schuur; neen, dat zou een grote opeengepakte hoop zijn in plaats van een oogst. Eerst wordt de sikkel aan het graan geslagen, en vervolgens wordt het graan gebonden tot schoven{garven}, daarna gedorst, waarna het wordt geplaatst in de schuur; en daarna wordt het kaf en het onkruid vernietigd. Dit werk zijnde voltooid gedurende de herfst, toont het aan dat de oogst een seizoen des tijds is nadat “de zomer voorbij is,” en dat het wordt gevolgd door de onvruchtbare winterperiode. {TN3: 64:3}

Alzo moet het zijn met de geestelijke oogst, welke anders niet kon worden geïllustreerd door de letterlijke. Acht niet lichtvaardig de wijsheid van God; Zijn illustraties zijn volmaakt. {TN3: 65:1}

Beschouw nu, met welk een exacte getrouwheid tot de natuurlijke oogst de Meester de waarheden heeft verklaard van de geestelijke oogst: “Laat beiden samen opgroeien tot de oogst,” zegt Hij: “en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert gij eerst het onkruid, en bindt het in bossen, om het te verbranden; maar verzamelt het tarwe in Mijn schuur.” Matt. 13:30{KJV}. {TN3: 65:2}

In deze parabolische woorden heeft Christus de geestelijke wijze van oogsten

65

evenredig {parallel} is aan de natuurlijke wijze. Ware de ene niet precies zoals de ander, dan zou Hij het verschil onderscheiden hebben. Wees daarom gewaarschuwd, om geen ijdele verbeeldingen in het verstand te laten komen, maar sta vierkant op de Schriften, want zij zijn vol van betekenis van onbegrensde waarde–zijn waarlijk, zelfs uw leven. {TN3: 65:3}

Aangezien het woord “tot” betekent “tot aan,” zal het onkruid  daarom eruit verzameld worden, niet voor of na de oogst, maar aan het begin ervan. En “de tijd van de oogst” zijnde “het einde van de genadetijd” (Christ’s Object Lessons, p.72{Lessen uit het Leven van Alledag, blz..}), dan gaat het oogsten op zichzelf genomen vooraf aan de afsluiting van de genadetijd—de onvruchtbare winterseizoen. Dus, het onkruid wordt gescheiden van het tarwe voor, niet na, het einde van de genadetijd. {TN3: 66:1}

Het tarwe, “de kinderen van het koninkrijk” (vers 38), wordt bijeen vergaderd in de schuur, het koninkrijk;  het onkruid, “de kinderen van de boze” (vers 38)–louter belijders, zij die geen daders van het Woord zijn, en die het lidmaatschap werden toegezegd “terwijl de mensen sliepen”–“worden vergaderd en in het vuur verbrand” (vers 40), nadat het onkruid is gebonden tot schoven{garven}. Maar

Wie Zijn De Maaiers? {TN3: 66:2}

“De maaiers zijn de engelen” die “zullen voort komen, en de goddelozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden.” Matt. 13:39,49{KJV}. Deze engelen zijn niet degenen die zullen “komen”

66

met Christus bij Zijn tweede komst, maar eerder degenen die Hij “zal uitzenden.” Zij zijn gelijk de drie engelen van Openbaring 14:6-11. Inderdaad, de derde engel “zal het tarwe uit het onkruid selecteren, en het tarwe verzegelen, of binden, voor de hemels graanschuur.”– Early Writings, p.118{Eerste Geschriften, blz…}. Daarom omvatten de engelen, de maaiers, die Christus uitzendt, zowel hij die verzegelt, of bindt, als degenen die navolgen om te vernietigen (Ezech. 9:2,5,6). Aldus geschiedt de

Scheiding in Twee Delen. {TN3: 66:3}

Het bevel: “Verzamelen uit Zijn koninkrijk alle dingen die ergeren, en zij die ongerechtigheid doen,” betekent niet het verzamelen van Zijn heiligen uit de aarde tot in de hemel; noch betekent het het vernietigen van de goddelozen van de aarde; want de eerstgenoemden zullen worden vergaderd, niet direct tot de hemel, maar eerst in “de schuur,” het koninkrijk op aarde; en de laatstgenoemden zullen niet onmiddellijk worden vernietigd “in de tijd van de oogst,” maar zullen eerst worden  bijeenvergaderd in bundels, en dan vernietigd, zoals verder wordt geïllustreerd in de gelijkenis van het net: {TN3: 67:1}

“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, dat in de zee was geworpen, en van iedere soort bijeenbracht; welke, toen het vol was, zij op de oever trokken en neerzaten, en het goede in vaten verzamelden, maar het slechte wegwierpen.” Matt.13:47.48{KJV}.{TN3: 67:2}

67

Deze gelijkenis toont ook aan de scheiding van de goddelozen uit het midden van Gods volk in de kerk (“het net”), dit zijnde het eerste gedeelte van het werk van scheiding, het begin van de oogst. Het opvolgende gedeelte vervolgt in de wereld, als de aarde wordt verlicht met de heerlijkheid van de “Luide Roep” engel, en als “een andere stem uit de hemel” zegt:”Komt uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt aan haar zonden, en dat gij niet ontvangt van haar plagen.” Openb.18:4{KJV}. {TN3: 68:1}

Merk op dat in het eerste gedeelte van de scheiding, die ene in de kerk, de goddelozen worden weggenomen van onder de rechtvaardigen, terwijl in het tweede, de ene in Babylon, de rechtvaardigen worden geroepen, van onder de goddelozen. {TN3: 68:2}

Aangezien de akker “de wereld” is (Matt.13:38), behelst de gelijkenis beide afdelingen van de oogst. Aangezien het “net,” in tegenstelling, de “vissen” binnensleept, de bekeerlingen gemaakt door de evengeliekerk, is de gelijkenis van het net daarom beperkt tot de scheiding in de kerk. Samen onderscheiden zij de

Relatie van de Eerste Vruchten tot de Tweede. {TN3: 68:3}

Aan Jesaja werd ook een inzage gegeven tot deze tweevoudige oogst. “Want met vuur, en met Zijn zwaard,” profeteert hij, “zal de Here pleiten met alle vlees; en de verslagenen des Heren zullen velen zijn. Zij die zichzelf heiligen, en zich reinigen in de

68

hoven achter een boom in het midden, zwijnenvlees etende, en de gruwel, en de muis, zullen tezamen verteerd worden, zegt de Here.” Jes. 66:16,17{KJV}. {TN3: 68:3}

De verslagenen des Heren, in dit schriftgedeelte, zijn degenen die belijden in het geloof te zijn, die heiligmaking en reiniging beweren {of opeisen}, maar die dat doen vanwege de verdiensten van hun eigen gerechtigheid,–van “zichzelf,”–niet vanwege de verdiensten van Christus’ gerechtigheid. Dat betekent, zij wandelen in hun eigen wegen, niet in gehoorzaamheid tot de waarheid. Om zich heen getrokken met deze valse gewaden van heiligmaking en reiniging, doen zij zich voor als hervormers, terwijl zij al de tijd toegeven aan de gruwelen van de heiden; dit doende in het geheim–“achter een boom,” of, zoals de kantregel {margin} zegt, in de leiding volgend “de een na de ander.” En het voedsel (zwijnenvlees, de muis, en de gruwel,–wat dat ook mag zijn, waar dan ook deze heidensgezinde Christenen mogen zijn,– voedsel dat respectievelijk alleen in bepaalde delen van de wereld wordt gebruikt, onder verscheidene klassen en rassen) waarmee zij hun eetlust bevredigen, toont aan dat de daaruit volgende vernietiging onder deze zelf-heiligenden en zelf-reinigenden plaatsvindt in de kerk wereldwijd. {TN3: 69:1}

Dat het niet was onder de heidenen, die niets wisten van de waarheid van God en van Zijn grote macht, wordt duidelijk getoond door de woorden van de Heer: “Ik zal degenen, die van hen ontkomen, zenden tot de natiën, tot Tarsis, Pul, en Lud, die de boog spannen, tot Tubal, en

69

Javan [de heidense natiën van vandaag zoals zij worden genoemd bij hun vroegere namen], tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord hebben, noch Mijn heerlijkheid hebben gezien; en zij zullen Mijn heerlijkheid aan de heidenen verkondigen.” Jes.66:19{KJV}. {TN3: 69:2}

Aangezien deze ontkomenen (de eerste vruchten, de 144.000 dienstknechten Gods–Openb.7:3) “al uw broeders zullen brengen” (de tweede vruchten, de grote schare–Openb.7:9) “tot een offer brengen…uit alle natiën”  (Jes.66:20, eerste deel), is deze grote inzameling daarom, noodzakelijkerwijs, het afsluitingswerk van het evangelie–de tweede afdeling van de oogst. {TN3: 70:1}

En aangezien verder, deze ontkomenen al hun broeders zullen brengen “naar Mijn heilige berg Jeruzalem, zegt de Here,” “in een rein vat in het huis des Heren” (vers 20, laatste deel), is het feit ten volle duidelijk dat de vernietiging van de goddelozen, resulteert in de reiniging van de kerk. Het “reine vat” is daarom de gereinigde kerk,, samengesteld door de ontkomenen–de eerste vruchten, de 144.000–die dan, vrij van de goddelozen (het onkruid), als “de dienstknechten van onze God,” de tweede vruchten zullen inbrengen, de grote schare die niemand tellen kan, uit alle natiën. {TN3: 70:2}

Deze tweede afdeling van de scheiding aldus zijnde volbracht, is de genadetijd gesloten. Waarbij er van de goddelozen zal worden gehoord de afgrijselijke weeklacht van ondergang:”De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” Jer.8:20{KJV}. {TN3: 70:13

70

Dit zijnde de vreselijke ervaring van het onkruid in Babylon, in de tweede afdeling van de oogst, dan moet er, als een type, een soortgelijke en voorafgaande ervaring zijn voor het onkruid in de Laodiceese kerk, in het eerste afdeling van de oogst, een parallel die beslissend aantoont dat

De Kerk Geen Babylon Is. {TN3: 71:1}

De reden waarom de kerk figuurlijk gesproken geen “Babylon” is, is omdat het wordt genoemd Jeruzalem ( Ezech. 9:4,8), en van onder de goeden daarin, worden de goddelozen (het onkruid) vernietigd, eruit genomen, door de zes mannen met de verdeligingswapen (Ezech.9:6-9), en dan, daarna, worden de goeden (het tarwe) bijeen vergarderd in de “schuur;” terwijl van onder de goddelozen in Babylon, worden de rechtvaardigen (“Mijn volk”)  uitgeroepen en bijeen vergaderd in de schuur, en dan gieten de zeven engelen de zeven laatste plagen uit, en de overgebleven goddelozen worden vernietigd. {TN3: 71:2}

Aldus worden in het eerste gedeelte van de oogst, de scheiding in de kerk, de goddelozen vernietigd door zes mannen met verdelgingswapens, voordat de goeden eruit worden genomen; en in de tweede afdeling, de scheiding onder de kerken in Babylon, worden de goddelozen vernietigd door zeven engelen met de zeven laatste plagen, nadat de goeden eruit zijn genomen. Er zijn daarom twee scheidingen en twee vruchten; de eerste geeft de eerste vruchten, de 144.000, die niet bevlekt zijn met vrouwen (Openb.14:4). Dat wil zeggen, zij zijn degenen die de verzegelingsboodschap vindt

71

in de kerk van God, niet in de heidense kerken. En de tweede geeft de tweede vruchten, de grote schare uit alle natiën, waarvan sommigen ook onbevlekt kunnen zijn met vrouwen–heidense kerken. {TN3: 71:3}

Hebbende tot dusver bestudeerd het oordeel, de oogst, in het licht van de getuigenissen der profeten en de gelijkenissen van Christus, zullen wij het nu onderzoeken

In het Licht van de Ceremoniële Dienst. {TN3: 72:1}

Net zoals de Geest der Profetie verklaart dat “het gehele systeem van typen en symbolen was een samengestelde{beknopte} profetie van het evangelie, een presentatie waarin waren omsloten de beloften der verlossing” (The Acts of the Apostles, p.14{Van Jeruzalem tot Rome, blz.12}), zo ook is het plan der verlossing ontvouwd niet alleen in de getuigenissen van de profeten en in de gelijkenissen van Christus, maar ook in de typen en symbolen van het aardse heiligdom. Ter toevoeging hieraan, “zijn” de ervaringen van het volk in de typische periode “hen overkomen,” wordt ons verteld, “tot voorbeelden; en zij zijn beschreven tot waarschuwing van ons, over wie de einden der wereld gekomen zijn.” 1 Kor.10:11. Dus zijn wij logischerwijs vanaf het prille begin verplicht om aandacht te schenken aan Gods onderricht tot Mozes: {TN3: 72:2}

“Op de tiende dag van de zevende maand zal er een dag van verzoening zijn:…verzoening te doen voor het

72

aangezicht van de Here uw God. Want welke ziel dan ook, die op diezelfde dag niet verootmoedigd zal zijn, die zal worden afgesneden van onder zijn volk. “Doe een verzoening voor de kinderen Israëls…eenmaal in het jaar.” Lev. 23:27029; 16:34.{KJV} {TN3: 72:3}

Wanneer iemand is “afgesneden van onder zijn volk” op grond van zonde, dan moet zijn naam ook worden “uitgedelgd uit het boek der levenden.” Ps. 69:28. Dus was de dag er verzoening een dag van oordeel, zoals het nog steeds gewoonlijk wordt genoemd door de Joden, en op grond daarvan was het gegrondvest als het type van de grote antitypische dag der verzoening (het onderzoekend oordeel) -de dag waarin de Heer zal uitwissen van Zijn boek de namen van alle zondaars , en “afsnijden” van de vergadering van Zijn volk al degenen wiens namen niet in het boek staan. {TN3: 73:1}

Betreffende de typische dag van verzoening was het bevel van de Heer door middel van Mozes: “Op die dag zal de priester verzoening doen voor u, om u te reinigen, opdat gij rein moogt zijn van al uw zonden voor het aangezicht des Heren…en hij zal verzoening doen voor het heilige heiligdom, en hij zal verzoening doen voor de tabernakel der samenkomst, en voor het altaar.” Lev. 16:30,33{KJV}. {TN3: 73:2}

Zijnde de dag van verzoening in type voor zowel de doden als de levenden, projecteert deze dienst van de aardse tabernakel daarom de dag van verzoening in haar antitype de reiniging van het heiligdom in de hemel van

73

onwaardige namen in de boeken, en de reiniging van de kerk op aarde van haar onbekeerde en onstabiele leden, –aldus te weeg brengend de tijd van reine boeken, {een} reine kerk, en reine mensen. {TN3: 73:3}

Vooruit blikkend op deze dag van reiniging, profeteert Zacharia: “Te dien dage zal er op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEREN; en de potten in het huis des Heren zullen zijn als de bekkens voor het altaar.Ja, iedere pot in Jeruzalem en in Juda zal heilig zijn voor de Here der heerscharen; …en te dien dage zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.14:20,21{KJV}. {TN3: 74:1}

Hetzelfde tafereel in zicht brengend, verklaart de profeet Jesaja: “En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en al de koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, welke de mond des Heren zal zal noemen. Gij zult ook een kroon der heerlijkheid zijn in de hand des Heren, en een koninklijke hoed in de hand van uw God. Gij zult niet meer genoemd worden: Verlaten; …gij zult  worden genoemd: Hephzibah…het heilige volk.” Jes. 62:2-4,12{KJV}. {TN3: 74:2}

“Maar gij…die de Here verlaat, die Mijn heilige berg vergeet,…gij zult uw naam  tot een vervloeking laten voor Mijn uitverkorenen; want de Here God zal u doden, en Zijn knechten met een andere naam noemen.” Jes. 65:11,15{KJV}. {TN3: 74:3}

“Het volk, dat geen verstand heeft, zal vallen.” Hos.4:14{KJV}. “Velen zullen

74

gereinigd, en wit gemaakt , en beproefd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zullen het verstaan; doch de verstandigen zullen het verstaan.” Dan. 12:10 {KJV}. {TN3: 74:4}

Degenen, wiens inzicht helder is over de waarheid van de oogst zoals onderwezen in de getuigenissen van de profeten en in de gelijkenissen zullen een nog heldere inzicht hebben naar gelang wij bestuderen de betekenis van

De Beweegschoof, Beweegbroden, En Het Loofhuttenfeest. {TN3: 75:1}

In volledigheid onze verlossing illustrerend, moeten de oogst riten van het ceremonieel systeem daarom overeenkomen met beide de getuigenissen der profeten en de gelijkenissen betreffende de oogst, want allen zijn onlosmakelijk gezamenlijk verbonden. De ceremonieën van de eerste en de tweede vruchten van het graan moeten dienovereenkomstig de waarheid ontvouwen betreffende de eerste en tweede vruchten van het mensdom. In de Levitische wet lezen wij: {TN3: 75:2}

“Gij zult een schoof van de eerste vruchten van uw oogst tot de priester brengen; en hij zal die schoof voor het aangezicht des Heren bewegen, om voor u aangenomen zij; de volgende dag na de sabbat zal de priester het bewegen….En gij zult noch brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op diezelfde dag, dat gij een offerande tot uw God heeft gebracht; …en gij zult voor u tellen van de volgende dag na de sabbat, van de dag dat gij de schoof van het beweegoffer bracht; zeven Sabbatten zullen volkomen zijn;

75

tot de volgende dag na de zevende Sabbat zult gij vijftig dagen tellen; en gij zult een nieuwe spijsoffer aan de Here offeren. Gij zult uit uw woningen twee beweegbroden van twee tienden  brengen; zij zullen van meelbloem zijn; zij zullen met zuurdesem gebakken worden; het zijn de eerste vruchten voor de Here….Ook op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de vrucht van het land hebt ingezameld, zult gij een feest tot de Here vieren, zeven dagen; op de eerste dag zal een sabbat zijn, en op de achtste dag zal een sabbat zijn.” “Lev.23:10.11,14-17,39{KJV}.  {TN3: 75:3}

Hier zien wij opgedragen de onderhoud van drie oogst riten: (1) de ceremonie van de beweegschoof, aan het begin van de eerste oogst; (2) de ceremonie van de beweegbroden, bij de afsluiting van de eerste oogst; (3) het loofhuttenfeest bij de afsluiting van de tweede oogst. Zijnde een typische voorstelling, voorschaduwen deze twee graanoogsten met hun drie letterlijke sacramenten, dienovereenkomstig twee zeilenoogsten met drie geestelijke riten, waarvan de eerste is de

Eerste Vruchten Met Beweeg-Schoof En Beweeg-Broden. {TN3: 76:1}

Bestaande uit een gesneden graanbundel, betekende de beweegschoof vruchten om geoogst te worden. En aangezien de schoof zou worden geofferd voordat de sikkel werd geslagen aan het graan en de schoven bijeen vergaderd, dan wees het vanzelfsprekend vooruit naar de geestelijke oogst van de eerste vruchten om bijeen vergaderd te worden.

76

Op de Pinksterdag, vijftig dagen nadat de typishe schoof werd geofferd, zou geheel Israël “een nieuwe spijsoffer aan de Here” offeren “…

Cerem-harvest

77

[twee beweegbroden “met zuurdesem gebakken”] de eerste vruchten voor de Here.” Lev. 23:16,17{K.J.V}. {TN3: 77:1}

Beide de beweegschoof en de beweegbroden waren dankoffers voor de eerste vruchten. De een werd opgedragen aan het begin van de oogst; de ander aan de voleinding ervan. In tegenstelling tot de beweegschoof van gesneden bundels graan, een zinnebeeld vooraf van vruchten die ingezameld zullen worden nadat de schoof was geofferd, betekenen de beweegbroden, zijnde een eindproduct, vruchten die vooraf zijn ingezameld. (De lezer die het beste de betekenis van deze drie ceremoniële feesten, zo allerbelangrijk zijnde voor onze verlossing, zou willen begrijpen, zal de kaart volgen op bladzijde 77, naar gelang wij doorgaan.) {TN3: 78:1}

Het zal opgemerkt worden dat het gebod betreffende het onderhouden van de zevende-daagse Sabbat, evenals die betreffende het onderhouden van de jaarlijkse ceremoniele feesten, is opgetekend in het drie-en-twintigste hoofdstuk van Leviticus, vers 3. Daarom zou er zorgvuldigheid beoefend moeten worden om om de ene waarheid niet met de andere te verwarren. {TN3: 78:2}

De beweegschoof zou geofferd worden “de volgende dag na de Sabbat” –dat wil zeggen, op de eerste dag van de week, nu gewoonlijk genoemd Zondag. Deze offerande zou worden gepresenteerd, niet op een speciale dag van de maand, maar eerder op een speciale dag van de week, voordat de sikkel werd geslagen aan het graan en verzameld in schoven (Lev.23:11,14). Komende precies op de juiste tijd, in het seizoen van de eerste vruchten, was het Pascha

78

week de periode waarin de beweegschoof gewoonlijk werd geofferd voor de Heer, haar ritueel profetisch projecterend

Christus, Het Antitype Van De Beweeg-Schoof. {TN3: 78:3}

Voor meer dan duizend jaren wees het jaarlijks bewegen van de schoof vooruit naar haar antiypische gebeurtenis, de opstanding van Christus. En aangezien Christus opstond juist op de dag dat de beweegschoof zou worden geofferd, de dag “na de Sabbat,” laat dan niemand de eenvoudige samenloop van deze twee gebeurtenissen op die dag toeschrijven aan slechts toevalligheid of aan welke andere zaak dan ook dan aan goddelijke bedoeling. “Hij was het antitype van de beweegschoof” verklaart de Geest der Profetie “en Zijn opstanding vond plaats juist op de dag toen de beweegschoof zou worden gepresenteerd voor het aangezicht van de Heer.” –Desire of Ages, p.785{Wens der Eeuwen, blz..}. {TN3: 79:1}

Dus waren Christus, de eerste vruchten, en zij die met Hem voortkwamen uit het graf bij Zijn opstanding, opgestaan tot eeuwig leven, de antitypische beweegschoof der doden. En aangezien de beweegschoof van graan vooruit wees naar de inzameling van de eerste vruchten van het veld, dan verwezen evenzo zij die opstonden met Christus, zijnde de eerste vruchten der doden, vooruit naar de inzameling van de eerste vruchten van het evangelie–de 120 discipelen. Maar aangezien zij die met Christus opstonden met Hem opstegen als trofeeën van Zijn overwinning over de dood en het graf, werden zij daardoor een levende type, en aldus

79

De Beweeg-Schoof Van De Levenden. {TN3: 79:2}

Gelijk Christus opstond juist op de dag dat de schoof zou worden geofferd, evenzo viel de Heilige Geest op de 120 discipelen juist op de dag dat de beweegbroden zouden worden gepresenteerd voor de Here. De apostolische Pinksterdag was dienovereenkomstig het prototype van het ceremoniële Pinksteren (de dag waarop de beweegbroden werden geofferd). En aangezien  de beweegschoof een voorstelling was van Christus en van degenen die met Hem opstonden als eersten van de eerste vruchten der doden, waren de beweegbroden daaruit volgend een voorstelling van de 120 met de Geest vervulde discipelen, die de volledige aanvulling{of afronding, bekroning} waren van de eerste vruchten der doden, en die waren ingezameld na de opstanding. {TN3: 80:1}

Uit deze feiten kan het nog duidelijker worden gezien dat degenen die Christus met Zich meenam, de levende beweegschoof waren en de enige die was geofferd in het hemelse heiligdom, en dat als degenen die herrezen zijn uit de dood, zij de eerste vruchten der doden zijn, terwijl als degenen die altijd leven voor het aangezicht van de Vader, zij de levende beweegschoof zijn van de eerste vruchten der levenden, de 144.000 dienstknechten Gods, die vervolgens vooraf gaan aan

De Tweede Vruchten En Het Feest Der Loofhutten. {TN3: 80:2}

De 120 discipelen op de dag van Pinksteren zijnde de eerste vruchten der doden van het evangelie, dan is het gevolg dat de grote schare die daarna dagelijks werd toegevoegd aan de kerk, natuurlijk de tweede vruchten der doden waren van het evangelie. {TN3: 80:3}

80

“….Ook op de vijftiende dag van de zevende maand,” vervolgt het Levitisch verslag van de geboden van de Heer betreffende de oogst riten,”  wanneer gij de vrucht van het land hebt ingezameld, zult gij een feest tot de Here vieren, zeven dagen; …en op de eerste dag  zult gij u nemen  takken van schoon geboomte, palmtakken, en de twijgen van dichte bomen, en beekwilgen; en gij zult u verblijden voor het aangezicht van de Here uw God, zeven dagen; Gij zult zeven dagen in loofhutten wonen; alle ingeborenen in Israël zullen in loofhutten wonen.” Lev. 23:39,40,42. {TN3: 81:1}

Aangezien de beweegschoof en de beweegbroden typisch {zinnebeeldig} zijn, dan moet de Feest der Loofhutten ook typisch zijn. Anders zou de ceremonie niet zijn onderhouden als een deel van de oogst riten. En aangezien in het type het feest moest worden gevierd bij de afsluiting van de laatste inzameling van de oogst van het jaar, dan moet het overeenkomstig in het antitype gevierd worden bij de afsluiting van de laatste inzameling van de oogst van de aarde, welke zijn vervulling nadert. Dus is de tijd die wordt verbruikt aan het produceren en aan het offeren van de beweegschoof en de beweegbroden, en ook aan het onderhouden van het Loofhuttenfeest, een voorstelling van de gehele geestelijke oogsttijd van de levenden en van de doden. {TN3: 81:2}

Dit feit ondersteunend, zegt de Geest der Profetie:  {TN3: 81:3}

“Het Loofhutten Feest was niet alleen ter herdenking, maar ook typisch… Het vierde

81

de inzameling van de vruchten der aarde, en wees vooruit naar de grote dag van de laatste inzameling, wanneer de Heer van de oogst Zijn maaiers zal zenden om het onkruid samen bijeen te vergaderen in bossen voor het vuur, en om het tarwe te verzamelen in Zijn graanschuur. Tegen die tijd zullen al de goddelozen vernietigd worden.” –Patriarchs and Prophets, p.541{Patriarchen en Profeten, blz..}. {TN3: 81:4}

Het is daarom duidelijk, dat omdat de eerste en de tweede vruchten van de letterlijke oogst en haar bijkomende plechtigheden een geestelijke  oogst van eerste en tweede vruchten voorafschaduwden, moet hun hoogtepunt bereikt hebben door het Loofhuttenfeest.  {TN3: 82:1}

“Ik zag de heiligen,” zegt de dienstknecht des Heren bij het beschrijven van deze viering, “de steden en dorpen verlaten, en zich met elkander verenigend in gezelschappen, en levende in de meest eenzame plaatsen. Engelen voorzagen hen van voedsel en water, terwijl de goddelozen honger en dorst leden.” —Early Writings, p. 282{Eerste Geschriften, blz…}. {TN3: 82:2}

Aldus typeerde het wonen van het vroegere Israël in loofhutten, het uiteindelijk wonen van het moderne Israel in de bossen. Het is daarom onweerlegbaar, dat de oogst van Mattheus 13 vooraf gaat aan de afsluiting van de genadetijd, en zich bevindt in de tijd van de inzameling van de eerste en tweede vruchten–de 144.000 en de “grote schare,”– al de heiligen die zullen worden opgenomen {veranderd}. {TN3: 82:3}

Aangezien het licht dat zich richt op dit punt duidelijk openbaart dat het Pinksteren na de opstanding {bestemd}

82

was voor de inzameling van degenen die zouden sterven, dan moet er, dienovereenkomstig, een Pinksteren zijn voor het inzamelen van degenen die opgenomen zullen worden. En door hetzelfde bewijs van logica, moeten de beweegschoof e nde beweegbroden, een dubbele toepassing hebben, elk op de doden en op de levenden, gezamenlijk vormend de totale vruchten van de antitypische oogst. {TN3: 82:4}

Het apostolische Pinksteren, door het voorzien in de kracht voor het inzamelen van de tweede vruchten tot aan het begin van het oordeel van degnene die nu dood zijn, voorspelde het laatste Pinksteren, welke nog in de toekomst ligt, en welke zal brengen de kracht voor het inzamelen van de twede vruchten van de levenden, zij die nooit zullen sterven. Met andere woorden, degenen die stierven voor het laatste Pinksteren zullen geoordeeld worden naar het licht der waarheid dat werd weerspiegeld door middel van de kracht van het apostolische Pinksteren.  {TN3: 83:1}

(Vanaf Zijn doop tot aan Zijn hemelvaart, onderwees Christus alom de waarheid die degenen die het aanvaardden zou voorbereiden, om het mede te delen. Daarna, op de Pinksterdag, voorzag Hij hen van Zijn Geest om het met kracht te verkondigen.) {TN3: 83:2}

Betreffende het oordeel, de oogst, verklaart de dienstknecht des Heren: {TN3: 83:3}

“Toen zag ik de derde engel. Mijn begeleidende engel zei: “Vreselijk is zijn werk. Ontzagwekkend is zijn zending. Hij is de engel die het tarwe van het onkruid zal uitlezen, en het tarwe en

83

verzegelen, of binden, voor de hemelse graanschuur.” —Early Writings, p. 118{Eerste Geschriften, blz..}. {TN3: 83:4}

“Wees gij daarom geen spotters, opdat uw banden niet sterk gemaakt worden; want Ik heb van de Here God der heerscharen gehoord een verdelging, namelijk die vast besloten is over de gehele aarde. Neemt ter ore, en hoort  Mijne stem; merkt op en hoort Mijn rede.” Jes. 28:22,23{KJV}.  {TN3: 84:1}

En opdat nu een ieder die oprecht tracht te horen naar en aandacht te schenken aan de stem der Waarheid, de duidelijkst mogelijke begrip kan hebben van de verscheidene aspecten van het onderwerp van het oordeel, de oogst, worden zij hierbij gebracht tot een hechtere scherpstelling: {TN3: 84:2}

De lezer zal gedenken dat degenen die met Christus opstonden op de achttiende dag van de eerste maand (volg de kaart op bladzijde 55), onsterfelijk werden gemaakt, en in de hemel werden ontvangen als de antitypische schoof, wijzend naar de inzameling van de vruchten die nooit zullen sterven. Hun opstanding uit de dood betekende het begin van de oogst der eerste vruchten van de 120 discipelen die zouden sterven en worden opgewekt. Het feit dat de volgelingen van Christus niet eensgezind waren voor de opstanding, is zeer duidelijke getuigenis dat de eerste vruchten (de 120) van hen die slapen niet rijp waren geworden( niet volledig bekeerd zijn geworden) tot na de opstanding. {TN3: 84:3}

De 40 dagen van Christus’ persoonlijke aanwezigheid op aarde na Zijn opstanding was

84

de tijd waarin  de eerste vruchten werden ingezameld, want na Zijn hemelvaart sloten de Christenen zich in in de bovenkamer en stonden niet op om de waarheid te prediken tot aan het Pinksteren. de 120, die de kracht van de Geest ontvingen juist op de dag dat de beweegbroden werden geofferd, waren daarom de antitypische beweegbroden, aangevend de volledigheid vam de oogst der eerste vruchten.  Daaropvolgend kwamen de tweede vruchten van de doden, in de periode waarin het onkruid was vermengd met het tarwe. {TN3: 84:4}

Wonderbaarlijk is inderdaad de wijze waarop God het plan der verlossing heeft uitgewerkt en het stap voor stap heeft geopenbaard naar gelang het noodzakelijk is. Toen in 1844 het onderzoekend oordeel van de doden en de inzameling van eerste vruchten der levenden begon, heeft Hij Zijn volk niet in duisternis gelaten betreffende deze gebeurtenissen. Het allereerste visioen welke Zuster White ontving in 1844 was van de 144.000 eerste vruchten, de dienstknechten van onze God,” die de dood nooit zullen smaken. (Zie Early Writings, p.13,15{Eerste Geschriften, blz…). {TN3: 85:1}

Net zoals Christus en degenen die Hij opwekte en met Zich meenam de prototypische schoof werden, voortekenend de inzameling van de eerste vruchten  (de 120) van hen die zullen worden opgewekt, zo ook toen Hij inging tot Zijn priesterlijke bediening in het eerste afdeling van het hemels heiligdom, en zichzelf en Zijn trofeeën voor Zijn Vader, werden zij de antitypische schoof, voortekenend de inzameling

85

van de eerste vruchten van degenen die zullen worden opgenomen (de 144.000 levende heiligen). In het licht van deze evenredigheid, wordt de geestelijke toestand van de 120 voor het apostolische Pinksteren duidelijk gezien als typerende de geestelijke toestand van de 144.000 voor het toekomstige Pinksteren. {TN3: 85:2}

De 40 dagen (Handelingen 1:3,9) van de opstanding tot de hemelvaart zijn dus typisch voor de periode van 1844 tot de vervulling van het merken en doden zoals is opgetekend in Ezechiël 9 en Openbaring 7:3-8; 14:1-5 respectievelijk, en in Testimonies to Ministers, blz.445, Testimonies, Vol.3,blz. 266, en ook Early Writings, blz. 270-273 {Eerste Geschriften, blz..}. {TN3: 86:1}

Nadat de eerste vruchten zijn verzegeld en het onkruid is verwijderd onder hen, dan zullen zij, zijnde gescheiden van de invloed van de wereld, zoals de 120 dat waren op de dag van het Pinksteren, ontvangen de uitstorting van “de Heilige Geest in en veel grotere mate, aangezien de toename van goddeloosheid een meer vastbesloten oproep tot bekering vereist.” –Testimonies, Vol. 7{Getuigenmissen, Deel 7}, blz.33. {TN3: 86:2}

De eerste vruchten der doden (120) zijnde een telbare gezelschap, en de tweede vruchten der doden (de menigte bijeen vergaderd na het Pinksteren) zijnde een ontelbare gezelschap, dan moet het dienovereenkomstig ook zo zijn met de eerste en tweede vruchten van de levenden. Vandaar de verzegeling van de 144.000 eerste vruchten; en vandaar “na dezen,” zegt Johannes, zag ik, en ziet, een grote schare,

86

die niemand tellen kon, uit alle natien, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed met witte klederen, en palmtakken in hun handen…en al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren.” Openb.7:9,11{KJV}. {TN3: 86:3}

Merkt zorgvuldig op, dat deze grote schare voor de troon stond, niet lichamelijk, maar figuurlijk, zoals wordt gezien in Early Writings, p. 55{Eerste Geschriften, blz…}, en zoals wordt bewezen uit het tweevoudige feit dat (1) de engelen “stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren,” aantonend dat de grote schare zich buiten de engelenkring bevond; en dat (2) de aanwezigheid van de engelen, de ouderlingen, en de vier dieren rondom de troon aantoont dat het oordeel (Openb. 4:2-6) nog steeds gaande was, en dat daarom de genadetijd niet was gesloten. {TN3: 87:1}

De palmtakken in de handen van de grote schare (Openb.7:9,11) en de “overwinningspalm ” geplaatst ” in iedere hand” van “het ontelbare heerleger der verlosten” (The Great Controversy, p.646{De Grote Schare, blz..}), voorspellen twee totaal verschillende gebeurtenissen; want de laatstgenoemden ontvingen beiden een “overwinnings palmtak en [een] schitterende harp,” terwijl de eerstgenoemden geen harpen hadden maar alleen palmtakken. “De ontelbare schare van de verlosten ontving hun palmtakken en harpen in de hemel, bij het opstijgen van de “wolken strijdwagen”, en net voor het binnengaan van de heilige stad. De grote schare, daarentegen

87

had hun palmtakken op aarde want zoals wij eerder zagen hadden zij ze tijdens het onderzoekend oordeel in het hemelse heiligdom—voor de afsluiting van de genadetijd. (Zie Openbaring 4 en 5; De Herder’s Staf, Deel 2, p.  – {Eng 194-197} {TN3: 87:2}

Het is dan duidelijk, dat terwijl de palmtakken en de harpen van de verloste heerlegers in de hemel werkelijke bewijstekens zijn van overwinning,  de palmtakken van de grote schare op aarde figuurlijke overwinningspalmen zijn. {TN3: 88:1}

Na tot dusver de oogst bestudeerd te hebben in het licht van de getuigenissen van de profeten, de gelijkenissen, en de ceremoniële typen, worden wij nu geleid om het te beschouwen

In het Licht van het Getal. {TN3: 88:2}

Hoewel de goddelozen mee gesleept worden door een stroom waaruit zij niet meer kunnen ontkomen nog het kunnen indammen of weerstaan, toch kunnen zij het noch zien noch begrijpen, want het Woord alleen verlicht en versterkt de ziel zo (Ps. 119:105). Broeder, Zuster, is Het in donkere gelijkenissen voor jou? Uw antwoord zal u laten weten (zeggen) of u van degene bent die in het licht lopen of van degenen die in de duisternis struikelen, en alleen een juiste relatie met God kan u geborgen houden tot  de ene klasse u uit de andere houden. {TN3: 88:3}

Als u denkt dat Christus niet met opzet(bewust) 40 dagen bleef na de opstanding of

88

dat de Heilige Geest gewoon op de 120 viel omdat er toevallig zoveel waren; of dat zuiver per ongeluk 12.000 uit elk van de stammen zullen worden verzegeld; dan mag evenzo denken dat het feit dat 12 maal 12.000 gelijk is aan 144.000 een wiskundig toeval! Precies hetgene wat u denkt zal u de mate van licht geven wat er in u is. {TN3: 88:2}

“De woorden die Ik tot u spreek …zij zijn leven.” Joh. 6:63 {TN3: 89:1}

De mens zal niet  alleen van brood leven, maar van ieder woord van God. ”Lucas 4:4. {TN3: 89:2}

Aangezien getal het natuurlijke gebruik voor tijdsvergelijkingen (optelsommen) is, gebruiken de Schriften het daarom vaak om de lengte van tijd van één Bijbelse gebeurtenis naar een andere te onthullen. Zo is het tijdstip van het bewegen van de schoof van de eerste vruchten tot Pinksteren gelijkgesteld door het aantal dagen (7) te vermenigvuldigen toegewezen aan de eerste van de oogst ceremoniën, het feest van ongezuurde broden door het aantal weken naar Pinksteren, hetgeen 7×7, of 49 dagen is. Gelijkerwijs wordt de duur van één Jubeljaar naar een andere gevonden door het aantal jaren dat een sabbatjaar maakt (7) te vermenigvuldigen met 7 sabbatsjaren, wat 7×7, of 49 oplevert. Het is heel duidelijk dan, dat de Schriften gewoon het proces van vermenigvuldigen gebruikt in Hun onthulling van de waarheid. {TN3: 89:3}

Ongetwijfeld zullen bij sommigen deze numerieke vergelijkingen vreemd lijken—zo vreemd als de gedachte was dat de aarde om zijn as

89

draaide voor de wereld van de Donkere Eeuwen! Het zijn echter de ongeloofwaardigheden van vandaag die de vanzelfsprekende werkelijkheden van morgen zijn. Dus hoewel wij in de tegenwoordige tijd weinig weten van de vele Bijbel nu-merieken en hun omsluierde (verborgen) codering van waarheid, dit is niet altijd bestemd om zo te zijn, want God heeft ze geplaatst langs Bijbels hoofdwegen en zijwegen van Waarheid, als wegwijzers berekend om te wijzen naar en te verlichten de Koninklijke Weg naar het Koninkrijk. Dus mag iedere reiziger hierop zich verheugen in diepe dankbaarheid voor iedere straal van waarheid dat zijn pad verlicht. Moge de Heer verbieden dat iemand de minste kans in het duisternis neemt. En mag iedere ongeveinsde lip naar de Hemel uitroepen: “O stuur Uw licht en Uw waarheid: laat hen mij leiden; laat hen mij brengen op Uw heilige berg, en naar Uw tempels” (Ps. 43:3), dat ik “gevuld mag worden met kennis van de glorie van de Heer” (Hab. 2:14), ja zelfs tot de kennis van

Het Nummer van de Verlosser. {TN3: 89:4}

Het feit dat Christus na de opstanding slechts 40 dagen met Zijn discipelen is gebleven, niet meer of minder, is niet min of meer, is geen toevallige(loutere) gebeurtenis dat lichtelijk (lichtjes) afgewimpeld wordt. Duidelijk een ongeschonden deel van het algehele patroon van onthulde waarheid moet het als zo danig beschouwd worden. En aangezien haar wijze(modaliteit) numeriek is, moet het totale betreffende onderwerp in getal(cijfer) onderzocht  moet worden, en de resultaten gelijkgesteld in numerieke waarden. {TN3: 90:1}

De Heer die de zichtbare vertegenwoordiger

90

van de Vader, Zoon, en Heilige Geest, dan moet het getal van Zijn persoonlijk bestuur (3) en het getal van de dagen (40) van Zijn persoonlijke supervisie in de inzameling van Zijn volk in juiste overeenkomst (vergelijking)  Hem als de Verlosser van Zijn volk in zowel de Oude Testament periode als de Nieuwe laten zien. {TN3: 90:2}

Als de inzameling (40)  door Zijn persoonlijke aanwezigheid (3) resulteerde in de uitstorting van de Heilige Geest, moeten de twee in de juiste relatie (het juiste verband) onthullen

Het getal van de Heiligen op de Pinksterdag. {TN3: 91:1}

Het product van Christus’ inzameling dat door Zijn persoonlijke aanwezigheid de eerste vruchten tot de Pinksterdag was, maakt het een logische opeenvolging dat het product van het getal van de inzamelingstijd (40) en het getal van Zijn persoon (3), het werkelijk getal van de heiligen die er op de Pinksterdag waren. De vergelijking, 40×3, gelijk aan 120, geeft het juiste aantal eerste vruchten aan die de Heilige Geest in die tijd ontvingen! {TN3: 91:2}

Aangezien zij zoals zij het product waren van de almachtige macht van de drie personen van de Godheid (de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest) aan het werk voor 40 dagen door het persoonlijke dienst van hun drie-eenheid vertegenwoordiger bewaarde en vervolgde deze bovennatuurlijke kleine groep de lijn van de kerk. {TN3: 91:3}

Wanneer zij teruggebracht wordt tot haar basis (primaire) betekenis

91

leid deze opeenvolging van numerieke feiten tot de conclusie dat 3, het getal van de Vader, Zoon, en de Heilige Geest numeriek figuurlijk is voor de Drie-eenheid, en dat 120, het getal van de Vader, Zoon, Heilige Geest maal het getal van de heiligen, numeriek figuurlijk is voor het getal van Pinksteren- een basis factor bij het gelijkstellen van verlossing, en één die onlosmakelijk verbonden is aan de openbaring van

Christus en de Bijbel {TN3: 91:4}

Het was Christus in beide gedaantes waar Johannes op doelde in zijn uitspraak : “Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens.”1 Johannes. 1:1. “En het Woord was vlees geworden, ”hij verklaart verder “en heeft onder ons gewoond, (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Enig-geborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14. {TN3: 92:1}

Christus is het vlees geworden Woord; de Bijbel, het geschreven Woord; of, om het nog specifieker te stellen, de Bijbel is Christus in de vorm van woorden, en Christus is de Bijbel in de vorm van de mens. Vandaar dat als wij concluderen dat Christus in het vlees geïdentificeerd word door een getal, Christus in het Woord ook zo moet worden (geïdentificeerd). En wat derhalve vervolgens vastgesteld moet worden is het

Getal van de Bijbel {TN3: 92:2}

De gelijkenis de oproep van het elfde-uur (Matthéüs 20) laat zien dat de Bijbel

92

slecht 5 tijds-boodschappen bevat; de eerste “vroeg in de morgen” de tweede op “het derde uur”, de derde op “het zesde en negende uur”, en de vijfde op “het elfde uur, vijf in totaal, in deze s 5 parabolische oproepen zijn al de tijdsboodschappen te vinden vereist in de Bijbel vanaf de tijd dat Het (het Licht de wereld) begon op te komen (wordt geschreven), vroeg in de morgen van de parabolische periode, tot zijn einde— het twaalfde uur. In andere woorden, wanneer deze 5 boodschappen aan de wereld verkondigd zijn, zal de Bijbel een uitgewerkt boek voor wat betreft Het verder nog aanbieden van verlossing. (Voor volledige behandeling van Matthéüs 20, zie De Herdersstaf, Deel 2, pp. 222-238.) {TN3: 92:3}

Daar er dan slechts 5 boodschappen van verlossing in de Bijbel zijn, kan het getal van de Bijbel slechts 5 zijn, met als volgende stap het vinden van het

Getal van de Bijbel Inzameling Tijd. {TN3: 93:1}

Aangezien dit getal de tijd van de inzameling van de heiligen aanduidt, moeten wij daarom het getal van de heiligen op de Pinksterdag (120) vermenigvuldigen met het getal van de Bijbel (5), waarvan het  resultaat (de opbrengst) 600 is. Zodoende is 600 het getal van de Bijbelse inzamelingstijd—een periode welke als een factor in onze vergelijking opeenvolgend leid naar het

Getal van de Jaren waarin Christus een Verlosser is. {TN3: 93:2}

Laten wij het feit goed in gedachten houden dat wij

93

op dit moment het getal voor de waarheid dat Christus de Verlosser van de wereld is voor en tijdens de Bijbel tijd. Dus het is duidelijk is ons doel niet het getal van de heiligen die Christus moet redden maar het getal van de jaren dat Hij Redder zal zijn. Vandaar dat we de lezer hier de parabolische oproepen, of boodschappen van Mattheus 20 slechts een deel van de kerkgeschiedenis omvatten; met name dat gedeelte van de tijd dat Mozes de Bijbel begon te schrijven, van de tijd van de “Exodus,” tot de genade tijd sluiting. Maar daar Christus de Verlosser de wereld zowel voor als na de komst van de Bijbel, moet de vergelijking onder discussie derhalve de volledige tijdspanne van de genade tijd, 600, de vermenigvuldigde die vermenigvuldigd wordt door een vermenigvuldiger die universele waarde heeft, om te tonen dat Christus de enige Redder in alle eeuwen is. {TN3: 93:3}

Nummer 10 is algemeen erkend als Bijbels getal van universele waarde. In het grote beeld van Daniël 2, symboliseren de 10 tenen de wereld bij de tweede komst van Christus. Vervolgens in het  zogenoemde niet-te-beschrijven beest (Daniël 7), het luipaardachtig (Openb. 13:1-10) en het scharlakenrood beest (Openb. 17:1-3), stellen de 10 horens werelds koninkrijken voor op verschillende tijden. Terwijl aan de andere kant van het beeld, de 10 maagden de gehele lidmaatschap van de kerk wereldwijd vertegenwoordigt (Voor verdere behandeling van deze waarden, zie

94

De Herder’s Staf Deel 2, pp. 84-125.). {TN3: 94:1}

Het is dan duidelijk dat het universele getal waarmee we het nummer van de genade tijd (600) moeten vermenigvuldigen 10 is en 600×10 levert 6000 op. Hier is ten lange laatste de vervolmaking tot het rechtvaardigen (rehabiliteren) van het geloof van de Christen dat de jaren van genade voor de mens 6000 jaren zijn! Dan volgt het millennium, de 1000 jaren waarin Satan gebonden en de goddelozen berecht worden. (Openb. 20:3,12) {TN3: 95:1}

Derhalve duurt de eeuwige drama, het vreemde tussenspel van zonde en verlossing 7000 jaren (perfecte volledigheid), of slechts een week tekort van de eeuwigheid, zoals het met de Heer was, 1000 jaren die als 1 jaar bij Hem zijn (2 Petr. 3:8). Inderdaad, vreemde onderbreking. Het mysterie van Goddelijkheid in mysterieuze dragen(lijden)  van het lijden ongerechtigheid! Mysterie der Mysteries! Wonderlijke ondoorgrondelijke liefde van God voor de mens! {TN3: 95:2}

Wat een ontzettende plechtigheid bekleed dit zwaarwegende wiskundige bewijs van de grote evangelie waarheden! Aantonend zoals het doet dat Christus de enige Verlosser van de wereld en in alle eeuwen is, bekrachtigd haar waarheid perfect de schriften: “… er is geen andere naam onder de hemel, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.” {TN3: 95:3}

95

Handelingen 4:12. En op dezelfde tijd dient het als waarschuwing dat wij leven in de laatste dagen van genade, “de tijd van het einde, ”de tijd van de oogst. Daar wij gebracht zijn naar de laatste dagen van de 6000 jaren van genade van de mensheid, moet de vergelijking ,om het compleet te maken, het getal van behelzen (bevatten).

De Getelde Levende Heiligen {TN3: 96:1}

Het apostolische Pinksterfeest, moet opgemerkt worden, heeft niet helemaal het profetische Pinksterfeest van Joël 2:28,32, vervuld, een profetie specifiek van de laatste dagen hoewel Petrus wel naar het schriftwoord in zijn Pinksterpreek verwees (Handelingen 2:14-21). En het vaststaand bewijs dat de profetie nog vervuld moet worden is dat het apostolische Pinksterfeest het prototype van de laatste dagen is, het anti-typische Pinksterfeest—dat wat net voor ons is. {TN3: 96:2}

Aangezien de kerk op aarde drie dispensaties heeft gehad, de Noatische, de Abrahamische en de Christelijke en aangezien zowel de Abramische als de Christelijke dispensaties met een Pinksterfeest afsloten zoals eerder vermeld, is het dan onvermijdelijk dat de Noatische dispensatie alzo ook op gelijke wijze moet zijn afgesloten. Anders zou Noach’s boodschap kracht en licht hebben ontbreken om de Weg van het Leven aan dat “kwade en overspelige generatie” te wijzen en als gevolg daarvan zou God hen niet met recht kunnen verwoesten door de vloed. {TN3: 96:3}

Petrus zelf begreep dat er een

96

antedeluviaanse Pinksterfeest was. Hierover(Dit) getuigd hij heel onherroepelijk(definitief) in de uitspraak: ”Want Christus…Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest: Door dewelken Hij ook, heengegaan zijnde en gepredikt heeft tot de geesten in de gevangenis; die somtijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd…”1Petr. 3:18-20.  {TN3: 96:4}

In Petrus’ verklaring, verslaat (meld Inspiratie dat dezelfde Geest Die Christus verkwikte tot de antedeluvianen predikte toen ze in de gevangenis waren—in kettingen(banden) van omstandigheden welke in hun verdorvenheid en verwerping van waarheid zij blindelings over zichzelf tot stand gebracht hebben en op zichzelf gebonden hebben, en waarvan zij geen ontsnapping konden vinden uitgezonderd dan door de ark die “toebereid werd.” En de ark wilden zij niet binnengaan. Derhalve bleven zij zonder hoop en zonder excuus. {TN3: 97:1}

Het is dan duidelijk dat er rekening gehouden moet worden met drie Pinksterfeesten in het gelijkstellen van verlossing: twee in het verleden en één in de toekomst, de eerste het type, de tweede het prototype, de derde het antitype. Of, met andere woorden, de eerste bracht de ernst van de instelling van de kerk, de tweede het fundament van de kerk (Openb. 21:14), en de derde zal haar afronding en verheerlijking brengen. De tweede, het apostolisch Pinksterfeest, die het fundament is, ook de enige die is historisch is opgetekend (verslagen), is daarom de lichtdrager bij dit onderwerp tonend dat indien

97

de antedeluviaanse wereld baat kan vinden bij verlossing, het Noatische Pinksterfeest onontbeerlijk was, en daarom daarmee rekening gehouden moet worden in deze numerieke (rekenkundige) studie. {TN3: 97:2}

Het getal van de heiligen van de ene die opgetekend is dat 120 is, hieruit volgt dat het samengevoegd getal van de twee 120 plus 120 moet zijn oftewel 240, zoals geïllustreerd op pagina 77. {TN3: 98:1}

Onthoudt dat deze getallen niet definiëren hoeveel er gered worden in elke (type) maar hoeveel de kracht van Pinksteren ontvangen. {TN3: 98:2}

Nu rest ons nog vast te stellen het getal van de heiligen die de derde en laatste Pinksteren ontvangen, en om dat te doen moet het getal van de twee Pinksteren(Pinksterfeesten) (240) slechts vermenigvuldigd worden met het getal van de Bijbel inzamelingstijd (600), wat (600×240) wordt, wat 144.000 oplevert, hetzelfde getal dat geprofeteerd is! {TN3: 98:3}

Zodoende voor eeuwig geslagen in de rots der waarheid is het getal van de ontvangers van het grote Pinksterfeest dat vlak voor ons ligt, het getal van de eerste vruchten van hen die opgenomen gaan worden, de 144.000 zonder bedrog(bedrogvrije) (Openb. 14:5) “dienstknechten van onze God.” Openb. 7:3. In de pure en volle kracht van de Geest, verkondigend de pure en het volle evangelie aan al de naties, “gaan zij voort overwinnend en om te overwinnen” (Profeten en Koningen 445, Prophets and King 725) en brengen al [hun] broeders ten spijsoffer voor de Heer uit alle naties op paarden en in wagenen en op rosbaren, en op muildieren en op snelle dieren, naar Mijn Heilige berg Jeruzalem,

98

zegt de Heer gelijk de kinderen Israëls een offer brengen in een rein vat in het huis van de Heer” Jes. 66:20. “En dan zal het einde komen.” Matt. 24:14. {TN3: 98:4}

Aldus huiveringwekkend geopenbaard in getal, is de absolute modus van waarheid, de vergelijking van verlossing, van waaruit, om even kort samen te vatten, komt naar voren het getal van Christus als vertegenwoordiger van de Godheid op aarde, 3; het getal van de inzameling tijd, 40; het getal van de heiligen in het apostolisch Pinksteren, 120; het samengevoegd getal van de heiligen in de Noatische en de apostolisch Pinksterfeesten, 240; het getal van de Bijbel, 5; het getal van de bijbel inzameling tijd, 600; het getal van de ontvangers van de laatste Pinksteren, 144.000; het getal van de hele periode van genade van de mensheid, 6000; en tenslotte het getal van(alle) tijd (in zijn algemeenheid) van zonde en verlossing, 7000. Wat een onschatbare goddelijke gift! En O dat dit besef het hart van iedere oprechte lezer mag beroeren, zoals het hart van David beroerd heeft om lof en dankzegging te geven aan

God voor zijn onuitsprekelijke liefde voor de mens: “Oh HEERE” zingt de profeet, “Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw naam zal ik loven, want Gij hebt wonderbare dingen gedaan; Uw raadslagen van ouds (van verre) zijn getrouw en waarheid. Jes. 25:1 {TN3: 99:1}

Dus door de getuigenis van de profeten, door de ceremoniële typen en door getallen heeft God het verheven structuur van feiten tot stand gebracht, dat (1) het oordeel de oogst is,–de

99

scheiding van het onkruid onder het tarwe –het einde van de wereld; dat (2) het oordeel, de oogst, twee fasen bevat, twee perioden: de eerste voor de doden, de laatste voor de levenden; dat (3) de een plaatsvindt volgens de verslagen in de boeken in het hemels heiligdom, terwijl de ander plaatsvindt gelijktijdig in de kerk op aarde en in de boeken in de hemel; en dat (4) juist het feit dat het onderwerp nu wordt geopenbaard in zijn volledigheid, getuigt dat wij juist op het punt staan om over te gaan van de eerste, naar de laatste fase en periode, en dat wij daarom leven in de laatste dagen van de aardse geschiedenis. {TN3: 99:2}

Dit viervoudig inzicht van het oordeel, de oogst, verheft aldus de waarheid ervan, als een parel van grote prijs, en openbaart dat de diepten van Gods Woord niet te peilen zijn; Haar wijsheid ondoorgrondelijk en oneindig–zonder begin en zonder einde; Haar voorraad van kennis een gedurige fontein van waarheid; Haar aanwezigheid altijd blijvend; en Haar schoonheid onuitsprekelijk! {TN3: 100:1}

Opdat de lezer nu versterkt moge zijn om vast te houden aan deze fundamentele en allerbelangrijke waarheid, evenals aan alle andere waarheden, dringen wij bij hem erop aan om Gods methode (Inspiratie) te volgen bij het bestuderen van de Schriften, opdat hij daardoor kan

Vermijden de Vele Valstrikken. {TN3: 100:2}

Wellicht, zijn de meest voorname onder de menigten die worden gestrikt terwijl zij alles doen wat zij kunnen

100

om weg te vlieden van geïnspireerde uitlegging van de Schriften, de extremisten, waarvan er tenminste twee klassen zijn: een met de neiging om te verletterlijken, de ander met de neiging om te vergeestelijken. {TN3: 100:3}

Neem bijvoorbeeld de verklaring van de Openbaarder: “…Ik zag onder het alder de zielen van hen die gedood waren om het Woord van God,…en zij riepen met een luide stem, zeggende: Hoe lang, o Here, heilig en waarachtig, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet? Openb. 6:9,10{KJV}. {TN3: 101:1}

Die verletterlijkt zou enerzijds uitleggen dat dit schriftgedeelte betekent dat de zielen zich bewust waren en werkelijk uitriepen, ondanks dat de Bijbel zeer uitdrukkelijk aangeeft dat “de doden wat dan ook niet weten.” Pred. 9:5{KJV}. En ook, ware het zo dat de zielen onder het altaar letterlijk uitriepen voor vergelding aan hun moordenaars, dan moeten, om consequent te zijn, de verklaring van de Heer: “de stem van het bloed van uw broeder dat tot Mij roept van de aardbodem” (Gen 4:10), ook de verklaring: “al de bomen des velds zullen hun handen samenklappen” (Jes. 55:12), op gelijke wijze letterlijk uitgelegd worden, ondanks het feit dat het fysiek onmogelijk is voor bloed om uit te roepen en voor bomen om handen te klappen. {TN3: 101:2}

Als allen echter verplicht zijn toe te geven dat Abels bloed niet letterlijk kon uitroepen,

101

 en dat bomen alleen figuurlijk handen kunnen klappen, dan zou, nogmaals om consequent te zijn,  de persoon die geneigd is tot extreme verletterlijking gemakkelijk de werkelijkheid moeten aangrijpen dat “de doden wat dan ook niet weten,” en dat zij “slapende” zijn–onbewust. Hij behoort ook gemakkelijk waar te nemen dat de zielen van de martelaren, roepende om vergelding aan hun moordenaars, en dat het het bloed van Abel roepende om vergelding aan zijn zijn moordenaar, feitelijk identieke gevallen zijn betreffende omstandigheid en toestand.  Beiden van dezen vinden aangewezen illustratie in de dichterlijke uitspraak: ” Ik hoor een stem, uitroepende, de stem van het verwelkende veld; O Here, hebt medelijden met mij. Laten regens vallen van de hemel. Blust Gij mijn brandende ziel.” {TN3: 101:3}

Dat iemands ziel in bewuste staat gevangen zit onder iets voor honderden jaren, met niets te doen dan kermend weg te kwijnen in afwachting op de opstandingsmorgen, en intussen uitroepend voor vergelding aan hen die zijn bloed hebben vergoten–wat een onuitsprekelijke ondraaglijke staat voor iemands ziel om daarin te verkeren! {TN3: 102:1}

De leer echter, van de onbewuste staat van de doden, brengt niet alleen het bezorgde menselijke verstand tot rust, maar schrijft ook Gods genade en liefde toe aan hulpeloze mensen, aldus zijnde het enige standpunt over het onderwerp dat de zondaar op rationele wijze ertoe kan leiden God lief te hebben en in Hem te vertrouwen. {TN3: 102:2}

Aan de een echter die anderzijds, in tegenstelling, geneigd is

102

de zielen, de slachting, de hemelen, de nieuwe aarde, enz. te vergeestelijken,–voor hem hebben dezen noch individualiteit noch werkellijkheid. En wanneer, betreffende de leer van de slachting, hem de eenvoudige vraag wordt gesteld: Wat voor soort salchting zou een geestelijke {slachting} zijn? is hij ten einde raad om te beantwoorden! {TN3: 102:3}

Voor allen bestaat er in dit verband een grote behoefte: de Geest der Waarheid, Wiens recht alleen het is om de Schriften uit te leggen. {TN3: 103:1}

De meest voorkomende oorzaak van leerstellende verwarring onder Bijbel studenten ligt in hun zo vaak falen om een onderwerp in een volledig perspectief te zien van het gezichtspunt van de schrijver,– een falen dat tot gevolg heeft dat zij het zien vanuit enige vreemde standpunt, dat hun inzicht zo bekrompen maakt, dat in plaats van het idee van de schrijver te verkrijgen over het onderwerp, zij een vals idee krijgen erover. En als het idee naar hun welbehagen is, verheffen en bevorderen zij het als zijnde waarheid, terwijl als het niet naar hun welbehagen is, zij het krachtig tegenstaan, en dan leggen zij de verantwoordelijkheid bij de schrijver! {TN3: 103:2}

Ter illustratie van het aldus een verkeerd idee van iets krijgen door een verkeerd inzicht ervan: en kind die zijn moeder vergezelt naar een dierentuin, en die nog nooit een pauw heeft gezien, ziet plotseling een met volledig gespreide staart van hem weglopend, en schept voor zijn oningewijde ogen de illusie van een grote wandelende waaier! {TN3: 103:3}

103

shepherds-rod-tract-3-peacock-mother

Aangegrepen door het bedrieglijke wonder dat voor hem is, roept hij opgewonden het schouwspel uit, alleen maar om door zijn moeder te worden ontgoocheld met de ontgoochelende verzekering dat het slechts een pauw is! Bij een andere gelegenheid echter, wanneer hij zijn vader vergezelt naar de dierentuin, ziet het kind de pauw weer, maar ditmaal in volledig vooraanzicht, een schouwspel presenterend dat schijnbaar geheel en al nieuw en anders is. Haastig keert hij zich met opgewonden vragen tot zijn vader, die hem vertelt dat het een pauw is! {TN3: 104:1}

104

shepherds-rod-tract-3-peacock-father

Waarbij het argument begint, met de zoon protesterend dat de pauw die hij en zijn moeder had gezien, in niets op deze leek. En niet in staat zijnde het te verenigen, als eenvoudigweg grote en kleine aspecten van hetzelfde ding, datgene wat hij nu ziet van voren, of de hoofdzakelijke gezichtspunt, en datgene wat hij tevoren van achteren zag, of de vreemde gezichtspunt, tast zijn verstand rond in verwarring, zich afvragend of hij nu

105

Zo is het met de Bijbel wanneer men een onderwerp bekijkt vanuit een standpunt dat vreemd is van dat van de schrijver. Hij ondervindt tegenstrijdigheden in de stelling die wordt gehouden door degene die het onderwerp ziet door de ogen van de schrijver. Ten einde dus het valse idee te onderhouden als gevolg van zijn vreemde gezichtspunt, wordt hij geleid om zijn toevlucht te nemen tot buitenstaande bronnen; tot de ene verklaarder of de andere; tot deze versie of tot de ander; tot technische details en afleidingen van talen; in het Grieks, in het Hebreeuws, in dit in dat, of in de andere (talen, waarvan het vermoedelijk is dat hijzelf die noch leest noch schrijft); of tot het verwijzen naar dit of dat zogenaamde oorspronkelijke manuscript (welke hij hoogst waarschijnlijkheid nog nooit heeft gezien). {TN3: 106:1}

Aan het einde van deze lange moeizame weg, is hij er alleen in geslaagd om een passage van een schriftgedeelte van een mierennest tot een berg te vergroten, en om een berg te verkleinen tot een mierennest, of om  een andere passage van een schriftgedeelte in het geheel terzijde te leggen, dit allemaal doordat de Bijbel, welke de Heer in zijn handen heeft geplaatst, zijn idee niet ondersteunt. Deze aanmatigende procedures zijn berekend om zijn geleerde verworvenheden te tonen in de hoop om aan zijn valse idee zulk een verschijnsel van gezag te verlenen om zodoende hun aanvaarding erop aan te dringen bij allen die in contact komen met zijn theorie. {TN3: 106:2}

Concreet gesproken: Het is nooit eerlijk om, wanneer het onderwerp van het oordeel wordt besproken, als eerste en voornaamste, welk geschrift dan ook in beschouwing te nemen, welke direct het onderwerp

106

der verlossing behandelt, terwijl het slechts terloops verwijst naar het onderwerp van het oordeel. Neem bijvoorbeeld Paulus’ verklaring: {TN3: 106:3}

“Welke hoop wij hebben als een anker der ziel, zowel zeker als standvastig, en welke ingaat in het binnenste van het voorhangsel; waar de voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus Christus, geworden zijnde een hogepriester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchisedek.” Hebr. 6:19,20 {KJV}. {TN3: 107:1}

In plaats van de inhoud van deze verzen te zien in het licht van alles wat is geopenbaard over het onderwerp, een procedure welke het weerspiegelen van de schrijver’s gedachte door de verzen zou zekerstellen, vergroten sommige Bijbelstudenten, door Paulus’ zienswijze uit het oog te verliezen, buiten alle verhoudingen het belang van de verklaring van deze verzen, aldus constructies erop plaatsend die, hoewel aannemelijk genoeg wanneer zij alleen worden genomen, duidelijk verdraaid, verwrongen, en onhoudbaar zijn wanneer zij worden gezien in het licht van alle andere schriftgedeelten die betrekking hebben op het onderwerp. Zulk een vervorming is, overbodig te zeggen, oneerlijk naar de schrijver toe, gevaarlijk voor degene die het aantast, en gewelddadig van de vervormer. {TN3: 107:2}

Om de zaak nog verder en uitgebreider te illustreren: Rondom een tafel zijn er zes Bijbelstudenten, en een ongelovige. Aan de ene kant bevinden zich Peter, James en John; aan de andere kant, Black, Brown en Green; terwijl aan en uiteinde zich bevindt de ongelovige. Hij luistert aandachtig naar de zes, die Christus’ bediening

107

na Zijn hemelvaart bespreken, in het licht van Hebreeën 6:19,20; 9:12, 26 — {TN3: 107:3}

“Welke hoop wij hebben als een anker der ziel, zowel zeker als standvastig, en welke ingaat in het binnenste van het voorhangsel; waar de voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus Christus, geworden zijnde een hogepriester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchisedek.” Hebr. 6:19,20 {KJV}.

“Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed ging Hij eenmaal binnen in de heilige plaats, hebbende verkregen {een} eeuwige verlossing voor ons.” Hebr. 9:12{KJV}.

“Want dan moet Hij dikwijls hebben geleden  van de grondlegging der wereld af; maar nu eenmaal, in het einde der wereld, is Hij verschenen om de zonde weg te doen door de offerande van Zichzelf.” Hebr. 9:26 {KJV}.

Peter, James en John die het vooruitzicht van de schrijver delen, zijn volledig in overeenstemming dat men niet uit een schriftgedeelte dat spreekt van de verlossing, en slechts terloops verwijst naar Christus’ bediening, een juiste basis begrip kan opbouwen van die bediening, maar eerder dat men de geschriften van de profeten erbij moet nemen die direct het heiligdom en haar dienst behandelen, en dan Paulus’ geschriften in overeenstemming brengen met die van de profeten, niet die van de profeten met die van Paulus. {TN3: 108:1}

Voor zover het Peter, James, en John aangaat, resulteert de bespreking tot hun

108

 komen tot het slotsom dat Paulus, ten einde in overeenstemming te zijn met zowel zichzelf als met de profeten, moet worden begrepen als sprekende in Hebreeën 6:19 in profetische verleden tijd (dat wil in feite zeggen, in de toekomst, hoewel in tegenwoordige of verleden tijd gesproken), en dat hij daarom verwijst naar de tijd dat zijn bekeerlingen, met Christus, “eenmaal, in het einde der wereld” (Hebr.9:26), zullen ingaan “binnen het voorhangsel,” “waar de voorloper [Christus] voor ons is ingegaan.” Hebr. 6:20. Wanneer? –niet in Paulus’ tijd, maar nu, “in het einde der wereld,” zijnde eerst “eenmaal ingegaan binnen in de heilige plaats.” Hebr. 9:12. {TN3: 108:2}

Black, Brown en Green echter, zijn vanuit hun vreemde zienswijze aangaande deze verzen, in onenigheid zelfs onder elkaar; Black, de nadruk leggend op Hebreeën 6:19, 20, is ervan overtuigd dat Paulus leert dat Christus het Allerheiligste afdeling binnenging onmiddellijk na Zijn hemelvaart; Brown, vasthoudend aan Hebreeën 9:12, is ervan verzekerd dat Christus niet het Allerheiligste, maar de heilige afdeling binnenging; en Green, ter gewicht van vers 26, staat erop dat Christus het heiligdom zal ingaan “eenmaal in het einde der wereld,” na Zijn tweede komst. {TN3: 109:1}

Nog steeds ziende vanuit hun vreemde zienswijze, beargumenteert Black verder dat met de term:”de heilige,” Paulus bedoelt het “Allerheiligste,” terwijl Brown betwist, dat als Paulus onnauwkeurig de term “heilige” gebruikt voor de “Allerheiligste,” hoe kan men dan mogelijkerwijs weten dat wanneer hij zegt: het “Allerheiligste,”  hij niet het “heilige” bedoelt? {TN3: 109:2}

109

Dan, met de bekrachtiging van Mozes’ verklaring: “Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde ga in de heilige plaats, binnen de voorhang, voor de genadezetel, welke op de ark is” (Lev.16:2, {KJV}), houdt Black verder aan dat Paulus met de woorden : “Maar door Zijn eigen bloed ging Hij…in de heilige plaats” (Hebr.9:12), verwijst naar “het Allerheiligste.” Hebr.9:3{KJV}. Maar Peter staat erop dat het afleiden uit Paulus’ gebruik van de term “heilige plaats” als betekenend het &#