De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)


ABOUT US

We Offer Services
It’s a Story About Our Team

Great things are done by a series of small things.

ABN1-1200x675.jpg

The Answerer Book No. 1

[mk_image src=”https://www.gadsda.com/wp-content/uploads/2015/04/shepherds-rod-answerer-book-1.jpg” image_width=”290″ image_height=”400″ crop=”false” hover=”true” align=”center” margin_bottom=”10″]

1

Copyright 1944, by

V. T. Houteff

All Rights Reserved

That everyone who thirsteth for the truth may obtain it, this booklet of questions and answers is, as a Christian service, mailed without charge. Send for it. It levies but one exaction, the soul’s obligation to itself to prove all things and hold fast that which is good. The only strings attached to this free proffer are the golden strands of Eden and the crimson cords of Calvary—the ties that bind. {ABN1: 2.1}

Names and addresses of Seventh-day Adventists will be appreciated.{ABN1: 2.2}

Printed in the United States of America.

2

THE ANSWERER

Book No. 1

Questions and Answers on Present Truth
Topics in the Interest of the Seventh-day
Adventist Brethren and Readers
of
The Shepherd’s Rod

By V. T. Houteff

This “scribe,” instructed
unto the kingdom of
heaven, “bringeth forth
…things new and old.”

Matt. 13:52.

Now “sanctify the Lord God in your hearts: and be ready always to give an answer to every man that asketh you a reason of the hope that is in you with meekness and fear.”

1 Pet. 3:15.

The Davidian Seventh-day Adventists Association

(An unincorporated Association constituting a Church)

Mt. Carmel, Waco, Texas

P.O. Box 23738, Waco, TX 76702

+1-254-855-9539

www.gadsda.com

info@gadsda.com

3

CONTENTS

The Answerer’s Introductory Concern 5
What Is Laodicea’s Trouble? 29
Why The Need Of Revival And Reformation? 35
What Is The Phenomenon Of Inspiration? 39
Is Satan Wholesaling Or Retailing Deception? 60
What Saith The Spirit Unto Laodicea? 69
Does Truth Make Division ? 76
Christ Or His Servant? 77
Is There Need For Extra Oil? 79
The Latter Rain—When? 81
Has The Loud Cry Begun? 82
Is The Former Rain The Pentecostal Power? 85
When In Need Of Truth, Why Beg For Power? 88
Forty Years Without Refilling? 93
Does The Shepherd’s Rod Set Prophetic Dates? 94
What Shall Your Next Step Be? 95
Scriptural Index 96

4

INTRODUCERENDE ZAAK VAN DE BEANTWOORDER

WEET U?

Geliefde Broeders in Laodicea, weet u dat de profetie beslist verklaart dat het volk van God in de gemeente Laodicea zich in een kritische, gevaarlijke toestand bevindt, en het niet weet? Wel, Broeders, hetzij u het zich realiseert of niet, hetzij u het gelooft of niet, dat is precies het geval. En als u hoopt het eeuwig leven in te gaan, dan moet u het geloven, en dat zonder uitstel. Wat u dan ook mag geloven of niet geloven, dit ene ding moet u geloven, “want het is de Waarachtige Getuige die spreekt, en Zijn getuigenis moet juist (correct ) zijn.”—Testimonies, Vol.3, blz.253. {ABN1: 5.1}

En gedenk dat de Laodicensen, boven alle mensen, niet alleen het laatst maar het minst geneigd zouden moeten zijn om te bekritiseren, want zijzelf, zegt de Waarachtige Getuige, zijn “jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt,” zonder het zelfs zo zeer als te vermoeden, maar in de plaats op zalige wijze zich te verbeelden dat zij “rijk, en met goederen verrijkt” zijn, en “aan  niets gebrek” hebben. Openb.3:17 Hoe kunnen zij dan waarlijk in de positie zijn om maar iets te weten over anderen! {ABN1: 5.2}

Denk na, Broeders, en ontwaakt ten leven! Deze Stem, die met u pleit om wakker te worden en de valstrikken van de Vijand af te wenden, kan onmogelijk de stem

5

van de Vijand zijn! Gedenk dat de Heer “ons verrast door Zijn macht te openbaren door middel van instrumenten naar Zijn eigen keuze, terwijl Hij de mannen passeert waarnaar  wij hebben opgezien als degenen waar er licht vandaan zou moeten komen. God verlangt van ons dat wij de waarheid op grond van haar eigen waarde ontvangen,–omdat het waarheid is.”—Testimonies to Ministers, blz.106.{ABN1: 5.3}

“Ongeacht door wie het licht is gezonden, zouden wij onze harten moeten openstellen om het te ontvangen met de zachtmoedigheid van Christus….Wij zouden allemaal moeten weten wat er onder ons onderwezen wordt; want als het waarheid is, hebben wij het nodig.”—Gospel Workers, blz.301. {ABN1: 6.1}

“Het grote gevaar met ons volk is dat zij zich afhankelijk stelt van mensen, en vlees tot zijn arm stelt. Zij die niet de gewoonte hebben gehad om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijsvoeringen te overwegen, hebben vertrouwen op de leidinggevende mannen, en aanvaarden de beslissingen die zij maken; en aldus zullen velen juist de boodschappen verwerpen die God tot zijn volk zendt, als deze leidinggevende broeders ze niet accepteren.”—Testimonies to Ministers, blz.106,107.{ABN1: 6.2}

“Hij zal mannen gebruiken voor het volbrengen van Zijn doel, welke sommigen van de broeders zouden verwerpen als zijnde ongeschikt om in het werk betrokken te zijn.”—The Review and Herald, 9 Feb., 1895.{ABN1: 6.3}

In het licht van deze waarschuwingen, zult u dan niet zorgzaam en biddend de tijd nemen om

6

 vast te stellen of God wel of niet de leiding heeft in dit hervormend werk? Hij heeft aan allen die dit zullen doen beloofd, dat Hij hen niet in duisternis zal laten, maar hen zal leiden tot alle Waarheid. Zult u Hem dan niet op Zijn Woord vertrouwen, en Hem beproeven? {ABN1: 6.4}

Wij pleiten ook met u, want “de werktuigen van het kwaad verenigen reeds hun krachten, en hechten zich aan elkaar. Zij versterken zich voor de laatste grote crisis. Spoedig zullen er grote veranderingen plaatsvinden in onze wereld, “zegt Inspiratie, “en de laatste bewegingen zullen snel zijn……De tijd komt wanneer mensen in hun bedrog en onbeschaamdheid een punt zullen bereiken dat de Heer hen niet zal toestaan te overschrijden, en zij zullen leren dat er een grens is tot de verdraagzaamheid van Jehova….Zij die de teugels van de regering vasthouden kunnen het probleem van morele verdorvenheid, armoede, pauperisme (armlastigheid), en toenemende criminaliteit niet oplossen. Zij vechten tevergeefs om zakelijke ondernemingen op een veiligere basis te leggen…..Spoedig zal alles wat bewogen kan worden bewogen worden, zodat de dingen die niet bewogen kunnen worden zullen overblijven….{ABN1: 7.1}

“Het is onmogelijk om enig idee te geven van de ervaring van Gods volk dat in leven zal zijn op aarde, wanneer hemelse heerlijkheid en een herhaling van de vervolgingen van het verleden samengaan. Zij zullen wandelen in het licht dat voortkomt van de troon van God. Door middel van de engelen zal er

7

 voortdurend communicatie zijn tussen de hemel en de aarde.”—Testimonies, Vol.9,blz.11,13,15,16.{ABN1: 7.2}

Met het oog op deze ernstige werkelijkheden die zelfs nu voor onze ogen opdoemen, verbergt u zich, Broeder, Zuster, niet langer in de duisternis. Staat in het licht, opdat u niet struikelt en valt en niet wordt gevonden. Komt, neemt de tijd, en

Laat Ons Tezamen Richten.{ABN1: 8.1}

Daar de gemeente Laodicea, de laatste van de zeven gemeenten (Openb.2:3), figuurlijk staat voor de Christelijke kerk in haar laatste periode, onze tijd, is de opgetekende boodschap tot haar daarom de laatste boodschap tot de kerk. Het is duidelijk, dat als er een Bijbels onderwerp is dat  van essentieel belang is voor de kerk om te bestuderen, dan is de boodschap tot de Laodicensen dat zeker.{ABN1: 8.2}

Hoewel zij tevreden zijn met hun verworvenheden, zullen de Laodicensen die geloven en God op Zijn Woord vertrouwen, Hem niet in twijfel trekken aangaande hun toestand, maar zullen, hetzij zij het wel of niet inzien, erkennen dat zij in een “treurige misleiding” verkeren, “jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt” zijn. Door deze erkenning oprecht te hebben aangegeven, zullen zij, in consequente gehoorzaamheid tot raad van de Waarachtige Getuige om van Hem ogenzalf te kopen waarin Hij alleen kan voorzien, hun ogen ermee zalven en in staat zijn te zien.{ABN1: 8.3}

Degenen echter, die steunen op de valse

8

zekerheid van zelfvoldaanheid, zullen geen aandacht schenken aan de waarschuwende raad, en zullen als resultaat alles verliezen—uitgespuwd worden! Hoe weinigen echter zijn verontrust door deze vreselijke bedreiging! Hoe weinigen zet het aan tot het uitvinden waar het probleem ligt en hoe zij ervoor staan! Hoe weinigen, inderdaad, storen zich er zelfs aan! En o, hoe weinigen neigen zich om ernaar te vragen uit vrees dat het hun kwade koers zal berispen en hen zal ontnemen van een zeker zondig vermaak die zij hartelijk koesteren! Het is verbazingwekkend weinig, maar al te waar.{ABN1: 8.4}

Ook nog, daar zij zijn doordrongen van een grote vrees voor valse profeten, en in hen helemaal niet is aangewakkerd enige verwachting van ware (ondanks er geen valse kunnen zijn waar er geen ware zijn), zijn zij daarom bijna buiten bereik. En achter hun zorgeloze houding wordt de waarheid gezien dat  “de moeiten van de plicht en het genot van de zonde zijn de koorden waarmee Satan de mensen in zijn valstrikken bindt” (Testimonies, Vol.5, blz.53), terwijl er achter de diep doordrongen vrees voor valse profeten, de valse wachters zorgvuldigheid om hen ervan te weerhouden om in contact te komen met de boodschappers die God tot hen heeft gezonden wordt gezien.{ABN1: 9.1}

Onze diepe bezorgdheid is daarom dat er een interesse in u aangewakkerd wordt, geliefde Laodiceaan, om tot de bodem van de zaak te gaan, om uw zaligheid zeker te stellen. Wilt u dus niet verstandig en hoffelijk genoeg zijn om met deze lichtdrager neer te zitten in een nederige,

9

onpartijdige, biddende studie, die u vele, vele malen meer moet belonen dan wat u erin hebt gestoken? Gedenk, dat er een goddelijke wet is die iedere oprechte poging omzet in blijdschap, een persoonlijke ervaring met God, en het eeuwig leven. Wilt u dus niet nu beginnen om uzelf te meten, niet langer met wat u denkt dat u bent of zal zijn, maar met wat de Heer zegt dat u bent en moet zijn? Begin uw onderzoek met de volgende

Zeven Vragen. {ABN1: 9.2}

  1. Wie is Laodicea?
  2. Wie stelt de engel voor?
  3. Wat wordt er bedoeld met jammerlijk en ellendig en arm en blind en naakt zijn?
  4. Wat betekent het om “lauw” te zijn?
  5. Waarom verkiest God dat men of koud of heet is in plaats van lauw?
  6. Wat is de ogenzalf ?
  7. Als Laodicea erin zou falen om zich te bekeren, hoe zou haar schaamte blootgelegd worden?{ABN1: 10.1}

De Openbaring, hoofdstukken 2 en 3, beschrijven de toestand van elk van de zeven gemeenten, waarvan de Laodicensen de laatste is. Deze gemeenten beschilderen, zoals algemeen bekend is, de Christelijke kerk in zeven verschillende perioden; de zevende, Laodicea, die haar afbeeldt in de periode net voor de “oogst,” de laatste {gemeente}

10

waarin het “tarwe en onkruid” zijn vermengd, en die waarin zij de scheiding van de slechten van onder de goeden zal ervaren (Matt.13:30, 47-49).{ABN1: 10.2}

Aangezien de kerk in iedere afdeling haar naam eer aan moet doen (daar dat alleen haar identificatie is), zullen wij daarom de vraag overdenken:

Wie is Laodicea? {ABN1: 11.1}

Laodicea kan op onfeilbare wijze herkend worden temidden van de vele “isme’s” van het Christendom aan het werk dat zij doet—het oordeel verklaren. Inderdaad, dit herkenningsteken wordt juist door de naam Laodicea duidelijk gemaakt, dat is samengesteld uit de twee Griekse woorden lao en dekei, waarbij de één “volk” betekent, en ook “spreken,” en de ander “oordeel” betekent, waardoor de twee in één betekent het volk dat oordeel verklaart. De kerk, die daarom verklaart: “Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen” (Openb.14:7), is klaarblijkelijk degene die Laodicea wordt genoemd. En het is bijna zowel buiten als binnen Zevende-dag Adventistische kringen wel bekend, dat de kerk der Zevende-dag Adventisten probeert om de boodschap van het oordeel van Openbaring 14:7 over te brengen, en is daarom onbetwistbaar in haar aanspraak op de titel Laodicea.{ABN1: 11.2}

Aangezien de kerk der Zevende-dag Adventisten daarom de enige is die het

11

oordeel verkondigt, en aangezien elk van de zeven boodschappen is geadresseerd aan de engel van de respectievelijke gemeenten, is de boodschap tot Laodicea dienovereenkomstig geadresseerd

Aan de Engel der Zevende-dag Adventisten.{ABN1: 11.3}

Volgens Openbaring 1:20, symboliseren de “kandelaren”de zeven gemeenten, en de “sterren”de engelen (leiders) die de leiding hebben over de gemeenten. Als de begeleiders van de gemeenten, worden de engelen aldus gezien als de geestelijke leiding, wiens verantwoordelijkheid is om de lampen in goede conditie te houden, met olie gevuld, en helder brandend, zodat de kerk licht kan geven aan allen om haar heen. {ABN1: 12.1}

Daar de Laodiceaanse engel, hem aan wie de veroordelende boodschap is gezonden, dienovereenkomstig symbool staat voor de geestelijke leiding in Laodicea, zou hij daaruit volgend nog meer ernaar moeten verlangen te ontdekken waar het probleem ligt, want hij is, zegt de Heer,

Ellendig, Jammerlijk, Arm, Blind, en Naakt. {ABN1: 12.2}

Welke kerk (kandelaar) zou mogelijkerwijs verlicht kunnen blijven met een  jammerlijke, ellendige, arme, blinde, en naakte leiding? En met haar licht aldus uitgedoofd of slecht dim knipperend, hoe kan zij de wereld verlichten zoals God haar heeft opgedragen te doen?  Door de ogen van de Waarachtige Getuige wordt daarom

12

de tragedie van Laodicea volkomen gezien—“slapende predikanten, predikend tot een slapend volk” (Testimonies, Vol.2,blz.337), terwijl een zonde-onwetende wereld zich vastbesloten stort in haar duisternis! O, wat een treurige toestand! En toch wordt het totaal over het hoofd gezien!{ABN1: 12.3}

Met zowel de leiding als de leken in zo een treurige staat van duisternis, is het duidelijk te zien dat hoewel de kerk der Laodicensen de laatste is in de orde der zeven gemeenten, God door haar de wereld niet kan verlichten en Zijn volk voorbereiden op Zijn Koninkrijk, wanneer zij zelf in duisternis en onvoorbereid is. Vandaar de noodzaak van een nieuwe orde, een nieuwe geestelijke leiding, zoals is voorspeld in Testimonies,Vol.5, blz.80, en in Zefanja 3:11,12. {ABN1: 13.1}

Dan zal het geschieden dat “alleen zij die verzoeking hebben doorstaan in de kracht van de Machtige, zullen worden toegestaan om deel te nemen aan het verkondigen ervan [de Derde Engel Boodschap], wanneer het zal zijn aangezweld tot de Luide Roep.”—The Review and Herald, Nr.19, 1908.{ABN1: 13.2}

In het licht van deze feiten, moet de profetische boodschap van de engel der Laodicensen vanzelfsprekend gebracht en verkondigd worden door iemand anders dan de engel zelf.  Maar natuurkijk is dit juist datgene wat noch de leiding noch de leken verwachten of  wensen te geschieden. Desondanks, omwille van de getrouwen, gebeurt het. {ABN1: 13.3}

13

Dus aangezien Gods Woord zegt dat de geestelijke leiding van de gemeente der Laodicensen jammerlijk, ellendig, arm, blind, en naakt is, en dat noch zij noch de leken zich bewust zijn van het feit, verleent het dan zware nadruk op de verklaringen: “Slapende predikanten, predikend tot een slapend volk!” (Testimonies, Vol.2, blz. 337); “de boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een  beklagenswaardige misleiding, doch oprecht in die misleiding.”—Testimonies,Vol., blz.253.{ABN1: 14.1}

Alhoewel zij in deze afschuwelijke situatie verkeren, één die hen zou moeten doen beven en vrezen, en alles te willen geven om eruit te komen, gaan zij toch door, zijnde

Lauw—Noch Koud Noch Heet. {ABN1: 14.2}

Wanneer iemand zich in een klimaat bevindt, dat noch koud noch heet is, maar lauw, een temperatuur die gewenst en gezocht wordt door allen, dan koestert hij het daar als een armoedzaaier die een prins is geworden! Zo is het met de Laodicensen, zoals zij worden voorgesteld in de profetie, ondanks dat hun veronderstelde rijkdommen niets anders zijn dan een dodelijke valstrik !{ABN1: 14.3}

Om iemand van zo een vreselijke misleiding te redden is een taak die vraagt om de uiterste wijsheid, niet alleen omdat het slachtoffer blindelings gewend is aan de gevaarlijke conditie waarin hij verkeert, terwijl zijn redders pogen om hem te redden van het verloren gaan, maar ook omdat hij hen beschouwt als zijn vijanden, valse profeten, in plaats van zijn vrienden en verlossers, boodschappers van God!{ABN1: 14.4}

14

Voor de reddingslijn, de reddende boodschap, die zij hem pleitend voorhouden, deinst hij terug. En daaruit volgend, door zijn houding tegen hen, schreeuwt hij: Ga weg, ga weg, ik ben rijk en ben met goederen verrijkt; Ik lijd aan niets gebrek; ik heb alle waarheid. “Ik ben tevreden met mijn positie. Ik heb mijn grenzen bepaald, en ik zal niet van mijn positie (of standpunt) bewogen worden, wat ook mag komen.”—Testimonies on Sabbath-School Work, blz.65; Counsels on Sabbath School Work, blz.28. {ABN1: 15.1}

In het protesteren dat zij niet ellendig (niet ongelukkig), niet jammerlijk (niet verontrust), niet arm ( geen  waarheid nodig hebben), niet blind ( niet onwetend of ongeletterd), niet naakt ( niet zonder de gerechtigheid van Christus) zijn, spreken de Laodicensen de Waarachtige Getuige tegen, verwerpen Zijn raad, en zij brengen  Zijn oplossing in diskrediet —

De Ogenzalf. {ABN1: 15.2}

Daar alleen de “zalf” hen zal genezen van hun dodelijke Laodiceaanse kwaal, zullen zij daardoor, als zij falen om hun voordeel te trekken uit het geneesmiddel (door naar waarheid te zoeken als naar een verborgen schat) en het toe te passen (bekeren), uitgespuwd worden. O broeder, Zuster, wilt u dan niet vragen naar de “zalf”? of  zult u doorgaan in uw ellendigheid, jammerlijkheid, armoede, blindheid, en naaktheid, en aldus Hem noodzaken om u uit te spuwen en

15

Uw Schaamte Bloot Te Leggen? {ABN1: 15.3}

Opdat uw schaamte, Broeders, niet zichtbaar worde aan allen, heeft God het lang weerhouden om aan de wereld de zonden te onthullen die u hebt gekoesterd en verborgen hebt gehouden. Niet voor altijd echter, zal Hij dat verdragen. Dus omwille van uw ziel, twist niet langer dat u alle waarheid hebt; houdt op om zonde aan zonde toe te voegen; bekeert u, en keert terug tot Hem; Hij zal u net zo blijmoedig aannemen en een feestmaal voor u bereiden zoals de vader in de gelijkenis zijn verkwistende zoon bij zijn terugkomst begroette en een feestmaal voor hem bereidde.{ABN1: 16.1}

Wees niet als de Jood. Maar stelt uw hart open; werp eruit haar trots, haar vooroordeel, en haar hoogmoed; laat deze dingen u het eeuwig leven niet ontnemen op zulk een late uur als deze. Als u de fout van de Joden herhaalt, zal uw schande en uw verlies net zoveel groter zijn dan die van hen als uw licht en uw gelegenheden en voorrechten zijn. Ja, buiten vergelijking! Faalt dus niet, pleiten wij met u, om uw lange Laodiceaanse ziekte en armoede te beëindigen, en verbeeldt u niet langer dat u

Rijk, Met Goederen Verrijkt Bent. {ABN1: 16.2}

Nooit doet u zoveel als zelfs te kennen geven dat u alle gebouwen, alle instellingen, alle gelden, alle werkers, alle bekeerlingen heeft die u nodig heeft! Uw enige trots is het niet nodig hebben van meer waarheid! Deze houding, zegt de Heer, is

16

daarom de manier waarop u zegt: “Ik ben rijk, en heb mij met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek.” Het is de bron van uw probleem, en datgene waarvan Hij verwacht dat u het belijdt en zich ervan bekeert.{ABN1: 16.3}

De verkeerde aanspraak van de engel (de leiding) van zijnde rijk en met goederen verrijkt en aan niets gebrek hebbend, maakt hem niet tot een leugenaar, maar geeft hem eerder aan als zijnde een slachtoffer van onwetendheid en misleiding. Maar zijn gedachten gang dat hij alle Waarheid kent en heeft, maakt zijn toestand zelfs nog gevaarlijker dan een leugenaar, want een leugenaar weet dat hij liegt.  O wordt wakker, Broeder, Zuster, ontwaakt, ontwaakt!{ABN1: 17.1}

Handelt als Natanaël.

Kom en zie!{ABN1: 17.2}

Wat zien? Laodicensen, rijk en met goederen verrijkt, en aan niets gebrek hebbend, met als verontschuldiging dat de noodzaak om voor materiële dingen te zorgen (Lukas 14:15-19) hen verbiedt om de uitnodiging te aanvaarden?{ABN1: 17.3}

Volstrekt niet!{ABN1: 17.4}

Zie de Laodicensen van de straten en stegen—“de armen en misvormden en blinden en lammen” (Lukas 14:21), blijmoedig zichzelf tegoed doende aan het geneesmiddel!{ABN1: 17.5}

Maar helaas, niet allen die komen, blijven, want “bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt

17

de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is: dat is hij die het zaad  langs de weg heeft ontvangen.” Wees niet aan hem gelijk, maar maak de vereiste poging om de Waarheid te verstaan. En anderen, “wanneer er echter verdrukking of vervolging komt ter wille van het woord,” zijn beledigd {geërgerd}. Dit zijn degenen, “die het zaad op steenachtige plaatsen” hebben “ontvangen.” Wees noch aan hen gelijk. Wees geworteld in de Waarheid. “Maar hij, die het zaad in goede aarde heeft ontvangen is hij die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, sommigen honderdvoudig, sommigen zestig, sommigen dertig.” Matt.13:19-23.{ABN1: 17.6}

Hoewel de “kwade” tezamen met de “goede” nog steeds komen (want wij zijn nog in de periode waarin het koren en het onkruid, de goede en de slechte vissen, vermengd zijn), hoeft u niet van het onkruid te zijn of van de “slechte vissen.” Wees van het koren, doe als de “goede”: leg  uw eigen gedachten en wegen terzijde, en neem die van de Heer aan, want Hij zegt: “…Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen…Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen en Mijn gedachten dan uw gedachten.” Jes.55:8,9.{ABN1: 18.1}

En als laatste, wees nooit als de Farizeeër, die de splinter in zijn broeders oog kan zien, maar de balk in zijn eigen oog niet kan zien (Matt.7:3). Want tenslotte, “Wie zijt gij?”, vraagt de Heer. Zijt gij zelf niet een Laodiceaan? Hoe “oordeelt” gij “een anders

18

knecht? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem te doen staan.” Rom.14:4.{ABN1: 18.2}

Maak u geen zorgen om de andere kameraad, Broeders; u heeft amper genoeg tijd om voor uzelf te zorgen. En meet bovendien de Waarheid niet met de staf van de mens, maar met de Staf van God: “Hoort naar de Roede, en [Hij] Wie het besteld heeft” (Micha 6:9), bepleit de Heer.{ABN1: 19.1}

Wilt u Zijn raad niet opvolgen? Als u dat wilt, stuurt dan zonder verdere  uitstel uw naam en adres op voor lectuur van Tegenwoordige Waarheid—de feestmaal die, hoewel het alles waard is, u niets zal kosten. En behalve dat dit het enige geneesmiddel is voor uw Laodiceanisme, zal het uw hongerige ziel aangrijpen en bevredigen met iets dat waarlijk rijk en buitengewoon is!{ABN1: 19.2}

Dan “zullen” wij allen tezamen “geestelijk gezichtsvermogen hebben om de binnenste hoven van de hemelse tempel waar te nemen. Wij zullen de herkenningsmelodieën van gezang en dankzegging van het hemels koor opvangen rondom de troon. Wanneer Sion zal opstaan en schijnen, zal haar licht het meest doordringend zijn, en kostbare liederen van lof en dankzegging zullen gehoord worden in de vergadering van de heiligen….Als wij de gouden ogenzalf aanbrengen, zullen wij de verder reikende heerlijkheden zien. Geloof zal de zware schaduw van Satan doorklieven, en wij zullen onze Advocaat het wierook van Zijn eigen verdiensten voor ons bestwil zien offeren. Wanneer wij dit

19

zien zoals het is, zoals de Heer verlangt dat wij het zien, zullen wij vervuld zijn met een gewaarwording van de oneindigheid en verscheidenheid van de liefde Gods.”—Testimonies, Vol.6, blz.368. En wij zullen dan niet langer vragen:

Wiens Raad Moet Opgevolgd Worden? {ABN1: 19.3}

Nu willen we dat u weet dat we uw bezorgdheid voor onze geestelijk welzijn oprecht waarderen, zoals aangegeven in veel van uw kritieken, en we verzekeren u dat we ons ten volle realiseren dat, wanneer we verkeerd zijn , uw advies zeker net zo waardevol voor ons is als ons advies aan u is, wanneer we gelijk hadden. Daarom zijn we ervan overtuigd dat u het met ons over eens zal zijn dat wij deze vraag moeten oplossen,

 Wie is Wie? {ABN1: 20.1}

Om ons onderzoek te beginnen, is het noodzakelijk, in eerlijkheid naar beide partijen toe, om rekening te houden met de ervaringsleer van een ieder.{ABN1: 20.2}

Met het oog op onze lange ervaring met de Drie Engelen boodschap in haar eerste deel, zowel als in haar huidige toevoeging (Eerste Geschriften, blz.331,332,{Early Writings, blz. 277}) zoals gebracht in de Herdersstaf {Shepherds Rod}, als tegen het uwe in het eerste deel alleen, zijn we gedwongen te geloven ,dat de mogelijkheid dat u verkeerd geleid zijt door de engel der Laodicensen, groter is dan de mogelijkheid dat wij verkeerd geleid zijn door de Staf{Rod}.{ABN1: 20.3}

Bevond u zich in een positie , zoals wij zijn , om compleet geïnformeerd te zijn in beide boodschappen

20

– zowel in die van 1844 en die van vandaag, dan zou de mogelijkheid dat u juist was en wij verkeerd waren tegenover de mogelijkheid dat u verkeerd was en wij juist evenredig gelijk zijn. Aangezien, echter, u vertrouwd bent met de vorige alleen, is het waarschijnlijker dat onze positie een groter percentage draagt, van de mogelijkheid om juist te zijn dan de uwe.{ABN1: 20.4}

Bovendien, als de Staf{Rod} nu juist is of verkeerd, ¨de engel van de kerk van de Laodicensen” verkeert zoals de Heer Zelf scherp heeft duidelijk gemaakt, in een trieste , angstaanjagende en verschrikkelijke misleiding (Testimonies vol 3 blz. 253, 254, 260), en op het punt om uitgespuugd te worden.{ABN1: 21.1}

Met het oog, daarom, op de daaruit voortvloeiende grotere verantwoordelijkheid, die op ons rust, kunnen wij niet minder geïnteresseerd zijn in u dan u bent in ons. En u kan het zich niet veroorloven om minder opmerkzaam te zijn ten opzichte van onze adviezen aan u dan wij het ons kunnen veroorloven van de uwe aan ons.{ABN1: 21.2}

En tenslotte, gelovend dat u net zo eerlijk bent als wij zijn, zijn wij overtuigd dat u onbevooroordeeld en nauwkeurig ieder woord hierin zult overwegen.{ABN1: 21.3}

Zoals u weet, bestaan wij uit leden die niet afwijken van de Bijbel en van Zuster White´s geschriften, compleet ( progressieve) Zevende Dag adventisten, die zeker zijn dat beiden, de Bijbel en Zuster White´s geschriften, de Roede 100 % steunen.  Alle drie

21

daarom, zien wij in perfecte harmonie met elkaar, met de Roede die kracht en sterkte geeft aan de boodschap zoals die gegeven is sinds 1844. (zie EG,  blz.331,332{ EW , blz. 277}) {ABN1: 21.4}

Aangezien wij deze onwankelbare overtuiging onderhouden, kunt u meteen begrijpen, dat uw verwerping van de Roede op gronden dat het niet in harmonie is met Zuster White´s geschriften, voor ons totaal niet de werkelijkheid is zoals het u voorkomt. {ABN1: 22.1}

Daar ook wij iedere reden hebben te geloven,  dat ons verstand totaal rationeel is, hebben wij vervolgens elke reden om te geloven , dat wij niet minder bij machte zijn dan anderen om op intelligente wijze, zowel de Bijbel en Zuster White´s geschriften te bestuderen. Dus laat ons als Christenen die echt de waarheid willen kennen, samen beginnen

Beide Uw Positie Te Onderzoeken En De Onze.{ABN1: 22.2}

Om te beginnen, is het niet juist dat het leesboek van de Christen de Bijbels is ­?Als uw antwoord tot deze fundamentele vraag in het bevestigende is, dan drijft het ons om Zuster White´s geschriften, in het licht van de Bijbel te bestuderen en niet de Bijbel in het licht van haar geschriften. Dit zegt zijzelf in feite duidelijk:{ABN1: 22.3}

“Alleen zij die ijverig de Schriften hebben bestudeert en die de liefde van de waarheid hebben ontvangen, zullen (beschermd) worden van de krachtige verleiding dat

22

de wereld gevangen houdt. Door de Bijbelse getuigenissen, ( niet die van haar) zullen deze de verleider in vermomming ontdekken…. Is het volk van God nu zo stevig gegrondvest op Zijn woord, dat zij niet zullen buigen voor bewijzen van hun gevoelens?  Zullen zij in zo´n crisis vasthouden aan de Bijbel en de Bijbel alleen?”- The Great Controversy , blz. 625.{ABN1: 22.3}

Het is daarom overduidelijk dat haar werk nooit op zulk een manier geïnterpreteerd moet worden dat het de Bijbel tegenspreekt, maar altijd om het te verduidelijken. Als u zonder af te wijken deze onvoorwaardelijke regel van interpretaties volgt, zal u op geen enkele wijze enig probleem hebben met de Roede of met enig andere boodschap die de Heer ooit zal zenden.{ABN1: 23.1}

Uw interpretaties van vele van Zuster White´s geschriften, meest treffende, waarschijnlijk die met betrekking tot het Koninkrijk, welke duidelijk tegenstrijdig zijn ten opzichte van de profetieën van de Bijbel, maken dat de gene die haar geschriften aannemen om de Bijbel in twijfel te trekken, en degene die de Bijbel houden om tegen haar geschriften te strijden, zo twist en scheuring  brengen onder de broeders en zusters.  Zulke interpretaties, eenzijdig en scheiding brengend, zijn daarom bedroevend oneerlijk, niet alleen tegenover de Bijbel en Zuster White´s geschriften, maar ook tegenover uzelf, en daaruit voortvloeiend tegenover de zaak van de Waarheid.{ABN1: 23.2}

Wij vertrouwen erop dat u zult inzien, dat terwijl u zich opzettelijk voorgenomen heeft om alleen de onjuistheid van de Roede te bewijzen, u in realiteit onopzettelijk probeert te bewijzen dat de geschriften van Zuster White in tegenstrijd

23

 zijn met de Bijbel -een werk dat  uiteendrijft van Christus ,in plaats van bij elkaar te brengen tot Hem.{ABN1: 23.3}

Daar beiden uw en onze geloofsovertuiging in complete harmonie moeten zijn met de Bijbel, vragen wij daarom uw overtuiging m.b.t. het Koninkrijk met Dan 2 : 44, Jeremiah 51:20, Hosea 3: 4, 5, Jesaja 2: 1-4, Micha 4: 1-6, Jesaja 11: 12-16. Jeremiah 30: 18, 21, 31: 2-13, 32:37, Ezechiel 37: 15: 28.,

in overeenstemming te brengen.{ABN1: 24.1}

Wij beschouwen het als een eenvoudige , zichzelf bewijzende waarheid, dat als de steen ( Dan 2:34 ) symbolisch is voor het Koninkrijk en dat als het de tenen van het beeld sloeg, het noodzakelijkerwijs opgezet moet worden vóór dat het ze neerslaat, precies zoals Daniel zegt:” In de dagen van deze koningen (tenenkoningen: de koningen van vandaag) zal de God van de Hemel een koninkrijk oprichten.” “In de dagen van deze koningen” kan niet betekenen  na hun dagen. En zonder dat het Koninkrijk is opgericht ( tot stand is gebracht) , kan het de volkeren niet neerslaan. {ABN1: 24.2}

Bovendien, als Judah en Israel ( beiden koninkrijken) niet tezamen vergadert zijn in een koninkrijk, zoals de profetieën zeggen dat ze zullen zijn ( Ezech. 37: 15-28), hoe kunnen ze dan Zijn “voorhamer” zijn (Jer. 51:20)?

En hoe kunnen dan de profetieën vervult worden?{ABN1: 24.3}

Het is evenzo zichzelf bewijzend, dat de “vele dagen” (Hos. 3: 4,5) de lange jaren zijn van de tijd dat het Koninkrijk viel totdat het uiteindelijk weer opgericht gaat worden. Waardoor het woord “terugkeren” niets anders

24

kan betekenen dan dat zij die “vele dagen” verspreid waren, terug zullen gaan naar het land waar zij gevangen genomen waren.{ABN1: 24.4}

Verder is dit de enige positie die overeenkomt met alle belangrijke Bijbelse leerstellingen, welke zekerheid geeft van het in vervulling gaan van de profetieën van Jesaja 2 en dat van Micha 4.{ABN1: 25.1}

Wederom: vanuit Jesaja 11 zien we dat de Heer “ ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks (vers 11) en dat wanneer Hij dat doet Hij een weg zal voorbereiden voor hen “ gelijk als Israël geschiedde ten dage, toen het uit Egypte land optoog.” Vers 16.{ABN1: 25.2}

En Jeremia getuigt dat de Heer “de gevangenis der tenten Jakobs wederom zal wenden, en Zich over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop….en zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen. “Jer 30 : 18,21.{ABN1: 25.3}

Bovendien aan Ezechiel ,” Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land.” Ezech. 37: 21.{ABN1: 25.4}

De Bijbel is of waar of niet waar. Als u gelooft dat het waar is, neem het ter harte en neem uw standpunt hierover, tenminste met betrekking tot zulke openlijke gedeelten als die hier geciteerd zijn–schriftgedeelten die geen uitleg behoeven.{ABN1: 25.5}

25

En zeker is dat God geen verontschuldiging zal accepteren van wie dan ook die probeert ze te omzeilen, zo duidelijk en positief zijn ze. Nog minder zal iemand slagen in het ontsnappen aan Gods oordeel door zich enerzijds te beijveren om zijsprongen te maken via datgene waarvan hij denkt uitvluchten te zijn in de Roede, en anderzijds door zich te beijveren om in Zuster White’s geschriften obstakels op te werpen om zich daarachter te verschuilen.{ABN1: 26.1}

Zulke zinloze pogingen vandaag, zullen de plegers niet minder verontschuldigend laten ( in feite nog minder) dan de zinloze pogingen van de Joden gisteren hun gelaten hebben in hun pogingen om uitvluchten te ontdekken in Christus zijn werk door het gebruik van de geschriften van Mozes.{ABN1: 26.2}

Als iemands uitvlucht is dat de leerstellingen van de Roede niet te vinden zijn in Zuster White’s geschriften, zal hij niet meer te rechtvaardigen zijn in het verwerpen van haar stem op zulke gronden dan de Joden voor het vechten en verwerpen van de geschriften van het Nieuwe testament op de gronden dat zij niet gevonden worden in de geschriften van de profeten.{ABN1: 26.3}

Als u werkelijk een oprechte en trouwe gelovige bent in beiden,de Bijbel en de Geest der Profetie, zal u dit advies gehoorzamen:

“… als een boodschap komt die u niet begrijpt, doe uw uiterste best om de reden die de boodschapper te geven heeft te horen ”Testimonies to Sabbatschool Work blz. 65 : Counsels on Sabbatschool Work blz. 29.{ABN1: 26.4}

26

Uw integriteit in het verwerpen van de verzegelingsboodschap, op de grond dat het Zuster White’s geschriften tegenspreekt, zal getoetst worden door uw reactie op haar aandringen om te redeneren met de boodschapper in plaats van te redeneren met zijn vijanden.{ABN1: 27.1}

Wat voor sommigen van u mag schijnen als zou het deze of gene onderwijzing van de Roede boodschap regelrecht in tegenstelling  zetten  tot zuster White’s geschriften, is half niet zo aannemelijk als dat wat voor allen lijkt alsof de stellingen van de Heer in Mattheus 10 -23 keihard in tegenstelling stelt tot Zijn beloften.“Gij zult niet” zeggen de geschriften, “door de steden van Israel trekken, tot de Zoon des mensen is gekomen”. Maar de apostelen gingen wel het evangelie prediken niet alleen in de steden van Israel, maar ook tot “ieder schepsel dat onder de hemel is” Col. 1 : 23, en tot dusver is de Zoon des mensen nog niet “gekomen”  hoewel 1900 jaren sinds die tijd voorbij zijn gegaan. Christus moet de waarheid gesproken hebben, maar het is niet begrepen, net zoals vele punten die samenhangen met Tegenwoordige Waarheid niet begrepen worden en daardoor in de meeste gevallen verkeerd geïnterpreteerd worden .{ABN1: 27.2}

Toen Mozes het eerste gedeelte van de Bijbel schreef, was hij niet het voorrecht gegeven om de hele Waarheid te schrijven welke de Heer van plan was te openbaren aan zijn volk. Later in de Oud Testamentische periode kwamen  Jesaja, Jeremiah, Ezechiel, en anderen. Toen kwamen in de Nieuw Testamentische periode Johannes de Doper, Christus, de apostelen, de hervormers, Miller, Zuster

27

White, ieder op zijn beurt waarheden onderwijzend welke hoe dan ook niet konden worden ondersteund door de geschriften van Mozes. Dit is de Heilige regel voor het ontraffelen van waarheid. En slechts tot iemands eigen verlies, zal hij weigeren te bekennen dat het heden ten dage hetzelfde werkt als altijd, alhoewel de boodschap van vandaag in totaliteit is afgeleid van de geïnspireerde schrijvers voor haar tijd.{ABN1: 27.3}

Hoewel er nog veel meer gezegd kan worden over deze zaken, voldoen deze regels voor nu, want tenzij u om uws levenswil erop reageert, zou meer (hiervan) slechts een vermoeienis voor u zijn en een verlies van tijd voor ons.{ABN1: 28.1}

Onze welgemeende gebeden en ernstige hoop daarom is dat de waardevolle, onherstelbare tijd besteed aan deze pogingen van goede wil en uiterst diepe bezorgdheid voor uw zielen, middelen zullen zijn  om u ertoe te brengen om u te verheugen in de glorierijke hoop welke de Roede voor u plaatst. Moge uw hart nu ontvankelijk zijn voor “de Heer zijn stem” welke nog steeds “roept in de stad….. Hoort gij de Staf en Hij die het aangesteld heeft.”{ABN1: 28.2}

Als u besloten hebt nu gehoor te geven aan dit bevel en met die in de Testimonies on Sabbath-school Work blz. 65, om uw uiterste best te doen om de redenering te horen  die de  boodschapper mag geven en om vragen te stellen over de boodschap, of het nou ten opzichte van de Bijbel of de geschriften van Zuster White is, wees dan verzekerd dat wij verblijd zullen zijn om van u te horen en dat wij met vreugde onze uiterste best zullen doen om opheldering te brengen in wat daarbij betrokken is.{ABN1: 28.3}

28

Vragen en Antwoorden

—-

WAT IS HET PROBLEEM VAN LAODICEA?

Vraag Nr. 1:

Wat is er aan de hand met Laodicea en wat is het hulpmiddel ?

Antwoord :

Haar conditie beschrijvend in tegenwoordige taal, verklaart Inspiratie:

“De boodschap aan de kerk van Laodicea is een schokkende aanklacht, en is toepasbaar op het volk van God in de tegenwoordige tijd… {ABN1: 29.1}

“Het volk van God wordt vertegenwoordigd in de boodschap voor de Laodicensen als in een positie van vleselijke zekerheid. Ze voelen zich op hun gemak, van zichzelf gelovend dat zij in een verhoogde conditie van geestelijke verworvenheid zijn….. {ABN1: 29.2}

“Wat een grotere misleiding kan het menselijk verstand overvallen dan een vertrouwen dat ze allemaal juist zijn, terwijl ze allemaal verkeerd zijn !De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een droevige misleiding maar toch oprecht in deze misleiding. Ze weten niet dat hun conditie betreurenswaardig is in de ogen van God. Terwijl zei die bedoeld worden zichzelf vleien dat ze in een verhoogde geestelijke toestand verkeren, breekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid af door de alarmerende veroordeling van hun werkelijke

29

toestand van geestelijke blindheid, armoede en ellende. Het getuigenis zo snijdend en zwaar, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige die spreekt, en zijn getuigenis moet juist zijn. Testimonies Vol 3 blz. 252,253.{ABN1: 29.4}

“Ik vroeg naar de betekenis van de schudding die ik had gezien en werd getoond dat het veroorzaakt zou worden door de pure getuigenis opgeroepen door het advies van de Waarachtige Getuige aan de Laodicensen. Dit zal haar reactie hebben op het hart van de ontvanger en zal hen leiden om de standaard te verhogen en de pure waarheid uit te storten. Sommigen zullen deze pure waarheid niet kunnen verdragen. Ze zullen zich ertegen verzetten en dat zal de schudding  onder Godsvolk veroorzaken.{ABN1: 30.1}

“Ik zag dat er niet volledig acht geslagen was op de getuigenis van de Waarachtige Getuige. De heilige getuigenis waar het lot van de kerk aan vast hangt is geminacht als niet totaal genegeerd. Early Writings blz. 270 {ABN1: 30.2}

“…onze eigen gedrag van voortdurende afvalligheid heeft ons van God gescheiden. Trots hebzucht en liefde voor de wereld leven in het hart, zonder angst voor verbanning of veroordeling. Er komen smartelijke en aanmatigende zonden onder ons voor.  En toch is de algemene opinie dat de kerk floreert en dat vrede en geestelijke voorspoed in al haar gelederen voorkomt.{ABN1: 30.3}

30

“De kerk heeft zich afgewend van het volgen van Christus als Leider en is weer op de terugtocht naar Egypte. Toch zijn weinigen gealarmeerd of verbaasd door hun eigen gebrek aan geestelijke kracht. Twijfel en zelfs ongeloof in de Getuigenissen van de Geest van God doortrekt overal onze gemeenten. Dit is Satans opzet. Predikanten die zichzelf prediken in plaats van Christus willen dat zo. De Getuigenissen worden niet gelezen en niet gewaardeerd. God spreekt tot u. Licht schijnt vanuit Zijn woord en de Getuigenissen , en beide worden veracht en veronachtzaamd. Het gevolg is duidelijk te zien in het gebrek aan reinheid en toewijding en oprecht geloof onder ons.”Testimonies , Vol 5 blz. 218 , Getuigenissen voor de Kerk deel V, blz. 178 {ABN1: 31.1}

Dat Laodicea de typerende naam is voor de Zevende dag adventisten gemeenschap weet iedere Zevende dag adventist., en toch kan het niemand wat schelen om daar iets aan te doen. Integendeel, zijn ze allemaal tevreden dat ze alle waarheid hebben om hen helemaal over te brengen!{ABN1: 31.2}

Om hun lauwe positie oneindig te verlengen heeft de demonische kracht gezorgd voor  een volmaakt isolerende-bedekking bestaande uit een ondoordringbare laag van vooroordeel, zelfvertrouwen en de angst dat iemand zijn best doet om hun te misleiden door woorden of door literatuur. Vandaar dat de meeste van ons als Zevende dag adventisten, Bijbel waarheden die bepleit worden niet lezen of daarover discussiëren met iemand die niet geaccepteerd wordt door de engel van Laodicea –  de kerkvorsten van de conferentie.  Als gevolg daarvan zullen

31

dezulken heden ten dage nooit bereikt kunnen worden met een boodschap uit de hemel , niet makkelijker dan de Joden in hun dagen. Niettemin geeft de Alwetende de opdracht:{ABN1: 31.3}

“En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicensen Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods: Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen. Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens ding gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.” Openbaring 3 : 14-18 {ABN1: 32.1}

Dus wanneer in Openbaring 2 : 5 de Heer streng tot een groep leiders toespreekt, hun waarschuwende dat tenzij ze zich bekeren en hun eerste werken doen, Hij haastig naar hun toe zal komen en de kandelaar onder hun hoede verwijderen, Hij maakt dit lot totaal voorwaardelijk aan hun eigen reactie op Zijn snijdende vermaning.{ABN1: 32.2}

Maar later, aan de leiderschap van de Laodicensen  (engel) maakt Hij een nog drastischere

32

 bevel, een onvoorwaardelijke, onmiskenbare, scherpe en definitieve verklaring, dat Hij ze uit  zal spugen, zodoende het bestuur van de kerk der Laodicensen tot een abrupte en catastrofale climax (einde) brengend. Op ditzelfde tijdstip dan zal de kerk een grondige schoonmaak ondergaan, een verandering van administratie en organisatie, gelijk als het Koninkrijk in de oude dagen van Saul “was afgepakt” en gegeven was aan David. (1 Sam. 15 : 28){ABN1: 32.3}

En net zoals David, de achtste zoon van Jesse niet gekozen was tot nadat de opvolging van zijn 7 broers één voor één de revue gepasseerd was, evenzo was  het “huis van David” (Zach. 12: 8; Testestimonies Vol 5, blz.81) de kerk in de Nieuw testamentische opvolging niet tot stand gekomen tot na de 7 opvolgingen de één na de ander voorbij gegaan waren.( Zie tract. 8 , Mt. Sion at het Eleventh hour){ABN1: 33.1}

Het mag duidelijk zijn dat de “engel” en de kerk die hier toegesproken worden noodzakelijkerwijs twee partijen voorstellen- de kerkleiding en de leken. Maar de ene direct aangesproken en veroordeeld is de engel, de ene die de leiding heeft over de leken. De “alarmerende beschuldiging” van de  Waarachtige Getuige, daarom, hoewel de leken niet vrijstellend, is uitdrukkelijk en in het bijzonder gericht aan de leiders van de kerk. Zo speciaal moeten zij meer dan alle anderen, hieraan aandacht schenken en de gedragscode ter harte nemen dat de Meester Herder geen enkele schaap onverzorgd zal laten gaan om te vallen in een afgrond als Hij dat kan verhelpen.{ABN1: 33.2}

33

Maar aangezien, als onder herders, zij lang en ernstig zijn verwaarloosd  heeft de Heer jaren geleden beloofd dat Hij binnen korte tijd” zelf de leiding gaat nemen over de kudde.” Testimonies Vol 5 blz. 80.{ABN1: 34.1}

In een voorspelling van deze volledige verandering van de Laodicensische  traagheid, bevestigd de Geest der Profetie plechtig: “God zal gelegenheden en manieren vinden door welke het gezien zal worden dat Hij de leiding weer in eigen handen neemt. De werkers zullen verbaasd zijn…” Testimonies to Ministers, blz. 300.{ABN1: 34.2}

Wederom lezen we dat God hen “die in hun eigen behoefte voorzien, onafhankelijk van God”,  welke “Hij niet kan gebruiken”, aan een kant zal zetten en voor het oog zal onthullen “kostbaren die nu verscholen zijn , die hun knie niet gebogen hebben voor Baal.” Testimonies , Vol 5 blz. 80, 81.{ABN1: 34.3}

Aldus herhaald de heilige geschiedenis zichzelf nog exacter dan de heidense geschiedenis. En de angstaanjagende onherroepelijke woorden van de profeet Samuel aan Saul, komen rinkelend door de eeuwen heen met dubbele definitieve beslotenheid voor de Laodicensen: {ABN1: 34.4}

“De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israël van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij . En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israel is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem [iets] berouwen zou.” 1 Sam.15 : 28, 29 {ABN1: 34.5}

De Laodiceaanse  lauwheid,- de tevreden instelling van rijk zijn en verrijkt

34

met goederen, van de waarheid hebben en zelf eraan toevoegen- is niets anders dan pure zelfingenomenheid. Het is daarom dat de Laodicensen, “ellendig, jammerlijk, arm ,blind en naakt zijn” (Openb. 3 : 17), zich vergissend in geloven dat ze rijk en verrijkt met goederen zijn. Maar zo ernstig als deze misleiding is hoeft het niet fataal te zijn , als ze slechts zichzelf willen vernederen en “de ogenzalf” willen “kopen” die hun aangeboden worden zodat ze hun naaktheid mogen zien, zich bekeren , vergiffenis zoeken en toenemen in waarheid. Maar helaas, hun lauwe, (tevreden), niet heet nog koude (ontevreden) toestand (positie) maakt het zwaar voor hen om hun conditie te erkennen, zoals het voor de Joden was in de tijd van Christus.{ABN1: 34.6}

WAAROM DE NOODZAAK VOOR EEN OPWEKKING EN HERVORMING ?

Vraag Nr. 2 :

Als de kerk Gods geliefde object op aarde is (Testimonies to Ministers , blz. 20) en als Hij haar leidt, waarom de noodzaak voor “een opwekking en hervorming”?

Antwoord:

Aangezien de kerk inderdaad Gods geliefde object op aarde is, moet Hij haar vaak vermanen, berispen en kastijden om haar zodoende ertoe te brengen de hoge standaard die Hij voor haar heeft gesteld te behouden.  En alhoewel haar geschiedenis maar een lang triest verslag is van zondigen en bekering, zondigen en bekering, toch heeft de Heer haar verdragen in een oneindig geduld en lijdzaamheid van Heilige liefde,

35

zo prachtig geïllustreerd in de parabel van de verloren zoon. En uiteindelijk in deze onbeschrijfelijke liefde “gaf Hij Zichzelf” ( Gal. 1: 4) voor haar in de persoon van Zijn eniggeboren Zoon.  Maar dit verheven offer, desondanks dat het nooit volkomen werd gewaardeerd, ( bewees) zijn onsterfelijke liefde voor haar.

Zelf nu , verklaart de Verlosser medelijdend, dat Hij iets tegen haar heeft en vermaand haar door krachtige woorden om zich te bekeren en met Hem te zitten op Zijn troon ( Openb. 3 : 14-21), duidelijk makend het onvermijdelijke lot van allen die falen om Zijn advies op te volgen, vers 16. Maar tragischerwijs heeft zij er geen aandacht aan geschonken en daarom uit Hij “de zware beschuldiging van geestelijke zwakheid tegen de predikanten en de mensen, zeggende: ‘Ik ken uw werken, dat u nog koud nog heet zijt, Ik wenste dat u koud of heet was.”– Christ our Righteousness 1941 editie blz. 121.{ABN1: 35.1}

Aldus “roept” God in Zijn grenzeloze, alles onderscheidende liefde voor Zijn kerk, “op tot een geestelijke opwekking en een geestelijke hervorming.” Tenzij deze plaats vindt, zullen zij die lauw zijn, voortgaan nog weerzinwekkender te groeien voor de Heer, totdat Hij zal weigeren hen te erkennen als Zijn kinderen. {ABN1: 36.1}

“Er moet een opwekking en reformatie  plaatsvinden onder de bediening van de Heilige Geest. Opwekking en Hervorming zijn twee verschillende dingen. Een opwekking betekent een vernieuwing van het geestelijke leven, een bezieling (prikkeling of verlevendigen) van de krachten van het verstand en hart een opstanding

36

 van geestelijke dood. Een hervorming betekent een reorganisatie, een verandering in ideeën en theorieën, gewoonten en praktijken. Hervorming zal niet de goede vruchten van rechtvaardigheid voortbrengen tenzij het in verband gebracht wordt met een opwekking van de Geest. Opwekking en hervorming moeten hun voorgeschreven werk doen en hierin moeten ze samengaan.” –Ibid.{ABN1: 36.2}

In deze geïnspireerde beweringen staan 3 feiten in dappere verhevenheid uit:

  • God stuurt de krijgstrompet eerst naar de leiders en dan naar de leken; (2) Hij maakt een positieve verklaring dat Hij allen die weigeren gehoor te geven hieraan en (weigeren) in te gaan tot een “ geestelijke opwekking en een geestelijke hervorming “uit zijn mond zal spugen ; en (3)Hij maakt duidelijk dat zo een beweging “een reorganisatie betekend, een verandering in ideeën en theorieën , gewoonten en praktijken. “ Het is dan duidelijk dat de kerk een drievoudige verandering moet ervaren, voordat ze ooit kan stralen “schoon als de maan, helder als de zon en verschrikkelijk als een leger met barnieren” “voortgaand in de wereld om te veroveren en te overwinnen.”- Prophets and Kings blz. 725 {ABN1: 37.1}

God zal nu over Zijn kerk heersen zoals Hij in de tijd van Mozes’ deed:  “Het bestuur van Israel werd getypeerd door de meest grondige organisatie, tegelijkertijd prachtig door haar volkomenheid en haar eenvoud. De inrichting ervan zo verbluffend weergegeven in de volmaaktheid en rangschikking  van al Gods geschapen werken was gemanifesteerd in de Hebreeuwse economie.

37

 God was het middelpunt van gezag en bestuur, de oppermachtige van Israel. Mozes stond als hun zichtbare leider, door God aangesteld om de wetten in Zijn naam te uit te voeren. Van de ouderlingen van de stam werd naderhand  een raad van zeventig gekozen om Mozes te assisteren in de algemene zaken van het volk.  Daarnaast volgden de priesters, die met de Heer in het Heiligdom overleg pleegden. Aanvoerders of prinsen hadden de leiding over stammen. Onder deze waren de kampioenen over duizend en kampioenen over honderd en kampioenen over vijftig en kampioenen over tien en tenslotte officiers die in dienst genomen werden voor speciale taken. Patriarchs and Prophets blz. 374.{ABN1: 37.2}

Als “dezelfde vrome en rechtvaardige principes die de leiders onder Gods volk in de tijd van Mozes en van David moest  geleiden, ook gevolgd zou worden door diegene die de toezicht van de nieuw georganiseerde kerk van God in het evangelie tijdperk, was gegeven (Acts of the Apostles blz. 95), en als de mens Gods bestuursregels niet kan verbeteren,  waarom zouden wij dan niet hetzelfde patroon navolgen? Vandaar de noodzaak voor een “opwekking en hervorming.”{ABN1: 38.1}

Als herstellers van iedere Heilige institutie zijn wij verheugd om aan de lezers van Tegenwoordige waarheid aan te kondigen dat behalve de literatuur over “opwekking” zij ook dat van “hervorming” kunnen verkrijgen, onze organisatorische publicatie : de Leviticus van de Davidian Zevende dag adventisten.{ABN1: 38.2}

38

WAT IS HET FENOMEEN INSPIRATIE ?

Vraag Nr. 3:

Wat is eigenmachtige uitlegging?  Op welke manier is iemand geïnspireerd ? En door wie werkt inspiratie ? {ABN1: 39.1}

Antwoord:

“Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.” 2 Tim 3 : 16, 17.{ABN1: 39.2}

“Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben [ze] gesproken.”2 Pet.1 : 20, 21 {ABN1: 39.3}

Bevestigend gesteld , is alle Schrift ( en niet slechtst een deel Ervan) geïnspireerd. Ontkennend gesteld is niets Daarvan eigen machtig uitgelegd om dezelfde reden dat Het niet door mensen tot stand is gekomen maar door God. En Het kan alleen door mensen worden uitgelegd, als Gods Geest dat beveelt. Dientengevolge, zijn elke jota en titel van de Schrift en Haar uitlegging door Inspiratie en daardoor volkomen nuttig om de man Gods te ondersteuning in lering, hem te wederleggen en te verbeteren en te onderwijzen in de rechtvaardigheid, tot volmaaktheid in geloof en werken.{ABN1: 39.4}

39

Laat ons daarom een verbond sluiten met de Heer dat van nu af aan wij niet eigen uitleggingen van de Schriften zullen accepteren noch verhogen tot geopenbaarde waarheid. En om deze heilige belofte aan de Heer verstandelijk onschendbaar te houden, moeten we natuurlijk eerst

Het  Fenomeen Inspiratie. {ABN1: 40.1}

begrijpen. In Haar Schriftuurlijke zin , wordt Inspiratie verklaart als “ een heilige invloed rechtstreeks en direct uitgeoefend op het verstand of ziel van de mens”( The New Century Dictionary); met andere woorden, Het is een speciale functie van de Heilige Geest van God. Het is daarom, in Haar verschillende manifestaties, in werking gezet, niet door de werking  van het verstand zelf, maar door de kracht van de Geest. Om echter een juist begrip van dit proces te krijgen , moet men het noodzakelijkerwijs in historisch perspectief zien, werkend in het midden van het menselijke ras vanaf het begin der schepping.{ABN1: 40.2}

God schiep Adam naar Zijn eigen beeld en  hij zal de “autonome heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. “ Gen. 1 : 26.{ABN1: 40.3}

Dienovereenkomstig , zoals Hij Adam de koning van des aarde ‘s  eerste heerschappij had gemaakt, en alle levende wezens onderdanen daarvan, bewijzen Adam ’s natuurlijke vermogen om hen te besturen (leiden)  en hun natuurlijke onderwerping aan hem dat de ganse schepping,

40

mens en beest, vogel en kruipende dingen door heilige invloed of begiftiging waren–geïnspireerd. Vandaar dat toen Adam de hele dierlijke schepping overzag als het aan hem voorbij ging, bracht hij zijn tijd niet door met het bestuderen van de natuur van deze schepselen om hun te kunnen identificeren, maar gaf hij ieder soort terstond haar naam;  zij op hun beurt, herkenden hem meteen als hun koning – en onderwierpen zich aan hem. Deze superintelligentheid (zoals in Mattheus 10 :19 is weergegeven) toont duidelijk aan dat alle schepping is beïnvloed door een kracht van boven en buiten zichzelf. In het kort, zowel het verstand van Adam als dat van de dieren kwam door Inspiratie.{ABN1: 40.4}

Inspiratie , derhalve, is niet begrensd in haar manifestaties tot de mens alleen. De heilige geschiedenis openbaard dat het niet begrensd wordt door visioenen (Dan 7: 2) of dromen (Gen. 28:12), of indirecte communicatie (Ex 40: 35; 28: 30) of gesprekken direct van aangezicht tot aangezicht (Gen 18:2) met heilige wezens, of tot welke andere vorm van expressie dan ook. Het komt veelal “op verschillende manieren.” Op deze wijze… sprak “God eertijds menigmaal en op menigerlei wijze tot de vaderen,” Heb 1: 1{ABN1: 41.1}

Deze fundamentele waarheid was waarschijnlijk het best weergegeven in Noah’ s werk, specifiek in haar climax, toen superintelligentie werd gegeven om de leden te selecteren onder de dierlijke schepping, zodat van ver en nabij ze hun weg konden vinden in de ark en vrede met elkaar konden houden. (Zie Gen. 7 : 1-4){ABN1: 41.2}

41

Maar (toen) ze de vloed overleefd hadden vergaten de afstammelingen van Noah’s familie meteen de onbetaalbare les. Zo gebeurde het dat de mensen na de vloed vastbesloten waren te geloven dat er een tweede universele overstroming kon voor komen als de mensen voor de vloed dat waren om te geloven dat er nooit een eerste kon zijn. Aldus werd ongeloof in Noah’s inspiratie net zo veroordeeld na de vloed als ervoor, met als resultaat dat in de poging om het leven te verzekeren, de mens trachtte de toren van Babel te bouwen, s’ werelds eerste wolkenkrabber en het eerste monument van de dwaasheid van des mensen buitensporige arbeid om zijn verlossing zeker te stellen zonder de hulp van Heilige Inspiratie. Deze beledigende houding van de bouwers ten opzichte van de Heer Zijn belofte door Noah, wekte zo Zijn ongenoegen op dat Hij van hun geheugen de taal wiste die Hij ze door Adam had gegeven en daarvoor in de plaats in hun inspireerde al de verschillende talen van de aarde, met het resultaat dat de bouwers onder elkaar verward raakten en niet langer konden doorgaan met bouwen. ( Gen. 11: 7-9){ABN1: 42.1}

In deze onnatuurlijke gebeurtenis die zo drastisch de koers van de menselijke samenleving veranderde, zien wij een andere vorm van Inspiratie geopenbaard, dat waar één persoon of een groep van personen opzettelijk  in tegenstelling tot God wil werken, Hij Zijn gave zelf dan aan hun kan geven , om hun eigen kwade ontwerpen te frustreren  (Gen 11: 1-9) terwijl

42

 Hij Zijn eeuwige bedoelingen ten toon spreid en Zijn Naam geprezen wordt. (Ps. 76 : 10){ABN1: 42.2}

Een ander voorbeeld van deze wonderbaarlijke manifestatie is te zien in de overtreding van Biliams slechte intenties (voornemingen). De Heer beheerste Biliams tong zodanig dat hoewel zijn verstand geneigd was Israel te vervloeken, hij alleen zegeningen kon uitspreken ( Num. 22,23, 24).{ABN1: 43.1}

Laten deze “voorbeelden” onze constante waarschuwingen zijn dat een ieder die  het op zich neemt om tegen de Heer Zijn geopenbaarde wil te werken gedoemd is tot falen en schande.{ABN1: 43.2}

In de dagen na de vloed, verscheen de Heer en zei aan Abram: “Aan uw zaad zal Ik dit land geven.” Gen 12 : 7. Dan jaren daarna “stonden 3 mannen voor hem” en één van hen zei tot hem zeggende “ Sara, uwe huisvrouw, zal een zoon hebben.” Gen 18 : 2,10.  Aldus door een Heilige werking, in sommige aspecten anders dan datgene wat Adam en Noah beïnvloedde, was Abraham in staat gesteld (geïnspireerd) om te begrijpen wat de toekomst voor hem en voor zijn nageslacht in petto had.  {ABN1: 43.3}

Ook toen in de tijd dat Biliam ( die in het geval van Koning Balak die onderweg was naar Moab) zijn trouwe ezel sloeg, die vervolgens de gave van spraak ontving en tot zijn mishandelende meester zei: “Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt?” Num. 22 : 28. Het domme wezen , zoals we zien

43

was in staat gesteld (geïnspireerd) te praten door de Kracht die hem geschapen had. Derhalve, zal het zeker goed zijn , voor ieder mens om acht te slaan op wat de Heer zegt en doet, ongeacht , hoe, wanneer en waar ,of door wie Hij het spreekt of doet.{ABN1: 43.4}

Wederom, jaren voordat Israel , Egypte inging beïnvloedde God in Zijn voorzienigheid (Gen 45: 5) Jakob om een kleed van vele kleuren te maken voor zijn jongste zoon Jozef. Deze ogenschijnlijke partijdigheid, tezamen met Jozefs droom en zijn vaders uitleg daaromtrent (Gen 37: 10) ,dreef de jaloerse broers ertoe om hem als een slaaf te verkopen, om weggedragen te worden in Egypte om zo te voorkomen dat ze door hem verdrongen zouden worden van  hun invloed en positie.  Maar daar in Egypte, herrees de Heer hem in Zijn eigen tijd tot de 2e troon van het koninkrijk, toen bracht hij de jaren van overvloed , alsook de jaren van hongersnood en de middelen om het totale huishouden van Jakob te verhuizen naar Egypte.{ABN1: 44.1}

In hun verwoedde pogingen om van Jozef af te komen en zo te voorkomen dat ze door hem bestuurd werden, slaagde zijn broers er slechts in ( door de altijd aanwezige capaciteit van Voorzienigheid in beweging te brengen) hem te verhogen tot de administratieve troon van Egypte en zichzelf te verlagen in nederigheid aan zijn voeten. Hier is getekend bewijs dat hij die probeert Gods doelstellingen te verslaan, alleen slaagt in het verslaan van zijn eigen (doelstellingen) en in het propageren van die van God.{ABN1: 44.2}

44

Toen, als een vluchteling uit Egypte, Mozes de kudde van zijn schoonvader hoedde in Midian, “verscheen de Engel van de Heer aan hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, dat het braambos met vuur brandde, en het werd toch niet verteerd.”Exodus 3: 2. Door deze manifestatie, werd Mozes geïnspireerd om Israel te bevrijden van hun harde Egyptische ballingschap. En toen als de  leider van de Hebreen gedurende hun 40 jaren van het doortrekken in de woestijn, sprak hij met de Heer van aangezicht tot aangezicht . (Ex. 34 : 30-35), en vertrok hij met zijn heilig glinsterend aangezicht. Aldus zijn ervaring die afwijkend was van anderen voor hem.{ABN1: 45.1}

Farao en Nebukadnessar hadden dromen, Jozef en Daniel verklaarden ze ( Gen . 40: 8-12, 41: 25-38, Dan 2: 26, 4: 20,24). Daniel de profeet, Johannes de openbaarder en andere heilige mannen Gods hadden visioenen. Elk van hen was de speciale ontvanger van Inspiratie in (op) een karakteristieke wijze en in meerdere of mindere mate. {ABN1: 45.2}

Uit deze en vele andere voorbeelden zien we dat Inspiratie op verschillende manieren werkt om Haar wonderen te vertonen. Door mensen en door beesten, in feite is haar werk te zien in verschillende vormen door de gehele schepping . Sommigen hebben het in waarneembare stemmen gehoord, beiden door zichtbare (Ex 34: 30-35) en onzichtbare instrumenten (Ex 3: 2). Anderen zijn er getuige van geweest door blijvende indrukken,

45

dromen, visioenen, voorspellingen, bovennatuurlijke en ogenblikkelijke spraak begiftigingen.{ABN1: 45.3}

In alle ijverigheid , daarom, sla acht op iedere bovennatuurlijke manifestatie in de kerk van God, ongeacht de bron, of het nou mens of dier, klein of groot, zwart of wit, rijk of arm is. Vergelijk onbevooroordeeld haar werk met de Schriften en als het in harmonie daarmee is, als het haar fundament en voorspellingen daarin vind, de mens trouw maakt aan de wet en aan de profeten  en licht toe voegt aan de tegenwoordige waarheid, accepteer het , wat het ook moge  kosten in geld , bezit, positie, vrienden  en kennissen , want het is je eigen leven. En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. (Matt 19 : 29).{ABN1: 46.1}

Maar om oprecht te zijn en zodoende zich te redden van zichzelf en de onvergeeflijke zonde , moet men te allen tijde waakzaam zijn.  En dit kan men alleen doen door onder gebed de geest die beweerd in de naam van de Heer te komen te onderzoeken. Nalaten dit te doen, (bevind) staat men voor het grootste gevaar van het verwerpen van het pleiten van de Heilige Geest (Inspiratie) en zodoende onverschillig weggooien van het eigen leven.{ABN1: 46.2}

“Wanneer een boodschap in de naam van God tot Zijn volk komt”, zegt de Geest der Waarheid , “mag niemand zich verontschuldigen om zich te onderwerpen aan een onderzoek van haar eisen. Niemand kan het zich veroorloven zich terug te trekken in een houding van onverschilligheid

46

en zelfvertrouwen, en zeggen: ‘Ik weet wat waarheid is, ik ben tevreden met mijn toestand. Ik heb mijn grenzen bepaald en ik zal niet van mijn standpunt afwijken, wat er ook mag komen. Ik zal niet naar de boodschap van deze boodschapper luisteren; want ik weet dat het géén waarheid kan zijn.’ Het is vanwege het volgen van deze koers dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en dat is de reden waarom de boodschap van de hemel hen nog niet bereikt heeft.” Testimonies on Sabbath school work blz. 65; Counsels on Sabbath school work blz. 28. {ABN1: 46.3}

Inspiratie maakt overduidelijk dat de boodschapper van de Heer op geen enkele wijze moet durven improviseren op de openbaringen (Openbaring 22 : 18-20), hoewel hij vaak het recht heeft om het in zijn eigen woorden te benadrukken. Door hetzelfde standaard geoordeeld, moet niemand anders durven bemoeien met de geïnspireerde werken van de schrijver . Deze logische opeenvolging leidt tot de consequente conclusie dat wanneer een punt in iemands geschriften niet duidelijk is, dan zal alleen de schrijver daarvan, als hij nog leeft , zelf hierover geraadpleegd worden . Alleen dezelfde Geest van Inspiratie, de originele Schrijver van de geschriften, kan anders verduidelijken wat dan ook ermee gemoeid is. Waarlijk  “ als een boodschap komt”  zoals Inspiratie zegt , “die je niet begrijpt, doe je uiterste best om de beweringen te horen die de boodschapper mag geven, geschriften met geschriften vergelijkend, zodat je mag weten of het wel of niet gedragen wordt door het Woord van God .”– Testimonies on Sabbath school work blz. 65, 66;

47

Counsels on Sabbath school work blz. 29. {ABN1: 47.1}

In geen enkel geval is het een morele en veilige gang van zaken om je te beroepen op een  tegenstander van iemands geschriften  om welk deel dan ook daarvan te belichten. Een Democraat zal nooit eraan denken om zich te wenden tot een Republikein om de Democratische platform te belichten of omgekeerd, als ieder van hen de waarheid wenst te weten. Onthoud dat het leggen van vertrouwen van Eva in de uitleggingen van de vijand van des Heren Woord (een handeling welke haar en Adam beide leidde tot  hun overtreding en val en als gevolg daarvan verbanning uit het Paradijs)  datgene is wat de vloek van zonde en dood bracht op de totale aardse schepping. Het is aan ons nu veeleer om deze oude hinderpaal naar de afgrond te voorkomen en zodoende het tot een trap trede te maken naar het Koninkrijk.{ABN1: 48.1}

Onthoud ook dat het gebruik van beweringen vergelijken, die uit hun context zijn gehaald in principe oneerlijk is en leidt vandaag tot zovele verdraaiingen  en misvattingen  van de waarheid als de opzettelijke krachtmeting toegepast in satans uitdaging tot Christus: “ Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven  nederwaarts, want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal , en dat zij U op de handen zullen nemen opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.” Matt 4:6 {ABN1: 48.2}

Van dit punt tot zover bewezen, zien we duidelijk genoeg dat de eindproducten van Inspiratie in een van de twee categorieën uiteenvallen—

48

Ofwel Inspiratie van woorden of Inspiratie van ideeën .Om duidelijker te illustreren: een engel verschijnt en zegt aan me” De Heer zal  op die en die tijd , zo en zo doen met Zijn volk. Verkondig hun deze boodschap en laat ze het zien vanuit de Geschriften der waarheid, want de profeten hebben daarin gesproken in oude tijden.” De boodschap van de engel moet bezorgt worden met  getrouwheid aan het idee; hoewel vanzelfsprekend de woordkeus afgezien van de citaten noodzakelijkerwijs overgelaten wordt aan de boodschapper. Als gevolg daarvan, telkens  als hij de mogelijkheid ziet om de geïnspireerde ideeën duidelijker en sterker te doen uitkomen, is de boodschapper onder de diepste morele verplichting om zijn taal te bewerken. Alleen zo kan de toestroom van geïnspireerde gedachten progressief helder denkend en mooi worden.{ABN1: 48.3}

Verder nog , er zijn omstandigheden die in verband staan met bepaalde aspecten van iedere boodschap, die verduidelijking nodig hebben. Zulke verduidelijkingen, echter kunnen niet beter zijn dan het licht dat op dat tijdstip schijnt. En het licht mag uitsluitend  komen  van uit de boodschap zelf of wederom het mag ontleend worden van een beperkt begrip, gebruikelijk voor die tijd, “ waarin men zich bevind” een inzicht welke de boodschapper zelf deelt.{ABN1: 49.1}

Zoals in het geval van Johannes de Doper. Geïnspireerd om allen de komst van de Koning te verkondigen, werd John van alle kanten geconfronteerd met de vraag betreffende  het opzetten van

49

het Koninkrijk. Hij antwoordde houdend aan het gebruikelijke begrip welke hij evenals het volk had betreffende het Koninkrijk –dat wanneer de Koning arriveerde Hij ongetwijfeld Zijn Koninkrijk zou oprichten  en zodoende Zijn volk zou bevrijden van het Romeinse juk. Maar toen Christus uiteindelijk verscheen, legde Hij uit dat de tijd om het Koninkrijk op te richten en om het  Romeinse juk te verwijderen van de schouders van Zijn volk nog niet gekomen was. En de werkelijke  “ wijzen”  gaven geen acht op deze tegenstrijdige leerstellingen, maar accepteerden blijmoedig  de waarheid in haar progressieve vorm en gingen naar steeds hogere geestelijke verworvenheden, terwijl zij die struikelden over dit verschil , of Johannes verwierpen als een valse profeet en Jezus accepteerden als de Christus, of Johannes accepteerden als de ware profeet en Jezus verwierpen als de valse Christus en dientengevolge gleden zij verder en verder achterwaarts en  nederwaarts, totdat ze geen volgelingen meer waren van noch Christus of Johannes. {ABN1: 49.2}

De wegen van Inspiratie zijn constant, hetzelfde gisteren, vandaag en morgen. Vragen betreffende geopenbaarde waarheid moeten daarom vandaag op dezelfde wijze als in de dagen van Johannes beantwoord worden.  En zodoende nu en toen zullen de critici, de sceptici en zij die twijfelen vele haken hebben waarop ze hun twijfels kunnen hangen. Maar evenzo nu als toen, zullen zij die twijfelen bevangen worden in hun eigen kunstigheid. {ABN1: 50.1}

50

Verder brengt inspiratie altijd de boodschappers van God in volmaakte harmonie, nooit in verdeeldheid. Deze primaire waarheid is heel mooi geïllustreerd te zien in de ervaring van de apostel Petrus, een jood, met Cornelius de Romeinse hoofdman, een heiden. De Heer wist dat Petrus nooit een heiden zou ontvangen en dat Cornelius zichzelf nooit zou voorstellen aan een jood. Daarom werd aan beiden een visioen gegeven die hun aanwijzingen gaf wat ze moesten doen. (Zie Hand. 10). En het hemelse visioen gehoorzamend, waarvoor ze beiden eerbied hadden werden ze zonder problemen tot wederzijdse overeenstemming gedrongen.{ABN1: 51.1}

Dan is er nog de fantastische ervaring van Paulus. Terwijl hij verwikkeld was in het onheilige werk van het vervolgen van de Christenen ontmoette de Heer hem op de weg naar Damascus, bekeerde hem en gaf hem aanwijzingen om zich met Ananias te  onderhouden. Maar wetend dat Ananias die Paulus slechts als aanklager van de getrouwen kende, de laatste nooit in zijn eigen getuigenis van bekering en vriendschap zou ontvangen, gaf de Heer evenzo Ananias een visioen: hem de bekering van Paulus openbarend. En zodoende werden zij evenals Petrus en Cornelius voor hen, niet ongehoorzaam aan hun hemelse visioen ( Hand 26:19).{ABN1: 51.2}

In de dagen van Mozes stonden sommigen op bewerend dat de Heer zowel door hun als door Mozes sprak ( Num. 16 : 2.3). Hun debat, echter in plaats van orde en harmonie

51

 te brengen tussen hun en Mozes, bracht wanorde en tweedracht, met het tragische resultaat dat duizenden hun leven verloren (Num. 16: 32,35,49). Had de Heer tot deze mannen gesproken, dan zou Hij zeker dit feit bekend gemaakt hebben aan Mozes. Maar juist het uitblijven van zulk een openbaring maakte het duidelijk aan Mozes dat de Heer, Korah, Dathan en Abiram niet aan het verhogen was zoals ze beweerden dat Hij deed, maar juist dat zij als jaloerse nieuwkomers en bedriegers, zichzelf aan het verhogen waren. Had Mozes als een dienstknecht van God ingestemd met hun eisen, zou hij  zeer zeker enige vorm van vergelding zijn tegen gekomen, zoals “de man Gods” die toen overgehaald door “de oude profeet” om van de weg af te keren en brood te eten met hem , terwijl de Heer hem opgedragen had dat niet te doen, werd geslacht door een leeuw.  Een plechtige les ! Geef geen gehoor aan menselijke stemmen in tegenstelling tot God’s (stem). (Zie 1 Koningen 13){ABN1: 51.3}

Bovendien, zullen zij die de Heer begunstigd heeft altijd terugdeinzen van zichzelf op de voorgrond plaatsen. Hoewel David, bijvoorbeeld, gezalfd was door Samuel om koning over Israel te zijn, heeft hij nooit getracht de troon te bemachtigen. In feite maakte hij niet eens zijn verhevenheid bekend. En dan op gevaar des doods door Sauls eigen hand, beschermde hij hem zelf. In deze hele mooie ridderlijkheid, toonde David de liefde, nederigheid, zachtmoedigheid en rechtvaardigheid geïnspireerd door de Geest van God.  Zijn( gedrag) was het kalme vriendelijke , verdraagzame geduld,

52

 welke samengaat met de zekere kennis dat God alles onder controle heeft. Wetend dat de Heer hem gezalfd had om koning te worden, wachtte hij geduldig tot de Heer het gepast vond om hem op de troon te zetten.{ABN1: 52.1}

Van deze en vele andere voorbeelden zien we dat God niet alleen nooit een dienstknecht aanstelt om de boodschap te veranderen, te herplannen of te herroepen waar Hij de andere dienstknecht mee belast had, zonder dat Hij het eerst bekend maakt aan beide, maar ook dat Hij nooit eert met promotie  zij die zichzelf verhogen en verheerlijken, maar dat Hij verhoogt op zijn tijd die zichzelf vernederen onder Zijn machtige hand (1 Petr. 5: 6).{ABN1: 53.1}

Als een logische gevolgtrekking van de voorgaande fases van het onderwerp Inspiratie kunnen we erkennen dat allen die bekeerd en onderdanig aan de Heer worden, ontvangers zijn van Heilige verlichting. Want niemand anders dan de Heilige Geest kan iemand overtuigen van de waarheid, zijn zonden veroordelen, hem berouw geven en hem versterken om Gods wetten, Zijn inzettingen en Zijn verordeningen te gehoorzamen. De mens zelf kan deze veranderingen niet in gang zetten, net zo min als een panter zijn vlekken kan veranderen.{ABN1: 53.2}

“ Als u uw eigen zondigheid bemerkt, probeer dan niet eerst uzelf te verbeteren. Hoeveel mensen zijn er niet , die menen dat ze niet goed genoeg zijn om tot Christus te komen? Verwacht u

53

 dat u door uw eigen pogingen beter zult kunnen worden? Kan een Ethiopiër zijn huid veranderen, of een panter zijn vlekken ? Dan zou gij ook in staat zijn goed te doen, gij die gewend zijn kwaad te doen? Wij kunnen alleen hulp vinden bij God. We moeten niet wachten tot onze overtuiging sterker wordt, totdat zich een betere gelegenheid voordoet, of op een opwelling van heiligheid. We kunnen uit onszelf niets beginnen. We moeten tot Christus gaan, precies zoals we zijn.” Schreden naar Christus p.29 , 30.{ABN1: 53.3}

“ U kunt de zonden uit uw verleden  niet verzoenen. U kunt uw hart niet veranderen en uzelf heiligen. Maar God belooft om dit allemaal voor u te doen door Christus. U gelooft die belofte. U belijdt uw zonde en geeft uzelf aan God. U wilt Hem dienen. Zo zeker als u dit wilt zo zeker zal God Zijn woord aan u waarmaken. Als u de belofte gelooft- als u gelooft, dat u vergeving hebt ontvangen en gereinigd bent- zorgt God er voor dat dit ook zo is. U bent gezond, zoals de verlamde van Christus de kracht kreeg om te lopen, toen de man geloofde, dat hij genezen was.  Als u gelooft, is dit een feit.” Schreden naar Christus p. 49. {ABN1: 54.1}

Aldus is elke ware volger van Christus geïnspireerd door zijn eigen lot- een om te begrijpen en een ander om te studeren, weer een andere om te onderwijzen en dan weer een andere om te onderscheiden en allen om te handelen en offers te brengen om Zijn wil.{ABN1: 54.2}

Daarom ook is iedere ware Christen door God in staat gesteld om te lijden of om te verblijden. Derhalve wat hem ook overkomen mag of het nou lijden of zorgen , of welvaart en vreugde is, het vertrouwend kind van God zal de Heer alleen de

54

eer voor zijn deel geven en niemand anders. En onthoud : “Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen. 1 Cor. 10: 13. {ABN1: 54.3}

“Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.
De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand. De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.
De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid. Ps. 121: 4-8.{ABN1: 55.1}

Weest daarom geen klagers zoals “zij die het gewenste land versmaadden en “Zijn woord niet geloofden”; maar in hun tenten murmureerden en niet hoorden naar de stem des HEEREN. Daarom hief Hij tegen hen Zijn hand opdat Hij hen nedervellen zou in de woestijn Ps. 106: 24-26. {ABN1: 55.2}

Maar wees als de trouwe apostel: “Niet dat ik [dit] zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden,

55

beide overvloed te hebben en gebrek te lijden. Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.” Filip 4: 11-13.{ABN1: 55.3}

Maar terwijl er van de gouden schaal (Zach 4 : 2) Inspiratie vloeit welke ons in staat stelt om een ware Christen te zijn, vloeit er van de ketel van de hel die tegenovergestelde inspiratie die werkt om een persoon een valse Christen te maken. De ene redt, de andere vernietigd. Zoveel als wij vannode hebben om volkomen bewust en eerbiedig te worden aan de ene – de Goddelijke,  hebben we tegelijkertijd  de behoefte om volkomen levend te worden voor haar vervalsing—

Satans inspiratie.{ABN1: 56.1}

Tragischer wijs, is deze Satanische kracht steevast door de jaren heen ongekend succesvol geweest onder de leiders van de kerk. Onbewust zijn ze gaande weg verleidt in het volgen van Satans ontwerpen en pogingen om precies het werk neer te halen (nieuw model) waarvan zij dachten dat het aan het opbouwen was.{ABN1: 56.2}

Bij Christus zijn eerste komst waren de leiders van de kerk zo geïnspireerd met de geest van Satan, zoals de geschiedenis van de kerk openbaart, dat ze op sommige momenten als demonen handelden, als mannen die hun verstand verloren waren. Zelf ongevoelig voor de regen van Waarheid zoals het viel in die dagen, waren de priesters, schriftgeleerden en Farizeeën van nature bezield met de ijver om de mensen van de stromen van Waarheid te

56

weerhouden. Zo gebeurde het dat ze ieder mogelijk middel in het werk stelden om als het ware een paraplu op te slaan, over de hoofden van het volk, om zodoende te voorkomen dat zelf ook maar een druppel van de levenreddende stromen van de vroege regen op hen zou vallen.  Als gevolg daarvan, alhoewel druppels van de Waarheid zoals nooit tevoren overal rondom hen vielen, waren ze tevreden om in droogte te blijven onder de Waarheid-bestendige paraplu van de priesters.{ABN1: 56.3}

 Het was in deze donkere uren van de menselijke geschiedenis dat Waarheid en dwaling, licht en duisternis, vrijheid en gevangenschap, samengevoegd werden in wat waarschijnlijk het grootste conflict aller tijden was. Tot aan Pinksteren  werden slechts 120 personen van de miljoenen die toen door het hele land leefden gered van de geestelijke dood. En pas toen ze gedoopt werden met de Heilige Geest en vervult werden met kracht op Pinksteren, waren ze in staat gesteld om andere dorstigen te helpen losbreken uit de Satanische cirkel.{ABN1: 57.1}

Overwonnen in zijn pogingen om de Waarheid voor altijd te doen verkoelen, vernieuwde Satan snel zijn pogingen. De donkere Middeleeuwen komen en opnieuw wordt gezien zijn vijandigheden aanwendend tegen de Waarheid en haar aanhangers. Al zijn demonen in al hun vurigheid loslatend op de kerk , bracht hij de grote verdrukking, zoals die nog nooit geweest was vanaf de grondlegging van de wereld tot deze tijd, neen, nog ooit zal zijn. En waren de dagen niet verkort er zou geen vlees gered zijn , maar omwille van de gekozenen werden de

57

dagen ingekort (Matt. 24 : 21,22) door de Reformatie. Als gevolg daarvan zal alleen Goddelijk ingrijpen hem ervan weerhouden de stem van de Reformatie tot zwijgen te brengen en haar kracht te verspreiden. Zo was het altijd, zo is het vandaag en zo zal het tot het bittere eind zijn.{ABN1: 57.2}

Als resultaat daarop, ondanks al het licht dat er nu schijnt, kruipen massa’s samen op een kluitje onder Satans overkoepeling, tegelijkertijd helpend om massa’s met zich mee te trekken en anderen af te houden . Desondanks

Staat Gods belofte vast.{ABN1: 58.1}

Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds. Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.”

Deut. 32: 1,2.{ABN1: 58.2}

“En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste [maand]. En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen…En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die

58

dagen Mijn Geest uitgieten.”Joel 2 : 23,24,28,29. {ABN1: 58.3}

Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.  En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woningen der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.” Jes. 35: 6,7. {ABN1: 59.1}

Ondanks Satans streven om de gehele aarde met zijn Waarheid bestendige instrumenten te overkoepelen zal “ het in laatste der dagen geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien. En vele heidenen zullen henen gaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons leere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.{ABN1: 59.1}

“En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het [ene] volk zal tegen het [andere] volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren. Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des

59

HEEREN der heirscharen heeft [het] gesproken. Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.” Mic. 4 : 1-5. {ABN1: 59.3}

IS SATAN EEN GROOTHANDEL OF EEN KLEINHANDEL IN MISLEIDING?

Vraag Nr. 4:

Werpt Satan een speciaal struikelblok op voor de kerk als lichaam, of valt hij juist Zijn leden individueel aan ? {ABN1: 60.1}

Antwoord :

Sinds de tragische dag in Eden toen hij zonde introduceerde in de wereld en de val van de mens veroorzaakte, heeft Satan op de weg van iedere verlossende Beweging een verschillend struikelblok geworpen , waardoor menigten zijn gestruikeld en gevallen. We kunnen er daarom van verzekerd zijn , dat er van hem verwacht mag worden dat hij  vandaag een andere kenmerkend gevaar geplant heeft op onze weg. Hoewel we in deze eeuw het overweldigende voordeel hebben van het kennen van de respectievelijke valstrikken die bewezen waren fataal te zijn voor massa’s in vorige bewegingen, zullen we te lijden hebben onder naar proporties grotere veroordelingen en straffen, als we falen de onze te herkennen. En verder nog als we falen zullen we daarbij aan het universum getuigen dat wij de zwaksten onder de zwakken zijn. We moeten staan – staan tegenover de meest ingenieuze speciale valstrik ooit geplaatst door het

60

Kwaad. Maar hoe zullen we dat doen als we niet weten wat het is of waar het is ? {ABN1: 60.2}

Om het gevaar te vinden waar het echt op de loer ligt, laten we kort even terugblikken naar voorgaande valstrikken, in perioden waar ze voorkwamen, beginnend met  de eerst vastgelegde kerkbeweging: {ABN1: 61.1}

De Beweging in de tijd van Noach was bepaald  om een ark te bouwen, tegelijkertijd als waarschuwing van de op handen zijnde zondvloed en als schuilplaats daarvan. De speciale struikelblok die Satan in die tijd op de weg van massa’s heeft geworpen, heeft hij ontworpen uit het feit dat nog nooit in de gehele menselijke natuur men iets had gezien, dat in de verste verte het bewijs verleende tot de mogelijkheid  dat  er ooit zo een fenomeen als regen kon worden verwezenlijkt. Dientengevolge, uitgaande van hun begrensde kennis van de natuur en haar latente kracht, bespotten en minachten zij Noach’s wetenschap en zijn onheilswaarschuwingen  en gingen voort met hun eten en drinken, trouwen en ten huwelijk geven, totdat de dag kwam dat Noach de ark binnenging, het niet en bekenden, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam. Matt 24 : 38, 39. {ABN1: 61.2}

Hun zelfverheffende menselijke wetenschap en het veronachtzamen van heilige wetenschap, was daarom de speciale struikelblok welke de antediluvianen wegnam. Hun lot waarschuwt ons plechtig om nauwgezet deze fouten te vermijden.{ABN1: 61.3}

In de Abrahamse Beweging , was de vader van de getrouwen geroepen om te vertrekken vanuit de steden van de oude wereld, in de hoop

61

dat op zekere dag, deze beweging als overwinnaar het beloofde land zou bezetten. Volledig bewust van dit feit werkte Satan uit alle macht om deze Beweging op een Zijspoor te brengen in de steden van de volkeren langs de weg. Lot viel over dit struikelblok met het resultaat dat de Heer hem uiteindelijk vanuit de vernietiging van Sodom moest wegtrekken als brandhout uit het vuur geplukt, hij kwam eruit als de armste der armen.{ABN1: 61.4}

Aldus waren de wereldse steden het drijfzand van de eerste mensen na de vloed. Mogen wij evenals Lot niet alles daarin kwijtraken .{ABN1: 62.1}

De Beweging van Mozes werd uit het land Egypte geleid om het beloofde land te bezetten en om daar een koninkrijk te worden. Op sluwe wijze zijn verleidingen aanpassend aan hun neiging tot klagen, inspireerde Satan zij die meerderjarig waren, toen ze het land van Farao verlieten tot constant gemopper, geklaag, positie zoeken en rebelleren en tenslotte tot het vrezen van de reusachtige inwoners van het beloofde land. Falend om in te zien dat hun kracht de sterke hand des Heren was, waren ze als gevolg daarvan gedwongen om veertig lange jaren  in de woestijn te dwalen en daar de verschrompelde beenderen achter te laten van allen behalve twee van hun leden die minderjarig waren toen ze Egypte verlieten.{ABN1: 62.2}

 Ongeloof, halsstarrigheid, wantrouwen tot het Heilige leidersschap en positie zoeken, waren daarom het vierhoofdige monster dat het Exodus volk verslond. En

62

 dit zal iedere Tegenwoordige waarheid gelovige die afdwaalt in haar hol verslinden.{ABN1: 62.3}

De Kanaanitische Beweging onder Jozua was ontdaan van alle zondaren en werd aangesteld om het land te bezitten, de heidenen te verdrijven en een eeuwigdurend koninkrijk op te richten. Wetend dat haar voortzetting afhankelijk was van hun gehoorzaamheid aan de aanwijzingen van de Heer door de profeten, drong Satan bij het volk erop aan om Gods boodschappers te bespotten,  Zijn Woord te verachten, en Zijn profeten te misbruiken,” totdat de grimmigheid des Heren tegen Zijn volk opging, dat er geen helen meer was” (2 Kron. 36:16), en Hij ze in gevangenschap terug gaf.{ABN1: 63.1}

Vandaar dat de profeten voor de onderdanen van het koninkrijk een grote steen des aanstoots waren—Een steen waaraan geen tijdperk voor of sindsdien gevrijwaard was van struikelen. De verstandigen heden ten dage zullen daarom “de profetieën niet verachten.” 1 Thess. 5 : 20.{ABN1: 63.2}

De Apostolische Beweging was voortgebracht om de verplaatsing te verkondigen van de aardse heiligdomsdienst naar de hemelse “tabernakel welke de Heere heeft opgericht en geen mens.” ( Heb. 8: 2) en om te dopen “in de naam van de Vader de Zoon en van de Heilige Geest”  (Matt 28 : 19) allen die hun zonden zullen belijden. Maar om haar doel te frustreren heeft Satan een andere rage gelanceerd, en met het vertrek van de apostelen is hij er snel in geslaagd de kerk volkomen het zicht te doen  verliezen van beiden,

63

de waarheid betreffende de priesterschap van Christus en de waarheid van de doop en om in de plaats daarvan een andere priesterkunst en kinderdoop tot stand te brengen.{ABN1: 63.3}

Zodoende geleid door ongeloof en veronachtzaming van de “heiligdomsdienst en de doop,” hun ware zaligheid, is de Christelijke kerk gevallen door Satans valluik tot dwaling. En die deur is nog steeds gereed de voeten van de onoplettenden— allen die de steeds vooruitgaande waarheid die zich ontvouwd in de speciale verzegelende boodschap van vandaag veronachtzamen of te licht achten.{ABN1: 64.1}

De Protestantse Beweging werd opgericht om het hoog belang van de Bijbel te verkondigen en tot ontwikkeling te brengen, omdat de pre-reformatorische wereld in duisternis was gebonden, door religieuze regels van ongeïnspireerde mannen de gewone man het recht ontzeggend om een Bijbel te bezitten en hen afhankelijk makend van zijn eigen uitleggingen daarvan. Zodoende kwamen de opeenvolgende Protestantse kerken om de vertrapte waarheid te herstellen, ieder van hen protesterend tegen deze mishandelingen en onrechtmatig in het bezit nemen van menselijke rechten, elk uitgeroepen om de Christelijke wereld de noodzaak van ware Inspiratie en van vrijheid van Godsdienst te doen realiseren, het recht om een Bijbel te bezitten en voor zichzelf te bestuderen en de taak om de Bijbel en de Bijbel alleen de heerser van hun geloof te maken.{ABN1: 64.2}

Vastbesloten echter om de Reformatie te niet te doen, heeft Satan vanaf haar begin constant gewerkt om ieder kerklid

64

 te laten overstappen op eigen interpretaties van de Geschriften en in extra Bijbelse theorieën. Tengevolge daarvan bevind het hedendaagse Protestantisme zich niet alleen op de weg van het volgen van ongeïnspireerde Bijbel uitleggingen van een man maar op de weg van ongeïnspireerde uitleggingen van duizenden mannen. En het resultaat is dat de Christelijke wereld vervult is van afscheidingen en dwalingen ongeëvenaard in de geschiedenis—het bewijs dat het grote werk van de grondleggende vaders van de Protestantse Reformatie is vervuilt en verandert is geworden in een ondermijnende kracht ter frustratie van Gods speciale ontwerp voor de kerk van vandaag.{ABN1: 64.3}

Aldus zien wij dat de Reformatie, welke oorspronkelijk onder de leiding van geïnspireerde mensen was, de kerk vanuit een moeras verheft, later onder de leiding van ongeïnspireerde mensen  haar doet duiken in een andere, waarin ze sindsdien aan het spartelen is. En tenzij wij ons door de Waarheid vanuit deze fatale moeras van dwaling laten uitlichten, kunnen wij de Vijand van Inspiratie nooit verslaan in zijn onvermoeibare en krachtige pogingen om de toepassingen van onze zaligheid te verderven tot wapenen voor onze vernietiging. {ABN1: 65.1}

De Zevende dag Adventisten beweging werd aangesteld om het Heiligdomswerk te verkondigen: “Vrees God en geeft Hem eer want de ure van Zijn oordeel ( de oogst ) is gekomen” ( Openbaring 14: 7) om uit het Boek des levens van het Lam de namen te verwijderen van hen die hun vaten niet gevuld hebben met  extra

65

olie (Matt 25 : 3),  en zij die het bruiloftskleed niet hebben aangedaan ( Matt 22: 11), evenals zij die hun talenten niet verdubbeld hebben ( Matt 25 : 14-30) ; en ook om het onkruid tussen het tarwe te verwijderen ( Matt 13: 30). {ABN1: 65.2}

De verwittiging betreffende de dood was om de levenden voor te bereiden op hun op handen zijnde oordeel. Om deze reden heeft Satan elk van zijn mechanismen tewerk gesteld om Adventisten te wiegen in het slechts zijn van hoorders en predikers maar geen bedrijvers van het Woord; gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet.  Kort gezegd, hij heeft hen ertoe geleid dat ze ellendig, jammerlijk en arm en blind en naakt zijn door  enerzijds zelf te falen om trouw te zijn in het doen  wat ze anderen leren om te doen, en anderzijds zelf te falen in zichzelf te vrijwaren van dingen te doen die ze anderen leren niet te doen. En om te voorkomen dat ze ontwaken uit deze “verschrikkelijke misleiding” ( Test. Vol 3 blz. 254), houdt hij hun lauw, vergenoegd, dromend van rijk te zijn in waarheid en aan niets behoefte hebbend, terwijl ze in feite in ellende verkeren en alles nodig hebben.{ABN1: 66.1}

Overduidelijk is dan dat lauwheid en de verbeelding van rijk te zijn de typerende fouten van de Laodicensen is en de gevaren zijn welke als ze niet erkend en verwijdert worden uiteindelijk zullen resulteren in het door God uitspugen van hen uit Zijn mond (Openbaring 3 : 16). Daarom pleit

66

de Heer opnieuw vol medelijden met Tegenwoordige Waarheid gelovigen om in het licht te wandelen  en lauwheid te vermijden voordat ze terugvallen in het zichzelf rijk en verrijkt wanen en in niets tekort hebbend en opnieuw arm worden en aan alles behoefte hebbend. Alzo zien we dat terwijl Satan niet in staat is geweest ieder individueel lid om ver te gooien, hij wel in staat is geweest iedere beweging tot nu toe omver te werpen.{ABN1: 66.2}

De Elfde uur Beweging, zijnde de allerlaatste is derhalve van alle bewegingen in het grootste gevaar. Hoe dringend dan, dat wij onze ogen open houden voordat ook wij vallen. Deze beweging hoewel, het de laatste evangelie  poging is moet macht en sterkte geven aan de Drie Engelen Boodschap en “de aarde verlichten met haar heerlijkheid” ( Openb. 18 : 1); het moet triomferen, ondanks dat alle bewegingen voor haar gefaald hebben . Het is voorbestemd om “niet opnieuw te profeteren” aan “vele volkeren”( Openb. 10 : 11), maar aan “alle” (volkeren).  En aangezien het moet gaan naar allen die Zijn gerucht niet gehoord hebben, en tot het Huis des Heere te brengen alle heiligen uit alle natiën (Jes 66 : 19,20), is het derhalve voorbestemd te blijven bestaan. Om dit voorbestemd doel te verwezenlijken, neemt God de teugels in Zijn eigen handen (Test. to ministers blz. 300), om de kerk te reinigen door het onkruid eruit te verwijderen en het om voortaan vrij daarvan te behouden, zodat het op de Berg Zion mag staan met het Lam (Openb. 14 : 1). {ABN1: 67.1}

67

Inderdaad de Elfde uur Beweging moet in deze zelfde kwestie triomferen, zijnde de laatste, degene de oogst moet binnenhalen, zou het falen dan zou iedereen in de wereld voor eeuwig verloren blijven. Daarom zijn de redenen dat de Heer het doel heeft het te laten bestaan dubbel. De Davidianen zijn geroepen tot “het Koninkrijk in de tijd als deze.”{ABN1: 67.2}

“Want verklaart het Woord” met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE pleiten met alle vlees: en de verslagenen des HEEREN zullen veel zijn……
en uit hen, die ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de natiën…. en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En zij zullen al uw broeders uit alle heidenen den HEERE [ten] spijsoffer brengen uit alle natiën  (Jes. 66 : 16-20).{ABN1: 68.1}

“En zij (de Heidenen) zullen hen noemen Het heilige volk, De verlosten des HEEREN.” Jes. 62: 12. {ABN1: 68.2}

“Maar wie zal den dag …. Verdragen? ….  wie zal bestaan, als Hij verschijnt? want Hij is als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers.” Mal 3 : 2. {ABN1: 68.3}

Nog meer reden dan dat haar  aanhangers getest en waardig bevonden moeten worden.  Wat is daarom het eerste en ernstigste gevaar waar de Tegenwoordige Waarheid gelovigen heden ten dage mee geconfronteerd worden? {ABN1: 68.4}

Met het oog op het einde van de lange reis in het zicht, was het werk nooit zo groot, de tijd

68

om het in te doen nooit zo kort en de werkers nooit zo weinig als nu. Vanzelfsprekend daarom is het feit dat Satans allerhoogste pogingen in dit uur moet zijn om ervoor te zorgen dat de tijd verspild wordt en het werk ongedaan blijft.{ABN1: 68.5}

Verrijst dan O Tegenwoordige Waarheid gelover !  Sta haastig op tot de taak u gegeven en “wat ook uw hand vind om te doen , doe het met uw macht.” Pred. 9 : 10 Laat geen moment meer verloren gaan, want ieder kostbaar (ogenblik) is  beslissend  voor de zaligheid  van uw eigen ziel en voor de ziel van anderen.{ABN1: 69.1}

WAT ZEGT DE GEEST TEGEN LAODICEA?

Vraag Nr. 5:

Vertoond Laodicea in haar lauwheid niet op een volmaakte wijze de gevaarlijke conditie waar de apostel Paulus voor waarschuwt wanneer hij zegt: “Zo dan die meent te staan, zie toe dat hij niet valle” ?{ABN1: 69.2}

Antwoord :

Heilige geschiedenis is herhalend, met de tragische les dat wanneer een volk verkeerd gaat zoals Israel deed in de tijd van Elia en opnieuw in Christus’  zijn tijd, ze niet meer gevoelig zijn voor hun verkeerd zijn. Gelijkerwijs herhalend is de tragischere les dat zo’n volk altijd Gods pogingen om hen tot bewust worden van hun fouten te brengen  verkeerd geïnterpreteerd hebben. Vandaar dat als ze eenmaal van de leerstellingen van de profeten zijn

69

 afgedwaald en gevangen zijn door nieuwe en fascinerende menselijke leiderschap, hun bevrijding en correctie vrijwel onmogelijk wordt. (Zie Prophets and Kings blz. 121-126). {ABN1: 69.3}

De fatale zwakheid, die op verschillende wijze iedere Beweging gekarakteriseerd heeft ,vanaf dat van Israel tot dat van Laodicea is “ het leggen van het fundament van de bekering van dode werken.” Hebr. 6: 1.

En wat nog fundamenteler is en nog dringender ter zake doet, is dat iedere beweging gelijk als de andere faalde om vooruit te gaan van de ene boodschap naar de volgende, en om voort te gaan om haar einddoel van boven zintuiglijke  verworvenheden in heilige kennis te bereiken. In plaats daarvan viel elk van hen van de hoogte van haar eigen vroege rijke ervaring terug omlaag, naar geestelijke armoede omdat het faalde om gelijke tred te houden met de Waarheid. Elke heilig geroepen Beweging kwam tot stilstand waar het zelfingenomen zichzelf tevreden stelde, dat het zich reeds bevond op de zaligmakende treden naar de Berg der Volmaaktheid, dat het aan het “bloeien was en dat vrede en geestelijke voorspoed” al “binnen haar grenzen” waren, (Test. Vol 5 blz. 217) terwijl in realiteit precies het tegenovergestelde de waarheid was. Zo volgt Laodicea denkend dat ze het aan het rechte eind heeft terwijl ze helemaal verkeerd is.{ABN1: 70.1}

Nooit in de geweldadige geschiedenis van deze in zonde gedompelde wereld is de kerk in zo’n groot gevaar geweest en is de kerk geconfronteerd met zo’n grote noodzakelijkheid,  “wat zegt God met betrekking tot zijn volk in dit allesomvattende gevaar? — ‘Maar [nu] is het een beroofd en geplunderd volk; zij

70

zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangen huizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; [tot] een plundering, en niemand zegt: Geeft [ze] weder.’ ( Zie ook Jesaja 43.)

Dit zijn profetieën die vervult zullen worden . Test. to Min. blz. 96.{ABN1: 70.2}

“Welk een grotere misleiding kan het menselijk verstand overkomen dan een vertrouwen , dat ze allemaal gelijk hebben , terwijl ze allemaal fout zijn!”–

Test. Vol 3 blz. 252, 253.{ABN1: 71.1}

Wederom, staat het geschreven in Spreuken 29 : 18  (marge) “Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot.”{ABN1: 71.2}

Hier in een meer uitgebreidere contrast is de afbeelding van een volk dat inderdaad  haar “visie” kwijt is  geraakt ( de bovennatuurlijke begeleiding verschaft  door de levende stem van de profetische gave  wonend  tussen hen), maar dat het zich niet realiseert. Nog verbazingwekkender is dat ze klaarblijkelijk hun eigen uitvindingen  (afgoden) geïntroduceerd hebben ter vervanging van de dingen van God. Dit hebben ze zo geleidelijk gedaan dat ze er totaal niet van op de hoogte zijn dat er velen net zoals zij die zich niet beholpen hebben  met de Geest der Profetie hun werkelijke “gezichtsvermogen.” En waar anderen deze jaargangen van openbaring overal rondom hen hebben liggen, hebben zij of ongelezen gelaten of  genegeerd en daarom “niet gewaardeerd.” Test. Vol 5 blz. 217. Dus is het op deze wijze meer dan ieder andere dat ze blind zijn geworden , niet langer zelf verdere geopenbaarde waarheden verwachtend

71

om kracht en macht aan hun boodschap te geven.  (Early Writings blz. 277) Toch vleien ze zichzelf dat ze binnen de cirkel van Gods genegenheid zijn.{ABN1: 71.3}

“De boodschap van de Waarachtige Getuige vind het volk van God in een bedroevende misleiding, maar toch ernstig in deze misleiding. Ze weten niet dat hun toestand betreurenswaardig is in de ogen van God. Terwijl zij die aangesproken worden zichzelf vleien dat ze in een verhoogde geestelijke toestand zijn, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid door de ontstellende veroordeling van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede en ellendigheid. Het getuigenis zo scherp en onverbiddelijk, kan geen vergissing zijn want het is de Waarachtige Getuige die spreekt en zijn getuigenis is correct.” Test.  Vol 3, blz. 253.{ABN1: 72.1}

Als de gedachten gang van de Laodicensen niet in uiterste nood was van een volkomen geestelijke revisie en heroriëntatie zouden zij niet “denken dat ze het allemaal aan het rechte eind hebben, terwijl ze allemaal fout zijn”, dat ze “rijk” zijn terwijl in realiteit ze hopeloos “arm” zijn— verstoken van waarheid en rechtvaardigheid!{ABN1: 72.2}

Derhalve zal niets dan een boodschap met “genezing in haar vleugels” het Laodiceaans verstand genezen van haar geestelijke ziekte. In dit uur van de kerkelijke crisis “zullen zij die schuchter waren en zelfwantrouwend zichzelf openlijk uitspreken (stelling nemen) voor Christus en

72

zijn Waarheid. De zwakste en aarzelende in de kerk zal als David— zijn gewillig om te doen en te durven.” –Test. Vol 5 blz. 81 Waarom ?—  Omdat ze de belofte hebben dat “er een fontein geopend wordt voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem voor zonde en voor onreinheid.{ABN1: 72.3}

“En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en den onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen.” Zach. 13: 1, 2.{ABN1: 73.1}

“Want te dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden,… welke u uw handen [tot] zonde gemaakt hadden. Bekeert u tot [Hem], van Denwelken de kinderen Israels diep afgeweken zijn. Jes.31: 7,6. {ABN1: 73.2}

Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als God; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.” Zech. 12: 8. {ABN1: 73.3}

De Stem van de Geest door Jesaja is nu ook luid aan het roepen: “Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. Hoe liefelijk zijn op de bergen

73

de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.” Jes. 52 1,7. {ABN1: 73.4}

Dezelfde Stem pleit ook door Nahum:” Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials-[man] zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.” Nahum 1: 15. {ABN1: 74.1}

Maar in haar gehele geschiedenis heeft de kerk als geheel nooit een boodschap van de hemel aanvaard. De roep komt daarom tot ieder individueel lid. Ieder moet voor zichzelf beslissen. Niemand moet zichzelf toestaan om beïnvloed te worden door een ander. En “niemand” heeft het recht om het licht voor de ander af te schermen. Als een boodschap in de naam des Heren komt tot zijn volk , mag niemand zichzelf verontschuldigen van haar beweringen te onderzoeken … Het was door het vervolgen van deze koers, dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden gelaten en dat is waarom de hemelse boodschappen hen niet bereikt hebben.”Test. On Sabbath School work blz.65 , Counsels on Sabbath School work blz. 28. {ABN1: 74.2}

“Maar we zien dat de God des hemels soms mensen aanstelt om datgene te onderwijzen dat tegenstrijdig geacht wordt tot de gevestigde leerstellingen. Omdat zij

74

die eens de bewaarders van waarheid waren , ontrouw worden aan hun heilige opdracht, koos de Heer anderen die de heldere stralen van de Zon der Gerechtigheid wilden ontvangen en waarheden wilden verdedigen die niet in overeenstemming waren met de ideeën van de religieuze leiders. En zodoende geven deze leiders in de blindheid van hun verstand volledige invloed aan wat volgens hun gerechtvaardigde verontwaardiging zou zijn tegen diegene die geliefkoosde verzinsels aan een kant geschoven hebben. Ze gedragen zich als mannen die hun verstand verloren hebben. Ze overwegen de mogelijkheid  niet, dat zij zelf het Woord niet correct begrepen hebben. Ze willen hun ogen niet openen om het feit te onderscheiden dat ze de Schriften verkeerd geïnterpreteerd en toegepast hebben, en valse theorieën opgebouwd hebben, ze fundamentele leerstellingen van het geloof noemend.” Test. To Ministers blz. 69, 70. {ABN1: 74.3}

Aangezien de Laodicenzen reeds in de grootste misleiding verkeren, betekend het voor ieder van hen aftreden om een eiser tot waarheid te onderzoeken uit angst om bedrogen te worden door dit te doen de beredeneringen bespottelijk maken. Om te onderzoeken en te studeren is een ieders eigen zaligheid— zijn enige hoop om uit zijn huidige “trieste,” “ellendige,” “beangstigende” misleiding te komen (Test. Vol 3 pp. 253, 254, 260), en zijn enige hoop van bescherming van het duiken in een afgrond. Dus daarom moet hij als nooit tevoren studeren! En door dit te doen zal hij vinden dat dit het ware begin is van de boodschap

75

die hij moet hebben om de schellen van zijn ogen schoon te vegen en het onzichtbare te doorbreken, maar niettemin echte ketenen van willoosheid en zelfverhoging waarin de vijand hem gebonden houdt. {ABN1: 75.1}

MAAKT WAARHEID SCHEIDING?

Vraag Nr.6:

Waarom geeft u niet stoutmoedig toe dat welke boodschap dan ook die van God komt geen scheuring en scheiding  zou moeten veroorzaken onder  Zijn volk? Is niet het feit dat “de Herderstaf” beiden veroorzaakt genoeg bewijs dat het niet de boodschap van het uur kan bevatten ? {ABN1: 76.1}

Antwoord:

Het is zeker waar dat iedere nieuwe openbaring van waarheid van Gods Woord nooit scheuring en scheiding zou mogen veroorzaken.  Maar wat een bedroevende waarheid dat het tegenovergestelde altijd een feit is geweest.{ABN1: 76.2}

Om zichzelf tevreden te stellen, moet de vragensteller zichzelf alleen maar afvragen: Hoeveel keren heeft God boodschappen naar Zijn kerk gestuurd die niet beiden, zowel ruzie en scheiding hebben gebracht onder Zijn volk? Als de conclusie zijn stelling ondersteund, dan moeten we als Christenen vanzelfsprekend onze standpunt veranderen en toegeven dat de Roede niet een boodschap van God bevat. Als , daarentegen de kerkgeschiedenis zijn logica in diskrediet brengt, dan zullen we natuurlijk van hem verwachten, als een oprechte Christen en een zoeker naar waarheid, toe te geven dat zijn redeneringen de Roede niet hebben tegengesproken.{ABN1: 76.3}

76

Zoals al de van de hemel gestuurde boodschappen die eraan vooraf gingen, is de boodschap van de Roede, volgens Ezechiel profetie in hoofdstuk 9 en Testimonies to Ministers blz 445, “geplaatst voor de val en opnieuw verrijzen van velen in Israel “( Lukas 2 : 34); het is precies uitgerekend om een zifting teweeg te brengen, een scheiding van het onkruid van tussen het tarwe onder de leden van de kerk! (Zie ook Early Writings , blz. 270).{ABN1: 77.1}

 Het feit dat de boodschap van de Roede scheiding brengt, is nog een bewijs temeer in het bewijsstuk dat in deze fundamenteel resultaat  het tenminste correct is met alle andere boodschappen van God. Dit voegt daardoor een andere schakel aan de gouden keten van Waarheid die niet kan worden besmet of verbroken.”Het gewicht der bewijs” is de enige oprechte en uiteindelijke criteria waardig voor een Christen die altijd een onderzoek voor zichzelf moet doen betreffende beduidende waarheid.{ABN1: 77.2}

CHRISTUS OF ZIJN DIENSTKNECHT ?

Vraag Nr. 7 :

Hoe laat je met elkaar overeenstemmen “Gospel Workers” blz. 44, alinea 2 met “De Herderstaf” Vol 2 p. 240 alinea 2 als volgt vergelijkend gepresenteerd:{ABN1: 77.3}

“De boodschapper is niet de Heer Zelf….. hij is diegene die de weg zal voorbereiden voor de Heer “—De Herderstaf, vol 2, blz. 240. {ABN1: 77.4}

“Christus , de Boodschapper des verbond bracht de tijding der zaligheid”—Gospel workers, blz. 44. {ABN1: 77.5}

77

Antwoord:

Terwijl op bladzijde 44 Gospel Workers de titel “Boodschapper des verbonds “ toepast op Christus, past het het toe op Mozes op pagina 20.{ABN1: 78.1}

Het contrast is hier als volgt te zien:

‘Toen Mozes was gekozen als de boodschapper van het verbond, was het woord dat hem gegeven was; Wees gij voor het volk bij God.’–

Gospel workers p. 20{ABN1: 78.2}

“Christus de Boodschapper des verbonds, bracht de tijding der zaligheid.”–Gospel workers p. 44

Waar Gospel Workers de term op beiden, Mozes en Christus toepast, past Christus zelf het toe op Johannes de Doper. Hij zei “tot de menigten met betrekking tot Johannes…. Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.
Want deze is het, van dewelken geschreven staat,  Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen. En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.” Matt. 11 : 7, 9, 10,14.{ABN1: 78.3}

Aangezien God beiden, zowel gesproken als geschreven verbonden met Zijn vroeger volk had gemaakt, dat Hij ze Mozes, Johannes en Christus zou sturen, kwamen ze ter vervulling van deze verbonden. En ieder van hen heeft een boodschap gebracht, elk in zijn eigen tijd was de boodschapper des verbonds. Niettemin maken de woorden van Maleachi overduidelijk dat de Boodschapper des Verbonds  in de strikte zin, Eliah de profeet is,

(Mal. 3 : 1-5; 4: 5) de laatste boodschapper die de weg

78

voorbereid voor de Heer. (Zie Test. to Ministers, blz.475). {ABN1: 78.4}

In de laatste analyse echter, behoord de titel Boodschapper des Verbonds aan de Heilige Geest. Bij voorbeeld, 1 Petrus 3 : 18-20 bericht dat Christus predikte tot de antediluvianen door dezelfde “Geest” die Hem ”verkwikte.” Maar zoals Hij predikte door zijn Geest in de persoon van Noah, niet uit Zichzelf, ontvouwde Hij daarbij de waarheid dat de Heilige Geest in als Zijn booschapppers gelijk is.{ABN1: 79.1}

Alzo hebben “de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, gesproken.”2 Petrus 1 : 21  Kort samengevat betekend de term Boodschapper des verbonds de Heilige Geest (de onzichtbare Christus) in ‘s Hemels zichtbare vertegenwoordiger- of het nou Mozes, Johannes, Christus , Eliah of een andere is.{ABN1: 79.2}

IS ER NOODZAAK VOOR “EXTRA OLIE”?

Vraag Nr. 8:

Mij werd verteld dat ergens in haar geschriften, Zuster White heeft gezegd: “We hebben alle licht dat we nodig zullen hebben tot Jezus komt.”  Kunt u de aanhaling geven ? {ABN1: 79.3}

Antwoord:

We zijn niet bekend met zo een citaat. Verder zou zo een verkondiging totaal in tegenstelling zijn tot alles wat Zuster White heeft geschreven over dit onderwerp , zoals gauw is gezien van slechts twee van haar getuigenissen op dit punt:{ABN1: 79.4}

79

“De vraag is mij gesteld, ‘Denkt u dat de Heer nog meer licht heeft voor ons als zijn volk?’ Ik antwoord dat Hij licht heeft dat nieuw voor ons is, en toch is het kostbaar oud licht dat zal voort schijnen vanuit het Woord der Waarheid. We hebben slechts de schitteringen van de stralen van het licht dat zo straks tot ons zal komen. We halen niet het allerbeste uit het licht dat de Heer ons reeds heeft gegeven en daarom falen we om het toegevoegde licht te ontvangen; we wandelen niet in het licht dat reeds op ons geschenen is ”—The review en Herald, June 3, 1890.{ABN1: 80.1}

“We dienen allen te weten, wat onder ons geleerd wordt, want als het waarheid is, dan hebben we het nodig….. Ongeacht door wie licht wordt gezonden, we horen onze harten te open om het te ontvangen, in de lijdzaamheid van Christus… Oh dat we mogen handelen als mensen die licht willen! ‘De Heer stuurt licht tot ons om aan te tonen van wat voor geest wij zijn. We moeten onszelf niet misleiden.  We moeten geen moment denken dat er geen licht meer te komen is, geen waarheid meer, om aan ons gegeven te worden. Gospel workers pp. 301, 302, 310.{ABN1: 80.2}

Vanzelfsprekend, daarom, kan er zelf niet iets van een suggestie in Zuster White haar geschriften staan dat we alle Waarheid reeds hebben en niets meer nodig hebben. Maar er zijn in de Bijbel tenminste twee voorstellingen van een volk dat ten onrechte denkt dat ze niets meer nodig hebben: (1)de vijf dwaze maagden , die denken dat de olie in hun

80

lampen genoeg is om hun helder licht te geven tot het Koninkrijk, maar zich vergissend, falen om hun doel te bereiken (zie Matt 25 : 1-13); (2) de Laodicensen, die denken dat ze niets nodig hebben, hoewel de Heer zegt dat ze alles nodig hebben en die zichzelf dus verdoemen om uitgespuugd te worden uit Zijn mond. (Zie Openbaring 3 : 14-18).  {ABN1: 80.3}

Elkeen die voortgaat met de bewering dat Zuster White heeft gezegd “We hebben alle licht dat we nodig hebben tot Jezus komt, is tenzij hij plotseling het denkbeeld opgeeft, zichzelf aan het verdoemen tot het lot van enerzijds de dwaze maagden of een onbelijdende Laodiceaan.{ABN1: 81.1}

DE LATE REGEN—WANNEER?

Vraag Nr. 9:

“Early Writings”, blz. 15 spreekt over dat God de dag en het uur van Jezus komst zal aankondigen en de Heilige Geest zal uitstorten over de heiligen. Vind dit alles niet plaats rond de tijd van de zeven laatste plagen, vlak voor de tweede Advent?  Als dat zo is , toont het dan niet aan dat de “late regen” uitgestort zal worden over Gods volk na de sluiting van de genadetijd? {ABN1: 81.2}

Antwoord:

Het is waar, we begrijpen van betreffende passage, dat tegen de tijd van het sluiten van de zevende plaag, God de dag en het uur zal verkondigen van de komst van Christus en dat Hij dan Zijn Geest op Zijn heiligen zal uitstorten. We hebben echter niet het volledige begrip dat deze uitstorting  beide de “late”

81

 of de “vroege regen” van waarheid is of zelf de kracht waarvan geprofeteerd wordt in Joel 2: 23, 28, maar meer de eind manifestatie van God geest, om geen Evangelie Waarheid meer aan ons te openbaren, noch om ons in staat te stellen om het meer ten volle te verkondigen, maar eenvoudigweg om ons te dopen  met een geschiktheid om Jezus van aangezicht tot aangezicht te zien, “zoals Hij is.”{ABN1: 81.3}

IS DE LUIDE ROEP REEDS BEGONNEN ?

Vraag Nr. 10:

Zuster White schreef in 1892 dat de luide roep van de drie engelen boodschap reeds begonnen was; kunt u alstublieft uitleggen waarom anderen beweren dat het nog in de toekomst ligt. En wat maakt het “luid” ?{ABN1: 82.1}

Antwoord:

Er moet een kenmerkend verschil zijn tussen de stem van de boodschap voor de Luide roep en de stem van de boodschap in de Luide roep, anders zou het niet “luid” genoemd worden.{ABN1: 82.2}

De boodschap zwelt uit tot een Luide roep door de deugd van een “toevoeging” welke het “kracht en nadruk” geeft. –Early Writings blz. 277.

De enige geoorloofde conclusie is daarom dat aangezien de kerk nooit een toegevoegde boodschap heeft geaccepteerd en sinds er nooit een andere is gekomen (anders dan in de Herderstaf publicaties), die “kracht en nadruk” aan de oude boodschap moet geven, de Luide roep niet kan begonnen zijn op een tijdstip voorafgaand aan deze.{ABN1: 82.3}

82

Bovendien heeft het “bederf” in de kerk niet alleen de Luide roep achter gehouden, maar het heeft ook de gedempte roep die aan haar vooraf ging het zwijgen opgelegd. Waarlijk, “de engel van de kerk van Laodicea,” zelf ongeschikt zijnde om de verkondiging van de boodschap in haar gedempte roep te beëindigen , moet evenzo ongeschikt zijn om het in de Luide roep te verkondigen. Vanzelfsprekend, als hij zich niet nu snel bekeerd en de toegevoegde boodschap aanneemt welke de Luide roep zal beginnen, zal hij niet alleen niet helpen het te verkondigen, maar hij zal zelf “uitgespuugd” worden.{ABN1: 83.1}

“….. alleen zij die verzoekingen hebben weerstaan in de kracht van de Almachtige” waarschuwt de Geest der Profetie, “zullen toegestaan worden om deel te hebben in de verkondiging ervan (de Drie Engelen Boodschap) wanneer het zal uitzwellen tot een Luide roep.”—The Review and Herald no 19,1908.{ABN1: 83.2}

Dus terwijl de gedempte roep wordt verkondigt door zij die wel evenals zij die niet verzoekingen hebben overwonnen, zal de Luide Roep alleen verkondigt worden door zij die dat wel hebben gedaan.{ABN1: 83.3}

Hoewel de Luide Roep begonnen had moeten zijn rond 1892, was het het zwijgen opgelegd toen de kerk de boodschap van Gerechtigheid door het geloof verwierp in 1888. Zodoende werd de rol die de “toegevoegde” boodschap bevatte, die “kracht en nadruk” aan de Drie Engelen Boodschap moest geven toentertijd gestopt zich te ontvouwen. En als gevolg daarvan

83

in plaats van het licht der wereld te worden, verviel de kerk zelf in duisternis. Dit gezien hebbende, deed de Geest der Waarheid een verontrustende vernietigende uitspraak over onboetvaardige Laodicensen, terwijl ze verheugende beloften van toekomende heerlijkheid  gaf aan allen die willen opstaan en wandelen in het licht dat van de troon uitgaat.{ABN1: 83.4}

“Hoe zullen onze broeders weten wanneer dit licht tot het volk van God zal komen?” was de aangrijpende vraag toen gesteld door Inspiratie. En het geïnspireerde antwoord was: “Tot nu toe hebben we zeker het licht nog niet gezien dat antwoord geeft op deze beschrijving. God heeft licht voor Zijn volk, en allen die het aannemen zullen de zondigheid van het in een lauwe staat vertoeven, inzien.”—The Review and Herald Oct. 7 , 1890.{ABN1: 84.1}

“In de manifestatie van de kracht die de aarde vervult met haar heerlijkheid, zullen ze slechts iets zien waarvan ze in hun blindheid denken gevaarlijk te zijn, iets wat hun angsten opwekt en ze zullen elkaar omarmen om het te weerstaan. Omdat de Heer niet werkt volgens hun verwachtingen en idealen, zullen ze het werk dwarsbomen. Waarom, zeggen ze, zullen we de Geest van God niet kennen terwijl wij het werk zovele jaren doen ?” —Bible training school 1907 (Herdrukt in the Review and Herald nov 7, 1918) Deze stelling geeft een duidelijke verhandeling van de Luide roep in de toekomst vanaf 1918.{ABN1: 84.2}

84

“De Liefde voor Christus, de liefde voor onze broeders, zal getuigen aan de wereld dat we met Jezus zijn geweest en van Hem geleerd hebben. Dan zal de boodschap van de derde engel opzwellen tot een luide roep, en de gehele aarde zal met de heerlijkheid des Heren verlicht worden.” Test. Vol 6 blz. 401.{ABN1: 85.1}

IS DE VROEGE REGEN DE KRACHT VAN PINKSTEREN ?

Vraag Nr. 11

“De Herderstaf” zegt dat de vroege regen de Geest der Profetie is en dat de late regen de daaraan verwante pre-Pinksterboodschap of” leraar der gerechtigheid” is, welke de kerk nu aan het ontvangen is en dat de “kracht” van Pinksteren weer iets anders is. Maar “de Wens der eeuwen” zegt dat de “vroege regen” het “uitstorten van de Geest in de dagen van de apostelen” was en dat de “late regen” de uitstorting op Pinksteren zelf in de laatste der dagen zal plaatsvinden. Wat moet men geloven ?{ABN1: 85.2}

Antwoord:

Beide boeken trachten te zeggen wat de Bijbel zegt en om harmonie te brengen moeten we het onderwerp direct vanuit de Bijbel bestuderen, specifiek vanuit Joels profetie: “En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste [maand].” Joel 2 : 23. {ABN1: 85.3}

85

Niemand moet het ontgaan dat Joel’s profetie vraagt om een dubbele vervulling . Hoewel zij aan wie de late regen is beloofd wordt gezegd dat aan hun reeds de vroege regen is gegeven, zal toch als de late regen op hen valt , het de vroege regen met zich meebrengen, beiden zullen in de eerste maand over hen komen. De vertaling van de kanttekening van de late regen noemt het een “leraar der gerechtigheid”.Als nu dan de vroege regen herhaald wordt en naar beneden komt met de late regen in dezelfde maand dan valt het feit op de vroege regen in de dagen der apostelen die ene is waar de Wens der eeuwen over spreekt en dat de vroege regen die in de maand van de late regen valt die is waar de Roede over spreekt.{ABN1: 86.1}

In de natuurlijke sfeer, zorgt de vroege regen dat het zaad barst en uitspruit en de late regen brengt de spriet tot volle ontwikkeling. Zo ook in de geestelijke sfeer, moet de “vroege regen” een van de hemel gestuurde boodschap aanduiden om het geestelijke zaad te laten ontkiemen en de “late regen” een navolgende boodschap om het graan voor de geestelijke oogst te doen rijpen. Op deze wijze de ontvanger ervan te brengen tot volle rijpheid en gerechtigheid, zijn de vroege en de late regen een voorstelling van twee leraren der gerechtigheid. In de volledige toepassing zijn de twee late regens daarom niet slechts uitstortingen van de eerste pre-Pinksteren waarheid, de onderwijzingen van Christus in Zijn dagen, het type, maar ook de oorspronkelijke uitstorting van de laatste pre-Pinksteren waarheid, de

86

gevorderde waarheid in onze dagen, de antitype. Eerst moet er een openbaring van zijn van de waarheid van Pinksteren voordat de kracht van Pinksteren gegeven kan worden om het te verkondigen: En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien. Joel 2 : 28.{ABN1: 86.2}

Dienovereenkomstig moeten deze twee manifestaties van de Heilige Geest onafscheidelijk van elkaar gezien worden. De eerste ontwikkeld een volk door hem in gerechtigheid te onderwijzen , de tweede maakt ze volkomen rijp en bekleed hen met kracht om de waarheid in gerechtigheid te verkondigen. Als gevolg daarvan wordt er in de eerste fase van het werk “een leraar der gerechtigheid” gegeven die een leger van onderleraars der gerechtigheid traint voor het uitvoeren van de tweede fase.{ABN1: 87.1}

Aangezien er een openbaring van waarheid was in de dagen van de apostelen , in Zuster White’s  en in onze dagen, is de Wens der eeuwen correct door te zeggen dat in de tijd (dat het geschreven was) de vroege regen de “regen” van waarheid was in de dagen der apostelen. Maar aangezien heden ten dage de vroege regen niet alleen de waarheid van de dagen van de apostelen , maar ook dat van Zuster White is, is de Roede correct  om te zeggen dat haar geschriften “de vroege regen” van vandaag zijn en dat de late regen zoals Joel het laat zien direct toepasbaar is op de laatste boodschap— de boodschap van vandaag (Joel 2 : 23). Vandaar dat alleen (met de vroege regen die de geschriften van Zuster White zijn en de “late regen” die de

87

Roede is) beiden vroege en late tegelijkertijd vallen zoals vereist door Joel 2 : 23. En de kracht van de Geest die de vroege en de late regen navolgt is daarom in de toekomst.{ABN1: 87.2}

ALS WAARHEID NODIG IS, WAAROM BEDELEN OM KRACHT?

Vraag Nr. 12:

Verteld om te bidden voor de Heilige Geest , hebben duizenden en nog eens duizenden het ernstig gedaan maar zonder resultaat. Waarom?{ABN1: 88.1}

Antwoord:

Van tijd tot tijd hebben vele vlijtige figuren en gegroepeerde Christelijke Bewegingen indrukwekkende  gebedsmarathons gelanceerd  in een vastbesloten volhardende poging om de vervulling van de beloofde uitstorting van de Heilige Geest of te wel de “late regen” tot stand te brengen. Omdat echter deze periodieke pogingen steeds zijn geëindigd  in hartverscheurende teleurstellingen en frustraties, zijn duizenden zielen in de war en onthutst geraakt om hun geloof totaal op te geven en wellicht in ontrouw te zinken.{ABN1: 88.2}

Toch zal geen enkele student van de Geschriften ontkennen dat de Bijbel zeer zeker de belofte weerhoud van de belofte van een enkelvoudige dynamische manifestatie van de Heilige Geest om op alle gelovigen een speciale uitstorting van kracht te doen toekomen, zoals de apostelen ontvingen in de dagen van Pinksteren—ja zelf groter. {ABN1: 88.3}

88

Dan het antwoord op de vraag, Waarom ontvangen we het niet nu? Is onvermijdbaar, Omdat de conditie om het te ontvangen nog niet is bereikt. Wanneer het bereikt is zal deze zekere belofte van God ogenblikkelijk vervult worden net zoals het was met de apostelen.{ABN1: 89.1}

Daarom wat het ook is dat de Christenen nu ervan weerhoud om deze grootste der gaven te ontvangen, moet als hindernis bij hun liggen en niet bij God.{ABN1: 89.2}

Er is een belofte van de Trooster, de Geest der Waarheid (Johannes 16: 7-13) en een belofte voor de “late regen,”Joel 2 : 23, 28. Deze beloofde Trooster hebben de apostelen ontvangen op de Pinksterdag en het zou voor altijd met hen blijven, dat wil zeggen zelf met hun opvolgers. Maar evenals toen in de apostolische opvolging mannen van het primitieve apostolische kaliber ophielden te bestaan, verdween de Trooster geleidelijk. En hoewel Hij op verschillende tijden weer verscheen in de Geest der Waarheid, is Zijn Pinksterkracht en aanwezigheid nooit meer ten dele gevallen. Deze manifestatie van de Geest in kracht  ( Joel 2 : 28) moet echter niet verward worden met de manifestatie van de Geest  in Waarheid ( Joel 2 :23).{ABN1: 89.3}

Precies de titel “late regen” zelf bewijst dat deze buitengewone manifestatie plaats vind in de “laatste der dagen,”– onze tijd. En door Zacharia de profeet geeft inspiratie aan door aan te wijzen dat er een afgestemde tijd voor de late

89

regen is die aandringt: “Begeert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens; de HEERE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.” Zach. 10 : 1.{ABN1: 89.4}

De passage in relatie tot Joel 2 : 23 , vertaling van de kanttekening ,maakt duidelijk dat “de late regen,” de laatste boodschap “een leraar der gerechtigheid,” is die tot de ontvangers ervan volledige kennis der Waarheid brengt, gerechtigheid. Daarom terwijl Christenen dringend wordt verzocht om te allen tijde te bidden en doodangsten uit te staan voor de Geest der Waarheid, worden we nog dringender geïnstrueerd om nu ervoor te bidden!{ABN1: 90.1}

Zoals in de natuurlijke staat der dingen komt de late regen niet alleen om het tarwe te doen groeien, maar ook om het tot zijn volle rijpheid te brengen, zo ook door geestelijke gevolgtrekking  moet deze Leraar der Gerechtigheid de heiligen tot de volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus brengen (Efez. 4 : 13) –hun gepast maken voor het Koninkrijk.{ABN1: 90.2}

Maar de tweede fase, de beloofde kracht (Joel 2 : 28) die “daarna” komt, na “de late regen” is datgene waar de meeste Christenen voor bidden, zonder te overwegen dat er een eerste fase is (Joel 2 : 23)— de “leraar der gerechtigheid” een definitieve uitstorting van de Tegenwoordige Waarheid –- welke verkregen moet worden voor de definitieve uitstorting van kracht gerealiseerd kan worden.{ABN1: 90.3}

Het is overduidelijk dat het deel dat “naderhand” komt “de kracht van Pinksteren,” komt

90

om de ontvanger in staat te stellen om de latere waarheid te verkondigen; en deze kracht zal niet komen totdat de kerk als lichaam,” voor ieder kruid op het veld (Zach 10 : 1), niet een groep hier en een groep daar vreugdevol opgenomen heeft voor haar geestelijke groei al de regen die de Leraar der Gerechtigheid die nu is gekomen heeft gebracht.{ABN1: 90.4}

Maar de grote vraag waar wij mee geconfronteerd worden is: Wanneer kan voor “ieder kruid “ ieder kerklid deze heerlijke Waarheid en kracht ontvangen? Zullen ze aan heilige en schijnheilige gelijk verdeeld worden ?  Inspiratie antwoord: {ABN1: 91.1}

“Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees, en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn…. en ik zal die ontkomen zijn  van hen naar den volkeren zenden…..en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen…..En zij zullen al uw broeders….naar Mijn heiligen berg toe, [naar] Jeruzalem, zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des HEEREN. Jes. 66:16.19,20.{ABN1: 91.2}

Dus in de tijd tussen de “late regen” van waarheid en de “uitstorting” van kracht van de Geest, zal een toegewijd getal verzegeld worden welke zullen ontsnappen (ontkomen) uit de geslagenen des Heeren. “Met andere woorden bij de oogst van de eerste vruchten, wanneer al de zondaren uit de kerk zijn gehaald en de rechtvaardigen aan zichzelf worden overgelaten, zoals de discipelen in de bovenkamer,” dan en

91

 dan alleen kan de Heer uiteindelijk zijn Geestelijke Kracht op allen uitstorten zodat allen (al de “ontkomenen” ) zullen profeteren dromen dromen en visioenen zien.{ABN1: 91.3}

“En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iegelijk, die geschreven is ten leven te Jeruzalem: Als de Heere zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels, en door den Geest der uitbranding. En de HEERE zal over alle woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.”{ABN1: 92.1}

Alleen na deze grote zuivering in de kerk (ook beschreven in het 9e hoofdstuk van Ezechiel) zal  het overblijfsel  toegerust worden om hun volledig vlammende verlichtende fakkel van waarheid naar de hele Heidense wereld te dragen. Want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem. Het werk zal dan beëindigd zijn “afgesneden  in rechtvaardigheid” en de Heer zal dan in Heerlijkheid verschijnen –gezien door ieder oog (Openb. 1: 7){ABN1: 92.2}

92

VEERTIG JAAR ZONDER HERVULLEN ?

Vraag Nr. 13 :

Hoe kan het waar zijn dat er geen progressieve waarheid gegeven was aan de kerk gedurende de veertigjarige periode van 1890-1930, terwijl er zoveel van Zuster White’s geschriften gepubliceerd waren van 1890-1915? {ABN1: 93.1}

Antwoord:

Hoewel vele van Zuster White’s manuscripten gepubliceerd werden gedurende de tijd die hierboven vermeld zal toch een nauwkeurig onderzoek uitwijzen dat als er een nieuwe openbaring van tijdige bijbelse waarheid “voedsel te rechter tijd” daarin gepubliceerd waren, het aan haar geopenbaard werd voor 1890.  In feite voor 1871 kondigde zei zelf deze beëindiging van licht aan door de Getuigenissen: “ Ik ben gemachtigd door  God dat geen lichtstraal door de Getuigenissen op uw weg zal schijnen, totdat u op praktische wijze gebruik zult maken van het licht dat reeds gegeven is “. –Testimonies Vol 2, blz. 606. {ABN1: 93.2}

Dus wat voor Getuigenis ze ook schreef tussen de data in kwestie (1890 en 1915) was niet verwoord om tijdige Bijbelse waarheid te openbaren, maar hoofdzakelijk om advies te verschaffen, te bemoedigen, te vermanen en te instrueren in gerechtigheid in een poging de Laodicensen te redden van uitgespuugd te worden. Ieder ander van haar geschriften bleven in hun profetische aspecten een mysterie tot dat de

93

veertig jaren waren verlopen met de komst van de Herderstaf.{ABN1: 93.3}

Zo lang zonder geestelijke olie, moesten de Waarheid bevattende vaten van de kerk hervult worden met verse olie, zodat haar lampen, hun weg tot aan het Koninkrijk mochten verlichten, zodat ze niet zouden vallen van het steile en smalle pad juist aan het einde van haar lange pelgrimstocht. Dus in Zijn groet liefde en genade heeft de Heer de Herderstaf gestuurd om bij een te verzamelen en praktische gebruik te maken van het licht dat reeds gegeven was. Daarom beveelt de Heer.: “Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!” Mich. 6 : 9. {ABN1: 94.1}

STELT DE HERDERSTAF PROFETISCHE DATA VAST ?

Vraag Nr. 14

In de volgende bewering,” Terwijl God de weg vrij maakt voor de zeven laatste plagen door sommigen van zijn volk in het graf te rustte te leggen heeft Hij hetzelfde gedaan om de gebeurtenis in 1931 te doen plaatsvinden (als die datum correct is), probeert “de Herderstaf,”  Vol 1 blz. 219 te leren dat het oordeel der doden is gesloten in 1931 of rond die tijd ?{ABN1: 94.2}

Antwoord: 

In desbetreffende bewering heeft de Roede geen verband met het Onderzoekend Oordeel. De boodschap bepaald geen data, niet precies nog bij benadering voor de afsluiting  van het oordeel der doden noch voor het begin van het oordeel der levenden. De tijd van de beëindiging van de ene gebeurtenissen en het begin

94

 van de andere zal niet bekend zijn tot de ene voorbij is en de andere begonnen is.{ABN1: 94.3}

Wat betreft de datum van 1931 en de daarmee verband houdende gebeurtenis  hebben wij geen verder licht op dit huidig moment dan wat te vinden is in “de Herderstaf” Vol 1 blz. 108-114 en Vol 2 blz. 275. Het was tegen het einde van 1930 en het begin van 1931 dat de publicatie van de boodschap van de Roede plaatsvond, de waarheid van de 144.000 openbarend die roepen om een reformatie. Dus terwijl  het eerder niet precies  begrepen was, wat de aard van de gebeurtenis zou zijn werd wel toen de volheid des tijds daar was en geen enkele andere gebeurtenis maar deze ene plaatsvond het daardoor geïdentificeerd werd als de ene die voorspelt was in Ez. 4  in verband gebracht met het einde van de profetische 430 jaar , wanneer de “boekrol” wederom uitgerold  zou worden. {ABN1: 95.1}

(al het schuin gedrukte is van ons)

WAT ZAL UW VOLGENE STAP ZIJN ?

Als u nu genoten, gewaardeerd en uw voordeel gedaan heeft door deze vraag en antwoord discussie van Boek no. 1 en als het uw wens is om verder te gaan, dan kunt u een verzoek inzenden voor Boek no. 2 . Het zal u toegezonden worden als een Christelijke dienst zonder kosten of verplichtingen.

95


abn2-1200x675.jpg

2

De BEANTWOORDER

Boek Nr. 2

Vragen en Antwoorden over Onderwerpen van Tegenwoordige Waarheid in het belang van de Broeders en Zusters der Zevende-dags Adventisten en Lezers van

De Herdersstaf

door V.T. Houteff

Deze “Schriftgeleerde,” die is

  onderwezen betreffende het

Koninkrijk der Hemelen,

 “brengt te voorschijn …nieuwe

en oude dingen.”

             Matt. 13:52.

“Heiligt” nu “de Here God in uw harten, altijd

bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap

vraagt van de hoop, die in u is, doch met

zachtmoedigheid en vreze.”

1 Petr. 3:15.{KJV}.

3

INHOUD

Een Stefanus Preek Aan de Kerk Vandaag 5
Kunnen Wij Het Uur Weten? 23
Is God’s Reizende Troon een Locomotief? 24
Zijn Er Palmen In de Handen van Sommigen, of In de Handen van Allen? 24
Wanneer Begint De Tijd Van Het Einde? 25
Waarom Profetieën In De Plaats Van Liefde? 26
Wanneer Zijn De Zegels Begonnen? 29
Wat Is Het Zegel? 31
Is De Verzegeling Aan de Gang? Wie Zijn Verzegeld? Staan Enigen Boven Zondigen? 33
Is De Oogst Niet Het Einde Der Wereld? 36
Wanneer Zal Hij Het Onkruid Scheiden Van Het Tarwe? 38
Is De Slachting Van Ezechiël Negen Letterlijk? 42
Wie Zijn De Vrouw En Haar Overblijfsel? 44
Wie Heeft Planeten Geïdentificeerd Die In Visioen Werden Gezien? 49
Is Alles Van “Een Woord Tot De Kleine Kudde” Origineel? 51
Is Er Vermenging Geweest Tussen Mens en Dier? 52
Waarom Wordt Er Geen Betere Vooruitgang Gemaakt? 53
Waarom Verontrusten Waar Het Niet Gewenst Is? 57
Werken Van Binnen Of Naar Buiten Toe? 58
Leert de Staf Nog Steeds “Dezelfde Dingen”? 63
Is Avond Het Einde Of Het Begin Van De Dag? 64
Is Het Waar? 65
In Welk Zegel? 65
Wie Vluchten Naar De Bergen? 66
Wanneer Zal Hij Het Heiligdom Verlaten? 67
Wie Is Afgedwaald Van de Oude Grenspalen? 68
Eerste Of Laatste Zienswijze? 71
Waarom Drie Titels Voor Het Eenmaal Verdeelde Koninkrijk? 73
Zal Het Koninkrijk Opgericht Worden Voor Het Millennium? 74
Zal Het Oude Jeruzalem Herbouwd Worden? 86
Het Bruiloftsmaal Van Het Lam In De Hemel Of Op De Aarde? 86
Het Koninkrijk Van God In Het Hart, Of Op Aarde? 89
Wanneer Zullen de Winden Worden Losgelaten? 90
Wat Is De Toorn Der Natiën? 91
Wat Zal Uw Volgende Stap Zijn? 94
Schriftuurlijke Index 95

5

DE INTRODUCERENDE OPROEP

EEN STEFANUS PREEK AAN DE KERK VANDAAG

 “Gij, mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, en Hij zeide tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal.” Hand.7:2,3. “Toen ging Abram, zoals de Here tot hem gesproken had” (Gen.12:4), en hij ging onder Zijn leiding Kanaän binnen, waar hij woonde, hoewel de Heer “hem geen erfdeel gaf daarin, zelfs niet een voet, maar Hij beloofde het hem en zijn nakomelingschap tot een bezitting te geven, ofschoon hij geen kinderen had.” Hand. 7:5. {ABN2: 5.1}

Na verloop van tijd was het doel van de Heer om Jakob en zijn gezin uit het land Kanaän te leiden naar Egypte. Daar Hij echter wist dat de zonen van Jakob niet zouden gaan zoals Abraham ging, doordat Hij hen simpelweg opdroeg dat te doen, heeft Hij daarom in Zijn voorzienigheid in het hart van Jakob een grotere liefde gezet voor Jozef dan voor zijn andere kinderen. Dit verwekte in hen afgunst en jaloezie, wat vervolgens haat en hebzucht verwekte, wat zich openbaarde in hun wrede behandeling en verkoop van Jozef, wat tot gevolg had dat hij werd weggevoerd als een slaaf naar Egypte. {ABN2: 5.2}

5

Jaren later, toen Jozefs broers Egypte binnengingen om voedsel te verkrijgen gedurende de zeven jarige hongersnood, zei Jozef, omdat hij de Voorzienige bestemming erkende in de vreemde drama van zijn leven van slavernij tot kroning, tot zijn broers, toen hij “zich” aan hen “bekend maakte”: “Maar weest nu niet verdrietig en ziet er niet zo ontsteld uit, omdat gij mij hierheen verkocht hebt, want om u in het leven te behouden heeft God mij voor u uit gezonden…en…om u een voortbestaan te verzekeren op aarde, en om voor u een groot aantal geredden in het leven te behouden.” Gen. 45:1,5,7. {ABN2: 6.1}

Aldus verhief de Heer Jozef op voorzienige wijze om de troon van Egypte te delen ten einde Farao vatbaar te maken om Israël toestemming te verlenen om het land binnen te gaan. {ABN2: 6.2}

Vervolgens, ten einde hen daartoe te trekken, bracht Hij de zeven jaren van overvloed teweeg, gevolgd door de zeven jaren van hongersnood. Waarbij Hij een woord verzond naar Jakob dat Jozef nog leefde. Bij het vreugde overvloeiende nieuws, sprong er een onweerstaanbare verlangen op in de vader om zijn zoon te zien. Dit en de van het leven berovende hongersnood op Jozefs broers, dwong hen ertoe te verhuizen naar Farao’s land van overvloed, waar zij leefden als koningen. {ABN2: 6.3}

Daar het echter niet Zijn bedoeling was om hen voor altijd daar te laten, liet de Heer het niet toe dat zij voortgingen met zo behaaglijk te leven als aan het begin, opdat zij zouden weigeren gehoor te geven aan Mozes wanneer hij met het woord zou komen dat de tijd is aangebroken dat zij naar huis terug gingen. Maar Hij bracht nog een reddende

6

voorzienigheid tot stand, door deze keer het toe te laten dat er ondraaglijke moeilijkheden over hen kwamen, zodat wanneer zij geroepen werden, zij blijmoedig erop zouden antwoorden. Dus moesten zij slaven worden; en wat nog erger was, zij moesten beroofd worden van hun manlijke kinderen, en daarna op genadeloze wijze gedreven worden met brute zweepslagen op hun rug, om nog meer bakstenen te produceren. {ABN2: 6.4}

Aldus was de kracht van de Geest gecombineerd met de vreselijke lijden door hun harde Egyptische dienstbaarheid, een overweldigende macht die hen ertoe dwong de heidense land te verlaten en terug te keren naar hun eigen land. {ABN2: 7.1}

Daarna ontmoetten zij, op hun weg terug, een andere voorzienigheid–hun lange vertoeven in de woestijn, veertig jaren lang in totaal–welke God toeliet met de nadrukkelijke bedoeling om hen te scheiden van de ongelovige, ontrouwe menigte die de Beweging vergezelde uit Egypte. Toen dezen waren vernietigd, staken de overlevenden op wonderlijke wijze de Jordaan over, net zoals zij veertig jaren eerder de Rode Zee overstaken. Toen zij daar uit hun midden de ene zondaar verwijderden, Achan, die toen tussen hen uitsprong, gingen zij het beloofde land binnen en werden het meest glorieuze koninkrijk in hun tijd. Slaven werden koningen–wat een wonder inderdaad! {ABN2: 7.2}

Vanzelfsprekend zou men kunnen denken dat een volk dat God op zo een wonderlijke wijze had bevrijd van slavernij, en waarvan Hij daaropvolgend op even wonderlijke wijze een koninkrijk had gemaakt, nooit zou vallen, daar zij nu

7

sterk waren. Maar door het oog te verliezen op hun Sterkte, vielen zij opnieuw af in gevangenschap! In zwakheid als slaven voor Farao, had God hen sterkte gebracht over hun Egyptische {slaven}meesters; nu, in hun sterkte zelfs als meesters, bracht Hij hen tot dienstbaarheid naar de natiën rondom hen! Tweemaal een wonder. {ABN2: 7.3}

Hier is duidelijk bewijs dat de Heer hen opbouwde en hen weer neerhaalde (2 Kron. 36:13-23), “ opdat zij,” zoals Hij zegt, kunnen “ weten, waar de zon opgaat en waar zij ondergaat, dat er buiten Mij niemand is; Ik ben de Here, en er is geen ander.” Jes. 45:6{KJV}. {ABN2: 8.1}

Na verloop van tijd, bij de vervulling van de zeventig jaren waarvan Jeremia profeteerde (Jer.29:10), bracht God Israël andermaal binnen in hun eigen land. Maar naarmate de jaren voorbij gingen, en de oude generaties verving met de nieuwe, verloor Israël opnieuw hun Sterkte uit het oog, deze keer zo volledig dat toen de Messias waarnaar zij lang uitzagen kwam, zij Hem verwierpen, en kruisigden, en bespuwden! {ABN2: 8.2}

In Zijn Goddelijke vergelding keerde God Zijn aangezicht in woede af, en leverde hen over in de handen van de verdrukker, die hun tempel en hun stad vernietigde, hen verdreef uit hun eigen land, en hen achterliet als een verlaten, verstoten ras zonder God, zonder munt, zonder land, een volk dat verfoeid wordt door alle natiën vanaf die tijd tot op heden! {ABN2: 8.3}

8

 Niet allen echter, werden aldus uitgeworpen. Een menigte van hen had hun ogen geopend tot het feit dat hun voorname mannen de Heer valselijk beschuldigden, de profetieën betreffende Hem verkeerd toepasten, en het volk misleidden. Door middel van degenen die getrouw bleven, bewaarde Hij het zaad van Israël. Door Christus aan te nemen en Christenen te worden, lieten deze getrouwe zonen van Jakob hun namen veranderen van Joden naar Christenen, zoals werd vooraf geschaduwd doordat God de naam van hun vader veranderde van Jakob naar Israël, en die van hun grootvader van Abram naar Abraham. {ABN2: 9.1}

Beginnend met de 120 Met de Geest vervulde discipelen bekeerde deze Joods-christelijke kerk 3000 zielen op de Pinksterdag door de prediking van een eenvoudige, door de Geest geleide preek. En daarna “voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden.” Handelingen 2:47. {ABN2: 9.2}

Deze inzameling van zielen maakte Satan zo woedend dat hij op wraakzuchtige wijze “vervolgde de vrouw [de Joods-christelijke kerk], die het mannelijke kind gebaard had. (Openb.12:13), om haar zodoende te verhinderen om bekeerlingen te maken, en te verhinderen dat degenen waarbij zij erin slaagde om van hen bekeerlingen te maken, gemeenschap met haar zouden hebben. {ABN2: 9.3}

(De rotsvaste feiten dat het kind van de vrouw, Christus, Die werd “weggevoerd naar God,” Openb.12:5, werd geboren in de Joodse kerk, en dat de Christelijke kerk opkwam uit de Joodse {kerk}, stelt op vaststaande wijze de vrouw vast als een zinnebeeld van de getrouwe dienstknechten

9

van God in zowel de Oude als de Nieuwtestamentisch kerken.) {ABN2: 9.4}

Als gevolg van het vervolgen van de vrouw, was Satan, ironisch genoeg, eerder het goddelijk doel aan het helpen dan te verhinderen. Inderdaad, de akker van de kerk (Matt.13:38) kweekte alleen zuivere “tarwe,” het “net” (Matt.13:47) ving alleen maar goede “vissen” want tegen zulk een vervolging, durfden alleen de getrouwen hun standpunt in te nemen voor de Waarheid en leden te worden van de gehate sekte. Dus, toen hij het gevolg van zijn verdrukking zag, veranderde hij haastig van aanpak. {ABN2: 10.1}

“Door het bevelschrift van verdraagzaamheid, verwijderde hij [Constantijn] de tijdelijke nadelen welke tot dusver de vooruitgang van het Christendom hadden vertraagd; en haar actieve en talrijke bedienaren ontvingen een vrije toestemming, een liberale bemoediging, om de heilzame waarheden van openbaring aan te bevelen door iedere argument welke de denkwijze of vroomheid van de mensheid zou kunnen beïnvloeden. De exacte balans tussen de twee godsdiensten [Christelijk en Heidens] duurde slechts een moment voort…De steden die een voorwaartse ijver kenbaar maakten door de vrijwillige vernietiging van hun tempels [de Heidense] werden onderscheiden door gemeentelijke voorrechten, en beloond met populaire donaties…de verlossing van het gewone volk werd gekocht tegen een goedkope prijs, als het waar was dat, binnen een jaar, twaalf duizend mensen werden gedoopt te Rome, naast een evenredig aantal vrouwen en kinderen,

10

en dat een wit kleed met twintig stukken goud, werd beloofd door de keizer aan iedere bekeerling.” Dit was “een wet van Constantijn, welke vrijheid gaf aan al de slaven die het Christendom zouden moeten omarmen.” –Gibbon’s Rome, Deel 2, blz.273,274 (Milman Editie). {ABN2: 10.2}

Zodra Satan veroorzaakte dat zijn werktuigen ophielden met het verdrukken van de Christenen, en begonnen gemeenschap met hen te hebben, misleidde hij hen door hen te doen denken dat hij hun vriend was. Door aldus afgeholpen te zijn van zijn vervolging, vielen zij geestelijk in slaap; en terwijl zij sliepen, zaaide hij het onkruid. {ABN2: 11.1}

Ja, hij maakte een volledige ommekeer en dwong zelfs de heidenen zich te voegen bij de kerk, daardoor uitwerpende uit zijn “mond water achter de vrouw als een vloed, om haar door de stroom te laten medesleuren.” Openb. 12:15{KJV}. Van het vervolgen van degenen die zich bij de kerk wilden verenigen, keerde hij zich tot het vervolgen van degenen die dat niet wilden, zodat zij overstroomd zou kunnen zijn met onbekeerde heidenen en daardoor “door de vloed te laten medesleuren.” Openb. 12:15{KJV}.{ABN2: 11.2}

Ten einde de menigte in duisternis te houden in de dagen van de hervormers, zette hij zijn klemmen op hen, en daarna maakte hij wijd open zijn uitblusser tegen het brandende licht, en toen het hem geen succes bracht, plaatste hij “slapende predikanten, predikend tot een slapend volk.” –Testimonies, Vol. 2 {Getuigenissen, Deel 2}, p.337. {ABN2: 11.3}

Deze hoogst succesvolle koers heeft hij sindsdien niet aflatend nagevolgd, totdat

11

de kerk vandaag de dag als gevolg hiervan haast verstikt is van onkruid. Het is, als het ware, geïnfiltreerd met een vijfde kolom. {ABN2: 11.4}

“Die nacht droomde ik,” zegt de dienstknecht des Heren in een opmerkelijke inzicht op juist deze situatie, “dat ik in Battle Creek was, uitkijkend vanuit het zijdeglas aan de deur, en zag een gezelschap die twee aan twee optrok naar het huis. Zij zagen er streng en vastbesloten uit. Ik kende hen zeer goed, en keerde mij om de salondeur te openen om hen te ontvangen, maar bedacht mij om nogmaals te kijken. Het tafereel was veranderd. Het gezelschap stelde nu de verschijning voor van een Katholieke optocht. Een droeg in zijn hand een kruis, een ander een stok. En toen zij naderden, maakte de hij die een stok droeg een cirkel rond het huis, en zei driemaal: ‘Dit huis is vogelvrij verklaard. De goederen moeten verbeurd worden verklaard. Zij hebben gesproken tegen onze heilige orde.’ Verschrikking beving mij, en ik rende door het huis heen, uit de deur aan de noordzijde, en bevond mezelf te midden van een gezelschap waarvan ik sommigen kende, maar ik durfde geen woord tot hen te spreken uit vrees dat ik zou worden verraden. Ik probeerde een rustige plek te vinden waar ik kon wenen en bidden zonder nieuwsgierige, onderzoekende ogen te ontmoeten, waar ik mij ook keerde. Ik herhaalde vaak: ‘Als ik dit maar kon verstaan! Als zij mij willen vertellen wat ik heb gezegd, of wat ik heb gedaan!’ {ABN2: 12.1}

“Ik weende en bad veel toen ik zag dat onze goederen verbeurd werden verklaard. Ik probeerde medeleven of medelijden voor mij af te lezen in de blikken van degenen die rondom mij waren, en bemerkte de aangezichten van verscheidene

12

 waarvan ik dacht dat zij tot mij zouden spreken en mij zouden vertroosten, als zij niet bevreesd waren om geobserveerd te worden door anderen. Ik waagde een poging om aan de menigte te ontsnappen, maar omdat ik in de gaten werd gehouden, verborg ik mijn bedoelingen. Ik begon luidop te wenen, en te zeggen: ‘Als zij mij slechts zouden vertellen wat ik heb gedaan, of wat ik heb gezegd!’ Mijn echtgenoot, die op een bed sliep in dezelfde kamer, hoorde mij luidop wenen, en maakte mij wakker. Mijn kussen was nat van de tranen, en een droevige depressieve geest kwam over mij.”–Testimonies, Vol.1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 578. {ABN2: 12.2}

De belofte luidt echter, dat de vloed van onkruid daarin zal blijven tot aan de oogst, de natuurlijke tijd voor hun scheiding–de voleinding der wereld. {ABN2: 13.1}

Zolang Satan op succesvolle wijze dit ondermijnend werk van het overstromen van de kerk kan voortzetten, zal hij nooit een vinger aanroeren om wie dan ook te vervolgen die zich bij haar voegt, opdat hij niet daardoor zijn eigen boze bedoeling zou tegenwerken, om haar gelederen te doorboren met zijn instrumenten–de vloed, het onkruid. Om het succes van dit werk te verzekeren, werpt hij degenen uit die het wagen een consequent Christelijk leven te leiden daar onder het onkruid, terwijl hij rondgaat met zijn blusapparaat  aangezet, proberende iedere levensvonk van licht uit te doven. {ABN2: 13.2}

Uiteindelijk zullen echter, zoals de profetie dat onthult, de rollen worden omgekeerd, en de lange strijd eindigt met het uitwerpen en vernietigen (Openb.12:16) van Satans instrumenten, de “vloed”(het onkruid, de slechte vissen), door de Heer, en

13

daarna het verlichten van de aarde met de heerlijkheid van Zijn engel(Openb.18:1)! {ABN2: 13.3}

Hier zien wij dat het naderende werk, van het uit de weg ruimen van de vloed, daardoor de kerk bevrijdend van de onbekeerden, het werk is van “de oogst” in  “de voleinding der wereld.” Maat.13:39. Vervolgens moeten wij ons ervan verzekeren of de “voleinding der wereld” de duizendjarige tijd van vrede met zich brengt, of de grote tijd der benauwdheid zoals nooit geweest is. Om vast te stellen welke dat is, moeten wij te rade gaan bij de aansluitende gebeurtenissen. {ABN2: 14.1}

Aangezien het geschiedt dat nadat de aarde de vloed verzwelgt, de draak toornig zal zijn op de vrouw, en zal heengaan “om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus Christus hebben” (Openb. 12:16,17), is er geen ontkomen aan de slotsom dat de oogst, door  Satans vloed, zijn vermenigvuldigde onkruid, weg te nemen uit de kerk, niet de duizend jaren van vrede met zich brengt. Inderdaad niet, maar het brengt eerder Gods wraak met zich mee – de tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was; de tijd waarin Zijn volk in Babylon wordt opgeroepen om “uit haar te komen” en in te gaan tot Zijn gereinigde kerk– het Koninkrijk. {ABN2: 14.2}

De oogst is daarom een korte periode van tijd net vóór, in plaats van het moment van, de verschijning van Christus in de wolken. Het is juist de laatste dagen van de genadetijd voor de koninkrijken van de aarde – de dagen en het werk welke de voleinding der wereld met zich meebrengen. {ABN2: 14.3}

14

Het feit dat er een overblijfsel (datgene wat overblijft) is van het nageslacht {of zaad} van de vrouw, toont aan dat haar nageslacht is verdeeld in twee delen, en dat het symboliek dus die groepen mensen voorstelt: (1) de vrouw; (2) het eerste deel van haar nageslacht –zij die in dit geval niet het overblijfsel zijn; (3) het tweede deel van haar nageslacht –zij die het overblijfsel zijn. {ABN2: 15.1}

In het licht van deze symbolische voorstelling, wordt de vrouw zelf gezien als een voorstelling van het moederlijke deel van de kerk – God’s aangewezen en met de Geest vervulde bedienaren die de wedergeboren (Johannes 3:3) bekeerlingen binnenbrengen. Het eerste deel van haar nageslacht moet, dienovereenkomstig, de eerste vruchten zijn, de 144.000, die, gescheiden van de zondaars die in hun midden waren, worden gebracht naar de berg Zion, om daar te staan met het Lam (Openb.14:1). Daarom zijn “de overigen van haar nageslacht” in dit geval degenen die nog in de wereld zijn wanneer Babylon het beest berijdt (Openb.17). Aldus zijn zij de tweede en laatste vruchten die zullen worden gebracht  naar de gereinigde kerk, het Koninkrijk, waar er noch zonde is noch vrees voor het vallen van de plagen van Babylon op hen (Openb. 18:4). {ABN2: 15.2}

En nu, aangezien de vrouw, in haar voortschrijding in de tijd, elke opeenvolgende bediening voorstelt, moet zij daarom ten tijde waarop de draak toornig op haar is, noodzakelijkerwijs de laatste verordineerde bediening voorstellen, de 144.000, zij die al hun broeders uit alle natiën brengen to Gods “heilige berg Jeruzalem.” Jes. 66:20. {ABN2: 15.3}

15

Met dit licht schijnend op het onderwerp, wordt de waarheid duidelijk gezien dat nadat de aarde de vloed verzwelgt, nadat de engelen de goddelozen scheiden (“het onkruid,”de “slechte” “vissen”) van tussen de rechtvaardigen (het “tarwe”, de “goede” “vissen”) in de kerk, en de rechtvaardigen brengen naar de Berg Zion (“de schuur,” “de vaten,”-Matt.13:30, 48), de draak dan toornig zal zijn op de vrouw (de dienstknechten van God), en als gevolg {daarvan zal hij} oorlog voeren tegen het overblijfsel(de tweede vruchten, zij die dan zullen worden geroepen uit Babylon –Openb.18:4). {ABN2: 16.1}

“In de laatste dagen,” zegt Micha, in zijn voorzegging van de tijd waarin de eerste vruchten staan met het Lam op de Berg Zion, waarin de tweede vruchten Babylon verlaten om te gaan naar de Berg Zion: zal het geschieden, dat de berg van het huis des Heren zal vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heen stromen. {ABN2: 16.2}

“En vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. {ABN2: 16.3}

 “En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een

16

ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de Here der heerscharen heeft het gesproken.” Micha 4:1-4. {ABN2: 16.4}

Ter conclusie moet daarom de Koninkrijk-kerk worden “opgericht” voordat de Duivel zich keert tegen het overblijfsel, zij die zijn achtergebleven en die dan worden bijeen vergaderd, en tegen wie hij oorlog voert wegens het weigeren om hem te aanbidden in de persoon van het beest en zijn beeld (Openb.13:15). {ABN2: 17.1}

In dit aangroeiende licht, ziet men duidelijker dan ooit dat hoewel de Heer het zal toelaten dat er opnieuw vervolging zal komen over Zijn volk in Babylon, Hij dat alleen zal doen om Zijn eigen doel te bereiken, om hen te veroorzaken om uit haar heerschappij te komen (zoals Hij Zijn vroegere volk veroorzaakte uit Egypte te gaan), en binnen te gaan in de Koninkrijk-kerk–de enige plaats op aarde waar er geen zonde zal zijn en waarop de vernietiging van de plagen niet zal vallen. (Zie Openb.18:4). {ABN2: 17.2}

“Waarlijk, de grimmige mensen moeten U loven, Gij beteugelt de rest der grimmigen.” Ps. 76:10. {ABN2: 17.3}

De scheiding van de goddelozen van tussen de rechtvaardigen terwijl zij rondzwierven in de woestijn in de tijd van Mozes, voordat zij het land der belofte binnengingen, werd tot stand gebracht niet alleen ten behoeve van de kerk van die tijd (het typische Israël), maar ook als een voorbeeld

17

voor de kerk van vandaag (het anti-typische israël), op typische wijze verwijzend naar de aanstaande scheiding van de slechten van tussen de goeden (Matt.13: 48), voordat de goeden worden ingebracht tot het Koninkrijk, hun eigen land, “de schuur.” Matt. 13:30.  “Dit alles” zegt Paulus daarom, “is hun overkomen tot een voorbeeld voor ons en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.” 1 Kor.10:11. {ABN2: 17.4}

Door middel van de voorwaarschuwing hierin van deze voorzienigheid, pleit de Heer opnieuw met iedere tegenwoordige waarheid gelovige: {ABN2: 18.1}

“Sta op, schijn, want uw licht is gekomen, en de heerlijkheid des Heren is over u opgekomen. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang. “Hef uw ogen op en zie rondom: zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen. Dan zult gij het zien en stralen van vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen. {ABN2: 18.2}

 “Een menigte kamelen zal u overdekken, jonge kamelen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen

18

 en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen. Al de schapen van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u ten dienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op mijn altaar komen en aan mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen. {ABN2: 18.3}

“Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til? Want op Mij zullen de kustlanden wachten; en de schepen van Tarsis zullen de eerste zijn om uw zonen van verre aan te brengen; hun zilver en goud voeren zij mede, ter ere van de naam des Heren, uws Gods, voor de Heilige Israëls, omdat Hij u luister verleend heeft.

Vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. {ABN2: 19.1}

 “En uw poorten zullen bestendig openstaan, dag noch nacht zullen zij gesloten worden, opdat men tot u inbrenge het vermogen der volken, terwijl hun koningen worden meegevoerd. Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden.” Jes. 60:1-12. {ABN2: 19.2}

Dus, dierbare broeders en zusters van Laodicea, is het duidelijk dat “terwijl het onderzoekend oordeel voortgang vindt in de hemel, terwijl de zonden van boetvaardige gelovigen worden verwijderd uit het heiligdom, zal er een bijzonder werk van reiniging, van het wegdoen van zonde zijn, onder Gods volk op aarde.” -The Great Controversy, p.425{De Grote Strijd, p.}. {ABN2: 19.3}

19

Dan: “Gekleed met de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, zal de kerk ingaan tot haar laatste strijd. ‘Schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren, ‘ zal zij voortgaan over de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.”-Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz. 445}. Op dat tijdstip “zullen alleen zij die verleiding hebben doorstaan in de kracht van de Machtige, worden toegestaan om deel te hebben aan het verkondigen ervan [de Derde Engel Boodschap] wanneer het zal zijn aangezwollen tot de luide roep.” –The Review and Herald, Nov. 19, 1908. {ABN2: 20.1}

Als een vlammende fakkel in de donkerheid van de nacht, staat de waarheid voor dat de tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was, de kerk vindt, vrij van de vloed der onkruid, vrij van de “slechte vissen,” en dus in staat niet alleen om de Duivel te weerstaan, maar ook om voort te gaan, overwinnende en om te overwinnen, in de machtige kracht van Michael, Wiens opstaan “een ieder” verlost “die beschreven zal zijn bevonden in het boek.” Dan. 12:1. {ABN2: 20.2}

Uit deze uitvoerige beschrijving van de lange geschiedenis van Gods volk zien wij dat Abraham de enige is bij wie God niet genoodzaakt  was om, ten einde de gewenste resultaten te bereiken, terug te vallen op andere middelen dan het eenvoudige gebod: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal.” Gen. 12:1.

{ABN2: 20.3}

Abraham’s onbetwistbaar en niet falend geloof, en zijn niet aarzelende gehoorzaamheid tot het

20

rotsvaste bevel van de Heer in elk geval, maakte hem tot een “vriend van God,” de “vader der gelovigen,” en een groot pilaar van levende waarheid, met een naam die door tijd en eeuwigheid heen is te herdenken en te vereren. {ABN2: 20.4}

Jakob’s geloof inde beloften van God, en zijn overheersende verlangen om zich te betrekken bij de plannen van de Heer en die uit te voeren, had tot gevolg dat hij de voorvader {voorloper of voorganger} werd van de eerste vruchten of de bediening van het Koninkrijk-kerk – zij die staan met het Lam op de Berg Sion (Openb.14:1). {ABN2: 21.1}

Jozef’s onwrikbare {vastberaden} getrouwheid aan beginsel bracht hem tot de hoogste graad, waarin hij ‘s werelds grootste voorziener als een type van Christus, de Grote Geestelijke Voorziener. {ABN2: 21.2}

Mozes, in zijn zachtmoedigheid (nederigheid) en zijn vastbeslotenheid om “liever kwaad te verdragen met het volk van God, dan tijdelijk van de zonde te genieten” (Hebr. 11:25), kwam op om de grootste generaal, leider, en verlosser aller tijden te worden, en om zelfs op de berg der verheerlijking te staan. {ABN2: 21.3}

Het levensoffer van de apostelen ter wille van Christus en Zijn Waarheid, heeft voor hen verwonnen de verheven eer dat hun namen zijn geschreven op de fundamenten van de Heilige Stad (Openb. 21:14). {ABN2: 21.4}

Luther’s onbevreesde en volhardende pogingen om de vertreden Waarheid(Dan.

21

8:11,12; 11:31) te verheffen, verwekte het Protestantisme. {ABN2: 21.5}

Toch zijn, broeder, zuster, geen van deze bijzondere heerlijke staten groter dan het uwe, om te staan met het Lam op de Berg Sion. Wij verzoeken u daarom dringend:”Sta op, schijn; want uw licht is gekomen”! Jes. 60:1{KJV}. {ABN2: 22.1}

Daar nu de Heer enerzijds pleit dat u Zijn machtige licht van Waarheid aangrijpt en daardoor gescheiden bent van zonde, zodat u aan Zijn vergelding kunt ontkomen, verlost bent van de komende benauwdheid, en deel hebt aan het verkondigen van de Luide Roep van de Drie Engelen Boodschappen; en daar Satan anderzijds pleit dat u zijn volledig uitgeputte uitblusser aangrijpt, bent u gebracht tot het dal der beslissing. Nu is het kritiek moment aangebroken om te beslissen of u wel of niet , als de Heer God is, Zijn machtige Waarheid wilt volgen, of als Baäl God is, zijn machtige mannen wilt volgen. {ABN2: 22.2}

“Zie,” zegt de Verlosser, “Ik sta aan de deur en klop; Indien iemand naar mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij.” Openb. 3:20. {ABN2: 22.3}

Wilt u dan niet handelen zoals deze getrouwe mannen van ouds, en Gods voorname mensen van vandaag zijn! O, laat niets langer, broeder, zuster, uw inspanningen compromitteren en neutraliseren om de belofte nu te verkrijgen–het onovertroffen voorrecht om de priesters en koningen van Sion te zijn! {ABN2: 22.4}

Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest (…) zegt” Openb. 3:22. {ABN2: 22.5}

22

VRAGEN EN ANTWOORDEN

KUNNEN WIJ HET UUR WETEN?

Vraag Nr.15:

“Early Writings, “p.285{Eerste Geschriften, p.}, verklaart dat God de dag en het uur van Zijn wederkomst zal aankondigen. En “The Shepherd’s Rod,” Vol. 2{De Herdersstaf, Deel 2}, p. 255, concludeert uit haar bestudering van de vloed dat deze kronende gebeurtenis der eeuwen zal plaatsvinden op een Woensdagnacht. Maar Christus zegt: “(..)van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen.” Matt. 24:36. Hoe kunnen die twee {verklaringen} verenigd worden? {ABN2: 23.1}

Antwoord:

De Staf {Rod} stelt in geen geval een tijd voor de wederkomst van Christus. Hoewel het concludeert uit de Studie van de Vloed dat Hij kan komen voor de Zijnen op een nacht in het midden van de week, suggereert het zelfs niet eens op welke Woensdagnacht dat kan zijn. De Staf doet zich niet voor alsof het de dag of het uur weet. En betreffende de verklaring in Early Writings, Christus’ woorden in Mattheus 24:36 sluiten de mogelijkheid niet uit dat Hij ooit de dag en het uur van Zijn komst bekend zal maken. Inderdaad, hoewel de Schriften zeggen dat zelfs de engelen het uur niet weten, toch moeten zij, als zij ooit gereed zullen zijn om te beginnen uit te gaan met de Heer bij Zijn tweede komst, zeker op een dag van tevoren verteld worden daarover, ten einde zich gereed te maken en te beginnen. En alhoewel niemand nu de dag of het uur weet, toch kunnen wij, als de Vader het nodig acht het te verkondigen, niet anders dan het weten. {ABN2: 23.2}

23

Bovendien kan deze geheime komst (Matt. 24:36) een andere zijn dat datgene wat algemeen wordt aangenomen als zijnde “de tweede komst.” (Voor verdere studie over dit onderwerp, lees Traktaat Nr. 3, De Oogst{Tract No. 3, The Harvest}, 1942 Editie, p.45-53.) {ABN2: 24.1}

IS GODS REIZENDE TROON EEN LOCOMOTIEF?

Vraag Nr. 16:

Mij is verteld dat de Davidians onderwijzen dat de troon van Jesaja 6 een trein is dat wordt getrokken door een locomotief die rook uitspuwt. Onderwijzen zij alzo? {ABN2: 24.1}

Antwoord:

Nergens zal er een dergelijk idee gevonden worden te zijn voorgezet in de publicaties van De Herdersstaf, waarop al de leringen van de Davidians gebaseerd zijn, zoals een zorgvuldige lezing van de lectuur volledig zal bevestigen. {ABN2: 24.2}

Het woord “trein” is geciteerd uit de Schriften, en betekent “gevolg{of stoet},” zoals wordt uitgelegd in onze Traktaat Nr. 1, Hetgeen Extra Vooraf Gaat Aan Het Elfde Uur{Pre-Eleventh Hour Extra}, 1941 Editie, p.8. {ABN2: 24.3}

ZIJN ER PALMTAKKEN IN DE HANDEN VAN SOMMIGEN OF VAN ALLEN?

Vraag Nr. 17:

“De Herdersstaf,” Deel 1, p. 44, zegt dat de grote schare, hebbende palmtakken in hun handen slechts de tweede vruchten zijn van de oogst der aarde, terwijl “De Grote Strijd,” p.{The Great Controversy, p. 646}, sprekende over alle “overwinnaars,” zegt: “In iedere hand wordt geplaatst de palmtak van de overwinnaar en een glanzende harp.” Hoe kunnen deze verklaringen worden geharmoniseerd? {ABN2: 24.4}

Antwoord:

De schare waarover de Staf commentaar op geeft en de schare waarover De Grote Strijd spreekt, zijn twee verschillende groepen, op twee verschillende locaties, en bij twee verschillende gelegenheden. De eerstgenoemde, de schare van Openbaring 7:9, heeft hun palmtakken op aarde; de laatstgenoemde, de schare van De Grote Strijd, ontvangt hun palmtakken en harpen in de hemel. Deze feiten kunnen duidelijk gezien worden door de verklaringen in kwestie te lezen. {ABN2: 25.1}

WANNEER BEGINT DE TIJD VAN HET EINDE?

Vraag Nr. 18:

Wanneer begint “de tijd van het einde,” waarin het boek Daniël is geopend? {ABN2: 25.2}

Antwoord:

De engel die Daniël instrueerde, verklaarde dat het boek gesloten zou zijn tot aan de tijd van het einde. Dienovereenkomstig, moet het boek ervoor of erna, maar in de tijd van het einde geopend zijn. {ABN2: 25.3}

Deze periode wordt gekenmerkt door een toename van kennis en door mensen die “heen en weer” snellen. Daniël 12:4, 9{KJV}. Aangezien een groot deel van het boek Daniël nu wordt begrepen,

25

en omdat wij in de tijd van de automobiel leven, de tijd van toegenomen kennis, met mensen die heen en weer snellen, is het duidelijk dat wij “in de tijd van het einde” leven. {ABN2: 25.4}

Daniël 11:40 maakt duidelijk dat tegen, niet in, de tijd van het einde, de koning van het Noorden victorieuze oorlogen zou voeren tegen de Koning van het Zuiden. Dus moet “de tijd van het einde” zijn begonnen bij de afsluiting van de achttiende eeuw en aan het begin van de negentiende, met de overwinningen van de Koningen van het Noorden. (Zie map in onze Traktaat Nr. 12, De Wereld Gisteren, Vandaag, en Morgen{ Tract No.12, The World Yesterday, Today, and Tomorrow}, 1941 Editie, p. 97.) {ABN2: 26.1}

WAAROM PROFETIEËN IN PLAATS VAN LIEFDE?

Vraag Nr. 19:

Waarom besteden de Davidians niet meer tijd aan het leren van de liefde van Jezus – het meest belangrijkste deel van de Bijbel – in plaats van de leerstellingen en de profetieën te leren? {ABN2: 26.2}

Antwoord:

De Davidians volgen deze procedure vanwege het schriftgedeelte: “En wij achten het profetische woord daarom des te vaster, en gij doet wel er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten.” 2 Petr. 1:19. De profetieën scheppen daarom liefde voor God in het hart van de student zoals niets anders dat kan. {ABN2: 26.3}

26

Als de profetieën bovendien minder belangrijk zijn dan andere gedeelten van de Schriften, waarom heeft de Heer dan Zijn dienstknechten zoveel van ze doen schrijven? Klaarblijkelijk, zijn zij even belangrijk. Het boek Openbaring, welke direct is gericht tot het volk dat zal leven net voor de Komst van de Heer, is samengesteld uit symbolische profetieën, betreffende welke de Heer zegt: {ABN2: 27.1}

“Zalig is hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren, hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij.” Openb.1:3. “Zie, Ik kom spoedig. Zalig hij, die de woorden der profetie van dit boek bewaart(…)Want Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek geschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.” Openb. 22: 7,18,19. {ABN2: 27.2}

Het is waar, de liefde van Jezus is de verheven nood, maar door erover te prediken met uitsluiting van de leerstellingen en de profetieën, zal men geen voordeel eruit halen, want door middel van de profetieën en door de leerstellingen leert men niet alleen over de liefde van Jezus, maar ook hoe Hem te dienen. “Al de Schrift,” zegt

27

Paulus, “is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.” 2 Tim. 3:16,17. {ABN2: 27.3}

Als de kerken van vandaag de profetieën en de leerstellingen hadden onderwezen met uitsluitsel van de liefde van Jezus, dan zouden de Davidians vanzelfsprekend nog uitgebreider hebben stilgestaan bij de liefde van Jezus dan bij de profetieën. Maar aangezien het tegengestelde het geval is, dat de liefde van Jezus wordt groot gemaakt tot verwaarlozing van de profetieën, dan is natuurlijk onze eerste en verheven nood om de liefde van Jezus te bestuderen door middel van de leerstellingen; daarna zal onze grootste zorg zijn om het aldus te leren. {ABN2: 28.1}

Terwijl het evangelie van liefde ons inspireert om de Heer lief te hebben, leren de leerstellingen ons de juiste manier waarop wij Hem lief kunnen hebben, en het licht van de profetieën leidt onze voeten op het nauwe en smalle pad langs de weg naar de stad van God, net zoals de lichten van een automobiel des nachts ons de weg naar huis aanwijst. Zonder hen zouden wij onvermijdelijk spoedig de weg verliezen, verongelukken, en opeenhopen in het donker – een hoop wrakstukken en misschien de dood. Aldus, terwijl wij het ene nodig hebben, hebben wij het andere even hard nodig. De Davidians combineren daarom beiden, door de liefde van Jezus te leren door de leerstellingen, en de weg naar het Koninkrijk door de profetieën. {ABN2: 28.2}

WANNEER ZIJN DE ZEGELS BEGONNEN?

Vraag Nr. 20:

Wat voor Bijbels bewijs is er om aan te tonen dat de gebeurtenissen van de Zeven Zegels (Openb. 4-8) de gehele wereldgeschiedenis overspannen, wat in tegenstelling is met de leer van het Kerkgenootschap dat zij alleen maar de periode van de Christelijke kerk omvatten? Weet u niet dat het boek met de zegels symbolisch staat voor de boeken Daniël en de Openbaring? {ABN2: 29.1}

Antwoord:

Het fundament waarop het standpunt van het Kerkgenootschap rust, dat de zegels profetisch staan voor gebeurtenissen in de periode van het Nieuwe Testament, is hun uitlegging van de eerste zegel, betreffende welke Johannes zegt: {ABN2: 29.2}

“En ik zag, en zie, een wit paard, en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen.” Openb. 6:2. {ABN2: 29.3}

Dit schriftgedeelte wordt zonder bevoegdheid geïnterpreteerd als te betekenen de eerste Christelijke kerk. De feiten dat het paard in het visioen wit en de jonge kerk rein was, maken op zichzelf genomen geen vaste grondslag waarop de theorie kan worden gebouwd dat de gebeurtenissen van de zeven zegels met de Christelijke kerk beginnen. {ABN2: 29.4}

Aan Johannes werd de zegels in visioen getoond ongeveer vijfenzestig jaren na de Pinksterdag, in de periode toen de kerk reeds aan het vervallen was van haar hoogtepunt van reinheid en gestadige

29

 groei. De Stem zei tot hem: “ Klim hierheen op en ik zal u tonen, wat na dezen geschieden moet.” Openb. 4:1. Anders gezegd, de gebeurtenissen die aan hem getoond zouden worden zouden zich ontwikkelen in de toekomst vanaf de tijd dat hij het visioen kreeg. Laat ons nu opmerkzaam zijn over wat hij zag: {ABN2: 29.5}

“ik  kwam in vervoering des geestes” zegt Johannes, “en zie, er stond een troon in de hemel en Iemand was op die troon gezeten.(…)En ik zag in de rechterhand van Hem, die op de troon zat, een boek, beschreven van binnen en van achteren, verzegeld met zeven zegels.(…) En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon het boek openen of haar inzien.  En ik weende zeer,(…) En een uit de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om het boek en haar zeven zegels te openen.” Openb. 4:2; 5:1,3-5{KJV}. {ABN2: 30.1}

Merk op dat de gebeurtenissen die zijn gesymboliseerd zouden plaatsvinden enige tijd nadat Johannes het visioen kreeg, niet daarvoor. Verder: Waar  heeft de Bijbel in elk geval ooit de kerk gesymboliseerd door een man, rijdende op een paard? Als het paard de kerk voorstelt, wat stelt dan de man voor? {ABN2: 30.2}

Het is duidelijk, dat Johannes in dit visioen vooruit blikte naar het begin van een belangrijke gebeurtenis die zou plaatsvinden in de toekomst vanaf de tijd dat hij het visioen kreeg in plaats van terug {blikkend}, toen de kerk begon. Bovendien zou het geschieden in de hemel, niet op aarde. Daar er duizend duizenden de troon omringden waarop de Grote Rechter zat, Die het boek hield dat verzegeld was met zeven zegels, gelijkt de gebeurtenis duidelijk meer op het begin van het Oordeel van Daniël 7:9,10, dan op het begin van het verkondigen van het evangelie. {ABN2: 30.3}

Sprekend van het boek dat verzegeld was met zeven zegels, zegt de Geest der Waarheid: “Aldus maakten de Joodse leiders hun keuze. Hun beslissing werd opgetekend in het boek dat Johannes zag in de hand van Hem Die op de troon zat, het boek dat niemand kon openen. In al haar wraakzuchtigheid zal deze beslissing voor hun ogen verschijnen op de dag wanneer dit boek is ontzegeld door de Leeuw uit de stam van Juda.” –Christ’s Object Lessons, p. 294{Lessen uit het leven van Alledag, p.179}. {ABN2: 31.1}

In dit verband sluit ieder onderdeel van het gehele symbolisme vast ineen met zowel de heilige als de wereldse geschiedenis, en ook met de Derde Engel Boodschap zelf –aldus geeft het “kracht en nadruk” aan het laatstgenoemde. {ABN2: 31.2}

WAT IS HET ZEGEL?

Vraag Nr. 21:

Wat is het zegel van God op de voorhoofden van de 144.000 (Openb. 7:3)? Is dat het zegel van de Sabbat, of iets anders? {ABN2: 31.3}

31

Antwoord:

Daar zij verzegeld zijn in Christus “met de Heilige Geest der belofte,” nadat zij “het woord der Waarheid” hebben “gehoord”(Ef. 1:13; 4:30), worden de heiligen dus verzegeld door Tegenwoordige Waarheid –de waarheid die wordt gepredikt in hun tijd. {ABN2: 32.1}

“Het zegel van de levende God,”de Waarheid waardoor de 144.000 worden verzegeld (Openb. 7:2), is een bijzondere zegel, daar het hetzelfde is als “het merkteken”van Ezechiël 9. (Zie Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, p. 445; Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 267; Testimonies, Vol. 5, p. 211{Getuigenissen, Deel 5, p. 173}). Het vereist dat men zucht en uitroept over de gruwelen die hem verontreinigen, en die zowel de Sabbat als het huis van God ontheiligen, in het bijzonder door het verkopen van lectuur en het vaststellen van doelen gedurende de erediensten op de Sabbat. Aangezien de heiligen dit zegel of merkteken op hun voorhoofden hebben, zullen de engelen hen voorbijgaan, en hen niet doden. Het is gelijk aan het bloed aan de deurposten in de nacht van het Pascha in Egypte. De engel zal een merkteken plaatsen op de voorhoofden van allen die door te zuchten over hun eigen zonden, en over de zonden in het huis van God, getrouwheid betonen aan de Waarheid. Dan zullen de verdelgingsengelen volgen, om volkomen te verdelgen zowel ouderen als jongelingen, die gefaald hebben om het zegel te ontvangen (Zie Testimonies, Vol. 5, p.505{Getuigenissen, Deel 5, p. 413}. {ABN2: 32.2}

Dus, het eerstgenoemde zegel stelt de ontvanger ervan in staat om uit de doden op te staan bij de opstanding der rechtvaardigen,

32

terwijl het laatstgenoemde zegel degenen die zuchten en uitroepen in staat stelt om aan de dood te ontkomen en voor altijd voor God te leven. {ABN2: 32.3}

IS DE VERZEGELING NU GAANDE? WIE WORDEN VERZEGELD? ZIJN ER ENIGEN DIE BOVEN ZONDIGEN STAAN?

Vraag Nr.22:

Als de verzegelende boodschap van de 144.000 door de kerk is rondgegaan  sinds 1929, is een deel (of allemaal) van de 144.000 reeds verzegeld? Ook nog, als niemand verzegeld kan worden behalve wanneer hij vrij is van zonde, en als sommigen nu worden verzegeld, zijn zij dan boven zondigen komen te staan? {ABN2: 33.1}

Antwoord:

Als de verzegeling niet nu voortgang vindt, dan zou de verzegelende boodschap welke wij hebben uitgedragen sinds 1929 nu niet meer tegenwoordige waarheid zijn dan de verkondiging van het Oordeel van de doden tegenwoordige waarheid zou zijn geweest van 1844 tot 1929, als de doden niet werden geoordeeld gedurende die periode. Het is dan duidelijk dat de boodschap van de verzegeling, en de verzegeling zelf hand in hand gaan, op dezelfde wijze zoals het naald en het oog tezamen gaan totdat de zoom is voltooid. {ABN2: 33.2}

De Heer gebiedt de engel met de schrijvers inktkoker om “een merkteken te plaatsen op de voorhoofden van de mannen die zuchten en uitroepen vanwege al de gruwelen die gedaan worden in het midden daarvan”–in de kerk–zodat wanneer de mannen met de verdelgingswapens beginnen te doden, zij degenen kunnen voorbijgaan

33

 die het merkteken hebben. Aldus is het zuchten en uitroepen vanaf 1929 vanwege de gruwelen in de kerk, het verheven bewijs geweest dat wij leven in de periode van de verzegeling.       {ABN2: 33.3}

En aangezien er nooit een hervorming plaatsvindt zonder een openbaring van een nieuwe waarheid, dan moet dit “afsluitingswerk voor de kerk” vergezeld worden door een boodschap (Testimonies{Getuigenissen, Deel 3}, Vol.3, p.266), en moet aan allen verkondigd worden. En hij die zich niet hervormt op het moment dat hij is overtuigd van de Waarheid, zal zich later {ook} niet hervormen. Daarom, terwijl de verzegelingsboodschap zich een weg baant door de kerk, zullen   alleen zij die ontwaken en zich hervormen (zuchten) en pogen het licht met anderen te delen (uitroepen) dat op hen schijnt, het zegel ontvangen. Dan worden zij zondeloos toegerekend door de volmaaktheid van Christus die is toebedeeld ten behoeve van hen totdat er aan hen het “nieuwe hart”   wordt gegeven dat is beloofd in Ezechiël 36:26, waarna zij voor eeuwig zondeloos zullen zijn–voor eeuwig zonder een oorzaak om zich te bekeren. {ABN2: 34.1}

“Als Ik tot de goddeloze zeg:,” zegt de Heer, “Gij zult zeker sterven! en gij waarschuwt hem niet en spreekt niet om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen ten einde hem in het leven te behouden, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen.” Ezech. 3:18. {ABN2: 34.2}

Als iemand zich nu niet kan scheiden van zijn zonden, zal hij dat later ook niet doen. En omdat hij

34

 God niet kan misleiden, wordt hij zonder het zegel achtergelaten, ondanks dat hij een belijder van de Waarheid kan zijn. Een ware Christen, echter, beroemt zich nooit erop dat hij volmaaktheid heeft verworven, want hij jaagt altijd steeds hoger ernaar terwijl hij doorreist op het smalle pad. En wanneer hij steeds dichterbij komt tot Hem tot Wie volmaaktheid begint en eindigt, roept hij samen met de profeet uit: “Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lippen, en woon te midden van een volk, dat onrein van lippen is; en mijn ogen hebben de Koning, de Here der heerscharen, gezien.”Jes. 6:5. {ABN2: 34.3}

Het is dus een feit dat niemand de volmaaktheid heeft bereikt die hij zal bereiken in zijn toekomstige staat, maar de ware volgeling van Christus heeft de volmaaktheid bereikt van de tegenwoordige staat. Hij is nooit een minuut achter in tijd, of een centimeter {inch} onder de hoogste stap die  te bereiken is op dat moment. Hij is op vooruitgaande wijze even volmaakt als de aar van het koren dat is van de dag waarop het ontkiemt tot op de dag dat het wordt geoogst. {ABN2: 35.1}

Als er enige zonde wordt begaan door dezulke, dan zal het geen zonde zijn die willens en wetens is begaan. “Als iemand dan weet goed te doen en het niet doet, is het hem tot zonde.” Jak.4:17. Hij zal geoordeeld worden “om de ongerechtigheid, waarvan hij geweten heeft.” 1 Sam. 3:13. Dus, aan degene die gebruik maakt van iedere gelegenheid om de Waarheid te weten en die ijverig overeenkomstig beantwoordt aan al de vereisten ervan, wordt het toegerekend tot gerechtigheid (Rom. 4:3)–leven zonder zonde. {ABN2: 35.2}

IS DE OOGST NIET HET EINDE DER WERELD?

Vraag Nr.23:

Hoe kan uw leer van de scheiding van onkruid van tussen de tarwe in de kerk geharmoniseerd worden met de verklaring die zegt: “Het onkruid en de tarwe moeten samen opgroeien tot de oogst; en de oogst is het einde van de genadetijd(…)Als het evangeliewerk voltooid is, volgt onmiddellijk de scheiding tussen goed en kwaad en is het lot van elke groep voor altijd beslist”?–“Christ’s Object Lessons,” p. 72,123{Lessen uit het Leven van Alledag, p.39,69,70}. {ABN2: 36.1}

Antwoord:

Ja, volgens de verklaring in kwestie is de “oogst”het einde van de genadetijd, die plaatsvindt bij, niet na, de afsluiting van de genadetijd. En het feit dat het Onderzoekend Oordeel over iemands zaak plaatsvindt nadat zijn levens-carrière in verband met de verlossing is beëindigd en terwijl de genadetijd nog steeds voortgaat, is een ander bewijs dat de “oogst” het laatste gedeelte is van de genadetijd. Dit komt overeen met Jeremia’s verklaring: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” Jer. 8:20{KJV}. Het toont aan dat de oogst een periode is in de tijd die een begin en een einde heeft, en dat er gedurende die tijd mensen worden gered. En Early Writings, p. 118{Eerste Geschriften, blz..} openbaart dat de Derde Engel degene is die het oogsten uitvoert, terwijl Mattheus 13:30 ook aantoont dat de engelen het onkruid scheiden van tussen de tarwe “in de tijd van de oogst.” {ABN2: 36.2}

36

Daarom verwijst het bevel van Christus: “Laat beiden tezamen opgroeien tot de oogst” naar onze tijd, de “tijd van het einde,” de periode waarin de oogst zal worden voltrokken en het “onkruid” gescheiden van de “tarwe.” {ABN2: 37.1}

Aldus is “de oogst” om alle praktische redenen inderdaad “het einde der wereld”–het einde van de goddelozen. {ABN2: 37.2}

De enige manier waarop men Christ’s Object Lessons {Lessen uit het Leven van Alledag} op een andere wijze kan verstaan, is door te falen zich te realiseren dat de wereld op dit moment zich juist aan de “afsluiting der tijd” bevindt. Door te falen in het besef van wat de afsluiting der tijd werkelijk betekent, is men aldus niet in staat om de gerelateerde onderwerpen van de oogst op de juiste wijze in verband te brengen. {ABN2: 37.3}

De Bijbel leert dat de Heer “Jeruzalem [de kerk] met lampen zal doorzoeken; en zal de mannen straffen die dik geworden zijn op hun droesem, en die in hun hart zeggen: De Here doet geen goed en Hij doet geen kwaad.” (Sef. 1:12{KJV}); dat betekent: Hij zal degenen straffen die door hun handelingen zeggen: “De Heer maakt zich niet zo erg bezorgd over wat wij doen”; terwijl God in ernstige waarschuwende waarheid verklaart: ”Ik zal Jeruzalem doorzoeken, “ niet op onverschillige wijze en in duisternis, maar op zorgvuldige wijze, met lampen van licht.  {ABN2: 37.4}

“Ik zal het huis van Israël ziften onder al de volken, gelijk  het koren met een zeef wordt zift; toch zal niet het minste graan ter aarde vallen. Al de zondaren van Mijn volk zullen door het zwaard sterven, die zeggen: Het kwaad zal ons niet overvallen, noch voorkomen.” Amos 9:9,10{KJV}. {ABN2: 37.5}

“Het zal wezen gelijk de afschudding van een olijfboom, gelijk de nalezing der druiven, wanneer de wijnoogst ten einde is. Zij zullen hun stem verheffen, zij zullen zingen vanwege de majesteit des Heren.” Jes.24:13,14{KJV}. {ABN2: 38.1}

Deze schriftgedeelten tonen aan dat nadat de kerk is geschud door de bezoeking van de Heer, dan zullen haar getrouwe leden die zijn overgebleven “zingen vanwege de majesteit des Heren.” De schudding zal de kerk hebben gemaakt wat zij behoort te zijn. {ABN2: 38.2}

Doch wie kan de dag van Zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers.” Mal. 3:2{KJV}. {ABN2: 38.3}

“In de grote zifting die spoedig zal plaatsvinden zullen wij beter in staat zijn de sterkte [het getal] van Israël te meten. De voortekenen openbaren dat de tijdnabij is wanneer de Heer zal tonen dat Zijn wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.”–Testimonies,Vol.5, p. 80{Getuigenissen, Deel 5, p.71}. {ABN2: 38.4}

Aldus verkondigen zowel de Schriften als de Geest der Profetie dat Hij Zelf de kerk zal reinigen, en dat wanneer zij aldus is gereinigd, “de Heidenen” haar “gerechtigheid zullen zien, en alle koningen” haar “heerlijkheid.” Jes. 62:2{KJV}. {ABN2: 38.5}

WANNEER ZAL HIJ HET ONKRUID VAN DE TARWE SCHEIDEN?

Vraag Nr. 24:

“Christ’s Object Lessons,” p. 123{Lessen uit het Leven van Alledag, p. 69,70} zegt: “Als het evangeliewerk voltooid is, volgt onmiddellijk de scheiding tussen goed en kwaad.” Vindt de scheiding die hier wordt vermeld plaats bij de tweede komst? {ABN2: 38.6}

Antwoord:

De scheiding die plaatsvindt wanneer Christus ten tweeden male komt, is dat Hij de heiligen brengt naar de hemel met Hem (Johannes 14:3; 1 Thess. 4:17) en de goddelozen dood achterlaat hier op aarde (2 Thess. 2:7,8). Op deze wijze brengt Zijn Tweede komst wel een fysieke scheiding teweeg. Maar de voorafgaande scheiding die plaatsvindt vóór de tweede komst van Christus, vindt plaats bij Zijn onzichtbare komst, wanneer Hij de “schapen” plaats aan Zijn rechterhand en de “bokken” aan zijn linkerhand (Matt. 25: 32,33; 13:30, Openb. 18:4; Matt. 13:48). {ABN2: 39.1}

“Ik zag de heiligen,” zegt zuster White, “de steden en dorpen verlaten, en gezelschappen vormen, en op de meest afgelegen plaatsen leven. Engelen verschaften hun voedsel en water, terwijl de goddelozen honger en dorst leden.  Toen zag ik de voornamen van de aarde tezamen raad nemen, en Satan en zijn engelen waren zeer bezig rondom hen. Ik zag een geschrift, afschriften waarvan over de verschillende delen van het land verspreid werden, en waarin last gegeven werd, dat, tenzij de heiligen hun eigenaardig geloof wilden verzaken, de Sabbat opgeven, en de eerste dag van de week houden, het de mensen na een zekere tijd vrij zou staan om hen te doden. Maar in dit uur van

39

beproeving waren de heiligen kalm en bedaard, vertrouwende op God, en zich verlatende op Zijn belofte, dat hun uitkomst gegeven zou worden. Op sommige plaatsen liepen de goddelozen op de heiligen toe om hen te doden, voordat de tijd gekomen was, waarop get bevelschrift last gaf, dat zij gedood zouden worden; maar engelen in gedaante van krijgslieden streden voor hen. Satan verlangde om het voorrecht te hebben, de heiligen van de Allerhoogste uit te roeien; maar Jezus gaf Zijn engelen last om over hen te waken. God zou verheerlijkt worden door een verbond te maken met degenen die Zijn wet gehouden hadden, ten aanschouwen van de heidenen rondom hen; en Jezus zou verheerlijkt worden door het naar de hemel opnemen, zonder dat zij de dood gesmaakt hadden, van de getrouwen, die Hem zo lang verwacht hadden.”–Early Writings, p.282, 283{Eerste Geschriften, p. 337, 338}.{ABN2: 39.2}

Het feit dat de heiligen op profetische wijze werden gezien in gezelschappen onder zich zelven voor de tweede komst van Christus, bewijst andermaal dat de scheiding tussen de heilige en de zondaar             plaatsvindt voor Zijn verschijning. De scheiding die wordt teweeg gebracht door de tweede komst van Christus echter, is nog groter. {ABN2: 40.1}

Dus, hoewel de boodschap in Christ’s Object Lessons, p. 123{Lessen uit het Leven van Alledag, p. 69, 70}, wel van toepassing is op de scheiding (waarbij de rechtvaardigen  worden meegenomen naar de hemel en de goddelozen worden achtergelaten op aarde) bij de wederkomst van Christus, toch ruimt het helemaal niet uit de weg de scheiding van het “onkruid” van de “tarwe” (Matt. 13:30),

40

of de “schapen” van de “bokken” (Matt. 25:32). {ABN2: 40.2}

En nu, aangezien de onderscheidende waarheid van het Onderzoekend Oordeel in de hemel de leerstellige vergrootglas is van de Zevende-dags Adventisten, laat ons het gebruiken met betrekking tot het onderwerp van de scheiding. {ABN2: 41.1}

Dat gedeelte van het Onderzoekend Oordeel van de levenden, waarbij er wordt vastgesteld wiens zonden zal worden uitgewist, en als gevolg, eeuwig leven zal worden gegeven, wordt op aarde evenredig gesteld met het werk van de engel met de “schrijversinktkoker,” die wordt belast om een “merkteken te plaatsen” (verzegelen) op  een ieder, die zucht en uitroept vanwege al de gruwelen in Juda en Israël–de kerk.  En het werk van de vijf anderen die daarna volgen om allen te doden die het “merkteken”(zegel) niet hebben, wordt evenredig gesteld in de hemel met het uitwissen van de namen van de zondaars uit het Boek des levens. (Zie Ezechiël 9, Testimonies to Ministers{ Getuigenissen aan Predikanten}, p. 445; Testimonies, Vol. 5, p. 211{Getuigenissen, Deel 5, p..}. {ABN2: 41.2}

Aldus zien wij dat dit tweevoudig profetisch werk van het scheiden van de namen van de zondaars van de namen van de rechtvaardigen in het heiligdom, en de scheiding van de zondaars van de rechtvaardigen in de kerk, hetzelfde is als het werk dat wordt uitgesproken in de gelijkenissen: het scheiden van het onkruid van de tarwe (Matt. 13:30); de slechte vissen van de goede (Matt. 13:48); zij die het bruiloftskleed niet hebben van zij die het hebben (Matt. 22:1-13),

41

 zij die hun talenten niet vermenigvuldigd hebben van zij die dat wel hebben (Matt. 25:20-30). {ABN2: 41.3}

Daar al deze gelijkwaardige scheidingen plaatsvinden gedurende het Onderzoekend Oordeel, vóór de bruiloft, de bekroning, het ontvangst van het koninkrijk (Dan. 7:9, 10, 13, 14), is het duidelijk dat de oogst en het Oordeel tegenhangers zijn, en dat zij plaatsvinden voordat de genadetijd afsluit–wanneer de Heer plotseling komt tot Zijn tempel om “de zonen van Levi te reinigen.” Mal. 3:1-3. En zoals het Oordeel van de doden wordt gevolgd door het Oordeel van de levenden, evenzo wordt het Oordeel van de kerk gevolgd door het Oordeel van de wereld. En “als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?” (1Petr. 4:17)–wanneer de Grote Rechter zit op de troon van Zijn heerlijkheid, wanneer al de natiën zich voor Hem vergaderen, wanneer Hij als een herder zijn schapen apart stelt (Matt. 25:31-46). {ABN2: 42.1}

IS DE SLACHTING VAN EZECHIËL NEGEN LETTERLIJK?

Vraag Nr. 25:

“The Shepherd’s Rod”{ De Herdersstaf} leert dat de slachting van Ezechiël 9 letterlijk is. Zou het niet een vernietiging kunnen zijn zoals wordt veroorzaakt door zogenaamde “werken Gods”– aardbevingen, hongersnoden, pestilenties, de zeven laatste plagen, of desgelijks? {ABN2: 42.2}

 Antwoord:

De vijf werktuigen die goddelozen vernietigen

42

in de kerk zijn geen krachten van de natuur, maar mannen met verdelgingswapens in hun handen. Zij zijn bovennatuurlijke wezens, geen natuurlijke elementen. Daarom kunnen zij niet op gepaste wijze aardbevingen, hongersnoden, of desgelijks voorstellen. {ABN2: 42.3}

Zij kunnen ook niet de zeven engelen zijn met de zeven laatste plagen, want deze engelen zijn zeven in getal, niet vijf. Verder hebben zij geen “verdelgingswapens”in hun handen, maar schalen. Verder nog, vallen de plagen in Babylon (Openb. 18:4), terwijl de slachting van Ezechiël 9 plaatsvindt in Juda en Israël (Ezech. 9:9). {ABN2: 43.1}

Ezechiël 9 brengt, of het nu letterlijk of figuurlijk is, een scheiding teweeg tussen de goeden en de kwaden, het onkruid en de tarwe, in de kerk (Juda en Israël), net zoals de plagen dat uiteindelijk doen in Babylon (Openb. 18:4). En daar de plagen letterlijk zijn, hoe kan de slachting dan enigszins minder letterlijk zijn? {ABN2: 43.2}

De engel met de schrijversinktkoker zal een merkteken plaatsen op de voorhoofden van allen die zuchten en uitroepen vanwege de gruwelen, daarna zullen de verdelgende engelen zowel oud als jong doden (Ezech. 9:4-6). {ABN2: 43.3}

 “De kerk – Gods heiligdom,” zal “het eerst de slag van Gods wraak voelen. De oudsten (de voorgangers) aan wie God groot licht gegeven had en die als wachters voor het geestelijk welzijn van het volk hadden gestaan, hadden hun plicht

43

verzaakt. Zij waren van mening dat wij niet naar wonderen en bijzondere tekenen van Gods macht behoefden uit te zien zoals in de dagen van ouds. De tijden zijn veranderd. Deze woorden versterken hun ongeloof, en zij zeggen: ‘De Heer zal niets goeds maar ook niets kwaads doen. Hij is te genadig om Zijn volk met een oordeel te bezoeken.’ Aldus is ‘vrede en veiligheid’ de roep van mannen die nooit meer hun stem als een bazuin zullen verheffen om Gods volk hun overtredingen te tonen en het huis Jakobs hun zonden. Deze stomme honden die niet wilden blaffen zijn degenen die de rechtvaardige wraak van een beledigde God voelen. Mannen, meisjes, kleine kinderen, allen komen zij tezamen om.” –Testimonies, Vol.5, p. 211{Getuigenissen, Deel 5, p…}.{ABN2: 43.4}

Betreffende wat er in The Great Controversy, p.656 { DE Grote Strijd, p..} staat {geschreven}, kan er slechts een indirecte evenredigheid getrokken worden tussen de slachting van Ezechiël negen en het vallen van de plagen, omdat er een gemeenschappelijke einde (de dood) komt over zowel de goddelozen in de kerk van Laodicea als de goddelozen in de kerken van Babylon. En alleen zij die zeggen: “wij behoeven niet naar wonderen en bijzondere tekenen van Gods macht uit te zien zoals in de dagen van ouds,” denken dat de slachting niet letterlijk is. {ABN2: 44.1}

WIE ZIJN DE VROUW EN HAAR OVERBLIJFSEL?

Vraag Nr. 26:

Wat is de betekenis van Openb. 12:13-17? {ABN2: 44.2}

44

Antwoord:

“En toen de draak zag, dat hij op de aarde was geworpen, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijke kind gebaard had. En aan de vrouw werden de twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen, naar haar plaats, waar zij onderhouden wordt buiten het gezicht van de slang, een tijd en tijden en een halve tijd. En de slang wierp uit haar bek water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten medesleuren. En de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond en verzwolg de stroom, die de draak uit zijn bek had geworpen. En de draak werd toornig op de vrouw en ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben.” Openb. 12:13-17. {ABN2: 45.1}

Bijna alle christenen zijn het erover eens dat de enige houdbare uitlegging van de “vrouw” die hier wordt vermeld, is dat zij symbolisch staat voor de kerk. En het feit dat zij bevallen werd van een manlijk kind, Christus, toont aan dat zij daarom symbolisch staat voor ten minste de christelijke dispensatie. {ABN2: 45.2}

Terwijl de draak haar vervolgde door middel van de misleide Joodse priesters die Christus verwierpen als de Messias, “ontstond er te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de

45

streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem. En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis. Zij dan, die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende.” Hand. 8:1-4. {ABN2: 45.3}

Aan haar werd daarom gegeven vleugels van een grote arend – haar transportmiddel tot in de woestijn. En zijnde het tegengestelde van de wijngaard (“het huis Israëls, en de mannen van Juda Zijn sierlijke plant”–Jes. 5:7), duidt de woestijn vanzelfsprekend de Heidense natiën aan. De apostelen werden daarom, ter vervulling van deze profetie, opgedragen, en de vleugels gegeven, om met spoed naar alle natiën te gaan verkondigen. {ABN2: 46.1}

“Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde.Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwige leven, kwamen tot geloof; en het woord des Heren verbreidde zich door het gehele land.” Hand. 13:46-49. {ABN2: 46.2}

46

Toen hij dit zag, trachtte de slang de bruikbaarheid van de vrouw onder de Heidenen te vernietigen; hij “wierp uit haar bek water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten medesleuren.” Openb. 12:15. {ABN2: 46.3}

Een ieder kan zien dat deze “vloed” alleen maar een voorstelling kan zijn van dat de kerk plotseling wordt doordrongen van onbekeerde heidenen die, zoals in de tijd van Constantijn en jarenlang daarna, zelfs massaal werden opgenomen en gedwongen tot de doop. In de gelijkenissen van Christus wordt deze zelfde “vloed” beschreven, maar met een andere term: “onkruid.” En het duidelijke feit dat zij nog steeds weldegelijk in de kerk {aanwezig} zijn, dringt de pijnlijke realisatie op dat de aarde de vloed nog niet heeft verzwolgen. {ABN2: 47.1}

“Vloed”en “onkruid” zijn figuurlijke gelijkwaardigheden. Het verzwelgen van de vloed is daarom hetzelfde als het verbranden van het onkruid, zoals wordt verstaan uit de gelijkenis van de oogst (Matt.13:3). {ABN2: 47.2}

Daarnaast geeft de Openbaarder aan dat de draak niet eerder dan nadat de vloed is verzwolgen door de aarde, nadat de onbekeerden zijn “gedood” en begraven en de kerk daardoor is gereinigd, zijn hevigste oorlog zal voeren tegen het overblijfsel van het nageslacht van de vrouw. Vandaar dat de oogsttijd in de kerk, de tijd waarin de aarde de vloed verzwelgt, plaatsvindt voordat de draak oorlog voert tegen het overblijfsel. {ABN2: 47.3}

47

“Vruchten” die bijeen zijn vergaderd, zijn een resultaat {of gevolg} van een oogst. Wanneer de 144.000, de eerste vruchten (Openb. 14:4), binnen zijn vergaderd, en het onkruid (de vloed) is vernietigd (verzwolgen) uit hun midden, worden de 144.000 meegenomen naar de berg Sion, alwaar zij dan de Moederkerk vormen, de met twaalf sterren gekroonde vrouw, onder de bescherming van het Lam, die Ene met hen. Aldus beschermd, is zij veilig gesteld van het oorlog voeren van de draak tegen haar. Dus voert hij oorlog tegen haar “overblijfsel,” zij die nog bijeen vergaderd zullen worden—de tweede vruchten die nog steeds verspreid zijn over de wereld, weg van de berg Sion. Dit hoogtepunt der eeuwen werd op levendige wijze voorzegd door zowel Jesaja als Micha: {ABN2: 48.1}

“Maar in de laatste dagen” verklaart Micha, “zal het gescheiden, dat de berg van het huis des Heren vastgesteld zal zijn op de top der bergen, en het zal verheven zijn boven de heuvels; en volkeren zullen derwaarts heen stromen. En vele natiën zullen komen, en zeggen: “Komt, en laat ons opgaan naar de berg van het huis des Heren, en tot het huis van de God van Jakob; en Hij zal ons van Zijn wegen leren, en wij zullen in zijn paden wandelen.” Mich. 4:1, 2{KJV}. (Zie ook Jesaja 2). {ABN2: 48.2}

Uit deze Schriftgedeelten wordt duidelijk gezien dat de berg Sion het hoofdkwartier wordt voor het laatste evangeliewerk op aarde, na de tijd waarop de 144.000 daar aankomen, en gedurende

48

de tijd waarin de draak oorlog voert tegen het overblijfsel, “uit Sion zal de wet uitgaan, en het Woord des Heren uit Jeruzalem”—niet langer vanuit de Generale Conferentie, of vanuit Mount Karmel Centrum. {ABN2: 48.3}

Dan zullen vele natiën zeggen: “Komt, en laat ons opgaan naar de berg van het huis des Heren, en tot het huis van de God van Jakob; en Hij zal ons van Zijn wegen leren, en wij zullen in zijn paden wandelen.” Mich. 4:2{KJV}. {ABN2: 49.1}

WIE IDENTIFICEERDE PLANETEN DIE IN VISIOEN ZIJN GEZIEN?

Vraag Nr. 27:

In zijn geschiedenis van de Advent Beweging, vertelt Ouderling Loughborough: “In de maand november, 1846, was er een conferentie gehouden in Topsham Maine, waarbij Ouderling Bates aanwezig was. Bij deze bijeenkomst had Mw. White (…) een visioen, wat de oorzaak was dat Ouderling Bates volledig overtuigd werd van hun goddelijke oorsprong(…) Mw. White begon, terwijl zij in visioen was, te spreken over de sterren, zij gaf een hartstochtelijke beschrijving van rooskleurige banden die zij zag over de oppervlakte van sommige planeten, en voegde eraan toe: ‘Ik zie vier manen.’ ‘O,’ zei Ouderling Bates, ‘zij is Jupiter aan het bezien!’ Toen zij dan bewegingen had gemaakt alsof zij door de ruimte reisde, begon zij een beschrijving te geven van banden en ringen in hun altijd variërende schoonheid, en zei: ‘Ik zie zeven manen.’ Ouderling Bates riep uit: ‘Zij is Saturnus aan het beschrijven.’ Vervolgens zei ze: ‘Ik zie zes manen,’ en meteen begon er een beschrijving van de ‘geopende hemelen,’ met zijn heerlijkheid(…)” –“The Great Second Advent Movement{De Beweging van de Grote Tweede Advent},” pp. 257, 258. {ABN2: 49.2}

De geweldigere telescopen en stelselfotografieën van vandaag hebben astronomen in staat gesteld te ontdekken dat Jupiter negen manen heeft, en

49

Saturnus tien. De vijf toegevoegde manen van Jupiter werden ontdekt tussen de jaren 1892 en 1914. De achtste maan van Saturnus werd ontdekt in 1848, de negende in 1899, en de tiende in 1905. En vanaf haar visioen is er ontdekt dat Uranus slechts vier manen heeft in plaats van zes. {ABN2: 49.3}

In het licht van deze astronomische feiten, hoe kunt u dan betogen voor de inspiratie van de geschriften van Mw. White? {ABN2: 50.1}

Antwoord:

Het boek The Great Second Advent Movement{De Beweging van de Grote Tweede Advent}, pp. 257, 258, zegt niet dat Zuster White de planeten bij name heeft genoemd, maar het geeft weer wat inhoudelijk werd gezegd door hen die aanwezig waren bij de gelegenheid waarbij zij het visioen kreeg van de planeten. Bovendien suggereert het niet eens dat Zuster White instemde met de bijzondere benamingen die Ouderling Bates gaf ( in het licht van de gangbare astronomische kennis van toen) aan de planeten die zij toen beschouwde. Het was echter slechts vanzelfsprekend voor hem om hen te identificeren zoals hij dat deed, want het paste allemaal keurig bij de astronomische leringen van die dagen. Dus, omdat hij eenvoudigweg in een ogenblik van ijverig enthousiasme, niet volgens Goddelijke openbaring, veronderstelde datgene te identificeren en te benoemen wat God niet identificeerde of benoemde, geeft het niet eens de schijn van integriteit aan de aanklachten die de vraag tegen haar indient. {ABN2: 50.2}

Zij wist klaarblijkelijk niets over de namen van die planeten; Ouderling Bates wist nog minder; en wij weten vandaag de dag zeer weinig, indien het enigszins

50

meer is. Als en wanneer God het nodig acht om hun namen bekend te maken, dan zal Zijn identificatie van hen juist zijn; dát weten wij wél. {ABN2: 50.3}

IS ALLES VAN A WORD TO THE LITTLE FLOCK {EEN WOORD TOT DE KLEINE KUDDE} BETROUWBAAR?

Vraag Nr. 28:

“The Shepherd’s Rod” Vol. 2 {De Herdersstaf, Deel 2}, p. 151, citeert uit “Een Word tot de Kleine Kudde,” betreffende het getal van het tweehoornige beest. Omdat het boek echter gedeeltelijk is geschreven door Ouderling James White en gedeeltelijk door Zuster White, zouden wij willen weten wie de verklaring die wordt vermeld schreef, want als het van Ouderling White komt, dan kunnen wij niet inzien waarom het de bevoegdheid {of het gezag} kan dragen welke de “Rod” {de Staf} eraan toeschrijft. {ABN2: 51.1}

Antwoord:

Hoewel het citaat in kwestie van de pen van Ouderling White afkomstig is, toont juist het feit dat A Word to the Little Flock {Een Woord aan de Kleine Kudde} gezamenlijk door hem en zijn vrouw  was geschreven aan, dat zij zijn artikelen goedkeurde als niet minder gezaghebbend dan die van haar. Anders zou zij het nooit hebben toegelaten dat zijn artikelen gepubliceerd werden als één met die van haar.  Bovendien ontving hij of elk  van de andere pioniers welke waarheid dan ook die zij aannamen in die dagen, oorspronkelijk door haar. Anders gezegd, bij het schrijven van A Word to the Little Flock, was hij slechts datgene opnieuw aan het zetten wat was geopenbaard door Zuster White. De waarheid hiervan wordt duidelijk gezien uit het feit dat haar verklaring over het getal van het beest, op pagina 19, op volmaakte wijze overeenstemt met zijn verklaring op bladzijde 9, het gedeelte welke

51

de Rod {de Staf} citeert. Daarom betekent het aannemen van de zienswijzen van de een over het onderwerp, het aannemen van die van de ander. {ABN2: 51.2}

IS ER EEN AMALGAMATIE{FUSIE} GEWEEST VAN MENSEN EN DIEREN?

Vraag Nr. 29:

“Vanaf de zondvloed” zegt Mw. White, “is er een amalgamatie {fusie, vereniging of samensmelting} geweest van mensen en dieren, zoals er kan worden gezien in de haast eindeloze verscheidenheid van diersoorten, en in bepaalde mensenrassen {of klassen, stammen, volken}.” –“Spiritual Gifts,” Vol. 3{“Geestelijke Gaven,” Deel 3}, p. 75 (1864). Hoe kan dat? {ABN2: 52.1}

Antwoord:

Juist het feit dat de uitlegging die wordt gegeven aan de verklaring van Zuster White betreffende amalgamatie {fusie} resulteert in een dusdanige biologische onzinnigheid, bij welke slechts de meest onwetenden en meest dwazen zich zouden kunnen onderschrijven, is het beste bewijs dat haar woorden erg zijn verdraaid. Wat men ook erop kan aandringen over de taalkundige betekenis van het zinsdeel: “amalgamatie {fusie, vereniging} van mensen en dieren,” blijft het feit duidelijk in het licht van wat zij elders schrijft over het onderwerp, en in de achtergrond van gezond verstand, evenals  van haar ruime begrip van de Bijbel, gezamenlijk met haar vroegere onervarenheid met woorden, dat zij twee soorten amalgamatie tracht aan te tonen – de één onder de verscheidene mensenrassen, de ander onder de verscheidene typen en soorten dieren, bijvoorbeeld: de Hebreeër met de Kanaäniet, en de ezel met het paard, dat resulteert in

52

een bastaard-{of halfbloed-, gekruiste} ras in het ene geval, en een bastaard-{ of gekruiste, halfbloed-} soort in het ander geval. Zijzelf verklaart: “Elk soort dier dat God had geschapen werd behouden in de ark. De verwarde soorten die God niet had geschapen, die het resultaat waren van amalgamatie, werden door de vloed vernietigd.” –Spiritual Gifts {Geestelijke Gaven}, p. 75. {ABN2: 52.2}

WAAROM WORDT ER GEEN BETERE VOORTGANG GEMAAKT?

Vraag nr. 30:

Met het oog op de verhevenheid van het werk en de beknoptheid van tijd, waarom is de verzegelende boodschap geen betere vooruitgang aan het boeken? {ABN2: 53.1}

Antwoord:

Als er in de tijd van Mozes niet een gemengde menigte uit Egypte was gekomen, dan had de Uittocht Beweging binnen een paar weken het beloofde land binnen kunnen gaan. Maar omdat er in het spoor van die Beweging velen volgden die bezeten waren van een geest die anders was dan die van Kaleb en Jozua, raakte de Beweging veertig jaren achter op het schema om het beloofde land binnen te gaan! {ABN2: 53.2}

En hoewel het werk van Jezus bij Zijn eerste komst niet zo verreikend was als dat van ons nu, toch was het van nog groter belang en van kortere duur dan dat van ons. Ogenschijnlijk boekte het echter geen enkele vooruitgang dan ook, wanneer wij in beschouwing nemen dat allen Hem verlieten tijdens Zijn rechtszaak {of verhoor}, en dat Petrus, de meest ijverige

53

der apostelen, zelfs vloekte en zwoor dat hij geen discipel van Christus was. Maar in tegenstelling tot alle voorkomens van een ogenschijnlijke nederlaag, verklaarde Jezus, terwijl Hij aan het kruis hing, dat Zijn werk was volbracht. {ABN2: 53.3}

Verder nog ondernam Hij na Zijn opstanding Zijn reis naar omhoog, en liet slechts enkele halfbekeerde volgelingen achter om het werk voort te zetten.  Aldus waren dit de resultaten van de onvermoeide pogingen van Johannes de Doper en Jezus. Vandaar dat er op de dag van het Pinksterfeest, vanuit de menigten die werden gedoopt door Johannes en Jezus, slechts honderd twintig discipelen eensgezind waren om de uitstorting van Gods Geest te ontvangen. {ABN2: 54.1}

Inderdaad bleek het werk niet alleen klein en onbeduidend, maar ook onmogelijk te zijn om voort te zetten. Niettemin, naargelang zij die twijfelden onder de menigte een verontschuldiging zagen in de ogenschijnlijk volkomen nederlaag door de kruisiging van Jezus, scheidden zij zich af van tussen de getrouwen. En naargelang de overgeblevenen van Zijn volgelingen het vertrouwen verloren in zichzelf, het eigen ik afzwoeren, en de Heer ernstig zochten in een tijd waarin er in zichzelf niet eens de geringste hoop leefde om het werk voort te zetten, gaven zij de Heer een gelegenheid om Zijn grote macht te manifesteren en Zijn zaak te bevorderen met een dusdanige vlugheid, dat er door één preek drieduizend waren bekeerd op één dag. Daarna werden er dagelijks slechts “zij die behouden zouden worden” toegevoegd –zij die

54

 grondig bekeerd waren. Aldus begon het werk van het evangelie spoedig te groeien, toen de Heer eenmaal een groep mensen had die Hij kon vertrouwen en gebruiken. {ABN2: 54.2}

Op gelijke wijze zou de Advent Beweging meteen na de Conferentie te Minneapolis in 1888 met het werk van de engel met de Luide Roep kunnen zijn begonnen, maar als gevolg van de ongeloof van velen in de Testimonies{Getuigenissen} van de Geest van God, werd de “roep” tot zwijgen gebracht gedurende veertig jaren, terwijl de Beweging terugkeerde “naar Egypte.” – Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, p. 178}. {ABN2: 55.1}

In het jaar 1930 sprak de Heer opnieuw tot Zijn volk, zoals Hij sprak tot Israël in de dagen van Jozua, maar evenals toen zijn er nu onder ons de tien spionnen, de Korachs, Dathans en Abirams, en de Achans – al dezulken die graag ontmoedigende verslagen uitbrengen, die een positie {of functie} najagen, die het Babylonisch kleed, het zilver, en de gouden staaf begeren. En als gevolg worden ook wij achtergehouden, en zullen dat blijven zijn, totdat de Heer Zijn macht manifesteert, en van onder ons wegneemt hen die pretenderen {zich voorgeven}, ons vrijmaakt van zonde en zondaars, zoals ten tijde van Korach en zoals ten tijde van Achan, en tot ons zegt, zoals Hij tot Jozua zei: “Trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk, naar het land, dat Ik hun, de kinderen Israëls, geven zal.” Joz. 1:2. {ABN2: 55.2}

Hoewel wij soms grotelijks teleurgesteld zijn als wij onder ons de ontrouwe,

55

twijfelende, foutenzoekende, zelfverheffende menigte zien, inclusief hen die de Here hebben verlaten; en zij die, wanneer zij op de proef worden gesteld vanwege hun geloof, zelfs vloeken en zweren dat zij geen volgelingen zijn van de boodschap van de Shepherd’s Rod {de Herdersstaf};  gezamenlijk met hen die ogenschijnlijk geloven em die verklaren dat zij sterk staan in de boodschap, maar die stenen werpen op ons en op ons werk;–hoewel wij zeker niet dankbaar zijn voor dit element, zijn wij toch helemaal niet ontmoedigd, maar eerder verblijd om alleen te staan voor waarheid en gerechtigheid wanneer de meerderheid ons verlaat. {ABN2: 55.3}

Wij kunnen niet anders dan nederig uit te roepen: Ach Here, help ons getrouw te staan tot U, al zou de gehele wereld u verlaten, of zelfs al zouden wij moeten sterven als de apostelen, indien nodig. Dat wij mogen zijn als Daniel, Sadrach, Mesach, en Abednego—getrouw te staan zelfs in gevaar van hun leven, zodat Gij de gelegenheid kunt krijgen om ons te verlossen uit een leeuwenkuil, of uit een vurige oven, indien nodig, aldus Uzelf bekend makend over de gehele wereld door onze trouw. Mogen wij vervuld zijn met de ijver van Noach wanneer wij betrokken zijn in het bouwen van de ark van vandaag, terwijl velen belijdende broeders en zusters in de boodschap ons werk en standpunt in twijfel trekken en bekritiseren (Testimonies, Vol. 5, p. 690{Getuigenissen, Deel 5, p..}) en de vooruitgang van het werk vertragen, en terwijl anderen ons ervan beschuldigen dat wij teveel op ons nemen. {ABN2: 56.1}

56

Mogen wij nooit zeggen: “De Here vertraagt Zijn komst”; of: “Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij,” of: “Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen.” Num. 13:31-33. Dat wij nooit zo dwaas en wanhopig als dit mogen worden. {ABN2: 57.1}

WAAROM IN OPSPRAAK BRENGEN WAAR DAT NIET GEWENST IS?

Vraag Nr. 31:

Als de Davidians denken dat zij een boodschap hebben, waarom stellen zij zich dan niet tevreden door hun gang te gaan en anderen hun eigen gang te laten gaan? Waarom zouden zij hun boodschap in opspraak brengen in onze kerk? {ABN2: 57.2}

Antwoord:

Door terug te blikken op de kerkgeschiedenis door de eeuwen heen ondervinden wij, dat indien allen hetzelfde standpunt hadden ingenomen als de vrager, dan zou de voortschrijdende Waarheid de kerk nimmer hebben bereikt in welke periode dan ook. Als Gods boodschappers voortijds hadden gefaald om hun boodschap in hun eigen kerken in opspraak te brengen, hoe zouden dan de verscheidene reformerende {of hervormende} boodschappen Zijn volk hebben bereikt? Is Hij niet meer geïnteresseerd in hen dan dat Hij dat is in de heidenen? Johannes de Doper, Jezus, en de apostelen, hebben allen hun levens opgeofferd teneinde hun boodschap tot hun eigen kerk te kunnen brengen. Waarom zouden de Davidians dan niet op gelijke wijze handelen? {ABN2: 57.3}

{Citaat Great Controversy, p. 609}. {ABN2: 58.1}

Dus wagen wij het niet te weigeren om de bijzondere {speciale} Davidian Waarheid voor de kerk van vandaag te verkondigen {publiceren}. {ABN2: 58.2}

WERKEN VAN BINNEN OF NAAR BUITEN?

Vraag Nr.32:

Aan de ene kant ondervind ik dat uw literatuur de gelovigen ervan leert dat zij de gelederen van de Moederkerk niet moeten verlaten, terwijl ik aan de andere kant ondervind dat het eindeloos moeilijkheden veroorzaakt voor de kerk. Hoe verenigt u uw voorschrift met uw voorbeeld? Waarom wijdt u uw tijd niet aan evangeliserende pogingen, om dwalende zielen tot de kennis der Waarheid te brengen, en laat u de kerk met rust? {ABN2: 58.3}

58

Antwoord:

Wij geloven met zekerheid dat dit geen tijd is om uit elkaar te drijven, maar inderdaad om samen te bundelen.En de boodschap die wij aan het uitdragen zijn tot de kerk, bevat niet alleen geen leerstelling die ons afscheiden van haar gelederen zou rechtvaardigen, om een afgescheiden sekte te worden, maar integendeel verbiedt het ons absoluut om dat te doen. Om deze reden hebben wij vanaf het allereerste begin geweigerd, zelfs tegen het trotseren van groffe behandeling, om de Moederkerk te verlaten. {ABN2: 59.1}

Voor zover het ons aangaat, is de bestaande strijd en schisme daarom de verantwoordelijkheid van de leidende broeders van het Kerkgenootschap, en niet van ons, want wij voeren alleen maar het uitgedrukte voorschrift en voorbeeld van de Heer uit, om de Waarheid nooit op te offeren. En zijzelf geven toe dat wij God, en niet mensen moeten gehoorzamen. Op hen rust daarom de zware schuld van het herhalen van de tragische dwaasheid van de Joden in de tijd van Christus, door de boodschap van het uur te verwerpen, “zelf niet binnengaand” tot de uitbreiding der Waarheid, degenen verhinderend die binnen zouden willen gaan, en degenen uitwerpend die er binnengaan. {ABN2: 59.2}

Om dus onze tijd te wijden aan het evangeliseren van de wereld en tegelijk de kerk te verwaarlozen, zou een misdadige handeling zijn, en een van het hoogste verraad tegen zowel God als tegen Zijn volk. De kerk moet eerst gered worden van haar

59

Laodiceaanse toestand van zijnde “jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt.” Zíj, niet de wereld, staat net op het punt uitgespuwd  te worden. Zij “is het enige voorwerp op de aarde waarover Hij Zijn verheven achting uitstort.” –Testimonies to Ministers, p.15. {ABN2: 59.3}

Maar in haar huidige betreurenswaardige staat van blindheid en gebrek, zoals aangetoond  door de Getrouwe Getuige (Openb.3:14-18), is zij volkomen ongeschikt voor de taak die haar is toegewezen, en moet zij gered worden van haar treurige misleiding voordat zij een veilige toevlucht en een reddende invloed kan worden voor degenen die zich bij haar gelederen zouden willen voegen. Als God haar in haar Laodiceaanse toestand  zou laten waarin zij nu wegkwijnt, dan zou niet alleen zijzelf verloren zijn, maar als gevolg ook de gehele wereld met haar tezamen. Daarom moet Hij haar opwekken of anders een andere {kerk} oprichten om het werk te doen dat nog gedaan moet worden. {ABN2: 60.1}

Gedenk echter, wat een eeuwige vreugde het zou zijn voor Hem om haar geschikt te maken en haar te gebruiken tot Zijn heerlijkheid, in plaats van haar in de steek te moeten laten! Dus, voordat Hij als een laatste toevlucht een andere {kerk} opricht, probeert Hij haar te redden, en Hij zal haar redden, zoals Hij belooft: {ABN2: 60.2}

“Satan zal zijn wonderen uitoefenen om te misleiden, hij zal zijn macht als verheven oprichten. De kerk kan blijken als op het punt staande te vallen, maar het valt niet. Het blijft {staande}, terwijl de zondaars in Sion uitgezift zullen worden. Het kaf

60

wordt gescheiden van de kostbare tarwe. Dit is een vreselijke beproeving {godsgericht}, maar desondanks moet het plaatsvinden. Niemand dan degenen die overwinnend zijn geweest door het bloed van het Lam, en het woord van hun getuigenis, zullen gevonden worden met de getrouwen en waarachtigen, zonder smet of vlek van de zonde, zonder bedrog in hun mond. Het overblijfsel, dat hun zielen reinigt door aan de waarheid te gehoorzamen,  putten kracht uit het beproevende proces, de schoonheid van heiligheid aan de dag leggend temidden van de omringende afvalligheid…. {ABN2: 60.3}

“De grote zaak, die zo nabij op handen is, zal zal degenen uitwieden die God niet heft aangesteld, en Hij zal een reine, waarachtige, geheiligde bediening hebben, voorbereid voor de late regen.”—B-55-1886. {ABN2: 61.1}

Indien de Heer—Die Zelf, toen Hij op aarde was, al Zijn tijd besteedde aan de uitsluitende poging om Zijn verloren kerk toentertijd te redden—ons tot de wereld zou zenden in plaats van tot Zijn verloren kerk van vandaag, dan zou Hij niet alleen de onschuldigen inbrengen om met de schuldigen om te komen, maar ook Zijn eigen handelwijze volledig omkeren {herroepen} en Zijn eigen geboden tot Zijn apostelen tegenspreken, dat zij tegenwoordige Waarheid eerst tot de kerk moeten prediken.(Matt.10:5,6). {ABN2: 61.2}

In genade en in consequentheid met Zijn eeuwige procedure, bestemde Hij daarom dat “terwijl het onderzoekend oordeel voortgang vindt in de hemel, terwijl de zonden van boetvaardige gelovigen worden verwijderd uit het heiligdom, zal er een speciaal

61

 werk van reiniging, van het wegdoen van de zonde, gedaan worden onder [Zijn] volk op aarde.” Dit is haar  speciale werk. “Dan zal de gemeente, die [Hij] (…) ‘bij zijn komst voor Zich zal ontvangen,’een heerlijke gemeente zijn, ‘zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks.’”—The Great Controversy, p.425 {De Grote Strijd, blz. 397,398}.{ABN2: 61.3}

“De Here werkt nu niet om vele zielen in de waarheid te brengen,” zegt de Geest der Waarheid verder,  “vanwege de gemeenteleden die nooit bekeerd zijn geweest, en degenen die eens bekeerd waren, maar die teruggevallen zijn. Welke invloed zouden deze ontoegewijde leden hebben op nieuwe bekeerlingen? Zouden ze de door God gegeven boodschap, die Zijn volk moet dragen, niet zonder uitwerking maken?”—Testimonies, Vol.6, p.371 {Getuigenissen, Deel 6, blz. 371}. {ABN2: 62.1}

Maar wanneer de teruggevallene en de onbekeerde, het onkruid, is weggenomen, “Dan zal zij voorkomen “als de dageraad, schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met banieren.’”—The Great Controversy, p.425 {De Grote Strijd, blz. 398}.{ABN2: 62.2}

Ja, de oprechte heiden moet en zal geëvangeliseerd worden, maar “de verloren schapen van het huis Israëls” (Matt.10:6) moeten eerst gezocht worden. Hoe dankbaar, en hoe medewerkend behoren zij daarom te zijn, en zullen zij zijn, wanneer zij ontdekken dat in plaats van rijk en met goederen verrijkt te zijn, en aan niets gebrek hebbend, zij in werkelijkheid “jammerlijk, en ellendig, en arm, en

62

blind, en naakt” zijn—aan van alles gebrek hebben; en dat de Heer op hen wacht om wakker te worden tot het feit, zodat Hij hen kan maken tot wat zij behoren te zijn. {ABN2: 62.3}

Om deze redenen, zegt God nu om van binnen in de Laodiceaanse vergadering te werken, in plaats van naar buiten {toe}. En wat Hij zegt, dat meent Hij, en wij wagen het niet om ongehoorzaam te zijn, ongeacht wat mensen kunnen zeggen of doen. {ABN2: 63.1}

ONDERWIJST THE ROD {DE STAF} NOG STEEDS “HETZELFDE”?

Vraag Nr. 33:

In haar begin is “The Shepherd’s Rod” {De Herdersstaf} ermee eens met de Geest de Profetie dat “het overblijfsel van haar nageslacht de 144.000 zijn, tegen wie de draak oorlog voert.” — “The Shepherd’s Rod,” Vol. 2{De Herdersstaf, Deel 2}, p. 265. Vandaag de dag, tien jaar later, onderwijst het dat “het overblijfsel van haar nageslacht” in dit geval degenen zijn die zich nog in de wereld bevinden wanneer Babylon het beest berijdt(Openb. 17).” –“The Symbolic Code,”{De Symbolische Code}, Juli-December, 1941, p. 9. Wanneer had zij het aan de juiste eind- toen of nu? {ABN2: 63.2}

Antwoord:

Als men niet kan ontkennen dat de 144.000, de eerste vruchten, leden van de kerk zijn, dan kan men niet ontkennen dat zij van haar nageslacht zijn. En omdat zij levend overblijven van de slachting van de ontrouwen in hun midden, zijn zij daarom het “overblijfsel” –datgene wat overblijft. Met dezelfde soort logica is het op gelijke wijze niet ontkenbaar, dat daar de vrouw van Openbaring 12 een symbool is van de kerk tot het einde der tijd, dan zijn de tweede vruchten van haar zaad of nageslacht, zij die levend

63

overblijven van de vernietiging van de goddelozen over de gehele wereld, ook een “overblijfsel.” {ABN2: 63.3}

Het is daarom duidelijk dat beide verklaringen juist zijn. Het enig punt van verschil tussen hen is dat toen de ene {verklaring} in Volume{Deel} 2,werd opgesteld, de Rod {de Staf} niet het toegevoegde licht had welke later de ene inspireerde in de Code, en welke aantoont dat zowel de 144.000 als de grote schare overblijfselen zijn: De eerstgenoemde van het ontkomen van het doden van de ontrouwen in de kerk door de Heer (Jes. 66:19), en de laatstgenoemde omdat zij niet worden geroepen uit Babylon tot nadat de eerstgenoemden naar het land Israel zijn gegaan (Jes. 66:20), ook omdat zij levend overblijven nadat de goddelozen, onder wie zij zijn uitgeroepen, zijn omgekomen. {ABN2: 64.1}

IS DE AVOND HET EINDE OF HET BEGIN VAN DE DAG?

Vraag Nr. 34:

Tract No. 10, “The Sign of Jona” {Traktaat Nr. 10, “Het Teken van Jona”}, 1942 Editie, zegt dat de avond het einde, niet het begin is van een vier en twintig uur durende dag. Maar Genesis 1:5 zegt dat de avond en de morgen de eerste dag waren. Verplaatst deze verklaring de avond niet naar het eerste deel van de dag? {ABN2: 64.2}

Antwoord:

Wij zijn het erover eens dat volgens Genesis 1:5 de avond waarlijk het eerste deel is van de dag. Bijvoorbeeld: Vrijdagnacht is het

64

eerste deel van zaterdag, en zaterdagnacht is het eerste deel van zondag. Dit Bijbelse feit werd erkend door Gods volk al de weg. Maar al vroeg in de tijd van de Bijbel tot op deze tegenwoordige tijd, wordt de term: “tegen de avond” gebruikt om het laatste gedeelte van de dag – de middag – aan te duiden (Ex. 12:6; 16:13; Markus 14:12, 13, 15, 17; Johannes 20:19). Aldus verandert deze terminologie, hoewel algemeen gebruikt, op geen enkele wijze het feit dat de nacht die volgt na de “tegen de avond” periode en voorafgaat aan de dag, zal worden gerekend tot het eerste deel van de vier en twintig uur cyclus, want “de avond en de morgen waren de zesde dag.” Gen. 1:31{KJV}. Het is in dit licht dat de verklaring van Tract No. 10{Traktaat Nr. 10} zou moeten worden verstaan. {ABN2: 64.3}

IS HET WAAR?

Vraag Nr. 35:

Wij zouden willen weten of het waar is, zoals wij hebben gehoord, dat het een beleid van Mt. Karmel is om alle correspondenties en aanvragen voor lectuur strikt vertrouwelijk te behandelen. {ABN2: 65.1}

Antwoord:

Het is een niet te overtreden administratieve ethiek van Mt. Karmel dat geen enkele correspondentie of aanvraag voor lectuur wordt bekend gemaakt behalve op verzoek of goedkeuring van de schrijver. {ABN2: 65.2}

IN WELK ZEGEL?

Vraag Nr. 36:

Hoe kan de verzegeling van de 144.000 (de eerste vruchten) en de grote schare (de

65

 tweede vruchten) beide plaatsvinden onder het zesde zegel, daar Openbaring 7 door haar positie tussen de afsluitende gebeurtenissen van het zesde zegel en de opening van het zevende zegel? {ABN2: 65.3}

Antwoord:

Openbaring 7 blijkt vanzelfsprekend, zoals het voorkomt tussen de afsluitende gebeurtenissen van het zesde zegel en de opening van het zevende, de verzegeling van zowel de 144.000 als de grote schare te plaatsen onder de gebeurtenissen van het zesde zegel. Maar een zorgvuldige studie van de zeven zegels bewijst dat het zesde hoofdstuk, qua voortzetting, verbonden is met het achtste hoofdstuk. Dus is het zevende hoofdstuk een tussenvoeging, en het beperkt zich niet tot het zesde of het zevende. {ABN2: 66.1}

Met andere woorden, hoewel het zevende hoofdstuk volgt na de gebeurtenissen van het zesde zegel, en voorafgaat aan de gebeurtenissen van het zevende, moet het hoofdstuk zelf niet noodzakelijkerwijs enigszins meer chronologisch worden opgevat dan de hoofdstukken 12 tot en met 22 moeten worden opgevat als een deel van het zevende zegel, eenvoudigweg omdat zij zijn opgetekend onmiddellijk volgend op de gebeurtenissen daarvan. De tijd van de gebeurtenissen van het zevende hoofdstuk moet relatief worden vastgesteld, op de zelfde wijze zoals dat gedaan moet worden met de gebeurtenissen van het twaalfde tot en met het twee en twintigste hoofdstukken. {ABN2: 66.2}

WIE VLUCHT NAAR DE BERGEN?

Vraag Nr. 37:

Als Gods volk in het Koninkrijk is gedurende de Luide Roep, hoe kunnen zij dan in de gevangenis gezet

66

of naar de bergen verdreven worden gedurende die tijd, zoals de Geest der Profetie duidelijk bevestigt dat dit hen zal geworden (“The Great Controversy,” p. 626{De Grote Strijd, p…})? {ABN2: 66.3}

Antwoord:

Wanneer er wordt begrepen dat de 144.000 slechts de eerste vruchten zijn, de voorlopers of de vooraanstaande bewaarders van een grote schare van tweede vruchten, dan is de moeilijkheid in kwestie onmiddellijk opgelost. De eerste vruchten staan met het Lam, veilig op de berg Sion (in het Koninkrijk). Aldus kunnen zij die een schuilplaats zullen vinden in de bergen, en zij die in de gevangenis gezet zullen worden, alleen degenen zijn die zich bevinden onder de tweede vruchten – zij die de boodschap zullen aannemen gedurende de Luide Roep, maar die tegen die tijd het Koninkrijk nog niet zullen hebben bereikt. (Zie onze Tract No. 12, The World Yesterday, Today, Tomorrow{Traktaat Nr. 12, De Wereld Gisteren, Vandaag, Morgen} 1941 Editie, p. 45-49.) {ABN2: 67.1}

WANNEER ZAL HIJ HET HEILIGDOM VERLATEN?

Vraag Nr. 38:

“The Shepherd’s Rod” {“De Herdersstaf”} schijnt te zeggen dat Jezus de Allerheiligste plaats zal verlaten bij de uitvoering van de slachting van Ezechiël 9, terwijl “Early Writings,” p. 36{Eerste geschriften, p…} schijnt te zeggen dat Hij de plaats zal verlaten nadat Zijn werk in het heiligdom is voldaan, en dan zullen de zeven laatste plagen komen. Hoe verenigt u die twee? {ABN2: 67.2}

Antwoord:

Hoewel de schrijfster van Early Writings{Eerste Geschriften} zegt dat Christus het heiligdom niet zal verlaten voordat Zijn “werk is voldaan,” toch

67

schrijft zij ergens anders: “Zij zullen zich verlustigen in de dwalingen, vergissingen en fouten van anderen, ‘totdat,’ zegt de engel, ‘de Heer Jezus zal opstaan van Zijn bemiddelend werk in het hemelse heiligdom, en Zich zal bekleden met de klederen der wraak, en hen zal overvallen tijdens hun onheilige feest, en zij zullen ontdekken dat zij niet gereed zijn voor het bruiloftsmaal van het Lam.’” – Testimonies, Vol. 5, p.690{Getuigenissen, Deel 5, p. 561}.{ABN2: 67.3}

Door de vraag te bekijken in het licht van beide verklaringen, zien wij dat Christus het heiligdom verlaat op een bepaald tijdstip gedurende het “ontvouwen van de waarheid.” Wanneer Hij tot de kerk komt, treft Hij haar aan, niet zonder vlek en gereed om Hem te ontmoeten, maar diep in de zonde, en toch op zelfvoldane wijze zich verlustigend in de dwalingen, fouten en vergissingen van anderen. {ABN2: 68.1}

Het probleem nu dat voor ons ligt, is niet hoe the Rod {de Staf} in overeenstemming te brengen met Early Writings {Eerste Geschriften}, maar Early Writings met the Testimonies {de Getuigenissen}. Dezen worden automatisch in overeenstemming gebracht {geharmoniseerd} wanneer het wordt begrepen{aangenomen} dat Christus het heiligdom meer dan één keer verlaat; Eenmaal na het afsluitingswerk voor de kerk”(Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 266), en andermaal na het afsluitingswerk voor de wereld. {ABN2: 68.2}

WIE IS AFGEDWAALD VAN DE OUDE GRENSPALEN?

Vraag Nr. 39:

De Zevende-dags Adventisten gemeente heeft altijd geleerd dat het getal 666 van toepassing is op het luipaardachtig beest (Openb. 13:1-10). Maar “The

68

Shepherd’s Rod” leert dat het van toepassing is op het tweehoornig beest (Openb. 13:11). Vertelt de Geest der Profetie ons niet duidelijk dat “er geen enkele regel van waarheid die het volk der Zevende-dags  Adventisten heeft gemaakt wat zij zijn, zal worden verzwakt”? –“Testimonies,” Vol. 6{“Getuigenissen,” Deel 6}, p. 17. En waarschuwt het verder niet: “Wee degene die een blokje zal bewegen, of een speld eruit zal trekken”van die boodschappen? –“Early Writings,” p. 258{“Eerste Geschriften,” p. 310}. {ABN2: 68.3}

Antwoord:

De Geest der Profetie leert het inderdaad zo, en om honderd procent ermee in harmonie te zijn over dit punt evenals over alle andere {punten}, is the Rod {de Staf} zorgvuldig de Waarheid aan het ontdoen van het puin{de rommel} waarmee mensen het hebben bedekt, en is het aldus aan het herstellen tot haar oorspronkelijke glorie. Zo heeft het dat gedaan met de waarheid betreffende het getal 666. {ABN2: 69.1}

Hoewel dit nummer lange tijd erkentelijk is toegepast op het luipaardachtig beest, was de toepassing niet afkomstig van de stichters van het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten, en het werd ook niet door hen geleerd in de vroegere dagen van de Beweging. Het werd veeleer van buiten ingebracht en geweven in het web van de Zevende-dags Adventistische leer ondanks het feit dat de Geest der Waarheid verklaarde door middel van de stichters van het Kerkgenootschap dat het getal van toepassing was op het tweehoornig beest: {ABN2: 69.2}

Het “beest,” zegt Ouderling G.W. Holt, schrijvend in de vroegere dagen van de boodschap, “dat zeven koppen en tien horens heeft is degene waarnaar er wordt verwezen; en ik denk dat het beeld, het beest is die ‘twee horens als en lam’ heeft,

69

 maar die ‘sprak als een draak.’ Zijn getal is 666.” –The Present Truth, Vol.1, No. 8, March, 1850{De Tegenwoordige Waarheid, Deel 1, Nr. 8, Maart, 1850}. {ABN2: 69.3}

De “laatste macht die de heiligen vertreedt,” zegt Ouderling White, schrijvend tegen ongeveer dezelfde tijd, “wordt in zicht gebracht in Openb. 13:11-18. Zijn getal is 666.”–A Word to the Little Flock{Een Woord aan de Kleine Kudde}, p. 9. {ABN2: 70.1}

En als laatst, verklaarde Zuster White, ter bevestiging van de echtheid van dit standpunt: “Ik zag dat allen die ‘het merkteken van het Beest, en van zijn Beeld wilden ontvangen in hun voorhoofden en in hun handen,’ niet konden kopen of verkopen. Ik zag dat het getal (666) van het Beeld Beest was opgesteld; en dat het beest het was dat de Sabbat had veranderd, en het Beeld Beest dat had nagevolgd, en de Sabbat van de Paus, en niet van God, onderhield.” – A Word to the Little Flock,{Een Woord aan de Kleine Kudde} p. 19. {Noot: Het getal 666 werd tussen haakjes geplaatst door de uitgever van A Word to the Little Flock.) {ABN2: 70.2}

Hier hebben wij bij monde van drie getuigen duidelijk bewijs dat de huidige leer van het Kerkgenootschap betreffende het getal 666 noch afkomstig noch goedgekeurd was door de stichtvaders daarvan, dat het in feite niet een van de regels der waarheid was, noch zelfs een van de blokjes of spelden van de boodschap, welke God gaf aan dit volk. Bovendien plaatst de Bijbel het getal op het tweehoornig beest. Merk op dat al de eigenschappen die betrekking hebben tot het tienhoornig beest zijn beschreven in Openb. 13:1-10, en dat al wat betrekking

70

heeft tot het tweehoornig beest is beschreven in Openb. 13:11-18. Daar het getal de beschrijving afsluit van het tweehoornig beest, kan het logischerwijs niet toegepast worden op het tienhoornig beest. {ABN2: 70.3}

Dit is slechts een van de vele afwijkingen van Waarheid, die Zuster White ver terug in de tijd (1882) veroorzaakte om uit te roepen: “De kerk volgt Christus niet langer na als haar Leider en keert gestaag terug naar Egypte. Toch zijn er maar weinigen gealarmeerd of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht. Twijfel, en zelfs ongeloof in de getuigenissen van de Geest van God, doordrin­gen overal onze kerken. Zo ziet Satan het graag. Zo zien predikan­ten die zichzelf prediken in plaats van Chris­tus het graag. De Getuigenissen worden niet gelezen en worden niet gewaardeerd. God heeft tot u gesproken. Licht heeft vanuit Zijn Woord en vanuit de Getui­genis­sen geschenen, en beiden zijn geringgeschat en terzijde gelegd. Het resultaat is een aantoon­baar gebrek aan rein­heid, toe­wijding en ernstig geloof onder ons.”– Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, p. 178.} {ABN2: 71.1}

“Wij zijn afgedwaald van de oude grenspalen. Laten wij terugkeren. Als de Here God is, dien Hem dan; als Baäl dat is, dient hem. Aan wiens zijde zult u staan?” — Testimonies, Vol. 5, p. 137{Getuigenissen, Deel 5, p. 115.} {ABN2: 71.2}

VROEGERE OF LATERE ZIENSWIJZE?

Vraag Nr. 40:

“Early Writings,” p. 75{Eerste Geschriften, p.} zegt: “Toen er eenheid bestond, vóór 1844, waren haast allen eensgezind over

71

de juiste zienswijze betreffende het “dagelijkse,” maar tijdens de verwarring vanaf 1844, zijn er andere zienswijzen aangenomen.” Waarom brengt dan Tract No. 3, “The Judgment and the Harvest” {Traktaat nr. 3, “Het Oordeel en de Oogst”}, 1942 Editie, p. 31, nog een andere zienswijze naar voren die zelfs toen helemaal niet bekend was? Betekent het “dagelijkse offer”van Daniël 8:12 niet het “offeraltaar van Jehova”? {ABN2: 71.3}

Antwoord:

Het is waar, dat Early Writings {Eerste Geschriften} zegt dat vóór 1844 haast allen eensgezind waren over de juiste wijze, maar het zegt niet wat die zienswijze was, en niemand schijnt het nu te weten. Het zou kunnen zijn dat het “dagelijkse” “niet een testvraag” was, of dat het helemaal niet werd begrepen, en dat allen dus het erover eens waren dat onder de tegenwoordige omstandigheden van toen, zwijgen goud was, dus zou dat “de juiste ziens wijze” zijn geweest om aan te nemen in dat geval. In feite zijn er vele mogelijke zienswijzen waarover zij eensgezind hadden kunnen zijn, maar die niet noodzakelijkerwijs verband zouden kunnen hebben met de uitdrukkelijke uitleg van het woord “dagelijkse” zelf. Eén ding is echter zeker: als zij de waarheid hadden van het “dagelijkse,” dan zou de schrijver van Early Writings het hebben gepubliceerd, en het hebben onderwezen; en wij allen zouden vandaag de dag weten wat het is. {ABN2: 72.1}

Dat de zienswijze niet dusdanig was om het “dagelijkse” tot het “offeraltaar van Jehova” te doen betekenen, wordt vooraf vastgesteld uit het feit dat Early Writings, p. 74 {Eerste geschriften, p.} zegt dat “het woord ‘offer’ was toegevoegd door menselijke wijsheid, en niet behoort bij de tekst.” En zonder te worden gekoppeld aan het woord

72

“offer,” kan het woord “dagelijkse”op zichzelf genomen niet verbonden zijn met zulk een dergelijk altaar. {ABN2: 72.2}

De uitlegging van de Traktaat van het “dagelijkse” is zowel Bijbels als historisch, en daarom kan het slechts “gezonde leer” zijn. {ABN2: 73.1}

WAAROM DRIE TITELS VOOR HET EENMAAL VERDEELDE KONINKRIJK?

Vraag Nr. 41:

Wilt u alstublieft het verschil uitleggen tussen de termen Juda, Efraïm en Israël? {ABN2: 73.2}

Antwoord:

In haar oorspronkelijke en striktste aanduiding wijst de term “Israël” de kinderen Israëls aan van de dagen van Jakob, hun vader, tot aan het einde van de regering van Koning Salomo. {ABN2: 73.3}

Men zal zich echter herinneren dat na de dood van Salomo, het koninkrijk in tweeën werd gescheurd (1 Koningen 11:11, 12; 12:19, 20, 21). De ene divisie, samengesteld door de twee stammen, bezat het zuidelijke gedeelte van het Beloofde Land, terwijl de andere divisie, samengesteld door de tien stammen, bezat het noordelijke gedeelte. De eerstgenoemde naam de titel “Juda” aan omdat Juda erover heerste, de laatstgenoemde nam de titel “Israël” aan omdat het werd gevormd door de meerderheid van de stammen. Op dit tien-stammen koninkrijk is daarom de term “Israël” van toepassing wanneer het wordt gebruikt bij haar tweede aanneming, met uitzondering van twee stammen, Juda en Benjamin. {ABN2: 73.4}

73

De term “Efraïm” wijst in collectieve zin ook de tien stammen van het noordelijke koninkrijk aan (Jes. 7:1, 2), omdat de stam Efraïm erover heerste. Aldus zijn de eponiemen “Israël” (wanneer uitzonderlijk gebruikt voor de tien stammen) en “Efraïm” van toepassing op de noordelijke divisie, en het eponiem “Juda” op de zuidelijke divisie, van Gods vroegere volk. {ABN2: 74.1}

Zal Het Koninkrijk Opgericht Worden Vóór Het Millennium?

Vraag Nr. 42:

“The Great Controversy,” pp. 322, 323 {“De Grote Strijd,” p..} leert dat “pas bij de persoonlijke komst van Christus, Zijn volk het koninkrijk kan ontvangen(…)Maar wanneer Jezus komt, bekleedt Hij Zijn volk met onsterfelijkheid; en dan roept Hij hen op om het koninkrijk te beërven waarvan zij tot nu toe slechts erfgenamen zijn geweest.” Wilt u alstublieft helpen de Bijbel en “The Shepherd’s Rod” {“De Herdersstaf”} in harmonie te brengen met deze en andere passages in de Geschriften van Zuster White met betrekking tot het oprichten van het Koninkrijk? {ABN2: 74.2}

Antwoord:

Hoewel de leer van het Koninkrijk niet als zodanig volkomen kan blijken te zijn onder de lens van Zuster White’s geschriften als onder de lens van de Rod {Staf}, waagt men het niet om beiden aldus op een oppervlakkige wijze te verwerpen, maar moet men nog ijveriger beide zienswijzen van de leer vergelijken onder de superlens van de Bijbel. Hij moet in gedachte houden dat het ons niet is geoorloofd de Bijbel in overeenstemming te brengen met welke andere geschriften ook, maar zijn opgedragen om alle andere Eraan te meten. {ABN2: 74.3}

74

Allereerst moet, teneinde recht te doen aan de Schriften, aan Zuster White’s geschriften, en aan de Rod {Staf}, het standpunt van elkeen over het onderwerp worden gezien in het licht van de Schriften, welke onbetwistbaar leren dat het Beloofde Land opnieuw bewoond zal zijn door de Heer Zijn eigen bekeerde volk. (Zie Jesaja 2; Micha 4; Ezechiël 36, 37; Jeremia 31-33). {ABN2: 75.1}

Wat de verklaring van Zuster White in The Great Controversy {de Grote Strijd} betreft, spreekt zij daar over het Koninkrijk in zijn compleetheid, nadat de doden zijn opgestaan, ten tijde waarop heiligen het ontvangen. Dit was de enige fase van het onderwerp – de complete fase – welke Voorzienigheid had bekengemaakt toen zij schreef. Daar nu de rol van profetische Waarheid is verder ontvouwd vanaf haar tijd, wordt van het Koninkrijk gezien dat het een tussentijdse, Davidiaanse fase heeft, evenals de laatste die hiervoor bekend was. {ABN2: 75.2}

Naast de profetieën die verband houden met het letterlijke – het Davidiaanse – Koninkrijk, bevat de Bijbel vele andere profetische onderwerpen die de geschriften van Zuster White zelfs niet eens vermeldt, laat staan behandelt. En als de Heer ze nu niet openbaart aan de kerk om in haar behoefte van vandaag te voorzien, zal zij niet voorbereid zijn op hun vervulling, maar zal ze achterblijven om te vergaan in haar verloren Loadiceese toestand. Deze profetieën moeten daarom worden geopenbaard teneinde de kerk te versterken bij haar laatste strijd. Met welk doel waren zij anderszins geschreven? {ABN2: 75.3}

75

Geen enkel profeet van God heeft ooit een volledige profetische keten gebeurtenissen, zonder missende schakels, bedacht. Er waren vele geïnspireerde schrijvers nodig om de lange keten van profetie volledig te maken. De geest die daarom het standpunt inneemt dat Zuster White heeft gedaan wat geen enkel profeet in of buiten de Bijbel ooit heeft gedaan, doet dat door een complete verachting van feitelijke Bijbelse handelwijze, en ook van geopenbaarde Waarheid. {ABN2: 76.1}

Zijzelf zegt dat “geen mens, hoe vereerd hij ook mag zijn door de hemel, heeft ooit een volledig begrip van het grote verlossingsplan, of zelfs een volkomen waardering van het Goddelijke doel in het werk voor zijn tijd, bereikt. Mensen begrijpen niet volledig wat God tot stand zou willen brengen door het werk dat Hij hen geeft te doen; zij verstaan de volledige draagwijdte van de boodschap niet, die zij in Zijn naam uitspreken {of verkondigen}.” –The Great Controversy, p. 343 {De Grote Strijd, p. 321}.{ABN2: 76.2}

Sommige personen, die van de napratende soort zijn, spreken op een naprater gelijkende verklaringen uit, die nooit stoppen om na te denken wat zij zeggen, en zich ogenschijnlijk geen zorgen maken of hun verklaringen standhouden of vallen. Dezulken zijn het die zeggen dat er geen andere gebeurtenis of gebeurtenissen kunnen inkomen voor, tussen, of na die zijn voorgezet in de geschriften van Zuster White. {ABN2: 76.3}

Als men erin zou volharden dat de voortzetting van gebeurtenissen die zijn opgetekend in Early Writings, p. 15-17 {Eerste Geschriften, p..}, als absoluut moet worden aangenomen, en dat er geen andere gebeuren of gebeurtenissen ertussen geplaatst kunnen worden, dan is hij zich in diep

76

water aan het plaatsen, want de pagina’s die zijn vermeld suggereren op generlei wijze over de zeven laatste plagen of het millennium {de duizend jaren}! {ABN2: 76.4}

Nogmaals: de Joden verwierpen de Heer omdat niet alles wat de profeten leerden en schreven werd gevonden in de leerstellingen van Mozes. “Wij weten,” zeiden zij, “dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van deze weten wij niet, vanwaar Hij komt.” Joh. 9:29. {ABN2: 77.1}

Daar geen der geschriften van een profeet ooit de volledige Waarheid heeft voorzegd die de kerk nodig heeft om haar veilig naar het Koninkrijk te leiden, en daar er andere profeten volgden, die hetzij uitbreidden op of toevoegden bij de profetieën die reeds waren opgetekend in de Schriften, dan betekent het voor iemand, die de goede berichten van het Koninkrijk afwijst op grond van het feit dat deze fase van het koninkrijk niet wordt gevonden in de geschriften van Zuster White, dat hij hetzelfde niet te verontschuldigen en fatale standpunt inneemt als de Joden deden. Daarmee zegt men: “Ik ben rijk, en ben met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek.” Openb. 3:17. Het is deze houding die God ertoe dwingt om de lauwe, tevreden Laodiceeërs uit zijn mond te spuwen. {ABN2: 77.2}

De boodschap van het elfde uur is bestemd en aangewezen om het Davidiaanse Koninkrijk te openbaren dat opnieuw zal opkomen vóór de verschijning van Christus in de wolken. Daar het echter geen direct licht had over deze fase van het koninkrijk, kon The Great Controversy {de Grote Strijd}zich niet meer in definitieve termen hebben uitgedrukt welke de boodschap vandaag gebruikt, dan dat William Miller zich kon hebben uitgedrukt

77

over het onderwerp van de reiniging van het heiligdom, in dergelijke termen zoals wij lezen in The Great Controversy{de Grote Strijd}. {ABN2: 77.3}

Uit noodzakelijkheid worden welke uitspraken {verklaringen} dan ook, die verband houden met een onderwerp dat nog niet zichtbaar is tijdens het ontvouwen van de Rol{Waarheid}, slechts in incidentele termen van waarheid gedaan zoals het in die tijd wordt gezien of over het algemeen wordt begrepen. En als het algemeen begrip van deze incidentele verklaringen{uitspraken} verkeerd zijn, kan de schrijver niet aansprakelijk gesteld worden voor datgene wat hij heeft ontleend van anderen of slechts zeer vaag heeft ingezien, en zich daarom zeer onbepalend {daarover} heeft uitgedrukt. {ABN2: 78.1}

Bijvoorbeeld: In de dagen van Christus “werd de leer van een staat van bewustzijn bestaande tussen de dood en de opstanding door velen aangehouden van hen die naar de woorden van Christus luisterden. De Verlosser kende hun ideeën, en Hij omlijstte Zijn gelijkenis zodanig om belangrijke waarheden in te prenten door middel van deze vooropgezette meningen. Hij hield zijn toehoorders een spiegel voor waarin zij zichzelf konden zien in hun ware relatie met God. Hij maakte gebruik van de overheersende mening om de gedachte over te brengen die Hij verlangde voornaam te maken bij allen(…)” –Christ’s Object Lessons, p. 263{Lessen uit het Leven van Alledag, p..}. {ABN2: 78.2}

Deze omstandigheid is vanzelfsprekend en gebruikelijk voor iedere schrijver die Tegenwoordige Waarheid behandelt, te beginnen bij de schrijvers van het Oude Testament, en zette zich altijd voort vanaf toen, en zal aldus zo zijn totdat ieder onderdeel van de Waarheid is bekend gemaakt. Dit wordt naar

78

 voren gebracht in het werk van Johannes de Doper. Hij zou niet de oprichting van het Koninkrijk verkondigen, maar de komst van de Koning. Maar bij het aankondigen van de één, moest hij incidenteel vragen beantwoorden betreffende de ander. Wanneer hij sprak over de Koning die komende was, drukte hij zich uit in termen van geopenbaarde Waarheid. Maar wanneer hij naar de omstandigheden zinspeelde over het Koninkrijk dat komende was, waarover er geen bijzonder licht bestond in zijn dagen, drukte hij zich noodzakelijkerwijs uit in termen van de leerstellingen zoals zij in die tijd algemeen bekend waren. {ABN2: 78.3}

Niettemin, toen het verdere ontvouwen van de rol openbaarde dat het Koninkrijk niet zou worden opgericht tegen die tijd, toen beschuldigden zij die oprecht naar waarheid zochten noch Johannes noch Christus, maar zij zagen vreugdevol toe hoe de rol {waarheid} zich ontvouwde, en trokken juichend voort met de Waarheid. Dit was echter niet het geval met de grote meerderheid der Joden. Hun trots van mening, die hen niet toeliet hun dwalingen te verzaken en de voortschrijdende Waarheid aan te nemen, leidde hen dieper tot dwaling. {ABN2: 79.1}

“Zo handelden,” zegt de Geest der Profetie, “de Joden in de dagen van Christus, en wij zijn gewaarschuwd niet te handelen zoals zij dat deden, en ertoe geleid te worden om eerder duisternis dan licht te kiezen, omdat er in hen een kwaad hart van ongeloof huisde door zich af te keren van de levende God.”  –Testimonies on Sabbath-School Work{ Getuigenissen over Sabbatschoolwerk}, p. 66; Counsels on Sabbath School Work {Adviezen over Sabbatschoolwerk}, p. 30.  {ABN2: 79.2}

Dus maken The Great Controversy {De Grote Strijd} en Early Writings {Eerste Geschriften} het

79

onderwerp van het Koninkrijk even duidelijk als de gedeeltelijke ontvouwing van de waarheid de schrijver toeliet het te zien, in slechts een van haar fasen, op het tijdstip waarop zij beide boeken schreef. {ABN2: 79.3}

Terwijl The Great Controversy {De Grote Strijd} het kan hebben nagelaten om aan te tonen dat de oprichting van het Koninkrijk en het beërven ervan twee verschillende gebeuren zijn, doet de Geest der Profetie dat ergens anders wél: “Hoewel de apostelen,” zegt het, “de komst van het koninkrijk niet zouden aanschouwen in hun dagen, is het feit dat Jezus hen gebood om ervoor te bidden, het bewijs dat het in Gods Eigen tijd het voorzeker zal komen. {ABN2: 80.1}

“Het Koninkrijk van Gods genade wordt nu opgericht, naar gelang er dagelijks harten die vol van zonde en opstandigheid waren zich buigen voor de oppermacht van Zijn liefde. Maar de volledige oprichting van het koninkrijk van Zijn heerlijkheid zal niet plaatsvinden tot aan de tweede komst van Christus naar deze wereld. ‘Het koninkrijk en de heerschappij, en de grootheid van het koninkrijk onder de ganse hemel,’ zal worden gegeven aan ‘het volk van de heiligen des Allerhoogsten.’” – Mount of Blessings, p. 159{ Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, p. ..}. {ABN2: 80.2}

Iedere Christen zou moeten gedenken dat omdat de Waarheid steeds voortschrijdend is, Het vandaag niet zal worden gevonden waar het gisteren was, en dat Christus’ volgelingen daarom Ermee moeten voortschrijden. Zij zullen de voorbeelden niet navolgen van de Joden en de Romeinen. {ABN2: 80.3}

Toen Mozes het eerste gedeelte van de Bijbel schreef, werd aan hem niet al het licht gegeven welke

80

 God bedoelde te openbaren aan Zijn volk door de eeuwen heen. Met elk naderend uur voor de Waarheid om voort te schrijden, kwam eerst de ene profeet, dan de ander, in een lange opeenvolging eindigend bij Johannes de Doper. Daarna kwamen Christus en de apostelen, de hervormers, William Miller en Zuster White, die elk op hun beurt waarheden onderwezen die niet volledig konden worden uitgedragen door de geschriften van geen van hun voorgangers. Om al de Waarheid te ontdekken dat aldus op voortgaande wijze is geopenbaard, moeten de geschriften van allen worden samengebracht. {ABN2: 80.4}

Bijvoorbeeld: bij het instellen van de wet van het Pascha, en bij het bevelen van het onderhouden ervan, schreef Mozes: “Gij zult een volkomen lam hebben een mannetje, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen. En gij zult het in bewaring hebben tot de veertiende dag van deze maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden.” Ex. 12:5,6. {ABN2: 81.1}

De reden die Mozes toeschrijft voor het onderhouden van het Pascha is om te gedenken dat Israel uit Egypte ging (Deut. 16:1-3). Johannes de Doper echter, bedeelt de betekenis ervan toe aan de komst van Christus, “het Lam Gods”(Johannes 1:29), terwijl de apostelen het toeschrijven aan Zijn kruisiging: “Want ook Christus, ons Pascha,” zegt Paulus, “is voor ons geslacht.” 1 Kor. 5:7{KJV}. En de betekenis van het onderhouden van het Pascha, voegt hij dan toe aan de viering van het Avondmaal des Heren (1 Kor. 11:26). {ABN2: 81.2}

81

Op gelijke wijze gaf Mozes geen uitleg dat het Levitische priesterschap in het aardse heiligdom (Ex. 40:15) slechts een voorlopige en aldus een tijdelijke priesterschap was, een zinnebeeld van Christus’ priesterschap in het hemels heiligdom, zoals de apostelen dat uitlegden (Hebr. 6:19, 20; 9:12, 26). {ABN2: 82.1}

Door te falen om voorwaarts te gaan met de voortschrijdende Waarheid, vond iedere generatie van de Joden fouten bij hun respectievelijke profeten, wat zijn hoogtepunt bereikte bij de apostelen en zelfs de Zoon van God in Eigen Persoon. De Joden rechtvaardigden hun misdadige handelingen op grond van het feit dat de beweringen van de profeten, van Christus, en van de apostelen niet werden gegrond op de geschriften van Mozes. Terwijl zij dus opschepten over Mozes’ geschriften, ontkenden{verloochenden} en doodden zij de profeten die na hem kwamen – een ernstige waarschuwing voor ons, opdat ons niet, door te doen als zij deden, hun lot overkomt! {ABN2: 82.2}

De voornaamste vraag is daarom niet of de geschriften van Zuster White, of van Mozes, of van deze of van die al de boodschappen bevat voor deze tijd, maar eerder simpelweg of zij worden gevonden in, en worden ondersteund door: de Bijbel. {ABN2: 82.3}

The Rod {de Staf} beweert dus niet dat haar boodschap in zijn geheel wordt gevonden in de geschriften van één bepaalde profeet, maar eerder in de geschriften van al de profeten – “hier een weinig, daar een weinig.” Jes. 28:13. {ABN2: 82.4}

Laat daarom niemand op verraderlijke wijze de geschriften van Zuster White gebruiken zoals de Joden de geschriften van

82

 Mozes gebruikten, tegen de voortschrijding van Waarheid, en tot hun eigen eeuwige schade{nadeel}. Vanuit elke invalshoek die wordt benaderd maakt de Bijbel het onderwerp van het Koninkrijk duidelijk, wat het voor iemand onmogelijk maakt te dwalen als hij precies volgt wat het Woord erover zegt. {ABN2: 82.6}

The Rod {de Staf} leert noch dat Jeruzalem zal worden herbouwd, noch dat het niet zal worden herbouwd als de hoofdstad van het Koninkrijk, maar slechts dat het Koninkrijk in haar beginfase zal worden opgericht in het Beloofde Land. En ter bevestiging van deze waarheid, profeteert Ezechiël over

Een Nieuwe Verdeling van het Land. {ABN2: 83.1}

De profeet presenteert een verdeling van het land die verschilt met die in de tijd van Jozua (Joz. 17); het zal zijn in stroken van het oosten naar het westen; Dan{de stam} zal het eerste gedeelte bezitten in het noorden, en Gad het laatste deel in het zuiden, tussen de grenzen van deze twee zullen de {erf}delen zijn van de rest van de stammen; de stad zal zich in het midden van het land bevinden (Ezech. 48). {ABN2: 83.2}

Het feit dat een dergelijke verdeling van het Beloofde Land nooit is gemaakt, toont aan dat het nog in de toekomst ligt. En het feit dat het heiligdom daar zal zijn, terwijl het er niet zal zijn in de nieuw gemaakte aarde (Openb. 21:22), bewijst wederom dat deze unieke oprichting vóór het millennium plaatsvindt. {ABN2: 83.3}

Als toevoeging toont het tweevoudige feit dat de naam van de stad is: “De Here is Daar,” en

83

 dat haar locatie volgens de verdeling van het land noodzakelijkerwijs in bepaalde opzichten anders moet zijn dan die van het oude Jeruzalem, toont aan dat het Jeruzalem van vandaag, de eigenlijke stad, helemaal niet herbouwd zou kunnen worden als de stad van het komende Koninkrijk. (Zie Tract. No. 12, The World Yesterday, Today, Tomorrow{Traktaat Nr. 12, De Wereld Gisteren, Vandaag, Morgen}, 1941 Editie, p. 52, 53). {ABN2: 83.4}

Als de Bijbel Zich duidelijk maakt over enig onderwerp, doet Het dat zeker over het onderwerp van het Koninkrijk. En terecht, want het Koninkrijk is de bekronende hoop van de Christen,

Satans Voortdurende Doelwit, het Herhaaldelijke Struikelblok van de Mensen. {ABN2: 84.1}

Dat de grote strijd tussen Christus en Satan over deze bekronende hoop gaat, het Koninkrijk, wordt gezien door de herhaalde instructies van de Heer in de profetieën, in de typen, en in de gelijkenissen; door Satans voortdurende inspanning om het menselijk ras eruit te houden; en als laatst, doordat de mensen herhaaldelijk worden verslagen in hun strijd om erfgenamen ervan te worden. {ABN2: 84.2}

Door vanaf het begin vastbesloten te werken om de gehele mensheid in de hel te dompelen, bedacht Satan zijn grote strategie door hen te misleiden betreffende het Koninkrijk. Hij had succes daarin bij de meeste der Joden, omdat zij het Koninkrijk opgericht wilden hebben vóór haar bestemde tijd of anders helemaal niet. En hij heeft succes erin bij velen van de Laodiceeёrs vandaag omdat nu, wanneer de bestemde tijd feitelijk is

84

 aangebroken, zij het later willen hebben of anders helemaal niet! Wat een paradox {tegenstrijdigheid}! Wat een ironie! Inderdaad, gelijk de geschiedenis zich herhaalt, zo ook de dwaasheid! {ABN2: 84.3}

De Bijbel zegt: “In de dagen van deze koningen [de koningen die worden gesymboliseerd door de tien tenen van het grote beeld] zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, welke nooit zal worden vernietigd(…)Het zal al deze koninkrijken aan stukken verbreken en verteren.” Dan. 2:44{KJV}. {ABN2: 85.1}

Observeer dat “de steen” (het Koninkrijk) geen grote berg wordt tot nadat zij het beeld slaat, wat aantoont dat het Koninkrijk in zijn beginstadium alleen begint met de eerste vruchten, die spoedig op de berg Sion staan met het Lam, en die later, nadat zij de tweede vruchten van de levenden hebben binnengebracht, de natiën verslaan; ten slotte komen uit het graf de verlosten uit alle eeuwen om de “ grote berg” volledig op te maken – het complete Koninkrijk! {ABN2: 85.2}

Met het oog op deze scherp omlijnde en herhaaldelijk te boek gestelde profetieën, moge dan niemand zo dwaas zijn om te zeggen, zoals de Joden dat deden ter beantwoording op de profetieën van Ezechiël: “Het gezicht dat hij ziet is voor vele toekomende dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn” (Ezech. 12:27), en daardoor dezelfde vreselijke veroordeling{vonnis} over zijn hoofd halend. {ABN2: 85.3}

85

ZAL HET OUDE JERUZALEM HERBOUWD WORDEN?

Vraag Nr. 43:

Hoe verenigt u de leer van “ The Shepherd’s Rod”{“De Herdersstaf”} dat het Davidiaanse Koninkrijk opnieuw zal worden opgericht in Palestina, met “Early Writings,” p. 75, 76{“Eerste Geschriften,” p. 82}: “Het Oude Jeruzalem zou nimmer herbouwd worden”? {ABN2: 86.1}

Antwoord:

Het verband van de verklaring van “Early Writings” openbaart dat het verwijst naar de Joodse Zionisten Beweging, en het toont aan dat het bekende doel van de Beweging om een nationale Joodse Thuisland te heroprichten, gecentreerd in het eigenlijke Jeruzalem, nimmer verwezenlijkt zal worden; dat het Oude Jeruzalem nimmer zal worden herbouwd in overeenstemming met de uitlegging van de Zionisten, en dat de niet Christelijke Joden nimmer de onderdanen zullen zijn van het Koninkrijk. (Zie Tract No. 8, Mount Sion at the Eleventh Hour{Traktaat Nr. 8, De Berg Zion tegen het Elfde Uur}.). {ABN2: 86.2}

HET BRUILOFTSMAAL VAN HET LAM: IN DE HEMEL OF OP AARDE?

Vraag Nr. 44:

Wat is de bruiloft waarover er wordt gesproken in “ Christ’s Object lessons,” p. 307{Lessen uit het Leven van Alledag, p..}, en in “The Great Controversy,” p. 416, 427{De Grote Strijd, p…}? Enerzijds wordt gezegd dat het “ de vereniging van de mensheid met goddelijkheid” is; anderzijds: “de ontvangst door Christus van Zijn koninkrijk”; in nog een ander geval wordt gezegd dat de bruiloft “plaatsvindt in de hemel, terwijl [de heiligen] op aarde zijn,” wachtende “op de Heer, wanneer Hij zal terugkeren van het huwelijk.” Wilt u alstublieft voor mij opheldering brengen in dit gecompliceerde onderwerp? {ABN2: 86.3}

86

Antwoord:

Laat ons gedenken dat deze zegswijzen, gezamenlijk met vele anderen, slechts illustraties zijn van waarheden, niet de waarheden zelf. Bijvoorbeeld: het oprichten van het Koninkrijk is in een geval geïllustreerd door de “oogst”; de onderdanen van het Koninkrijk, door het “tarwe” en het koninkrijk zelf, door de “schuur.” Matt. 13:30. In een ander geval, is het oprichten van het Koninkrijk en de scheiding van de zondaars van tussen de heiligen geïllustreerd door de engelen die “het net” aan wal trekken, de slechte vissen scheiden van de goede vissen, en de goede zetten in “vaten,” maar de slechten eruit werpen (Matt. 13:48). In dit geval worden de onderdanen van het koninkrijk voorgesteld door de goede vissen; en het Koninkrijk zelf, door de “vaten.” {ABN2: 87.1}

Dus, terwijl het waar is dat het huwelijk van Christus een “vereniging van menselijkheid met goddelijkheid” is, is het ook waar dat het huwelijk “de ontvangst van Zijn Koninkrijk” is, want de mensheid vormt het Koninkrijk. Daarom staat het huwelijk gelijk met de kroning—het Koninkrijk zelf, met de stad, of de bruid—en de gasten, met de heiligen, of de onderdanen van het Koninkrijk. Hieruit zien wij dat wanneer Christus Zijn Koninkrijk ontvangt, Hij inderdaad de mensheid zal verenigen met goddelijkheid. {ABN2: 87.2}

Het ontvangen van Zijn Koninkrijk vindt plaats in de hemel terwijl de heiligen nog op

87

aarde zijn, zoals Daniel werd getoond: “ Ik zag in de nachtgezichten en ziet, een gelijk de Zoon des mensen kwam met de wolken des hemels, en kwam tot de Oude van Dagen, en zij brachten Hem nader voor Hem. En er werd Hem heerschappij gegeven, en heerlijkheid, en een koninkrijk, dat alle volken, en natiën, en talen, Hem zouden dienen; Zijn heerschappij is een eeuwig heerschappij, welke niet zal voorbijgaan, en Zijn koninkrijk datgene wat niet vernietigd zal worden.” Dan. 7:13, 14. {ABN2: 87.3}

 Ditzelfde gebeuren in profetisch zicht brengend, verklaarde Jezus in parabolische wijze: “Een zeker nobel mens ging heen naar een ver land om Zich een koninkrijk te ontvangen, en terug te keren.” Lukas 19:12. Merk op dat Hij het Koninkrijk ontvangt (verwerft het eigendomsrecht ervan) terwijl Hij weg is, niet wanneer Hij terugkeert. (Zie The Great Controversy, p. 426, 427{De Grote Strijd, blz..}). {ABN2: 88.1}

Dus het huwelijk is de kroning van Christus, welke plaatsvindt in de hemelse tempel wanneer al Zijn onderdanen worden gereed gemaakt, terwijl het werk tot voltooiing nadert, en de genadetijd tot de afsluiting nadert. Het is dan vanzelfsprekend dat het huwelijk plaatsvindt voordat Hij komt om de heiligen tot Zich te “ nemen” (Johannes 14:3), en voordat zij Hem “ in de lucht” ontmoeten. 1 Thess. 4:16, 17. Daarna wordt het “ avondmaal” opgediend. {ABN2: 88.2}

Dus hoewel de bruiloft plaatsvindt in de hemel, zijn de heiligen terwijl zij op aarde zijn, de toekomstige gasten voor het bruiloftsavondmaal. Daarna, nadat het huwelijk

88

is voltrokken in het Heilige der Heiligen, daalt Jezus neer vanuit de hemel en neemt de gasten tot Zich, zodat waar Hij is, zij ook kunnen zijn (Johannes 14:1-3). Daar eten zij van het “bruiloftsavondmaal van het Lam.” – The Great Controversy, p. 427; Openb. 19:9. In dit geval, terwijl er van de heiligen wordt gezegd dat zij de gasten zijn, wordt van de Heilige Stad gezegd dat het “ de bruid” is. Openb. 21:9,10. {ABN2: 88.3}

Nogmaals: net voort het huwelijk, wanneer de heiligen nog steeds op aarde zijn, wordt van hun gerechtigheid gezegd dat het “ het fijne linnen” is van de bruid (stad). Openb. 19:8. {ABN2: 89.1}

De lessen die worden onderwezen door deze en andere illustraties worden prijsloze juwelen van waarheid voor hen die gehoor geven aan hen. {ABN2: 89.2}

HET KONINKRIJK VAN GOD IN HET HART OF OP AARDE?

Vraag Nr. 45:

Aangezien Jezus zegt “het koninkrijk Gods is binnen in” ons (Lukas 17:21), hoe kan het dan een aardse koninkrijk zijn? {ABN2: 89.3}

Antwoord:

Als de verklaring in kwestie betekent dat er geen Koninkrijk van God zal zijn op aarde, dan betekent het ook, door dezelfde manier van redeneren, dat er geen koninkrijk zal zijn in de hemel. En als er geen koninkrijk zal zijn op aarde, en geen in de hemel, dan is onze hoop tevergeefs. Maar zoals altijd, bewijst datgene wat teveel bewijst, niets. Dus, door te staan op de

89

 veronderstelling in de vraag betekent dat men het standpunt inneemt dat er geen letterlijke koninkrijk zal zijn op aarde, noch in de hemel, maar slechts een geestelijk koninkrijk binnen in het hart, wat het onderwerp reduceert tot een belachelijkheid. Het betekent juist het in de kaart spelen van de Duivel, die wanhopig graag de waarheid van het Koninkrijk zou willen verduisteren, en het Koninkrijk zelf in vergetelheid zou willen verbannen. Maar God zij dank verzekert het Woord ons dat hij voorzeker gedoemd is hierin te falen. {ABN2: 89.4}

Dus voordat het Koninkrijk Gods is opgericht op deze aarde, moet het inderdaad geestelijk zijn opgericht binnen ons, als wij ooit geschikt zullen zijn voor toelating wanneer het werkelijk is opgericht op “aarde, zoals het is in de hemel.” {ABN2: 90.1}

Dienovereenkomstig bevindt het geestelijk koninkrijk Gods van binnen zich in hen die de beginselen van haar bewind belichamen voordat het Koninkrijk in werkelijkheid is opgericht. Dus is het koninkrijk Gods “van binnen” de leefregel van het geestelijk leven; het is de voorwaarde tot een erfenis in het externe koninkrijk van God. {ABN2: 90.2}

WANNEER ZULLEN DE WINDEN WORDEN LOSGELATEN?

Vraag Nr. 46:

Als de engel die de eerste vruchten, de 144.000, verzegelt, gelijk doorgaat met de verzegeling van de tweede vruchten, de grote schare (Openb. 7:9), zullen de vier engelen dan de vier winden (Openb. 7:1) blijven vasthouden door de verzegeling heen van beide vruchten? {ABN2: 90.3}

90

Antwoord:

Daar Openbaring 7:14 zegt dat de grote schare (de tweede vruchten) “kwamen uit grote verdrukking,” is het overtuigend dat de vier winden worden vastgehouden, zoals de engel had bevolen, “totdat wij de dienstknechten van onze God verzegeld hebben(…)” Openb. 7:3. Daarom zijn de winden losgelaten en waaiende nadat de 144.000 zijn verzegeld en terwijl de grote schare wordt bijeenvergaderd en verzegeld. Alleen zó kan er worden gezegd dat de schare kwam uit “grote verdrukking,” uit de “tijd der benauwdheid, zoals er niet geweest is sinds er een natie bestond tot op diezelfde tijd.” Dan. 12:1. {ABN2: 91.1}

WAT IS DE TOORN VAN DE NATIЁN?

Vraag Nr. 47:

“Ik zag,” zegt Zuster White, “dat de toorn van de natiën, de toorn van God, en de tijd om de doden te oordelen, afzonderlijke en van elkander verschillende gebeurtenissen waren, de ene op de andere volgende, en ook dat Michaël nog niet was opgestaan, en dat de tijd der benauwdheid, zoals er niet geweest is, nog niet was aangebroken. –“Early Writings,” p. 36 {Eerste Geschriften, p. 30}. Kan deze “toorn van de natiën” de “oorlog van Harmagedon” zijn? {ABN2: 91.2}

Antwoord:

Terwijl het visioen duidelijk maakt dat de eerste drie gebeurtenissen (het oordeel van de doden, de toorn van de natiën, en de toorn van God) elkander opvolgen, op achtereenvolgende orde, drie afzonderlijke, verschillende, en opeenvolgende perioden bezettend, maakt het de tijd niet duidelijk van de vierde gebeurtenis – het opstaan van Michaël. {ABN2: 91.3}

91

De toorn van God, zoals algemeen begrepen, is de zeven laatste plagen (Openb. 15:1), en wordt bezocht gedurende de periode tussen de afsluiting van de genadetijd en de tweede komst van Christus. Het oordeel van de doden, zoals wordt begrepen door ten minste alle Adventisten, behelst twee perioden: de eerste in de genadetijd, onmiddellijk voorafgaand aan het oordeel van de levenden, en de tweede gedurende het millennium. Daar dus Gods toorn komt in de periode vanaf de afsluiting van de genadetijd tot de tweede komst van Christus, kan de toorn van de natiën alleen plaatsvinden gedurende de tijd van het oordeel van de levenden—gedurende de Luide Roep van de Derde Engel Boodschap. {ABN2: 92.1}

De toorn van de natiën kan daarom niet het Harmagedon zijn, want dat vindt plaats in de tijd van de zesde plaag (Openb. 16: 12-16), in de toorn-van-God-periode. De toorn van de natiën en de toorn van God zijn, zoals wij altijd moeten gedenken, twee “afzonderlijke en van elkander verschillende” gebeurtenissen, “de ene op de andere volgende.” {ABN2: 92.2}

Dienovereenkomstig is de toorn van de natiën, in plaats van het Harmagedon, eerder de “tijd der benauwdheid zoals er niet geweest is” –de tijd waarin Michael, door de “teugels in Eigen handen te nemen” (Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten, p. 300}),  opstaat om “een ieder die in het boek geschreven wordt bevonden” te verlossen. Dan. 12:1. {ABN2: 92.3}

Daar de toorn van de natiën in de tijd is van het oordeel van de levenden, –de

92

 Luide Roep van de Derde Engel Boodschap,– is de “toorn” klaarblijkelijk gericht tegen Gods volk, niet tegen de natiën zelf. Dit feit is duidelijk, want de natiën zijn onder elkaar altijd toornig geweest, en zijn zelfs vandaag de dag toornig, hoewel wij nog steeds leven in de tijd van het oordeel van de doden. {ABN2: 92.4}

“De toorn van de natiën” zal volgen op het bevel van het tweehoornig beest “dat zovelen die het beeld van het beest niet wilden aanbidden, gedood zouden worden” (Openb. 13:15); tegelijkertijd zal de beruchte vrouw, de Grote Babylon, het scharlaken rood beest (Openb. 17) berijden en regeren over de natiën. Deze “zelfde crisis zal komen over ons volk in alle delen van de wereld.” – Testimonies, Vol. 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p. 395. {ABN2: 93.1}

Betreffende de toorn van de natiën, de wereldwijde federatie tegen hen die weigeren het beest en zijn beeld te aanbidden, voorzegde de Heer door de profeet Zacharia: “En te dien dage zal Ik Jeruzalem maken tot een lastige steen voor alle volken; allen die zich ermee belasten, zullen aan stukken gesneden worden, hoewel al de volken der aarde zich ertegen zullen verzamelen.” Zach. 12:3{KJV}. {ABN2: 93.2}

“Te dien dage zal de Here de inwoners van Jeruzalem verdedigen{beschermen}; en wie onder hen te dien dage zwak is, zal zijn als David; en het huis van David zal zijn als God, als de engel des Heren voor hen.” Zach. 12:8. Dan, “gekleed in

93

de wapenrusting van Christus’gerechtigheid,” verklaart de Geest der Profetie, “zal de kerk ingaan tot laatste strijd. ‘Schoon als de maan, helder als de zon, en geducht als een leger met krijgsbanieren,’ zal zij voortgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” –Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, blz. 445}. {ABN2: 93.3}

“Zij die angstig {schuchter} en zelfwantrouwend zijn geweest, zullen openlijk voor Christus en Zijn waarheid uitkomen. De meest zwakken en aarzelenden in de kerk, zullen zijn als David – bereid om te durven en te handelen.” – Testimonies, Vol. 5, p. 81 {Getuigenissen, Deel5, blz. 71}. {ABN2: 94.1}

“Alleen zij die verleiding hebben weerstaan in de kracht van de Machtige, zullen worden toegestaan om deel te hebben in het verkondigen ervan [de Derde Engel Boodschap] wanneer het zal zijn aangezwollen tot de luide roep.” – The Review and Herald, No. 19, 1908. {ABN2: 94.2}

(Alle cursiveringen door ons)

WAT ZAL UW VOLGENDE STAP ZIJN ?

Als u nu genoten, gewaardeerd en uw voordeel gedaan heeft door deze vraag en antwoord discussie van Boek Nr. 2 en als het uw wens is om verder te gaan, dan kunt u een verzoek inzenden voor Boek Nr. 3. Het zal u toegezonden worden als een Christelijke dienst zonder kosten of verplichtingen. {ABN2: 94.3}

—-000—-


ABN3-1200x675.jpg

1

Kopierecht, 1944, door

V.T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

Opdat een ieder die dorst naar de Waarheid, het kan verkrijgen, wordt dit traktaat kosteloos per post verzonden. Het vereist één vordering, de verplichting van de ziel aan zichzelf om alle dingen te onderzoeken en vast te houden aan datgene wat goed is. De enige voorwaarden die verbonden zijn aan dit aanbod zijn de gouden stranden en de karmozijnrode koorden van Golgotha–de banden die bindend zijn.

Namen en adressen van Z.D. Adventisten die naar ons worden verzonden zullen gewaardeerd worden.

2

De BEANTWOORDER

Boek Nr. 3

Vragen en Antwoorden over Onderwerpen van Tegenwoordige

Waarheid in het belang van de Broeders en Zusters der

Zevende-dags Adventisten en Lezers van

De Herdersstaf

door V.T. Houteff

Deze “schriftgeleerde,” die is onderwezen betreffende het Koninkrijk der Hemelen, “brengt te voorschijn(…)nieuwe en oude dingen.” Matt. 13:52.

“Heiligt” nu “de Here God in uw harten,

altijd bereid tot verantwoording aan

al wie u rekenschap vraagt van de hoop,

die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze.”

1 Petr. 3:15.{KJV}.

3

INHOUD

Welk Heiligdom Wordt Gereinigd en Wat Verontreinigde Het? 5
Wanneer Begint de Dag? 7
Waar Begint de Hebreeuwse Jaartelling? 9
Vonden het Pascha en de Begrafenis op Dezelfde Dag Plaats? 14
Heeft het Werk van De Herdersstaf een Type? 19
De Vier Winden—Wat Zijn Zij? 24
De 144.000 of een Grote Schare? 26
Zullen Wij Geloven of Zullen We Twijfelen? 28
Zullen Allen Komen tot de Tijd van de Plagen? 41
Zullen de Plagen Vallen op Laodicea of op Babylon? 43
Is het Beest Zowel een Wereldse als een Kerkelijke Macht? 44
Waarom Zijn Niet Beide Visioenen Hetzelfde? 45
Is de Poel des Vuurs Brandend of Uitgeblust Gedurende Het Millennium{De Duizend Jaren}? 46
Is Slechts een Gedeelte Niet Vertreden? 47
Wie Vaardigde het Derde Dekreet Uit? 47
456 of 457 V. Chr.? 49
Allen of een Overblijfsel—Welk? 51
Weinigen of Velen Gered? 51
Aan Welke Kant Zult U Staan? 54
De Kerk of de Wereld Redden? 65
Gereinigd door God, of door Satan? 69
Zuigelingen en Heidenen Gered of Verloren? 71
Zullen Bij de Verzameling Uit Alle Natiën Ook Alle Gekleurde Mensen Worden Inbegrepen? 74
Zullen Heidenen het Koninkrijk Beërven? 76
Wie is Zij Die Kreupel Is? 76
Het Huwelijk of Het Celibaat? 79
Is de Wet Nietig Verklaard? 86
Zijn Wij Niet Vrijgemaakt van het Onderhouden van de Wet? 90
Om Welke Reden Zal er Geen Gelijkenis Worden Gemaakt? 92
Wat Zal Uw Volgende Stap Zijn? 94

4

VRAGEN EN ANTWOORDEN

WELK HEILIGDOM WORDT GEREINIGD EN WIE VERONTREINGDE HET?

Vraag Nr. 48:

   Verwijst het woord “reiniging” waarover wordt gesproken in Daniël 8:14 naar een reiniging van het hemelse heiligdom? Zo ja, wat verontreinigde het? {ABN3: 5.1}

Antwoord:

Hoewel het heiligdom in de hemel en die op aarde op twee verschillende locaties staan, is het één noodzakelijkerwijs toch met het ander verbonden, want beiden behandelen dezelfde zonde en zondaars. Vandaar dat het verontreinigd raken van het ene heiligdom als gevolg het andere beïnvloedt. Bijvoorbeeld, als sommige leden van de kerk op aarde afvallig zouden worden nadat zij eenmaal bekeerd zijn (zoals Achan, Koning Saul, Judas, Ananias en Safira, en vele anderen dat deden, wiens namen eens waren geschreven in het Boek des Levens maar die door te falen om in het geloof voort te gaan het eeuwig leven onwaardig zijn geworden), dan zouden zij vanzelfsprekend tegelijkertijd beide heiligdommen verontreinigen. Het aardse verontreinigen zij door hun feitelijke handelingen en invloed; het hemelse, doordat hun onwaardige namen in haar boeken staan; want terwijl het aardse heiligdom de mensen herbergt, herbergt het hemelse hun verslagen. {ABN3: 5.2}

Terwijl het dus noodzakelijk is om het aardse heiligdom te reinigen van afvalligen en huichelaars, is het noodzakelijk om het hemelse heiligdom te reinigen van de

5

namen van de zondaars in haar boeken. En de juiste term voor zulk een werk is: het Onderzoekend Oordeel—het werk dat wordt afgebeeld in de profetie van Daniel (Dan. 7:9,10) en in de gelijkenissen van Christus van de oogst, het net, de talenten, het bruiloftskleed, en de bokken en de schapen. {ABN3: 5.3}

Daar de Bijbel echter duidelijk leert dat dit bijzonder werk slechts eenmaal plaatsvindt gedurende de genadetijd (Hebr. 9:26), dan volgt het dat de verslagen van hen die zijn gestorven door de eeuwen heen, de eersten zullen zijn die het revue van God, de Grote Rechter, zullen passeren (Dan. 7:9,10). Nadat dezen zijn onderzocht, dan zal het onderzoek van de verslagen van de levenden beginnen. En daar ons wordt verteld dat er tweee groepen mensen zijn in de kerk (“tarwe” en “onkruid”—Matt. 13:30), is het duidelijk dat het onderzoekend Oordeel (“de oogst”) van de doden alleen het hemelse heiligdom betreft.  Dit wordt dubbel verduidelijkt wanneer eraan wordt gedacht dat “de doden niets weten” (Pred. 9:5) maar zonder bewustzijn liggen terwijl zijn in hun graven wachten op de opstandingsdag. Maar wanneer het Oordeel (“oogst”) van de levenden zal beginnen, dan zal het heiligdom op aarde noodzakelijkerwijs worden gereinigd van de huichelaars, en het heiligdom in de hemel van hun namen in haar verslagen. Beide heiligdommen zijn daarom betrokken. De reiniging van de aardse wordt verder bevestigd door de profetie van Maleachi: {ABN3: 6.1}

 “Zie, Ik zend Mijn boodschap­per, en hij zal de weg voor Mij bereiden; en de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen, namelijk de

6

boodschapper van het ver­bonds, in wie gij u verlustigt; zie, Hij zal komen, zegt de Here der heer­scha­ren. Doch wie kan de dag van zijn komst ver­dragen, en wie zal standhouden, als Hij ver­schijnt? Want Hij is als het vuur van de smel­ter en het loog van de blekers. En Hij zal zitten als een smelter en reiniger van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reini­gen, en hen louteren als goud en zil­ver, opdat zij de Here in ge­rechtig­heid een offer kunnen brengen.” Mal. 3:1-3 (KJV.) {ABN3: 6.2}

Voorts moet het onder de voeten vertreden van zowel het heiligdom als het heer, en het “ter aarde” werpen “van de waarheid”, zoals wordt afgebeeld in Daniel 8:12, ook in beschouwing worden genomen. Door het priesterschap van Christus te vervangen met een heidense priesterschap, en het heer van God met onbekeerde heidenen, evenals door een heidense feestdag te introduceren in de plaats van Gods Sabbat, werden niet alleen zowel de hemelse als de aardse heiligdommen, maar ook leerstellingen verontreinigd. Terwijl dus de twee heiligdommen worden gereinigd van zondaars, wordt Bijbelse Waarheid gezuiverd van menselijke theorieën en ideeën. {ABN3: 7.1}

WANNEER BEGINT DE DAG?

Vraag Nr. 49:

Wanneer begint de vier-en-twintig-uurse dag—bij zonsondergang, zonsopkomst of te middernacht? {ABN3: 7.2}

Antwoord:

De vier-en-twintig-uur cyclus begint bij zonsondergang, want op het moment dat de aarde kwam te ontstaan

7

en begon te draaien rond haar as, was er geen licht “op de afgrond,” waarop “God zeide: Er zij licht; en er was licht. (…)Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.” Gen. 1:2,3,5. {ABN3: 7.3}

Het “licht” dat scheen op de eerste dag, en waardoor God de dag van de nacht scheidde ( de aarde deed roteren rond haar as), was echter niet dat van de zon, want de zon en de maan werden niet eerder geschapen dan op de vierde dag, toen Hij hen voortsprak “om te heersen over de dag en over de nacht” (Gen. 1:18), welke Hij vooraf had bevestigd. {ABN3: 8.1}

Aldus gebeurde het dat terwijl de aarde de eeuwige tijd begon vast te leggen met de eerste nacht van de scheppingsweek, van waaruit de wekelijkse zevende daagse sabbat wordt gemeten; begon de maan de tijd vast te leggen aan het einde van de derde dag en aan het begin van de vierde nacht van waaruit de maand wordt gemeten, en de zon begon de tijd vast te leggen aan het einde van de vierde nacht en aan het begin van de vierde dag, van waaruit het jaar wordt gemeten. Dienovereenkomstig is de tijdspanne welke de onderdelen van de week meet, drie dagen van tevoren op de tijdspanne die het zonnejaar de maanmaand meet en deelt. Ten einde daarom, dat Zijn volk de week van de schepping kan gedenken, vanaf het moment dat de spanne van de aardse tijd begon, gebood God: “van avond tot avond, zult gij uw sabbat vieren.” Lev. 23:32. {ABN3: 8.2}

8

Dus begint de vier-en-twintig-uur dag met de nacht, bij zonsondergang; en het dagdeel zelf, gescheiden van het nachtdeel, begint bij zonsopkomst. {ABN3: 9.1}

WANNEER BEGINT DE HEBREEUWSE JAARTELLING?

Vraag Nr. 50:

Kunt u ons vertellen wat de Hebreeuwse Nieuwjaarsdag is en de dagen van hun heilige feesten, in relatie tot onze Romeinse kalender? {ABN3: 9.2}

Antwoord:

Terwijl Hij de Hebreeuwse schare uit gevangenschap tot vrijheid leidde, was de Heer hen standvastig aan het bevestigen in de waarheid van alle dingen, inclusief de waarheid van de dag waarop het jaar begint, van de dag waarop de maand begint, en van de dag waarop de week begint. Kennelijk had de Hebreeuwse godsdienst grotendeels te maken met de dagen van de week, van de maand, en van het jaar. {ABN3: 9.3}

De Hebreeërs zouden voor altijd heiligen:

  • niet een zevende, maar de zevende dag van elke week, de sabbat;
  • de dagen van de vijftiende tot de een-en-twintigste dag van de eerste maand, de week van het Pascha;
  • de vijftigste dag nadat de garve van de eerste vruchten was geofferd, de Pinksterdag;
  • de tiende dag van de zevende maand, de Verzoening;
  • de dagen van de vijftiende tot de een-en-twintigste dag van dezelfde maand, het Loofhuttenfeest; en
  • de feesten van de nieuwe manen.

Aldus gebood de Alwetende, Hij die de hemelse lichamen schiep en het juiste moment dat Hij hen in beweging bracht om te heersen over de dag, de maand, en het jaar, dat de heilige

9

feesten zouden worden geobserveerd op de juiste maand en op de juiste dag waarop zij het eerst werden vastgesteld. {ABN3: 9.4}

En Hij stelde de “lichten in het uitspansel(…) tot tekens, en tot seizoenen, en tot dagen, en jaren” (Gen. 1:14), door de bewegingen waarvan Hij elke zonne- en elke manetijd stelde, zodat het nooit uit het oog kan worden verloren. Om het ook dubbel te verzekeren tegen zulk een verlies, “sprak” Hij “tot Mozes en Aaron in het land Egypte, zeggende: Deze maand zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn.” Ex. 12;1,  2. {ABN3: 10.1}

Aldus zien wij dat Zijn grote en nooit falende klok voor de aarde, de eigen onveranderlijke bewegingen, de dag en het jaar regelen; terwijl het draaien van de maan rondom de aarde de maanden regelt. {ABN3: 10.2}

Maar het Romeinse Nieuwjaar, 1 januari, vindt haar bevestiging niet in de bewegingen van het zonnestelsel, maar in de noties van de mythologie. Dus, daar de data niet overeenkomt met noch de lentenachtevening, noch de herfstnachtevening, of noch met de zomerse of winterse hoogste punt, dan zouden de inwoners van de aarde, als zij ooit de tel kwijt zouden raken van de dag, en het zouden moeten terugvinden, hulpeloos zijn om dat te kunnen doen. {ABN3: 10.3}

Om te voorkomen dat Zijn volk zulk een ramp over zich heen zouden halen, en om hen ter kennis te brengen van de tijd waarop het jaar begint, gaf de Heer aan Mozes het heilige jaarlijkse kalender, dat

10

niet verloren kan gaan of misberekend kan worden zolang de aarde bestaat. Hij vertelde hem dat de dag die vooraf gin aan de uittocht, de veertiende dag was van de eerste maand—en dat zij vanaf toen voor altijd het Pascha moesten gedenken op dezelfde nacht elk jaar, de nacht die volgt na de veertiende dag. Aldus was de Heer het scheppingskalender aan het heroprichten, aan het herbevestigen dat het jaar begint op de dag van de lentenachtevening, waarop de lente, het eerste seizoen van het jaar, begint, en waarop de zon en de maan werden geschapen (de vierde dag van het begin der schepping)—het enige punt des tijds waarin, juist volgens de natuurlijke gang van zaken, het jaar kon beginnen. En zo is het dan dat het Pascha, de Verzoendag, en het Loofhuttenfeest (de drie meest belangrijke feesten in het jaar), naast de andere feesten, worden geregeld door het zonnejaar en door de maanmaand; de wekelijkse sabbat door de dag waarop de schepping begon; en het jaar zelf door de lentenachtevening, de onverplaatsbare wegwijzer. {ABN3: 10.4}

Door haar eerste maand van het jaar te beginnen met de eerst nieuwe maan, bij, of na de lentenachtevening, 20-21 Maart, plaatst het de veertiende dag, de dag waarop het Pascha Lam zou worden geslacht, op 3 April. Voor eens en altijd wordt de volkomen onmogelijkheid gezien dat de Romeinse maand ook maar iets te maken zou hebben met het bereken van de tijd van hetzij het Pascha of het schoofoffer, en aldus helemaal niets te maken heeft met het berekenen van hetzij de tijd van de kruisiging of de opstanding van Christus. {ABN3: 11.1}

11

Dit wordt op een nog aanschouwelijkere wijze gezien door het samenvallen van de heilige gebeurtenissen die in de lente van het jaar 31 N.Cr., het jaar waarin Christus werd gekruisigd, met de heilige gebeurtenissen die vielen op de herfst van het jaar 27 N.Cr.,  het jaar waarin Hij werd gedoopt, zoals wordt gezien op de diagram: {ABN3: 12.1}

shepherds-rod-answerer-book-3-sacred-year

12

Deze kaart stelt ons in staat om te zien dat net zoals een zonneseizoen overeenstemt met de ander (de lentenachtevening overeenstemt met de herfstnachtevening, en het zomerse hoogste punt, het winterse hoogste punt), de heilige feesten van een seizoen op gelijke wijze overeenkomen de heilige feesten van een ander seizoen; de tiende dag van eerste de maand, de scheiding van de smetteloze lam van de kudde (Ex. 12:3), wat correspondeert met de tiende dag van de zevende maand, het werk van Verzoening, de scheiding van de rechtvaardige van de onrechtvaardige, wat in beide gebeurtenissen een dag van oordeel betekent, een dag van het scheiden van de heiligen van de onheiligen; de zestiende van de eerste maand, de dag waarop Christus werd gekruisigd, dat correspondeert met de zestiende van de zevende maand, de dag waarop Hij werd gedoopt, wat aantoont dat Zijn waterige graf een voorafschaduwing was van Zijn graf in de groeve; de achttiende dag van de eerste maand, de opstanding, correspondeert met de achttiende dag van de zevende maand, de eerste dag van de verzoeking in de woestijn; Zijn veertig dagen van overwinnende bediening tot Zijn discipelen, correspondeert met Zijn veertig dagen van overwinnende strijd met Satan; en het prediken van het evangelie door Zijn discipelen na de Pinksterdag, correspondeert met Zijn prediken van het evangelie na de verzoeking in de woestijn. {ABN3: 13.1}

Om de datum vast te stellen van Zijn doop als the zestiende dag van de zevende maand, moeten wij slechts, naast de overeenstemmingen, het feit in beschouwing nemen, dat het “vaster staande woord der profetie” bekrachtigt dat

13

Hij drie en een half jaren zou prediken, en dan zou worden “afgesneden.” Dan. 9:26. En daar Hij werd gekruisigd op de zestiende van de eerste maand, moest Hij zijn gedoopt voor de bediening net drie en een half jaren tevoren, op de zestiende dag van de zevende maand. {ABN3: 13.2}

VONDEN HET PASCHA EN DE BEGRAFENIS OP DEZELFDE DAG PLAATS?

Vraag Nr. 51:

De laatste tijd zijn er een aantal pogingen gedaan om de specifieke dagen van de week vast te stellen waarop de berechtingen, kruisiging, begrafenis en de opstanding van Jezus plaatsvonden; en ook de lengte van tijd dat Hij terecht stond, aan het kruis hing, en in het graf lag. De punten die als bewijs worden aangevoerd over het onderwerp zijn verwarrend voor mij. Kunt u het verduidelijken? En heeft Jezus het Pascha gegeten op dezelfde dag waarop de Joden dat deden, of van tevoren? {ABN3: 14.1}

Antwoord:

Ongeacht hoe verwikkeld in mysterie de schrijvers van het Evangelie dit onderwerp kunnen toeschijnen te hebben gelaten, is er een opeenvolging van feiten die duidelijk wordt aangegeven en onmiskenbaar naar voren komt, namelijk; de uren waarop de voornaamste gebeurtenissen plaatsvonden. {ABN3: 14.2}

Al de evangeliën getuigen dat Jezus werd gevangengenomen op dezelfde nacht dat Hij het Pascha at met Zijn discipelen (Matt. 26:34; Marcus 14:30, Lukas 22:34). Johannes verklaart dat Hij onmiddellijk daarna werd “weggeleid(…)tot Annas (Johannes 18:13), en markus onthult dat later in die nacht Hij werd gebracht voor “de overpriesters en de gehele raad.” Markus 14:54, 55. “En zo gauw het dag was”, zoals al de verslagen overeenstemmen, werd Hij uiteindelijk voorgeleid voor het Sanhe

 14

drin. Om het verhoor legaal te maken, kon de gerechtshof niet (volgens de Joodse wet) aanvangen zonopkomst, het twaalfde uur, vroegere tijd. Om precies te zijn, kon de tijd van het verhoor niet eerder zijn dan 11:50 ’s morgens, vroegere tijd (5:50 ’s morgens moderne tijd), want de week van het Pascha werd gevierd van de veertiende tot de twintigste dag van de eerste maand van het Hebreeuwse jaar, beginnen met de lentenachtevening (20-21 maart), de tijd van het jaar waarop de dag en de nacht gelijk staan{even lang duren?}. {ABN3: 14.3}

Daarna werd Hij, zoals de evangelieschrijver aantonen, gebracht voor het Romeinse gerechtshof, waar Hij, volgens de getuigenis van Johannes, werd berecht voor Pilatus op “ongeveer het zesde uur.”Johannes 19:14. En Markus vertelt dat Hij werd gekruisigd op “het derde uur” (Markus 15:25), terwijl Mattheus en Lukas, samen met Markus, getuigen dat terwijl Hij aan het kruis hing, de duisternis de aarde bedekte van het zesde tot het negende uur (Matt. 7:45; Markus 15:33; Lukas 23:44). Als laatst verenigen zij zich allen in de afdoende getuigenis dat Hij werd begraven net voor het twaalfde uur bij zonsondergang—voordat de Sabbat aanbrak (Matt. 17:57-62; Markus 15:42-46; Lukas 23:54-56). {ABN3: 15.1}

De begeleidende afbeelding stelt een veertig-uren periode voor. Daarop wordt ieder uur benoemd{of aangeduid}, en de verwijzing van elke gebeurtenis wordt tegenover het uur aangegeven waarop de gebeurtenis plaatsvond. Het buitenste schema van de afbeelding stelt het vroegere uurwerk voor; het binnenste schema stelt het moderne uurwerk voor.

15

De donkere gedeelten tonen de uren van de betreffende nachten aan, evenals de duisternis die plaatsvond terwijl Christus aan het kruis hing. {ABN3: 15.2}

shepherds-rod-answerer-book-3-hours-passion

16

Als men zou concluderen dat de gebeurtenissen die in verband staan met het lijden van Christus,–Zijn arrestatie, berechtingen, kruisiging en begrafenis,–op één dag plaatsvonden, dan zou er, zoals duidelijk kan worden zien uit de afbeelding, geen “zesde uur” zijn voor de berechting in het gerechtshof van Pilatus; inderdaad, er zou dan helemaal tijd worden toegestaan voor de berechtingen voor het Romeinse gerechtshof—Pilatus en Herodus! {ABN3: 17.1}

En door te veronderstellen dat Lukas 22:7-14 alleen maar een vervanging van het Pascha optekent—dat Jezus en Zijn discipelen een Pascha vierden voordat de dag aanbrak—neemt men het standpunt in dat in strijd is met zowel de “wet” als met het “getuigenis” van de profeten en de apostelen (Jes. 8:20). En als dat het geval was, dan zouden de Joden, die wanhopig ernaar verlangden om Christus van enig handeling van wetteloosheid te beschuldigen, er veel ruchtbaarheid van maken, en de apostelen zouden als gevolg erover hebben geschreven. {ABN3: 17.2}

Om te voldoen aan het onfeilbare vereiste van de “wet,” moest het lam worden geslacht in de middag van de veertiende dag van de eerste maand (Num. 28:16), en het feest moest worden gevierd op de vijftiende (Num. 28:17), de nacht die volgt op de veertiende dag (Ex. 12:8). Als afdoende bekrachtiging van dit feit, verklaart

17

de Geest der Profetie nadrukkelijk: “op de veertiende dag van de eerste Joodse maand, op dezelfde dag en maand waarop het Pascha lam vijftien jaren lang werd geslacht, stelde Christus, nadat Hij het Pascha had gegeten met Zijn discipelen, het feest in die Zijn eigen dood zou moeten herdenken als “het Lam Gods, die de zonde der wereld wegneemt.” –The Great Controversy, p. 399 {De Grote Strijd, blz..}. {ABN3: 17.3}

Terwijl de week van het Pascha werd geregeld door de maand, werd de dag waarop de garve zou worden geofferd (het type van de opstanding)—1 Kor. 15:20; The Desire of Ages, p. 786{De Wens der Eeuwen, p..}) geregeld door de week. En volgens Lev. 23:3, 11, zou de garve worden geofferd op de dag die volgt op de zevende daagse Sabbat, want de Sabbat van vers 11 is de Sabbat van vers 3—die ene die verbonden is met het onderwerp van de feesten welke Mozes introduceert. {ABN3: 18.1}

Voorts, noemen de Schriften een feestdag nooit “de sabbat,” maar “een sabbat”of “sabbatten.” (Zie Lev. 23:24.) {ABN3: 18.2}

(Voor een uitgebreide behandeling over het onderwerp van de dagen van de week van het Pascha, en over de “drie-dagen-en-drie-nachten” periode –Matt. 12:39, 40 –zie Tract No. 10, The Sign of Jonah {Traktaat Nr. 10, Het Teken van Jona.) {ABN3: 18.3}

18

HEEFT HET WERK VAN DE HERDERSSTAF EEN TYPE?

Vraag Nr. 52:

Als “De Herdersstaf” het juist heeft dat “waar er geen type is, er geen waarheid is,” waar is dan, kan men zich afvragen, het type van het werk van de “Staf” zelf? {ABN3: 19.1}

Antwoord:

In het Oude Testament wordt een godsdienstige Beweging in zicht gebracht die een “voorbeeld,” of type, of een tegenhanger in het Nieuwe Testament. En net zoals God gisteren de een organiseerde en leidde om Zijn volk te bevrijden van een wrede slavernij tot heidense meesters, zo zal Hij dat ook doen met de andere vandaag. Op gelijke wijze zal Hij, zoals Hij de een instrueerde, ook de ander instrueren hoe zij kan verwachten te worden bevrijd en bevestigd in het land van hun erfenis, het koninkrijk van vrijheid, vrede, en overvloed. Ter verzekering hiervan, verklaart Hij: “Al deze dingen nu zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zij zijn geschreven tot waarschuwing voor ons, over wie de einden der wereld zijn gekomen.” 1 Kor. 10:11. En “er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assur, zoals Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optrok.” Jes. 11:16. {ABN3: 19.2}

Deze Schriftgedeelten tonen duidelijk aan dat de Uittocht Beweging van oud die door Mozes werd geleid door zijn herdersstaf, van Egypte tot Kanaän, in type vooruit wijst

 19

naar de uiteindelijke verlossing van Gods volk van hun lange dienstbaarheid tot het koninkrijk van deze wereld tot de vrijheid in het koninkrijk van God. Dienovereenkomstig zal deze uiteindelijke Uittocht Beweging van de laatste dagen geleid worden door een antitypische Herdersstaf, en verlost van alle aardse banden—van zonde en van zondaars. {ABN3: 19.3}

Maar laat eraan worden gedacht dat de Uittocht Beweging, het type, twee gedeelten had, het eerste gedeelte dat werd geleid door Mozes, en het tweede gedeelte door Jozua, en dat het de laatstgenoemde was, het gereinigde gedeelte (dat wat opgroeide na het zwerven voor veertig jaren, en nadat allen behalve twee die twintig jaren en ouder waren toen zij Egypte verlieten, waren gestorven) dat het land in bezit nam. {ABN3: 20.1}

De Beweging die wordt geleid door de Staf vandaag is de enige Beweging in het christendom die bij het type past—het Israel van Jozua ’s dagen; evenals haar, haalt zij haar volgelingen alleen maar uit de Moeder Beweging, en heeft zij als haar drievoudige doel de verlossing van Gods volk uit slavernij, het in bezit nemen van het land, en het oprichten van het koninkrijk. En net zoals het gereinigde Israel van Jozua ’s dagen, de generatie die het veertig jaren rondzwerven in de woestijn overleefde, eerst het uiteindelijke leiderschap beërfde over de typische Uittocht Beweging, en daarna het land der belofte, zo zullen het gereinigde Israel van vandaag (de 144.000), degenen die de veertig jaren periode van rondzwerven van 1890-1930 overleven, en die ontkomen aan de slachting van

20

Ezechiël 9, worden bevorderd tot het uiteindelijke leiderschap over de antitypische Exodus Beweging, om dan “het beloofde land” te beërven, en om burgers te zijn in het eeuwige Koninkrijk. {ABN3: 20.2}

Aldus zien wij dat pas nadat de klagers uit de weg waren geruimd, in het voorbeeld, Jozua het overnam, en de Uittocht Beweging leidde in het land van Kanaän. Dienovereenkomstig is in het antitype, de periode voordat de Staf kwam, de Laodiceese periode, die periode waarin het typische rondzwerven, vertwijfelingen, en gemurmel worden gevonden, zowel tegen de oprichter en dietistische grondbeginselen (“gezondheidshervorming”) van de Beweging, en de daaruit volgende vervloekingen en slachting. {ABN3: 21.1}

Het onmiddellijk gevolg van dit gemurmel, klagen, en vertwijfelingen van vandaag is geweest dat de ogen van velen in de Advent Beweging, wat hen veroorzaakte om zich af te keren van het volgen van Christus als hun Leider, en gestadig terug te keren “nar Egypte.” – Testimonies, Vol. 5, p. 217 {Getuigenissen, Deel 5, p..}. Dus, in een andere tragische parallellisme, net zoals Mozes de droevige ervaring schreef van het type, alzo schreef de grondlegger van de Zevende-dags Adventisten Kerkgenotschap de nog droevigere ervaring van het antitype, die zo ver terug als 1888 verklaart: “Velen hadden Jezus uit het zicht verloren,” en “Twijfel en zelfs ongeloof in de getuigenissen van de Geest van God, doordrengen onze kerken overal.” –Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, p..}. {ABN3: 21.2}

Anders gezegd, net zoals ongeloof aan de kant

21

van het vroegere Israel hen terugzond om in de woestijn rond te zwerven totdat al de schuldigen waren omgekomen, zo zond op gelijke wijze ongeloof in de boodschap van Gerechtigheid door Geloof die werd verkondigd bij de Minneapolis Conferentie de Zevende-dags Adventisten kerkgenootschap in een veertig jaren rondzwerven in de woestijn tot 1930, met de aankomst van de boodschap, bij wiens stem een ieder God moet gehoorzamen of sterven zoals Achan en zijn huishouden dat deden. Moge God het schenken dat het Israel van vandaag, de kinderen van hen die de geschiedenis van Israel van oud hebben herhaald (Testimonies, Vol. 5, p. 160 {Getuigenissen, Deel 5, p…}), gewaarschuwd zal zijn door de fouten van hun vaders, en gehoor geven aan de oproep van het Elfde Uur. {ABN3: 21.3}

Deze ernstige typologie openbaart nog andere veelbetekenende parallellismes: Net zoals de Uittocht Beweging was verstoken van hun zichtbare leider een korte tijd voordat zij het land Kanaän binnengingen, zo ook was de Advent Beweging verstoken van haar zichtbare leider terwijl het de grenzen van het Koninkrijk naderde; en net zoals Jozua werd geroepen om de voeten van Gods vermoeide pelgrims te leiden tot hun thuisland, evenzo moet een andere opstaan in deze tijd ter vervulling van het type, om de voeten van Gods heiligen vandaag thuis te leiden. {ABN3: 22.1}

“Door een profeet bracht de Here Israel uit Egypte, en door een profeet werd hij bewaard.” Hos. 12:13. {ABN3: 22.2}

“Iemand zal komen in de geest en kracht van Elia, en wanneer hij verschijnt, kan men zeggen: ‘(…)u

22

legt de Schriften niet op de juiste wijze uit.’” – Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, pp. 475, 476. {ABN3: 22.3}

In al de kerkboeken van de kerkelijke geschiedenis vanaf de Uittocht Beweging, is de Staf-boodschap de enige die beantwoordt op juist zulk een Beweging, en die precies bij het type past. (Zie Tract No. 8, Mount Sion at the Eleventh Hour {Traktaat Nr. 8, De Berg Zion tegen het Elfde Uur} en Tract No. 9, Behold, I Create All Things New {Traktaat Nr. 9, Zie, Ik Maak Alle Dingen Nieuw}). {ABN3: 23.1}

Het is daarom onmiskenbaar dat het heldere licht dat voortschijnt vanuit het type, vanuit de getuigenissen van de profeten, en vanuit de geschiedenis, de boodschap van de Staf identificeert als de enige die is aangesteld om de kerk van de laatste dagen te leiden, bevrijd van zonden en zondaars, naar het land der belofte, wanneer “de tijden van de Heidenen is vervuld.” Lukas 21:24. “In de dagen van deze koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, die nooit zal worden vernietigd.” Dan. 2:44. Die dag is aangebroken, en de Staf van God is hier om die “grote hervormende beweging onder Gods volk”—(Testimonies, Vol. 9, p. 126{Getuigenissen, deel 9, p..}) tot stand te brengen, om “kracht en nadruk aan de Derde Engel Boodschap”(Early Writings, p. 277{Eerste Geschriften, p. 332}) te geven, zodat: “gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, de kerk(…) ‘schoon als de maan, helder als de zon, en geducht als een leger met krijgsbanieren,’” kan “voortgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” –Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, blz…}. {ABN3: 23.2}

“Hoort gij naar de Roede{of Staf}, en Wie het besteld heeft.” Mich. 6:9. {ABN3: 23.3}

DE VIER WINDEN—WAT ZIJN ZIJ?

Vraag Nr. 53:

Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 444 verklaart: Johannes ziet de natuurelementen – aardbeving, storm, en politieke strijd – voorgesteld als dat zij worden tegengehouden door vier engelen.” Maar Tract No. 8, “Mt. Sion at the Eleventh Hour {Berg Zion tegen het Elfde Uur},” p. 22, zegt: “Daar de naties altijd oorlog hebben gevoerd, zou dit tweeledig werk van het toebrengen van schade geen politieke strijd kunnen betekenen.” Hoe kunnen deze tegenstrijdige verklaringen verenigd worden? {ABN3: 24.1}

Antwoord:

Wij zijn ervan overtuigd dat wanneer de vrager Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 444 opnieuw zorgvuldig zal bestuderen, hij zal zien dat het tracht aan te tonen dat het Goddelijke doel van het tegenhouden van de winden is, zoals het passage duidelijk zegt: “de veiligheid van Gods gemeente.” Aangezien dat het geval is, dan zullen de winden, die op zichzelf genomen een zinnebeeld zijn van strijd, benauwdheid, en oorlog, wanneer zij worden losgelaten, tegen de kerk waaien. Dit is zeer duidelijk, want het feit dat zij worden tegengehouden vanaf de dagen van Johannes tot op ditzelfde uur, heeft de natiën nooit verhinderd en is hen nu niet aan het verhinderen om oorlog te voeren tegen elkaar. Zij hebben altijd oorlog gevoerd tegen elkaar, en vandaag de dag zijn zij betrokken in een dodelijke wereldwijde strijd die niet geëvenaard kan worden in de gehele geschiedenis, hoewel de engelen nog steeds de winden tegenhouden. Het is daarom noodzakelijk dat de strijd die wordt voorgesteld door het waaien van

24

 de vier winden, in wezen godsdienstige gericht moet zijn, en alleen politiek gericht wat de handelwijze betreft, aldus religieus-politiek, zoals wordt verklaard in Tract No. 12, The World Yesterday, Today, Tomorrow {Traktaat Nr. 12, De Wereld Gisteren, Vandaag, Morgen}, pp. 38, 65 en in The Shepherd’s Rod Vol. 2 {De Herdersstaf}, p. 114. Deze slotsom wordt bevestigd door het volgende passage: {ABN3: 24.2}

“De tijd komt dat wij voor geen enkele prijs kunnen verkopen. Spoedig zal het bevel  worden uitgevaardigd waardoor de mensen verboden zullen worden om te kopen of verkopen van een ieder behalve diegene die het merkteken van het beest draagt. Dit is bijna gerealiseerd in Californië kortgeleden; maar dit was slechts een dreiging van het waaien van de vier winden. Tot nu toe worden zij vastgehouden door de vier engelen. We zijn nog niet werkelijk klaar. Er moet nog werk gedaan worden en dan zal aan de engelen worden opgedragen los te laten, zodat de vier winden over de aarde kunnen waaien. Het zal een beslissende tijd zijn voor Gods kinderen, een tijd van benauwdheid zoals het nooit eerder geweest is sinds er een natie bestond.” – Testimonies, Vol. 5, p. 152 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}.{ABN3: 25.1}

Het traktaat benadrukt in haar bijzondere verklaring in kwestie, slechts het godsdienstig aspect van de benauwdheid, in de poging om aan te tonen dat de benauwdheid niet politiek gericht is,–niet om een gebied te veroveren, maar om een internationale godsdienst op te richten ten einde de wereld ertoe te dwingen om het merkteken van het beest te aanbidden. {ABN3: 25.2}

In dit duidelijk licht zien wij dat zowel Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten} als The Shepherd’s

25

Rod {De Herdersstaf} trachten aan te tonen dat de strijd niet louter politiek noch louter godsdienstig, maar religieus-politiek is. Het is de kerk en staat, die zich alliëren in een gemeenschappelijke handeling. {ABN3: 25.3}

144.000 OF EEN GROTE SCHARE?

Vraag Nr. 54:

Hoe kan de grote schare (Openb. 7:9) mogelijkerwijs de aanvulling zijn van de 144.000 bij het samenstellen van de levende heiligen? {ABN3: 26.1}

Antwoord:

Ondanks het feit dat “in het afsluitingswerk” voor de Zevende-dags Adventisten Kerkgenootschap, alleen 144.000 zullen worden verzegeld, volgens Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266, telde het kerkgenootschap aan het begin van het jaar 1944 reeds ruim boven een half miljoen aan leden, terwijl de aangesloten gebieden die het onder de evangeliekoepel heeft staan, in vergelijking met de enorme velden der mensheid die het nog niet eens geraakt heeft, slechts een zeer klein getal bedraagt. Dus zijn er relatief gesproken, miljoenen op miljoenen die nog nooit zelfs hebben gehoord van de naam “Adventisten.” {ABN3: 26.2}

Als de huidige groeisnelheid van het Kerkgenootschap voortduren totdat de Adventboodschap is gepredikt in de gehele wereld, dan zouden haar leden van vermenigvuldigde omvang zijn wanneer Christus komt. Inderdaad, aangezien er niet een het minste

26

 kans van afname bestaat in de huidige groeisnelheid, maar elke kans van toename (zoals de leken wordt verteld vanaf de kansel iedere Sabbat), dan staat het vast dat als het Kerkgenootschap, bij haar huidige groeisnelheid, voortgaan tot aan de tweede komst van Christus, het in de miljoenen zou tellen aan leden. En als er slechts 144.000 veranderd zouden worden, dan zouden de miljoenen Zevende-dags Adventisten die leven bij de afsluiting van de genadetijd, tragisch gezegd, moeten omkomen hetzij “in de zeven laatste plagen”of bij “de glans van Zijn komst”! En als “het afsluitingswerk voor de kerk” betekent dat er uit deze miljoenen leden slechts 144.000 inderdaad zullen worden veranderd, hoe klein is dan de kans dat elk lid in het bijzonder ooit gered zal zijn! En voorts, in dat geval, met zulke overweldigende kansen die tegen hen zijn om gered te worden, wat zou er dan voor rechtvaardiging mogelijkerwijs zijn om voort te gaan om steeds meer bekeerlingen binnen te brengen om het aantal kerkleden te doen toenemen? Zoiets zou niets minder zijn dan een groot verraad—hen omwikkelen voor de ondergang in een vergulde hoop van verlossing! {ABN3: 26.3}

Aangezien het in strijd is met Gods verlangen en inspanning (Testimonies, Vol. 6, {Getuigenissen, Deel 6} p. 371 om in de kerk binnen te brengen hen die niet gered zijn {onkruid}, dan is de overheersende leer dat er slechts 144.000 levende heiligen zullen zijn wanneer Christus komt om al de Zijnen tot zich te vergaderen, niets minder dan een erkenning dat

27

de snelle toename van leden tot de Kerkgenootschap het werk van de Vijand is! {ABN3: 27.1}

In The Signs of the Times {De Tekenen des Tijds}, 3 Mei, 1927, verscheen er een artikel, getiteld: “De 144.000, Hun Zege en Beloning.” In dit artikel, dat drie jaren voordat The Shepherd’s Rod, Vol. 1 {De Herdersstaf, Deel 1} werd gepubliceerd, onderwees het Kerkgenootschap dat de 144.000, de eerste vruchten van de levende heiligen, eerst verzegeld zullen worden, en vervolgens de tweede vruchten, “de grote schare” (Openb. 7:9) van levende heiligen zullen binnenbrengen. {ABN3: 28.1}

Door zich om te keren van dit standpunt, in een poging om de boodschap van het uur tegen te spreken, The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf}, hebben zij zich automatisch vastgehecht aan de horens van een dilemma: het enerzijds verloochenen van leer van 1927, en anderzijds het geven van een valse hoop van verlossing aan de leden van de kerk! {ABN3: 28.2}

Daarom zou de vraag niet moeten zijn hoe de grote schare mogelijkerwijs de aanvulling kan zijn van de 144.000, maar eerder hoe zij dat mogelijkerwijs niet kan zijn. {ABN3: 28.3}

ZULLEN WIJ GELOVEN OF ZULLEN WIJ TWIJFELEN?

Vraag Nr. 55:

Het is voor mij moeilijk om volledig te geloven in welke Bijbelse uitlegging dan ook die aanspraak maakt op Inspiratie. Brengt men niet, door zulk een aanspraak te maken, het gehele bouwwerk van zijn boodschap in

28

 gevaar, dat zodoende de weg wordt vrijgemaakt dat het zonder omhaal wordt weggevaagd door welke ene dwaling dan ook die het zou kunnen bevatten? {ABN3: 28.4}

Antwoord:

De moeilijkheid van de vrager stamt uit het harde feit dat de Protestantse wereld heel lang het begrip heeft aangehouden dat God in deze tijd geen geïnspireerde mondstuk gebruikt om de Schriften uit te leggen en Zijn wil te verklaren, maar dat Hij in elke Christen individueel investeert en leidt. Deze theorie wordt echter universeel gekraakt {te niet gedaan} wanneer het wordt gezien in het licht van het feit dat die personen die beweren dat zij persoonlijk door God zijn geleid, het onder elkaar niet eens zijn evenals de verscheidene sekten het niet met elkaar eens zijn. {ABN3: 29.1}

Voordat Hij vertrok, verklaarde de Verlosser: “Wanneer(…)de Geest der Waarheid is gekomen, zal Hij u leiden in alle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar wat Hij zal horen, dat zal Hij spreken; en Hij zal u de dingen tonen, die komen zullen.” Johannes 16:13 {KJV}. Er is daarom geen onenigheid dat het de Goddelijke wil is dat wij alle Waarheid, en alleen de Waarheid hebben. En er moet eraan gedankt worden dat “geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie in vroegere tijden voortgekomen uit de wil van een mens, maar heilige mensen Gods hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken.” 2 Pet. 1:20,21. {ABN3: 29.2}

Inderdaad, alleen al het woord “Inspiratie,” volgens haar theologische betekenis, betekent het overbrengen van

29

Goddelijke instructies, die vrij zijn van menselijke vervalsing. Daarom kan welk bezwaar dan ook tegen Inspiratie uiteindelijk alleen maar een poging zijn om God uit het zicht te plaatsen en mensen op de voorgrond te brengen, om het enige kanaal af te snijden waardoor God de Schriften kan uitleggen, {en} met Zijn volk kan communiceren –“waarheid te openbaren en dwaling te ontmaskeren.” – Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 107. “De heer heeft altijd in Zijn voorzienigheid getoond,” zegt de geest der Profetie, “dat niets minder dan geopenbaarde waarheid, het woord van God, de mens kan terugeisen van zonde, of hem kan behoeden tegen overtreding.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 80. {ABN3: 29.3}

Dus is het zeer duidelijk, dat het Woord van God niet op de juiste wijze eigenmachtig kan worden uitgelegd – zonder hulp van Inspiratie ( 2 Pet. 1:20, 21). Een ieder die aldus probeert om de boodschappen die de Heer tot hen zendt uit te leggen, zal tot de ontdekking komen dat hij Satan aan het dienen is in plaats van Christus te dienen, en zal zowel zichzelf als zijn volgelingen veroorzaken schipbreuk aan het geloof te lijden. {ABN3: 30.1}

Om het geloof van de oprechten zeker te stellen, toont de Heer op figuurlijke wijze in het vierde hoofdstuk van Zacharia, de methode waardoor Hij waarheid overbrengt aan Zijn volk. De begeleidende afbeelding is een exacte objectivicatie van wat de profeet werd getoond. {ABN3: 30.2}

30

shepherds-rod-tract-6-zechariah-4

31

Hier wordt gezien dat de kandelaar, zoals wordt uitgelegd door Openbaring 1:20, symbool staat voor de leden van de gemeente; de buizen die komen van de gouden schaal naar de kandelaar, zijn een symbool van de geestelijke leiding (Testimonies to Ministers {Getuigenissen van Predikanten}, p. 188); de olijfbomen staan symbool voor de Oude en Nieuw Testament Geschriften (The Great Controversy, p. 267{De Grote Strijd, blz.}); en de twee gouden buizen, die de gouden olie brengen van de bomen naar de schaal, zijn een symbool van de Bijbeluitleggers, de geïnspireerde boodschappers van God, want het symboliek toont onbuigzame wijze aan dat zij de enigen zijn die Inspiratie in staat stelt om de olie te onttrekken van de olijfbomen –de Schriften uit te leggen. En de schaal, de reservoir van datgene wat de buizen (uitleggers) daarin plaatsen, kan alleen de geschriften zijn van de Geest der Profetie. {ABN3: 32.1}

Als een noodzakelijk en vanzelfsprekend gevolg, zal God slechts één mondstuk hebben om Zijn volk te onderrichten in het oprichten van Zijn Koninkrijk, zoals Hij ons dat op profetische wijze vertelt in niet mis te verstane taal: “En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst in het midden van hen; Ik, de Here, heb het gesproken. En Ik zal een verbond des vredes met hen sluiten, en zal de kwade beesten uit het land wegdoen; en zij zullen veilig wonen in de

32

woestijn, en slapen in de bossen. En Ik zal hen en de plaatsen rondom Mijn heuvel tot een zegen stellen, en Ik zal de regenstromen doen neerdalen op zijn tijd; stromen van zegen zullen het zijn.” Ezech. 34:23-26{KJV}. “De stem des Heren roept tot de stad, en de mens der wijsheid zal uw naam zien: Hoort naar de Roede, en Wie het besteld heeft.” “Weid uw volk met uw Staf, de kudde van uw erfdeel, die eenzaam wonen in het woud, te midden van Karmel; laat hen weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. Evenals in de dagen van uw uittocht uit het land Egypte, zal Ik hem wonderbare dingen doen zien.” Mich. 6:9; 7:14, 15{KJV}. {ABN3: 32.2}

Voor de boodschap in the Shepherd’s Rod {De Herdersstaf} geven wij de eer aan Wie het toebehoort. En als er enigen zijn die wensen dat wij het aan onszelf geven, dan doen zij dat niet omdat zij van ons houden of ons willen verheffen boven zichzelf, maar blijkbaar omdat zij onwetend weerklinken de stem van beneden, die God haat en de openbaring van Zijn Woord, en die altijd spreekt slechts om mensen te verleiden om zichzelf te verheffen in plaats van God, en daardoor zichzelf blindelings misleiden en anderen wegleiden van de waarheid, dit alles omdat zij zich eraan ergeren om zichzelf onder de heerschappij te brengen van Christus, nu daar “Hij de teugels in Eigen handen neemt.” –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. {ABN3: 33.1}

Laten zij die weigeren zich volledig te onderwerpen aan Inspiratie, zich afvragen

33

wat zij zouden hebben gedaan als zij hadden geleefd onder Mozes en zijn staf. Hij bekende van zichzelf dat hij het mondstuk van God was evenals de Staf van vandaag dat doet. Zouden deze weigeraars als gevolg niet zijn opgestaan met Korach tegen Mozes en Aaron, net zoals zij dat nu aan het doen zijn met tegen de Rod {Staf}, zeggende: “Gij neemt te veel op uzelf, aangezien de gehele vergadering heilig is, elk van hen, en de Here is in hun midden. Waarom verheft u zichzelf boven de gemeente des Heren?” Num. 16:3{KJV}.{ABN3: 33.2}

Als dezulken niet gewillig waren om van ganser harte een geïnspireerde boodschap vandaag aan te nemen, zouden zij dan de boodschap van de Doper, Christus of de apostelen hebben aangenomen? Neen, inderdaad niet, ongeacht hun ambt. En als zij zich niet willen onderwerpen aan Inspiratie, hoe zullen zij dan ooit de waarheid te weten komen? En hoe zullen zij ooit het Koninkrijk binnengaan? Want de Bijbel zegt: {ABN3: 34.1}

“Voorzeker, de Here zal geen ding doen, of Hij openbaart Zijn verborgenheden aan Zijn knechten, de profeten. Amos 3:7. “Door een profeet voerde de Here Israël uit Egypte, en door een profeet werd hij behouden.” “Geloof in de Here, uw God, zo zult u bevestigd worden; geloof Zijn profeten, zo zult gij voorspoedig zijn.” Amos 3:7; Hos. 12:14; 2 Kron. 20:20{KJV}. {ABN3: 34.2}

“En Ik zal uw tong doen kleven aan uw verhemelte, zodat gij stom zult zijn, en zult hun niet tot een bestraffer zult wezen; want zij zijn een weerspannig huis. Maar wanneer ik tot u spreek, dan zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen:

34

Zo zegt de Here God; Wie het hoort, laat hem horen; en wie het nalaat, laat hem het nalaten; want zij zijn een weerspannig huis.” Ezech. 3:26, 27. {ABN3: 34.3}

Het zijn de ideeën van ongeïnspireerde mensen die de Christen gemeente hebben gesplitst in spaanders van allerlei soort en omvang, en hebben haar gemaakt tot een “woonplaats van duivelen, en de schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte” (Openb. 18:2), in plaats van har te maken tot een plaats van waarheid en verlossing, en een woonplaats van heiligen. {ABN3: 35.1}

Laten allen die het gevoel van de vrager delen, stilstaan, en de vraag overdenken: Hoe kan een ongeïnspireerde boodschap van God zijn—de waarheid zijn—waardig zijn om aan te nemen? Klaarblijkelijk wordt het afkeuren van dat men Inspiratie opeist voor zijn boodschap, en wantrouwen dat het een spoor van dwaling bevat, niet aanbevolen door Hem die zegt: “Dooft de Geest niet uit. Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; houd vast aan datgene wat goed is.” 1 Tess. 5:19-21. {ABN3: 35.2}

  “Als nooit tevoren zouden wij niet alleen moeten bidden dat er arbeiders worden uitgezonden in de grote oogstveld maar dat wij een duidelijk begrip mogen hebben van waarheid, zodat wanneer de boodschappers der waarheid zullen komen,

35

wij de boodschap kunnen aannemen en de boodschapper respecteren.” Testimonies, Vol 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p.420. {ABN3: 35.3}

  In de dagen van Christus vielen de Inspiratie-twijfelaars zowel de boodschappers als hun boodschappen voor die tijd aan. Enerzijds vonden zij fouten bij Johannes de Doper omdat zijn dieet bestond uit wilde honing en sprinkhanen (Matt. 3:4). Omdat hij “kwam, niet etende noch drinkende, (…)zij zeggen: Hij heeft de duivel.” Matt. 11:18 {KJV}. Anderzijds beschuldigden zij Christus, omdat Hij “kwam, wel etende en drinkende, ervan dat Hij “een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars.” Matt. 11:19 {KJV}. In het ontkennen dat Hij van God gezonden was, vroegen zij Hem op spottende wijze: “Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? Of wie is het die u deze bevoegdheid gegeven heeft?” Lukas 20:2{KJV}. {ABN3: 36.1}

En nu verklaart Zijn Geest tot Zijn kerk in deze laatste dagen: “Profetie moet in vervulling gaan. De Heer zegt: ‘Zie, Ik zal u de profeet Elia zenden voordat de grote en vreselijke dag des Heren komt.’ Iemand zal komen in de geest en in de kracht van Elia, en wanneer hij verschijnt, kan men zeggen: ‘U bent te ernstig, u legt de Schriften niet op de juiste wijze uit. Laat mij u vertellen hoe u uw boodschap moet verkondigen.’”–Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten},” pp. 475. {ABN3: 36.2}

  Tot de twijfelaars aan de mogelijkheid van een boodschap die niets anders dan waarheid bevat, komt de waarschuwing:

36

“God en Satan werken nooit in partnerschap met elkaar. De getuigenissen dragen of de handtekening van God of die van Satan. Een goede boom kan geen verdorven vrucht voortbrengen(…)”—Testimonies, Vol. 5, p. 98{Getuigenissen, Deel 56, blz..}. “Wij geloven de visioenen,” zeggen de Inspiratie-twijfelaars, “maar Zuster White zette bij het schrijven van ze haar eigen woorden in, en we geloven dat gedeelte waarvan wij denken dat het van God is, en wij zullen geen gehoor geven aan het andere.” Testimonies, Vol. 1{ Getuigenissen, Deel 1}, p. 234. {ABN3: 36.3}

  “En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!” Lukas 24:25. “En indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.” Openb. 22:19. {ABN3: 37.1}

Bij het zich op symbolische wijze richten tot Zijn volk als schapen en herders, in het vier-en-dertigste hoofdstuk van Ezechiël, vraagt de Heer: “Is het u te weinig, dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weide met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?” Denken zij werkelijk dat het geoorloofd is om slechts een deel van de waarheid aan te nemen dat Hij zendt tot hen, en het overblijfsel met hun voeten te vetreden? Dan voegt Hij toe: “Wat mijn schapen aangaat, zij weiden af wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld.”

37

En vanwege hen die slechts dat deel van de boodschap aanvaarden wat past bij hun onbekeerde smaak, wat hun verdorven wil niet tegenspreekt, waarschuwt de Heer: “Ik zal richten tussen kleinvee en kleinvee.” {ABN3: 37.2}

Onder Gods volk is er altijd een klasse geweest die geneigd is om alles te betwisten {te twijfelen aan} en te bekritiseren in de “ontvouwing der waarheid.”—Testimonies, Vol. 5, p. 690 {Getuigenissen, Del 5, p.}. “aanvaarden dit en dat,” zeggen zij, “maar wij zullen het andere niet aanvaarden.” De meesten van hen denken dat het een kenmerk van intelligentie is om te betwisten en te bekritiseren, om de boodschap te oordelen welke God tot hen heeft gezonden. Deze zelfingenomen zielen zijn zo dwaas en zo blind voor hun dwaasheid, dat ondanks {het feit} dat vijftig eeuwen van menselijke tragedie hen op vreselijke wijze bestraft en waarschuwt tegen hun kwade en zielenvernietigende koers {handelwijze},  zijn toch doof blijven voor de roep en blind voor hun weg. En wat nog erger is, is dat hun twijfels en kritiek zwakke zielen hebben verstrooid van Christus, met als gevolg dat God het oordeel heeft uitgesproken: “Omdat gij al de zwakken met de zijde en met den schouder hebt verdrongen, en met uw hoornen hebt verstoten, totdat gij hen naar buiten toe verstrooid hebt; Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.” Ezech. 34:21, 22. {ABN3: 38.1}

Wees daarom gewaarschuwd, dat “zoals de discipelen verklaarden dat er  geen andere naam onder de hemel verlossing is gegeven onder de mensen, alzo zouden

38

ook de dienstknechten van God op een getrouwe en onbevreesde wijze hen moeten waarschuwen die slechts een deel van de waarheden aannemen die verbonden zijn met de derde boodschap, dat zij blijmoedig al de boodschappen moeten aannemen zoals God hen heeft gegeven, of anders geen deel hebben in de zaak.” –Early Writings, pp. 188, 189 {Eerste Geschriften, blz..}. {ABN3: 38.2}

“Satan is in staat twijfels te suggereren en bezwaren te bedenken tegen het scherpe getuigenis dat God zendt, en velen denken dat het een deugd is, een kenmerk van intelligentie in hen, om ongelovig te zijn, en om te betwijfelen en te betwisten. Zij die wensen te twijfelen zullen genoeg ruimte daartoe hebben. God is niet van plan om alle gelegenheid tot ongeloof weg te nemen. Hij voert bewijzen aan, die zorgvuldig moeten worden onderzocht met een nederig verstand en een ontvankelijke geest; en allen zouden moeten beslissen op grond van het gewicht der bewijzen.” “God geeft voldoende bewijzen voor het oprechte verstand om te geloven; maar hij die zich afkeert van het gewicht der bewijzen omdat er een paar zaken zijn die hij niet duidelijk kan zien door zijn beperkt begrip, zal worden achtergelaten in de koude, kille atmosfeer van ongeloof en ondervragende twijfels, en zal schipbreuk maken van het geloof.” –Testimonies, Vol. 5, pp. 675, 676 {Getuigenissen, Deel 5, blz. 549}. {ABN3: 39.1}

 Niemand waagt het zijn voorrechten te vergelijken met die van Jezus, en toch geloofde Hij al de geschriften van de profeten, en zij die zichzelf te wijs beschouwen, en het te vernederend vinden om alles te geloven, noemt Hij “dwazen.” Lukas 24:25{KJV}. Zij hebben zichzelf onbekwaam gemaakt om deze feiten nu te verstaan,

39

zoals de Joden zich onbekwaam maakten om de leerstellingen van Jezus betreffende het “koninkrijk” van toen te verstaan. {ABN3: 39.2}

Elke periode heeft een menigte gehad die in plaats van te zijn gedoopt om Christus en Zijn Waarheid te volgen, was gedoopt om de mens te volgen. Zij voegden zich bij de menigte in de kerk in plaats van de menigte in de hemel. Daarom is Christus een vreemdeling voor hen, en wanneer waarheid zich ontvouwt, noemen zij het dwaling, vervolgens volgen zij mensen en verwerpen de waarheid. Deze dwaasheid heeft zich steeds weer herhaald, met als gevolg dat de weinige getrouwen die Christus en Zijn Waarheid volgden, waren uitgeworpen uit de kerken en gedwongen waren om weer helemaal opnieuw te beginnen. Zo is het ook vandaag. Maar tot deze uitgeworpenen van Sion, luidt de vertroostende stem: “Hoort het woord des Heren, gij die voor Zijn woord beeft; Uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijns naams wil, zeiden: Laat de Here verheerlijkt worden; doch Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden.” Jes. 66:5 {KJV}. “Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hem, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; die goede berichten brengt van het goede, die heil doet horen; die tot Sion zegt: Uw God regeert.” Jes. 52:7. {KJV.} {ABN3: 40.1}

“Geloof in de Here, uw God, zo zult u bevestigd worden; geloof Zijn profeten, zo zult gij voorspoedig zijn.” 2 Kron. 20:20 {KJV.} {ABN3: 40.2}

40

ZULLEN ALLEN KOMEN TOT DE TIJD VAN DE PLAGEN?

Vraag Nr. 56:

Als de kerk zal worden gereinigd voor de afsluiting van de genadetijd van de wereld, en daarna rein zal blijven zonder maar een zondaar erin, zoals “The Shepherd’s Rod” {“De Herdersstaf”} dat leert, hoe kunt u dit dan harmoniseren met “Early Writings,” p. 71{Eerste Geschriften, blz..}, dat zegt dat sommigen “zullen komen tot de tijd van het vallen van de plagen, en dan zien dat zij uitgehouwen en gevormd zouden moeten worden voor het gebouw”? {ABN3: 41.1}

Antwoord:

Er zijn andere verklaringen van de schrijver van Early Writings {Eerste Geschriften} die nog duidelijker bewijs geven dat God voor die tijd een kerk zal hebben die zuiver en waarachtig is. ( Zie The Great Controversy, p. 425{De Grote Strijd, blz..}, Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, blz..}, Testimonies, Vol. 5, p. 80{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70, 71}; Jes. 52:1-2.) {ABN3: 41.2}

Daar deze verscheidene verklaringen met verwijzing naar een voorafgaande reiniging zijn even waarachtig als die in Early Writings, die de reiniging schijnen te weerleggen, kan men hen niet op oprechte wijze terzijde leggen en alleen daaraan beschouwing geven. Laat ons altijd gedenken de onschendbare regel te onderhouden dat een uitlegging van een geïnspireerde verklaring ook in harmonie moet zijn met alle andere gerelateerde verklaringen. {ABN3: 41.3}

Sommigen die graag Tegenwoordige Waarheid riskeren op grond van wat de ene geïnspireerde verklaring schijnt te zeggen of te suggereren, zien daardoor op aanmatigende wijze of zeer

41

 onwetende wijze “het gewicht der bewijzen” over het hoofd. Anderen doen dit door kortzichtigheid, terwijl nog anderen dit doen om bepaalde gekoesterde ideeën van zichzelf te ondersteunen. {ABN3: 41.4}

De basis grondslag voor de leer van de niet-voorafgaande-reiniging is gebouwd, niet op een vaste rots, maar op dezelfde drijfzand als die ligt onder zulke verkeerde ideeën als van de bewuste staat van de doden, de eeuwige pijniging van de goddelozen, doop door besprenkeling, heiliging van de Zondag, en de duizend jaren van vrede op aarde. {ABN3: 42.1}

Aangezien de Waarheid voortschrijdend is, en aangezien de reiniging van de kerk nog niet was geopenbaard toen de verklaring van Eerste Geschriften werd geschreven, kon het gevaar dat werd voorzegd en de raadgeving die daarin werd gegeven onmogelijk zijn verklaard in andere termen dan zoals die op de bekende wijze van toen werden begrepen. Allen waren aldus duidelijk vooraf gewaarschuwd dat indien zij voortgingen te zondigen, dan zouden de plagen, waarover zij reeds enige begrip hadden, na de afsluiting van de genadetijd hun beloning zijn. Dus, als de Heer de zaak in Early Writings zou hebben uitgelegd zoals Hij dat vandaag de dag doet door middel van the Rod { de Staf}, dan zou Hij buiten de bestemde tijd, toen Early Writings werd geschreven, de boodschap moeten openbaren, de boodschap welke alleen maar van toepassing is op de kerk van vandaag, en welke wij nu daarom ontvangen. {ABN3: 42.2}

Per slot van rekening kunnen de onboetvaardige zondaars, die

42

 nu in de kerk zijn, nooit de zeven laatste plagen zien, terwijl anderen die nu in de wereld zijn, in de tijd van de Luide Roep nog de gelegenheid zullen hebben om “gevormd”te worden voor het gebouw, en verzameld worden met de “levende stenen,” of anders onder de gevolgen te lijden hebben van de plagen. {ABN3: 42.3}

Niemand zou er moeite mee moeten hebben om dit nu in te zien, want al degenen tot wie Early Writings zich voornamelijk richtte zijn reeds overleden, hoewel de plagen nog in de toekomst liggen. Voorts is het zo, dat er veel meer licht op komst is betreffende de waarheid van de zeven laatste plagen, en wanneer het komt, kunnen wij nogmaals inzien dat wij “vele lessen te leren, en vele, vele lessen af te leren” hebben. –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 30. {ABN3: 43.1}

ZULLEN DE PLAGEN VALLEN OVER LAODICEA OF OVER BABYLON?

Vraag Nr. 57:

Zal de slachting van Ezechiël 9 niet worden vervuld door de zeven laatste plagen? {ABN3: 43.2}

Antwoord:

  De slachting, zoals die wordt beschreven in de profetie van  Ezechiël, neemt het leven van alleen de goddelozen die zich in “het huis van Israel en Juda” bevinden (Ezech. 9:9)—de kerk; terwijl de vernietiging van de plagen over allen vallen die in “Babylon” worden gevonden (Openb. 18:4), nadat de Heer heeft verkondigd: “Kom uit van haar, Mijn volk,” en nadat zij daaraan gehoor hebben gegeven en zich dus hebben gescheiden van

43

hen die in Babylon zijn. De vernietiging van Ezechiël 9 kan daarom alleen van toepassing zijn op haar communicanten als een voorbeeld of voorloper van de zeven laatste plagen. {ABN3: 43.3}

  Bovendien wordt Zijn volk, hen die worden gemerkt door de engel volgens de profetie van Ezechiël, niet eruit geroepen, maar worden eerder erin achtergelaten. {ABN3: 44.1}

IS HET BEEST ZOWEL EEN WERELDSE ALS EEN KERKELIJKE MACHT?

Vraag Nr. 58:

Stelt de “kop” die “gewond was ten dode” (Openb. 13:3) een gecombineerde wereldse en kerkelijke macht van de Middeleeuwen voor? {ABN3: 44.2}

Antwoord:

Zij die begrijpen dat de gewonde kop van het luipaardachtig beest (Openb. 13:1-3) een symbool is van Rome in haar kerkelijke periode, begrijpen ongetwijfeld ook dat de “kleine hoorn,” die “de ogen had van een mens, en een mond die grote dingen sprak” (Dan. 7:8), op gelijke wijze een symbool is van Rome voordat de kop werd verwond. Om het onderwerp op de juiste wijze te verstaan, is het raadzaam om dit dubbel gefaseerde symbool te onderzoeken van het begin af, beginnend met Daniel’s zienswijze. {ABN3: 44.3}

Daar het “ogen van een mens” en “een mond” heeft, is de “kleine hoorn” feitelijk een hoorn-kop, een

44

unieke zaak onder regeringen, een samengestelde hiërarchie van burgerlijke en godsdienstige machten, samengaand in een heersende kop gedurende de Duistere- en Middeleeuwen, de “heerlijkheid die Rome bezat.” {ABN3: 44.4}

 Dienovereenkomstig, geeft de middeleeuwse vereniging ban wereldse en kerkelijke machten  in de Roomse kerk de sleutel tot de uitlegging van zowel de hoorn als de kop, wat bewijst dat de kop die werd verwond tot de dood een figuurlijke voorstelling is van het kerkelijke deel alleen. Want Rome wordt op het luipaardachtig beest niet voorgesteld door een gewonde hoorn of een hoorn-kop, maar door een gewonde kop alleen, wat aantoont dat de slag niet het wereldse gedeelte trof, de staat (hoorn), maar alleen het kerkelijke gedeelte, de kerk (kop). {ABN3: 45.1}

WAAROM ZIJN NIET BEIDE VISIOENEN HETZELFDE?

Vraag Nr. 59:

Als Daniel 7:8, 25 en Openbaring 13:3 beiden dezelfde macht vooraf voorstellen, en als de Roomse Kerk gedurende de Middeleeuwen de ene is die daar wordt voorzegd, waarom is zij dan in Daniel’s visioen, een gecombineerde wereldse en kerkelijke macht (hoorn-kop), terwijl zij in de Openbaring slechts een kerkelijke macht (kop) is? {ABN3: 45.2}

Antwoord:

Dat dezelfde macht inderdaad wordt voorgesteld door beide beesten wordt onmiskenbaar gezien uit het feit dat beiden “lasterden” in dezelfde tijdsperiode; de eerstgenoemde voor “een tijd, tijden en een gedeelte des

45

tijds” (Dan. 7:25): en de laatstgenoemde, voor “twee en veertig maanden”(Openb. 13:5). Deze zelfde periode wordt op identieke wijze verklaard in Openbaring 11:3, en wordt op gelijkwaardige wijze voorgesteld in Openbaring 12:14 als “een tijd, en tijden en een halve tijd,” wat volgende de regel van uitlegging van Ezechiël 4:6 wordt vergeleken met: “tijd” – 1 jaar; “tijden” – 2 jaren; en “en een halve tijd” of “gedeelte des tijds” — ½ jaar; in totaal gelijk aan 3 ½ jaar, 42 maanden, of 1260 dagen (12 maanden in een jaar, en 30 dagen in een maand, volgens Bijbelse berekening). {ABN3: 45.3}

Het visioen van Daniel voorzegt alleen de formatie van die kerk en staat vereniging, en om deze reden werd aan Johannes gegeven om zijn laatste fase te tonen, alleen maar haar ontbinding. Aldus maken de beide visioenen het geheel compleet—de formatie en de ontbinding. {ABN3: 46.1}

IS DE POEL DES VUURS BRANDENDE OF UITGEBLUST GEDURENDE HET

MILLENNIUM{DE DUIZEND JAREN}? 

Vraag Nr. 60:

Als het beest en de valse profeet in de poel des vuurs worden geworpen voor het millennium (Openb. 19:20) en de Duivel na het millennium (Openb. 20:10), zal dit vuur dan zich voortzetten te branden tussen de twee gebeurtenissen? {ABN3: 46.2}

Antwoord:

Het vuur kan symbolisch zijn, evenals veel van De Openbaring dat is. Maar of het nu werkelijk een vuur is of iets anders, het hoeft niet

46

noodzakelijkerwijs te branden gedurende het millennium, maar kan daarna opnieuw ontstoken worden. {ABN3: 46.3}

SLECHTS EEN GEDEELTE NIET BETREDEN?

Vraag Nr. 61:

In Traktaat nr. 9, “Behold I Make All Things New {“Zie, Ik Maak Alle Dingen Nieuw”}, 1942 Editie, p. 38, staat de verklaring: “Dat gedeelte van de nieuwe aarde, welke de goddelozen hebben betreden(…) zal gereinigd worden door het vuur, ‘neer’ komende ‘van God uit de hemel.’” Het is ons geleerd dat de goddelozen bij de tweede opstanding zullen opstaan uit hun graven uit iedere gedeelte van de aarde. Als dat zo is, hoe is het dan mogelijk dat zij slecht een gedeelte ervan zullen betreden? {ABN3: 47.1}

Antwoord:

Het gedeelte van de nieuwe aarde dat de voeten van de goddelozen niet betreden en verontreinigen, is dat gedeelte waarop de Heilige Stad rust. {ABN3: 47.2}

WIE VAARDIGDE HET DERDE DEKREET UIT?

Vraag Nr. 62:

Ik heb het tempel type, zoals wordt gevonden in “The Shepherd’s Rod,” Vol. 2 {“De Herdersstaf,” Deel 2}, zorgvuldig bestudeerd, maar ik kan niet inzien hoe Darius de schrijver kan zijn van het derde dekreet, tenzij u het standpunt inneemt dat hij twee dekreten uitvaardigde. Hoe kunt u in deze moeilijkheid opheldering brengen? {ABN3: 47.3}

Antwoord:

De Bijbel verklaart dat de tempel was voleindigd bij het bevel van Kores, Darius, en Artachsasta, “in het zesde jaar van de regering van koning Darius.” Ezra 6:14, 15. {ABN3: 47.4}

47

Daar het dekreet van Artachsasta van Ezra 7 om de tempel te versieren, niet om het te bouwen (vers 27), was uitgevaardigd na de drie vooraf genoemde dekreten, kan het daarom niet het dekreet van Artachsasta zijn van Ezra 6:14. Daarom waren er drie decreten om het te bouwen, en een om het te versieren;(1) een door Kores (Ezra 1:2-4); (2) een door Darius (Ezra 6:11, 12), (3) een door Artachsasta, die niet is opgetekend (4) een door Artachsasta, wel opgetekend (Ezra 7:21-26). {ABN3: 48.1}

Aldus is het dat het dekreet van Artachsasta van hoofdstuk 7, die het derde is dat staat opgetekend, de classificatie heeft gekregen als de derde, hoewel het in feite de vierde kan zijn. Dienovereenkomstig moesten er twee dekreten van Artachsasta zijn geweest. {ABN3: 48.2}

Daar het bouwen van de tempel was voltooid “in het zesde jaar van de regering van koning Darius” (Ezra 6:15), niet in de regereing van Artachsasta, dan moet er, als het dekreet van Darius niet de derde en de laatste is, geconcludeerd worden dat de Darius die regeerde toen de tempel was voltooid, geen dekreet uitvaardigde. {ABN3: 48.3}

Als onze afleidingen onjuist zouden zijn, en als er ooit meer licht over dit onderwerp noodzakelijk wordt, dan is het zeker dat de Heer ons niet in onwetendheid daarover zal laten. Aangezien het punt van de kwestie op dit moment echter niet van praktisch belang is, laat dan het gegeven antwoord voldoende zijn. {ABN3: 48.4}

48

546 OF 547 V.CHR.?

Vraag Nr. 63:

In Traktaat Nr. 3, “The Judgment and the Harvest” {“Het Oordeel en de Oogst”}, 1942 Editie, p. 37, wordt de berekening volgens het diagram het begin ban de 2300 dagen-profetie van Daniel 8:14 gedateerd vanaf 456 V. Chr., terwijl “The Great Conroversy,” p. 328 {“De Grote Strijd,” blz…} het dateert vanaf 457 V. Chr. Hoe harmoniseert u de twee? {ABN3: 49.1}

Antwoord:

Doordat het de lange profetische periode alleen in afgeronde getallen behandelt, telt het Traktaat 2300 jaren terug van1844, wat dus het beginpunt van de periode vestigt op 456 V. Chr. The Great Controversy echter, behandelt het feit dat de periode niet begon in de eerste maand van het jaar volgens de huidige kalender, maar eerder in de zevende maand (voor ons Oktober) van het jaar volgens de Mozaïsche kalender (Ex. 12:2). {ABN3: 49.2}

Het verschil wordt gezien in het volgende diagram. Het bovenste gedeelte daarvan geeft het in termen van het traktaat weer; het onderste gedeelte in termen van The Great Controversy. {ABN3: 49.3}

49

shepherds-rod-answerer-book-3-2300-years

50

ALLEN OF EEN OVERBLIJFSEL – WELKE?

Vraag Nr. 64:

Romeinen 9:27 zegt dat een “overblijfsel” van Israel zal worden gered, maar Romeinen 11:26 zegt dat “gans” Israel zal worden gered. Ik begrijp dit niet. Kunt u mij helpen? {ABN3: 51.1}

Antwoord:

Romeinen 9:27 spreekt van Israel als een natie, waarvan alleen een overblijfsel zal worden gered; terwijl Romeinen 11:26 verwijst naar het uitverkoren Israel als individuen, waarvan allen zullen worden gered. {ABN3: 51.2}

WEINIGEN OF VELEN GERED?

Vraag Nr. 65:

“Het verlossingsplan was volbracht,” zegt “Early Writings,” p. 281 {Eerste Geschriften, blz. 336}, “maar weinigen hadden verkozen om het aan te nemen.” Deze verklaring wordt zeer uitgebreid gebruikt tegen de leerstelling van de “grote schare” zoals die wordt onderwezen door de Davidians. Wilt u alstublieft opheldering brengen hierin? {ABN3: 51.3}

Antwoord:

Alhoewel Jezus gedurende Zijn Eigen bediening op aarde weeklaagde dat “velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” (Matt. 20:16{KJV/SV}), toch had Hij lang van tevoren door Jesaja in een profetische belofte aan de kerk verklaard: “Uw poorten zullen voortdurend open staan; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; opdat men tot u de vermogens der heidenen kan inbrengen, en dat hun koningen gebracht kunnen worden(…) Een kleine zal tot duizend worden, en

51

de geringste tot een sterke natie; Ik, de Here, zal het te zijner tijd met haast volvoeren.” Jes. 60: 11:22 {KJV}.{ABN3: 51.4}

“En het zal geschieden in de laatste dagen, dat de berg van het huis der Heren vastgesteld zal zijn op de top der bergen, en verheven zal zijn boven de heuvels; en alle natiën zullen daarheen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, en laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de god Jakobs, en Hij zal ons van zijn wegen leren, en wij zullen in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet voortgaan, en het woord des Heren uit Jeruzalem. En Hij zal richten onder de natiën, en zal vele volken bestraffen; en zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden, en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal het zwaard tegen een ander volk opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. O huis van Jakob, komt, en laat ons wandelen in het licht des Heren.” Jes. 2:2-5{KJV}. {ABN3: 52.1}

En door de profeet Zacharia tekende Hij opnieuw de belofte op: “ Vele natiën zullen te dien dage tot de Here toegevoegd worden.”  Zach. 2:11{KJV}.{ABN3: 52.2}

“En het zal geschieden, dat in het ganse land, zegt de Here, twee delen daarin afgesneden zullen worden en sterven; maar het derde deel zal daarin achtergelaten worden. En ik zal het derde deel door het vuur brengen, en zal hen louteren zoals zilver wordt gelouterd, en zal hen beproeven als goud wordt beproefd; zij zullen Mijn naam aanroepen, en Ik zal hen horen;

52

Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De Here is mijn God.” Zach. 13:8, 9{KJV}. {ABN3: 52.3}

Bovendien, terwijl de schrijfster in Early Writings, p. 281 zegt: “Maar weinigen hadden verkozen om het aan te nemen,” classificeert zij in The Great Controversy, p. 665{De Grote Strijd, blz. 613}, de grote schare van Openbaring 7:9 als een gezelschap die gescheiden is van de martelaren en van al de andere die zullen worden opgewekt, wat daardoor duidelijk aantoont dat de “grote schare” niet de opgewekten, maar de levenden zijn die worden veranderd. Dit wordt ook bevestigd door Counsels to Teachers {Raadgevingen aan Leraren}, p. 532. {ABN3: 53.1}

Als wij nu tot de waarheid zullen komen, moeten wij de verklaring in Early Writings en die in Mattheus 20:16 op een wijze uitleggen die in harmonie is met Jesaja 60:11, 22, Zacharia 2:11; 13:8, 9; The Great Conroversy, p. 665, en andere passages, waarvan allen aantonen dat er een grote schare zal zijn. {ABN3: 53.2}

Geen enkele oprechte Bijbelstudent zou een theorie bouwen op grond van een uitlegging die hem ertoe zou leiden dat hij al de andere schriftgedeelten over het onderwerp terzijde legt. Hij zal ernaar streven om zijn eindconclusie op zulk een wijze te maken dat het in volkomen harmonie is met al de schriftgedeelten, of anders belijden dat hij geen licht heeft over het onderwerp. {ABN3: 53.3}

In het duidelijke licht van de Bijbel en de Geest der Profetie passages die hier zijn geciteerd, leidt het gewicht der bewijzen ontegenzeggelijk tot

53

het slotsom dat er een grote schare zal worden gered. De waarheid wordt dan duidelijk, dat de ‘weinigen” degenen behelzen die gered zijn bij de oproep van iedere boodschap gedurende de tijden in het verleden, de tijd voor de “oogst.” Maar bij het afsluitingswerk van de wereldgeschiedenis, gedurende de oogsttijd van het evangelie, zal er een grote bijeen vergadering zijn van verloste zielen, “een grote schare die niemand tellen kan.” De term “oogst” duidt juist zulk een opbrengst aan. {ABN3: 53.4}

Aldus is, in vergelijking met het totale aantal der verlorenen door de eeuwen heen, het totaal aantal der verlosten weinig; maar niet vergelijkend gesproken, is het totaal aantal verlosten uit alle eeuwen, in feitelijke optelling, veel. Van dit feit bevestigen de woorden van Ezechiel: “Dus profeteerde ik zoals Hij mij bevolen had, en de adem kwam in hen, en zij werden levend, en stonden op hun voeten, een uiterst groot leger.” Ezech. 37:10{KJV}. {ABN3: 54.1}

Daar de verlossing van een grote schare alleen in tegenstelling is tot het plan van de Duivel, laat ons dan niet voor zijn belang werken. {ABN3: 54.2}

AAN WELKE KANT ZULT U STAAN?

Vraag Nr. 66:

Hoe beschouwen de Davidians het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten? Welk standpunt nemen zij in betreffende de geschriften van Mw. E. G. White, en waar staat Mt. Karmel voor? {ABN3: 54.3}

Antwoord:

De Davidian Zevende-dags Adventisten geloven dat de kerk der Zevende-dags Adventisten

54

door de hemel werd ingesteld en opgedragen met een speciale boodschap voor de wereld, maar dat zij na verloop van tijd zich heeft toegelaten zelfingenomen, lauw en onverschillig te worden bij het uitvoeren van haar heilige verantwoordelijkheden; en dat zij door aldus  eenmaal “teruggekeerd te zijn van het volgen van Christus, haar Leider,” sindsdien “gestaag” aan het “terugkeren is naar Egypte,” met het trieste en tragische gevolg dat haar “eigen koers van voortdurende terugval” haar “heeft gescheiden”van God. –Testimonies, Vol. 5, p. 217 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}. {ABN3: 54.4}

 De Davidians geloven verder dat deze tragische afwijking van de Heer maar al te zichtbaar is in de verdeelde staat dat wordt geopenbaard in het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten door de strijd die erbinnen heerst “tussen de geboden van God en de geboden van mensen.” Idem, blz. 81. Met het doel dat deze vernietigende toestand van verdeeldheid en zwakheid wordt opgelost tot eenheid en kracht, wat van absolut belang is zodat de kerk ooit haar verheven bestemming kan volbrengen, geloven de Davidians verder nog dat, zoals er staat geschreven: “het goud zal worden gescheiden van het slijk in de kerk.” Anders gezegd, geloven zij dat de Modernisten, zij die verheven eer hebben gegeven aan “’valse zogenaamde wetenschap,’ (…) vertrouwd hebben op intellect, verstand en talent”(Idem, p. 801), uitgezift zullen worden van de Fundamentalisten—van hen die “in het licht staan(…) zuchtende en kermende vanwege de gruwelen die in het land bedreven worden.”—Idem, p. 209. {ABN3: 55.1}

55

Laat het echter onmiddellijk worden begrepen, dat in tegenstelling tot hen die openlijk hun modernistische zienswijzen bekennen, de Zevende-dags Adventistische Modernisten al zulke neigingen veroordelen, en op dringende wijze belijden dat zij vast staan op de fundamentele geloofspunten der Zevende-dags Adventisten, hoewel zij onwetend geleidelijk steeds verder van hen wegslippen (Christ our Righteousness {Christus onze Gerechtigheid}, 1941 Editie, p. 36). {ABN3: 56.1}

Dat deze afdrijving wordt herkend als een werkelijk gevaar door zelfs sommigen binnen de kerk, wordt gezien uit een artikel dat is gepubliceerd in The Review and Herald, 2 Juli, 1936, getiteld: “Modernisme—Een Persoonlijke Toepassing”: {ABN3: 56.2}

“Naarmate wij met verontrusting de snelle verspreiding van het Modernisme onder de verscheidene Protestantse kerken aanschouwen, is het goed om onze eigen levens in beschouwing te nemen, om te zien of dezelfde beginselen en tendensen {geneigdheden} daar kunnen zijn begonnen te werken. Terwijl de leerstellingen en beginselen van de Zevende-dags Adventisten Fundamentalistisch zijn, is er groot gevaar dat wij persoonlijk modernistisch kunnen worden. {ABN3: 56.3}

“Om het gevaar hiervan beter begrijpen, is het goed om de essentiële {belangrijke} verschillen in beschouwing te nemen tussen Fundamentalisten en Modernisten. De Fundamentalisten geloven in het woord van God als de laatste gezaghebbende; terwijl de Modernisten geloven in de uitlegging van het woord van God volgens hun menselijke redenering, aldus plaatsen zij redenering boven de God van openbaring. {ABN3: 56.4}

“In deze laatste dagen, heeft God Zijn Openbaring aan ons als volk niet beperkt tot de Schriften alleen, maar heeft ons ook bijzondere instructies gegeven door de manifestatie van de Geest der Profetie(…) {ABN3: 57.1}

“Dus terwijl de populaire kerken hun Modernistische houding slechts laten blijken ten opzichte van de Bijbel, is het mogelijk dat wij dezelfde houding laten blijken ten opzichte van Gods bijzondere boodschappen aan ons. In feite is onze relatie {verband} met de Getuigenissen juist de plaats waar deze houding zich het eerst zal manifesteren.” {ABN3: 57.2}

Deze bedrieglijke verscheidenheid van het modernisme, dat “het geloof van Gods volk in de Getuigenissen” verzwakt (Testimonies, Vol. 4{Getuigenissen, Deel 4}, p. 211), en geleidelijk aan de fundamentele grondbeginselen van het Kerkgenootschap “opnieuw vormgeven{reorganiseren of herstructureren}” (Testimonies to Ministers, {Getuigenissen aan Predikanten}, pp. 48, 69, 70, 360, 372, 373, 409), is hartverscheurend bewijs zij die zich daarin aan het roer staan, Modernisten zijn. Maar hun schijnbare onschuld van dit feit en hun ontkenning daarvan, maakt het voor ons uitermate moeilijk dat wij iets eraan kunnen doen om hen te helpen, zonder dat onze pogingen verkeerd worden begrepen. En om de schuldvraag te achterhalen van waar deze afwijking van de door de Hemel vastgestelde fundamentele {beginselen} van het geloof van vandaag is begonnen, is even onmogelijk als om de eerste Joodse leraar te achterhalen die in de plaats van een “zo zegt de Here” een zo zegt hijzelf of iemand anders heeft geplaatst. Inderdaad is  wie er kan worden aangeklaagd voor deze afvalligheid even onmogelijk om vast te stellen als dat is om te bepalen wanneer het kwade werk was begonnen. Inspiratie

57

zegt: “Er zijn mensen vandaag die valsheden zullen voorstellen als beproevende waarheden, evenals de Joden de stelregels van mensen voorstelden als het brood des hemels. Gezegden die geen waarde hebben worden aan het volk van God gegeven als hun spijze, terwijl zielen honger lijden voor het brood des levens. Er zijn fabels bedacht, en mensen proberen deze fabels in het web te verweven. Zij die dit doen zullen op een dag hun werk zien zoals het wordt gezien door de hemelse dienst. Zij verkiezen om hout, stro, en stoppels tot de fundering te brengen, terwijl zij het woord van God tot hun beschikking hebben, met al haar rijkdom en macht, van waaruit zij kostbare schatten van waarheid kunnen verzamelen. Het voedsel dat wordt bereid voor de kudde zal geestelijke vertering, achteruitgang, en dood veroorzaken. Wanneer zij die belijden de tegenwoordige waarheid te geloven tot bezinning komen, wanneer zij het woord van God aannemen precies zoals het leest, wanneer zij niet trachten de Schriften te verdraaien, zullen zij uit de schatkamer van het hart nieuwe en oude dingen voortbrengen, om zichzelf en hen voor wie zij arbeiden, te versterken.”—The Review and Herald, 18 juni, 1901. {ABN3: 57.3}

Vervolgens houden de Davidians aan dat het geloof dat de Geest der Profetie in de kerk zal rusten tot het einde der tijd, een van de fundamentele stenen is van het Zevende-dags Adventisme. “Deze profetische gave die {ons} gegeven is,” erkent Ouderling A.G. Daniels, “zou met de kerk verblijven van Adam tot de tweede komst van onze Here en Verlosser Jezus Christus, wanneer Hij komt om Zijn verloste volk naar

58

het Paradijs mee te nemen. Het eindigde niet bij de apostelen, maar het is te vinden door de eeuwen heen tot aan de laatste dagen van de geschiedenis der mensheid, net voor de terugkeer van onze Heer. Wanneer die verheven gebeurtenis der eeuwen zal plaatsvinden, dan—en alleen tot dan—zal datgene geschieden waarvan wordt gesproken door apostel Paulus: {ABN3: 58.1}

“’(…)hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.’ –1 Kor. 13:8-10, ARV.”—The Abiding Gift Of Prophecy {De Blijvende Gave Der Profetie}, p. 6. {ABN3: 59.1}

Aangezien deze profetische gave zichtbaar werd door Zuster White, zoals het bewijskrachtig is vastgesteld, dan schreef zij noodzakelijkerwijs onder goddelijke Inspiratie, zoals de schrijvers van de Bijbel dat deden. En daarom keert orthodoxe Zevende-dags Adventisme zich tot de hoofdwaarheid dat “geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat,” en niet meer begrepen kan worden zonder bijzondere goddelijke verlichting dan dat profetie kon worden begrepen in de tijd van Daniel zonder verlichting van de engel, die verklaarde: “Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michaël.” Dan. 10:21. Evenzo moet dezelfde Michael een “leraar” aanstellen voor ons vandaag;

59

anders zullen die dingen die tot onze vrede behoren “verborgen zijn voor uw ogen.” Lukas 19:42. {ABN3: 59.2}

Deze vaste rots van leerstelling zou altijd het vaststaande fundament van het Kerkgenootschap zijn, en evenredig aan de mate waarop haar beginselen getrouw zijn nagevolgd, is er kracht geweest in de kerk. {ABN3: 60.1}

Bij de dood van Zuster White, in 1915, werd de gave van Inspiratie, de actieve Geest der profetie, stil, Het openbaarde Zichzelf niet langer voor een tijd. Daar de kerk aldus was afgesneden van haar absolute bron van leven, zoals de Joden dat waren vanaf de dood van de profeet Maleachi tot aan de opkomst van Johannes de Doper, hoe kon zij dan haar levenskracht (vitaliteit) en groei behouden? Daarom heeft er nu, evenals toen, dezelfde onvermijdelijke geestelijke ondervoeding en misvorming gevolgd, vergezeld door een lange rij van weeën {rampspoed}. {ABN3: 60.2}

Tegen deze duister achtergrond van geestelijke achteruitgangen vertering (jammerlijkheid, ellendigheid, armoede, blindheid en naaktheid), en het op handen zijnde einde (uitgespuwd te worden), onderscheidt zich in krachtige tegenstelling het streng gebeitelde werk van Mt. Karmel Center, zoals het vurige toppunt van het vroegere Karmel temidden van de afgoderij en verval van het afvallige Israel. Wederom ontmoeten type en antitype elkaar. Maar tot het Israel van God van vandaag zegt de engel: “Gij hebt erger gedaan dan hen.” Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 129. {ABN3: 60.3}

“Als een hamer om het keiharde hart te breken; als een vuur om het afval te verteren”

60

(Testimonies, Vol. 5, p. 254 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}, roept de stem van Karmel tot Laodicea de ongeachte waarschuwing uit: “Ik ben met droefheid vervuld wanneer ik denk aan onze toestand als volk. De Heer heeft de hemel niet gesloten voor ons, maar het is onze eigen koers van voortdurende terugval die ons van God gescheiden heeft. Trots, heb­zucht, en lief­den voor de wereld hebben in de harten hun plaats zonder vrees voor ver­banning of ver­oordeling. Zwaardrukkende en aanmatigen­de zonden hebben onder ons hun plaats. En toch is de algemene opvat­ting, dat de kerk aan het bloeien is en dat vrede en geeste­lijke voorspoed binnen al haar grenzen aanwe­zig zijn. {ABN3: 60.4}

   “De kerk volgt Christus niet langer na als haar Leider en keert gestaag terug naar Egypte. Toch zijn er maar weinigen gealarmeerd of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht. Twijfel, en zelfs ongeloof in de getuigenissen van de Geest van God, doordren­gen overal onze kerken. Zo ziet Satan het graag. Zo zien predikan­ten die zichzelf prediken in plaats van Chris­tus het graag. De Getuigenissen worden niet gelezen en worden niet gewaardeerd. God heeft tot u gesproken. Licht heeft vanuit Zijn Woord en vanuit de Getui­genis­sen geschenen, en beiden zijn geringgeschat en terzijde gelegd. Het resultaat is een aantoon­baar gebrek aan rein­heid, toe­wijding en ernstig geloof onder ons.” Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz…}. {ABN3: 61.1}

“Het is nu de tijd dat wij ons dichtbij zouden moeten verbinden met God, zodat wij verborgen mogen zijn wanneer de grimmigheid van Zjin toorn wordt

61

uitgegoten over de zonen der mensen. Wij hzijn afgedwaald van de oude grenspalen. Laat ons terugkeren. Als de Here God is, dient Hem; indien Baal, dient hem. Aan welke zijde zult u staan?” –Testimonies, Vol. 5, p. 137{Getuigenissen, Deel 5, blz..}. {ABN3: 61.2}

En nu klinkt de stem van Karmel steeds luider door de series van The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf} publicaties: “de stem des Heren (…) tot de stad, en,” zegt de Goddelijke Schrijver, “de mens der wijsheid zal uw naam zien: hoort naar de Roede, en Wie het besteld heeft.” Micha 6:9 {KJV}. {ABN3: 62.1}

“Weid uw volk,”beveelt Hij, “met uw staf, de kudde van uw erfenis, die alleen woont in het woud, in het midden van Karmel.” Micha 7:14{KJV}. {ABN3: 62.2}

Om dus de oprechten in Laodicea te redden van geestelijke verhongering en dood, om te doen opleven, te herstellen, en hen opnieuw te bewapenen voor de laatste strijd, heeft de Heer de Staf {The Rod} gezonden. {ABN3: 62.3}

Wanneer dit werk van herstel is volbracht volgens Mattheus 17:11, en de Modernistische element is “afgesneden”zoals is bevolen in Ezecchiel 9 en in Testimonies, Vol. 5, p. 80{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70}, dan zal er in de kerk een snelle vervulling worden gezien van de woorden van Christus: “En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis,”  en het hield stand. Matt. 7:25. {ABN3: 62.4}

Zoals de eerste grondleggers van de Adventisten gemeente, zijn zij die gehoor geven aan the Rod {de Staf} de

62

herstellers van de “oude paden”; zij realiseren zich de ernstige gevolgen die gepaard gaan met het in tegenstelling gaan tot welk licht dan ook dat de Heer verkiest te zenden tot Zijn volk. En aangezien de boodschap van the Rod {Staf} een belangstelling heeft opgewekt voor de noodzaak van “hervorming onder Gods volk,” zouden wij als Davidians niet allen lafhartig zijn tegenover dat wat ons is toevertrouwd, maar zouden ook langsgaan “aan de andere kant,” daardoor toelatend dat onze geliefde Zevende-dags Adventisten gemeente in het stof te sleuren, dat onze broeders verloren gaan, en dat de wereld om ons heen ten onder gaat door “gebrek aan kennis,” als wij ons niet beijveren om de kerk te waarschuwen voor het opkomend gevaar. {ABN3: 62.5}

Onze onzelfzuchtige ijver en inspanning om alle Modernistische Zevende-dags Adventisten broeders te helpen, ongeacht hun ras, nationaliteit, of sociale positie, is genoeg bewijs van onze liefde voor hen en onze toewijding aan hen. Wij geloven met de apostel Paulus dat allen kinderen van Abraham zijn, kinderen der aanneming in het gezin van God door onze Here en Verlosser Jezus Christus. {ABN3: 63.1}

Hoewel wij ons de grootsheid van ons doel realiseren, maar met onvoorwaardelijk vertrouwen in onze leider, Die nog nooit heeft gefaald om iedere fase van het Goddelijk doel te realiseren {voltooien}, zien wij onze taak met moed en vertrouwen tegemoet, en geloven wij dat “wij wel in staat zijn om op te gaan en het land” van onze erfenis “te bezitten,” en uiteindelijk te gaan in die hemelse Kanaän, waar “melk en honing” voor altijd zal vloeien. {ABN3: 63.2}

63

Uit noodzaak wordt Mt. Karmel Center dan gebouwd als een operatiebasis om werkers te trainen en gereed te maken om deze bijzondere boodschap tot de kerk te brengen; om de waardige jeugd onderrichten; om te zorgen voor de waardige armen, bejaarden, weduwen en wezen; en om de zieken en zwakken te bedienen in overeenstemming met Gods plan. Zij heeft Gods tweevoudige opdracht tot haar gehoord: “ Roep luidkeels, bespaar niet, verhef uw stem als een bazuin, en maak Mijn volk hun overtredingen bekend, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes. 58:1{KJV}. {ABN3: 64.1}

“Blaast de bazuin in Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen. Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek.” Joel 2:15, 16 {KJV}.{ABN3: 64.2}

“Wanneer zij dit “afsluitingswerk voor de kerk” (Testimonies, Vol.3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266), dan zullen zij die iedere “verzoeking in de kracht van de Machtige” heeft overwonnen, die gezucht en gekermd hebben en aan de vernietiging zijn ontkomen, “zijn als David; en het huis van David zal zijn als God, als e engel des Heren voor hun aangezicht.” Zach. 12:8. Davidians in werkelijkheid! –“ een groot en machtig volk” (Joel 2:2), “gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid,(…) ‘schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren,’(…)om voort te gaan in de gehele wereld,

64

overwinnende en om te overwinnen.” –Prophets and Kings, p. 725{Profeten en Koningen, blz. 445}.{ABN3: 64.3}

Op deze wijze zullen de Davidian Zevende-dags Adventisten al de heiligen bijeen vergaderen tot het huis van de Heer. {ABN3: 65.1}

Het is de grote zorg van Mt. Karmel om dit veelvoudig werk zo snel mogelijk gedaan te krijgen, zodat wij dan naar huis kunnen gaan tot onze eeuwige rust, om niet meer gekluisterd te zijn aan de boeien van de zonde. {ABN3: 65.2}

DE KERK OF DE WERELD REDDEN?

Vraag nr. 67:

Als wij, op dit late uur, ons geheel inspannen voor de verlossing van de kerk, hoe zal de rest van de wereld ooit bereikt worden? {ABN3: 65.3}

Antwoord:

De missie om de wereld te redden kan niet belangrijker zijn dan de missie om de kerk te redden. Het doen toenemen van het aantal kerkleden onder de nu overheersende lauwe Laodiceese omstandigheden zou het Koninkrijkrijk van Christus niet meer kunnen bevorderen dan dat gedaan zou kunnen zijn onder de toestand in de Joodse kerk in de dagen van Zijn eerste komst. Doordat zij de ware toestand in de kerk kenden, hielden Johannes de Doper en Christus Zelf en zelfs de apostelen in eerste instantie, zich niet bezig met de wereld over het algemeen, maar alleen in het belang van hun broeders in de kerk. {ABN3: 65.4}

Daar dezelfde afwijking van Christus nu bestaat binnen de kerk zoals het toen

65

 bestond (Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz..}), dan zal het veel meer inspanning vereisen om de mensen te redden van de Laodiceese “treurige misleiding” (Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 253), dan wanneer zij in het heidendom waren. Want in Laodicea worden zij ertoe gebracht te geloven dat zij alle waarheid hebben dat er te verkrijgen is, dat zij rijk, met goederen verrijkt zijn, en aan niets gebrek hebben,–hun verlossing voor altijd is veiliggesteld zolang zij het lidmaatschap behouden in de kerk. Vandaar, dat er een groter risico bestaat dat hun zielen verloren gaan in de kerk terwijl zij “lauw” is en op het punt staat uitgespuwd te worden, dan wanneer zij in de wereld zou blijven totdat de kerk ontwaakt uit haar sluimering, en zich zalft met de ogenzalf (Waarheid)—goed ziet, goed handelt, en de kudde op de juiste wijze leidt en weidt. {ABN3: 65.5}

Laat iedere oprechte lid zich de vraag stellen: Als de kerk zelf niet gered is (Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 253), Christus niet navolgt als haar Leider (Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz..}), en “een hoer is geworden”  (Testimonies, Vol. 8{Getuigenissen, Deel 8}, p. 250), hoe kan zij dan anderen redden? De grootste noodzaak is daarom om eerst hen die in de kerk zijn te redden, daarna hen die in de wereld zijn. Het “ bijzonder werk van reiniging, van het wegdoen van zonde onder Gods volk (The Great Controversy, p. 425{De Grote Strijd, blz…}), “het afsluitingswerk voor de kerk, in de verzegelingstijd van de 144.000 (Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266), moet eerst geschieden, daarna zal de verzegeling van hen die in de wereld zijn volgen. {ABN3: 66.1}

66

De mensen en de middelen die reeds zijn toegewijd aan het zendingswerk voor de wereld zijn zo overvloedig dat zij volledig de schrale faciliteiten overschaduwen die beschikbaar zijn voor het brengen van de boodschap tot de Laodiceeërs, ondanks {het feit} dat de kerk in een nog grotere nood verkeert dan de wereld dat doet. {ABN3: 67.1}

  Het brengen van de boodschap tot de kerk heeft echter geen invloed op het zendingswerk voor de wereld, want terwijl de Davidianen werken in het belang van de kerk, brengt het Kerkgenootschap de oude boodschap tot de wereld. Maar als de Davidianen hun tijd en geld ook zouden toewijden aan het zorgen voor de belangen van de heidenen, dan zouden zowel de kerk als de wereld in de hel ingedompeld worden. Dus, om de wereld te redden, moeten wij eerst trachten de kerk te redden van de ondergang die op handen is, zoals Johannes de Doper, Christus, en de apostelen dat deden in hun dagen. {ABN3: 67.2}

  Nadat de kerk ontwaakt en ophoudt te dromen dat zij “rijk en met goederen verrijkt is,” tot de ontdekking komt dat zij eerder van alles dan “niets” nodig heeft, dan zich tot Christus, haar Leider, te keren, zichzelf bekleedt met de klederen van ZIjn gerechtigheid, en de onreine niet meer door haar heen laat trekken (Jes. 52:1), dan zal haar gerechtigheid voortgaan als een glans en haar verlossing als een lamp, die brandt. En de Heidenen zullen haar gerechtigheid, en alle koningen haar heerlijkheid zien (Jes. 62:1, 2). Dan zal zij waarlijk in staat zijn om te

67

 redden. Dan “zullen”haar “poorten voortduren geopend zijn; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; opdat de mensen tot” haar “de vermogens der Heidenen kunnen brengen, en dat hun koningen kunnen worden gebracht. Want de natie en het koninkrijk dat” haar “niet zal dienen, zal omkomen; ja, die natien zullen volkomen verwoest worden.” Jes. 60:11, 12{KJV}. {ABN3: 67.3}

Laten alle tegenwoordige waarheid-gelovigen daarom deze koers navolgen tot haar gelukkige hoogtepunt: “Zing en verheug u, gij dochter van Sion! want zie, Ik kom, en Ik zal in uw midden wonen, zegt de HERE. En vele natien zullen te dien dage aan de HERE toegevoegd worden, en zij zullen Mijn volk zijn; en Ik zal in uw midden wonen, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft.”  Zach. 2:10, 11{KJV}. {ABN3: 68.1}

  Verder nog is het zo dat daar het niet wij zijn, maar Christus, Die “de teugels in Eigen handen aan het nemen is” (Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300, dan is het niet onze taak om Hem te vertellen welk werk gedaan zou moeten worden, en welk werk ongedaan gelaten zou moeten worden, maar laat iedere volger van Hem zich realiseren dat Hij “op een wijze zal werken die zeer anders is dan de algemene stand van zaken, en op een manier die in tegenstelling zal zijn tot welke mensenlijke opzet dan ook.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. {ABN3: 68.2}

Wees niet als de klasse die “alles in twijfel trekt en bekritiseert wat opkomt bij het ontvouwing van de waarheid ” (Testimonies, Vol. 5. p. 690{Getuigenissen, Deel 5, p. 561}, maar wees als hen die “de Hemel laten leiden.”–Testimonies to Minsters {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 475. {ABN3: 68.3}

68

Het bevel aan ons is: “Roep luidkeels, spaar niet, verhef uw stem als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes. 58:1{KJV}. {ABN3: 69.1}

“Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt de weg van het volk; verhoogt, verhoogt de hoofdweg, ruimt de stenen weg, heft een banier omhoog voor de volken!  Ziet, de HERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt der dochter van Sion: Zie, uw verlossing komt; zie, Zijn vergelding is met Hem, en Zijn werk is voor Zijn aangezicht.” Jes. 62:10, 11{KJV}.{ABN3: 69.2}

GEREINIGD DOOR GOD, OF DOOR SATAN?

Vraag Nr. 68:

Zal de kerk worden gereinigd voor de uitvoering van het decreet van het beest zoals wordt voorzegd in Openbaring 13:15-17? Of zal dit drastisch decreet het middel zijn om de kerk te reinigen door uit haar te ziften hen die ontrouw zijn aan de Waarheid? {ABN3: 69.3}

Antwoord:

Als het waar is dat het decreet van het beest de onbekeerden (het onkruid) zal uitziften die in de kerk zijn, dan moet men concluderen dat het beest niet een symbolische voorstelling van een macht van draakachtige beginsel is, maar een door-de-hemel-gezonden werktuig, gezonden om het onkruid uit te werpen, welke de draak heeft binnengebracht! {ABN3: 69.4}

Uit Ezechiel 9 zien wij dat niet het “beest,”maar de engelen dit zullen doen. Nadat

69

 de ene {engel} met de schrijversinktkoker aan zijn zijde degenen merkt die zuchten en kermen {uitroepen} vanwege de gruwelen die worden gedaan in hun midden, volgen de vijf met de verdelgingswapens na om allen te doden die zijn overgebleven zonder het merkteken. En deze grote zuivering, zoals zowel de profetie zelf en de Getuigenissen specifiek verklaren, vindt plaats in de kerk. (Zie Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 445;Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266, 267; Testimonies, Vol. 5, pp. 210, 211 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}; ook Tract No. 1, The Dardanelles of the Bible {Traktaat Nr. 1, De Dardanellen van de Bijbel.}). {ABN3: 69.5}

Het is Satans vooraf bepaalde doel om de kerk te verontreinigen door de ontrouwe leden te vermedigvuldigen in plaats van te verminderen. En als het zijn meest radicale goedkeuring is om de kerk te reinigen, met welk doel “komt” de Heer dan “plotseling tot Zijn tempel(…) en (…) zit {Hij} als een verfijner en reiniger van zilver”(Mal. 3:1-3{KJV}; waarom zal een boodschap de schudding veroorzaken (Early Writings, p. 270 {Eerste Geschriften, blz. 325}); en waarom zijn de engelen van Ezechiël 9 degenen die “zullen voortkomen” om “de goddelozen temidden van de rechtvaardigen te scheiden?” Matt. 13:49 {KJV}. {ABN3: 70.1}

Is deze last van het reinigend werk van Satan of van de Heer? Satan is niets aan het doen om de kerk te reinigen, maar is van alles aan het doen om het te verontreinigen. {ABN3: 70.2}

Daarom heeft het decreet van het beest en zijn onbuigbare handhaving ervan, niet als doel het reinigen van de kerk, maar als doel het blokkeren van de weg om uit

70

Babylon te komen, om daardoor de wereld in gevangenschap te houden. Dit doet hij specifiek om de gestaagde stroom van de menigte bekeerlingen tot de dan reeds gezuiverde en gereinigde kerk een halt toe te roepen. Ondanks de meest hevige pogingen van de Vijand, echter, om hen in Babylon te houden, zullen de getrouwen eruit komen. Zij zullen gehoor geven aan de raad van de Heer: “Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is uitgestort in de beker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam.” Openb. 14:9, 10 {KJV}. {ABN3: 70.3}

ZUIGELINGEN EN HEIDENEN GERED OF VERLOREN?

Vraag Nr. 69:

Zullen zuigelingen en heidenen die sterven zonder de gelegenheid te hebben gehad om het evangelie van Christus te horen of Hem aan te nemen als hun Verlosser, gered zijn? Als zij aldus gered kunnen worden in hun onwetendheid, waarom kunnen dan niet allen gered worden? {ABN3: 71.1}

Antwoord:

Als de onwetenden van het evangelie gered konden zijn in hun onwetendheid, dan zou het veel beter zijn dat de kerk de gehele wereld onwetend laat van het evangelie, zodat allen gered kunnen zijn. Maar neen! Niemand kan gered worden zonder het evangelie. {ABN3: 71.2}

71

Wat de verlossing van de jonge kinderen betreft en kinderen wiens ouders gered zijn, zegt de Geest der Profetie: {ABN3: 72.1}

“Engelen ‘verzamelen de uitverkorenen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.  Kleine kinderen worden door heilige engelen tot hun moeders armen gebracht. Vrienden die lang gescheiden zijn geweest door de dood, worden verenigd, om zich nooit meer te scheiden, en met gezang van blijdschap samen opstijgen naar de stad van God.”—The Great Controversy, p. 645 {De Grote Strijd, blz..} {ABN3: 72.2}

“Zo werd het geloof van deze vrouw beloond. Christus, de grote Levengever, gaf haar zoon aan haar terug. Op gelijke wijze zullen Zijn getrouwen beloond worden wanneer de dood bij Zijn komst zijn prikkel verliest, en het graf wordt beroofd van de overwinning die het heeft opgeëist. Dan zal Hij aan Zijn dienstknechten de kinderen teruggeven die hen door de dood waren ontnomen. ‘Zo zegt de Here: een stem werd gehoord in Rama, weeklacht, en bitter geween; Rachel weent om haar kinderen, zij weigerde te worden getroost om haar kinderen, want zij waren er niet. Zo zegt de Here: Bedwingt u uw stem van het wenen, en uw ogen van de tranen; want uw werk zal worden beloond,(…)en zij zullen wederkomen uit het land van de vijand. En er is hoop op uw einde, zegt de Here, dat uw kinderen zullen wederkomen tot hun grenzen.’” Profeten en Koningen, p. 239 {Patriarchen en Profeten, blz..} {ABN3: 72.3}

En met betrekking tot de verlossing van kinderen wiens ouders verloren zijn, gebiedt de Heer: {ABN3: 72.4}

72

“Doodt volkomen oud en jong, zowel jonge meisjes, als kleine kinderen, en vrouwen; maar nadert niet tot enig mens die het merkteken heeft, en begin bij Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oude mannen, die zich voor het huis bevonden.” Ezech. 9:6{KJV}.{ABN3: 73.1}

“Toen nam Jozua, en gans Israël met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.” Joz. 7:24, 25. {ABN3: 73.2}

  Uit deze geïnspireerde passages zien wij dat zuigelingen en kinderen worden alleen vanwege de getrouwheid van hun ouders. Wat een ernstige, wonderlijke en vreselijke verantwoordelijkheid! {ABN3: 73.3}

Betreffende de heidense slaaf, lezen wij: “Ik zag dat de slavenmeester rekenschap zal moeten geven voor de ziel van zijn slaaf die hij in onwetendheid heeft gelaten en de zonden van de slaaf zal bezocht worden aan de meester. God kan de slaaf niet naar de hemel brengen, die in onwetendheid en ontaarding is gehouden, die niets weet van God of de Bijbel, die niets anders vreesde dan de zweepslagen van de meester, en een lagere positie bekleedde dan de beesten.

73

Maar Hij doet het beste voor hem dat een medelijdende God kan doen. Hij staat hem toe om de zijn als hij nooit bestond.” Early Writings, p. 276 {Eerste Geschriften, blz…}. {ABN3: 73.4}

  Het is daarom duidelijk, dat zij die geen gelegenheid hebben gehad om van de waarheid der verlossing te vernemen {of horen}, nooit te lijden zullen onder de straf onder welke de geïnformeerde goddelozen zullen lijden, hoewel er aan hen geen eeuwig leven zal worden gegeven. {ABN3: 74.1}

ZULLEN BIJ DE VERZAMELING UIT ALLE NATIEN OOK ALLE GEKLEURDE

MENSEN WORDEN INBEGREPEN?

Vraag Nr. 70:

Betekent het Schriftgedeelte “Ethiopië zal spoedig haar hand uitstrekken”(Ps. 68:31) dat de gekleurde ras zich tot God zal keren? {ABN3: 74.2}

Antwoord:

Hoewel er geen enkel volk als een natie wordt gered, toont het Schriftgedeelte in kwestie, samengenomen met verwante passages, zeer zeker aan dat er een grote vergadering zal zijn uit Ethiopië. Het is juist zulk een vergadering van iedere natie, geslacht, taal en volk van de aarde dat de “grote schare”van Openbaring 7:9 zal samenstellen. “Vorsten zullen uit Egypte komen”(Ps. 68:31), zeggen de Schriften. “En vele natien zullen” tegen die tijd “komen en zeggen: Komt, en laat ons opgaan naar de berg des Heren, en naar het huis van de God van Jakob; en Hij zal ons leren van Zijn wegen, en wij zullen wandelen in Zijn paden;

74

want de wet zal van Sion uitgaan, en het woord des Heren uit Jeruzalem.” Micha 4:2. {ABN3: 74.3}

“En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een [62:2] Jes 65:15.  nieuwe naam genoemd worden, welken de mond des HEEREN noemen zal.” Jes. 62:2. {ABN3: 75.1}

Vooruitblikkend op deze grote inzameling, stelt de profeet de vraag: “ Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?” Dan beantwoordt de Heer: “ Zeker zullen de eilanden Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den Naam des HEEREN uws Gods, en tot den Heilige Israëls, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft. En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun [60:10] Jes 49:23. koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. {ABN3: 75.2}

“ Daarom zullen uw poorten gedurig openstaan, zij zullen des daags noch des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het vermogen der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden. Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gans verwoest worden. De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke- en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms,

75

en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des HEEREN, het Sion van den Heilige Israëls.” Jes. 60:8-14. Want groot zal de dag van Jizreël zijn.” Hosea 1:11. {ABN3: 75.3}

ZULLEN DE HEIDENEN HET KONINKRIJK BEËRVEN?

Vraag Nr. 71:

Wordt het geestelijk Israel gevormd {of samengesteld} door Heidenen? Heb ik gelijk als ik zeg dat het verband van de Heidenen met Israel gebaseerd is op aanneming? {ABN3: 76.1}

Antwoord:

Er zal slechts een familieboon zijn in het Koninkrijk, de boom van Jakob, waarin de Heiden worden ingeënt, zoals wordt gezien uit Romeinen 11. {ABN3: 76.2}

Dit wordt verder aangetoond door de heilige stad, waarin er geen Heidense poort is, maar waarvan elk van de twaalf poorten een van de namen van de twaalf stammen van Israel draagt. Daarom worden de Heidenen gered door middel van aanneming—ingeënt in de oorspronkelijke olijfboom, en aldus beërven zij het Koninkrijk als ingeburgerde burgers van Israel. {ABN3: 76.3}

WIE IS ZIJ DIE HINKENDE IS?

Vraag Nr. 72:

Wilt u alstublieft Micha 4:6, 7 uitleggen? {ABN3: 76.4}

76

Antwoord:

“Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende is, verzamelen, en haar, die verdreven is, vergaderen, en die Ik gekweld had. En Ik zal haar, die hinkende is, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtige natie; en de HEERE zal over hen heersen op de berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.” Mich. 4:6, 7{KJV.}. {ABN3: 77.1}

Deze verzen brengen drie natiën in zicht: “haar, die hinkende is,” “haar die verdreven is, en haar die “gekweld” is. {ABN3: 77.2}

In de gelijkenis van de zaaier van het zaad, wordt ons verteld dat “hij die het zaad op steenachtige plaatsen ontvangen heeft is hij, die het Woord hoort en het terstond [niet hinkende] met blijdschap aanneemt; maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; want wanneer er verdrukking of vervolging komt ter wille van het Woord, wordt hij terstond geërgerd. (…) Maar hij die het zaad in de goede aarde ontvangen heeft is hij, die het Woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.” Matt. 13:20, 21, 23 {KJV.} {ABN3: 77.3}

Het verschil tussen de twee grondsoorten is dat het zaad in de steenachtige, oppervlakkige grond snel opkomt, terwijl het zaad in de goede, diepe grond langzaam opkomt. {ABN3: 77.4}

Uit deze overeenkomende les zien wij dat “haar die hinkende is,” degene is die het zaad in goede grond heeft ontvangen, de Christelijke gemeente.

77

En zij is het die verzameld moet worden omdat zij verstrooid is en verdeeld door scheuringen. Wanneer zij dan verzameld is, zal zij het “overblijfsel” van de vrouw samenstellen. Openb. 12:17. {ABN3: 77.5}

Zij “die verdreven is,” kan niemand anders zijn dan het tienstammen koninkrijk, en zij die “gekweld” is, is het tweestammen koninkrijk, Juda, zoals dit zal worden gezien door het derde hoofdstuk van Micha te lezen. {ABN3: 78.1}

“Haar die hinkende is,” de Christelijke gemeente, zal de Here tot een overblijfsel maken: Hij zal haar onwettige kinderen, het onkruid, van haar scheiden. “En haar die verre heen verdreven was,” het tienstammen koninkrijk, zal Hij maken “tot een machtige natie; en de HEERE zal over hen heersen op de berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.” Mich. 4:7. En tot Juda “zal de vergadering der volken zijn.” Gen. 49:10 {KJV}. {ABN3: 78.2}

De afstammelingen van deze drie – van “haar die hinkende is” (de eerste Christen gemeente plus de bekeerde Heidenen), van “haar die verdreven is” (de verstrooiden van Israel—het tienstammen koninkrijk); van haar die “gekweld”is (het tweestammen koninkrijk, Juda) – vormen het Koninkrijk-kerk. {ABN3: 78.3}

Aldus zullen de onderdanen die de wortel zijn van het Koninkrijk bekeerd en vergaderd worden uit de Christen gemeente en uit de afstammelingen van de twee vroegere koninkrijken, Israel en juda, en dan gebracht worden naar de berg Sion, want “de HERE heeft

78

poorten van Sion lief boven alle woningen van Jakob. Heerlijke dingen zijn van u gezegd, o gij stad Gods! Sela. Ik zal Rahab en Babel vermelden aan degenen die Mij kennen; zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië: deze mens was daar geboren. En van Sion zal worden gezegd: Deze en die mens was in haar geboren; en de Allerhoogste Zelf zal haar bevestigen. De HERE zal tellen, wanneer Hij de volken opschrijft, dat deze mens daar was geboren. Sela.” Ps. 87:2-6{KJV}. {ABN3: 78.4}

HUWELIJK OF CELIBAAT{ONGEHUWDE STAAT}?

Vraag Nr. 73:

Paulus zegt: “Dit bedoel ik, broeders: de tijd is kort. Ten slotte, laten zij, die een vrouw hebben, zijn als zonder vrouw.” “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf.” 1 Kor. 7: 29, 7. Wat bedoelt hij? {ABN3: 79.1}

Antwoord:

Om de leer van de apostel van het huwelijk en het celibaat op de juiste wijze te begrijpen, zoals het naar voren wordt gebracht in de verzen in kwestie, en ten einde een correcte vooruitzicht te krijgen van zijn doel en van de punten die hij aan het behandelen is, is het noodzakelijk om het hoofdstuk eerst in haar volledige  zetting te bekijken. {ABN3: 79.2}

1 Korinthiers 7:1 openbaart dat hij een brief had ontvangen, en zijn antwoord daarop (in ditzelfde hoofdstuk) toont aan dat er onder de gelovigen in de gemeente Korinthe ontevredenheid en gebrek aan begrip bestond, met betrekking tot het huwelijksverband.

79

Sommigen waren ontevreden over hun lot van het ongehuwd zijn; anderen hadden genoeg van hun lot van het huwelijksleven; terwijl nog anderen zich afvroegen of zij hun ongelovige echtgenoten of echtgenotes moesten verlaten, en hertrouwen. {ABN3: 79.3}

Daar hij altijd trachtte om alles te zijn voor alle mensen, en indien mogelijk welke scheuringen dan ook in de jonge gemeente te voorkomen, brengt Paulus op tactvolle en duidelijke wijze de voordelen naar voren van zowel de gehuwde staat als die van de ongehuwde staat. {ABN3: 80.1}

Van de ongehuwden en de weduwen zegt hij: “Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik. Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.” 1 Kor. 7:8, 9. {ABN3: 80.2}

“Doch hun, die getrouwd zijn,”—zowel tot de paren waarvan beiden in Christus geloven, als tot  de paren waarvan een van hen niet gelooft—schrijft hij: “beveel ik niet, maar de Here, dat een vrouw haar man niet mag verlaten (…) en een man moet zijn vrouw niet verstoten. Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here: heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten. En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten.” 1 Kor. 7:10-13. {ABN3: 80.3}

In deze korte redevoering zien wij dat de apostel de ongehuwde staat niet ondersteunt, maar duidelijk erop aandringt dat, ten einde “hoererij te vermijden,

80

 (…)moet ieder zijn eigen vrouw hebben en(…) iedere vrouw haar eigen man.” 1 Kor. 7:2. {ABN3: 80.4}

Hij doet een beroep op echtgenoten en echtgenotes waarvan beiden gelovigen zijn, maar die samen het niet goed met elkaar kunnen vinden, om te proberen, indien mogelijk, vreedzaam met elkaar te leven. En waar er slechts één  gelovige is, dat men zou moeten trachten de ongelovige partner te bekeren (1 Kor. 7:14). Hij voegt er echter aan toe, dat als de ongelovige zou vertrekken, dat “De broeder of zuster in dit geval niet gebonden is; tot vrede heeft God u geroepen.” 1 Kor. 7:15. {ABN3: 81.1}

Met gelijke nadrukkelijkheid leert hij dat als twee van hetzelfde geloof zouden  beslissen te scheiden, dat zij niet met een ander zouden mogen trouwen, maar te proberen zich met elkaar te verzoenen (1 Kor. 7:11). Nog gelukkiger is echter: “Hebt gij geen vrouw meer? Zoek er geen.” 1 Kor. 7:27. “Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen hij geroepen werd” (1 Kor. 7:27), en te leren om tevreden te zijn, zoals “ik heb geleerd om in welke toestand ook ik verkeer, daarmee tevreden te zijn.” Fil. 4:11{KJV}. {ABN3: 81.2}

Daar de huidige staat van leven van korte duur is, drong hij bij hen erop aan om in de tussentijd hun genegenheid niet te stellen op de dingen van deze wereld, maar op de heerlijkheden van de toekomstige wereld, want “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.” 1 Kor. 2:9. {ABN3: 81.3}

Wanneer deze gelukkige, heilige staat is bereikt, dan zal het zo zijn dat “zij, die

81

een vrouw hebben, zijn alsof zij er geen hadden; en zij die wenen, als weenden zij niet; en zij die blijde zijn, als waren zij niet blijde; en zij die kopen, als zouden zij er niets van behouden; en zij die van deze wereld gebruik maken, als zouden zij haar niet misbruiken; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.” 1 Kor. 7:29-31{KJV}.{ABN3: 81.4}

Dat betekent: zij die nu een echtgenote hebben, zullen niet meer voordeel aan haar trekken in het leven hierna dan wanneer zij er geen hadden; noch zullen zij die nu kopen, dan meer bezitten dan zij die nu niets kopen; maar allen—getrouwd en ongetrouwd, zij die wenen en zij die zich verblijden, zij die kopen en zij die dat niet doen—zullen dan in gelijksoortige omstandigheden verkeren, zodat allen tezamen zich kunnen verblijden, “want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.” “Wie haar dus uithuwelijkt, doet wèl, maar wie haar niet uithuwelijkt, doet beter. {ABN3: 82.1}

“Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, alleen in de Here. Toch is zij naar mijn mening gelukkiger, indien zij blijft, zoals zij is; en ik meen ook de Geest Gods te hebben.” 1 Kor. 7:38-40. {ABN3: 82.2}

Nergens in deze huwelijksraadgeving is Paulus de macht van zijn voorschrift en voorbeeld aan het verlenen aan de volstrekte bevordering van de ene staat van leven boven de ander, noch aan de afschaffing van de geheiligde huwelijksvoorrechten

82

en rechten die worden gewaarborgd door het huwelijksverbond. {ABN3: 82.3}

Zij die voor zichzelf tot de conclusie zijn gekomen dat zij geleid zijn om een huwelijk te verkiezen, en die vastbesloten zijn om in de vrees tot de eer van God voort te gaan, zullen noodzakelijkerwijs “alleen in de Here” trouwen: zij zullen geen ongelovigen, noch onbekeerde, wereldgezinde, onverschillige, niet toegewijde gelovigen voor zich ten huwelijk nemen. De verstandigen zullen voortdurend het besef in gedachten houden, dat wereldse kleding en gedrag een ware Christen niet kan bekoren, en daarom onmogelijk een gelukkige, blijvende, ware Christelijke eenheid tot stand kan brengen. Zij zullen hun genegenheid alleen stellen op iemand die een oprechte, ijverige, vlijtige, geestelijk gezinde aanhanger van Tegenwoordige Waarheid. {ABN3: 83.1}

En een even belangrijke vereiste tot het succes van deze meest voortreffelijke, doch het moeilijkste der levensondernemingen, is dat geen van de twee tot het huwelijk zouden moeten ingaan voor de tijd, zonder de volledige, noodzakelijke voorbereiding te hebben getroffen. Dienovereenkomstig, kan geen enkele Godvrezende Davidiaanse jongeman zich op morele wijze toestaan om het huwelijk te overpeinzen tenzij hij iemand is die, daar hij vroeg in zijn leven vastgesteld heeft welk soort beroep hij het beste voor geschikt is, zijn doelen heeft vastgesteld, en het of heeft bereikt of aardig onderweg is om het te bereiken, een huis voor zichzelf heeft gebouwd en ingericht, of de middelen heeft om dat te doen, of ten minste een {huis} heeft ingericht of in staat is dat in te richten. {ABN3: 83.2}

Door te trachten om de ingewikkelde, zware, en beproevende verantwoordelijkheden aan te nemen om

83

een gezin te leiden naar Gods wil, zonder ten volle de aller-hoogstnoodzakelijke voorbereidingen die hier worden vermeld, aan te nemen, kan men weinig verwachten de fysieke, mentale, en geestelijke vermogens die een Christen zich van Godswege voorgenomen heeft te bereiken, te ontwikkelen. Door dit te veronachtzamen, zal hij het leven tot een gezwoeg en een vloek maken, en door de jammerlijke onderhandeling eerder slechts een last zijn voor de grond dan een zegen voor de aarde. In plaats van op edele wijze onafhankelijk te zijn van anderen, zal hij verachtelijk afhankelijk zijn van hen; in plaats van een verheffende invloed te hebben op de samenleving, zal hij een verlagende invloed hebben; in plaats van zijn kinderen een redelijke zekerheid van kansen te geven, hen de zog en opvoeding te geven die ieder mens verdient, zal hij de vader zijn van een ongelukkig geslacht, dat gedoemd is in alle waarschijnlijkheid tot de lage lotsbestemming van mislukkelingen. {ABN3: 83.3}

Elke godvruchtige Davidiaanse jongeman zal zulk een tragedie vermijden door zich ten volle voor te bereiden op deze grootste ervaring in het leven voordat hij zich eraan gewaagt. Hij zal gedenken, dat voordat de Here de mens deed bestaan, Hij eerst de aarde maakte, het thuis van de mens, en het daarna voorzag van licht, lucht, voedsel, en water, van struik, en boom, en gras, van vogels, dieren en vee. En daar hij dit weet, zal hij dit navolgen. {ABN3: 84.1}

Naast het voldoen aan al deze onmisbare kwalificaties, zal de aanstaande echtgenoot die succes in het huwelijk koestert, geen huwelijksstap ondernemen voordat hij zich

84

bekwaam heeft gemaakt om de huistaken van de echtgenote te doen voor het geval dat zij ziek, op een andere wijze onbekwaam of weggenomen wordt, of dat zij om een andere onverwachte reden door hem worden overgenomen. {ABN3: 84.2}

Anderzijds kan geen enkele Godvrezende Davidiaanse jonge vrouw op morele wijze het trouwen overdenken tenzij zij de huishoudelijke vaardigheden heeft verworven en iedere taak van het gezin op de schouder kan nemen. Als zij het huis schoon en keurig en ordelijk kan houden; als zij op vaardige wijze kan koken, wassen, en naaien, als zij kan zorgen voor de zieken en eerste hulp kan bieden, als zij op verstandige wijze kan zorgen voor kinderen; als zij op voorspoedige wijze kan tuinieren om haar tafel te voorzien van een overvloed aan verse groenten (want wanneer zij dagen voor gebruik worden gesneden, verliezen zij de meeste van de vitaminen door middel van oxydatie);–als zij al deze dingen kan doen, dan is zij het respect waard die een goede echtgenote toebehoort; zij heeft het verband van een sterke, duurzame verbond verworven. Evenwel moet zij echter, zo respectvol en gerespecteerd als zij moet zijn, ook een bepaalde soort beroep hebben zodat wanneer de echtgenoot ziek wordt , of gebrekkig{invalide} is geworden of wordt weggenomen, zij aan het hoofd kan staan van het gezin en zorgen haar noden en haar problemen het hoofd kan bieden. {ABN3: 85.1}

Ten slotte zullen beiden goed het feit in acht nemen dat de mentale, morele en professionele toerusting van een jongeman zelden voldoende is om de verantwoordelijkheden van het huwelijk te dragen, voordat hij de leeftijd van vier en twintig jaar heeft bereikt –de dag waarop een man volgroeid

85

en ontwikkeld is, en dat een jonge vrouw zelden aldus erop voorbereid is voordat zij de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt – de dag waarop een vrouw volgroeid en ontwikkeld is. {ABN3: 85.2}

IS DE WET NIETIG VERKLAARD?

Vraag Nr. 74:

Paulus schrijft: “De een stelt de ene dag boven de andere, de ander stelt ieder dag gelijk. Laat een ieder voor zijn eigen besef ten volle overtuigd zijn. Hij die een dag in acht neemt, neemt het in ach om de Here; en hij die de dag niet in acht neemt, om de Here neemt hij het niet in acht. Hij die eet, eet om de Here, want hij dankt God; en hij die niet eet, om de Here eet hij niet, en dankt God.” Rom. 14:5, 6 {KJV}. {ABN3: 86.1}

In het licht van dit Schriftgedeelte, is het dan niet waar dat iemand is gered door geloof ongeacht wat zijn leerstellige overtuiging ook mag zijn over de Sabbat en over het dieet? {ABN3: 86.2}

Antwoord:

Daar zij juist deze vraag voorzag, beantwoordde Inspiratie het ronduit door middel van Paulus en zijn medearbeiders: {ABN3: 86.3}

“Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.” Rom. 3:31. “Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden).” Jak. 2:10. “Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar.” 1 Joh. 5:3. “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat zij recht mogen hebben tot de boom

86

des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.” Openb. 22:14{KJV.}. {ABN3: 86.4}

“Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.(…)Gij gelooft, dat er één God is; Daaraan doet gij wel: de duivels geloven ook, en zij sidderen. Maar wilt gij weten, o dwaze mens, dat het geloof zonder de werken dood is?(…) Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.” Jakobus 2:14, 17, 19, 20, 26{KJV}. {ABN3: 87.1}

Nogmaals, daar hij had geschreven: Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, [u] een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt,” (Gal. 1:8), kon Paulus onmogelijk zich hebben omgekeerd en kunnen hebben gepleit voor {de gedachte} dat een mens gered kan zijn door zijn eigen evangelie, door wat hijzelf denkt of doet. {ABN3: 87.2}

Geen enkel redelijk denkend persoon die gelooft dat Paulus’ geschriften deel uitmaken van het Heilige Schrift, kan zichzelf ervan overtuigen dat Paulus het ene moment de wet zou verheffen, en het volgende moment het zou vertreden. Het is daarom beslist dat iemands uitlegging van de geschriften van de apostel dusdanig moet zijn, dat het zal maken dat ze consequent {samenhangend} zijn. {ABN3: 87.3}

In Romeinen 14:5, 6 tracht hij oneerlijke kritiek te corrigeren door de gelovigen te vermanen dat een ieder volgens zijn eigen geweten overtuigd moet zijn,

87

en dat de taak van een Christen is om de Waarheid te bewaren, te spreken en te onderwijzen, niet om gehoorzaamheid eraan te eisen, niet om hen te verachten die eten of die niet eten, of zij die een dag boven een ander achten; maar om allen ten volle overtuigd te laten zijn in hun eigen verstand. Kortom, de taak van een Christen is om liefdadig te zijn, om in alle opzichten een Christen te zijn, die zijn eigen denkwijze heeft, maar die altijd bereid is om zijn meningen te verzaken voor een “Zo zegt de Here.” {ABN3: 87.4}

Dat de Sabbat en dus al de andere geboden eeuwigdurend zijn, om zelfs hierna te worden onderhouden, kan een ieder gemakkelijk zien uit de volgende schriftgedeelten: “En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om te aanbidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.” Jes. 66:23{KJV}. En vooruitblikkend op de tijd van “de grote en vreselijke dag des Heren,” de tijd die net voor ons ligt, waarschuwt de Heer het volk dat te dien tijde zal leven: “Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, met de inzettingen en verordeningen.” Mal. 4:4. {ABN3: 88.1}

“Zo zegt de HERE: Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want mijn heil staat gereed om te komen en mijn gerechtigheid om zich te openbaren. Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet. Laat dan de vreemdeling die zich bij

88

de HERE aansloot, niet zeggen: De HERE zal mij zeker afzonderen van zijn volk; en laat de ontmande niet zeggen: Zie, ik ben een dorre boom. Want zo zegt de HERE van de ontmanden, die mijn sabbatten onderhouden en verkiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan mijn verbond: Ik geef hun in mijn huis en binnen mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. Het woord van de Here HERE, die de verdrevenen van Israël bijeenbrengt, luidt: Ik zal daartoe nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn.” Jes. 56:1-8. {ABN3: 88.2}

Aangezien dus niet alleen de Sabbat, maar ook de gehele wet nu en voor eeuwig zal worden onderhouden door zowel de Jood als de Heiden, doet het geloof de wet van God niet teniet, maar zij bevestigt het eerder voor eeuwig, en zij stelt iemand in staat om het te onderhouden. {ABN3: 89.1}

Zij die waarlijk bekeerd zijn tot God door de gerechtigheid van Christus, vinden het niet moeilijk om de wet

89

te gehoorzamen. Zij verlustigen zich in het doen van Gods wil. {ABN3: 89.2}

En ten slotte, wanneer zij het beloofde land binnengaan, en God hen nieuwe harten geeft en Zijn geboden daarop inprent (Ezech. 36:23-29), dan zal het voor hen die gereinigd zijn een duizendmaal grotere beproeving zijn om zich aan de zonde te wagen, dan dat het was voor Jozef in Egypte toen hij tegen de verzoeking uitriep: “ Hoe… kan ik dit grote kwaad doen en zondigen tegen God”? (Gen. 39:9), en zal het niet méér mogelijk zijn dan dat het was voor Christus. Inderdaad, de zonde zal te dien tijde van nature even afgrijselijk voor ons zijn als de dood dat nu is. Christus maakt dit mogelijk door onze zonden weg te wassen met zijn kostbaar bloed, wat in ons een zondeloze natuur, een “nieuw hart” herschept, terwijl Hij ons van tussen de heidenen wegneemt en ons inbrengt in ons “eigen land.” Ezech. 36:24. {ABN3: 90.1}

ZIJN WIJ NIET VRIJGEMAAKT VAN HET ONDERHOUDEN VAN DE WET?

Vraag Nr. 75:

Naar welke wet verwijst Galaten 3:13? Betekent verlossing van de vloek van de wet der zonde {ook} verlossing van het onderhouden van de tien geboden? {ABN3: 90.2}

Antwoord:

De wet waarover wordt gesproken in Galaten 3:13 is de wet der Tien Geboden (Ex. 20:). Het leert iemand dat zijn gehoorzaamheid daaraan de veelvoudige zegeningen tot hem brengt van: het in stand houden van zijn getrouwheid aan God en aan de mens;

90

het beschermen van zijn godsdienst (Verzen 3-7) als het gebouwd is op Waarheid; hem altijd in gedachte houdend dat God de hemel en de aarde schiep in zes werkdagen, het voor hem verzekeren van het vreugdevolle voorrecht om met God terwijl hij rust op Zijn Heilige Dag—de zevende (verzen 8-11); zijn kinderen te leren om hun ouders te eren (vers 12); het voorkomen dat men doodslaat (vers 13); het behouden van de reinheid in allen, maar in het bijzonder het beschermen van vrouwen (vers 14); hem eerlijkheid in te prenten (vers 15) en het ontwikkelen van de hoogste onkreukbaarheid; hem te behoeden van valsheid (vers 16); en hem te behoeden voor begeerte (vers 17). Het is de spiegel van de Christen, en zijn verdediging. {ABN3: 90.3}

Een leerstelling, die daarom een strikte gehoorzaamheid aan de wet van God, de enige geschreven woorden die Hij aan ons verwaardigd heeft met Zijn eigen vingers, en in het openbaar met Zijn Eigen stem uitgesproken heeft (Ex. 31:18; Deut. 4:12, 14) herroept, laat als gevolg de aanbidding van andere goden toe, en is dus in feite de Christenen niet alleen aan het leren om de Vader van alle schepping te onteren, maar daardoor ook het onteren van alle ouders aan het aanmoedigen, tevens het door de vingers zien van moord, onzedelijkheid, oneerlijkheid, leugenachtigheid, en begeerte. {ABN3: 91.1}

Daarom brengt de wet, als het geweld wordt aangedaan, vervloekingen met zich mee; als het ongeschonden wordt bewaard, brengt het zegeningen met zich mee. (Zie Exodus 20:5, 6; Openbaring 22:14.) Niemand echter kan, zonder een grondige bekering, mogelijkerwijs de last dragen of de macht bezitten om het ongeschonden te bewaren. {ABN3: 91.2}

91

OM WELKE REDEN ZAL ER GEEN GELIJKENIS WORDEN GEMAAKT?

Vraag Nr. 76:

Verbiedt het tweede gebod van de Decaloog niet dat men een beeldsnijwerk, een schilderij, of een tekening maakt van een gelijkenis van wat dan ook dat in de hemel of op de aarde is? {ABN3: 92.1}  

Antwoord:

Ongetwijfeld verbiedt het tweede gebod inderdaad het maken van een gelijkenis van wat dan ook, het zij van wat in de hemel of op aarde is, met als doel om God te aanbidden. Sommigen nemen echter het extreme standpunt in dat het verbiedt dat men welke gelijkenis dan van wat dan ook voor welke reden dan ook, zelfs als het als doel heeft om een  gedachte uit te beelden. Door zodoende welk soort van illustratie dan ook te veroordelen, hetzij in beeld, een muurschildering, een portret, fotografisch, bouwkundig of wat dan ook, zou betekenen dat het gehele lichaam van beeldende kunst en wetenschap {techniek} verbannen moet worden—de voornaamste toepassing van het onderwijsstelsel van de beschaving. {ABN3: 92.2}  

Niettemin, als zulks het van Godswege gewenste bedoeling is van het gebod, dan moeten wij het zonder twijfel gehoorzamen, en wij zullen er dan beter af zijn ongeacht de gevolgen. {ABN3: 92.3}  

De Bijbel Zelf echter openbaart dat het gebod niet het maken van gelijkenissen verbiedt voor enig ander doel behalve voor aanbidding. En het geeft zelfs de reden aan voor het verbod. In de geschriften van Mozes lezen wij: {ABN3: 92.4}  

92

 “Toen sprak de HERE tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoordet gij, maar een gestalte naamt gij niet waar, er was alleen een stem.(…) Neemt u er dan terdege voor in acht – want gij hebt generlei gedaante gezien op de dag dat de HERE op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur – dat gij niet verderfelijk handelt door u een gesneden beeld te maken in de gedaante van enige afgod: een afbeelding van een mannelijk of vrouwelijk wezen; een afbeelding van een of ander dier op de aarde; een afbeelding van een of ander gevleugeld gevogelte, dat langs de hemel vliegt; een afbeelding van een of ander gedierte, dat op de aardbodem kruipt; een afbeelding van een of andere vis, die in het water onder de aarde is; en dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de HERE, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel.” Deut. 4:12, 15-19. {ABN3: 93.1}  

Voorts werden er in de tempel van Salomo gelijkenissen van Gods schepping gebruikt. Bijvoorbeeld: Salomo “Voorts maakte de koning een grote ivoren troon, die hij overtrok met gelouterd goud. De troon had zes treden, een gouden voetbank, die aan de troon bevestigd was, en aan weerszijden van de zitplaats leuningen; twee leeuwen stonden naast de leuningen en twaalf leeuwen stonden aan weerszijden op de zes treden.”  2 Kron. 9:17-19. {ABN3: 93.2}

93

 Wederom, maakte hij een gegoten zee, “en om de onderkant heen bevonden zich afbeeldingen van runderen, die haar geheel omgaven.” 2 Kron. 4:3. {ABN3: 94.1}

En verder “spreidden de cherubs de beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubs overdekten de ark en haar handbomen van boven.” 2 Kron. 5:8. {ABN3: 94.2}

Waren dezen geen gelijkenissen van schepsels die God had geschapen? Had God geen instructies gegeven voor het bouwen? Dus verbiedt het gebod het maken van een denkbeeldige afbeelding van God of van welk ding dan ook voor het doel van aanbidding. {ABN3: 94.3}

(Al het schuingedrukte door ons)

WAT ZAL UW VOLGENDE STAP ZIJN?

Als u nu genoten, gewaardeerd en uw voordeel gedaan heeft door deze vraag en antwoord discussie van Boek Nr. 3 en als het uw wens is om verder te gaan, dan kunt u een verzoek inzenden voor Boek Nr. 4. Het zal u toegezonden worden als een Christelijke dienst zonder kosten of verplichtingen. {ABN3: 94.4}

—000—

94

95

96

SCHRIFTUURLIJKE       INDEX

 


ABN4-1200x675.jpg

1

Kopierecht, 1944, door

V.T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

Opdat een ieder die dorst naar de Waarheid, het kan verkrijgen, wordt dit traktaat kosteloos per post verzonden. Het vereist één vordering, de verplichting van de ziel aan zichzelf om alle dingen te onderzoeken en vast te houden aan datgene wat goed is. De enige voorwaarden die verbonden zijn aan dit aanbod zijn de gouden stranden en de karmozijnrode koorden van Golgotha–de banden die bindend zijn.

Namen en adressen van Z.D. Adventisten die naar ons worden verzonden zullen gewaardeerd worden.

2

De BEANTWOORDER

Boek Nr. 4

Vragen en Antwoorden over Onderwerpen

van Tegenwoordige Waarheid in het belang

van de Broeders en Zusters der Zevende-dags

Adventisten en Lezers van

De Herdersstaf

door V.T. Houteff

Deze “schriftgeleerde,” die is

onderwezen betreffende het

Koninkrijk der Hemelen,

“brengt te voorschijn(…)

nieuwe en oude dingen.”

Matt. 13:52.

“Heiligt” nu “de Here God in uw harten,

altijd bereid tot verantwoording

aan al wie u rekenschap vraagt

van de hoop, die in u is, doch

met zachtmoedigheid en vreze.”

1 Petr. 3:15.{KJV}.

3

INHOUD

Is de Profetie van Josia of van Johannes Vervuld? 5
Zijn de Grote Verdrukking en de Tijd der Benauwdheid Hetzelfde? 6
Wanneer noemden Zij Zichzelf bij de Naam des Heren? 7
Is Hervorming Geen Volmaaktheid? 10
Geheiligd in een Ogenblik, of Dag aan Dag? 12
Uitgespuwd, of Uitgeworpen? 18
Wat is “de Roede van Mijn Zoon?” 19
Wat is het Zwaard des Heren 19
Zijn “Sion” en “Jeruzalem” Hetzelfde 20
Heeft Hij Hen Vertreden of Zal Hij Hen Vertreden? 22
Gedoopt Tot Vergeving Van Zonden, Of Tot Vooruitgang Met Waarheid? 23
Wie Is De Koning Van Mount Karmel Centrum? 24
Is Het Te laat Om In Het Net Te Komen? 28
Wat Te Doen Wanneer Ik Als Lid Ben Geëxcommuniceerd? 30
Wat Is Het Verschil Tussen “Gekomen” en “Komende”? 33
Als Het Toen Half Om Half Was, Hoe Zit Het Dan Nù? 34
Vervangt Lidmaatschap Kennis Van Waarheid? 35
Ik Geloof Nu, Maar Maak Ik Dan Aanspraak Op Lidmaatschap? 36
Hoe Zit Het Met Petrus En De Sleutels? 37
Naar Wie Zou Mijn Tiende Moeten Gaan? 41
Kan Mijn Huis Niet Zijn “Voorraadschuur” Zijn? 44
Is Het Mijn Taak Om De Schatkamer van De Heer Recht Te Zetten? 46
Waarvan Moet Er Een Tiende Gegeven Worden? 47
Hoe Zit Het Met Een Tiende Geven Van Geschenken? 48
Wat Voor “Verzekering” Zouden Christenen Moeten Hebben? 49
Wie Zijn Het Waardig Om Aalmoezen Te Geven? 58
Waarvoor Wordt De Tweede Tiende Gebruikt? 59
Wat Vormt Eenheid? 66
Wat Zou Het Gezin Moeten Zijn? 69
Als Twee Het Niet Eens Zijn, Hoe Kunnen Zij Samen Wandelen? 78
Hoe Kan Ik Het Grootbrengen Van Mislukkelingen Voorkomen? 81
Wat Zal Uw Volgende Stap Zijn? 94

4

Vragen En Antwoorden

———

IS DE FROFETIE VAN JOSIA OF VAN JOHANNES VERVULD?

Vraag Nr. 77:

Omdat Zijn voorzegging van de ondergang van het Ottomaanse Rijk op 11 Augustus, 1840, op opvallende wijze was vervuld, had Josia Litch dan gelijk toen hij beweerde dat de profetie van Openbaring 9:5, 15-20 aldus op volmaakte wijze ten uitvoer was gebracht? {ABN4: 5.1}

Antwoord:

Hoewel er in de uitwerking van de voorzegging van Litch er een ogenschijnlijk onnatuurlijk element van samenloop bestond, kon het desbetreffende gebeuren niet datgene zijn geweest wat wordt beschreven in de profetie van Johannes, want het laatstgenoemde openbaart dat de vier engelen die gebonden waren aan de Eufraat het derde deel der mensen zouden doden. En waar in de Schriften wordt er enigermate een Heidense natie gesymboliseerd met engelen? Bovendien was het Ottomaanse Rijk helemaal niet gevallen; zij heeft zich eerder “onder de macht geplaatst van de Christelijke naties.” –The Great Controversy, p. 335{De Grote Strijd, blz…}. Voorts, hadden de engelen een leger van 200.000.000 ruiters, terwijl Turkije nooit van haar leven zoveel cavaleriemannen heeft gehad! Verder nog vraagt de profetie van De Openbaring om het doden van het “derde deel der mensen” (Openb. 9:15), terwijl er bij de vervulling de voorzegging van Litch, er geen slachting plaatsvond. Met het oog op al deze feiten, bewijst het zich vanzelf dat hoewel de voorzegging van Litch in vervulling kan

5

zijn gegaan, het op generlei wijze verwees naar die van de Openbaarder. {ABN4: 5.2}

De Grote Strijd{The Great Controversy} brengt slechts verslag uit dat de eigen voorzegging van Litch, niet die van Johannes, in vervulling ging. Dus was de voorzegging van Litch, die op verkeerde wijze wordt gebaseerd op de Openbaring, een onnatuurlijke toeval{samenloop}, en geen vervulling van de profetie van de Openbaarder. {ABN4: 6.1}

ZIJN DE GROTE VERDRUKKING EN DE TIJD DER BENAUWDHEID HETZELFDE?

Vraag Nr. 78:

Hoe kan men bewijzen dat de “grote verdrukking, zoals er niet geweest is van het begin der wereld(…) en ook nooit meer wezen zal” (Matt. 24:21), niet de “tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest was sinds er een natie bestond” is? Dan. 12:1. {ABN4: 6.2}

Antwoord:

Door te profeteren van “de grote verdrukking,” waarschuwde Christus vooraf dat het een tijd van vervolging, ontbering, en dood zou zijn voor de heiligen, en dat zij daarom zouden moeten vluchten “naar de bergen” om hun leven te behouden, anders “zou geen vlees behouden worden.” Matt. 24:16, 22. {ABN4: 6.3}

Maar Daniel voorzegt dat in “de tijd der benauwdheid, zoals er nooit geweest was,” Michael zal opstaan en een ieder van de heiligen zal verlossen, zodat zij de dood niet zullen ervaren. {ABN4: 6.4}

Het is daarom vanzelfsprekend dat deze twee gebeurtenissen op verschillende tijden plaatsvinden, waarbij elk van hen bijzonder

6

en uniek, de grootste is van zijn soort. Inderdaad verklaart profetie dat er nooit meer zulk een “verdrukking,” en er nooit meer een andere soortgelijke “benauwdheid” zal zijn. {ABN4: 6.5}

(Zie De Beantwoorder, Boek nr. 2, Vraag Nr. 47, voor een uitgebreide beschrijving van deze twee gebeurtenissen.)

WANNEER NOEMDEN ZIJ ZICHZELF BIJ DE NAAM DES HEREN?

Vraag Nr. 79:

Riep Abel de naam des Heren niet aan toen hij het offer bracht (Gen. 4:4)? Zo ja, waarom zegt Genesis 4:26 (kanttekening) dan dat nadat Set was geboren, “toen begon men zichzelf bij de naam des Heren te noemen”? {ABN4: 7.1}

Antwoord:

Hoewel Kaïn vanaf de dood van Abel tot de geboorte van Set (Gen. 4:25) de enige levende zoon van Adam was, toch waren noch hij noch zijn nageslacht volgelingen van God; dus waren zij “de zonen der mensen.” Maar Set en zijn nakomelingen, die de gezindheid van Abel hadden, riepen de naam des Heren aan, en zij waren “de zonen van God.” Gen. 6:2. {ABN4: 7.2}

Daarom, daar er twee verschillende klassen aanbidders (ware en valse) waren die in nauw contact met elkaar waren, werd het noodzakelijk om zichzelf titels te geven om zodoende een onderscheid te maken tussen de volgelingen van mensen en de volgelingen van God. De nakomelingen van Set waren de eersten die

7

“zichzelf bij de naam des Heren noemden,” evenals de Joden die lang daarna Christus aannamen de eersten waren die zichzelf Christenen noemden. En net zoals de Joden die Christus verwierpen voortgingen met zichzelf Joden te noemen, evenzo gingen de nakomelingen van Kaïn voort met zichzelf “de zonen der mensen” te noemen. {ABN4: 7.3}

Uit dit Schriftgedeelte komt het bewijs dat de onverschillige en onwetende godsdienstige praktijken die wij vandaag de dag zien, met hun vervolgende geest tegen hen die God aanbidden precies zoals Hij dat geboden heeft, hun begin hadden bij Kaïn; en ook dat van Abel de invloed van gehoorzaamheid afstamt, wat zelfs tot deze tijd reikt. Dus zijn er in de wereld nog steeds de “zonen der mensen” evenals de “zonen Gods,” de volgelingen van mensen en de volgelingen van God. En net zoals de godsdienst van de “zonen der mensen” in die dagen dusdanig was zoals hun vader Kaïn dat beoefende, –niet overeenkomstig met Gods bevel, maar volgens hun eigen keuze,–evenzo is de godsdienst van de zonen der mensen van vandaag.  Een groot aantal aanbidden nog steeds op dezelfde wijze waarop hun vaders dat deden, en nemen niet de geringste moeite om voor zichzelf het verschil te kennen tussen het valse en het ware, maar zij stormen vanzelfsprekend en onbedachtzaam vooruit tot hun ondergang, zoals de Gadareense zwijnen over de klippen in de zee stormden (Matt. 8:32; Mark. 5:13). {ABN4: 8.1}

Maar ondanks de heilige naam die de zonen van Set tot zich namen in die dagen, vermengden velen van hen zich met de

8

zonen der mensen; dat betekent: “de zonen Gods zagen, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen.” Gen. 6:2. Deze kwade praktijk bracht spoedig de goddeloosheid van de zonen der mensen in de gezinnen van de zonen Gods. “ En God zag dat de boosheid der mensen groot was op de aarde, en dat al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was. En het berouwde de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in Zijn hart. En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.” “Want zie, Ik ga een watervloed over de aarde brengen om al wat leeft, waarin een levensgeest is, van onder de hemel te verdelgen; alles wat op de aarde is, zal omkomen.” Gen. 6:5-7, 17. {ABN4: 8.2}

Vooruitblikkend op onze tijd, verklaarde Jezus: “Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.” Mattheüs 24:38, 39. Zouden de “zonen Gods” in deze tijd daarom niet des te meer gehoor geven aan deze voorbeelden en zich gescheiden houden van “de dochters der mensen”? {ABN4: 9.1}

9

Deze lessen onderwijzen dat ieder persoon, zonder de invloed van een ander, voor zichzelf zou moeten vaststellen om de Waarheid te weten te komen en te beoefenen, als hij wenst te ontkomen van het onzichtbare weefsel van de Vijand, dat gespreid is langs het pad van zijn voeten. Hij zou nu het ergste van zijn eigen geval moeten kennen als hij zijn kroon van eeuwig leven wil behouden, zijn meest kostbare schat. Als hij dat niet doet, zal hij het verliezen. {ABN4: 10.1}

IS HERVORMING GEEN VOLMAAKTHEID?

Vraag Nr. 80:

De verklaring in “De Symbolische Code” {“The Symbolic Code”},

Juli 1935, Deel 1, Nr. 13, p. 9, dat “indien de persoon zich niet hervormt op het moment dat hij overtuigd is van de Waarheid, zal hij het later ook niet doen,” maakt mij angstig. Want als dat zo is, dan heb ik dingen gedaan die mij veroorzaken verloren te gaan. Wat voor hoop is er {nog} voor mij? {ABN4: 10.2}

Antwoord:

De Code bedoelt met het woord “hervormt” niet dat men meteen helemaal volmaakt moet worden. Volmaaktheid wordt verkregen door voort te gaan in de Waarheid en door stap voor stap de ladder van volmaaktheid te beklimmen. (Zie Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 187). Een ware Christen geraakt nooit achter, maar zoals het volmaakte koren van de akker zich gestadig ontwikkelt in de aar, zo ontwikkelt hij zich in de Christelijke sfeer zover als het Licht hem voorleidt. Als u daarom een begin heeft gemaakt en

10

nog steeds de wedloop loopt, dan is er geen reden waarom u verloren zou moeten gaan, “want een rechtvaardige valt zevenmaal, en staat weer op.” Spr. 24:16. “En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, namelijk Jezus Christus, de Rechtvaardige.” 1 Johannes 2:1. {ABN4: 10.3}

De klasse die zich niet hervormt, volgens de Code, zijn zij die niet aan de wedloop beginnen wanneer zij overtuigd zijn van voortgeschrijde Waarheid, maar die zoals de Joden in de dagen van Christus of de Laodiceeërs van vandaag zeggen: Wij zijn “rijk en met goederen verrijkt, en hebben niets nodig.” (Openb. 3:17); of die zoals Felix zich verontschuldigen zeggende: “Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.” Hand. 24:25. {ABN4: 11.1}

Het feit dat u ernaar streeft om de zonde te overwinnen door in het Licht te wandelen, is voldoende bewijs dat u niet verloren bent. En als u aldus doorgaat, dan zult u gered zijn, anders zijn wij allen verloren. {ABN4: 11.2}

De Vijand zou ons graag willen misleiden op de ene of de andere manier, het maakt hem niet uit welke, en wij zouden hem geen enkel gelegenheid daartoe moeten geven. De raad van Paulus luidt: “Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt.” Hebr. 12:1. {ABN4: 11.3}

11

GEHEILIGD IN EEN OGENBLIK, OF DAG AAN DAG?

Vraag Nr. 81:

Welke rol vervullen wij in het proces van heiligmaking, en wanneer is een persoon geheiligd? {ABN4: 12.1}

Antwoord:

“Wij zouden de woorden van de apostel Paulus moeten beschouwen, waarin hij een beroep doet op zijn broeders, door de barmhartigheden Gods, dat zij hun lichamen stellen tot ‘een levend, heilig en Gode welgevallig offer’(…) Heiligmaking is niet slechts een theorie, een emotie, of een woordenvorm, maar een levend, actief beginsel, dat binnendringt in het dagelijks leven. Het vereist dat onze eet-, drink- en kleedgewoonten dusdanig zijn zodat het behoud van de lichamelijke, mentale en zedelijke gezondheid wordt verzekerd, opdat wij ons lichaam aan de Heer kunnen stellen—niet als een offer dat verdorven is door verkeerde gewoonten, maar als—‘een levend, heilig en Gode welgevallig offer.’ Rom. 12:1”—Counsels on Health{Adviezen over Gezondheid}, p. 67. {ABN4: 12.2}

“Ware heiligmaking komt tot stand door de uitwerking van het beginsel van liefde. ‘God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem.’ In het leven van hem in wiens hart Christus verblijft, zal praktische godsvrucht geopenbaard worden. Het karakter zal gereinigd, verheven, veredeld, en verheerlijkt zijn. Zuivere leer zal samengaan met werken der gerechtigheid; hemelse voorschriften zullen gemengd zijn met heilige praktijken. {ABN4: 12.3}

12

”Heiligmaking(…)wordt niet verkregen door een gelukkig gevoel, maar is een gevolg van voortdurend af te sterven van de zonde, en voortdurend te leven voor Christus. Verkeerdheden kunnen niet rechtgezet worden, noch hervormingen tot stand gebracht worden in het karakter door zwakke, onderbrekende inspanningen. Alleen door lange, volhardende inspanning, pijnlijke tuchtiging {discipline}, en ernstige strijd, zullen wij overwinnen. Wij weten niet de ene dag hoe hevig onze strijd zal zijn de volgende dag. Zolang Satan regeert, zullen wij het eigen –ik moeten onderwerpen, licht begaande zonden te overwinnen; zolang er leven is, zal er geen stopplaats zijn, geen punt die wij kunnen bereiken en zeggen: Ik heb het volledig verkregen. Heiligmaking is het resultaat van levenslange gehoorzaamheid.” –The Acts of the Apostles, p. 560{Van Jeruzalem tot Rome, blz…}. {ABN4: 13.1}

“Dag aan dag, van uur tot uur, moet er een krachtig werk van zelfverloochening en van heiligmaking voortgaan van binnen; dan zullen de werken getuigen dat Jezus in het hart verblijft door het geloof. Heiligmaking sluit de ingangen van de ziel niet voor kennis, maar het verruimt het verstand, en inspireert het om naar waarheid te zoeken als naar verborgen schatten.” –Counsels to Teachers{Adviezen aan Leraren}, p. 449. {ABN4: 13.2}

“Er bestaat geen Bijbelse heiligmaking voor hen die een gedeelte van de waarheid achter zich werpen”(Testimonies, Vol. 1, p. 33-8), want “dit werk kan niet voortgaan in het hart terwijl het licht over welk deel dan ook van de waarheid wordt verworpen of verwaarloosd. De geheiligde ziel zal niet tevreden zijn met het onwetend te blijven, maar zal verlangen in het licht te wandelen en naar

13

 groter licht te zoeken. Zoals een mijnwerker graaft naar goud of zilver, zo zal de volgeling van Christus zoeken naar waarheid, als naar verborgen schatten, en zal voortgaan van licht tot een groter licht, alsmaar toenemend in kennis. Hij zal voortdurend groeien in genade and in de kennis van de waarheid.” –The Review and Herald, 17 juni, 1890. {ABN4: 13.3}

“Velen(…)demonstreren de waarheid niet in hun leven. Zij hebben bijzondere beoefeningen over heiligmaking, maat zij werpen het woord van God achter zich. Zij bidden over heiligmaking, zingen over heiligmaking, en schreeuwen over heiligmaking(…)De tegenwoordige waarheid, welke het kanaal is, wordt niet in acht genomen, maar wordt onder de voeten vertreden. Mensen kunnen uitroepen: Heiligheid! heiligheid! heiligmaking! heiligmaking! toewijding! en toch niet meer uit ervaring weten waarover zij praten dan de zondaar met zijn verdorven neigingen. God zal spoedig deze witgewaste kleed van belijdende heiligmaking afstrippen welke sommigen die vleselijk gezind zijn om zich heen hebben verspreid om de mismaaktheid van de ziel te verbergen.” –Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, pp. 338, 336. {ABN4: 14.1}

De profeet Daniel was een voorbeeld van ware heiligmaking. Zijn lange leven was gevuld met edele dienst voor zijn Meester. Hij was een man die ‘zeer bemind’ was door de hemel. Toch vereenzelvigde deze geëerde profeet zich, in plaats van te beweren rein en heilig te zijn, met de ware zondigen van Israel, toen hij pleitte voor Gods aangezicht ten behoeve van zijn volk: {ABN4: 14.2}

14

 ‘Niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden.’ ‘Wij [9:5] Ps 106:6. Jes 64:5, 6, 7.hebben gezondigd, en goddeloos gehandeld.’ Hij verklaart: ‘Ik(…) sprak en bad en mijn zonde en de zonde van mijn volk Israël beleed.’ En toen de Zoon van God op een latere tijd verscheen, om hem instructies te geven, zei Daniel: ‘mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.’ {ABN4: 15.1}

“Toen Job de stem van de Heer hoorde uit de wervelwind, riep hij uit: ‘Daarom verfoei ik mezelf, en ik heb berouw in stof en as.’ Het geschiedde toen Jesaja de heerlijkheid van de Heer zag, en de cherub hoorde uitriepen: ‘Heilig, heilig, heilig, is de Here der heerscharen,’ dat hij uitriep: ‘Wee mij, want ik verga!” Paulus, nadat hij werd opgenomen in de derde hemel en dingen hoorde die onmogelijk waren voor een mens om uit te spreken, spreekt van zichzelf als ‘minder dan het minste van alle heiligen.’” –[10:8] Dan 7:28. The Great Controversy, pp. 470, 471{De Grote Strijd, blz..} {ABN4: 15.2}

“De heiligmaking van Paulus van en gevolg van een voortdurende strijd tegen het eigen ik. Hij zei: ‘ik sterf dagelijks.’ Zijn wil en zijn verlangens waren dagelijks in strijd tegen plicht en de wil van God. In plaats van de neiging te volgen, deed hij Gods wil, ongeacht hoe kruisigend het was voor zijn eigen natuur. {ABN4: 15.3}

“God leidt Zijn volk voort stap voor stap. Het Christelijk leven is een strijd en een opmars. In deze strijd is er geen vrijstelling; de inspanning moet voortdurend en volhardend zijn.

15

Het komt door onophoudelijke inspanning dat wij de overwinning in stand houden over de verleidingen van Satan. Christelijke rechtschapenheid moet worden nagestreefd met onweerstaanbare wilskracht, en volgehouden met een vastberaden standvastigheid van doelstelling. {ABN4: 15.4}

“Niemand zal opwaarts gedragen worden zonder strenge, volhardende inspanning ten behoeve van zichzelf. Allen moeten voor zichzelf zich bezighouden met deze strijd (…) De worsteling voor de overwinning over het eigen ik, voor heiligheid en de hemel, is een levenslange strijd. Zonder voortdurende inspanning en constante bezigheid kan er geen vordering zijn in het goddelijk leven, geen verwerving van de kroon van de overwinnaar.” –Testimonies, Vol. 8{Getuigenissen, Deel 8}, p. 313. {ABN4: 16.1}

“Dit is de wil van God betreffende de mensen, namelijk hun heiligmaking. Bij het erop aandringen van onze weg opwaarts, hemelwaarts, moet elk vermogen de meest gezonde staat worden behouden, bereid om getrouwe dienst te verrichten. De vermogens die God de mens heeft meegegeven moeten ten uiterste ingezet worden(…) De mens kan dit onmogelijk uit zichzelf doen; hij heeft goddelijke hulp nodig. Welke rol zal de mens spelen? – ‘Werk uw eigen zaligheid uit met vreze en beven. Want God is het, die naar Zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt.’ Fil. 2:12, 13.” –Idem, p. 64. {ABN4: 16.2}

Ten slotte wordt de werking van het beginsel van ware heiligmaking in het Christelijk hart onnavolgbaar geïllustreerd in de gelijkenis van Christus van het groeiende zaad: “eerst een halm, daarna

15

 het aar, daarna het volle koren in de aar.” Markus 4:28. {ABN4: 16.3}

Aldus stijgt van genade tot genade de beklimming op van ware heiligmaking, wat het dynamisch proces is van vooruitgaande vernieuwing door middel van de voortdurende toebedeling van de gerechtigheid van Christus, “door de kracht van de inwonende Geest van God” (The Great Controversy, p. 469{DE Grote Strijd, blz..}), want “de toebedeling van de Geest is de toebedeling van het leven van Christus” (Gospel Workers{Evangeliewerkers}, p. 285)—volledige heiligmaking. {ABN4: 17.1}

Bij wijze van vergelijking: “De gerechtigheid waardoor wij worden gerechtvaardigd [de eerste fase van heiligmaking] is toegerekend. De gerechtigheid waardoor wij worden geheiligd [de tweede fase] is toebedeeld. De eerste is onze recht tot de hemel; de tweede is onze geschiktheid voor de hemel.” – The Review and Herald, 4 juni, 1895 (In Christ Our Righteousness{In Christus, Onze Gerechtigheid}, p. 98). {ABN4: 17.2}

“De ontkieming van het zaad stelt het begin van het geestelijk leven voor, en de ontwikkeling van de plant is een prachtige zinnebeeldige voorstelling van Christelijke groei. Zoals het is in de natuur, zo is het ook met genade; er kan geen leven bestaan zonder groei. De plant moet óf groeien óf sterven. Zoals de groei ervan stil en onwaarneembaar, maar voortdurend is, zo is ook de ontwikkeling van het Christelijk leven. Bij iedere stadium van ontwikkeling kan ons leven volmaakt zijn; en toch zal er voortdurende vordering zijn, als Gods voornemen voor ons is vervuld. Heiligmaking is een werk dat levenslang duurt. Naarmate onze mogelijkheden

17

zich vermenigvuldigen, zal onze ervaring uitbreiden, en onze kennis toenemen. Wij zullen sterk worden om verantwoordelijkheden te dragen, en onze volwassenheid zal evenredig zijn met onze voorrechten.” –Christ’s Object Lessons, pp. 65, 66 {Lessen uit het Leven van Alledag, blz… {ABN4: 17.3}

“Dit is Bijbelse heiligmaking. Het is niet slechts een vertoning of buitenwerk. Het is heiligmaking dat wordt ontvangen door het kanaal van waarheid. Het is waarheid dat wordt ontvangen in het hart, en praktisch wordt uitgevoerd in het leven.” –Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 339. {ABN4: 18.1}

“Christus bad voor Zijn discipelen met deze woorden: ‘Heilig hen door uw Waarheid; Uw woord is waarheid.’ Er bestaat geen ware heiligmaking, behalve door gehoorzaamheid aan de waarheid.” The Sanctified Life{Het Geheiligd Leven}, p. 49. {ABN4: 18.2}

UITGESPUWD OF UITGEWORPEN?

Vraag Nr. 82:

Verklaart u alstublieft de volgende verklaring uit “The Shepherd’s Rod,” Vol. 1 {De Herdersstaf, Deel 1}, p. 153: “Nu geeft Hij aan Zijn volk een jaar om het goed te maken.” {ABN4: 18.3}

Antwoord:

DE voorafgaande verklaring betekent eenvoudigweg dat God de leiders van Laodicea een beperking heeft gegeven van een jaar om de verzegelende boodschap aan te nemen en het over te brengen aan hun desbetreffende gemeenten. Door hun falen om zo te handelen aan het einde van deze beperkte periode van genade, heeft Hij hen als Zijn dienstknechten verworpen. En nu, als enigen van hen de toegevoegde  boodschap

18

aanneemt (Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 106; Gospel WOrkers {Evangeliewerkers}, p. 304), en het wenst over te brengen tot de leken, kunnen zij dan alleen doen onder de leiding van de tegenwoordige boodschap – de “reorganisatie” waarvan wordt gesproken in Christ Our Righteousness {Christus Onze Gerechtigheid}, 1941 editie, p. 121. {ABN4: 18.4}

WAT IS  “DE ROEDE VAN MIJN ZOON”?

Vraag Nr. 83:

Wilt u alstublieft de betekenis uitleggen van de “roede” zoals die wordt gebruikt in Ezechiël 21:8-15? {ABN4: 19.1}

Antwoord:

Door Israël “de roede” van Zijn zoon te noemen (Ps. 74:2; 110:2), toont God aan dat zij Zijn roede waren om de heidenen te straffen, net zoals Assyrië Zijn roede was om Israël te straffen (Jes. 10:5). Aldus is de roede een zinnebeeld voor macht en regering {bewind}, en ook een werktuig van bestraffing. {ABN4: 19.2}

WAT IS HET ZWAARD DES HEREN?

Vraag Nr. 84:

Bedoelt de Bijbel messen, vuurwapens of bajonetten wanneer het spreekt over “het zwaard des Heren” in de laatste dagen? {ABN4: 19.3}

Antwoord:

Het woord “zwaard” zoals het wordt gebruikt i  n de Schriften, duidt oorlog, bloedvergieten of vergelding aan. Gods zwaard is wat voor werktuig dan ook dat Hij gebruikt om gericht uit te oefenen; het hoeft niet noodzekelijkerwijs een stalen lemmet te zijn. Vaak is het

19

pestilentie, vuur, hongersnood, aardbeving, oorlog, en een groot aantal andere machten geweest, zelfs de goddelozen, zoals Davids uitroep getuigt: “Verlos mijn ziel van de goddelozen, welke Uw zwaard is.” Ps. 17:13{KJV}.{ABN4: 19.4}

ZIJN “SION” EN “JERUZALEM” HETZELFDE?

Vraag Nr. 85:

Verklaart u alstublieft het verschil tussen de termen “Sion”en “Jeruzalem” van Jesaja 52:1 en Openbaring 14:1. {ABN4: 20.1}

Antwoord:

“Sion” en “Jeruzalem” van Jesaja 52:1 moeten mensen voorstellen, want het zou een belachelijke zaak zijn om tot een berg en tot een stad te zeggen: “Ontwaak, ontwaak, trek u sterkte aan, trek uw sierlijke gewaden aan.” {ABN4: 20.2}

Op de vroegere verheven berg Sion stond het paleis van de koning, “en de oversten des volks woonden te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.” Neh. 11:1. Dus verbleef het koninklijk gezin te berg Sion, en de onderoversten en andere regeringsvertegenwoordigers woonden in het eigenlijke Jeruzalem. {ABN4: 20.3}

De oproep: “Ontwaakt, ontwaakt; trek uw sterkte aan, O Sion; trek uw sierlijke gewaden aan, O Jeruzalem,” is van toepassing op de Laodiceese kerk, de laatste van de zeven

20

gemeenten, en die ene die de periode afsluit waarin het “tarwe” met het “onkruid” vermengd is, want nadat zij haar sierlijke gewaden aantrekt, “zal de onreine niet meer in” haar “komen.” Zij die zullen ontwaken tot deze opwekkende oproep, die sterkte aantrekken door zich te scheiden van de goddelozen, en die sierlijke gewaden aantrekken door zich te keren tot gerechtigheid, zijn zij die, in de “laatste dagen,” Sion en Jeruzalem zullen samenstellen—de vorsten en regeerders van het volk in het Koninkrijk-kerk dat hersteld is. {ABN4: 20.4}

AGekleed met de wapenrusting van Christus= gerechtigheid, zal de kerk” dan “ingaan tot haar laatste strijd. >Schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren, > zal zij voortgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.@-Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz. 445}. {ABN4: 21.1}

Vandaar dat “alleen zij die verleiding hebben weerstaan in de kracht van de Machtige, zullen worden toegestaan om deel te hebben in het verkondigen ervan [de Derde Engel boodschap] wanneer het zal zijn aangezwollen tot de luide roep.” –The Review and Herald, 19 nov., 1908. {ABN4: 21.2}

Wat nu de betekenis betreft van de twee termen Sion en Jeruzalem, zoals die worden gebruikt in Openbaring 14:1, de tweede verwijzing in kwestie, verklaart de Openbaarder dat de 144.000 van de twaalf stammen  van Israel degenen zijn die Sion vormen {samenstellen}. Zijn woorden zijn: “ En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion

21

en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden de naam zijns Vaders geschreven stonden.” Openb. 14:1{KJV}.{ABN4: 21.3}

Daar dezen de eerste vruchten zijn (Openb. 14:4), toont het verder aan dat zij de eersten zijn van de oogst in “de voleinding der wereld.” Matt. 13:39. Het is dan duidelijk, dat zij die na hen werden gezien, de “grote schare(…)uit alle natiën”(Openb. 7:9), niemand anders zijn dan de tweede vruchten van de oogst, waarvan sommigen zullen wonen in Jeruzalem. {ABN4: 22.1}

Dus “zal het” in deze oogsttijd “geschieden(…)dat de berg van het huis des HEREN  zal vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen.” Jes. 2:2. {ABN4: 22.2}

HEEFT HIJ OF ZAL HIJ HEN VERTREDEN?

Vraag nr. 86:

Door Jesaja (hoofdstuk 63, vers 3) verklaarde Christus van Zichzelf: “Ik heb de persbak alleen getreden en van de volken was niemand bij Mij; Ik zal hen treden in Mijn toorn en hen vertreden in Mijn grimmigheid; en hun bloed zal op mijn klederen spatten, en ik zal mijn ganse gewaad bezoedelen.” {KJV}. Is dit Schriftgedeelte van toepassing op Christus’ werk tegen de tijd van Zijn eerste of tegen de tijd van Zijn tweede Komst? {ABN4: 22.3}

Antwoord:

Het eerste gedeelte van het vers is van toepassing op de eerste komst van Christus, en het laatste gedeelte

 22

op de tijd van de reiniging van de kerk. Aldus blijkt Christus door het gebruiken van profetische taal, terug te blikken op de tijd van Zijn lijden terwijl Hij aan het kruis hing, benadrukkend dat er niemand met Hem was, en dat daarom, als gevolgtrekking, zij die geen deel hadden in Zijn zielsangst, geen recht hebben om te heersen over hen die Hij heeft bevrijd; en dat Hij wie dan ook die doorgaat met Zijn volk in gevangenschap en in onwetendheid van Zijn Waarheid te houden, zal treden in Zijn toorn en hen zal vertreden in Zijn grimmigheid, en hun bloed zal spatten op Zijn kleed, daardoor Zijn ganse gewaad bezoedelend, en zodoende zal Hij zijn volk bevrijden. {ABN4: 22.4}

GEDOOPT VOOR VERGEVING VAN ZONDEN, OF VOOR VOORUITGAAN IN WAARHEID?

Vraag Nr. 87:

Daar wij werden toegelaten tot het lidmaatschap van de Zevende-dags Adventisten kerk met onze voormalige doop in de Baptisten kerk, is het dan nu voor ons noodzakelijk om herdoopt te worden? {ABN4: 23.1}

Antwoord:

De Heilige Schriften leren dat er maar één doop nodig is (Ef. 4:5). Daar u werd gedoopt door onderdompeling in de Baptisten gemeente en u zich later heeft verenigd bij de Zevende-dags Adventisten gemeente om geen andere reden dan om in het nog heldere licht van het Woord te wandelen, dan heeft u geen herdoop nodig. En als u getrouw bent geweest aan uw Christelijke geloften

23

 eveneens in de Zevende-dags Adventisten gemeente, dan heeft u nu geen herdoop nodig. {ABN4: 23.2}

Veronderstel dat u gedoopt was geweest door de apostel Paulus en werd opgenomen in de kerkelijke gemeenschap, en doorleefde tot aan de tegenwoordige tijd, en dat u al die tijd wandelde in het voortschrijdende licht van de Heer, dan zou u Hem gevolgd hebben door al de zeven opeenvolgende bewegingen heen van de Reformatie—de zeven kerkelijke perioden. In de Protestantse periode zou u als eerst een Lutheraan, en als laatst een Davidiaan zijn geweest. Doordat u aldus getrouw het licht der Waarheid hebt gevolgd, is het noch Bijbels noch logisch dat God van u zou hebben vereist dat u herdoopt moest worden iedere keer dat u een stap vooruit nam. {ABN4: 24.1}

WIE IS DE KONING VAN MT. KARMEL CENTRUM—GOD OF DE MENS?

Vraag Nr. 88:

De meesten van ons hebben een strijd gehad om ons van de banden los te maken die ons werden opgelegd door de huidige leiding van de kerk, en het lijkt mij niet meer dan juist dat wij de verzekering hebben dat de Heer de leiding heeft in al de handelingen van Mt. Karmel. Mogen wij nu precies weten hoeveel van het werk van Mt. Karmel onder de leiding van de Heer staat? {ABN4: 24.2}

Antwoord:

Een zorgvuldig doordenken van deze zaak kan slechts komen tot het besef dat zoals God heeft beloofd dat Hij de teugels in Eigen handen zal nemen, dan moet dat precies zijn wat Hij

24

noodzakelijkerwijs aan het doen is. Vandaar dat alle verwarring en onthutsing dat gepaard gaat met ondervraging, bekritisering en twijfels hebben over het werk, onredelijk, onvergeeflijk en schadelijk zijn. {ABN4: 24.3}

“Satan,” zegt de geest der Profetie, “heeft het vermogen om twijfels te suggereren en bezwaren te bedenken tegen het aangewezen getuigenis die God zendt, en velen denken dat het een deugd is, een teken van intelligentie in hen, om ongelovig te zijn, en om te betwijfelen en kritiek te uiten. Zij die ernaar verlangen om te twijfelen zullen daarvoor genoeg ruimte hebben. God is niet van plan om alle gelegenheid voor ongeloof te verwijderen. Hij verschaft bewijzen, die zorgvuldig moeten worden onderzocht met een nederig verstand en een leergierige geest, en allen zouden moeten beslissen op grond van het gewicht der bewijzen.” –Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 255. {ABN4: 25.1}

Bovendien kan geen mens het werk beoordelen naar zijn eigen wijsheid of naar de wijsheid van andere mensen, want de Geest der Waarheid zegt: “De werkers zullen verbaasd zijn over de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk van gerechtigheid tot stand te brengen en te vervolmaken(…)Laat mij u vertellen dat de Heer in dit laatste werk op een manier zal werken die zeer buiten de gewone orde van zaken staat, en op een wijze die tegengesteld is tot welke menselijke planning dan ook.”–Testimonies to Ministers{Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. {ABN4: 25.2}

“Het is niet uw zaak om geïntimideerd te zijn door uiterlijke voorkomens, hoe dreigend

25

 zij dan ook mogen zijn. Het is uw zaak om het werk voorwaarts uit te dragen zoals de Heer gezegd heeft dat het uitgedragen zou moeten worden.” –Testimonies, Vol. 9{Getuigenissen, Deel 9}, p. 141. {ABN4: 25.3}

Als elkéén zijn deel goed uitvoert in het werk dat aan hem is gegeven, zal hij spoedig zien dat hij geen noodzaak noch bekwaamheid heeft om toe te zien op de taken van de Heer, of op het werk dat aan anderen is toegewezen. Hij zal weten dat het belangrijkste en het enige goede wat hij kan doen is om op moedige wijze de verheven uitdaging van “de engel des Heren” aan Jozua aan te nemen: “Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan.” Zach. 3:7. {ABN4: 26.1}

Voor Tegenwoordige Waarheid gelovigen is één van de meest zekere bewijzen dat de Heer het werk van Mt. Karmel aan het leiden is, het feit dat ongeacht onophoudelijke tegenstand, gebrek aan arbeiders, en vele andere nadelen, het werk gestadig voortgaat met een onweerstaanbare kracht. Het is inderdaad als een mosterdzaad. {ABN4: 26.2}

Ondanks haar nederige onbeduidend begin, het kritiek en de tegenstand dat ertegen is, en de veelvormige obstakels en hindernissen die het heeft moeten te boven komen, is het menigten door geheel Laodicea aan het wakkerschudden. Het heeft het schip van Hervorming te water gelaten, en terwijl er velen

26

reeds aan boord zijn gegaan, naderen anderen op snelle wijze tot de beslissing om de veiligheid te zoeken die het verschaft.  Zij bestuderen opnieuw de Bijbel in het Goddelijke Licht van de Herdersstaf. De Drie Engelen Boodschappen zijn voor hen zo duidelijk en zo aangenaam geworden als een bergstroom. En zij die nooit in het bezit waren van, en zelfs zij die nooit geloofden in de geschriften van de Geest der Profetie, zijn nu al de boeken aan het kopen. {ABN4: 26.3}

Het is zeker dat niemand nadenkend kan zeggen dat zulks het werk is van de Vijand, niet zonder auteurschap van de Bijbel toe te schrijven aan Satan. Als de Bijbel van de Heer is, dan kan de boodschap van de Staf niet van de Duivel zijn, want het de Bijbel ontvouwd. Het zou nooit zonder de kracht van God het gehele Kerkgenootschap hebben kunnen doordringen, want de Almachtige verklaart: “Ik, de HEERE, behoed het, alle ogenblik zal Ik het bevochtigen; opdat niets het beschadige, zal Ik het bewaren nacht en dag. Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou tegen Mij de doornen en distels in oorlog stellen? Ik zou door hen heentrekken, Ik zou hen tezamen verbranden.” Jes. 27:3, 4. {ABN4: 27.1}

Zij die alleen belijden te geloven, worden hier gewaarschuwd dat Heer hun werk kent, en dat Hij Zijn werkers niet in duisternis heeeft gelaten hierover. Bij het blootleggen van hun geheimen, zegt Hij: “Gij nu, mensenkind, uw volksgenoten spreken onderling over u bij de muren en aan de deuren der huizen; de een zegt tot de ander, ieder tot zijn naaste:

27

Kom toch mee en hoor, welk woord er van de HERE is uitgegaan. En zij komen bij u als in een volksoploop, zetten zich voor u neer, als mijn volk, en horen uw woorden, maar doen er niet naar; woorden van liefde zijn in hun mond, maar hun hart gaat uit naar hun woekerwinst. Zie, gij zijt voor hen als een liefdeslied, schoon van klank, passend bij snarenspel. Zij horen uw woorden, maar doen er geenszins naar. Doch als het komt – en het komt! – dan zullen zij weten, dat er in hun midden een profeet is geweest.” Ezech. 33:30-33. {ABN4: 27.2}

IS HET TE LAAT OM IN HET NET TE KOMEN?

Vraag Nr. 89:

Er is onder ons iemand die leert dat als het net aan wal was getrokken (Matt. 13:47, 48) in 1930, dan zouden zij die zich niet erin bevonden in die tijd (dat wil zeggen, die toen geen leden waren van de Zevende-dags Adventisten kerk) niet kunnen hebben gehoopt om deel te zijn van de eerste vruchten. Indien dat waar is, waarom zou men dan nu trachten erin te komen, in plaats van te wachten tot de tijd van de tweede vruchten? Of, als iemand reeds in de boodschap is, waarom zou hij voortgaan ernaar te streven om ernaar te leven als zijn pogingen beslist in nutteloosheid omdat hij de tijdslimiet niet heeft bereikt? {ABN4: 28.1}

Antwoord:

De vergelijkende handeling van het aan wal trekken van het net (dat de Heer Zijn werk voor een korte tijd stopzet), houdt niemand, in letterlijk

28

 verband, tegen om in het net te komen als zij de noodzakelijke inspanning tonen. Want hoewel vissen, daar zij vissen zijn, feitelijk niet kunnen zwemmen naar een net nadat het aan wal is getrokken, toch kunnen zij als mensen feitelijk de kerk binnenkomen tot aan de afsluiting van de genadetijd. {ABN4: 28.2}

Immers, als goede vissen erin slagen om het net binnen te komen terwijl het aan wal wordt getrokken, zullen de vissers hen niet eruit gooien met de slechte, allen maar omdat het net ze niet heeft gevangen. Zij zullen eerder zelfs kostbaarder worden geacht vanwege hun extra inspanning die ze hebben uigegeven om binnen te komen, zonder dat iemand achter hen is gegaan met het net. Als men de mogelijkheid niet kan inzien voor zichzelf als een vis die het net binnengaat, dan kan hij zichzelf gemakkelijk zien als een schaap die de kooi binnengaat. {ABN4: 29.1}

Het is dan duidelijk, dat het idee van het tijdslimiet een misleidende opvatting is, die de vooruitgang van de Christen alleen maar kan ontmoedigen, wat sommigen die reeds in de boodschap zijn veroorzaakt dat zij hun reden om eruit te gaan rationaliseren vanwege de nutteloosheid om erin te blijven, en anderen rechtvaardigt om niet de noodzakelijke inspanning te verrichten om het net van verlossing binnen te komen wanneer de gelegenheid zich voordoet. Inderdaad, het dwingt hen zelfs om hun huidige gelegenheid te verzaken en te wachten op één die nooit zal komen! {ABN4: 29.2}

“Heden,” zegt de Geest van God, “indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet.” Hebr. 4:7. {ABN4: 29.3}

29

 WAT TE DOEN ALS IK ALS LID BEN GEËXCOMMUNICEERD?

Vraag Nr. 90:

Zouden degenen van ons die zijn geëxcommuniceerd doorgaan met het bijwonen van de kerkdiensten? Zo ja, en als de gelegenheid zich daar voordoet voor ons om een woord te spreken dat verbonden is met Tegenwoordige Waarheid, zouden wij dat moeten doen? Maar als ons wordt gevraagd om niets te zeggen dat toespeelt op Tegenwoordige Waarheid—zouden wij daarmee zwijgend moeten instemmen en voor altijd stil blijven? En wat zullen wij doen als zij ons niet laten deelnemen aan het avondmaal? {ABN4: 30.1}

Antwoord:

Onze relatie met de kerk is dezelfde als die van Johannes de Doper, Jezus Christus en de apostelen: Wij hebben een boodschap te verkondigen tot de kerk, en hoewel de kerkleiding ons eruit gebiedt, zoals het Sanhedrin de apostelen uit de “tempel” gebood, moeten wij op een rechtvaardige wijze weigeren het te verlaten, en moeten voortgaan met het teruggaan naar de kerk. Want als wij vertrekken en wegblijven en vreemdelingen worden, hoe zullen wij dan de boodschap aan ons volk verkondigen? {ABN4: 30.2}

Allen moeten zich echter realiseren, dat het een Christen niet siert om wat voor verstoring wanneer dan ook te veroorzaken, in het bijzonder tijdens de kerkdiensten. Noch is het mogelijk voor wie dan ook van ons om door zulke handelwijzen de boodschap aan hen te presenteren, of om hen ervan te overtuigen dat wij “ de woorden des levens” spreken. Door stil, eerbiedig, en bedachtzaam binnen en buiten de kerk te getuigen, zullen wij

30

tot niets aanleiding geven dan valse beschuldigingen. {ABN4: 30.3}

In de Sabbatschool is het volkomen juist en toegestaan om vragen te beantwoorden die opkomen in verband met de les. Hiervoor kunnen zij niemand op rechtvaardige wijze beschuldigen van het veroorzaken van verstoring, daar het op geen enkele wijze een inbreuk is op het ingestelde doel en de regels van de Sabbatschool. Maar als wie dan ook specifiek zou worden verzocht om geen vragen te beantwoorden, laat hem dan ervan afzien dat te doen in plaats van twist en misnoegen te veroorzaken. Zulk een procedure kan niets anders dan schade tot de zaak van de Tegenwoordige Waarheid als gevolg veroorzaken. Laat uw gedrag{houding} het vertrouwen van de mensen winnen. {ABN4: 31.1}

Twee van de voornaamste redenen waarom wij niet wegblijven van de Sabbatschool en de kerkdiensten zijn: (1) dat wij onszelf zouden beroven van het voorrecht om in het openbaar te aanbidden in de kerk die we hebben helpen opbouwen, en (2) dat door onszelf afwezig te stellen van de diensten, wij vreemdelingen zouden worden voor onze broeders en zusters en wij hen opnieuw zouden moeten leren kennen als wij ooit de boodschap aan hen zouden geven. Door echter voort te gaan met naar de kerk te gaan, hebben wij dan, nadat de vergadering is afgelopen, de gelegenheid om met de broeders te spreken in het belang van de boodschap, en bij hen erop aan te dringen om voor zichzelf te onderzoeken, hetzij door onze Bijbelstudies bij te wonen of door de publicaties

31

van Tegenwoordige Waarheid te lezen. Ook is er altijd de gelegenheid om een of meer nieuwe namen en adressen te verkrijgen om in te zenden voor onze postlijst. {ABN4: 31.2}

Als wij dus vrijwillig wegblijven van de kerkdiensten, stellen wij ons bloot aan de beschuldiging dat wij zijtakken zijn van het lichaam, en tegelijkertijd verbeuren wij de gelegenheid om in contact te komen met de gemeente. {ABN4: 32.1}

Bovendien, als wij ons op deze wijze van hen scheiden, dan zullen wij, bij de vervulling van Ezechiël 9, wanneer zij die het “merkteken” niet hebben zijn weggenomen, niet hetzelfde recht hebben om een erfenis op te eisen in het Kerkgenootschap. {ABN4: 32.2}

Wat betreft onze deelname aan het avondmaal van het Kerkgenootschap, geloven wij dat in zoverre het deze verordening regelmatig viert, wij eraan deel zouden moeten nemen zover het mogelijk is. Want als wij vrijwillig zouden wegblijven daarvan, dan zouden wij hen een verkeerde indruk geven. Als de kerk weigert om ons te bedienen of om ons toe te laten anderen te bedienen in de verordening der nederigheid, dan is er niets anders wat wij kunnen doen dan te wachten totdat de dienst is afgelopen. En als zij ons negeren wanneer zij het brood en de wijn uitdelen, dan zullen wij niet klagen of iets zeggen, maar geduldig de kleinering verdragen. Door onszelf zo te vernederen, zullen de oprechten in de gemeente de onchristelijke houding en de dwaasheid van de kerkleiders inzien,

32

en tot de situatie beginnen te ontwaken en te doorzien. {ABN4: 32.3}

Hoewel wij tegen onze wil kunnen worden uitgesloten van het deelnemen aan de verordeningen, zullen wij desondanks onze namen geschreven hebben staan in het Boek des Levens en zoals de ongedoopte dief aan het kruis zullen wij het Paradijs binnengaan, omdat wij onze uiterste best hebben gedaan. Laat ons daarom, broeders en zusters, getrouw zijn in het bijwonen van de kerkdiensten en in onze houding, “dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot Zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven.” Hebr. 4:1. {ABN4: 33.1}

WAT IS HET VERSCHIL TUSSEN “GEKOMEN” EN “KOMENDE”?

Vraag Nr. 91:

In “the Shepherd’s Rod,” Vol. 1{“De Herdersstaf,” Deel 1}, p. 20, wordt het punt gemaakt dat Johannes de engel van Openbaring 18, niet komende, niet in zijn vlucht onderweg naar beneden, maar neer “gekomen”, dat wil zeggen, reeds gearriveerd. Maar in duidelijke Engelse taal betekent “neergekomen,” afdalen. En zuster White zegt: “terwijl hij neerdaalde.” Hoe kan de “Staf” {the “Rod”} dus op rechtvaardige wijze de gedachte benadrukken dat Johannes hem zag als reeds “gekomen” -–als reeds te zijn gearriveerd? {ABN4: 33.2}

Antwoord:

Wanneer iets met een hoge snelheid als {bijvoorbeeld} een kogel of een bliksemflits aankomt, geeft de hoge reissnelheid ervan de waarnemer geen tijd om de continuïteit van het voortgaande verloop—de “komst”{of het “komen”} ervan te zien, hij is alleen in staat om het te aanschouwen wanneer het uiteindelijk is gearriveerd—“gekomen.” Het feit dus dat de engel

33

van Openbaring 18:1 wordt gezien, niet “komende” (zoals de engel van Openbaring 7:2 dat doet), maar “gekomen,” duidt aan dat hij plotseling komt—zoals de engel van Daniel 9:21. {ABN4: 33.3}

In tegenstelling hiervan is bij het aanschouwen van het naderen van een dergelijk voorwerp als de zon, de waarnemer zeer goed in staat om gestadig de continuïteit van haar “opgang” in beschouwing te nemen. Dus merkt de Staf op dat de engel van Openbaring 7:2 werd gezien terwijl het nog veraf was, “opgaande uit het oosten,” omdat hij langzaam kwam als de zon; terwijl de engel van Openbaring 18:1 werd gezien als plotseling “gekomen,” omdat de ontzettende stuwkracht van zijn neerwaartse vlucht niet genoeg tijd toeliet voor het menselijk oog om het te zien “komen.” {ABN4: 34.1}

Deze tegenstelling tussen de snelheid van de twee engelen, vanwege het verschil in betekenis van elk van hen, is het punt dat wordt benadrukt. {ABN4: 34.2}

ALS HET TOEN HALF OM HALF WAS, HOE ZIT HET DAN NU?

Vraag Nr. 92:

“De Herdersstaf,” Deel 1{“The Shepherd’s Rod,” Vol. 1}, p. 30 verklaart dat de Zevende-dags Adventisten kerkgenootschap 300.000 leden telde in de tijd dat het boek werd geschreven, een feit dat aanduidt dat ongeveer de helft, 144.000, de vijf wijze maagden zijn en dat de andere helft de vijf dwaze maagden zijn. Maar hoe kan dit zo zijn wanneer het kerkgenootschap vandaag de dag 500.000 leden telt? {ABN4: 34.3}

Antwoord:

 

Daar dit werd geschreven in 1930, sprak de Staf noodzakelijkerwijs

34

niet in termen van de in die tijd onbekende aantal leden van vandaag, maar in die van het vastgestelde aantal leden in die tijd. En hoewel het aantal in die tijd (300.000) vanzelfsprekend ongeveer een gelijke verdeling van leden aanduidde (twee groepen, goede en slechte—“wijze maagden” en “dwaze maagden”), zou toch, daar er slechts 144.000 Israeliëten zullen worden verzegeld, het aantal van de onverzegelden zelfs in die tijd het aantal van de verzegelden overtreffen. {ABN4: 34.4}

Uiteindelijk echter, is het noch de bedoeling noch het voornemen van de Staf {The Rod} om precies te zeggen hoeveel wijze en hoeveel dwaze {maagden} er zullen zijn in de oogst van de eerste vruchten, want wanneer de gehele waarheid is bekendgemaakt, kan het blijken er dat in het zinnebeeld van de “vijf wijze maagden,” naast het omvatten van de 144.000 uit de stammen van Israel, een aanzienlijk aantal uit de Heidense natiën is inbegrepen. {ABN4: 35.1}

VERVANGT HET LIDMAATSCHAP DE KENNIS VAN DE WAARHEID?

Vraag Nr. 93:

Hoewel ik geen lid ben van de Zevende-dags Adventisten Kerk, zal ik dan toch, daar ik het licht van Ezechiël 9 over de waarheid van de 144.000 heb ontvangen, vallen onder de slachting van de goddelozen als ik het licht niet ten volle aanneem en ernaar leef? En omgekeerd, zal ik onderhevig zijn aan het genot van de voorrechten van de 144.000 en een van hen zijn als ik gehoorzaam ben aan al het licht van deze boodschap? {ABN4: 35.2}

35

Antwoord:

Alhoewel u geen lid bent van de kerk, zult u nochtans rekenschap moeten geven voor het licht dat u heeft over het onderwerp, want niemand komt bij toeval in contact met de waarheid, of ziet het in zonder de hulp van de Heilige Geest. {ABN4: 36.1}

Volgens dezelfde wet van rekenschap of heilige verantwoordelijkheid kunt u, hoewel u slechts kortgeleden in de boodschap kunt zijn gekomen, verkiesbaar zijn voor de verkiezing van de 144.000, als u leeft naar de boodschap die hen zal reinigen en verzegelen. Of u nu echter met zekerheid één van hen zult zijn, dat weten wij niet, maar als u getrouw bent aan de boodschap, dan zult u ten minste één met hen zijn. {ABN4: 36.2}

IK GELOOF NU, MAAR MAAK IK DAN AANSPRAAK OP HET LIDMAATSCHAP?

Vraag Nr. 94:

Als iemand “de Herdersstaf” series heeft gelezen en heeft vernomen, en hij gelooft wat de boodschap leert, zou u hem adviseren om zich eerst bij de Zevende-dags Adventisten kerkgenootschap aan te sluiten? {ABN4: 36.3}

Antwoord:

Als iemand zonder voorbehoud de gehele Waarheid heeft aangenomen, dan is het zijn voorrecht en plicht om gedoopt te worden in de kerkelijke gemeenschap. Maar daar hij de Derde Engel Boodschap heeft bestudeerd door het medium van de Staf, welke wordt tegengewerkt door de Zevende-dags Adventisten kerkleiding, kan hij dus door hen de doop en het lidmaatschap ontzegd worden. Als hij niettemin alles heeft gedaan wat hij kon om te worden

36

gedoopt en zich te verenigen met de kerk, en zij weigeren tot de gemeenschap aan te nemen, dan is het zijn plicht om zijn doop en lidmaatschap bij Mt. Karmel Centrum te regelen. {ABN4: 36.4}

Het is het opgetekend hebben staan van iemands naam in de boeken, niet slechts van de kerk, maar van de hemel, wat de goudgerande verzekering van verlossing geeft. En het is de aanneming van de boodschap van het uur, en een evenredig streven om getrouw te gehoorzamen aan al haar leerstellingen, welke de gemeenschap van de heiligen en het zoonschap van de hemel verwerven. {ABN4: 37.1}

Naargelang iemand getuigt voor Tegenwoordige Waarheid, zullen de vijanden Ervan in het Kerkgenootschap hem tegenstaan en excommuniceren als hij daar reeds een lid is, maar een dergelijke ontzetting moet hem niet ontmoedigen. “Zalig zijt gij, “zegt de Heer, “wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen.” Lukas 6:22. {ABN4: 37.2}

“Hoort het woord des HEEREN, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.” Jes. 66:5. {ABN4: 37.3}

HOE ZIT HET MET PETRUS EN DE “SLEUTELS”?

Vraag Nr. 95:

Geef alstublieft uitleg van Matthëus 16:15-19. Waarom gaf Christus de sleutels aan Petrus? Waarom niet aan een ander of aan allen? {ABN4: 37.4}

37

Antwoord:

Petrus was de enige die het juiste antwoord gaf op de vraag: “Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?” Daarom zei Jezus aan Petrus en aan geen ander: “Ik zal u de sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen,” waarbij Hij hem eerst ervan heeft verzekerd dat “vlees en bloed” hem “dat niet heeft geopenbaard,” maar Zijn Vader, die in de hemel is. {ABN4: 38.1}

Wanneer God de mens iets doet verstaan wat boven de sterfelijke kennis gaat, dan noemt de Bijbel deze handeling: Inspiratie. Dus verklaarde Jezus dat Petrus was geïnspireerd. Deze Inspiratie en het getuigenis van Jezus waren daarom de Sleutels tot het centrale thema van de verlossing van de mens—de kennis van de Zoon van God. Dit is de waarheid, het evangelie, dat verkondigd moest worden. Het was de Tegenwoordige Waarheid—een geïnspireerde boodschap die direct van God kwam. Door aldus in het bezit te zijn van een openbaring waardoor ieder mens zou worden geoordeeld, hetzij ter verlossing of ter veroordeling, werden Petrus en zijn metgezellen verantwoordelijk gesteld om de verlossing te sluiten of te ontsluiten voor iedere ziel onder de hemel. {ABN4: 38.2}

Toen dus Christus de Sleutels gaf aan Petrus, gaf Hij hem het evangelie en een goddelijke opdracht om het te verkondigen. En zolang als Petrus en zijn medewerkers getrouw waren aan deze opdracht, net zo lang bezaten zij de Sleutels om aan de mensen het koninkrijk van God te sluiten of te ontsluiten, en zouden zij in de hemel bekrachtigd hebben al wat gebonden of ontbonden hadden op aarde. Dus gaan de Sleutels gepaard met Inspiratie

38

 en voortschrijdende openbaring, Tegenwoordige Waarheid. {ABN4: 38.3}

Het is daarom duidelijk, dat een boodschap van de hemel, dat wordt verkondigd door Gods uitverkoren dienstknechten, almachtig is, en dat daardoor de eeuwige bestemming van de mens wordt bepaald. {ABN4: 39.1}

Het is dan duidelijk dat de Sleutels niet de kerk zelf, maar in de boodschap zijn die zij verkondigt. Zodoende heeft geen mens of een groep mensen de macht om te ontbinden of te binden met de goedkeuring van de hemel behalve op aandringen van een boodschap die genadig is verleend direct uit de hemel zodat zij die kunnen uitdragen voor die tijd: “Verschillende perioden in de geschiedenis van de kerk zijn elk gekenmerkt geweest door de ontwikkeling van een bepaalde bijzondere waarheid, aangepast op de behoeften van Gods volk in die tijd.” –De Grote Strijd, blz..{The Great Controversy, p. 609.} Dit is het geval geweest sinds onheuglijke tijden. {ABN4: 39.2}

Ook Noach had de Sleutels, en was aldus in staat te ontbinden en te binden zowel in de hemel als op aarde. Het feit dat zelfs “de poorten der helle” geen stand konden houden tegen de ark, getuigt hiervan.

En Gods belofte aan Abraham: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden” (Gen. 12:3), toont aan dat ook hij de Sleutels des hemels bezat. {ABN4: 39.3}

En ook in de door Voorzienigheid geleide hand van Mozes zwaaiden de Sleutels de poorten van het Koninkrijk open tot bevrijding en

39

verlossing van de rechtvaardige, en sloot hen toe tot verdoemenis over de goddeloze. Aldus “zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de HERE mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is:  indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de HERE mij niet gezonden. Maar, indien de HERE iets nieuws zal scheppen, zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de HERE gesmaad hebben. Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen, en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have.” Num. 16:28-32. {ABN4: 39.4}

Door Mozes vertrouwde God de Sleutels toe aan het Hebreeuwse leger, en trok ze terug in de dagen van Christus toen de Joden Hem verwierpen. Toen droeg Hij de Sleutels over aan de grondleggers van de Christelijke kerk. {ABN4: 40.1}

Maar ondanks het voorbeeld van het verleden herhaalden de aanhangers van de apostelen uiteindelijk ook de fouten van Mozes’ volgelingen. Toch de bleef God door de Duistere Middeleeuwen heen, en in het bijzonder gedurende de Reformatieperiode, aan boodschapper na boodschapper, en aan beweging na beweging, de Goddelijke erfenis toevertrouwen. Maar steeds opnieuw,

40

door de Reformatie heen tot aan de roeping van William Miller, herhaalde elke opeenvolgende groep de dwaasheid van het zich tevreden te stellen met een statische {immobiele} boodschap, totdat uiteindelijk, toen al de Protestantse kerken van Miller’s dagen de boodschap voor die tijd verwierpen, ook zij onbewust weigerden nog langer de bewaarders te zijn van de heilige Sleutels. {ABN4: 40.2}

Aldus bezaten Miller en zijn metgezellen hen tot aan de tijd van Gods volgende boodschap, het oordeel van de doden, toen de heilige Sleutels overgingen van de Millerieten beweging naar het Zevende-dags Adventisten kerkgenootschap. Maar als zij nu Gods betoog verwerpt om haar ogen te zalven met de ogenzalf welke Hij het biedt, zal zij ook de Sleutels van zich laten ontglippen en ze laten overgaan in de handen van hen die de toegevoegde boodschap zullen verkondigen, het oordeel van de levenden, de boodschap van de Luide Roep. (Zie Eerste Geschriften, blz. 331-333 {Early Writings, pp. 277-279}). En het allergrootste drama is, dat dit juist datgene is wat de Laodiceeërs in hun blindheid aan het doen zijn, en daardoor herhalen zij de geschiedenis van Gods volk door de eeuwen heen. {ABN4: 41.1}

NAAR WIE ZAL MIJN TIENDEN GAAN?

Vraag Nr. 96:

Zal men, terwijl men lid blijft van de Kerkgenootschap der Zevende dags Adventisten, tienden betalen aan de Davidians ( De “Shepherd’s Rod of de 1930 boodschap” organisatie)? {ABN4: 41.2}

Antwoord:

 

Men kan deze vraag het beste beantwoorden door

41

 zichzelf de volgende vragen te stellen: {ABN4: 41.3}

Geloof ik dat de Shepherd’s Rod (de Herdersstaf) de boodschap van het uur is, de verzegelende boodschap voor de 144.000? Heb ik enige geestelijke hulp van deze boodschap ontvangen? Heeft het mij ertoe gebracht om de zonden waar ik vroeger aan toegaf te belijden? Ben ik nu een betere Zevende-dags Adventist geworden dan voordat ik deze boodschap accepteerde? Heeft het mij de Bijbel, de Geest der Profetie en de broeders en zusters meer doen liefhebben dan ooit tevoren? {ABN4: 42.1}

Indien men al deze vragen met “Neen” beantwoordt, dan zal men zijn tienden geven aan de kerk waar men nog steeds lid van is. Indien het antwoord “Ja” is, en men twijfelt nog steeds aan het feit aan wie zijn tienden te betalen, dan zal men zichzelf de volgende vragen stellen: {ABN4: 42.2}

Kon ik gered worden en gereed zijn om de Heer bij Zijn komst te ontmoeten, als ik in de toestand van Laodicea waar de “Rod”( de roede of staf) mij in vond was gebleven? Kunnen mijn Zevende dags Adventisten broeders worden gered in de toestand waar zij zich nu in bevinden? {ABN4: 42.3}

Indien men deze vragen met ‘neen’ beantwoordt, dan zal men door de antwoorden die men op de volgende vragen geeft, worden geïnstrueerd waar zijn tienden te betalen: {ABN4: 42.4}

Aangezien ik verantwoordelijk ben voor het licht dat nu op mijn pad schijnt en aangezien ik het moet helpen doorgeven aan mijn broeders, moet ik dan mijn tienden betalen aan het Kerkgenootschap, zodat de predikanten meer

42

geld kunnen hebben om te strijden tegen de boodschap en tegen mijn persoonlijk streven om de mensen te bereiken?  Praten wij daarbij ook niet langs elkaar heen, hetgeen alleen ertoe bijdraagt hen (de geloofsgenoten) in duisternis te houden? Of zal ik het betalen aan de Davidians, de “voorraadschuur’ {of de schatkamer} van de Tegenwoordige Waarheid, waar het vanzelfsprekend naartoe moet om de vooruitgang van de hartendoorzoekende reformatie te bevorderen en de Zevende dag adventistische broeders en zusters te redden van eeuwige ondergang? En als zijzelf niet bereid zijn om de Heer te ontmoeten (6 Test., p. 371), hoe kunnen zij dan op een geschikte wijze de heidenen voorbereiden? Zal met het oog op al deze feiten, mijn tienden naar het Kerkgenootschap der Zevende dags Adventisten gaan ten bate van de heidenen, of naar de vergezelende boodschap ten bate van de broeders en zusters (geloofsgenoten)? Indien ik mijn tienden niet durf te geven om datgene te ondersteunen, waarvan ik geloof dat het Tegenwoordige Waarheid is, hoe kan het dan worden ondersteund en waar kan ik dan met een rein geweten mijn tienden geven? {ABN4: 42.5}

Bovendien, als ik het in de kerk stop om grootschalig te worden gebruikt voor evangelisatie aan wereldlingen in de plaats van in de schatkamer van de Tegenwoordige Waarheid om te worden gebruikt ten bate van de broeder, doe ik dit dan niet ter verwaarlozing van mijn eigen broeders; dus ter ontkenning dat ik mijn broeder’ s hoeder ben? {ABN4: 43.1}

En behoor ik bovendien de opdracht op te volgen van de predikant om op zoek te gaan naar de verloren schapen in het huis van Baal, in plaats van Gods uitdrukkelijke bevel om het geneesmiddel uit de hemel te brengen

43

naar de door de zonde ziekgemaakte schapen in het huis van Israël (Matt. 10:6)? Welke van deze twee pogingen zouden voor mij zekerder zijn om de lofbetuiging; “Welgedaan, gij goede en getrouwe dienstknecht; over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot de vreugde van uw Heer” te ontvangen?  Zie: Matt. 25:21. {ABN4: 43.2}

“Wie is dan een getrouwe en wijze dienstknecht, die de Heer tot bestuurder heeft gemaakt over Zijn huis, om hun voedsel te geven ter rechter tijd? Gezegend is die dienstknecht, die de Heer zo bezig vindt bij zijn komst.” (Matt 24; 45, 46). {ABN4: 44.1}

Als deze vragen ondanks dat ze naar uw tevredenheid zijn beantwoord, u nog steeds besluiteloos laten wat u met uw tienden moet doen, lees dan Tract No. 4: “The Latest News for Mother”{Traktaat Nr. 4: “De Laatste Nieuws voor Moeder”}, 1943 Editie, p. 63-70. “Denk” dan “aan de vrouw van Lot” en doe wat de Heer u gebied. {ABN4: 44.2}

                   KAN MIJN HUIS NIET ZIJN                      “VOORRAADSCHUUR” ZIJN?

Vraag Nr. 97:

Is het Bijbels voor iemand om vast te houden en persoonlijk gebruik te maken van zijn tienden en offers om het evangelie werk voortgang te doen vinden in zijn eigen buurt (of wijk), naar zijn eigen plannen. {ABN4: 44.3}

Antwoord:

Nergens in de Geschriften vinden we toestemming om de Heer Zijn geld naar onze eigen

44

inzicht {beleid} te gebruiken. De enige rechtvaardiging om zo te handelen zou puur ombekwaamheid/onmacht zijn om een of andere reden om het naar de Heer zijn voorraadschuur te sturen. Zou iemand dus vrijwillig zulke praktijken op na houden, dan zou hij/zij het verkeerde voorbeeld aan anderen geven. En als zijn leiding na gevolgd wordt, zullen anderen hetzelfde recht op zich nemen en hun koers moet onvermijdelijk leiden tot het op ernstige wijze mismaken van de Heer zijn werk, Zijn schatkamer laten doodbloeden en omverwerpen en zodoende Zijn werk ontregelen en de kerk tot slechts een schelp verminderen, terwijl haar leden zichzelf in dienst nemen als werkers in de Heer Zijn wijngaard, zichzelf helpend aan de Heer Zijn geld en gaan zonder te zijn gezonden. Wat een Babylon zal dat zijn! {ABN4: 44.4}

Hoewel de Heer gebiedt: “Brengt al de tienden naar mijn voorraadkamer” (Mal. 3:10), zegt Hij niet: “brengt al de offerande.” Zodoende geeft Hij aan dat als wij deel zullen hebben aan persoonlijke liefdadigheid of zendingsactiviteiten, wij het zouden moeten halen uit offeranden, niet van de tienden. {ABN4: 45.1}

“Engelen houden een getrouw register bij van een ieders werk en als het oordeel gaat over het Huis van God, zal het vonnis van een ieder opgetekend staan bij zijn naam, en de engel is opgedragen om de ontrouwe dienstknecht niet te sparen, maar ze neer te slaan tijdens de slachtperiode(….) En de kronen die ze hadden mogen dragen, als ze getrouw waren geweest, worden gezet op de hoofden van hen die gered zijn door de trouwe dienstknechten.”— Testimonies, Vol. 1, p. 198{“Getuigenissen voor de Kerk, Deel 1, blz. 198}. {ABN4: 45.2}

45

IS HET MIJN TAAK DE HEER ZIJN SCHATKAMER RECHT TE ZETTEN {te corrigeren}?

Vraag Nr. 98:

Zullen we onze tienden aan de voorraadschuur betalen als we weten dat het niet op de juiste manier gebruikt wordt? {ABN4: 46.1}

Antwoord:

Wetende dat onze tiende in Gods voorraadschuur thuishoort, zou onze grootste zorg moeten zijn dat het getrouw daar betaald wordt. Nergens in de Bijbel vinden we dat de Heer op de tienden betaler het toezicht houden van de kanalen waardoor deze fondsen gaan heeft gelegd. {ABN4: 46.2}

De Heer Zijn schatkamer is onder Zijn controle en als Hij Zelf het niet nodig vind om misbruik van het hanteren van Zijn geld te corrigeren, voorzeker wij zullen het ook niet kunnen hoe hard wij het ook zullen proberen. Als wij voorzichtig dat deel van Zijn werk bewaken, waar Hij ons mee toevertrouwd heeft, zal onze enige zorg zijn uit te vinden waar Zijn “voorraadschuur” is en dan getrouw Zijn geld daar storten. Hij heeft ons niet verantwoordelijk gesteld voor het gebruik ervan, dat zal Hij persoonlijk overnemen — zoals Hij nude regering in Zijn eigen handen neemt.” {ABN4: 46.3}

Toen het Beloofde Land verdeeld werd onder de twaalf stammen van Israel, ontving de stam der Levieten geen land als erfenis zoals de andere elf stammen. Daarvoor in de plaats gaf de Heer het decreet dat de tienden van de andere stammen naar de Levieten moesten gaan. Dit was hun erfenis. Het was hun eigendom.

46

 En precies zoals zij, als de tienden ontvangers, geen recht hadden aan de anderen, de tienden betalers, te bevelen wat te doen met hun eigen opbrengst nadat er tienden van afgegaan was, evenzo hadden de tienden betalers geen recht om de tienden ontvangers te bevelen wat met de tienden te doen. Elke stam was op zichzelf verantwoordelijk aan de Heer voor datgene waartoe het was toevertrouwd. Zo moet het vandaag de dag ook zijn. {ABN4: 46.4}

WAT IS ONDERHEVIG AAN TIENDEN {waar moeten we tienden van geven}?

Vraag Nr. 99:

Deuteronomium 14:22 zegt:“Gij zult de gehele opbrengst van het zaad dat uit uw akker voortkomt, stipt vertienen, jaar na jaar” Hoe zal ik tienden geven van mijn oogst? {ABN4: 47.1}

Antwoord:

Om het antwoorden van deze vraag te vergemakkelijken, laten we bijvoorbeeld het geval van een aardappelboer nemen. Stel dat hij zonder uitgaven van gehuurde krachten, irrigatie, huur enzovoorts is. Als hij zonder zulke bedrijfskosten is en als zijn verdienste $50 per hectare is, dan moet van het totale bedrag tienden betaald worden. Als hij echter moet werken met bedrijfskosten om zijn gewassen te produceren dan moeten uiteraard deze kosten afgetrokken worden van de verdiensten van de productie en moet er slecht tienden betaald worden van wat er overblijft. Bijvoorbeeld, als de verdiensten van de gewassen $ 50  bedraagt en de uitgaven $10, dan is de netto winst, het bedrag waar tienden van betaald moet worden,

47

 namelijk $ 40 en is de tiende slechts $ 4 in plaats van $ 5. {ABN4: 47.2}

Bovendien als iemand salaris verdient, onderhoudende de uitgaven van welzijn, transport van en naar het werk etc., dan moeten deze bedragen van het salaris afgetrokken worden voordat men de tienden eraf haalt. Bijvoorbeeld als hij $ 100 ontvangt per maand en hij moet 10 cent per dag of $2.60 per maand uitgeven aan transport, dan trekt hij dit bedrag af van de $100 wat $97,40 overlaat om tienden van af te halen. {ABN4: 48.1}

Als iemands inkomen afkomstig is van verhuur, dan trekt hij het bedrag besteed aan onderhoud van de bezittingen van zijn totale inkomen af.

Zo je inkomen berekenend, kun je tienden geven van al je opbrengsten. {ABN4: 48.2}

HOE ZIT HET MET TIENDEN GEVEN VAN GESCHENKEN{GIFTEN}?

Vraag Nr. 100:

Daar de Bijbel leert dat men van zijn gehele opbrengst tienden moet geven, zou men dan niet tienden moeten geven van alle giften?  {ABN4: 48.3}

Antwoord:

Gebruikt als een zelfstandig naamwoord betekent het woord “opbrengst”: “dat wat toegevoegd wordt aan de origenele voorraad; winsten”– de vergoeding van iemands arbeid of erfenis. Daar wij niet weten of het Schriftuurlijk afgeleid kan worden om tienden te geven van kleine liefdes geschenken{giften}, moet de beslissing helemaal rusten bij de persoon zelf. {ABN4: 48.4}

48

WELKE “VERZEKERING” ZULLEN CHRISTENEN DRAGEN?

Vraag Nr. 101:

Valt een “overlijdensverzekering” onder de rubriek “levensverzekering”? {ABN4: 49.1}

Antwoord:

In werkelijkheid is een overlijdensverzekering noodzakelijkerwijs een soort van “levensverzekering.” Om het als zodanig te classificeren wil echter niet zeggen dat het afgekeurd moet worden. De Geest der Profetie getuigt tegen levensverzekeringen, niet zozeer omdat het een levensverzekering is, maar omdat de wereld in plaats van de kerk haar draagt. {ABN4: 49.2}

Als het bedrog en de schande van deze praktijk nog niet meteen duidelijk is, zal het een duidelijk pijnlijk worden, wanneer men zichzelf de vragen stelt: Zou een trouwe en ware burger van Christus’ Koninkrijk hulp of bescherming zoeken bij een andere burger van een ander koninkrijk? Heeft de Heer de wereld of de kerk aangewezen om voor Zijn volk te zorgen? Vraagt Hij Zijn kinderen alle relaties te verbreken met de wereld, wanneer ze gezond zijn, slechts om hun terug te laten keren (naar de wereld) wanneer ze in problemen, ziek of dood zijn zodat deze voor ze kan zorgen? Moeten Christenen alleen in Christus geloven wanneer ze gezond zijn, en in de duivel wanneer ze ziek zijn of stervende? Heeft de Heer de kerk niet het voorrecht gegeven om een zegen te ontvangen voor het geven van een beker koud water aan een van Zijn discipelen (Matt. 10:42)? {ABN4: 49.3}

49

Overduidelijk zijn de antwoorden op deze en gelijkluidende toepasselijke vragen. Opgesomd geven ze het totale correcte antwoord:

Nooit zouden kerkleden afhankelijk moeten zijn van de wereld. Ze moeten alleen van haar {de kerk} afhankelijk zijn. De leden moeten geschoren worden zoals een schaapscheerder zijn schapen tot het uiterste scheert, wanneer ze gezond zijn en wol hebben om te geven, zo is de kerk moreel verplicht voor een ieder te zorgen wanneer die ziek of verlamd is of zonder iets om te geven, en dan te voorzien voor een ieder van hen in een heilige begrafenis. Vandaar dat een kerk die toestaat dat haar leden deel nemen aan welke vorm dan ook van een persoonlijke verzekeringsbeleid, behalve dan die van de kerk zelf , het Christendom aan het verachten is en zodoende de Heer onteren. En een Christen die achterwege laat om deel te hebben aan het verzekeringsbeleid van de kerk is als een dwaze man die zijn huis op het zand bouwt. De behoeften van de leken zijn bijna geheel verwaarloosd, de Rod {de Staf} is nu ernstig aan het roepen tot ons, dat wij als Tegenwoordige Waarheid geloven en Hervormers, tot de hulp van de Heer komen en meteen deze kwaden corrigeren. {ABN4: 50.1}

Gods dienstknechten zijn niet geroepen om verkopers, reclamemakers of veilingmeesters te zijn om middelen te verzamelen om Zijn werk voort te zetten. Integendeel zijn zij geroepen om predikers van de Waarheid en onderherders van Zijn volk te zijn, die teder waken over iedere schaap, want zulken zijn waardig om goed voor te zorgen, en te beschermen niet alleen als ze gezond zijn, maar ook tijdens ziekte, niet alleen tijdens hun leven, maar ook bij hun dood. Het is een verwijt aan Christus wanneer

50

Zijn volk wordt overgelaten aan het voogdijschap van enerzijds de wereld verzekeringsmaatschappijen of de barmhartigheid van de werelds liefdadigheidsociëteiten. De kerk is zowel moreel als rechtmatig verplicht om haar moederlijke arm uit te strekken naar haar kinderen en hun tedere hulp aan te bieden. {ABN4: 50.2}

Aldus als bewaarders van de kerk, worden wij tot deze taak ook uitgedaagd, en wij mogen niet falen. Deze grote verantwoordelijkheid, tezamen met dat van het dragen van onze onderhoudsprogramma op het Hoofdkwartier van het sluitingswerk van de kerk, vereist natuurlijk een grotere hoeveelheid middelen dan alleen de eerste tiende; het inkomen van de predikanten{of bedienaren}. Wat dan? {ABN4: 51.1}

Wij kunnen niet onze toevlucht nemen tot de praktijken van de Kerkgenootschap van het organiseren van doelen tijdens kerkdiensten, want zulke praktijken verlagen het onderwerp van de bijeenkomsten en ontwijden beiden het huis van God en Zijn Heilige Dag. Zulke onheilige handelingen op heilige grond moeten ophouden! Wacht niet totdat de Heer Zijn grote kracht manifesteert en de schapen en ossen wegdrijft samen met de geldwisselaars, hun tafels omvergooit en hun onwettige inkomsten verspreidt{of verstrooit}!{ABN4: 51.2}

De Boodschap kondigt daarom onbetwistbaar aan dat de Davidiaan die de Heer wil behagen, getrouw en systematisch een tweede tiende van zijn inkomen zal bijdragen aan dit noodzakelijke fonds, en zal daardoor helpen om een beschermmuur te bouwen tegen de mogelijkheid dat de Vijand

51

onheilig, tijd- en geestdodend verkeer inbrengt in onze godsdienstige en educatieve samenkomsten. Door zo te doen, zal iedere getrouwe gelovige automatisch investeren in deze heilige verzekeringspolis, die {het voorzien in} de noden van zijn eigen gezin zal verzekeren, niet alleen in dit leven, maar ook in het toekomende leven. {ABN4: 51.3}

Als men een inkomen heeft van $15,- per week, dan zal zijn eerste tiende $1,50 bedragen; en zijn tweede tiende over het overblijvende $13,50 zal dan $1,35 bedragen. Aldus zal zijn eerste en tweede tiende over $15,- inkomen in totaal $2,85 bedragen. Is dit teveel gevraagd, broeder, zuster, voor zulk een groot en verheven werk als datgene wat wordt gepresenteerd in de Davidiaanse boodschap, dat van zulk een vitaal belang is voor uw verlossing en welzijn? {ABN4: 52.1}

Laten alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen zoveel mogelijk getrouw een eerste en tweede tiende betalen, dan kan de Associatie haar ministeriële {bedienings-}school behouden, met als toevoeging haar internaat voor alle behoeftige en waardige kinderen in de Tegenwoordige Waarheid die op schoolgaande leeftijd zijn, en een thuis verschaffen voor de bejaarden, medische zorg voor de behoeftige zieken, voedsel voor de hongerigen, en een begrafenis voor hen die bij het vervullen van hun taak komen te ontvallen. {ABN4: 52.2}

Deze meest urgente, alsmede beproevende oproep, broeder, zuster, daagt uw trouw, uw oprechtheid, uw medewerking, uw inzicht in het ten volle begrijpen van de boodschap, en uw liefde voor het erfgoed van de Heer, uit. Sta daarom op, en schijn! {ABN4: 52.3}

“Is dit niet het vasten dat Ik verkies:”

52

 vraagt de Heer, “de boeien der goddeloosheid los te maken, de banden van het juk te ontbinden, verdrukten vrij te laten en elk juk te verbreken? Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem bekleedt en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? {ABN4: 52.4}

“Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig sluiten; uw heil zal voor u uit gaan, de heerlijkheid des HEREN zal uw achterhoede zijn. Als gij dan roept, zal de HERE antwoorden; als gij om hulp roept, zal Hij zeggen: Hier ben Ik. Wanneer gij uit uw midden het juk wegdoet, het wijzen met de vinger en het spreken van boosheid nalaat, wanneer gij de hongerige schenkt wat gij zelf begeert en de verdrukten verzadigt, dan zal in de duisternis uw licht opgaan en uw donkerheid zal zijn als de middag.  En de HERE zal u voortdurend leiden, u in dorre streken verzadigen en uw gebeente krachtig maken; dan zult gij zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water niet teleurstelt. En de uwen zullen de overoude puinhopen herbouwen, de grondvesten van vorige geslachten zult gij herstellen, en men zal u noemen: Hersteller van bressen, Herbouwer van straten.” Jes. 58:6-12. {ABN4: 53.1}

“De Hebreeën moesten ruim een vierde deel van hun inkomsten geven

53

 voor godsdienstige en liefdadige doeleinden. Men zou verwachten, dat zulk een zware belasting op het bezit van het volk hen tot de bedelstaf brengen zou; maar de getrouwe waarneming van deze geboden was juist een van de voorwaarden voor hun welvaart. Op voorwaarden van hun gehoorzaamheid had God hen beloofd: ‘Dan zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij(…)En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de HERE der heerscharen.’” –Patriarchs and Prophets, p. 527{Patriarchen en Profeten, blz. 477, 478}. {ABN4: 53.2}

“Toen Paulus Titus naar Corinthe zond om de gelovigen te sterken, gaf hij hem aanwijzing(…)in de genade van geven(…)Hun milddadigheid getuigde ervan dat zij de genade van God [de boodschap] niet tevergeefs hadden ontvangen. Wat anders kan zo’ n vrijgevigheid teweegbrengen dan enkel en alleen de heiligmaking door de Geest?(…) {ABN4: 54.1}

“Geestelijke wasdom is nauw verbonden met christelijke vrijgevigheid. De volgelingen van Christus zullen zich verheugen in het voorrecht de milddadigheid van de Verlosser in hun leven te mogen openbaren. Wanneer zij aan de Here geven, hebben zij de verzekering dat hun schat hen vooruitgaat naar de hemelse hoven(…)De zaaier vermenigvuldigt zijn zaad door het uit te strooien(…)Door uit te delen, vermeerderen zij hun zegeningen.”  —Acts of the Apostles, pp. 344, 345{Van Jeruzalem tot Rome, blz. 253, 254, 255}. {ABN4: 54.2}

Daarom staat de kerk zowel moreel als wettelijk gezien

54

onder de zware verplichting om de verzekering te dragen voor al haar ware en getrouwe volgelingen, maar ook om in al hun noden te voorzien als zijzelf wanneer dan ook hulpeloos zullen geraken, evenals haar leden onder de verplichting staan om haar werk te ondersteunen en haar door God gezonden boodschap te gehoorzamen. {ABN4: 54.3}

Bij het uiteenzetten van deze door God opgelegde taak op het volk, en de volslagen minachting ervan door hun Laodiceese herders, en ook de definitieve uitkomst van hun plichtsverzuim, waarschuwt Ezechiël: {ABN4: 55.1}

“Mensenkind, profeteer tegen de herders(…)hoort het woord des HEREN. Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here HERE, omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder is – want mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar mijn schapen weiden zij niet – daarom, gij herders, hoort het woord des HEREN. Zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zàl die herders! Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen. De herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen. {ABN4: 55.2}

”Want zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal zélf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van

55

zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis. Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël. {ABN4: 55.3}

 “Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Here HERE; de verlorene zal Ik zoeken en de afgedwaalde terughalen; de gewonde zal Ik verbinden en de zieke versterken, maar de vette en krachtige zal Ik verdelgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort. {ABN4: 56.1}

“En gij, mijn schapen, zo zegt de Here HERE, zie, Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere, tussen de rammen en de bokken. Is het u niet genoeg, dat gij de beste weide afweidt en de rest van de weiden met uw hoeven vertreedt; dat gij het helderste water drinkt en wat overblijft met uw hoeven vertroebelt? Moeten mijn schapen dan afweiden wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld? {ABN4: 56.2}

56

Daarom, zo zegt de Here HERE tegen hen: Zie, Ik ga zélf rechtspreken tussen de vette en de magere schapen; omdat gij al wat zwak is, met flank en schouder wegdringt en met de horens stoot totdat gij ze naar buiten gedreven hebt, zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. {ABN4: 57.1}

 “Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de HERE, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de HERE, heb het gesproken. {ABN4: 57.2}

“Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen. Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten.  Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der

57

aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. {ABN4: 57.3}

“Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. En zij zullen weten, dat Ik de HERE, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn, luidt het woord van de Here HERE. En zij zullen weten, dat Ik de HERE, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn, luidt het woord van de Here HERE.” Ezech. 34:2, 7-31. {ABN4: 58.1}

WIE ZIJN HET WAARDIG OM AALMOES TE ONTVANGEN?

Vraag Nr. 102:

Wie zijn de “waardige armen”?

Antwoord:

De “waardige armen” zijn zij die door tegenspoed, niet door wanbeleid of ledigheid, gebrek lijden aan de behoeften van het leven, en die oprecht in het licht trachten te wandelen dat hen is gegeven. {ABN4: 58.2}

“De bedoeling van de woorden van onze Heiland in Lukas 12:33 is niet duidelijk voorgesteld. Ik zag dat het doel van verkopen niet is, aan degenen te geven, die in staat zijn om te werken en zichzelf te onderhouden, maar om de waarheid te verspreiden. Het is zonde om degenen, die kunnen werken te steunen, en te helpen om zich aan luiheid over te geven. Sommigen hebben zich ijverig betoond in het bijwonen van al de bijeenkomsten, niet om God te verheerlijken,

58

maar om de ‘broden en de vissen.’ Het zou veel beter zijn voor dezulken, dat zij thuis met hun handen hadden gearbeid, ‘werkende dat goed is,’ ten einde te voorzien in de behoeften van hun gezinnen, en iets te hebben om te geven tot ondersteuning van de kostbare zaak.” –Early Writings, p. 95{Eerste Geschriften, blz. 105, 106}. {ABN4: 58.3}

Geïnspireerde onderricht aan de kerk (1 Tim. 5:9) raadt aan dat geen enkele weduwe onder de zestig jaar zal steunen op de kerk voor haar levensonderhoud. {ABN4: 59.1}

Over het algemeen zien wij dus dat de waardige armen de getrouwe leden zijn, die door tegenspoed beroofd zijn van de materiële zaken van het leven. En wij moeten maar al te goed gedenken dat deze tegenspoed een ieder van ons te allen tijde kan overkomen, want er staat geschreven: “tijd en toeval treft hen allen.” Pred. 9:11. {ABN4: 59.2}

“Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben,” zegt Paulus, “doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten” (Gal. 6:10), voor hen die in het bezit zijn van een Lidmaatschapscertificaat. {ABN4: 59.3}

WAARVOOR WORDT DE TWEEDE TIENDE GEBRUIKT?

Vraag Nr. 103:

Voor welk doel wordt de tweede tiende ingezet? {ABN4: 59.4}

Antwoord:

“Om de bijeenkomsten van het volk voor godsdienstige vergaderingen te bevorderen, en ook om voor de armen te zorgen, werd een tweede tiende van alle inkomsten gevraagd. Voor de eerste

59

tiende had de Here gezegd: ‘Ik geef hun’ (de Levieten) ‘alle tienden in Israël als erfdeel.’{Num. 18:21.} Maar van de tweede tiende had Hij gezegd: “ Gij zult voor het aangezicht van de Here, uw God, in de plaats die Hij verkiezen zal om Zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, opdat gij de Here, uw God, uw leven lang leert vrezen.” {Deut. 14:23, 29; 16:11-14.} Deze tiende, ofwel een gelijkwaardig bedrag in geld, moesten ze twee jaar achtereen brengen naar de plaats waar het heiligdom zich bevond. Nadat ze God een dankoffer hadden gebracht, en aan de priester een del hadden afgedragen, moesten de offeraars de rest besteden aan een godsdienstige feestmaaltijd, waaraan de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe moest deelnemen. Zo werden de dankoffers en feestmaaltijden bij de jaarlijkse feesten geregeld, en kwamen de mensen in aanraking met de priesters en Levieten, om onderricht en bemoediging in het dienen van God te ontvangen. {ABN4: 59.5}

“Elk derde jaar echter werd deze tweede tiende thuis besteed aan het onderhoud van de Leviet en van de arme, zoals Mozes had gezegd: ‘Opdat zij eten en zich verzadigen in uw steden.’ {Deut. 26:12.} Deze tiende verschafte een fonds voor liefdadige doeleinden en gastvrijheid. {ABN4: 60.1}

“Voor de armen werd nog verder gezorgd. Behalve het erkennen van Gods aanspraken, worden de wetten van Mozes vooral gekenmerkt door de vrijgevige, liefderijke en gastvrije geest,

60

geopenbaard jegens de armen. Hoewel God beloofd had dat Hij Zijn volk rijk zou zegenen, was het niet Zijn bedoeling dat armoede onder hen geheel en al onbekend zou zijn. Hij had gezegd dat de armen altijd bij hen zouden zijn. Er zouden onder Zijn volk altijd mensen zijn die behoeften zouden hebben aan medeleven, liefde en weldadigheid. Evenals nu, was men onderworpen aan ziekte, tegenslag en het verlies van bezittingen; zolang ze echter de aanwijzingen volgden die God gegeven had, zouden er geen bedelaars of mensen die honger hadden in hun midden zijn. {ABN4: 60.2}

“Gods wet verschafte aan de armen een bepaald gedeelte van de opbrengst van bodem. Als iemand honger had, mocht hij naar de akker of naar de wijngaard van zijn buurman gaan, en graan of vruchten eten tot hij geen honger meer had. Op grond van dit gebruik plukten de discipelen aren en aten het koren, toen zij op een sabbatdag door het gezaaide gingen. {ABN4: 61.1}

“Datgene wat na de oogst achterbleef op de akker of in de wijngaard, was voor de armen. “Wanneer gij de oogst op uw akker binnenhaalt,” had Mozes gezegd, “en een garve op de akker vergeet, dan zult gij niet teruggaan om die weg te halen(…) Wanneer gij uw olijven afslaat, zult gij de takken niet nog eens afzoeken(…)Wanneer gij de oogst van uw wijngaard inzamelt, zult gij niet nog eens een nalezing houden; voor de

61

vreemdeling, de wees en de weduwe zal dit zijn. Gij zult gedenken, dat gij in het land Egypte slaaf geweest zijt.’ {Deut. 24:19-22; Lev. 19:9, 10.} {ABN4: 61.2}

“Elk zevende jaar werd er voor de armen bijzonder gezorgd. Het sabbatjaar, zoals het genoemd werd, begon na de oogst. In de zaaitijd, die op de oogst volgde, mocht het volk niet zaaien; ze moesten niets doen aan de wijngaarden en geen oogst verwachten. Van datgene wat het land vanzelf voortbracht, mochten ze eten, maar ze moesten er niets van opslaan in hun schuren. De opbrengst van dat jaar was voor de vreemdeling, de weed en de weduwe, zelfs voor de dieren van het veld. {ABN4: 62.1}

“Maar als het land in normale omstandigheden genoeg voortbracht voor de noden van het volk, hoe moesten ze dan bestaan in het jaar waarin geen oogst werd binnengehaald? Hiervoor had God ruimschoots voorzieningen getroffen. ‘Ik zal Mijn zegen in het zesde jaar over u gebieden,’ had Hij gezegd, ‘dat het u een opbrengst geve voor drie jaren. In het achtste jaar zult gij zaaien, maar van de vorige oogst eten, tot het negende jaar; totdat de oogst daarvan binnenkomt, zult gij van de vorige eten.’{Lev. 25:21, 22.}” – Patriarchs and Prophets, pp. 530, 531{Patriarchen en Profeten, blz. 481, 482}.{ABN4: 62.2}

De tweede tiende is dus, hoewel het meer op vrijwillige basis is dan de eerste, even belangrijk, en is in feite een door God ingestelde,

62

op lange termijn werkende bijdrage voor iemands eigen welzijn. Tegenwoordig vormt het onze algemene offers. Voorheen werd het gebruikt om het werk op onze Academie{School} voort te zetten, en om een gedeelte van haar achterstallige schulden te betalen. Maar nu daar de Associatie groeit en zich uitbreidt, wordt het gebruik van de tweede tiende op gelijke wijze uitgebreider. {ABN4: 62.3}

In de eerste plaats zorgt het nu voor dat gedeelte van het Onderwijswerk waarvoor de eerste tiende niet rechtmatig kan worden gebruikt. En in de tweede plaats zorgt het voor de noden van de waardige armen. Kortom, het is in feite de oorspronkelijke en enige ware wederzijdse verzekeringspolis, en zou gedragen moeten worden door alle Davidianen die op geschikte wijze een Lidmaatschapscertificaat bezitten. {ABN4: 63.1}

Terwijl het dus noodzakelijk is dat alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen gebruik maken van dit Lidmaatschapscertificaat, is het zelfs nog meer dringend dat al dezulken eerste en tweede tiende betalers zouden moeten zijn, want als een Lidmaatschapscertificaat wordt verleend aan hen die dat kunnen zijn, maar niet zulke tiendenbetalers zijn, dan zouden zij niet alleen een ontmoedigende invloed uitoefenen onder de gelovigen, maar zij zouden ook dodelijke parasieten zijn in hun midden. Om deze duidelijke reden is de Associatie daarom verplicht om het Lidmaatschapscertificaat alleen maar te verlenen aan volledige gelovigen en blijmoedige daders van het Woord. (Bij gevallen waar het onmogelijk is om een volledige tweede tiende te betalen, is een gedeeltelijke betaling natuurlijk aanvaardbaar.) {ABN4: 63.2}

De nalatigheid van het Kerkgenootschap om voor haar leden te zorgen, een verzuim waardoor het

63

onder zware veroordeling verkeert, zou een ernstige les moeten zijn voor ons allen, waarin wij als hervormers en boodschapuitdragers niet zouden durven te falen. Daar wij bevoorrecht zijn om de oude verwoeste plaatsen te herbouwen, om de oude verwoestingen op te richten, en om de woeste steden van vele geslachten te herstellen (Jes. 61:4), moeten wij indien nodig iedere zenuw belasten en iedere spier uitstrekken ten einde te beantwoorden aan de wensen van de Heer. En in dit geval des te meer omdat een ieder van ons er zowel materieel als geestelijk baat bij hebben. Het is een gebruiksvriendelijk economisch plan—dat deel uitmaakt van het uitgebalanceerde systeem dat door God werd gegeven aan Mozes op de berg Sinaï, en die lange tijd is verwaarloosd en verborgen werd gehouden. Als zodanig is het dus een van de “door God gegeven instellingen” (Prophets and Kings, p. 678) die moeten worden hersteld “vóór de komst van de grote en vreselijke dag des Heren.” {ABN4: 63.3}

Laat ons daarom oprecht en op verstandige wijze onszelf de volgende vragen stellen: Als wij onder de weldadigheidsorganisaties of onder de verzekeringsmaatschappijen van de wereld steunen,  hoe kunnen wij Davidianen dan de pilaren van de kerk, en aldus van de wereld zijn? En heeft de Heer de kerk of de wereld aangewezen om voor Zijn volk te zorgen? Als wij, als verlossers, geen zorg kunnen dragen voor de noden van hen die in de wereld zijn, dan is het minste wat wij kunnen doen, om te zorgen voor onze eigen mensen. {ABN4: 64.1}

“Er zijn er die uitstrooien, en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden. De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt,

64

wie laaft, wordt ook zelf gelaafd.” Spr. 11:24, 25. {ABN4: 64.2}

“Om de winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in de oogst, maar er zal niet zijn.” Spr. 20:4{SV}. {ABN4: 65.1}

“En het zal geschieden, indien gij aandachtig zult luisteren naar de stem van de Here, uw God, om al Zijn geboden die ik u heden gebied te onderhouden en te doen, dan zal de Here, uw God, u verheffen boven alle volken der aarde. En al deze zegeningen zullen over u komen, en u ten deel vallen, wanneer gij de stem van de Here, uw God, zult gehoorzaam zijn. Gezegend zult gij zijn in de stad, en  gezegend zult gij zijn in het veld. Gezegend zal de vrucht zijn van uw schoot, de vrucht van uw bodem en de vrucht van uw vee: de worp van uw runderen, de dracht van uw kleinvee en de kudden van uw schapen. Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog. Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan. {ABN4: 65.2}

“De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door één weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden. De HEERE zal den zegen gebieden, dat hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal. De HEERE zal u Zichzelven tot [een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij

65

 de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen. {ABN4: 65.3}

“En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.  En [28:11] Deut 30:9.En En

de HEERE zal u doen

overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven. De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, [maar gij zult niet ontlenen. {ABN4: 66.1}

“En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen.” Deut. 28:1-13. {ABN4: 66.2}

WAT VORMT EENHEID?

Vraag Nr. 104:

Hoe kunnen gelovigen eenheid onder elkaar verkrijgen en in stand houden? {ABN4: 66.3}

Antwoord:

Ten einde de Vijand te verslaan en eenheid en harmonie in stand te houden, laat iedere gelovige ophouden fouten te zoeken bij zijn broeders; waken over zijn eigen schreden en niet die van hen; zich realiseren dat zij dezelfde gelegenheid hebben zoals hij dat heeft om het verschil te weten tussen wat goed is en

66

 wat verkeerd is; zijn eigen verantwoordelijkheid dragen en niet die van hen; hen beter achten dan zichzelf; en niets doen of zeggen wat hij niet zou willen dat zij tegen hem zouden doen of zeggen. {ABN4: 66.4}

Laat een ieder zich realiseren, net zoals Paulus dat deed, dat liefdadigheid—verdraagzaamheid door liefde—de meest onmisbare, dringende, en verheven verworvenheid is van alle verworvenheden: {ABN4: 67.1}

“Al ware het, dat ik met de tongen der mensen en der engelen sprak, maar had de liefde niet, ik ware schallend koper of een rinkelende cimbaal. Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles, wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzette, maar ik had de liefde niet, ik ware niets. {ABN4: 67.2}

“Al ware het, dat ik al wat ik heb tot spijs uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam gaf om te worden verbrand, maar had de liefde niet, het baatte mij niets. De liefde is lankmoedig, de liefde is goedertieren, zij is niet afgunstig, de liefde praalt niet, zij is niet opgeblazen, zij kwetst niemands gevoel, zij zoekt zichzelf niet, zij wordt niet verbitterd, zij rekent het kwade niet toe. Zij is niet blijde over ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid. Alles bedekt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verdraagt zij. {ABN4: 67.3}

“De liefde vergaat nimmermeer; maar profetieën, zij zullen afgedaan hebben; tongen, zij zullen verstommen; kennis, zij zal afgedaan hebben. Want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen ons profeteren. Doch, als het

67

volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben. Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.” 1 Kor. 13. {ABN4: 67.4}

Doe dit, broeders, en de Duivel zal vlieden en uw problemen zullen hem achterna volgen. {ABN4: 68.1}

Gedenk dat “Satan leeft en actief is, en iedere dag moeten wij ernstig uitroepen naar God om hulp en kracht om hem te weerstaan. Zolang Satan regeert zullen wij het eigen ik moeten onderwerpen, en aanvallen moeten overwinnen! En er is geen stopplaats, er is geen punt waartoe wij kunnen komen en zeggen dat wij het ten volle hebben bereikt. {ABN4: 68.2}

“Het Christelijk leven is voortdurend een voorwaartse opmars. Jezus zit als een verfijner en reiniger van Zijn volk; en wanneer Zijn beeld op volmaakte wijze wordt weerspiegeld in hen, dan zijn zij volmaakt en heilig, en gereed om te worden veranderd.” –Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 340. {ABN4: 68.3}

Als Christenen elkander nooit beschuldigen, nooit elkanders fouten, tekortkomingen, mislukkingen en problemen mededelen{overbrengen}, dan zullen zij ontdekken dat zij zodanig verenigd {eensgezind} zijn dat niets hun gemeenschappelijke Christelijke band kan verbreken. Maar zulk een geest van saamhorigheid kan alleen in stand

68

 worden gehouden door mensen die onvermoeibaar over zichzelf waken, het altijd eens zijn met elkaar en die dezelfde dingen spreken door hun eigen wegen en gedachten te verzaken in ruil voor die van de Heer. {ABN4: 68.4}

Daarom is het noodzakelijk dat iedere Tegenwoordige Waarheid gelovige alleen maar Tegenwoordige Waarheid leert en beoefent—niets meer of minder leert dan datgene wat gepubliceerd is, geen eigen uitleggingen en betekenissen, theorieën en meningen erin verweeft, en niets meer of minder doet dan datgene wat de boodschap vereist. {ABN4: 69.1}

Door zodoende uw eigen gedachten en uw eigen wegen terzijde te leggen, en gebruik te maken van die van de Heer (Jes. 55:8,9), met uitsluitende toewijding aan de Geest der Waarheid, dan zult u werkelijk het met elkaar eens zijn, en dezelfde dingen spreken. Alleen dan zult u in staat zijn om de geest van verwarring te verdrijven en de geest van liefde en eenheid te behouden. {ABN4: 69.2}

En daar er alleen kracht en geestelijkheid is daar waar er eendracht is, dan kan geen enkel lid of groep mensen het zich veroorloven om zijn taak te veronachtzamen om zulk een Christelijke eenheid in stand te houden. {ABN4: 69.3}

WAT ZOU HET GEZIN MOETEN ZIJN?

Vraag Nr. 105:

Wilt u alstublieft een uitleg geven van Efeziërs 5:22-24? {ABN4: 69.4}

Antwoord:

“Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here, want de man

69

 is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is zijner gemeente; Hij is het, die zijn lichaam in stand houdt. Welnu, gelijk de gemeente onderdanig is aan Christus, zo ook de vrouw aan haar man, in alles.” Ef. 5:22-24. {ABN4: 69.5}

Het is duidelijk, dat dit goddelijk bevel de vrouw opdraagt haar man te respecteren zoals zij de Heer zou respecteren, daar de man de tijdelijke verlosser is van het gezin, zoals de eeuwige Verlosser is van de kerk. “(…)Evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar overgegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord.” Ef. 5:25, 26. Wanneer zij dit goddelijk bevel in de wind slaat, beledigt zij God. {ABN4: 70.1}

“Mannen, hebt uw vrouw lief, evenals Christus zijn gemeente heeft liefgehad.” Ef. 5:25. {ABN4: 70.2}

Dus is de verantwoordelijkheid van de man naar zijn vrouw even bindend en heilig. Hij behoort haar te beschouwen zoals Christus Zijn kerk beschouwt. Wanneer hij dat minder dat dit doet, overtreedt hij de wet van de Heer. {ABN4: 70.3}

Terwijl de kerk dus de plicht heeft haar Heer te respecteren en te gehoorzamen, moet de vrouw haar man respecteren en gehoorzamen; en de man is verplicht zijn vrouw lief te hebben en voor haar te zorgen zoals de Heer Zijn kerk liefheeft en voor haar zorgt. Hieruit volgt dat het huis van de Heer wordt vergeleken met het huis van de man. Dus, op dezelfde wijze zoals de Heer de zaken van Zijn huis, de kerk, beheert, zo zal de man de zaken van zijn huis, het gezin, beheren.

70

 En daar de voorspoed van de kerk zelf afhankelijk is van haar samenwerking met de wil van de Heer, zo is op gelijke wijze de voorspoed van het gezin afhankelijk van haar samenwerking met de wil van de vader. Daarom is het feit dubbel zo duidelijk, dat net zoals Christus de leiding heeft over de kerk, zo heeft de vader de leiding over het gezin. En net zoals de bekeerde kerk zich verheugt in het behagen van haar Hoofd, Christus, zo verheugt de bekeerde vrouw zich op gelijke wijze in het behagen van haar hoofd, haar man. In deze gelukkige staat realiseren zowel de man als de vrouw zich dat zij per slot van rekening elkanders wederhelft {tweede ik} zijn. {ABN4: 70.4}

“Ik wil echter, dat gij dit weet,” verklaart Paulus “: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. Iedere man, die bidt of profeteert met gedekt hoofd, doet zijn hoofd schande aan. Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is.” “En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God.” 1 Kor. 11:3-5, 11, 12. {ABN4: 71.1}

Deze prachtige thuisrelatie wordt vaak ondermijnd en afgebroken door financiële wanbeheer of door verkeerde opvoeding, of door beiden, omdat het goddelijke voorbeeld niet wordt nagevolgd. De Heer ondersteunt Zijn vrouw,

71

de kerk, maar zijzelf gaat om met het betaalmiddel, het geld, om de dingen te betalen die zij koopt; dienovereenkomstig is het dus zo, dat hoewel de man het gezin ondersteunt, moet de vrouw omgaan met het geld voor de dingen die nodig zijn om het huishouden draaiende te houden. En als de man slechts een levensonderhoudende inkomen ontvangt, dan zou hij des te meer in het bijzonder zijn salaris {looncheque} aan zijn vrouw moeten geven, zodat zij een begroting kan maken om de noodzakelijke gezinskosten te dekken tot aan de volgende betaaldag. Wanneer de vrouw over het geld gaat, zullen er grote voordelen toenemen, want zij alleen is het die ervan gebruik maakt, en daarom weet zij alleen welke dingen nodig zijn in het huis. Doordat zij aldus op de hoogte is van haar dagelijkse financiële beperkingen, zal zij precies weten wat zij wel en wat zij niet kan kopen om het huishouden draaiende te houden. {ABN4: 71.2}

Het is dan vanzelfsprekend, dat zij naarstig erop zal toezien dat er als eerst alleen voor de meest noodzakelijke behoeften van het gezin wordt gezorgd, en daardoor voorkomt zij dat er iets teveel wordt gekocht van haar kant, of dat er van iets anders te weinig wordt gekocht door haar man, of andersom—deze laatstgenoemde situatie zal onvermijdelijk het gevolg zijn als hij de financiën beheert en aan haar uitkeert om te kopen. Als ermee wordt omgegaan zoals het hoort, zullen de financiën niet opraken, en het gezin zal geen gebrek, geen conflicten, en geen scheidingen lijden. Natuurlijk zouden man en vrouw altijd met elkaar moeten overleggen om een volledige wederzijdse goedkeuring te verzekeren bij alles wat zij doen. {ABN4: 72.1}

72

Als de inkomsten van het gezin echter meer is dan alleen een levensonderhoud, dan kunnen hij en de vrouw samen een bredere begroting opmaken van hun inkomsten, waarbij zij eerst zorgen voor de noodzakelijke actuele uitgaven, en daarna het overige beleggen of investeren. {ABN4: 73.1}

Door aldus te beseffen dat de man niet slechts de geldzak, maar de koning van het gezin, de “huisband” {Engels: “house-band,” afgeleid van “husband”} is, en dat de vrouw niet een knecht is, die slechts dient om de maaltijden te koken, het vaat en de kleren te wassen, de vloer schoon te maken, en voor de kinderen te zorgen en ze op te voeden, maar dat zij de koningin van het gezin is, de levenspartner,–door dit alles te beseffen zal  men een juiste waardering hebben voor de heilzaamheid van het door God geïnspireerde huwelijk. {ABN4: 73.2}

“Een degelijke huisvrouw, wie zal haar vinden? haar waarde gaat koralen ver te boven. Op haar vertrouwt het hart van haar man, het zal hem aan voordeel niet ontbreken. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen van haar leven. Zij is bezig met wol en vlas en werkt met vaardige handen. Zij is als de schepen van de koopman en haalt van verre haar spijs. Zij staat op, als het nog nacht is, zij geeft haar huis het voedsel, haar dienstmaagden haar deel. Zint zij op een akker, dan verwerft zij die, van de verdienste van haar handen plant zij een wijngaard. Zij omgordt haar lendenen met kracht en versterkt haar armen. Zij bemerkt, dat haar koophandel gedijt, des nachts gaat haar lamp niet uit. Zij grijpt met haar handen het spinrokken en haar handen

73

houden de weefspoel. Haar hand breidt zij uit naar de ellendige, haar handen strekt zij uit naar de nooddruftige. Zij vreest de sneeuw niet voor haar gezin, want haar ganse gezin is in scharlaken gekleed. Zij maakt voor zich tapijten; van fijn linnen en rood purper is haar gewaad. Haar man is bekend in de poorten, als hij neerzit te midden van de oudsten des lands. Zij vervaardigt linnen kleding en verkoopt die; aan de koopman levert zij gordels. Kracht en luister is haar gewaad, de komende dag lacht zij toe. Met wijsheid opent zij haar mond, vriendelijke onderwijzing ligt op haar tong. Zij houdt toezicht op de gang van haar huishouding, het brood der traagheid eet zij niet. Haar zonen staan op en prijzen haar gelukkig, ook haar man roemt haar: Vele dochters gedragen zich wakker, maar gij overtreft haar alle! Bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid, maar een vrouw die de HERE vreest, die is te prijzen.” Spr. 31:10-30. {ABN4: 73.3}

Terwijl dus de koninklijke vrouw toeziet op de interne zaken van het gezin, ziet de koninklijke man toe op de externe zaken van het gezin. {ABN4: 74.1}

Voorts is het zo, dat zoals de Heer Zelf het Hoofd is van Zijn kerk als een school, en Zijn “vrouw” (de kerk, maar in het bijzonder de leiding—zij die bekeerlingen, kinderen, in het geloof voortbrengen), de lerares is van hun kinderen (de leden), zo is ook de man het hoofd van zijn gezin als een school, en zijn vrouw de lerares van hun kinderen. {ABN4: 74.2}

74

”Het verkrijgen van een juist begrip van de huwelijksrelatie,” zegt de Geest der Profetie, “is een levenslang werk. Zij die trouwen gaan een school binnen van welke zij nooit zullen afstuderen in dit leven. {ABN4: 75.1}

***

“In uw levensvereniging moeten uw genegenheden bijdragen aan elkanders geluk(…)Maar terwijl u zich samen zult voegen tot één, moet bij geen van u zijn of haar persoonlijkheid in die van de ander opgaan. God is de eigenaar(…) Aan Hem moet u vragen:(…)Hoe kan ik het beste het doel van mijn schepping vervullen?(…)Uw liefde voor datgene wat menselijk is moet op de tweede plaats staan ten opzichte van uw liefde voor God(…)Gaat de grootste uitstroming van uw liefde naar Hem uit, die voor u gestorven is? Als dat zo is, dan zal uw liefde voor elkaar volgens het voorschrift van de Hemel zijn. {ABN4: 75.2}

Noch de man noch de vrouw moet aanspraak maken op bestuur(..)Beiden zullen de geest van vriendelijkheid beoefenen, door vastbesloten te zijn om nooit de ander te bedroeven of te kwetsen(…)Probeer elkaar niet ertoe te dwingen om te doen zoals u wilt. U kunt dit niet doen, en elkanders liefde blijven behouden. Uitingen van eigenwijsheid vernietigen de vrede en het geluk van het gezin. Laat uw huwelijksleven niet één zijn van strijd. Als u dat doet, dan zult u beiden ongelukkig zijn. Wees vriendelijk in uw spreken en teder in uw handelen, door uw eigen wensen op te geven. Let goed op uw woorden; want zij hebben een machtige invloed ten goede of ten kwade. Sta niet toe dat er felheid {scherpheid} in uw stem

75

te horen is. Breng de geur van Christelijkheid binnen in uw verenigde leven. {ABN4: 75.2}

“Voordat een man tot een vereniging ingaat die zo nauw verbonden is als de huwelijksrelatie, zou hij moeten leren hoe hij zichzelf kan beheersen en hoe hij met anderen moet omgaan. {ABN4: 76.1}

***

“Mijn broeder, wees vriendelijk, geduldig, verdraagzaam. Gedenk dat uw vrouw u heeft aangenomen als haar man, niet zodat u over haar kunt heersen, maar zodat u haar helper kunt zijn(…) {ABN4: 76.2}

“Één overwinning is absoluut van essentieel belang voor u beiden om te verkrijgen,– de overwinning over de hardnekkige {koppige} wil. In deze strijd kunt u alleen maar overwinnen door de hulp van Christus. U kunt wel krachtig en langdurig worstelen om het eigen ik te onderwerpen, maar u zult falen tenzij u kracht ontvangt van boven. Door de genade van Christus kunt u de overwinning verkrijgen over het eigen ik en zelfzuchtigheid. Naar gelang u Zijn leven leidt, door zelfopoffering te tonen bij iedere stap, door voortdurend een sterkere genegenheid te openbaren voor hen die hulpbehoevend zijn, zult u overwinning op overwinning behalen. Dag aan dag zult u beter leren hoe het eigen ik te overwinnen en hoe uw zwakke karakterpunten te versterken. De Here Jezus zal uw licht, uw sterkte, uw kroon van verheuging zijn doordat u uw wil hebt overgegeven aan Zijn wil(…) Door Zijn hulp kunt u de wortel van zelfzuchtigheid volkomen uitroeien. {ABN4: 76.3}

***

“Verdraagzaamheid en onzelfzuchtigheid kenmerken de woorden en handelingen van hen die

76

wedergeboren zijn, om het nieuwe leven in Christus te leven.” –Testimonies, Vol. 7{Getuigenissen, Deel 7}, pp. 45-50. {ABN4: 76.4}

“De grote hervormende beweging moet beginnen door aan vaders en moeders en kinderen de beginselen van de wet van God voor te dragen(…)Toon aan dat gehoorzaamheid aan Gods woord onze enige veiligheid is tegen het kwaad de wereld aan het meeslepen is naar de ondergang(…)Door hun [de ouders’] voorbeeld en onderwijzing, zal de eeuwige bestemming van hun huishoudens in de meeste gevallen worden bepaald(…). {ABN4: 77.1}

Als ouders ertoe geleid konden worden om de gevolgen van hun handelingen na te speuren,(…)zouden velen de betovering van traditie en gewoonte willen verbreken(…)Benadruk bij het geweten van ouders de overtuiging van hun ernstige plichten, die zo lang zijn verwaarloosd. Dit zal de geest van Farizeïsme en weerstand tegen de waarheid verbreken als niets anders dat kan. Godsdient in het gezin is onze grote hoop, en maakt het vooruitzicht helder voor de bekering van het gehele gezin tot de waarheid van God. –Testimonies, Vol. 6{Getuigenissen, Deel 6}, p. 119. {ABN4: 77.2}

Alleen in zulk een Christelijk gezin wordt Christus’ Koninkrijk geïllustreerd. En door zo het Koninkrijk hier te weerspiegelen, zullen al zulke gezinnen, wanneer ze gemeenschappelijk zijn samengevoegd, het koninkrijk dat hierna komt samenstellen. Hoe belangrijk is het dan de moeder en de vader ten volle samenwerken door het gezin in alle opzichten te leiden naar de wijze van Christus ten einde het bestaan ervan te verzekeren, zowel nu als in de eeuwigheid! {ABN4: 77.3}

77

Het falen van één van beiden om deze beginselen ten uitvoer te brengen, zal het gezin schipbreuk doen lijden en het gezin verstrooid doen raken, niet alleen in deze tegenwoordige tijd, maar ook voor de eeuwigheid; terwijl het zorgvuldig beoefenen van hen de voorspoed en het geluk van het gezin zal veiligstellen in deze wereld, en zal haar eeuwige voortzetting verzekeren in de toekomende wereld. {ABN4: 78.1}

ALS TWEE HET NIET MET ELKAAR EENS ZIJN, HOE KUNNEN ZIJ DAN SAMEN WANDELEN?

Vraag Nr. 106:

Waarom verenigen de Davidiaanse Zevende-dags Adventisten en de _____beweging zich niet tot één beweging? {ABN4: 78.2}

Antwoord:

De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten en de _____ beweging verenigen zich niet omdat zij jammer genoeg het niet met elkaar eens zijn. Doordat zij grote meningsverschillen hebben over sommige leerstellige punten, maakt het een vereniging onder de omstandigheden onmogelijk. {ABN4: 78.3}

Een van zulke leerstellige verschillen bijvoorbeeld, is dat de _______beweging leert dat de zonden in de Zevende-dags Adventisten Moederkerk haar deel doet maken van Babylon, terwijl de Davidianen leren dat hoewel zij in een betreurenswaardige toestand verkeert, zij toch niet Babylon is, en dat inderdaad nooit kan zijn; want de zonden bepalen de naam niet, niet meer dan dat de naam de zonden bepaalt. Babylon wordt niet zo genoemd vanwege haar zonden, en het wordt ook niet veroordeeld omdat het Babylon wordt genoemd, maar omdat zij is gevallen en omdat zij

78

 “een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte” is “geworden.” Openb. 18:2. {ABN4: 78.4}

De Zevende-dags- Adventisten kerk kan wel in een nog ergere toestand verkeren,-zo veel erger, in feite, dat ze zelfs niet weet dat zij “ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt” is (Openb. 3:17); toch wordt zij ondanks dit alles “Laodicea” genoemd, niet Babylon. En haar leden staan op het punt om, niet eruit te worden geroepen, zoals zij die in Babylon zijn dat zullen worden, maar eerder om erin te worden gelaten, en haar “engel” (de leiding) staat op het punt te worden uitgespuwd. De Davidianen arbeiden om beiden te redden van deze tragedie, om hen te vernieuwen in de gunst van God en aldus hen te houden in de Moederkerk, terwijl de ______beweging, die geen geneesmiddel heeft voor de Laodiceese kwaal, arbeidt om hen eruit te trekken. {ABN4: 79.1}

Door zo te geloven zoals zij dat doet, en door daardoor de Davidiaanse boodschap, het geneesmiddel, te verwerpen, maakt zij het wederzijds onmogelijk dat wij ons met haar verenigen en dat zij zich met ons verenigt. {ABN4: 79.2}

Voorts, aangezien de Heer voortschrijdende Waarheid heeft geopenbaard door de Davidianen, maar geen enkele waarheid {geopenbaard heeft} door de ______beweging, dan is het vanzelfsprekend dat als er ooit een dergelijke vereniging zou bestaan, dan moeten zij noodzakelijkerwijs eerder hun zienswijzen corrigeren en zich dan bij ons voegen in het aannemen van de boodschap van het elfde uur, dan dat wij de juwelen van waarheid van de boodschap overboord gooien en aan slechts één of twee bijzondere punten vasthouden die zij verheffen. {ABN4: 79.3}

79

Bovendien eisen zij, voor wat zij nu aan het doen zijn, niet eens het bevel op van het gezag der Inspiratie. Daar zij dus de profetische gave niet onder hen hebben, dan moet de ______groep aan het (voort)bewegen zijn zonder te worden gezonden. {ABN4: 80.1}

“Indien er eenheid” zegt de Geest der Profetie, bij het uitdrukken van de houding van de eerste Christen gemeente, “kon worden verzekerd door slechts het in gevaar brengen van waarheid en gerechtigheid, laat er dan {eerder} verschil en zelfs strijd{oorlog} zijn.” –The Great Controversy, p. 45{De Grote Strijd, blz…}. {ABN4: 80.2}

“Wij zullen ons verenigen, maar niet op het platform van dwaling.”  –Mw. E.G. White, Series B:2, p. 47. {ABN4: 80.3}

Aldus kan men gemakkelijk inzien, dat hoewel het ons vurig verlangen is om het gebed van Christus voor eenheid te vervullen, wij het niet durven dat te doen door Waarheid prijs te geven, want dan zouden wij niet één zijn met Christus, zelfs al zouden wij één zijn met alle anderen. {ABN4: 80.4}

“Het gevaar bestaat dat wij zo overijverig zijn om buiten Babylon te blijven,” zegt de grondlegger van de Zevende-dags Adventisten kerk, “dat wij haar meest bekende misslag zullen begaan—die van een paal aanleggen en weigeren die uit te trekken en vooruit te gaan. Wanneer wij ophouden dwalingen af te leren, zullen wij vallen als degenen die ons voor zijn gegaan. Wij hebben veel geleerd, en er is ongetwijfeld veel meer voor ons om nog te leren(…)Het is de geest van ‘verder gaan’ en ‘doorgaan’ wat het overblijfsel uiteindelijk ‘zonder bedrog’ zal doen belanden op de hemelse Berg Sion. Mijn conclusie is dat wij geen Bijbelse waarheid

80

zouden moeten opgeven, maar dat onze valse toepassingen en uitleggingen van het Schrift, en daardoor valse ideeën over orde en fatsoen zo snel mogelijk zouden moeten worden opgegeven.” –The Review and Herald, 29 mei, 1860. {ABN4: 80.5}

HOE KAN IK HET GROOTBRENGEN VAN MISLUKKELINGEN VOORKOMEN?

Vraag Nr. 107:

Hoe kunnen wij kinderen tussen de leeftijd van twee en twaalf jaar het beste helpen om hun tijd te besteden? {ABN4: 81.1}

Antwoord:

Omdat het de meeste kinderen in deze Laodiceese tijdperk in sommige opzichten wordt toegestaan om op te groeien als onkruid in plaats van als getrainde mensen, is het vraagstuk van hoe zij op de juiste wijze hun tijd kunnen gebruiken inderdaad zeer relevant. {ABN4: 81.2}

In de eerste plaats zouden alle ouders zich het belang {de waarde} moeten realiseren, dat zij hun kinderen op een zodanig betrouwbare, intelligente en moedige wijze hebben getraind, dat zij de plichten van het leven onder hun schouder kunnen nemen en de moeilijkheden daarvan het hoofd kunnen bieden, als zij geen parasieten of sociale mislukkelingen, slechts vierkante pinnen in ronde gaten moeten worden. Niettemin laten vele ouders hun kinderen voortdrijven zonder dat zij toegerust zijn om voor zichzelf te zorgen, en onverschillig voor de veelvoudige uitdagingen van het leven. Wanneer dan deze misvormde zielen volwassen zijn geworden, ervaren zij het leven als een somber gezwoeg, in plaats van als een uitnemende vreugde; bij alles wat zij proberen, bij iedere keerpunt op de weg, ontmoeten zij een bittere nederlaag. Hun huizen worden onordelijk en onhygiënisch, ongeschikt om erin te leven; en hun gezinnen, op hun beurt, worden een moedeloze, nutteloze, ongeschikte gezelschap voor de samenleving. {ABN4: 81.3}

81

Kinderen die op die manier worden grootgebracht, overgelaten aan hun eigen bedenksels, om hun tijd te verspillen en te verprutsen zoals zij willen, zijn als de sprinkhaan. Door te spelen, te zingen en zich bloot te stellen aan de zon gedurende de gehele zomer, zich geen zorgen te maken over de naderende koude lucht van de winter, waarvoor het groene gras verdwijnt van de velden, heeft de sprinkhaan zijn tijd zitten verdoen, en nu moet hij honger lijden door voedselgebrek, en bevriezen in het open veld. Maar de mier, die de gehele zomer ijverig gewerkt heeft, heeft overvloedig te eten en een goede warme winterhuis. Alleen een slecht beoordelingsvermogen en blinde liefde zal kinderen aan zichzelf overlaten om op te groeien met een sprinkhanengewoonte, ongetraind in de wijsheid van het verrichten van al hun arbeid in de {daarvoor} bestemde zes dagen, om zodoende de rust te verdienen op de zevende dag. Ouders die hun kinderen toelaten hun tijd te verspillen, leggen daardoor dodelijke valstrikken voor hen neer; zij maken hen ongeschikt voor zowel dit leven als voor het toekomende leven. {ABN4: 82.1}

Bij het van een juiste huiselijke training, is een van de meest belangrijke eerste lessen die hen geleerd moet worden, dat zij altijd een vaste plaats moeten hebben waar zij zich aankleden en uitkleden, en dat ze hun kleren te allen tijde op de gepaste plaats op te hangen, nooit overal maar lagen liggen. Door zodoende voor alles een plaats te hebben en alles op zijn plaats te leggen, zullen zij vanaf het prille begin van het gezin niet alleen het huiswerk verlichten en hun huis schoon en keurig en ordelijk houden zowel gedurende de nacht als gedurende de dag, en overigens de duurzaamheid van zowel hun

82

 kleding als van hun meubilair verlengen, maar zullen zij het ook ver schoppen met betrekking tot het beoefenen van een zindelijke en keurige persoonlijkheid, en een overzichtelijk en gestructureerd leven. {ABN4: 82.2}

Onder de vele nuttige evenals stichtende bezigheden voor kinderen, bevinden zich de verscheidene huiselijke taken, zoals het vaat wassen, de bedden opmaken, het bezemen en afstoffen, de ramen lappen, de vloeren en het houtwerk boenen, bakken, koken, en zelfs het maken van eenvoudige kleding- en meubelstukken. {ABN4: 83.1}

Dan zijn er nog de werkzaamheden buiten de deur zoals het huis en erf schoon en keurig houden, tuinieren, het kweken van pluimvee, enz., ter toevoeging van andere praktische werken, inclusief het op een spaarzame en zakelijke wijze inkopen doen. {ABN4: 83.2}

En aan alles voorop gesteld, zou het lezen en uit het hoofd leren van passages uit de Bijbel en de Geest der Profetie zorgvuldig beoefend moeten worden, als een bekronende ontspanning{hobby}.{ABN4: 83.3}

Om ten volle een volledige en geïntegreerde persoonlijkheid en karakter te hebben, moet een kind op de juiste wijze evenals de geestelijke, ook de fysieke en mentale vermogens ontwikkelen. Met dit doel voor ogen moet zijn training zeer vroeg in het leven begin—zo gauw hij in staat is te lopen en te spreken—want als het aan hem wordt overgelaten om zijn tijd te verspillen totdat hij ouder is geworden, zal hij een zebra-achtige geaardheid verkrijgen—iemand waarbij het onmogelijk is om te veranderen van het niets doen naar het iets doen. {ABN4: 83.4}

Om deze misvorming van karakter te verhinderen, met de praktisch onherstelbare, levenslange beschadiging

83

 dat het als gevolg heeft, wijs hem {het kind} al vroeg bepaalde huiselijke taken toe, en wanneer hij de bedrevenheid heeft aangeleerd in het doen van een ding, bevorder hem dan tot het toewijzen van een andere taak. Het thuis zou een school moeten zijn, geen speelplaats. Hij zou ook niet overgelaten moeten worden om heel vaak buiten het huis te spelen, om zich zodoende alleen te gewennen aan een leven van spel en ondeugendheid. {ABN4: 83.5}

En laat uw kinderen in geen geval vervallen in de luie gewoonte van het laten van de ochtendtaken voor de middag, of het werk van een dag voor de volgende dag. Vaatafwas zou na iedere maaltijd onmiddellijk gewassen moeten worden; De voedselresten zouden nooit eraan gelaten moeten worden om erop te drogen en te verharden. “Zes dagen,” zegt de Heer, “zult gij arbeiden en al uw werk doen.” Exo. 20:9. {ABN4: 84.1}

Maar als u uw kind de gewoonte toelaat om iets van hem gedaan te krijgen alleen maar nadat u hem heeft overgehaald of berispt, dan zult u hem zeker leren uzelf en het werk te haten. En daardoor zult u, in plaats van

84

hem te trainen een leven van vlijtigheid lief te hebben, wat hem gelukkig en onafhankelijk zal maken, hem aandrijven tot ledigheid, juist datgene waarvan u hem wilt behoeden, en hem zelfs doen neigen twistziek te zijn. {ABN4: 84.2}

Maar laat hem weten dat wat u zegt u ook meent, en hij zal dan veel minder geneigd zijn te denken dat u verkeerd bezig bent, en op zijn beurt nog minder geneigd zijn om uw woord tegen te spreken en te denken dat welke vorm van ongehoorzaamheid daaraan dan ook niet alleen gerechtvaardigd, maar ook prijzenswaardig is. {ABN4: 84.3}

Streef dan ook ernaar om uw kinderen ertoe te leiden hun werkzaamheden lief te hebben door hun belangstelling erin te behouden. Wees als God. Leer hen op dezelfde wijze waarop Hij u leert. Er staat geschreven dat: “wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here.” Hebr. 12:6. Hij legt de goede en verkeerde kanten van het leven uit, en waarschuwt u duidelijk voor de gevolgen die zullen volgen uit welke koers dan ook die u navolgt—een zegen van de een en een vloek van de ander. Handel evenzo met uw kinderen. Maar wees voorzichtig dat u door zo te doen, hen niet tegen God keert door hen te bedreigen dat als zij niet goed doen, Hij hen zal straffen op deze manier of op die manier. Leer hen eerder dat Hij hen verzoekt om de kwade weg te vermijden omdat het op zichzelf genomen hen zal leiden tot het oogsten van vervloekingen in plaats van zegeningen. {ABN4: 85.1}

Gebruik, bij het op het hart drukken van het jonge verstand van deze twee gevolgen, eenvoudige illustraties. Toon bijvoorbeeld aan, dat als men nalaat om de voedselbacteriën van zijn tanden te verwijderen, door regelmatig de tanden te poetsen na

85

de maaltijden, zij door bacteriën opgevreten zullen worden, zoals fruit wordt opgevreten door wormen wanneer de bomen niet bespoten of verzorgd worden, en het gevolg zal uiteindelijk kiespijn, tandverlies, lelijkheid en uitgaven zijn. Uit deze specifieke opvolging van oorzaak en gevolg, leid dan het verstand van het kind ertoe de algehele toepassing ervan in te zien—dat het schenden van de wetten van God in elk opzicht vanzelfsprekend zal leiden tot pijn, verdriet, een slecht karakter, een schandelijk leven, en een vroegtijdige dood. {ABN4: 85.2}

Waar mee er ook rekening moet worden gehouden in dit levens- en urgente belang, is het ironische feit dat kinderen van nature geneigd zijn tot {het aannemen van} verkeerde gewoonten in plaats van de goede, zoals vleesetende dieren van nature naar vlees zoeken in plaats van naar kruiden. “Dwaasheid” worden wij aan herinnerd, “is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.” Spr. 22:15. Hij op geduldige en verstandige wijze worden getraind, getuchtigd, gekastijd. “Oefen de knaap volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.” Spr. 22:6. Maar als hij verhard en onhandelbaar wordt, weigert om getraind te worden, dan “Kastijd uw zoon, wanneer er nog hoop is, maar laat uw ziel hem niet sparen wegens zijn gehuil.” “Wie zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem reeds vroeg.” Spr. 19:18{KJV}; 13:24. Inderdaad, “onthoud de tucht niet aan de knaap; slaat gij hem met de stok, hij sterft er niet van; gij slaat hem wel met de stok, maar redt zijn leven van het dodenrijk.” Spr. 23:13, 14. {ABN4: 86.1}

86

Tot aan vijf of zes jaren oud, afhankelijk van het persoonlijke temperament, kunnen kinderen lichamelijke kastijding ondergaan wanneer andere maatregelen van tuchtiging en terechtwijzing zonder succes zijn verbruikt. Als de roede bij zulke gevallen op de juiste wijze wordt gebruikt, kan het kind dusdanig reageren dat hij het nooit meer nodig heeft. Als de noodzaak echter opnieuw zich zou voordoen, wees dan uitermate voorzichtig met wat u doet. Want zulke kinderen die een meer drastische bestraffing vereisen dan het gemiddeld kind, kunnen onverbeterlijk worden en een angstcomplex ontwikkelen en daarmee overeenkomende haat tegen hun kastijders. Terwijl dus zulke kastijdingen erop berekend zijn om het in herhaling treden van een grote kwaad in hen te voorkomen, zal het waarschijnlijk zelfs een nog ergere kwaad met zich meebrengen, tenzij er zorgvuldig bestudeerde stappen worden ondernomen ter verzekering tegen de ontmenselijkende uitwerking ervan. Het moet worden toegediend met een evenredige en overtuigende demonstratie van zulk een diepervaren liefde en sterk verlangen voor de dwalende, dat hij geen kinderlijke genegenheid en respect zal verliezen voor zijn kastijders, en zijn thuisleven een dusdanige achtervolgende nachtmerrie voor hem wordt, dat het hem ertoe leidt om op een geschikt moment weg te vluchten. {ABN4: 87.1}

Ouders “zouden eerst met hun kinderen moeten redeneren, duidelijk hun verkeerdheden aangeven, hun zonden aantonen, en hen op het hart drukken dat zij niet alleen tegen hun ouders hebben gezondigd, maar tegen God. Terwijl uw eigen hart onderworpen en vol medelijden en verdriet is voor uw dwalende kinderen, bidt met hen voordat u hen terechtwijst. Dan zal

87

uw terechtwijzing niet veroorzaken dat uw kinderen u zullen haten. Zij zullen u liefhebben. Zij zullen inzien dat u hen niet straft omdat zij een ongemak voor u hebben veroorzaakt, of omdat u uw ongenoegen op hen wenst af te reageren; maar wegens een plichtsbesef, om hun bestwil, opdat zij niet achtergelaten worden om in zonde op te groeien.” –Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 398. {ABN4: 87.2}

Wat er ook gebeurt, zij moeten altijd beïnvloed zijn met het gevoel dat hun kastijders hun beste vrienden zijn, geen kwelgeesten en vijanden. {ABN4: 88.1}

“De moeder kan zich afvragen: ‘Zal ik mijn kind dan nooit {mogen} straffen?’ Slaan kan noodzakelijk zijn wanneer andere hulpmiddelen niet werken; maar zij zou de roede niet moeten gebruiken als het mogelijk is om dat te vermijden. Maar als zachtere maatregelen onvoldoende blijken te zijn, dan zou een bestraffing die het kind bij zinnen zal brengen in liefde moeten worden toegediend. Vaak zal een dusdanige terechtwijzing genoeg zijn voor zijn hele leven, om het kind te tonen dat hij de teugels niet in handen heeft.” –Counsels to Teachers{Raadgevingen aan Leraren}, p. 116. {ABN4: 88.2}

Maar het gewoonlijk vastgrijpen van kinderen bij een enkele en iedere uitdaging, en het boos schudden, een draai om de oren geven, slaan, klappen, of zwepen van hen, en van tijd tot tijd hen de dreiging te slaan over het hoofd houden, is de dwaasheid die de meeste schade veroorzaakt, die evenzeer verafschuwd wordt bij iedere beschouwing van verstand, fatsoenlijkheid en menselijkheid. De voortzetting daarvan zal {het kind} verharden en ontmenselijken, vernietigen in plaats van redden.  Het zal de slachtoffers ervan tot boosaardige kleine dieren maken in plaats van tot edele, op God gelijkende kinderen. {ABN4: 88.3}

88

 “Sommige ouders tuchtigen hun kinderen zwaar in een geest van ongeduld, en vaak met boosheid. Zulke tuchtigingen brengen geen goed resultaat voort. Bij het trachten om één kwaad te verbeteren, veroorzaken zij twee. Het voortdurend terechtwijzen en zwepen {pak slaag geven} verhardt de kinderen en laat hen afwennen van de ouders.” –Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 398. {ABN4: 89.1}

Wanneer u echter moet tuchtigen, wees ernstig, wees vastberaden, en maak een goed, zinnig werk ervan. Zorg ervoor dat u het zo goed doet dat u het niet opnieuw zal hoeven doen. {ABN4: 89.2}

Tegenwoordig komt de jeugd als nooit tevoren op voor een voorbarige zelfvertrouwen, zozeer dat zij zelfs bedreigen het huis te verlaten als iedere wens van hen niet worden ingewilligd. Maar sluit geen compromis met hen in deze kritieke periode, anders zullen zij ten laatste het zover doordrijven dat zij uiteindelijk weg zullen moeten gaan ten einde hun gebluf waar te maken. Geef daaraan niet toe. Verzeker hen ervan dat als zij willen vertrekken, dat u hen zult helpen om openlijk en eervol een begin te maken, maar dat zij niet beschaamd en in het geheim weg te gaan. {ABN4: 89.3}

En ten slotte, laat hen geen respect verliezen voor u of voor uw godsdienst. Zij hebben aan het begin niet zozeer de leerstellingen nodig als zij de eenvoudige lessen van het leven nodig hebben, die op godsdienstige wijze dagelijks in hun verstand wordt ingeprent. Laat hen uw godsdienst liefhebben door hen te helpen het te begrijpen, de waarheid en schoonheid ervan te zien. Tracht nooit hen te dwingen om het aan te nemen; zij zullen

89

het alleen dan maar haten. En vergeet nooit dat als uw handelwijze hen ertoe leidt dat zij over u heersen in plaats van dat u over hen heerst, of dat u over hen heerst met geweld in plaats van met liefde, dan zal het hen en ja, ook u, voor eeuwig vernietigen. Wanneer God dan vraagt: “waar is de kudde, u gegeven, uw prachtig kleinvee?”, zult u verstomd zijn. {ABN4: 89.4}

Laat iedere ouder of voogd door woord en door voorbeeld in het verstand van de jeugd het feit inprenten dat

Tijd Kostbaar Is.

“Het leven van Christus was vanaf Zijn kinderjaren een leven van intensief werken.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 211 {Christ’s Object Lessons, p. 345}. {ABN4: 90.1}

“Onze tijd behoort God toe. Elk ogenblik is van Hem en wij hebben de ernstige verplichting deze te besteden tot Zijn eer. Van geen enkel talent, ons gegeven, zal Hij een nauwgezetter verantwoording vragen dan juist van onze tijd. {ABN4: 90.2}

“De waarde van tijd is niet met woorden uit te drukken. Christus beschouwde ieder ogenblik als waardevol. Zo moeten wij er ook tegenover staan. Het leven is te kort om verknoeid te worden. Wij hebben maar een korte tijd van genade om ons gereed te maken voor de eeuwigheid. Wij kunnen geen tijd verspillen, geen tijd besteden aan zelfzuchtig genot, aan toegeven aan de zonde. Nu moeten wij een karakter vormen voor het toekomstige, eeuwige leven. Wij moeten ons nu gereedmaken voor het onderzoekend oordeel. {ABN4: 90.3}

“De mensen zijn nauwelijks begonnen

90

te leven of ze beginnen reeds te sterven. De onophoudelijke inspanning van de wereld eindigt in het niets, tenzij wij een ware kennis opdoen van het eeuwige leven. Iemand die de tijd op prijs stelt als zijn kans om te werken zal zich voorbereiden op een woning die blijft en op een onsterfelijk leven. Voor hem is het goed dat hij geboren is. {ABN4: 90.4}

“Wij krijgen de raad om de tijd uit te kopen. Tijd ide verknoeid is kan nooit achterhaald worden. Wij kunnen zelfs geen seconde terugroepen. De enige manier om onze tijd uit te kopen is wat overblijft zo goed mogelijk te besteden, door medewerkers van God te worden in Zijn grote verlossingsplan. {ABN4: 91.1}

“In iemand die dit doet, vindt een verandering van karakter plaats. Hij wordt een kind van God, lid van het hemels gezin, kind van de hemelse Koning. Hij is geschikt met de engelen om te gaan. {ABN4: 91.2}

“Nu is het voor ons tijd om te werken voor de redding van onze medemensen. Er zijn mensen die menen, dat geld geven voor het werk van Christus alles is wat van hem wordt gevraagd. De kostbare tijd die zij hadden kunnen gebruiken om persoonlijk voor Hem te werken, gaaat onbenut voornij. Het is echter het voorrecht en de taak van iedereen die gezond en sterk is om God daadwerkelijk te dienen. Iedereen moet werken om anderen voor Christus te winnen. Het geven van geld kan dit werk nooit vervangen. {ABN4: 91.3}

“Ieder ogenblik is geladen met gevolgen voor de eeuwigheid. Wij moeten gereed staan als wachters, klaar om op ieder moment dienst te doen.

91

Het is mogelijk dat de gelegenheid, die wij nu hebben om aan een behoeftig mens het Woord des levens te brengen, zich nooit meer voordoet. God kan tot zo iemand zeggen: ‘Nog deze nacht zal men uw ziel van u afeisen,’ en door onze onachtzaamheid kan hij verloren gaan. Hoe zullen wij op de grote oordeelsdag aan God verantwoording afleggen? {ABN4: 91.4}

“Het leven is te ernstig om te worden doorgebracht met tijdelijke en aardse zaken, in een tredmolen van zorgen en bezorgdheid zijn voor de dingen die slechts van gering belang zijn, vergeleken met de dingen van eeuwigheidswaarde. Toch heeft God ons geroepen om Hem te dienen in dingen van tijdelijke aard. Ijver in dit werk is evenzeer een deel van ware godsdienst als toewijding. De Bijbel hecht geen goedkeuring aan nietsdoen. Ledigheid is de grootste vloek waardoor onze wereld is getroffen. Elke oprecht bekeerde man en vrouw zal een vlijtige werker zijn. {ABN4: 92.1}

“Ons succes in het opdoen van kennis en verstandelijke beschaving is afhankelijk van het juiste gebruik van onze tijd. De beschaving van het verstand behoeft niet te worden verhinderd door armoede, eenvoudige afkomst of ongunstige omgeving. Men moet er alleen aan denken dat van elk moment gebruik wordt gemaakt. Als men een boek bij de hand zou hebben, terwijl men op reis is of op het station moet wachten; wanneer men wacht tot het eten gereed is of wacht op een afspraak, zouden deze enkele momenten

92

gebruikt kunnen worden voor studie, om te lezen of na te denken, in plaats van deze ogenblikken te verspillen door zinloze taal, door onnodig in bed te liggen. Wat zou dan niet bereikt kunnen worden! Een vastbesloten doel, volhardende ijver en een zorgvuldige besteding van tijd zal mensen in staat stellen kennis en verstandelijke discipline op te doen, waardoor zij bekwaam gemaakt zullen worden voor vrijwel iedere positie van invloed en bruikbaarheid. {ABN4: 92.2}

“Iedere Christen is verplicht gewoonten van ordelijkheid, grondigheid en spoed aan te wennen. Er is geen veronstchuldiging voor traagheid bij het werk, wat dat werk ook moge zijn. Als iemand altijd bezig is, zonder ooit klaar te komen, komt dat omdat hart en verstand niet bij het werk zijn. Iemand die traag is en die bij zijn werk alles tegen heeft, moet beseffen dat deze fouten verbeterd moeten worden. Hij moet zijn geest oefenen bij het maken van plannen om de tijd zo goed moegelijk te gebruiken, zodat hij de beste resultaten kan boeken. Sommigen zullen door tact en bepaalde methoden in vijf uur even veel bereiken als anderen in tien uur. Sommigen die in huis werken zijn altijd bezig, niet omdat zij zoveelte doen hebben, maar omdat zij geen plannen maken bij het indelen van hun tijd. Door hun trage, talmende werkwijze bezorgen zij zich onnodig werk. Maar iedereen die dit wil, kan deze gejaagde vertragende gewoonten overwinnen. Laten zij in hun werk een bepaald doel voor ogen hebben. Stel vast hoeveel tijd een bepaalde taak vereist en stel dan alles in het werk om deze taak in de beschikbare tijd af te maken. Het oefenen van de wil maakt de handen bruikbaarder. {ABN4: 93.1}

93

“Door gebrek aan doelstelling in het zich opleggen van een taak kunnen mensen vastraken in een verkeerde leefwijze. Zij kunnen echter door hun krachten te ontwikkelen ook bekwaam worden om een zo goed mogelijk werk af te leveren. Dan zal blijken dat zij overal en onder alle omstandigheden gevraagd zullen worden. Men zal hen waarderen naar wat zij waard zijn. {ABN4: 94.1}

“Door veel kinderen en jongeren wordt tijd verknoeid die gebruikt had kunnen worden in het werk in huis om zodoende liefdevolle belangstelling in vader en moeder te tonen. De jongeren zouden veel verantwoordelijke taken die door iemand gedragen moeten worden, op hun sterke jonge schouders kunnen nemen.” –Lessen uit het Leven van Alledag, blz. 209-211{Christ’s Object Lessons, pp. 342-345}.{ABN4: 94.2}

Het is de essentie van elk juist geloof om het goede op de juiste tijd te doen.” – Testimonies, Vol. 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p. 24. {ABN4: 94.3}

(Al het schuingedrukte is van ons)

WAT ZAL UW VOLGENDE STAP ZIJN?

Als u nu genoten, gewaardeerd en uw voordeel gedaan heeft door deze vraag en antwoord discussie van Boek Nr. 4 en als het uw wens is om verder te gaan, dan kunt u een verzoek inzenden voor Boek Nr. 5. Het zal u toegezonden worden als een Christelijke dienst zonder kosten of verplichtingen. {ABN4: 94.4}

94

SCHRIFTUURLIJK INDEX

95  

    Ik ben geen indrukwekkend, omvangrijk werk—

Mijn woorden dienen ter versteviging,

Toch gloei ik, overal lichtgevend in huis en kerk

(in deze verzegelende bedeling)

Waarin ik verwelkomd en op prijs word gesteld,

Gelezen en herlezen en zeer gewaardeerd,

Niet veracht, verworpen, en bespot en gehaat,

Vervloekt, verscheurd, verbrand word door een wrede geest.

Dus als u, dierbare gastheer, niet zulk een vijand, maar een vriend bent,

Dan zult u uit mijn bladzijden oogsten—

Licht dat uw vragen zal beantwoorden, uw angsten zal beeindigen.

En bekroon door de oneindige eeuwen heen,

Met heerlijkheden van eeuwige verlossing,

Uw besluit om naar mijn Stem te horen,

En te redden uit iedere natie,

Alle heiligen met uzelf om zich te verheugen. {ABN4: 96.1}

—000—

 96


ABN5-1200x675.jpg

1

Kopierecht, 1944, door

V.T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

Opdat een ieder die dorst naar de Waarheid, het kan verkrijgen, wordt dit traktaat kosteloos per post verzonden. Het vereist één vordering, de verplichting van de ziel aan zichzelf om alle dingen te onderzoeken en vast te houden aan datgene wat goed is. De enige voorwaarden die verbonden zijn aan dit aanbod zijn de gouden stranden en de karmozijnrode koorden van Golgotha–de banden die bindend zijn.

Namen en adressen van Z.D. Adventisten die naar ons worden verzonden zullen gewaardeerd worden.

2

De BEANTWOORDER

Boek Nr. 5

Vragen en Antwoorden over Onderwerpen van Tegenwoordige Waarheid in het belang van de Broeders en Zusters der Zevende-dags Adventisten en Lezers van

De Herdersstaf

door V.T. Houteff

Deze “schriftgeleerde,” die is onderwezen betreffende het Koninkrijk der Hemelen, “brengt te voorschijn(…)nieuwe en oude dingen.” Matt. 13:52.

“Heiligt” nu “de Here God in uw harten, altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze.” 1 Petr. 3:15.{KJV}.

3

INHOUDSOPGAVE

Is Onderwijs Schadelijk? 5
Wat Is Godsdienst? 21
Is Er Een Visioen Nodig? 27
Kan Men De Waarheid Vinden Zonder Visioenen Te Krijgen? 28
Waarom Is Er Een Oordeel Nodig? 30
Is “Hij” het, Of Moeten Wij Een Ander Verwachten? 31
Zullen Wij Zuinigheid Betrachten Terwijl Wij Trots Schuwen? 33
Een Voorbeeld Buiten De Wereld, Of Ook In De Wereld? 34
Zal Het Haar Gekruld Mogen Worden? 35
Flanellen Broeken Of Rokken? 35
Is Vertoon Zonde? 37
Zal De Vrouw Haar Hoed Ophouden Wanneer De Man Zijn Hoed Afzet? 38
Hoe Zit Het Met Het Avondmaal? 39
Wat Is Mijn Gave? 40
Hoe Zit Het Met Het Ontvangen Van Geschenken? 42
Hoe Kan Men Staan Als Men Van Plan Is Te Vallen? 42
Hoe Zullen Wij Bidden? 43
Zullen Wij Aanmatigend En Inactief Zijn? 44
Wanneer Wel En Wanneer Niet Schrijven? 45
Wie Zal Ons Uitbetalen? 47
Zullen Wij Alleen De Schapen Voeden, Of Ook De Lammeren? 49
Waarom Niet Werken Voor De Wereld In Onze Vrije Tijd? 50
Welke Traktaten Zijn Geschikt Voor Buitenstaanders? 51
Wat Moeten Wij Bestuderen? 52
Is Het Veilig Om Uit Te Dagen{Te Betwisten}? 52
Wat Wordt Bedoeld Met “Datgene Wat Gepubliceerd Is”? 55
Hoe Kan Ik Bewijzen Dat De Slachting Letterlijk Is? 56
Zijn AL De Gaven Nu Onder Ons Aanwezig? 58
Wat Zal Een Verstandig Mens Doen? 59
Is Het Belastbaar? 62
Hoe Zit Het Met Overheidsdiensten? 63
Zou Een Christen Zich Mogen Aansluiten Bij Vakbonden? 64
Is Het Verkeerd Om Een Eigendomsverzekering Te Bezitten? 65
Hoe Zit Het Met Het Kopen Van Oorlogsobligaties? 66
Salueren of Niet Salueren? 67
Behoort Vaderlandsliefde Tot Het Christendom? 70
Vóór Of Tegen Pensioen Stemmen? 73
Is Het Betamelijk Voor Een Christen Om te Stemmen? 75
Hoe Zit Het Met Het Gebruik Van Melk En Eieren? 76
Zullen Wij Vee en Pluimvee Houden? 77
Wat Is Er Verkeerd Aan Het Eten Van REIN Vlees? 78
Zijn Alle Specerijen Schadelijk Voor De Gezondheid? 81
Waaraan Kan Men Een Davidiaanse Zevende-Dags Adventist Herkennen? 82
Moet Ik Eerst Volmaaktheid Bereiken? 83
Moet De Doop Voorafgaan Aan Lidmaatschap? 83
Is Men Lid Zonder In Het Bezit Te Zijn Van Het Lidmaatschapscertificaat? 84
Wie Mag Een Ambt Bekleden? 84
Wiens Systeem Duidt Geldzuchtigheid Aan? 84
Hoe Zit Het Als Ik Geen Tienden Heb Te Betalen? 85
Tiende Of Geen Tiende Eruit Betalen? 85
Is Een Geringe Inkomen Vrijgesteld Van Het Betalen Van Tiende? 86
Zijn Poppen Afgoden? 87
Hoe Zit Het Met Het Spelen Van Spelletjes? 88
Zijn Er Enige Verrezenen Onder De 144.000? 89
Zijn De 144.000 Alleen Joden Door Aanneming? 90
Wat Duidt De “Heilige Berg” Aan? 91
Hoe Kan Ik Mij Laten Inschrijven In Het Instituut? 92
Wachten Tot Na Registratie, Of Eerder Inschrijven? 93
Wat Zal Uw Volgende Stap Zijn? 94

 

4

Vragen En Antwoorden

———–

IS ONDERWIJS SCHADELIJK?

Vraag Nr. 108:

Wat is er verkeerd aan onderwijs{scholing}? Waarom produceert het zoveel mislukkelingen? Neem ik niet een gevaarlijke risico door mijn kinderen naar school te zenden? {ABN5: 5.1}

Antwoord:

Het probleem ligt niet aan het onderwijs zelf, maar eerder aan het soort onderwijs dat men ontvangt. Ja, er zijn twee soorten onderwijs—het menselijke en het Goddelijke, het natuurlijke en het geestelijke, het verkeerde en het juiste. Daar de mens geboren is met het verlangen om het natuurlijke lief te hebben en het geestelijke te haten, dan wordt vanzelfsprekend de menselijke werkwijze van onderwijs in hoge mate beoefend, en de Goddelijke werkwijze in grote mate, indien niet volkomen, verwaarloosd. Dit is dus de oorzaak van “zoveel mislukkelingen.” {ABN5: 5.2}

Het is een erkend feit dat het eerstgenoemde in feite is berekend om de leerling te trainen, niet om te produceren, maar om te consumeren—om inhalig en zelfzuchtig te zijn; terwijl het laatstgenoemde is bedoeld om de leerling te trainen om meer te produceren dan wat hij consumeert—om weldadig en onzelfzuchtig te zijn, te leven voor anderen, niet voor zichzelf. {ABN5: 5.3}

Men moet zich ook nog realiseren dat zelfs indien de scholen het juiste soort training zouden geven, dan zou het worden tegengewerkt door ouders die hun kinderen toestaan om hun tijd

5

te verspillen, in plaats van hen te leren hoe zij iemands lasten kunnen verlichten en de kost kunnen verdienen. Als er dus geen wederzijdse samenwerking is tussen de school en het thuisleven, dan zouden de kinderen, ondanks dat er zelfs een goed onderwijssysteem aanwezig is in de school, niettemin worden getraind om een last te worden voor zichzelf, een blok aan het been voor hun ouders, en een nadeel voor de wereld. {ABN5: 5.4}

In plaats van hun schoolperiode tot een voorbereiding op het leven te maken, maken de meeste studenten het tot een vakantie van het leven. Wanneer dan de dag van het afstuderen aanbreekt, hebben zij daardoor geen idee van wat zij daarna zouden moeten doen! En zelfs wanneer zij wel “een beroep in gedachte hebben, hebben zij vaak jaren nodig om de fundamentele werkgewoonten te verkrijgen op hun terrein.” {ABN5: 6.1}

Het is een onderzocht feit dat gedurende hun schoolperiode, de studenten ervan houden om te parasiteren, iets wat een ondeugd is geworden. En hoe langer zij naar school gaan, hoe sterker deze zelfzuchtige gewoonte lijkt te worden. En dit is de reden waarom “werkgevers niet langer,” verklaart Dr. Henry C. Link, de psycholoog, “met elkaar strijden in hun haast om afgestudeerden van de universiteit aan te nemen. Bovendien worden zij, bij het samenstellen van hun selectie, vaak meer beïnvloed door de buitenschoolse activiteiten van de student en zijn verworvenheden bij het omgaan met zijn medestudenten, dan door zijn succes bij de leraars.” {ABN5: 6.2}

Wat de tegenwoordige generatie het meest moet leren op school is om op te houden te parasiteren

6

en te beginnen met te produceren, juist datgene waar zij in toenemende mate tegen opzien. Kinderen zouden moeten worden geleerd dat de enige manier waarop men per slot van rekening het leven waard kan zijn, is door voornamelijk een producent te zijn, iemand die meer produceert dan dat hij consumeert {verbruikt}, en om bekommerd te zijn, niet om te krijgen, maar om te geven, en om zich te realiseren dat zulk een onzelfzuchtige, weldadige gewoonte juist de poort is tot succes en geluk. {ABN5: 6.3}

Het gebeurde tegen de tijd dat Abraham zijn oprechte, edelmoedige en vriendelijke gastvrijheid ten toon spreidde door de drie vreemdelingen hartelijk uit te nodigen en daarna krachtig te overreden om even hun doorreis te onderbreken om te rusten en een maaltijd te nuttigen, dat de belofte van een zoon, die hem jaren tevoren werd gegeven, een werkelijkheid werd. En het getrouwe dwingen van Lot bij twee van deze zelfde vreemdelingen om hun doorreis te onderbreken en in zijn huis te overnachten, verloste hem van de vurige vernietiging van Sodom. {ABN5: 7.1}

Laat ons niet vergeten dat de belichaming van deze Goddelijke beginselen de eerste stap is tot iemands bekering tot de godsdienst van Christus. Het over het hoofd zien van deze noodzakelijke vereisten terwijl men poogt een Christen in alle opzichten te worden, is niet minder absurd dan het uitnodigen van een predikant om een huwelijksceremonie te voltrekken zonder een gewillige partner te hebben om mee te trouwen. {ABN5: 7.2}

Over het onderwerp van persoonlijkheid schrijft Dr. Link: “Een gemoed is niet aangeboren, het wordt verkregen door training. Een persoonlijkheid wordt niet aangeboren, het wordt ontwikkeld door oefening. Maar wij hebben geen bibliotheek van wetenschappelijke boeken over

7

het laatstgenoemde. Het grootste en meest geloofwaardige leerboek over persoonlijkheid is nog steeds de Bijbel, en de ontdekkingen die psychologen hebben gedaan zijn geneigd de systematisering van persoonlijkheid die daar wordt gevonden eerder te bevestigen dan tegen te spreken. Psychologie verschilt in dit belangrijk opzicht van alle andere wetenschappen. Terwijl de andere wetenschappen ons hebben geleerd dat onze vorige ideeën en geloofsovertuigingen over de natuur verkeerd waren, bewijst de psychologie dat vele van de vroegere ideeën en voorschriften over het ontwikkelen van een goed karakter en persoonlijkheid het juist hadden. {ABN5: 7.3}

“De hoofdgedachte die door alle elementen en gewoonten van persoonlijkheid die bij dit onderzoek zijn inbegrepen heen loopt, is deze: Het kind ontwikkelt een goede persoonlijkheid of ten minste de fundamenten van zulk een persoonlijkheid, door vele dingen te doen die hij van nature niet doet, en vele dingen waarvan hij feitelijk een afkeer heeft. Eten met mes en vork kan voor hem na verloop van tijd een vanzelfsprekendheid en zelfs plezierig worden, maar pas wanneer zijn ouders vier tot acht jaren van zware inspanning hebben verricht om hem ertoe te brengen om ze op de juiste wijze te gebruiken. Natuurlijk verschillen kinderen in geaardheid en overerving; maar ongeacht hoe goed zij ook zijn, moeten de basisgewoonten door een proces van discipline ingeprent worden. Met het oog op de onvermijdelijke wrevel tegen discipline die kinderen ontwikkelen en hun traagheid in het verwerven van vele wenselijke gewoonten, moet iedere beschikbare invloed, druk, of middel, welke hun verwerving van deze gewoonten zal verhaasten,

8

aangewend worden. De meeste ouders hebben iedere bron van hulp en ondersteuning nodig die beschikbaar is bij dit proces.”—The Return to Religion{De Terugkeer naar Godsdienst}. {ABN5: 8.1}

Noodzakelijkerwijs moet men, ten einde waarlijk succes te boeken in het leven, een overwicht verkrijgen in vaardigheden, een grotere bekwaamheid verkrijgen in een paar, en duidelijk verheven bekwaamheid verkrijgen in één; en ook een hunkerend verlangen om eerst anderen te behagen en te zegenen, en alleen in de tweede plaats zichzelf tevreden te stellen. God heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn enige Zoon gaf. De mens behoort daarom ook vrijgevig te zijn in die mate dat ook zij hun tijd en energie vrijelijk besteden aan het behartigen van de belangen van anderen. “Een Verwijzing(en) [sluiten]        [2:4] 1 Kor 10:24; 13:5.

ieder zie niet op het zijne, maar een ieder zie ook op hetgeen der anderen is.” Fil. 2:4. Bij zulk een gelukkige handelwijze zullen zij zichzelf meer van nut zijn dan anderen. “Maar Verwijzing(en) [sluiten][6:33] 1 Kon 3:13. Ps 37:25; 55:23.zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.” Hij die de werking van deze Goddelijke wet ten volle begrijpt, en het zonder aarzelen gehoorzaamt, is de enige die ware succes maakt van het leven. En het feit dat zij die het belang van hun werkgever het voornaamste belang maken in hun leven, de enigen zijn die promotie ontvangen en die hoge en verantwoordelijke posities verkrijgen, toont aan dat deze Goddelijke wet zelfs werkt onder niet-Christenen. {ABN5: 9.1}

De vooruitgaande student moet de theorieën op de proef stellen naar gelang hij voortgaat en voordat hij nieuwe theorieën aanleert. Dat wil zeggen: In plaats van

9

zich alleen maar te voegen bij het navolgen van de kennis, moet hij de kennis die hij heeft verworven toepassen om een bestaan te kunnen leiden. Bovendien, hoe langer iemand beschermd wordt van de werkelijkheden van een werkend leven, hoe minder bekwaam hij wordt om hen tegemoet te treden wanneer hij met de noodzaak daarvan wordt geconfronteerd. Zulk een onderwijs kan alleen maar tot mislukkelingen leiden—sociale parasieten. Maar het ware onderwijs “bereidt de student voor op de vreugde van dienstbaarheid in deze wereld, en op de hogere vreugde van een uitgebreidere dienstbaarheid in de toekomende wereld.” –Education, p. 13{Karaktervorming, blz. 13}. {ABN5: 9.2}

Vandaar dat ouders die hun kinderen zouden willen helpen om het leven succesvol en de moeite waard te maken, het niet zouden moeten nalaten om de jeugd alzo te trainen. Dan zullen zij duidelijk inzien dat het juiste soort onderwijs niet alleen iets prettigs is, maar dat het alles is wat bijdraagt tot het ontwikkelen van een goed karakter. Niemand kan het zich veroorloven om hun kinderen zonder dit onvervangbare onderwijs achter te laten. Als uw kinderen dus een dergelijke training niet op school ontvangen, dan zouden zij het onvermijdelijk thuis moeten ontvangen. {ABN5: 10.1}

En bij het opnemen van deze verantwoordelijkheid zouden ouders altijd in gedachten moeten houden dat mensen van nature geboren parasieten zijn. Een zuigeling doet niets om zichzelf te behelpen. Alles wat nodig is voor het bestaan ervan wordt gedaan door anderen. En de enige manier om een kind volledig van deze naar binnen gekeerde gewoonten af te helpen, is door

zo vroeg mogelijk te beginnen hem te leren hoe zichzelf te behelpen, totdat hij uiteindelijk

10

 over al zijn behoeften de baas is geworden. Zodra een vogel uit zijn nest is, leren de ouders het hoe te vliegen en zijn eigen bestaan te leiden. Ouders die verzuimen om aldus hun kinderen te trainen, zijn minder verstandig dan de stomme dieren, en zeer zeker de ergste vijanden van hun kinderen. {ABN5: 10.2}

Een zekere vader faalde erin, zoals Eli de priester van het vroegere Israel dat deed, om deze verantwoordelijkheid op zich te nemen en had daardoor grote moeilijkheden met zijn zeventienjarige zoon. Aan Dr. Link vertrouwde hij zijn situatie toe: {ABN5: 11.1}

“Ik geloof dat mijn zoon goed van verstand is, maar gedurende de laatste paar jaren is zijn werk op school in toenemende mate slecht geworden. Dit semester faalde hij in drie vakken. Maar wat mij zelfs meer zorgen baart dan zijn schoolwerk, is zijn algemene houding ten opzichte van het leven. Hij schijnt te denken dat de wereld en in het bijzonder zijn ouders het hem verschuldigd zijn om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het is zo dat wij leven in een welgestelde gemeenschap. Velen van de gezinnen zijn rijker dan wij, en hoewel ik zeer liberaal ben geweest met mijn zoon, door hem een ruime zakgeld en goede kleding te geven, hem het gezinsauto te laten rijden, enz., is hij verre van tevreden. Nu wil hij zijn eigen auto, en blijft hij spreken over de vele jongens in de stad die hun eigen auto hebben. {ABN5: 11.2}

“Wanneer ik hem vraag om te zorgen voor de oven of de laan, of om enige andere werkzaamheden te verrichten, vertelt hij mij dat de andere jongens dit soort dingen niet hoeven te doen. Hoewel ik hem soms wel zover krijg om een taak uit te voeren, kan ik er nooit op rekenen dat hij het op de juiste wijze uitvoert. Hij heeft geen gevoel voor verantwoordelijkheid of verplichting, maar hij acht zijn familie verantwoordelijk voor het mogelijk maken van alles wat hij wil doen. In feite is zijn hoofddoel in het leven om plezier te hebben, en zijn idee van een leuke tijd hebben, voor zover ik dat kan

11

beoordelen, houdt in te doen wat hij wil, wanneer hij dat wil, ongeacht wat iemand anders daarvan vindt. Ik ben vreselijk bezorgd dat hij een karakter aan het ontwikkelen is dat hem ongeschikt zal maken voor de wereld; net zoals het hem reeds ongeschikt heeft gemaakt voor zijn studies.” {ABN5: 11.3}

Er zijn duizenden van dergelijke ongelukkigen van verschillende leeftijden, wiens falen in het leven terug te vinden is bij hun ouders. Door in het geheel teveel te doen voor hun kinderen, beroven zij hen van de gelegenheid om gewoonten van zelfvoorziening te verkrijgen. In plaats daarvan hebben zij het denkbeeld gekregen dat of hun eigen of andermans ouders het hen verschuldigd zijn om hen van levensonderhoud, een opleiding te voorzien, en van weelde, die zij ernstig als een noodzakelijkheid achten. {ABN5: 12.1}

Hoewel materiële voordelen eraan meewerken om iemands leven te vergemakkelijken, verzwakken zij zijn karakter. Het onbeteugelde verlangen van de ouders om aan hun kinderen goed te doen, plus de middelen om dat te doen, brengen aan hen onherstelbare schade toe. En aldus worden de zonden van de dwaasheid van de vader en zijn onverstandig geleide voorspoed bezocht aan de kinderen. In dit verband wordt steeds meer de waarheid gezien in de Goddelijke terechtwijzing: “Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: in trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendige en de arme te ondersteunen.” Ezech. 16:49. {ABN5: 12.2}

Het is een welbekend feit dat de meest geleerde mensen over het algemeen het meest aarzelend zijn om het evangelie van Christus aan te nemen, en dat zij zich onder de laatsten bevinden die gelijke tred houden met de Waarheid. In

12

dit verband is meer dan in enig ander het spreekwoord van toepassing: “Zalig, gij armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.” Lukas 6:20. {ABN5: 12.3}

Ouders kunnen hun kinderen alleen maar van het verlangen afhelpen om in het bezit te geraken van rijkdommen die door anderen zijn verdiend, als zij zeer vroeg in het leven van het kind beginnen met het ontwortelen van zijn naar binnen gekeerde gewoonten en daarvoor in de plaats naar buiten gerichte gewoonten inprenten. In de strijd voor karakter, persoonlijkheid en bruikbaarheid, hebben de kinderen van arme ouders het voordeel over die van rijke ouders. {ABN5: 13.1}

 De meest eerbare en meest belangrijke mannen en vrouwen van de wereld, die de wereld iets waardevols hebben nagelaten, kwamen uit arme gezinnen. Als voorbeeld zullen wij de lezer slechts een paar van zulke persoonlijkheden ter herinnering brengen: {ABN5: 13.2}

Jack London’s kinderjaren was bestempeld door armoede en ontberingen, en toch werd hij, geobsedeerd door een gedreven ambitie om een grote schrijver te worden, de beroemde schrijver van eenenvijftig boeken, evenals van ontelbare verhalen. Zijn jaarlijks inkomen werd tweemaal zoveel als die van de president van de Verenigde Staten. {ABN5: 13.3}

En Helen Jepson, die eens zo arm was dat ze geen muzieklessen kon nemen, werd een van onze grootste zangers. {ABN5: 13.4}

Andrew Carnegie begon te werken voor twee cent per uur, en hij verwierf vierhonderd miljoen dollars. {ABN5: 13.5}

13

De laatst overleden John D. Rockefeller, die waarschijnlijk het grootste fortuin in de gehele geschiedenis heeft vergaard, begon in het leven met het schoffelen van aardappelen onder de kokendhete zon voor vier cent per uur. {ABN5: 14.1}

Thomas A. Edison, die de meest bekwame burger van de wereld wordt genoemd, begon zijn carrière als een krantenjongen op de Grand Trunk Railway. Zijn eerste laboratorium werd opgericht in een compartiment van een bagagewagen. {ABN5: 14.2}

Benjamin Franklin was een man die zich op haast ieder terrein van inspanning onderscheidde. Uitvinder, wetenschapper, schrijver, staatsman, filosoof, drukker, diplomaat, humorist – voorzeker zijn er weinig andere mensen die zich aan zoveel carrières gewaagd en ze zo succesvol uitgewerkt hebben. Toch was hij geboren in een arm gezin van een kaarsenmaker, en had hij geen bijzondere voordelen als kind. {ABN5: 14.3}

Luther Burbank, die genoemd wordt de “Plantentovenaar,” was niet in staat verder te gaan op school dan het stadsacademie, en toen hij jong was begon hij te werken in een fabriek. {ABN5: 14.4}

Het leven en de geschiedenis van Dr. G.W. Carver brengt ook het feit sterk naar voren dat ten einde het karakter te vormen, een opleiding te verwerven, en een waar succes te maken van het leven, het noodzakelijk is dat men vanaf nul begint, zichzelf behelpt, en door de schooltijd heen zelf de kosten betaalt. {ABN5: 14.5}

Wij citeren uit een korte biografische beschrijving van deze grote wetenschapper, zoals het werd gepubliceerd in The Reader’s Digest, december 1942, net voor zijn dood: {ABN5: 14.6}

14

”Geboren in Missouri rond 1864, heeft Dr. Carver zijn vader en moeder nooit gekend—zij werden weggevoerd door slavendrijvers toen hij een zuigeling was. Een blanke plantage-eigenaar, Moses Carver, voedde het kind op, gaf hem zijn naam, en vanwege de slechte gezondheid van de jongen, liet hij hem vrouwenwerk doen: koken, kleren naaien en wassen. {ABN5: 15.1}

Maar er brandde een vreemd vuur{verlangen} in hem. Het enige boek dat hij zich kan herinneren dat er in het huis van de Carvers was, was Webster’s Speller. Hij leerde het uit het hoofd. Daar zij zelf door moeilijke tijden werden overvallen, waren de Carvers niet in staat om hem naar school te sturen. Hij ging uit zichzelf; hij sliep in schuren en hooischuren; werkte voor zijn voedsel bij welke baan dan ook dat hij tegenkwam, nam al de lessen die het een-kamer-grote schoolhuis te bieden had. “Het wassen van witte mensen kleding” zorgde ervoor dat hij zijn middelbare school kon betalen. {ABN5: 15.2}

Hij werd per schrift toegelaten tot de Universiteit van Iowa, alleen om te worden afgewezen toen hij daar aankwam, omdat hij een neger was. Als gevolg daarvan opende hij een kleine wasserette en had aan het eind van een jaar genoeg fondsen verworven om toelating te verkrijgen tot Simpson College te Incrianola, Iowa. Door de drie jaren heen op die school waste, boende hij en maakte hij schoon en ging door om vier jaren af te ronden van landbouwkundige studies te Iowa State College. Daar verwierf zijn bekwaamheid met grondsoorten en planten hem, bij de diploma-uitreiking, een plaats op de school. {ABN5: 15.3}

Rond die tijd, in het centrum van Alabama, droomde Booker T. Washington—oprichter en voorzitter van Tuskegee Institute–van een economische onafhankelijkheid voor de negride boer. De droom had een man nodig. Washington koos voor de jonge Carver. {ABN5: 15.4}

Toen Carver te Tuskegee aankwam in 1896, scheen er maar weinig te zijn waarop hij kon werken en niets waarmee hij kon werken. Washington wilde een agrarische laboratorium; er was noch apparatuur noch geld aanwezig. Hij wilde een boerderijschool; de grond was armoedig. Hij wilde gras op het Tuskegee terrein; er was alleen maar zand. {ABN5: 15.5}

15

Vandaag de dag bevindt zich in een glazen kast in het museum het materiaal waarmee Carver zijn eerste laboratorium maakte. Ter verwarming verstelde hij een tweedehandse schuurlantaarn. Zijn mortier was een zware keukenmok; hij gebruikte een plat stuk ijzer als vijzel. Bekers {of buizen} werden gemaakt door de kop van oude flessen af te snijden, die werden gehaald uit het schoolafval. Hij veranderde een inktfles in een alcohollamp en maakte zijn eigen kous daarvoor. {ABN5: 16.1}

De grond op zijn 16 hectaren  grote “experimentele boerderij” was zanderig, geërodeerd en verarmd. Hij zond zijn leerlingen naar de zwampen en de bossen, bewapend met manden en emmers. Dagelijks brachten zij modder en droge bladeren, en zij bedekten de grond daarmee. Op die hectaren grond toonde hij aan dat het slechtste soort grond kan worden gemaakt om iets voort te brengen—niet een, maar twee oogsten van zoete aardappelen per jaar. Daar oogstte hij ook een van Alabama’s eerste baal-per-hectare oogstopbrengst van katoen. {ABN5: 16.2}

“Iedereen vertelde mij,” zegt hij, “dat het grond onvruchtbaar was. Maar het was het enige soort grond dat ik had. Het was niet onvruchtbaar. Het was alleen maar ongebruikt.” {ABN5: 16.3}

Hij vond andere functies ervoor. Van de meervoudig gekleurde klei van Macon County maakte hij aardewerk, inkt voor muurbehang, kleursel voor siercementstenen. Daar hij een verstokte vijand is van afval, maakte hij van maïs-, katoen-, en sorghumstengels isolatieplaten; hij produceerde papier van de takken van wistaria, zonnebloemen en de wilde hibiscus; weefde decoratieve tafelmatjes van zwampkattenstaart;  maakte tafellopers door heldere kleikleurstof als kleur te gebruiken, van voeder-en

zaadzakken. {ABN5: 16.4}

Om zijn Groene Weiden Evangelie aan de boer te brengen veranderde hij een tweedehandse buggy in een mobiele agrarische school, beladen met bewijsstukken, leende een paard, en maakte regelmatig tochten over het platteland. Dit was de eerste der “mobiele scholen” die vandaag, behuisd in vrachtwagens en aanhangwagens, en ondersteund door de Afdeling Landbouwkunde van de VS, over geheel Alabama doortrekken. {ABN5: 16.5}

Toen groeide er in Macon County, zoals het meeste van het Zuiden, naast katoen weinig andere gewassen. Om het grond te sparen

16

en het inkomen van de boerderij te vergroten, ondersteunde Carver het planten van zoete aardappelen en pinda. Vandaag de dag is de zoete aardappel een stempeldrager van de zuidelijke boerderij; en onze pindaboeren van het zuiden zullen dit jaar bijna $70,000,000 vergaren voor hun oogstopbrengst. Dr. Carver heeft meer dan welk ander persoon dan ook bijgedragen aan het verbreken van het katoenstempel van de zuidelijke landbouw. {ABN5: 16.6}

Tijdens zijn pionierswerk in Macon County, vond hij haast geen groentetuinen, weinig varkens, kippen of koeien. Pellagra-veroorzaakt door een ongebalanceerd dieet—was wijd verspreid. Daarom predikte hij over keukentuinen en werkte recepten uit die aantonen hoe men groenten kan bereiden en bewaren. Vandaag de dag is er, volgens het plaatselijke landbouwbureau, haast geen boerderij van een neger zonder een groentetuin, varkens, kippen, en tenminste één koe. De ziekte Pellagra is feitelijk verdwenen. {ABN5: 17.1}

Dr. Carver houdt standvastig aan dat de begin-waar-je-bent-formule overal zal werken. Enige jaren geleden sprak hij bij een Negride organisatie in Tulsa, Oklahoma. Om materiaal ter illustratie te verzamelen bracht hij een vroege morgen door te Sand Pipe Hill, dichtbij Tulsa. Hij kwam terug met 27 planten, die allemaal geneeskrachtige eigenschappen bevatten. {ABN5: 17.2}

“Toen,” zei hij, “ging ik naar Ferguson’s Drugstore en kocht zeven patente medicijnen die bepaalde elementen bevatten die in die planten worden gevonden. De medicijnen zijn per schip overgebracht vanuit New York. Zij zouden van Sand Pipe Hill vandaan moeten komen. visioen{gezicht} is, komt het volk om.’” {ABN5: 17.3}

* * *

Hij werd genoemd – deze man wiens ouders negerslaven waren –“ de eerste en grootste chemurgist.” Er zijn miljoenen dollar zaken {bedrijven} opgericht, die geheel of gedeeltelijk voortvloeien uit zijn ontdekkingen –waarvan de grootste onder hen een $ 200,000,000 per jaar opbrengende pinda-industrie is. Zijn oogstopbrengst-pionierswerk brengt ieder jaar vele miljoenen op voor de zuidelijke boeren. {ABN5: 17.4}

17

Hij is overspoeld geweest met oorkondes. Thomas Edison nodigde hem uit om zich bij zijn personeel aan te sluiten voor $50,000 per jaar. Henry Ford heeft hem een laboratorium geschonken voor onderzoeken over voedsel in oorlogstijd.  Jongstleden in juni gaf “The Progressive Farmer” hem haar jaarlijkse prijsuitreiking voor “uitnemende dienstverlening tot de zuidelijke landbouw.” Het Theodore Roosevelt Medaille kwam hem tegemoet in 1939 als “een bevrijder van mensen zowel van de blanke als van de zwarte ras.” {ABN5: 18.1}

“Welk ander mens van onze tijd,” vroeg de New York Times, “heeft zoveel gedaan voor de landbouw in het Zuiden?” {ABN5: 18.2}

De wereld die aldus vraagt naar Dr. George Washington Carver, vindt hem nog steeds in het wetenschappelijke instituut waar hij 46 jaren lang heeft gewerkt: Macon County, Alabama, en het terrein van het Tuskegee Institute,  de befaamde negerschool. {ABN5: 18.3}

Het is zijn eigen filosofie dat hem daar houdt; hij gelooft dat er geen groenere weiden zijn die dichtbij zijn. Wetenschapshalve heeft hij die overtuiging gereduceerd tot een formule: “Begin waar je bent, met wat je hebt, maak daar iets van, wees nooit tevreden.” Nu hij bijna de 80 bereikt, laat hij die formule nog steeds voor zich werken. {ABN5: 18.4}

Hij gaf mij recentelijk een rondleiding door de George Washington Carver Museum te Tuskegee—gebouwd met zijn spaargeld om de resultaten van zijn dichtbijzijnde verkenningstochten en ontdekkingen te behuizen. Hij draagt nog steeds de bekende gehavende pet en de gerafelde grijze dikke trui. Zijn stem is zacht{zwak} en zijn schouders gebogen. Maar er zijn geen tekenen van zwakheid aan zijn verstand en geest. {ABN5: 18.5}

Op een kleine veld achter het museum wees hij naar een halve honderd stroken aan grenenhout planken, die aan de zon waren blootgesteld. Zij waren pas geverfd: helder blauw, geel, rood, groen getint. {ABN5: 18.6}

“De reden waarom de boeren hier hun huizen niet schilderen,” zei hij, “is niet dat zij lui of onverschillig zijn. Het komt doordat zij geen contant geld hebben om verf te kopen. De verf dat aan het verweren is op deze planken kost haast niets. De kleur komt van de kleilagen die vlak hier in Macon County zijn. De basis is gebruikte motorolie.” {ABN5: 18.7}

18

 Deze inlandse verf, gemaakt en getest door Dr. Carver te Tuskegee, wordt nu gebruikt door de Tenessee Valley Authority bij een demonstratie van de plattelandse huisverfraaiing in 14 TVA locaties. {ABN5: 19.1}

Dr. Carver was de eerste en is nog steeds de grootste vertegenwoordiger voor het gebruik van de braakgelegen landerijen en afvalproducten van het Zuiden ten einde het dieet van de zuidelijke boerderijen te balanceren. Dit vereiste meer dan landbouwkundige kennis, dus leerde hij hoe een gespecialiseerde diëtist en kok te zijn. Zijn “43 Manieren om De Wilde Pruimen Oogstopbrengst te Redden” is een verzameling van door Carver geverifieerde recepten: marmelade, stroop, azijn, soep, kroketten. {ABN5: 19.2}

Zijn beroemde experimenten met de pinda leidde tot de productie van meer dan 300 bruikbare artikelen. Onder dezen worden nu op commerciële basis vervaardigd zijn pindakaas en pindabloem, naast verscheidene oliën en {kunst}mest. Wijdverspreid wordt gebruikt een pamflet voor de vrouw van de boer: “105 Manieren Hoe de Pinda te Bereiden voor Tafelgebruik,” inclusief recepten voor pindasoep, brood, pasteitjes, pasteikorst, doughnuts{soort oliebol}, kaas. Met zulk een wijdverspreid gebruik nam de pinda oogstopbrengst toe van 700 miljoen pond in 1921 tot 1400 miljoen in 1941. {ABN5: 19.3}

Afgelopen maart publiceerde Dr. Carver zijn eigen Victory Garden bulletin: “De Tuin van de Natuur voor Overwinning en Vrede.” De Voorpagina ervan citeert uit Genesis: “Zie, Ik heb u gegeven iedere kruid(…) het zal u tot spijze dienen.” Daarin bevindt zich een lijst van meer dan 100 grassoorten, onkruid en wilde bloemen die kunnen worden gebruikt als voedsel, en recepten die aantonen hoe ze te gebruiken. Daarin inbegrepen zijn: cichoreikoffie—“sommigen hebben een voorkeur ervoor dan voor echte koffie”—gebak “gelijkvormig aan appel of rabarber” gemaakt van zuurgras; “aspergetopjes” van de stengels van zijde-onkruid; wilde klaver “voor lekkere en luxe salades”; grassalade broodjes, die een aanzienlijke populariteit hebben op het Tuskegee universiteitsterrein. {ABN5: 19.4}

* * *

De Bijbel, vertelde Dr. Carver mij, is even belangrijk in zijn werk als zijn laboratorium dat is. Hij heeft twee

19

favoriete Bijbelteksten. Een van hen noemt hij zijn “licht” passage. Het is Spreuken 3:6 : “Ken Hem in al uw wegen, dan zal Hij uw paden rechtmaken.” De ander is zijn “kracht” passage. Het is Filippenzen 4:13 : “Ik vermag alle dingen door Christus Die mij kracht geeft.” {ABN5: 19.5}

“Dit is de enige vraag die gekleurde mensen moeten beantwoorden,” hoorde ik hem zeggen tot een groep negride predikanten: “Hebben wij datgene wat de wereld wilt hebben?” Hij vertelde over het vernemen van een groep blanke mannen die op zoek waren naar een man die olie kon opsporen. “Zij waren vergeten te zeggen of zij een blanke man, een rode man, een gele of zwarte man wilden; zij zeiden alleen maar dat zij een man wilden die olie kon opsporen. {ABN5: 20.1}

“Ga niet op zoek naar Nabot’s wijngaard,” zei hij. Een ieder van u heeft ongetwijfeld al de wijngaarden die hij nodig heeft {binnen zijn bereik}.” {ABN5: 20.2}

Laten ouders nu deze toepasselijke vraag beantwoorden: Wat maakte Dr. Carver tot een geweldige wetenschapper, en zijn onmisbare prestaties mogelijk? Was het niet datgene wat verarmde omstandigheden hem leerden en wat zijn alles in beslag nemende verlangen om de mensheid te zegenen bij hem erop aandrong te doen? {ABN5: 20.3}

Het is duidelijk dat kinderen vanaf het prille begin van hun training {opvoeding} de waarde van tijd en de waarde van een dollar geleerd zouden moeten worden, en zelfs ertoe gedwongen zouden moeten worden, indien noodzakelijk, zichzelf te behelpen en de rechten van het eigendom van anderen te respecteren—om opbouwers te zijn, geen afbrekers, geen klaplopers, verspillers of verkwisters. Slordige werkgewoonten hebben als resultaat een slechte persoonlijkheid. {ABN5: 20.4}

In het licht van de tien geboden zouden deze beginselen meer dan welke anderen ook,

20

dag aan dag moeten worden ingeprent in het verstand van de jeugd. {ABN5: 20.5}

“Maar gij zult deze Mijn woorden in uw hart en in uw ziel leggen,” gebiedt de Heer, “gij zult ze tot een teken op uw hand binden en zij zullen een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn. Gij zult ze uw kinderen leren en daarover spreken, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat; gij zult ze schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten, opdat gij en uw kinderen in het land, waarvan de Here uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun zou geven, zó lang leeft, als de hemel boven de aarde staat.” Deut. 11:18-21. {ABN5: 21.1}

WAT IS GODSDIENST?

Vraag Nr. 109:

Bestaat godsdienst alleen maar uit studeren en bidden, vasten en wenen, prediken en troosten, bekeren en vergeven, bedelen en geven? Hoe kan men godsdienstig worden, en wat voor verschil zal het maken in iemands leven? {ABN5: 21.2}

Antwoord:

Net zoals het Grote Voorbeeld van Bijbelse godsdienst het Woord (de Zoon) van God was in menselijke vorm (1 Johannes 1:1), zo is Bijbelse godsdienst op zichzelf de geboden (gerechtigheid) van God in menselijke vorm ( 2 Kor.3:3; Ex. 31:18). Maar het medium waardoor de ziel in vitaal contact komt met Bijbelse godsdienst, is de Heilige Geest. En deze levende verbinding met het Woord

21

van God is de onmisbare voorwaarde voor de beoefening van Bijbelse godsdienst—het enige middel voor de verlossing van het {menselijk} ras,– haar terugkeer van haar rondzwervingen in de wildernis tot haar Edense thuis. Hij die dus ware godsdienst zou willen bezitten, moet bidden voor de Geest der Waarheid. Op geen andere wijze kan hij waarlijk godsdienstig worden—de “vlezen tafelen”, de geboden van God in menselijke vorm worden. Door ze uit te leven (te beoefenen) behoedt hij zich niet alleen voor het aanbidden van hetzij valse goden of enige gelijkenis van God Zelf, maar ook voor het verspillen van tijd. Getrouwheid aan de geboden veroorzaakt hem al zijn werk te doen in de zes werkdagen van iedere week, waarbij hij niet één daarvan nalaat om achterstallig te blijven van week tot week. En door de geboden wordt hij zowel eraan herinnerd dat de zevende dag een Heilige Gedenkteken van de schepping is (Ex. 20:3-17), alsmede ingeprent dat hij zijn naaste zou moeten liefhebben als zichzelf (Markus 12:31). Aldus zien wij dat ware godsdienst inderdaad meer inhoudt dan slechts bidden, vasten, geven, en prediken; en dat het zeer zeker geen “bedelen” inhoudt. {ABN5: 21.3}

De leden van het Koninkrijk-kerk zullen, volgens Jesaja, bekwaam zijn in hun respectievelijke ambachten en beroepen. Als bouwers, ingenieurs, timmerlieden, metselaars, machinisten, of wat dan ook, zullen zij “de overoude puinhopen herbouwen, het verwoeste uit vroeger tijd doen herrijzen, en (…) de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht op geslacht.” Jes. 61:4. Zij zullen ook beheerders van dieren zijn,

22

 wijngaardeniers, bedreven landbouwkundigen. En als zodanig zullen zij bekwaam zijn in de kennis van het beheren,  het in dienst nemen van duizenden vreemdelingen, niet alleen om hen te bedienen in hun noden en te bouwen (Jes. 60:10), maar ook om “gereed te staan om” hun kudden te weiden, en om hun akkerlieden en wijngaardeniers te zijn (Jes. 61:5). Aldus is het dat “de studie in de richting van de landbouw het A, B, en C zou moeten zijn in de opleiding die in onze scholen wordt gegeven.” –Testimonies, Vol. 6{Getuigenissen, Deel 6}, p. 179. “Zuivere, praktische godsdienst zal worden geopenbaard bij het behandelen van de aarde als Gods schatkamer. Hoe intelligenter een mens wordt, des te meer zou de godsdienstige invloed moeten zijn die hij  uitstraalt. En de Heer wil dat wij de aarde behandelen als een kostbare schat, die aan ons in bruikleen is toevertrouwd.”—Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 245. {ABN5: 22.1}

Naast bekwame grondbewerkers, handwerkslieden en handelaren{winkeliers} te zijn, zullen deze bestuurders van het Koninkrijk, als levende belichamingen van ware Christendom, bedreven internationale bankiers, econonomen, personeel-en verkeersingenieurs, en voorzieners zijn, die tezamen “het vermogen”en “de rijkdommen der Heidenen” beheren. Jes. 60:5, 11; 61:6. En daar zij dus zo op verscheidene wijze toegerust zijn met deze uitstekende bedrevenheden, zullen zij bovenal “Priesters des Heren, (…)Dienaars van onze God”—“bewonderenswaardige mannen” zijn. Jes. 61:6; Zach. 3:8. {ABN5: 23.1}

De evangeliebedienaar zal dienovereenkomstig degelijk op de hoogte zijn van de praktische navolgingen

23

 van het leven en zal bedreven zijn in tenminste één ding. Voorzeker zou iedere prediker, die tien procent (de tiende) van het inkomen van een boer ontvangt, moeten bestuderen hoe hij in staat kan zijn hem te helpen om zijn boerenwerkmethoden op een praktische wijze te verbeteren, als de gelegenheid daartoe zich ooit aanbiedt. Kortom, hij zou in staat moeten zijn de leden van zijn kerk te kunnen assisteren in het organiseren, corrigeren, of verbeteren van hun werk en bedrijf. Jezus leerde Zijn discipelen niet alleen hoe te bidden, te prediken en de Waarheid in praktijk te brengen, te geven en te vergeven, maar ook hoe te dienen, te vissen, zich te voeden en zich te kleden, en hoe zij rekeningen op een zakelijke wijze konden betalen. (Zie Mattheüs 6:5-13; 10:5-7, 27; 5:19, 20; 23:3, 4; Johannes 3:20, 21; Handelingen 20:35; Mattheüs 6:14, 15; 18:21, 22; 20:25-28; Markus 6:35-41; Lukas 22:7-13; Johannes 21:3-6; Mattheüs 25:31-45; 17:24-27.) {ABN5: 23.2}

Maar om een dergelijke Christen, een oprechte godsdienstig persoon te zijn, moet men allereerst zijn gehele wezen organiseren, door zijn kracht, zijn energie, zijn middelen en zijn tijd op de juiste wijze te beheersen, te coördineren, en te gebruiken. Een ieder die erin faalt om deze geïntegreerde viervoudige spaarzaamheid van zijn wezen tot stand te brengen, kan nooit enige ware succes bereiken. Om zo te doen, moet hij “zestig waardige seconden” verkrijgen “aan verlopen afstand van iedere onvergeeflijke minuut,” zestig minuten verkrijgen aan maximale toepassing en prestatie uit iedere werk-en rustuur, en de hoogste doeltreffendheid bereiken uit iedere beweging of slag. Kortom, hij moet iedere verspilde beweging verdrijven, evenals iedere onbedachtzame, omslachtig dupliceren en

24

overlappen van bewegingen, die geen resultaat opleveren, maar zijn voorraad aan reserve energie alleen maar uitputten. Het werk van zulk een Christen in alle opzichten, zal nooit worden ondervonden als dat het op een prutserige of ondoeltreffende manier is gedaan. {ABN5: 24.1}

Voorts wordt hij nooit ondervonden als levende boven zijn vermogen, maar dat hij zijn inkomen zo zorgvuldig begroot dat hij in staat is binnen zijn vermogen te kunnen leven en ook regelmatig wat spaargeld terzijde te kunnen leggen voor een moeilijke tijd. Hij schuwt het veroorzaken van schulden; hij weet dat de gewoonte om altijd te lenen en nooit in staat zijn om terug te kunnen betalen, een vorm van diefstal is—liegen. {ABN5: 25.1}

Zo iemand, of hij nu arm of rijk is, is nooit bang voor de toekomst. Hij vertrouwt op onaanmatigende wijze in de Heer voor zijn dagelijkse behoeften; hij heeft nooit zorgelijke gedachten “over de morgen.” Matt. 6:27-34. {ABN5: 25.2}

Al met al zien wij, dat Bijbelse godsdienst, Christendom, niets meer of minder is dan dat men zich keert van het gehoorzamen van de Duivel, tot het gehoorzamen van de Heer, zich keert van een leven van het verkeerde doen, tot een leven van het goede doen,–van consumeren {verbruiken} tot produceren; van lenen tot uitlenen; van bedelen tot geven; van bedriegen tot herstellen en op eerlijke wijze handelen; van veeleisend zijn tot vergeven; en van gediend worden tot dienen. {ABN5: 25.3}

“Ware godsdienst wordt altijd onderscheidend gezien in onze woorden en ons gedrag, en in iedere handeling van het leven. Bij de volgelingen van Christus zou godsdienst nooit gescheiden moeten zijn van het zakenleven. Zij zouden hand in hand moeten samengaan, en

25

Gods geboden zouden strikt in acht genomen moeten worden in alle bijzonderheden van wereldse zaken. De wetenschap dat wij kinderen van God zijn zou een hoge toon van karakter moeten geven zelfs in de alledaagse levenstaken, wat ons niet slordig maakt in zaken, maar vurig van geest. Zulk een godsdienst als deze doorstaat het kritische onderzoek van een kritische wereld met een verheven bewustzijn van rechtschapenheid.” –Testimonies, Vol. 4 {Getuigenissen, Deel 4}, pp. 191. {ABN5: 25.4}

“Christendom heeft een veel bredere betekenis dan velen het tot nu toe hebben gegeven. Het is geen geloofsbelijdenis. Het is het woord van Hem die voor eeuwig leeft en blijft. Het is een levend, bezielend beginsel, die bezit neemt over het verstand, het hart, de motieven, en de gehele mens. Christendom—Och, dat wij haar werkzaamheden mochten ervaren! Het is een vitale, persoonlijke ervaring, die de gehele mens verheft en veredelt.”—Testimonies to Ministers{Getuigenissen aan Predikanten}, pp. 421, 422. {ABN5: 26.1}

Dit alles is wat de godsdienst van Christus inhoudt, en hij die het beoefent, bezit ware liefde{liefdadigheid} ( 1 Kor. 13)—is waarlijk  “wedergeboren.” {ABN5: 26.2}

Nogmaals gezegd: iedere ware Christen organiseert eerst zichzelf, daarna zijn gezin, en dan zijn zaak{of bedrijf}. En wat nog meer is, is dat hij door dit alles heen leert dat sommigen georganiseerd kunnen worden, terwijl het bij anderen niet kan; dat sommigen arbeiden tot prestatie, terwijl anderen arbeiden tot niets{tevergeefs}; dat sommigen produceren, terwijl anderen alleen maar consumeren{verbruiken}; dat sommigen altijd geven als de ahornboom, terwijl anderen

26

altijd nemen als een droge spons; dat sommigen de wereld zegenen met goedheid, terwijl anderen leven en arbeiden voor zichzelf en denken dat alle anderen zouden moeten leven en arbeiden voor hen; dat sommigen rustig {zonder veel omhaal} hun godsdienst beoefenen, terwijl anderen een vertoning maken van heiligheid door veel godsdienstig gepraat en gebed, met maar weinig daarmee overeenkomende werken; en dat sommigen weten zowel wanneer te bezoeken en wanneer niet te bezoeken, terwijl anderen noch weten wanneer het tijd is om te bezoeken, noch weten wanneer het tijd is om te vertrekken, en dat zij als eendenmossels losgetrokken moeten worden als zij eenmaal gezeteld zijn! Wat is het probleem van een predikant toch een wildernis! {ABN5: 26.3}

IS ER EEN VISIOEN NODIG?

Vraag Nr. 110:

Is het noodzakelijk dat wij een mentaal beeld hebben van de dingen waarvoor wij bidden? {ABN5: 27.1}

Antwoord:

Als wij een dergelijke visie niet hebben, zullen wij niets concreets en tastbaars hebben om voor te bidden en naartoe te werken. En het is dan vanzelfsprekend dat noch onze gebeden noch onze inspanningen iets zullen bereiken. Een ieder moet een duidelijke visie hebben van zijn noden en zijn doelen; door daarin gebrek te lijden, gaat hij blindelings te werk, en komt zo nergens terecht. Gedenk dat “waar er geen gezicht is, komt het volk om.” Spr. 29:18 {KJV}.{ABN5: 27.2}

Allen zouden van tevoren moeten weten wat zij zullen doen, en wat zij zullen worden. Daarna zouden zij zich ervan moeten verzekeren dat hun wil Gods wil is, hun doel hoog stellen, en ervoor zorgen dat zij het bereiken. {ABN5: 27.3}

27

KAN MEN DE WAARHEID VINDEN ZONDER VISIOENEN{GEESTVERVOERINGEN} TE KRIJGEN?

Vraag Nr. 111:

Aangaande hetgeen zij schrijft zegt Zuster White: “Mij werd getoond” of “Ik werd in visioen weggevoerd.” Mag ik vragen hoe wij kunnen geloven in de literatuur van “De Herdersstaf” {“The Shepherd’s Rod”} als de inhoud ervan niet werd geopenbaard op een soortgelijke wijze—door een wonder? {ABN5: 28.1}

Antwoord:

Het is nooit veilig voor iemand om zijn besluit aangaande een boodschap van de Heer te baseren op de wijze waarop het is ontvangen. Bovennatuurlijke ervaringen zijn niet het sterkste bewijs dat men in contact is met Goddelijke macht. In feite zijn zij in het geheel niet noodzakelijkerwijs enig bewijs, want er zijn vele leerstellingen en geloofspunten gebouwd op de ene of de andere wonder, die toch volledig afwijken van waarheid. En niemand zou het feit over het hoofd moeten zien dat de komende misleiding die zal woeden over de wereld zal worden bekrachtigd door wonderen, zelfs tot het doen neerdalen van vuur uit de hemel (Openb. 13:13, 14). Niettemin worden wij door het Woord van God ervoor gewaarschuwd om niet erdoor verleid te worden. {ABN5: 28.2}

Men zou ook niet moeten vergeten dat niet al de profeten van de Bijbel geestvervoeringen hadden. David en Salomo tekenden niet datgene op, wat hen werd gegeven in geestvervoering, maar wat zij ontvingen op andere wijzen. En Johannes de Doper werd zelfs meer dan een profeet genoemd, en toch werd er geen enkele profetische uitspraak door hem opgetekend, noch staat er ergens opgetekend dat hij ooit in geestvervoering werd gebracht en hem visioenen werd gegeven. Hij was

28

slechts een uitlegger van de geschriften van de profeten. Aldus sprak God eertijds op verscheidene wijzen tot Zijn profeten (Hebr. 1:1{KJV}).{ABN5: 28.3}

Er zou echter moeten worden opgemerkt dat slechts een klein deel van Zuster White’s geschriften werd ontvangen door geestvervoering. En de dingen die in zulke visioenen werden getoond zijn, over het algemeen, profetisch—vooruitblikkend op een toekomstige gebeuren—en in meer of mindere mate, een toevoeging tot de profetieën, niet ter uitlegging van hen. {ABN5: 29.1}

Het is duidelijk dat Gods volk in het bijzonder in deze tijd geen behoefte heeft aan visioenen, maar eerder aan uitleggers van de visioenen van de vroegere profeten die nog niet zijn begrepen. En dat is wat Hij geschikt heeft geacht om ons dat te geven zodat wij de Bijbel kunnen begrijpen. Dit is de grootste wonder die verbonden is met De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}. (Zie de illustratie in Tract No. 6, Why Perish{Traktaat Nr. 6, Waarom Omkomen}, 1944 editie, p. 18.) {ABN5: 29.2}

Maar laat uw geloof zijn niet in wonderen of in de ervaringen van mensen, maar in de openbaringen van Zijn profetisch Woord. {ABN5: 29.3}

En nu is de enige veilige en zinnige procedure, om nauwkeurig iedere bladzijde te lezen van de plechtige boodschap die De Herdersstaf publicaties bevat. Laat niet één regel aan uw aandacht voorbijgaan. Bestudeer ieder woord zorgvuldig en onder gebed. Wees ernstig en ijverig bij uw nauwkeurig lezen van Waarheid, en “onderzoekt alle dingen; houdt vast aan datgene wat goed is.” 1 Tess. 5:21{KJV}. {ABN5: 29.4}

29

WAAROM IS ER EEN OORDEEL NODIG?

Vraag Nr. 112:

Ik kan de noodzaak voor een oordeel niet inzien. Waarom zouden wij geoordeeld moeten worden nadat wij gered zijn? {ABN5: 30.1}

Antwoord:

Dat de Bijbel leert over een komende oordeel, kan niemand ontkennen. Daarom behoeven wij alleen maar de reden ervoor te geven. Het ware volk van God, wordt ons verteld, is vermengd met het ontrouwe, het “tarwe”  vermengd met het “onkruid.” Het oordeel is er daarom om vast te stellen wie het “tarwe’” en wie het “onkruid” zijn, en om de toekomst van elk van hen te bestemmen. {ABN5: 30.2}

Volgens de gelijkenis van Jezus vindt dit werk plaats in de tijd van de oogst, de voleinding der wereld (Matt. 13: 30, 40). En daar de gemeente der doden evenals de gemeente der levenden vermengd is met de goede en de kwade, vindt het oordeel onder beiden plaats, eerst onder de doden, daarna onder de levenden. In het oordeel wordt de beslissing uitgemaakt wie waardig is tot het eeuwig leven, en wie tot de eeuwige dood (Johannes 5:28, 29); wie zal opstaan bij de eerste opstanding (Openb. 20:6), en wie bij de tweede; ook wie zal worden veranderd wanneer Jezus komt (1 Tess. 4:16, 17), en wie zal omkomen bij de verschijning van Zijn komst (2 Tess. 2:8). Dit is het eerste aspect van het oordeel, en omdat het slechts een boekwerk is (Dan. 7:10), een werk dat noch de doden in hun graf noch de levenden in de kerk verstoort, vindt het plaats in de hemel. {ABN5: 30.3}

30

Het tweede aspect is geen boekwerk, maar een daadwerkelijke scheiding van de doden op de dag der opstanding, en van de levenden op de dag van de reiniging—de rechtvaardige doden worden herrezen, en de onrechtvaardige doden worden achtergelaten in hun graven, de rechtvaardige levenden worden verzegeld en leven voor eeuwig, en de onrechtvaardige levenden achtergelaten om te sterven(Ez. 9:2-7). {ABN5: 31.1}

Aldus worden de waardige doden geoordeeld om op te staan bij de eerste opstanding, en de onwaardige bij de tweede opstanding, terwijl de waardige levenden worden geoordeeld om voort te leven, en de onwaardige geoordeeld om te sterven. En dit is de eenvoudige reden voor het oordeel. {ABN5: 31.2}

IS “HIJ” HET, OF MOETEN WIJ EEN ANDER VERWACHTEN?

Vraag Nr. 113:

“Hij die aan stukken slaat,” zoals ik het zie na Tract No. 14, “War News Forecast” {Traktaat Nr. 14, “Oorlogs Nieuws Voorspelling”} te hebben gelezen, is Hitler. Maar hoe kan dit zo zijn, terwijl hij nu het ergst aan toe is, en de geallieerden de oorlog aan het winnen zijn? {ABN5: 31.3}

Antwoord:

Het traktaat identificeert niet bij name degene die “aan stukken slaat.” Daarom kan iedere conclusie die afgeleid kan zijn van iemands analyse over de inhoud ervan, alleen maar afleidbaar en dus voorlopig zijn. {ABN5: 31.4}

Uit de huidige ontwikkelingen in de Europese theater van de oorlog, ziet het er inderdaad naar uit alsof Hitler gedoemd is. Ondanks deze blijkbaarheid echter, is Nahum’s profetie analytisch gezien toepasselijk op hem, hoewel het mogelijk is dat iemand anders nog kan voortkomen om de voorzegging

31

verder in vervulling te brengen. En als de profetie gedurende deze oorlog niet volledig in vervulling gaat, dan moet het zo zijn dat de verzegeling van de heiligen nog niet compleet is, dat het werk van de boodschap nog niet afgerond is, dat de eerste vruchten nog niet gereed zijn om te staan op de berg Sion. Dit schijnt de enige obstakel te zijn. {ABN5: 31.5}

Dus, terwijl wij de wijze nog niet zien waarop de profetie zichzelf in vervulling zal doen gaan, wordt het ons echter duidelijk verteld dat in de tijd dat “Assyrië” ten val komt, de Heer zijn volk zal bevrijden, niet alleen van de zondaars in hun midden, maar ook van de Heidense heerschappij. {ABN5: 32.1}

De Assyriër echter, zal “vallen door het zwaard, dat niet van een machtige is; en het zwaard dat niet van een geweldige is, zal hem verslinden; maar hij zal voor het zwaard vlieden en zijn jongelingen zullen in verlegenheid gebracht worden.” “Want door de stem des Heren zal de Assyriër verslagen worden, die met een roede sloeg.” Jes. 31:8; 30:31{KJV}. {ABN5: 32.2}

Daarom, terwijl de Heilige Stem der profetie verklaart: “Want nu zal ik zijn [de Assyrische] juk van u verbreken, en zal uw banden zal ik verscheuren,” gebiedt het ook: “Zie, op de bergen de voeten van hem die goede berichten brengt, die vrede verkondigt!(…) want de goddeloze zal niet meer door u heentrekken; hij is geheel en al afgesneden.” Nah.1:13, 15{KJV}.{ABN5: 32.3}

Nu is het de “gelegener tijd,” dierbare lezer, om een vastberaden standpunt in te nemen met hem die goede berichten brengt! Stel het niet uit. {ABN5: 32.4}

32

ZULLEN WIJ ZUINIGHEID BETRACHTEN TERWIJL WIJ TROTS SCHUWEN?

Vraag Nr. 114:

Zouden vrouwen zijden of katoenen kousen moeten dragen? {ABN5: 33.1}

Antwoord:

Her beroep en de omstandigheden van sommige vrouwen maken het dragen van zijden kouzen, en van anderen het dragen van katoenen kouzen, zeer ompraktisch. Maar het dragen van alleen maar zijden kouzen, omdat het in geen geval noch bescheiden noch praktisch is, moet natuurlijk duidelijk geen sprake van zijn voor alle Christenen. Als dienstbare zijden kouzen meer bruikbaar e spaarzamer blijken te zijn, alsmede gerieflijker, dan zou er vanzelfsprekend daaraan de voorkeur moeten worden gegeven. Er is geen niet afwijkbare regel hierover voor alle mensen. Dit is een kwestie waarbij de individuele oordeelsvermogen en het geweten beoefend moet worden. {ABN5: 33.2}

“Spaarzaamheid bij het besteden van middelen{inkomsten} is een uitstekende onderdeel van Christelijke wijsheid(…)Geld is een uitstekende gave van God. In de handen van zijn kinderen betekent het voedsel voor de hongerigen, drank voor de dorstigen, en kleding voor de naakten; het is een bescherming voor de verdrukten, en een middel tot gezondheid voor de zieken. De inkomsten zouden niet onnodig of rijkelijk besteed moeten worden ter bevrediging van torts of eerzucht.” –Testimonies, Vol. 4{Getuigenissen, Deel 4}, p. 571. {ABN5: 33.3}

“Bij het vaststellen en voortzetten van het werk, zal altijd de meest strikte spaarzaamheid moeten worden getoond.”—Counsels on Health, p. 319. {ABN5: 33.4}

33

EEN VOORBEELD BUITEN DE WERELD, OF OOK IN DE WERELD?

Vraag Nr. 115:

Sommigen vinden dat de kleren {jurken} die worden goedgekeurd door hen die wonen te Mt. Karmel te lang zijn voor ons die in de steden wonen. Is dat zo? {ABN5: 34.1}

Antwoord:

Als een korte jurk geen “bescheiden voorkomen”  vormt voor een Christelijke vrouw in een afgezonderde plaats zoals Mt. Karmel dat is, dan zou het zelfs nog schandelijker zijn in de stad. {ABN5: 34.2}

Elke vrouw zal waar dan ook er veel beter uitzien in een fatsoenlijke jurk van bescheiden lengte en dat van goede smaak betuigt, dan dat zij zal zijn in een korte, onbetamelijke jurk. Ze zal zich zodoende aanbevelen bij de verstandigen, en zal, boven iedere andere overweging, een kracht ten goede in plaats van ten kwade zijn. {ABN5: 34.3}

Om te beginnen hebben de modeontwerpers dwaze vrouwen aangezet om korte jurken te dragen, en de wereldse meerderheid heeft onvermijdelijk hun voorbeeld nagevolgd. En als de stylisten nu dezelfde modellen langere, nette en bescheiden jurken zouden doen dragen, dan zou de meerderheid der Christelijke vrouwen zonder aarzeling hun navolgen. {ABN5: 34.4}

Een jurk die halverwege tussen de kniebuiging en de enkel uitkomt, is een bescheiden lengte, en is zeker niet te lang voor iedere Christelijke vrouw, waar zij zich dan ook mag bevinden. {ABN5: 34.5}

God verwacht van Zijn volk dat zij het hoofd zijn, dat zij de juiste maatstaf hanteren. Daarom is het geven van een onchristelijke getuigenis in kleding

34

als men weg is van Mt. Karmel, waar men de menigte van de wereld tegenkomt, zelfs erger dan dat te doen waar iemands invloed strikt beperkt is tot gelovigen. {ABN5: 34.6}

“Er zal aan u geen rekenschap worden gevraagd voor geen van de zonden van uw broeders, tenzij uw voorbeeld hen heeft veroorzaakt te struikelen, hun voeten heeft veroorzaakt te worden afgeleid van het smalle pad.” –Testimonies, Vol. 2{Getuigenissen, Deel 2}, p. 256. {ABN5: 35.1}

ZAL HET HAAR GEKRULD MOGEN WORDEN?

Vraag Nr. 116:

Mijn haar is zo sluik{glad}dat het mij vreemd doet uitzien. Zou het verkeerd zijn om er krullen in te zetten? {ABN5: 35.2}

Antwoord:

Aangezien de losbandige mode van de wereld wordt afgekeurd in het Woord, dan kunnen wij u niet aanmoedigen om te doen zoals de wereld dat doet. De Christen wordt vermaand om zich bescheiden, netjes en betamelijk te kleden. Maar terwijl hij of zij de buitensporigheden en de losbandigheid van de wereld vermijdt, zou de Christen voorzichtig moeten zijn om niet tot het andere uiterste te gaan, om er niet verwilderd uit te zien. Blijf op het midden van de weg; dat betekent: schik uw haar op dusdanige wijze, dat u voorkómt dat u de aandacht trekt van het zicht der publiek vanwege welk uiterste dan ook. (Lees Jesaja 3:16-26). {ABN5: 35.3}

FLANELLEN BROEKEN OF ROKKEN?

Vraag Nr. 117:

Is het goed dat een vrouw flanellen broeken draagt terwijl zij werkt bij de defensie? Is dat geen mannenkleding? {ABN5: 35.4}

35

Antwoord:

Als het dragen van flanellen broeken zouden moeten worden beperkt tot alleen bestemd te zijn voor mannen omdat mannen vandaag de dag over het algemeen broeken dragen, dan zouden het dragen van rokken in vroegere tijden de vrouwen ontzegd moeten zijn geweest, want dat kledingstuk was het algemene kleed van mannen toentertijd. {ABN5: 36.1}

Maar omdat zowel mannen als vrouwen toen rokken droegen, dan zou de vraag niet moeten zijn of rokken of flanellen broeken altijd of af en toe zouden moeten worden gedragen door vrouwen, maar of de kleding van de vrouwen er precies zou moeten uitzien als de kleding van de mannen. {ABN5: 36.2}

Laat ons gedenken dat er geen Bijbelse gebod is over wat voor soort kleding de leken van de kerk zouden moeten dragen, behalve het gebod dat het bescheiden, niet duur zou moeten zijn (1 Tim. 2:9), en dat die van een man duidelijk te onderscheiden zou moeten zijn van die van een vrouw. “Een vrouw,” zegt de Heer, “zal geen mansklederen dragen en een man geen vrouwenkleed aantrekken, want ieder die deze dingen doet, is de Here, uw God, een gruwel.” Deut. 22:5. {ABN5: 36.3}

Als de flanellen broeken nu het duidelijk te onderscheiden voorkomen hebben van een kleed dat voor een vrouw bestemd is, dan kunnen zij niet geclassificeerd worden als mansklederen. {ABN5: 36.4}

Er is ook een andere fase van de vraag die in beschouwing zou moeten worden genomen: Als het kleed bescheiden, niet buitensporig, gemaakt is om in de nood van de drager, en niet in de bevlieging van de altijd veranderende stijlen van de wereld te voorzien, dan zien wij geen kwaad in het dragen ervan. Wij geloven dat

36

bescheiden flanellen broeken veel beter zijn dan de korte, onbescheiden jurken. Maar zelfs flanellen broeken die in het openbaar worden gedragen verschaffen de vrouw niet dat bescheiden uiterlijk van Christelijke kleding. Tenzij het is bij een bepaalde gelegenheid of bij een bepaald werk, wanneer of waar de jurk een beletsel vormt, zouden de flanellen broeken de nette en bescheiden jurk, die betamelijk is voor een Christelijke vrouw, niet mogen vervangen. {ABN5: 36.5}

Als het dragen van flanellen broeken echter van iemand wordt vereist die in een fabriek werkt, dan zien wij niets verkeerds in het dragen van hen gedurende de werkuren. {ABN5: 37.1}

IS VERTOON ZONDE?

Vraag Nr. 118:

Ik geloof dat het een zonde is als mijn dochter een polshorloge draagt. Is dat zo? {ABN5: 37.2}

Antwoord:

Er is geen bezwaar tegen het dragen van een horloge van enig soort. Maar wanneer men een vertoning ervan maakt, zij het op de pols of ergens anders, dan neigt het zich tot een soort versiering, en laat het karakter van de drager alleen maar als goedkoop overkomen, het maakt hem trots, en anderen maakt het afgunstig en jaloers. Bovendien, wanneer een juweelstuk, dat wordt gedragen voor vertoon, van goedkope fabricaat en kwaliteit is, laat dit het karakter en de smaak van de drager niet alleen goedkoop overkomen, maar bestempelt hem ook als een opzichtige nabootser. Een Christen zal afstand doen van alle ijdele voorkomens, en zal in alle opzichten onberispelijk zijn. Als hij een horloge moet dragen, zal hij dat onopvallend doen, als een noodzakelijke accessoire{bijkomstigheid}, en het niet voornamelijk dragen als blijk van stijl of voor vertoon. {ABN5: 37.3}

37

ZAL DE VROUW HAAR HOED OPHOUDEN, WANNEER DE MAN ZIJN HOED AFZET?

Vraag Nr. 119:

Wat bedoelt Paulus in 1 Korinthe 11 betreffende de vrouw die haar hoofd bedekt? Toont vers 15 niet aan, dat het haar haar bedekking is? {ABN5: 38.1}

Antwoord:

 “Doch ik wil,” zegt de Heilige Geest, “dat gij weet, dat Christus het hoofd is van iedere man, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.”1 Kor.11:3. {ABN5: 38.2}

Merk de volgorde op waarin goddelijkheid en menselijkheid zijn verbonden: God, Christus, de man, de vrouw. Daarom is het, dat “iedere man die bidt of profeteert met bedekten hoofde, doet zijn hoofd [God] oneer aan. Maar iedere vrouw die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd [de man] oneer aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. Want indien de vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich maar ook laten kaalscheren [dat wil zeggen, als een vrouw geen hoed wil dragen, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen]: maar als het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laten afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zich dekken [dan moet zij een hoed dragen]. Want een man behoort inderdaad zijn hoofd niet te dekken, hij is het beeld en de heerlijkheid Gods; maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.” De verzen 4-8, {King James Vertaling}.{ABN5: 38.3}

Dit Schriftgedeelte leert duidelijk, dat een man zijn hoed behoort af te zetten wanneer hij bidt of

38

profeteert (de Schriften onderwijst), terwijl de vrouw haar hoed op behoort te zetten. {ABN5: 38.4}

Men kan uit vers 15 niet op logische wijze vaststellen dat het haar van de vrouw de bedekking is waar naar verwezen wordt. Als dat het geval was, dan moet de man zijn hoofd kaalscheren om het verschil tussen die twee aan te maken. {ABN5: 39.1}

Verder is het zo, dat, indien het haar van de vrouw de bedekking is dat vereist wordt, waarom zegt de Schrift dan dat zij het moet dragen wanneer zij “bidt of profeteert”? Wat kan zij anders doen? En kan zij haar haar (bedekking) afzetten wanneer zij niet bidt, tenzij zij een pruik draagt? {ABN5: 39.2}

De Schrift maakt het dus duidelijk, dat iedere godsdienstige gelegenheid die vereist dat de man zijn hoed afzet, vereist dat de vrouw haar hoed opzet. {ABN5: 39.3}

HOE ZIT HET MET HET AVONDMAAL?

Vraag Nr. 120:

Zouden gelovigen die wel gegrond zijn in de boodschap, het avondmaal mogen vieren wanneer zij samenkomen? {ABN5: 39.4}

Antwoord:

Wat het machtigen van het onderhouden van het avondmaal onder onszelf, geloven wij dat aangezien wij allen, als Zevende-dags Adventisten, ons verontreinigd hebben zoals de Joden dat deden bij de eerste komst van Christus (The Desire of Ages, p. 104{de Wens der Eeuwen, blz. ..}, en aangezien deze heilige dienst verordeling uitwerkt voor hen die het op onwaardige wijze ontvangen (1 Kor. 11:29), dan wagen wij het daarom

39

 nu niet, als Davidianen, om het geheiligde voorrecht ervan tot onszelf te nemen, totdat ons leven als volk een overtuigend bewijs levert van onze bekering van de Laodiceese toestand. {ABN5: 39.5}

De les in het niet machtigen van deze gezegende dienst in ons midden in deze tijd, staat op omgekeerde wijze evenwijdig aan hetgeen Johannes de Doper onderwees in het verordenen van en het  aandringen op de doopdienst in die tijd; dat betekent: het instellen van de doopdienst door Johannes in die tijd toonde aan dat de Joden niet gereed waren om hun Koning te ontmoeten, en het niet instellen van het avondmaal door de Staf nu in deze tijd, toont aan dat ook wij niet gereed zijn om onze Koning te ontmoeten, en dat wij daarom ons haastig moeten bekeren van onze lauwheid, het “ogenzalf” moeten kopen, en onze ogen moeten zalven. Dan zullen wij op glorieuze wijze het avondmaal vieren, en de schande onzer naaktheid zal niet zichtbaar worden (Openb. 3:18). {ABN5: 40.1}

Zij die deze grote noodzaak niet begrijpen, zijn nog blind voor de ongedane toestand van de kerk, en voor de heiligheid van de Heer. Slechts een standvastig uitwendig geloof in de boodschap is niet genoeg; het inwendig werk ervan in ons leven is het allerbelangrijkste en meest verheven werk dat moet plaatsvinden in het leven van ons allen, voordat wij op gewetensvolle en voordelige wijze het avondmaal kunnen vieren. Laat ons die blijde dag verhaasten. {ABN5: 40.2}

WAT IS MIJN GAVE?

Wat is de betekenis van 1 Timotheus 4:14: “Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens

40

 een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten”? {ABN5: 40.3}

Antwoord:

In het schriftgedeelte in kwestie, dringt de apostel Paulus bij de Christen erop aan om getrouw en vol ijver te zijn in de taken die God op hem heeft gelegd, en om zijn voorrechten en gelegenheden niet te veronachtzamen, noch om tekort te schieten in zijn giften en de mogelijkheden om zijn “talenten” te vermenigvuldigen. {ABN5: 41.1}

De eerste taak van elke Davidiaan is om getrouw te zijn in het gehoorzamen aan de beginselen van de leer, in het doen van wat voor werk dan ook hem is gegeven te doen, en door voorbeeld en voorschrift anderen ertoe de leiden om op gelijke wijze te handelen. {ABN5: 41.2}

Sommigen doen dit door Mt. Karmel Center te bouwen, sommigen door studies te geven, anderen door brieven te schrijven en traktaten en boeken  te verzenden naar hun familieleden, vrienden en kennissen, en nog anderen door namen en adressen in te zenden van Zevende-dags Adventisten, naar wie het lectuur van Tegenwoordige Waarheid kan worden verzonden. {ABN5: 41.3}

Elkeen moet getrouw zijn in zijn taak, zoals Daniël dat was, zodat hij geen smaad brengt tegen zijn godsdienstige belijdenis, maar eerder, door consequent gedrag en getrouwe dienst in de naam van Christus, anderen leidt tot de boodschap van het uur. Vandaag de dag zal de Christen als nooit tevoren “in ijver onverdroten,” maar “vurig van geest” zijn,  “dient de Here.” Rom. 12:11. {ABN5: 41.4}

41

HOE ZIT HET MET HET ONTVANGEN VAN GESCHENKEN?

Vraag Nr. 122:

Volgens Traktaat Nr. 13, “De Groeten van Christus”{Tract No. 13, “Christ’s Greetings”}, 1941 Editie, pp. 5, 6 , zouden Christenen geen “gelegenheids” geschenken moeten geven. Maar is het verkeerd om ze te ontvangen? Of zou men ze moeten teruggeven en aldus het gevaar lopen de gever te beledigen? {ABN5: 42.1}

Antwoord:

Het traktaat beoogt niet de gedachte over te brengen dat het verkeerd is om “gelegenheids”geschenken te ontvangen van hen die onwetend zijn betreffende de kwade gevolgen van de gewoonte, maar dat het niet juist is voor hen die beter weten, om ze te geven bij traditionele gelegenheden. Als men zulk een geschenk zou weigeren, dan zou hij ongetwijfeld de gever beledigen. {ABN5: 42.2}

HOE KAN MEN STAAN ALS MEN VAN PLAN IS TE VALLEN?

Vraag Nr. 123:

Wilt u alstublieft Hebreeën 6:4-6 uitleggen? {ABN5: 42.3}

Antwoord:

Aangaande degenen die niet leven naar zelfs de eerste beginselen van de leer van Christus en die zich niet “richten op het volkomene,”maar die “opnieuw het fundament” leggen “van bekering van dode werken, (…)die eens verlicht zijn geweest, en de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, waarschuwt Paulus: “Het is onmogelijk(…)degenen(…)weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft

42

de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken.” Hebr. 6:1, 4-6. {ABN5: 42.4}

Het Schriftgedeelte zelf maakt duidelijk dat zij die in het bijzonder begunstigd zijn geweest met groot licht, maar die de geïnspireerde beginselen van de leerstellingen der Waarheid niet uitleven, een fundament aan het leggen zijn die hen weer terug zal leiden naar de wereld, en dat als zij aldus achteruit zouden gaan, het onmogelijk zou zijn voor het evangelie van Christus om hun bekering te vernieuwen op een “gelegener tijd.” De klassieke voorbeelden van Koning Agrippa en Felix (Handelingen 24, 25, 26) zijn boeiende bewijzen hiervan. {ABN5: 43.1}

HOE ZULLEN WIJ BIDDEN?

Vraag Nr. 124:

Mij is verteld dat wanneer wij tot God de Vader bidden, wij altijd zouden moeten zeggen: “In de naam van Uw gezegende Zoon Jezus, Die voor mij is gestorven, vraag ik op nederige wijze, enz.” Is dit de juiste wijze van bidden? {ABN5: 43.2}

Antwoord:

Hoewel de voorafgaande vorm van aanspreken in gebed onberispelijk kan zijn, behoeven bij smeekbeden toch niet altijd noodzakelijkerwijs precies  deze vorm overgenomen te worden. {ABN5: 43.3}

In het voorbeeldig gebed des Heren zal de volmaakte wijze worden gevonden. Daar vinden wij het mooie, volmaakte gebed, waar ieder woord ervan boordevol is van doelstelling en betekenis—“onze Vader,” niet “mijn Vader” (in het bijzonder is dat zo in het openbare gebed); “vergeef ons(…)gelijk,” niet slechts “vergeef ons”; “Uw koninkrijk kome, Uw wil geschiede, op aarde”—niet in de hemel, maar “zoals het geschiedt in de hemel.” {KJV}.{ABN5: 43.4}

43

Hoewel het kort, maar toch allesomvattend en zonder herhalingen is, leert het ons onze Schepper aan te spreken met Zijn ouderlijke titel: onze Vader, wat ons tot een nauwere gemeenschapsband met Hem brengt dan al Zijn andere titels dat kunnen doen. Het doet ons onze volkomen afhankelijkheid van Hem realiseren voor al onze noden. Het heeft betrekking op onze zonden en verzoent ons met onze Vader, en maakt ons tot vrienden van onze medemensen, zelfs van hen die tegen ons zondigen. Het schept in ons liefde voor Zijn Koninkrijk, en inspireert ons met ijver om te arbeiden voor de komst ervan. En ten slotte, leidt het ons ertoe alles te doen wat wij kunnen voor de verheffing tot de troon van Zijn wil hier op aarde. {ABN5: 44.1}

Daar dit het gebed der gebeden is, gebiedt het ons de verheven beginselen ervan op de meest eerbiedige wijze te bestuderen en na te leven. (Zie Gedachten van de Berg der Zaligsprekingen, blz.{Mount of Blessings, pp. 151-176}).{ABN5: 44.2}

ZULLEN WIJ AANMATIGEND EN INACTIEF ZIJN?

Vraag Nr. 125:

Getuigt het niet van gebrek aan geloof om te bidden voor de zieken en dan te trachten hen te genezen? {ABN5: 44.3}

Antwoord:

Alleen maar bidden voor iemand die ziek is zonder iets voor hem te doen, kan in laatste instantie alleen betekenen, dat de smekeling rechtvaardiger is en meer medelijden heeft dan God, en daarom de Heer tracht te overtuigen van Zijn plicht om iets te doen voor de zieke, alsof Hij dat niet reeds wilde doen. {ABN5: 44.4}

Wanneer wij voor anderen bidden, stellen wij God niet in kennis van iets waarvan

44

 Hij niet reeds oneindig beter op de hoogte is dan wij dat zijn of ooit zullen zijn. Daar Hij alles van de zaak weet, is de reden waarom wij bidden niet om Hem ervan te overtuigen dat iemand Zijn hulp nodig heeft, maar om Zijn zegeningen te vragen over wat wij in staat zouden zijn te kunnen doen voor de behoeftige. De Leviet en de priester deden niets voor de gewonde man, en werden veroordeeld vanwege hun meedogenloosheid, terwijl de Samaritaan wel wat deed, en werd aanbevolen vanwege zijn humanitaire instelling. {ABN5: 44.5}

Of wij nu dus voor anderen bidden of voor onszelf, zijn wij ervoor aan het bidden dat de zegeningen van de Heer mogen komen over onze eigen zwakke inspanningen. Als de Heer daarbij het geschikt acht om ons de wijsheid en de bekwaamheid te geven om het antwoord op onze eigen gebeden tot stand te brengen, is dan Zijn genezing van de zieken door middel van onze inspanningen zelfs niet veel heerlijker, dan wanneer Hij hen zou genezen zonder dat wij een vinger behoeven te verroeren? {ABN5: 45.1}

WANNEER WEL EN WANNEER NIET SCHRIJVEN?

Vraag Nr. 126:

Is het geoorloofd om op de sabbat zendingsbrieven te schrijven en zich in te schrijven voor evangelisatielectuur? {ABN5: 45.2}

Antwoord:

Hoewel het goed is om wél te doen op de sabbat, zijn er toch sommige soorten pogingen, zoals het schrijven van zendingsbrieven en het verkopen of aannemen van bestellingen voor evangelisatielectuur, die zelfs wanneer zij worden gedaan in het belang van het werk van de Heer, niet geoorloofd zijn. (Zie Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, pp. 471, 472; Vol. 8{Deel 8}, p. 250.) Het maakt de sabbat tot een

45

dag van werk en handel, en heiligt het niet als een dag van rust en toewijding. En als het wordt uitgevoerd in het huis van God, is zulk soort van handeldrijven een ontheiliging ervan. {ABN5: 45.3}

Hoewel het schrijven van zendingsbrieven meer verkiesbaar schijnt te zijn dan het verkopen van evangelisatielectuur op de sabbatdag, verandert ook dat het oorspronkelijke doel van de sabbat van dat van een dag  van rust tot een dag van werk. Op de sabbatdag rustte God van “al Zijn werk.” Gen. 2:2. Vandaar dat Christenen op die dag ook moeten rusten van al hun werk. {ABN5: 46.1}

Als een leidraad om ons te helpen in deze zaak, zou men als een algemene regel moeten gedenken dat alles wat kan worden gedaan op een andere dag, een zonde is om het te doen op Gods heilige dag. {ABN5: 46.2}

Het bouwen van de tabernakel en de offers waren even volledig van groot belang bij de aanbidding van God (bij het voortzetten van het evangelie in type in de tijd van het Oude Testament) als het verkopen van evangelisatielectuur en het schrijven van zendingsbrieven dat is in deze tijd. Toch liet Hij, terwijl het vroegere Israël de Tabernakel aan het oprichten was voor Gods eigen eredienst, hen niet toe enig werk daaraan te doen op de sabbat. {ABN5: 46.3}

“Zojuist waren aanwijzingen gegeven,” zegt de Geest der Profetie, “voor de onmiddellijke oprichting van de tabernakel voor de dienst van God; en nu zou het volk de gevolgtrekking kunnen maken, omdat de bouw van dat voorwerp tot eer van God was, en ook zijzelf dringend  behoefte hadden aan een plaats van aanbidding, dat ze

46

op de sabbat aan het bouwen ervan konden werken. Om hen voor deze dwaling te behoeden, werd de waarschuwing gegeven. [“(…)ieder die daarop werk verricht, zal uitgeroeid worden uit het midden van zijn volksgenoten.” Ex. 31:14.] Zelfs de heiligheid en de noodzaak van het speciale werk voor God mocht hen niet ertoe brengen een inbreuk te doen op Zijn heilige rustdag.” –Partiarchen en Profeten, blz. 278{Patriarchs and Prophets, pp. 313, 314}.{ABN5: 46.4}

En Jezus dreef met een zweep van kleine koorden degenen uit de tempel die aan het kopen en verkopen waren (Johannes 2:15), hoewel de dieren die werden gekocht en verkocht, zouden worden gebruikt in de offerdienst. {ABN5: 47.1}

Over het algemeen doen zij die het geoorloofd vinden om zendingsbrieven te schrijven op de sabbat zeer weinig, als zij überhaupt iets doen, voor God gedurende de zes werkdagen. Zij zijn niet gewillig om Hem hun tijd te geven, zelfs niet de tijd het neemt om een brief te schrijven. Daarom zijn de brieven die zij schrijven op de sabbat in werkelijkheid brieven die voortkomen, niet uit een hart van liefde, maar eerder uit een verlangen om tijd te besparen voor het eigen ik. De gewoonlijke correspondentie wordt vaak bedekt met godsdienst ten einde het geweten tot rust te brengen en om een excuus te verschaffen waarmee de zonde van het gebruiken van de sabbaturen te beschermen. Satan inspireert zulke handelingen om de zonde buitengewoon meer zondig te maken. {ABN5: 47.2}

WIE ZAL ONS UITBETALEN?

Vraag Nr. 127:

Zouden “deeltijds” arbeiders die enige

47

succes hebben recht moeten hebben op enige financiële ondersteuning van de Associatie? {ABN5: 47.3}

Antwoord:

Aangezien elke ware arbeid voor Christus uitsluitend een arbeid van liefde is, dan staat er bij alle trouwhartige Davidianen altijd slechts één ding bovenaan in hun gedachten—het redden van zielen. Zij laten de kwestie van {hun} loon volledig over aan de “Heer des Huizes,” met de zekere kennis dat wanneer “de avond valt” Hij hen zal geven “wat billijk is.” De getrouwen die de Meester inhuurt, gaan voort met arbeiden zonder te weten wat zij aan het eind van de dag zullen ontvangen. Daarom moeten zijn arbeiders die Hij nu, tegen het elfde uur, tot Zijn wijngaard zendt, leren dat het werk in alle opzichten zal worden uitgevoerd op Zijn manier, niet op de manier van mensen. {ABN5: 48.1}

Als de boodschap financiële ondersteuning zou geven aan hen die deeltijds veldwerk doen, dan zou het daardoor zich verplichten tot een traditie van het ondersteunen van iedereen en een ieder die wat dan ook doet, of dat nu  weinig of veel is. Zulk een traditie zou vanzelfsprekend niet kunnen worden nagevolgd. En zelfs al zou dat kunnen, dan zou het alleen maar schade toebrengen aan de werker en aan degenen voor wie hij zou kunnen arbeiden. {ABN5: 48.2}

Dus is het de enige juiste werkwijze dat allen die betrokken raken in het werk van deze verzegelende boodschap, hun activiteiten rapporteren bij het Hoofdkwartier van het werk, zodat het Kantoor de resultaten van hun arbeid aan hen crediteren. En als er vanuit hun inspanningen voldoende inkomsten toekomen om hen in staat te stellen hun volledige tijd te besteden aan het onderwijzen van de boodschap,

48

dan kan er een voltijdse status aan hen worden verleend, wat hen recht zal geven op een noodzakelijke levensonderhoud uit de financiële gevolgen van hun arbeid. {ABN5: 48.3}

In deze oproep voor arbeiders hebben allen,–klein of groot, rijk of arm, geleerd of ongeleerd–, het hoge en verheven voorrecht om dienaars van Christus te worden. {ABN5: 49.1}

“Tegenwoordige waarheid leidt voorwaarts en opwaarts, en brengt bijeen de behoeftigen, de verdrukten, zij die lijden, de hulpbehoevenden. Allen die willen komen zullen in de schaapskooi worden gebracht. In hun leven zal er een hervorming plaatsvinden, die hen zal aanstellen tot leden van het koninklijk gezin, kinderen van de Hemelse Koning.” –Testimonies, Vol. 8{Getuigenissen, Deel 8}, pp. 195, 196. {ABN5: 49.2}

Ten slotte wordt er van alle leraren van de Tegenwoordige waarheid gevraagd dat zij het Kantoor op de hoogte houden van hun pogingen, en het zal op haar beurt iedere mogelijke ondersteuning verlenen om hun werk tot een succes te maken. {ABN5: 49.3}

ZULLEN WIJ ALLEEN DE SCHAPEN VOEDEN, OF OOK DE LAMMEREN?

Vraag Nr. 128:

Is het even belangrijk om de pas bekeerden tot Laodicea te benaderen als het is om de oudere leden te benaderen? Ik heb de indruk dat zij die Zevende-dags Adventisten zijn geworden vanaf de verzegelende boodschap het eerst werd gegeven een kans kunnen maken om binnen te komen met de schare; hoe kan het werk anders worden afgerond, als wij in beschouwing nemen dat de nieuwkomers sneller tot Laodicea binnenkomen dan dat wij mogelijkerwijs om hen heen kunnen? {ABN5: 49.4}

49

Antwoord:

Wij zien geen reden waarom zij die recentelijk het Adventgeloof hebben aangenomen zouden worden verwaarloosd. In feite zou het een haast onmogelijke taak zijn om hen gescheiden te houden. Het is daarom niet alleen juist maar noodzakelijk om gebruik te maken van iedere gelegenheid om de Waarheid aan Zevende-dags Adventisten te presenteren, of zij nu jong of oud zijn in de Derde Engel Boodschap. Verder dan dit ligt de verantwoordelijkheid bij de Heer. Hij heeft beloofd dat Hij de teugels in Eigen handen zal nemen, en het werk in gerechtigheid zal afsnijden. {ABN5: 50.1}

Bij het converseren of studeren echter met iemand waarvan u weet dat hij een recente bekeerling is, zou u bijzondere voorzichtigheid en kritisch vermogen en beleid moeten uitoefenen, dat u slechts de eenvoudigste hervormende waarheden het eerst presenteert, zodat u het verstand niet verbijstert van iemand die slechts een “zuigeling” (een “Maher-Salal-Chas-Baz”) is in de Schriften. {ABN5: 50.2}

WAAROM NIET VOOR DE WERELD WERKEN IN ONZE VRIJE TIJD?

Vraag Nr. 129:

Wanneer we niet werken voor zondaars in Sion, waarom kunnen we dan niet gaan werken voor zondaars in de wereld? Heeft de Heer ons het licht gegeven om het te verbergen “onder een korenmaat,” of om de wereld ermee te verlichten? {ABN5: 50.3}

Antwoord:

Als wij niet aan het werk zijn voor zondaars in Sion, dan kunnen wij inderdaad beter aan het werk zijn voor zondaars in de wereld. Niettemin, als

50

wij de situatie waarlijk begrijpen, en geloven in het getrouw uitvoeren van onze plicht, dan zouden wij moeten werken voor de zondaars in Sion met zulk een alles in beslag nemende zorg dat wij momenteel noch de tijd noch de energie zouden over hebben om te werken voor de zondaars in de wereld, behalve voor dezulken die worden voorgesteld door de “Syrofenicische” vrouw (Markus 7:26). Dan zullen wij onze volledige deel aan het doen zijn bij het oproepen van de 144.000 tot hun taak, en aldus de tijd verhaasten van de inzameling van de grote schare uit de wereld—de dag van de Luide Roep. {ABN5: 50.4}

WELKE TRAKTATEN ZIJN GESCHIKT VOOR BUITENSTAANDERS?

Vraag Nr. 130:

Welke van “De Herdersstaf” serie van traktaten zijn geschikt om te geven aan hen die geen leden zijn van de Zevende-dags Adventisten kerkgenootschap? {ABN5: 51.1}

Antwoord:

De Herdersstaf lectuur is bedoeld voor Zevende-dags Adventisten, maar als de gelegenheid het zou vereisen dat er iets wordt gegeven aan niet-Adventisten, dan zijn de traktaten Nr. 12, 13, en 14 daarvoor het beste aangepast. {ABN5: 51.2}

WAT MOETEN WIJ BESTUDEREN?

Vraag Nr. 131:

Zouden de onderwerpen die “De Herdersstaf” publicaties bevatten of onderwerpen die andere werken bevatten, bestudeerd moeten worden bij onze Sabbatbijeenkomsten? {ABN5: 51.3}

Antwoord:

Als de Herdersstaf de boodschap van het uur bevat, dan heeft het prioriteit

51

over iedere andere waarheid, want de Geest der Profetie zegt: “Het is tegenwoordige waarheid wat de kudde thans nodig heeft.”—Eerste Geschriften, blz. 66{Early Writings, p. 63}. “’Deze dingen [de verzegeling van de heiligen] zouden het gehele verstand, de volledige aandacht in beslag moeten nemen.’”—Eerste Geschriften, blz. 136{Early Writings, p. 118}. “Breng nieuwe beginselen naar voren, en overstelp met de duidelijk omsneden waarheid.” –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 118. {ABN5: 51.4}

IS HET VEILIG OM UIT TE DAGEN{TE BETWISTEN}?

Vraag nr. 132:

Als wij “alle dingen” moeten “beproeven; vasthouden aan datgene wat goed is,” en gereed moeten staan om te allen tijde rekenschap te geven aan een ieder die ons reden vraagt voor de hoop die in ons is, behoren wij dan niet degenen uit te dagen die vijanden zijn van “De Herdersstaf,” om te bewijzen dat het in dwaling is? {ABN5: 52.1}

Antwoord:

Zelfs zij die voor eens en voor altijd hebben vastgesteld dat De Herdersstaf een door de hemel gezonden boodschap bevat, om maar niet degenen te noemen die niet in staat zijn het in al haar aspecten te verdedigen, zijn op generlei wijze gerechtvaardigd om hun kostbare sieraad van Waarheid aan de Vijand bloot te stellen, wiens enige doel het is om het van hen weg te nemen. Dit is in het bijzonder zo wanneer hij niet komt met een belofte om hen iets te geven wat datgene wat zij reeds hebben zal vervangen. Zij kunnen het zich niet veroorloven zijn uitdaging uit te nodigen om te bewijzen of hij hen wel of niet van hun schat kan beroven. Wanneer het weg is, zal het “bewijs” een schrale troost zijn! Door zich aldus op Satans voordeelterrein te plaatsen zullen zij zich schuldig maken, niet alleen maar aan de dwaasheid van aanmatiging, maar ook aan het verspillen van tijd

52

 en energie. Het zal het uitnodigen betekenen van de Duivel om hen van het eeuwig leven te beroven. {ABN5: 52.2}

Ieder van ons moet onze hemelse schat bewaken met de uiterste zorg, en ons geloof bewaren door te studeren om aan een ieder verantwoording te geven die een reden vraagt voor de hoop die in ons is, maar niet door hem uit te dagen om ons lastig te vallen met misleidende vragen, en dan met hem in discussie te treden{te debatteren}.{ABN5: 53.1}

Als u echter voor enige dwingende reden het risico aanneemt om de Vijand tegemoet te treden in deze grote strijd, dan moet u hem ten minste vasthouden om te beantwoorden op de gehele Waarheid; laat hem u niet doen overschakelen op een zekere betwistbaar punt waarover niemand misschien op het moment opheldering kan geven. Sta uzelf niet toe om te worden gedreven in een verdedigende positie, maar houd uzelf in het offensief, maar ga nooit debatteren. {ABN5: 53.2}

Vergeet niet dat de Vijand die uw kroon tracht weg te nemen machtiger is dan u, en dat u daarom, als u niet absoluut gegrondvest bent in de boodschap, dan in elk geval, in plaats van te studeren met de vijanden ervan, gaat studeren met de vrienden ervan. Pas wanneer u aldus alles hebt gedaanom de boodschappers te laten bewijzen dat het juist is, en nog steeds ervan overtuigd bent dat het geen Tegenwoordige Waarheid is, kunt u op de juiste wijze studeren met de tegenstanders ervan. Doe er alles aan om ervan verzekerd te zijn dat iemand u niet berooft van een boodschap van de Heer. Laat “niemand uw kroon wegnemen.” Openb. 3:11. {ABN5: 53.3}

Gedenk dat als er iemand gereed staat om de ene waarheid te ondermijnen, dat er een ander

53

gereed staat om een andere waarheid te ondermijnen, en ga zo maar door. In feite is de Vijand bereid ieder waarheid die er bestaat in de lucht te blazen, zelfs de Bijbel Zelf, als u hem maar de kans daartoe geeft. Het staat echter vast, dat Satan niet eens een begin aan evenveel ruimte heeft om een argument op te werpen tegen de waarheden van de Staf als Zondagvierders dat hebben tegen de waarheid van de Sabbat. {ABN5: 53.4}

Houdt altijd in gedachte dat “de inspanningen die zijn  gedaan om de vooruitgang van de waarheid e vertragen, zullen dienen om het te verbreiden” (“Testimonies, Vol. 5, p. 454”{Getuigenissen, Deel 5, blz…}), en dat u ermee bevorderd zult worden als u getrouw in het midden van de weg blijft, niet vooruitlopend met een ijver die niet volgens de kennis is. {ABN5: 54.1}

“Onze overtuigingen moeten dagelijks opnieuw worden versterkt door  nederig, oprecht gebed en het lezen van het woord. Hoewel wij onze individualiteit bezitten, hoewel wij elk standvastig aan onze overtuigingen zouden moeten vasthouden, moeten wij ze vasthouden zoals ze zijn in Gods waarheid en in de kracht die God toebedeelt. Als wij dat niet doen, zullen zij uit onze greep worden uitgewrongen.” –Testimonies, Vol. 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p. 401. {ABN5: 54.2}

Daarom betekent het uitdagen van de Vijand door iemand die gegrond is in de Waarheid en die op zoek is naar meer, hetzelfde als het leggen van iemands zwaard in zijn handen en hem uit te dagen om zijn hoofd af te hakken. {ABN5: 54.3}

Daag daarom nooit uitmaar wees altijd gereed om het juiste antwoord te geven op een verstandige en overtuigende wijze aan een ieder; debateer nooit,

54

maar onderwijs altijd de Waarheid; ga nooit naar een vijand of naar een niet-gelovige van een waarheid om te bewijzen of het juist of verkeerd is; breng eerder al uw bewijzen aan bij de vrienden ervan, bij de bedenkers ervan—zij die alles erover weten. {ABN5: 54.4}

WAT WORDT BEDOELD MET “DATGENE WAT GEPUBLICEERD IS”?

Vraag Nr. 133:

“De Symbolische Code” zegt: “Onderwijs alleen datgene wat gepubliceerd is.” Wilt u alstublieft uitleggen of deze beperking de Bijbel, de Geest der Profetie, en de lectuur van “De Herdersstaf” gezamelijk bedoelt in te sluiten, of alleen maar de geschriften van de “Staf”? {ABN5: 55.1}

Antwoord:

Omdat de Bijbel en de boeken van de Geest der Profetie  de enige bron zijn van De Herdersstaf, dan wordt er, wanneer de Staf wordt onderwezen, de Bijbel en de Geest der Profetie onderwezen. En aangezien niets anders dan de Geest der Waarheid die de geheimenissen der Inspiratie overbracht ze kan uitleggen, dan vervallen zij die proberen hen te onderwijzen zonder deze Geïnspireerde uitleggende bevoegdheid onvermijdelijk in de verboden praktijk van eigenmachtige uitlegging (2 Petr. 1:20)—het grote kwaad dat het Christendom heeft geleid tot haar huidige haast ongebonden staat van scheuring en de daaruit volgende verwarring, strijd, en onmacht. {ABN5: 55.2}

Daar wij het niet wagen zulk een pad na te volgen, moeten wij dus als leraars van de Herdersstaf (de officiële publicaties van de

55

 Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie) in het licht van de Staf, alleen die passages leren die op de ene of andere manier moeten worden uitgelegd. Alleen op deze wijze zullen Tegenwoordige Waarheid gelovigen ooit van dezelfde gedachte worden,  oog aan oog zien en dezelfde dingen spreken( 1 Kor. 1:10; 1 Petr. 3:8; Jes. 52:8). {ABN5: 55.3}

En dezulken die wél verkiezen betrokken te zijn in eigenmachtige uitlegging, worden respectvol gevraagd op te houden met in de naam van de Staf en ten koste ervan te leren. Laat hen als oprechte mensen in hun eigen namen en ten koste van zichzelf leren. {ABN5: 56.1}

HOE KAN IK BEWIJZEN DAT DE SLACHTING LETTERLIJK IS?

Vraag Nr. 134:

Hoe kan ik aan een Zevende-dags Adventist bewijzen dat de slachting van Ezechiël 9 letterlijk is? {ABN5: 56.2}

Antwoord:

Ten eerste: vestig zijn aandacht op het feit dat de Here Zelf aan de dorpel van het aardse huis was terwijl de slachting daarin plaatsvond. Bestudeer zorgvuldig Traktaat Nr. 1, De Dardanellen van de Bijbel {Tract No. 1, The Dardanelles of the Bible}, wat de gebeurtenis behandelt zoals het werd gezien door de profeet, en laat de gedachte op dit punt, gezamenlijk met daaraan verwante punten, goed gericht zijn. {ABN5: 56.3}

Ten tweede: maak hem vertrouwd met Getuigenissen Deel 5, blz. 173 {Testimonies, Vol. 5, p. 211}, dat zegt: AHier zien wij dat de kerk B het heiligdom van de Heer- het eerst de slag van Gods wraak zou voelen.” {ABN5: 56.4}

56

 Introduceer daarna, door het onderwerp vanuit een andere invalshoek te benaderen, het bewijs van de Geest der Profetie wat openbaart dat wanneer de boodschap van Ezechiël 9 wordt verkondigd tot de kerk, sommigen de letterlijke vervulling ervan zullen ontkennen, zeggende: ”Hij is te genadig om Zijn volk met een oordeel te bezoeken.” –Getuigenissen, Deel 5, blz. 173 {Testimonies, Vol. 5, p. 211}. En dus staat de treurige aankondiging geschreven: “Zij waren van mening dat wij niet naar wonderen en bijzondere tekenen van Gods macht behoefden uit te zien zoals in de dagen van ouds. De tijden zijn veranderd.” Getuigenissen, Deel 5, blz. 173 {Testimonies, Vol. 5, p. 211}. Door te zeggen dat de slachting van Ezechiël 9 niet letterlijk is, zegt men: ”De kerk zal nooit de slag van God voelen. wij behoeven niet naar wonderen en bijzondere tekenen van Gods macht uit te zien zoals in de dagen van ouds.” Zij die dit zeggen, worden veroordeeld vanwege het ontkennen van de duidelijke waarschuwing van de letterlijke, wonderbaarlijke slachting die wordt beschreven door Ezechiël. {ABN5: 57.1}

Ten derde: toon vanuit Jesaja 66:16, 19, 20 aan dat de slachting die wordt vermeld in vers 16 letterlijk zal zijn, want zij die ontkomen zullen letterlijk worden gezonden naar alle natiën, om Zijn heerlijkheid en Zijn gerucht te verkondigen. Verder, dat deze letterlijke slachting in de kerk plaatsvindt, wordt gezien uit het feit dat zij die “van hen ontkomen zijn,” Gods dienstknechten zijn die Hij daarop volgend zendt tot de Heidenen. Als de slachting echter niet letterlijk is, wat zal dan het doel daarvan zijn en waaraan zullen zij “ontkomen?” Ezechiël zag hen als zijnde letterlijk gedood (Ez. 9:8). {ABN5: 57.2}

57

 ZIJN AL DE GAVE NÚ ONDER ONS AANWEZIG?

Vraag Nr. 135:

Mogen wij uit de leer van Broeder_____ , dat de gave van genezing zich nog niet onder ons bevindt, maar zal worden hersteld na de reiniging van de kerk, verstaan dat ook de gave van onderwijzen nog niet is hersteld? Als dit niet hieruit moet worden afgeleid, hebben de leraars van “De Herdersstaf” nú wel de gave? {ABN5: 58.1}

Antwoord:

“Christus is nu dezelfde meevoelende Geneesheer,” verklaart de Geest der Profetie, “als die Hij gedurende Zijn aardse dienstwerk was. In Hem is er helende balsem voor iedere ziekte, herstellende kracht voor ieder gebrek. Zijn discipelen van deze tijd moeten even goed voor de zieken bidden als de discipelen vanouds deden. En genezingen zullen volgen; want “het gelovige gebed zal de lijder gezond maken.”–De Weg tot Gezondheid, blz. 188 {Ministry of Healing, p. 226.} {ABN5: 58.2}

Het was niet de bedoeling van Broeder_____ om de indruk over te brengen dat er geen gave van genezing onder Gods volk is nú, maar simpel dat de grote wonderen van genezing, die worden aangekondigd door de wonderen die werden verricht in de tijd van de eerste Christen gemeente, nog in de toekomst liggen. {ABN5: 58.3}

Betreffende de gave van onderwijzing lezen wij: “De Here heeft u wel brood der benauwdheid en water der verdrukking gegeven, maar uw leraars zullen niet meer in een hoek worden verwijderd, doch uw ogen zullen uw leraars zien.” Jes. 30:20{KJV}.{ABN5: 58.4}

58

Wanneer de kerk is gereinigd, zullen haar leraars de ontvangers zijn van een grotere pinkstermacht dan zelfs de 120 discipelen dat waren. Dit wordt duidelijk gezien uit de profetie van Joel van de late regen, die komt als een leraar der gerechtigheid (Joel 2:23, kanttekening), en die de ontvangers ervan bekleedt met de kracht (Joel 2:28) om die gerechtigheid te verkondigen over de gehele wereld. (Zie ook Eerste Geschriften, blz. 331-333 {Early Writings, pp. 277, 278}. {ABN5: 59.1}

WAT ZAL EEN VERSTANDIG MENS DOEN?

Vraag Nr. 136:

Wat zal iemand doen, nu daar het geld nog nooit als tevoren zo gemakkelijk te verdienen is, maar de prijzen torenhoog zijn? Zal hij alles uitgeven dat hij verdient, of moet hij zich onthouden van zulk een buitensporigheid en alles sparen wat hij kan? En waar zal hij zijn inkomen storten? {ABN5: 59.2}

Antwoord:

Uit ervaringen uit het verleden hebben de wijzen de onverbiddelijkheid geleerd van de levenswet der inflatie en crisis. Zij weten dat het abnormale hoeveelheid geld dat in circulatie is de vraag naar goederen boven wat de markt kan verschaffen doet aanzwellen, waardoor het de prijzen tornhoog doet opstijgen. Zij herkennen hierin een waarschuwende teken van een ophanden zijnde financiële ramp. {ABN5: 59.3}

De verstandigen weten ook dat de wilde orgie van het uitgeven van alles wat zij verdienen, vroeg of laat moet eindigen in een omwenteling van ontberingen, smarten en spijt—het vernietigen van vele gezinnen. Dus ondernemen de wijzen van tevoren stappen om zich veilig te stellen

59

tegen de onvermijdelijke dag van economische uitval. In de tijd van prijsinflatie zullen zij streng de waanzin verloochenen van het nog weelderiger maken van hun huidige levensstandaard. En in deze tijd van versnelde geldcirculatie zullen zij bijleggen, sparen, in plaats van te spenderen. Zij zullen niet vervallen in die zorgeloze houding die alleen de laagste soorten van het dierenleven betaamt—van “feesten vandaag en hongersnood morgen”; noch zullen zij zich voegen bij hen die zeggen: “laat ons eten, drinken en ons verblijden [ons geld uitgeven zo gauw als wij het verdienen] want morgen sterven wij.” {ABN5: 59.4}

Een ieder die nu in de plezierboot instapt op haar vrolijke tocht tot de stroom van de minste weerstand, zal zeker gezogen worden in een onlosmakelijke maalstroom van financiële wanbeleid. Te laat zal hij ondervinden een slachtoffer te zijn van zijn beruchte zorgeloosheid—grove aanmatiging. De verstandelijke gelijkenis van zulk een persoon kan alleen worden vergeleken met dat van een gevoelloze bloedzuiger—dat stomme kleine waterschepsel dat zich lusteloos verhongert wanneer er niets geriefelijks is om zich daaraan te vestigen, en zichzelf dan doodt door teveel te eten wanneer er eindelijk iets zijn kant opkomt. Deze vorm van verkwisting is van het ergste soort want voor zo iemand is er geen “vader’s huis”om daarnaar terug te keren. {ABN5: 60.1}

Als de ervaringsgerichte maatstaf dat de geschiedenis zichzelf herhaalt moet worden erkend, dan moet er uit deze oorlog een overgangsperiode komen met haar onvermijdelijke depressie {crisis}. Een dollar wordt nu makkelijk verdiend; en een dollar

60

die nu wordt gespaard kan twee of drie dollars waard zijn na de oorlog, wanneer geld nog schaarser kan worden gevonden dan het ooit is geweest. Dus is het nu de tijd om zo weinig mogelijk te spenderen en zo veel mogelijk ter zijde te leggen. Nu is de tijd van overvloed waarin er een oogst moet worden geoogst en het op te slaan voor de tijd van nood die voor ons ligt—om het niet te verbruiken aan “alles waarnaar de ziel begeert.” {ABN5: 60.2}

Naast welke noodzakelijke uitgaven en toenemende inhoudingen dan ook die men kan hebben—Inkomstenbelasting, Victory Belasting, Oorlogsobligaties, sociale verzekering, tienden en offers–zal iedere wijze loonverdiener een zeker bedrag terzijde leggen aan spaargeld, ongeacht hoe klein, en vasthoudend vaststellen dat niets hem ervan zal afleiden van dit plan, en dat niets deze fonds zal doen afnemen. Dit zal men echter zeer moeilijk ondervinden te doen, als gevolg van verleidingen tot spenderen, en van bedreven zakenlieden die hun levenlang hebben gestudeerd hoe zij het spaargeld van hun medemens kunnen uitbuiten. De Associatie heeft daarom een speciale Nalatenschapscertificaten bereid, die de houder ervan zal verzekeren van een nestei voor een “regenachtige dag,” of hem veilig te stellen tegen een financiële ongeluk in de dagen van oude leeftijd. {ABN5: 61.1}

De bezige bij bevoorraadt en spaart haar honing op gedurende de zomermaanden. Wanneer dan de winter komt, heeft niet alleen genoeg honing om haar door de moeilijke tijd heen te leiden, maar zij heeft zelfs ook wat over voor opzichter.  Tegenwoordige waarheid gelovigen zouden niet minder wijs moeten zijn dan een kleine onbeduidende bij! Laat het Nalatenschapscertificaat

61

 een herinnering voor u zijn dat daar waar de motten niet kunnen binnengaan en waar de dieven niet  kunnen inbreken, de veiligste plaats is om uw schat te storten. En een klein beetje van zulk een vooruitziendheid nu zal het onmetelijk makkelijker maken bij het Vadershuis wanneer de inspannende tijden komen, want dan kunt u putten uit uw eigen reservefonds op uw certificaat. Het kan onmogelijk zijn voor de Associatie om al de ongelukkigen dán te dienen; en zij die geen voorziening treffen in deze korte tijd van ogenschijnlijke voorspoed, kunnen zich dán verlegen voelen. Vanzelfsprekend kunnen niemand anders dan zij die in het bezit zijn van een Lidmaatschaspscertificaat incvesteren in het Nalatenschapscertificaat—deelhebben aan deze door God gewijde spaarsysteem en ingewijde sociale zekerheid. {ABN5: 61.2}

IS HET BELASTBAAR?

Vraag Nr. 137:

Is mijn “Nalatenschapscertificaat” onderworpen aan de belasting? {ABN5: 62.1}

Antwoord:

Het Nalatenschapscerificaat dat hierbij is gereproduceerd, certificeert duidelijk dat het geld dat aldus is gelegd bij de Generale Associatie der Davidiaanse Zevende-dags Adventisten geen spaardeposito voorstelt, maar een nalatenschap, in ruil voor dat de Associatie zich vrijwillig bindt, in de zin van een morele verplichting, om de certificaathoudende leden ten minste bij te staan met het bedrag dat zij nalaten{vermaken} en storten. En nalatenschappen zijn niet belastbaar. {ABN5: 62.2}

62

shepherds-rod-answerer-book-bequeathment-certificate

HOE ZIT HET MET OVERHEIDSDIENSTEN?

Vraag Nr. 138:

Is het verkeerd voor een Christen om ondersteuning te aanvaarden van overheidshulporganisaties? {ABN5: 63.1}

63

Antwoord:

Krachtens de federale pensoen-en sociale welzijnsvoorzieningen, zijn de bejaarden-en ondersteuningsfondsen van de overheid even rechtmatig geldig voor haar burgers die kerkleden zijn als voor haar burgers die geen kerkleden zijn. Dus heeft de Christen als burger niet minder morele recht om hulp te aanvaarden van zijn regering dan dat hij als kerklid het recht heeft om hulp te aanvaarden van zijn kerk. {ABN5: 64.1}

ZOU EEN CHRISTEN ZICH MOGEN AANSLUITEN BIJ VAKBONDEN?

Vraag Nr. 139:

Wat zou ons standpunt moeten zijn wat vakbonden betreft? {ABN5: 64.2}

Antwoord:

Hoewel de Bonden in hun beginjaren niet de macht hadden noch de druk uitoefenden die zij nu uitoefenen, toch waren mensen zelfs toen moeizaam aan het werk om van hen te maken wat ze nu zijn. Om de ware gelovige dus te beveiligen tegen het in gedrang raken door hun opleggingen en aldus betrokken raken in hun stakingen en posteren (hem niet ervan weerhoudend om hen een deel van zijn loon te betalen als zij hem daartoe dwingen), verbieden de Getuigenissen hem om deel te nemen aan het bevorderen van hun onchristelijke doeleinde. (Zie Testimonies {Getuigenissen}, Vol. 7, p. 84). {ABN5: 64.3}

Door Jezus en Zijn volgelingen te vervolgen, deden de Romeinse en Joodse regeringen iets dat zelfs nog onrechtvaardiger was dan de Vakbonden vandaag de dag aan het doen zijn door arbeid

64

af te dwingen in hun gelederen, en toch gaf Jezus Zijn volgelingen toentertijd aanwijzingen om belasting te betalen aan Caesar. Dus moeten wij concluderen dat als men wordt vereist een vergoeding te betalen terwijl men een beroep uitoefent welke geen “open winkel” toelaat, dan heeft hij geen alternatief om in deze behoefte te voorzien als één van de vereisten van de winkel, ongeacht of de Vakbond nu een goede of een slechte organisatie is. Hoewel hij dus teneinde zijn baan aan te houden ter ondersteuning van zichzelf en zijn gezin, hij de vergoeding kan betalen welke de Vakbonden vorderen voor de gelegenheid tot arbeid, toch zou hij niet moeten deelnemen aan geen van hun activiteiten en functies—politiek, sociaal of anderszins. Kortom, hij zal geen enkele broederlijke verbinding dan ook met hen hebben. {ABN5: 64.4}

Onder zulke omstandigheden is er geen verschil in het betalen van een Vakbondsbijdrage, staatsbelasting, of enig andere noodzakelijke uitgave, vergoeding of kosten, ten einde aan het werk te blijven. Met het oog hierop, zullen zij die het licht navolgen de Vakbondsbijdrage alleen betalen als ze dat moeten, en zullen zo spoedig mogelijk ophouden met ze te betalen. {ABN5: 65.1}

IS HET VERKEERD OM EEN EIGENDOMSVERZEKERING TE  BEZITTEN?

Vraag Nr. 140:

“Testimonies,” Vol. 1{“Getuigenissen,” Deel 1}, pp.549-551 spreekt over het tegen zijn van verzekeringen.  Betekent dit dat ook een eigendomsverzekering daarin is inbegrepen? {ABN5: 65.2}

Antwoord:

De verklaring in kwestie handelt alleen over levensverzekering. Aangezien wij van geen

65

beperking weten over als men in het bezit is van een eigendomsverzekering, dan moet het besluit daarover rusten bij de persoon. {ABN5: 65.3}

HOE ZIT HET MET HET KOPEN VAN OORLOGSOBLIGATIES?

Vraag Nr. 141:

Zijn de werkers van Mt. Karmel Center of de instelling zelf Oorlogsobligaties van de Verenigde Staten aan het kopen? {ABN5: 66.1}

Antwoord:

Als werkers in een godsdienstige liefdadigheidsinstelling die gemeenschappelijk tegen een absolute minimumloon werken, verkeren de bewoners hier bijgevolg, van laagste tot de hoogste, zonder marge van  koopkracht voor iets anders dan de aller-noodzakelijkste zaken van het leven. Daarom heeft niemand genoeg inkomensvermogen om hem in staat te stellen om welke soort van financiële investering dan ook te doen. {ABN5: 66.2}

De instelling zelf, die in haar totaliteit een strikte liefdadigheidsorganisatie is, verkeert in een gelijksoortige omstandigheid. Omdat het een geen-winst-makende medium is, waardoor haar leden hun aangewezen werk verrichten door een bijdrage eraan te leveren uit hun inkomen, zodat het haar werkers kan voeden, huisvesten en bekleden, godsdienstig lectuur kan afdrukken, en dit kosteloos kan verspreiden over de gehele wereld, heeft het dus van zichzelf geen eigen fondsen. Dus kan het moreel gezien, al zou het dat financieel kunnen, geen enkele investering doen die niet beantwoordt aan dit gevormde doel, hoe aanbevelenswaardig die investering op zichzelf ook kan zijn. {ABN5: 66.3}

66

Niettemin koopt de instelling, bij het ten uitvoer brengen van haar reguliere werkzaamheden ten goede van anderen, niet voor haar eigen gewin, honderden dollars aan postzegels iedere maand. Hoewel het dus niet in de positie verkeert om direct te helpen (door middel van het kopen van Oorlogsobligaties van de Verenigde Staten) bij het defensie-programma, doet het indirect haar deel (door middel van het kopen van postzegels van de Verenigde Staten), waarbij haar geld simpelweg gaat naar een ander compartiment van dezelfde nationale kas, van waaruit zij natuurlijk geen rente of kapitaal ontvangt. {ABN5: 67.1}

SALUEREN OF NIET SALUEREN?

Vraag Nr. 142:

Is het verkeerd om te salueren naar de vlag? {ABN5: 67.2}

Antwoord:

“Geeft(…)de keizer wat des keizers is,” “(…) aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt. Zijt niemand iets schuldig.” Matt. 22:21; Rom. 13:7, 8. {ABN5: 67.3}

Toen “trachtten de rijksbestuurders en de stadhouders een grond voor een aanklacht tegen Daniël te vinden inzake het rijksbewind, (…)zij konden geen enkele grond voor een aanklacht of iets verkeerds vinden.” Dan. 6:5 {Eng, vs. 4}.  Omdat zij hem dus onberispelijk bevonden, “hebben” zijn vijanden “zich beraden, dat een koninklijk besluit behoort te worden uitgevaardigd en een verbod vastgesteld, dat ieder die binnen dertig dagen een verzoek richt tot enige god of mens behalve tot” de koning, “in de leeuwenkuil” zou “worden geworpen.” Dan. 6:8 {Eng., vs. 7}. Door

67

de handtekening van de koning vast te leggen op het verbod, trachtten zij een situatie teweeg te brengen die Daniël noodzekelijkerwijs zou betrekken in een daad van rebellie tegen de koning. Zij wisten dat hoewel hij beoogde om onfeilbare trouw te bewijzen aan de koning, hij dat niet zou doen tegen de prijs van het tonen van ontrouw aan zijn God. Daniël ging daarom voort met het bidden tot zijn God zoals hij dat gewoon was te doen, met als gevolg dat hij in de leeuwenkuil werd geworpen. Maar Degene tot Wie hij bad redde zijn leven van de hongerige beesten. {ABN5: 67.4}

Dan is er het opmerkelijk geval van Jozef, die vanwege zijn onwankelbare trouw aan de regering van Egypte, werd verheven tot een positie waarbij hij de troon deelde met Farao. {ABN5: 68.1}

Uit deze en andere Bijbelincidenten, erkennen wij dat iemands trouw aan zijn overheid, zijn wezenlijke gelofte van trouw eraan is—een saluut naar haar vlag. {ABN5: 68.2}

Alles bij elkaar genomen zien wij daarom dat terwijl enerzijds de ontrouw van iemand aan God een zonde tegen Hem is, is iemands ontrouw aan zijn overheid anderzijds en zonde daartegen, en indirect ook tegen God; want ontrouw aan iemands regering is ongehoorzaamheid aan Gods uitgedrukte bevel: “Herinner hen eraan, dat zij zich aan overheid en gezag onderwerpen, gehoorzaam, tot alle goed werk bereid zijn.” Tit. 3:1. “Onderwerpt u aan alle menselijke instellingen, om des Heren wil: hetzij aan de keizer, als opperheer, hetzij aan stadhouders, als door hem

68

gezonden tot bestraffing van boosdoeners, maar tot lof van wie goed doen.” 1 Petr. 2:13, 14. “Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.” Rom. 13:1, 2. {ABN5: 68.3}

Daar de vlag geen afgod of een fetisj is, maar een symbool, een vaandel, is een saluut ernaar geen afgodenaanbidding, zoals sommigen denken, maar eerder een openbare belijdenis van iemands trouw aan zijn regering, evenals de doop iemands belijdenis is van trouw aan de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. {ABN5: 69.1}

Op bevel van God maakten de Israëlieten vaandels (vlaggen) naar hun stammen, met als doeleinden zowel ter identificatie als ter symbolisatie van hun trouw aan datgene waarvoor de vla stond. (Zie Numeri 2). {ABN5: 69.2}

derhalve trouw Dus moet iedere Christen, als hij gehoorzaam zou willen zijn aan Gods geboden, trouw zijn aan het land waarin hij woont.  Daarom panden wij, als Christenen in Amerika, toegewijd aan God en aan de rechtvaardige beginselen van deze vrije “regering onder God,” als eerst onze harten, ons verstand, onze handen,

69

ons alles, aan de vlag van Gods eeuwige Koninkrijk, en aan het Theocratie {Gods-koninkrijk} waarvoor het staat , een volk samengesteld uit alle natiën, en verbonden met de koorden van eeuwige liefde, vrijheid, reinheid, gerechtigheid, vrede, geluk, licht en leven voor allen; en ten tweede “zweren” wij “trouw aan de vlag van de Verenigde Staten van Amerika, en aan de Republiek waarvoor het staat, een Natie, ondeelbaar, met vrijheid en recht voor allen.” En zolang er Oude Glorie zich ontvouwt als het zinnebeeld van de ongeschonden beginselen van haar grondwet, zolang is onze gelofte van trouw eraan een ongeschonden zaak. {ABN5: 69.4}

BEHOORT PATRIOTTISME{VADERLANDSLIEFDE} TOT HET CHRISTENDOM?

Vraag Nr. 143:

Zullen wij in deze oorlog het standpunt innemen van gewetensvolle bezwaarmakers of van patriottisten{vaderlandsliefhebbers}? {ABN5: 70.1}

Antwoord:

Iedereen die een ander standpunt inneemt dan dat van een patriot, kan geen ware burger zijn van zijn land. Een Christen moet echter altijd gedenken dat hij zich onder twee regeringen bevindt,–een geestelijke en een tijdelijke,–en dat hij daarbij verplicht is om beide te dienen, hoewel er momenten kunnen zijn waarbij er omstandigheden opkomen die hem verhinderen om aan beiden dezelfde “mate van toewijding” te geven. Maar hij zal altijd zijn best doen om beiden voor zover mogelijk ten volle te dienen. {ABN5: 70.2}

De Bijbel leert duidelijk, en de geschiedenis heeft talloze keren bevestigd, dat iemands veronachtzaming van Gods verordeningen noodlottig is

70

 zowel voor zichzelf als voor zijn natie. Deze tragische waarheid, die zo eindeloos is vastgesteld over de lange rol der eeuwen, niet alleen temidden van het verkozen natie van Israel, maar ook temidden van al de natiën der aarde, is “voor ons ter waarschuwing over wie de einden der wereld is gekomen.” {ABN5: 70.3}

Dus, omdat iemands ongehoorzaamheid aan Gods geboden schade moet bewerkstelligen over zijn natie alsmede over zichzelf, draagt een Christen de dubbele verantwoordelijkheid van het doen van alles wat in zijn vermogen ligt om het welzijn veilig te stellen en om het succes te bevorderen van zowel de geestelijke als de tijdelijke koninkrijken. En om zich ten volle te verzekeren zijn vrijspraak van deze  gewichtige tweevoudige verantwoordelijkheid, zal hij onvoorwaardelijk gehoorzaam zijn aan het gebod van de Heer: “Geeft dan de keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.” Markus 12:17. “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.” Gen. 12:3. {ABN5: 71.1}

Het vroegere Israël waren als een natie en een regering verplicht hun eigendom, volk, en gezinnen te beschermen—zelfs met het zwaard. Maar zij mochten geen oorlog voeren tegen hun eigen broeders. Toen het tienstammen rijk, Israël, samenzwoer met Syrië om oorlog te voeren tegen het tweestammen rijk, Juda, rustte Gods vloek op zowel Syrië als Israël, en elkeen werd zodoende

71

verbroken door de koning van Assyrië. (Zie Jesaja 7:1-8; 8:4). {ABN5: 71.2}

Maar toen ze werden vervolgd ter wille van het evangelie, werden de Christenen geïnstrueerd om nooit te vergelden: “Ik zeg u,” zegt de Heer, “de boze niet te weerstaan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe; en wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, laat hem ook uw mantel; en zal iemand u voor één mijl pressen, ga er twee met hem. Geef hem, die van u vraagt, en wijs hem niet af, die van u lenen wil. {ABN5: 72.1}

“Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten.  Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.” Matt. 5: 39-45. {ABN5: 72.2}

Het licht dat schijnt vanuit zowel het Oude als het Nieuwe Testament, toont aan dat een Christen, als een trouwe burger, in tijden van oorlog zal dienen om zijn land te beschermen; maar als er in de oorlog aan beide zijden Christenen betrokken zijn, zoals het geval is met de oorlogen vandaag de dag, dan kan hij, als een burger van het Koninkrijk van Christus, niet op gewetensvolle wijze betrokken zijn in het beschieten van zijn medeburger van dat Koninkrijk. Want “indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk zich niet

72

staande houden. En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zal dat huis niet kunnen bestaan.” Markus 3:24, 25. {ABN5: 72.3}

Maar hoewel Christenen in zulk een oorlog geen wapens moeten dragen om elkander te doden, zijn zij moreel verplicht om humanitaire werkzaamheden te verrichten zoals dat werd uitgevoerd door de barmhartige Samaritaan—de zieken, gewonden en stervenden te bedienen, ongeacht hun nationaliteit. {ABN5: 73.1}

VÓÓR Of TEGEN PENSIOEN STEMMEN?

Vraag Nr. 144:

Zou u alstublieft uw standpunt willen uitleggen met betrekking tot de pensioenkwesties die nu worden gepresenteerd aan het publiek? Denkt u dat zij het verdienen om ervoor te stemmen? {ABN5: 73.2}

Antwoord:

Er wordt ons aangespoord dat de zaak van God “het gehele verstand, de volledige aandacht in beslag zou moeten nemen.”—Early Writings, p. 118{Eerste Geschriften, blz..}. Daar wij dus niet op gewetensvolle wijze genoeg tijd kunnen wijden aan het bestuderen van deze politieke en economische zaken en van hun uiteindelijke gevolgen, om op intelligente wijze een oordeel over hen te vellen, kunnen wij niet op gewetensvolle wijze voor of tegen hen stemmen. Want onze ongeïnformeerde stemmen kan moeilijkheden en ontbering bewerken voor sommigen, terwijl het anderen kan leiden tot paden van werkeloosheid en buitensporigheid. “Zie,”zegt de Heer, “dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: in trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendige en de arme te ondersteunen.” Ez. 16:49. {ABN5: 73.3}

In de wereld van vandaag worden zowel haar politieke als haar godsdienstige belangen veel beter

73

bediend door specialisten. Alleen zij die hun gehele hart en verstand hebben gericht op de tijdelijke zaken van het leven, die genoeg tijd kunnen wijden aan het bestuderen van ´s werelds economische en politieke zaken, zijn gekwalificeerd om deel te nemen aan zulke belangen. Zij die met hart en ziel zijn toegewijd aan ´s werelds geestelijke noden, die eeuwig en van veel groter belang zijn dan de tijdelijke zaken van het leven, die spoedig zullen vergaan en zullen worden vergeten, kunnen de wereld niet meer dienen in haar politieke en economische noden dan dat degenen, die hun hart en het verstand hebben verdiept in de tijdelijke dingen, de wereld kunnen dienen in haar geestelijke noden. {ABN5: 73.4}

“Wee hun die naar Egypte trekken om hulp, die steunen op paarden en vertrouwen op wagens, omdat zij talrijk zijn, en op ruiters, omdat zij machtig in aantal zijn, maar de blik niet richten op de Heilige Israëls en naar de HERE niet vragen. Maar ook Hij is wijs, Hij doet het kwaad komen en neemt zijn woorden niet terug; Hij richt Zich tegen het huis der boosdoeners en tegen de hulp door de bedrijvers van ongerechtigheid verleend. De Egyptenaren daarentegen zijn mensen en geen God, en hun paarden zijn vlees en geen geest; daarom zal de HERE zijn hand uitstrekken, zodat de helper struikelt en de geholpene valt, en zij allen tezamen vergaan.”  Jes. 31:1-3. “De rechtvaardige zal zich in de HERE verheugen en bij Hem schuilen, alle oprechten van hart zullen zich beroemen.” Ps. 64:11{Eng., vs.10}.{ABN5: 74.1}

74

“Wat zal men dan de gezanten des volks antwoorden? Dat de HERE Sion gegrondvest heeft en dat daarin de ellendigen van Zijn volk zullen schuilen.” Jes. 14:32. {ABN5: 75.1}

IS HET BETAMELIJK VOOR EEN CHRISTEN OM TE STEMMEN?

Vraag Nr. 145:

Is het goed om te stemmen? {ABN5: 75.2}

Antwoord:

Omdat het stemrecht een van de onvervreemdbare rechten is van een vrij volk, kan er niets verkeerds zijn aan het beoefenen ervan als daardoor hetzij de wet of de kantoren van het land daardoor beter kunnen worden gediend. Om echter een stem uit te brengen, die zulk een doel zal bevorderen, vereist een gewetensvolle studie; door daarin te falen, kan iemands stemmen alleen maar onverstandige giswerk, en aldus eerder nadelig dan bevorderlijk zijn voor een goede regereing. {ABN5: 75.3}

Daarom  kunnen zij, die niet in een positie verkeren om de noodzakelijke tijd en de studie eraan te wijden om zich voldoende op de hoogte te stellen van politieke zaken om zich te kwalificeren voor het op verstandige wijze stemmen erover, niet op gewetensvolle wijze zulk een stem uitbrengen. {ABN5: 75.4}

Omdat wij bedienaars zijn van het evangelie, met onze tijd volledig in beslag genomen door de geestelijke belangen van de mensen, zijn wijzelf niet in staat om ook aandacht te geven aan hun politieke belangen, net zoals de politieke vertegenwoordigers van het volk niet in staat zijn om de juiste ook aandacht te schenken aan hun geestelijke behoeften. En daarom zien wij zelden, indien ooit, onze weg vrij om te stemmen. {ABN5: 75.5}

75

HOE ZIT HET MET HET GEBRUIK VAN MELK EN EIEREN?

Vraag Nr. 146:

Aangezien ziekten onder rundvee en pluimvee steeds meer in aantal, kwaadaardigheid en wijdverspreid toenemen, zouden wij dan niet nu melk en eieren uit ons dieet moeten bannen? {ABN5: 76.1}

Antwoord:

Als er een epidemie bestaat onder vee en gevogelte in uw gebied of streek, dan zou u absoluut grote voorzichtigheid moeten beoefenen wanneer u melk en eieren gebruikt, en ernaar toe moeten werken om ze te vervangen, zo snel als dat mogelijk is, met behoorlijke vervangingsmiddelen. {ABN5: 76.2}

Op dit moment hebben wij geen kennis die ons zou noodzaken of rechtvaardigen om landelijk geen gebruik te maken van dergelijke pluimvee en zuivelproducten, en nog meer zo in het bijzonder als er geen behoorlijke vervanging beschikbaar is en als de Heer geen weg heeft geopend om daarin te voorzien. Niettemin zouden wij allen naarstig op zoek moeten zijn naar iets beters, zodat wanneer de omstandigheden zich dusdanig ontwikkelen dat zij het voortgezette gebruik van deze producten onveilig maken, wij dan niet verrast komen te staan zonder een afdoende vervanging. {ABN5: 76.3}

“Laat de dieethervorming vooruitstrevend zijn. Laat het de mensen geleerd worden hoe zij voedsel kunnen bereiden zonder melk of boter. Vertel hen dat de tijd spoedig zal komen dat er geen veiligheid zal zijn in het gebruiken van eieren, melk, room en boter, omdat ziekten bij dieren aan het toenemen is evenredig aan de toename van slechtheid onder de mensen. De tijd is nabij wanneer, vanwege de ongerechtigheid van het gevallen ras, de ganse dierenschepping zal

76

 kreunen onder de ziekten die onze aarde vervloeken.” –Testimonies, Vol. 7{Getuigenissen, Deel 7}, p. 135. {ABN5: 76.4}

“De tijd zal komen waarbij wij sommige voedselartikelen die we nu gebruiken zullen moeten uitsluiten, zoals melk en room en eieren; maar het is niet nodig om een benardheid over ons heen te halen door vroegtijdige en extreme beperkingen. Wacht totdat de omstandigheden dit vereisen, en en de Heer de weg ervoor bereidt. {ABN5: 77.1}

***

“(…)Mij is geinstrueerd om hen te vertellen dat zij dat voedsel moeten eten wat het meest voedzaam is. Ik kan niet tot hen zeggen: ‘U moet geen eieren, of melk of room eten. U moet geen boter gebruiken bij het bereiden van voedsel.’ Het evangelie moet worden verkondigen aan de armen, maar de tijd is nog niet gekomen om de strengste dieet voor te schrijven.”—Testimonies, Vol. 9{Getuigenissen, Deel 9}, pp. 162, 163. {ABN5: 77.2}

ZULLEN WIJ VEE EN PLUIMVEE HOUDEN?

Vraag Nr. 147:

Is het geoorloofd om koeien en kippen te houden? {ABN5: 77.3}

Antwoord:

Als melk en eieren nog steeds een gedeelte samenstellen van ons dieet, dan is het beste om ze, indien mogelijk, uit onze eigen vee en pluimvee verwerven. {ABN5: 77.4}

Zij die bezwaar hebben tegen het houden van koeien en kippen, op grond van dat de Geest der Profetie dat afkeurt, nemen een standpunt in die gebaseerd is op een extreme uitlegging van wat er staat geschreven. {ABN5: 77.5}

77

Vanaf de tijd dat het Zevende-dags Adventisten Kerkgenootschap werd georganiseerd tot aan de tegenwoordige tijd hebben zowel haar instellingen als haar leden vee en pluimvee onderhouden. Als dat verkeeerd was geweest om dat te doen, dan zou de Geest der Profetie dat duidelijk aan het volk hebben geinstrueerd. Aangezien er echter geen enkel dergelijke gepubliceerd verslag is, zijn zij die zulke extreme zienswijzen naar voren brengen de Geest der Profetie aan het verdraaien, en verlenen ondersteuning aan hun eigen radicale ideeën. {ABN5: 78.1}

Blijf op “het midden van de weg,” en sta geen extremisten toe om u tot de ene of de andere zijde te leiden. {ABN5: 78.2}

Wij zouden moeten leren om de geschriften van anderen te respecteren door aan hen niets toe te voegen noch uit hen iets weg te laten, wat de schrijver nooit heeft bedoeld of goedgekeurd. {ABN5: 78.3}

WAT IS ER VERKEERD AAN HET ETEN VAN REIN VLEES?

Vraag Nr. 148:

Is het, in het licht van Mattheus 15:11 en andere schriftgedeelten, niet duidelijk dat vegetarisme van de mens komt en niet van God? {ABN5: 78.4}

Antwoord:

Als het geciteerde schriftgedeelten de gehele behandeling van de Bijbel omvatten betreffende het onderwerp, dan kan een onvoorwaardelijk bevestigend antwoord op de vraag noodzakelijk zijn. Maar in den beginne “zei God: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn;

78

het zal u tot spijze dienen.” Gen. 1:29. Dit alles en niets anders zou het “spijze” zijn van de mensheid. {ABN5: 78.5}

Dus was er in het dieet van de mens in het begin geen vleesvoeding inbegrepen. Niet eerder dan na de zondvloed, toen ieder groen gewas op aarde was vernietigd, kreeg hij toestemming om vlees te eten. Toen zie God: “Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb het u alles gegeven evenals het groene kruid.” Gen. 9:3. {ABN5: 79.1}

Later echter, terwijl de kinderen van Israel in de woestijn vertoefden, voorzag God hen van manna. Maar toen zij ertegen murmureerden, en dit fenomeen {verschijnsel} alleen toeschreven aan  omstandigheden, bewerend dat het onmogelijk was om vleesvoeding te verkrijgen in de woestijn, stapelde Hij letterlijk en op toornige wijze de kwakkels op hen. En tegen wat voor een prijs echter! Duizenden stierven ten einde de les te leren dat het manna niet slechts een gevolg was van omstandigheden, maar eerder een doelgerichte Voorzienigheid.  Want “terwijl het vlees nog tussen hun tanden was, vóórdat het gekauwd was, ontbrandde de toorn des HEREN tegen het volk en de HERE sloeg het volk met een zeer zware slag.” Num. 11:33. {ABN5: 79.2}

Omdat de Exodus beweging een volk zou bekleden om het beloofde land in bezit te nemen en het koninkrijk van die tijd in bezit te nemen, zoals wij dan nu zullen doen, werden zij opgedragen om zich te onthouden van alle vleesvoeding. En omdat Johannes de Doper een belangrijke boodschap uitdroeg in zijn dagen (“Bekeert

79

 u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” –Matt. 3:2), gelijksoortig aan onze boodschap vandaag, bestond zijn dieet uit honing en de vrucht van de sprinkhanenboom{Johannedbrood}. Hoeveel belangrijker is het dan, zoals onze typen dat leren, dat wij die het hoogtepunt bereikende boodschap van het evangelie hebben, en die de voorhoede zijn van de heerscharen van het eeuwig koninkrijk, de tempels van onze zielen niet verontreinigen met hetgeen wat onze typen waren verboden te eten. {ABN5: 79.3}

Voorts is het zo, dat aangezien de Elia van Maleachi 4:5 en Mattheus 17:11 alle dingen zal herstellen voordat de grote en vreselijke dag des Heren komt, dan zal hij noodzakelijkerwijs ook het vegetarisme, het oorspronkelijk dieet van de mens, herstellen. Dan zullen niet alleen de mens maar ook de dieren strikte vegetariers zijn, en zullen allen wederom met elkaar omgaan in het vernieuwde gemeenschap van de Edense vrede. {ABN5: 80.1}

“Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken.” Jes. 11:6-9. {ABN5: 80.2}

80

Verder nog, als de woorden “niet wat de mond binnengaat, maakt de mens onrein, maar wat de mond uitkomt, dat maakt de mens onrein” (Matt. 15:11), wordt begrepen als betekenend dat het niet uitmaakt wat we eten of drinken, waarom zouden wij dan geen varkensvlees eten, thee, koffie en zelfs alcohol drinken, en tabak roken,–inderdaad,  alles eten en drinken wat wij maar wensen? {ABN5: 81.1}

ZIJN ALLE SPECERIJEN SCHADELIJK VOOR DE GEZONDHEID?

Vraag Nr. 149:

De “getuigenissen” keuren het gebruik van specerijen af, maar geven geen duidelijke lijst aan van die specerijen die ongeschikt worden verklaard voor menselijke consumptie. Worden alle smaakmakers afgekeurd? {ABN5: 81.2}

Antwoord:

Het feit dat salie, uien, peterselie, munt, knoflook, selderij en andere soortgelijke kruiden niet alleen maar onschadelijk, maar in feite heilzaam zijn voor het lichaam, toont duidelijk aan dat niet iedere plantaardige smaakmaker moet worden geclassificeerd bij de ongezonde specerijen. {ABN5: 81.3}

In de commerciële markt echter, zijn er sterk gekruide sauzen en smaakmakers die, als een welbekend feit, schadelijk zijn in hun uitwerking op het lichaam. Zoals wij het begrijpen, zijn het dergelijke kruiden en specerijen die Zuster White afkeurt. {ABN5: 81.4}

Wij weten niet van kaneel, nootmuskaat, piment, laurierblaadjes, foelie, vanille, capsicum (rode peper), kruidnagel en gember, indien zij met mate worden gebruikt, dat zij elementen bevatten

81

 die schadelijk zijn voor de gezondheid. In feite heeft men ondervonden dat rode pepers, gedroogd en gemalen tot poeder, doeltreffend zijn in het voorkómen van verkoudheid. En ook werden er specerijen gebruikt bij de offerdiensten (Ex. 30:23-25, 34). {ABN5: 81.5}

Dus zijn niet alle specerijen schadelijk. Maar laat het worden begrepen, dat het gebruiken van welk specerij dan ook in buitensporige hoeveelheden, schadelijk is, zoals dat het geval is met alle onmatigheid. {ABN5: 82.1}

WAARAAN KAN MEN EEN DAVIDIAANSE ZEVENDE-DAGS ADVENTIST HERKENNEN?

Vraag Nr. 150:

Omdat de Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie geen formele lidmaatschap heeft, wat voor bewijs kan men dan geven om zich te identificeren als een lid van de organisatie? En hoe kan hij de lengte van tijd vaststellen dat hij erbij heeft gehoord? {ABN5: 82.2}

Antwoord:

Iemands ondersteuning van de tijdige Davidiaanse boodschap, en zijn uitleving van de beginselen ervan (de doop, Sabbatviering, gezamenlijk met de rest van de tien geboden, vegetarisme, hervorming in kleding, totale onthouding van tabak en alcoholische dranken, en al het andere wat de Geest der Profetie bevat), zijn de waarachtigste getuigen van zijn aansluiting, en het enige echte zichtbare certificaat van het feit. Dezen zijn de enige absolute overtuigende bewijzen van iemands waardigheid tot lidmaatschap bij de Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie. {ABN5: 82.3}

82

Hoe lang men een lid is geweest van de Associatie hangt in het geheel af van hoe lang men deze beginselen heeft gekend en heeft uitgeleefd. {ABN5: 83.1}

Naar hen die een aanvraag indienen, zal de associatie een blanco aanvraagformulier voor Lidmaatschap verzenden. Als de aanvrager niet in staat is volledig te voldoen aan al de vereisten van de boodschap, dan moet hij aan zijn aanvraagformulier een bevredigende uitlegverklaring toevoegen. Anders kan er geen Lidmaatschapscertificaat worden verleend. {ABN5: 83.2}

MOET IK EERST VOLMAAKTHEID BEREIKEN?

Vraag Nr. 151:

 Moet men, ten einde het aanvraagformulier voor het “Lidmaatschapscertificaat” te kunnen ondertekenen, volmaaktheid hebben bereikt? {ABN5: 83.3}

Antwoord:

De aanvrager moet ernaar streven om een overwinnaar te zijn—om bevrijd te zijn van zonde, om de Waarheid te bewaren en voort te gaan in de wedloop; ernaar streven om niet te vallen, maar het voornemen te hebben dat hij, in het geval dat hij zou vallen, opnieuw zal opstaan en nog meer vastbesloten dan ooit ernaar zal jagen om het doel te bereiken. Hij moet op deze wijze in staat zijn om op gewetensvolle wijze het aanvraagformulier voor lidmaatschap te ondertekenen. {ABN5: 83.4}

MOET DE DOOP VOORAFGAAN AAN LIDMAATSCHAP?

Vraag Nr. 152:

Hoewel ik nooit ben gedoopt, geloof ik toch ten volle in de toegevoegde boodschap van “De Herdersstaf” {“The Shepherd’s Rod”}, en nu wens ik te weten of ik in aanmerking kom voor het aanvragen van het “Lidmaatschapscertificaat.” {ABN5: 83.5}

83

Antwoord:

Daar het de eerste stap is in de openbare belijdenis van de Christen van zijn geloof, wordt de doop vereist voor het lidmaatschap. Dus, dien eerst een aanvraag in voor de doop, en daarna voor het certificaat. {ABN5: 84.1}

IS MEN LID ZONDER IN HET BEZIT TE ZIJN VAN HET LIDMAATSCHAPSCERTIFICAAT?

Vraag Nr. 153:

Kan men een lid zijn van de Associatie zonder het bezitten van een “Lidmaatschapscertificaat”? {ABN5: 84.2}

Antwoord:

Ja, men kan lid zijn zonder het bezitten van een Lidmaatschapscertificaat. Maar om een als geloofwaardig erkende lid te zijn, bevoorrecht om ten volle van al de voordelen te genieten die de Associatie biedt, moet hij het certificaat bezitten. {ABN5: 84.3}

WIE MAG EEN AMBT BEKLEDEN?

Vraag nr. 154:

Komen Davidianen die geen “Lidmaatschapscertificaat” bezitten in aanmerking om een ambt te bekleden? {ABN5: 84.4}

Antwoord:

Alle ambtenaren die in dienst zijn van de Davidiaanse Associatie der Zevende-dags Adventisten, evenals al de bewoners van Mr. Karmel, zouden in het bezit moeten zijn van het Lidmaatschapscertificaat. {ABN5: 84.5}

WIENS SYSTEEM DUIDT GELDZUCHTIGHEID AAN?

Vraag Nr. 155:

Als alleen zij die een tweede tiende betalen in aanmerking komen voor een “Lidmaatschapscertificaat,” is dan

84

 zulk een vereiste niet slechts een geldzuchtig systeem? {ABN5: 84.6}

Antwoord:

Als iemand, die wél de tweede tiende kan betalen maar dat niet doet, het Lidmaatschapscertificaat zou bemachtigen, dan zou hij inderdaad “geldzuchtig” zijn, want hij zou dan aan het oogsten zijn waar hij niet heeft gezaaid—genieten van voordelen uit een fonds waaraan hij niets heeft bijgedragen om het op te bouwen, en welke hij heeft afgewezen te ondersteunen. Anders gezegd zou hij, terwijl hij zijn eigen tweede tiende bewaart, de voordelen verkrijgen die komen uit het tweede-tiende-fonds van de Associatie. {ABN5: 85.1}

HOE ZIT HET ALS IK GEEN TIENDEN HEB TE BETALEN?

Vraag Nr. 156:

Kan men in het bezit zijn van het “Lidmaatschapscertificaat” als hij geen tienden heeft om te betalen? {ABN5: 85.2}

Antwoord:

Ja, als hij anderszins ervoor in aanmerking komt. {ABN5: 85.3}

TIENDE OF GEEN TIENDE ERUIT BETALEN?

Vraag Nr. 157:

Mijn echtgenoot is geen gelovige en zou het niet goedkeuren dat ik eerste en tweede tiende betaal van al het geld dat ik in de hand houd. Wat moet ik doen? {ABN5: 85.4}

Antwoord:

Hoewel de Heer de mens heeft geboden om tienden te betalen van al zijn toename, vraagt Hij geen rekenschap van de gelovige voor het betalen van de tienden uit het inkomen van een ongelovige metgezel die tegen het betalen is van tienden. {ABN5: 85.5}

Hij heeft ieder mens begiftigd met het onvervreemdbaar recht van godsdienstvrijheid, en

85

niemand mag het met recht van een ander wegnemen. En dit is dubbel ongeschonden in het gezin. Noch echtgenoot noch echtgenote zou zich moeten bemoeien met de beoefening van de godsdienstige keuze van de ander. {ABN5: 85.6}

De echtgenote die getrouw het huishouden draait van haar echtgenoot en getrouw voor het gezin zorgt, doet dat niet als een huurling of een slaaf; zij is een metgezel{deelgenoot}, een “hulp” in het gezin. En daarom zijn volgens alle morele rechten de inkomsten van de echtgenoot voor de helft van haar. Beiden staan dus onder de hoogste morele verplichting om elkanders recht te eerbiedigen in zake van het betalen van de tienden. Dus, als de echtgenoot ervoor kiest om van zijn helft van het gezinsinkomen geen tienden te betalen, dan heeft de echtgenote geen recht om zich ermee te bemoeien. {ABN5: 86.1}

IS EEN GERINGE INKOMEN VRIJGESTELD VAN HET BETALEN VAN TIENDEN?

Vraag Nr. 158:

Aangezien mijn inkomen zeer gering is, ben ik dan niet vrijgesteld van het betalen van tienden? {ABN5: 86.2}

Antwoord:

God heeft het plan van systematische welwillendheid ontworpen zodat het billijk is gemaakt voor zowel de arme als de rijke, dat de penning niet meer wordt belast dan het miljoen. En wij weten van geen Bijbelse bevoegdheid voor het vrijstellen van tienden uit welk inkomen dan ook, hoe gering het ook mag zijn. Allen, zowel arm als rijk, wordt het voorrecht gegeven van het teruggeven aan de Heer wat van Hem is. Velen met een inkomen van een “penning” betalen zowel eerste als tweede tiende, en

86

in ruil daarvoor ontvangen zij een rijke schenking van zegening. {ABN5: 86.3}

Dus dwingt het verstand tot de conclusie dat als men niet verplicht is om liefdadigheid te ontvangen ter toevoeging tot zijn inkomen (wat de bron ook mag zijn) om zijn levensonderhoudskosten te dekken, dan betekent het niet betalen van tienden door hem dat hij zich berooft van de overvloedige zegening, die een getrouwe in achtneming van het Koninklijke voorrecht die behoort bij van één van Gods rentmeesters zijn, bijstaat. {ABN5: 87.1}

ZIJN POPPEN AFGODEN?

Vraag Nr. 159:

Zouden poppen niet moeten worden beschouwd als afgoden?  En zou ik mijn kinderen kunnen toestaan met ze te spelen? {ABN5: 87.2}

Antwoord:

Hoewel poppen niet geclassificeerd zullen worden bij afgoden, en hoewel volwassenen geen afgoden van hen kunnen maken, bestaat er toch het gevaar dat de opgroeiende kinderen teveel waarde aan hen kunnen hechten. Wijsheid raadt aan de kinderen te leren om plezier te vinden in het doen van kleine dingen rond het huis, opdat zij nuttig en hulpvaardig kunnen worden, in plaats van dat zij worden geholpen om de gewoonte te verwerven hun tijd te besteden aan spelen ten einde gelukkig te zijn. Kinderen die zijn grootgebracht om te spelen worden niet vlijtig, noch waarlijk gelukkig. De meeste spelletjes veroorzaken, net als een drug, een altijd toenemende hunkering ernaar wanneer de uitwerkingen ervan zijn afgesleten. Zolang het kind niet aandringt op {het krijgen van} poppen of speelgoed, is het veel beter om ze niet in zijn/haar weg te plaatsen. {ABN5: 87.3}

87

HOE ZIT HET MET HET SPELEN VAN SPELLETJES?

Vraag Nr. 160:

Is het verkeerd voor Davidianen om kaarten, schaken, dammen, tennis, honkbal en andere spelen te spelen? {ABN5: 88.1}

Antwoord:

“Kaarten zou verboden moeten worden.” “Er zijn amusementen zoals dansen, kaarten, schaken en dammen, enz., die wij niet kunnen goedkeurren, omdat de Hmele ze afkeurt.” –Messages to Young People, pp. 372, 392{Boodschappen aan Jonge Mensen, blz..} {ABN5: 88.2}

“Een inzicht in zaken werd mij voorgehouden waarin de studenten spellen speelden van tennis en cricket. Toen werd mij instructie gegeven betreffende de geaardheid van deze amusementen. Zij werden aan mij voorgesteld als een soort van afgoderij, als de afgoden van de natiën.”—Counsels to Teachers, p. 350{Raadgevingen aan Leraren, blz..} {ABN5: 88.3}

“De openbare zienswijze is dat handenarbeid vernederend is, en toch kunnen mensen zo vaak als zij maar verkiezen zich inspannen om cricket, honkbal, of bokswedstrijden te spelen, zonder te worden beschouwd als vernederend. Satan is in verrukking wanneer hij ziet dat mensen hun fysieke en mentale krachten gebruiken bij datgene wat hen niet erbij helpt om een zegen te zijn voor hen die hun hulp nodig hebben. Terwijl de jongeren bedreven worden in spelen die geen echte waarde hebben voor zichzelf en voor anderen, speelt Satan het spel van het leven voor hun zielen, door van hen weg te nemen

88

 de talenten die God hen heeft gegeven, en plaatst in de plaats daarvan zijn eigen kwade attributen(…)Hij tracht het verstand z volledig in beslag te nemen en te absorberen, dat God geen plaats zal vinden in de gedachgen.”—Counsels to Teachers{Raadgevingen aan Leraren}, pp. 274, 275. {ABN5: 88.4}

ZIJN ER ENIGE VERREZENEN ONDER DE 144.000?

Vraag Nr. 161:

Aan zr. White werd verteld dat alleen de 144.000 de heilige tempel in de hemel mogen binnengaan. Aangezien zijzelf echter binnenging (want ze zegt: “De wonderbare dingen, welke ik daar ZAG”—“Early Writings”, p. 19{“Eerste Geschriften,” blz. 11}), is zij dan niet één van de 144.000? {ABN5: 89.1}

Antwoord:

Wij moeten ons realiseren dat zuster White de tempel in visioen binnenging, niet in werkelijkheid. De 144.000 waren niet lichamelijk daar, en ook zij was dat niet. Zij werd daartoe in visioen heengevoerd om geen andere reden dan om de dingen die daarin zijn te aanschouwen, zodat zij hen voor ons kan beschrijven. Het was dus vanzelfsprekend noodzakelijk, dat zij binnen moest gaan. En daar zij verklaart dat de 144.000 “levende heiligen” zijn—Early Writings, p. 15{“Eerste Geschriften,” blz. 6}, en omdat zijzelf is gestorven, kan zij niet één ván hen zijn, hoewel zij wel één mét hen kan zijn. {ABN5: 89.2}

Dit feit wordt duidelijk bevestigd door een ander visioen waarin zij werd gevoerd naar een planeet met zeven manen, waar zij “de goede oude Henoch zag.” De plaats was zo mooi en haar verlangen ernaar was zo intens dat zij de engel smeekte om haar daar te laten

89

 blijven. “Toen zei de engel: “Gij moet teruggaan en indien gij getrouw zijt, zult gij met de 144.000 het voorrecht hebben al de werelden te bezoeken en Gods handwerk te aanschouwen.”—Early Writings, p. 40{Eerste Geschriften, blz. 36}.{ABN5: 89.3}

Dus, hoewel zij niet één ván hen zal zijn, zal zij gelukkig wel één mét hen zijn. {ABN5: 90.1}

ZIJN DE 144.000 ALLEEN MAAR JODEN DOOR AANNEMING?

Vraag Nr. 162:

Omdat “de namen van de twaalf stammen der kinderen Israëls” (Openb. 21:12) staan geschreven op de twaalf poorten van het Nieuwe Jeruzalem, moeten niet de 144.000 als gevolg dan alleen Joden zijn door aanneming? {ABN5: 90.2}

Antwoord:

Zonder uitzondering is aanneming alleen toegekend aan de Heidenen. En nergens in de Schriften wordt er zelfs de verste suggestie gevonden dat de 144.000 Heidenen zijn. In tegendeel verklaart Openbaring 7:4-8 specifiek dat de 144.000 worden gevormd door twaalfduizend uit elk van de stammen van “de kinderen Israëls.” Aanneming wordt niet alleen niet vermeld, maar ook niet eens geïmpliceerd. En laat er in gedachte worden gehouden, dat de Heidenen niet van de twaalf stammen komen, maar van vele natiën! {ABN5: 90.3}

Als er echter nog steeds wordt betoogd dat de 144.000 geen levende Israëlieten zijn maar Heidenen, en dus alleen Joden door aanneming, vertel ons dan alstublieft tot wie zij en de rest van de verloste Heidenen zullen worden

90

 aangenomen? Als het ware Israëlisch geslacht niet langer bestaat, dan is aanneming niet langer mogelijk, want de levenden kunnen niet aangenomen worden tot de doden! (Zie Romeinen 8, 9.) {ABN5: 90.4}

WAT DUIDT DE “HEILIGE BERG” AAN?

Vraag Nr. 163:

Bij het behandelen van de verscheidene profetieën, past “De Herdersstaf” consequent de term: “de heilige berg” toe op Jeruzalem, de kerk, terwijl het de term: de glorieuze “heilige berg” (Dan. 11:45) toepast op de berg Sinaï. Welke reden geeft u aan voor deze omzeiling, als het ware, van de regel? {ABN5: 91.1}

Antwoord:

De uitdrukking: “de glorieuze heilige berg,” kan niet de kerk aanduiden, want het verband van de vers ondersteunt dat idee niet. In tegendeel, toont het duidelijk aan dat de koning van het noorden zal “voortgaan” van het “glorieuze land,” Palestina, en zijn tabernakels “planten” op de “glorieuze heilige berg,” terwijl andere schriftgedeelten aantonen dat de Heer zal “terugkeren” naar het glorieuze land, en Zijn tabernakels zal planten op Sion, de “heilige berg.” Zach. 1:16; 2:10-13; 8:3. Dus, omdat beide tabernakels niet op dezelfde plaats kunnen zijn, en omdat die van de Heer zal zijn in Jeruzalem, moet daarom vanzelfsprekend “de glorieuze heilige berg,” waar de koning van het noorden het zijne zal planten, ergens anders zijn. {ABN5: 91.2}

91

HOE KAN IK MIJ LATEN INSCHRIJVEN IN HET INSTITUUT?

Vraag Nr. 164:

Wat maakt iemand verkiesbaar voor inschrijving bij het Davidisch-Levitische Instituut? Welk deel van de onkosten van de student te Mt. Karmel wordt door de tweede tiende geregeld, en hoe hoeveel moet men  contant betalen? {ABN5: 92.1}

Antwoord:

Allen zij die het Lidmaatschapscertificaat van de Associatie bezitten zijn verkiesbaar om zich in te schrijven bij het Davidisch-Levitisch Instituut. En er wordt vereist dat de inschrijver op de Bank van Palestina het Kwalificatieschoolgeld stort van $30. Dit honorarium zal zorgen voor zijn kamer, tafel, en wasgoed gedurende zijn oriëntatieperiode—zijn eerste twee maanden alleen. Als hij zich gemakkelijk zal hebben aangepast aan de handenarbeid-fase van zijn training en hij, gedurende deze twee maanden periode van oriëntatie, genoeg arbeidsloon zal verdienen om deze onkosten te bekostigen, dan kan het $30 schoolgeld worden gecrediteerd op zijn privé-of spaarrekening. {ABN5: 92.2}

Ter toevoeging wordt van hem vereist dat hij de som voor terugkeervervoer naar huis stort, zodat indien hij zou ondervinden zich niet te kunnen aarden bij het schoolprogramma, of hij voor welke andere reden dan ook zou besluiten om Mt. Karmel te verlaten, zowel hij als het Instituut ertegen zal zijn beschermd dat hij gestrand zou zijn zonder voldoende geldmiddelen om te vertrekken. {ABN5: 92.3}

Daarnaast wordt van hem vereist dat hij, gedurende de verlooptijd van de oorlog, zijn eigen bed (eenpersoons), veren, matras en beddengoed brengt. {ABN5: 92.4}

92

Het tweede tiende zorgt voor zijn onderwijs, boeken, en andere voorzieningen, en voor handenarbeidstraining-loon wat aan hem wordt betaald, boven hetgeen de Afdeling waarin hij is tewerkgesteld hem kan betalen—dat deel welke hij feitelijk niet verdient. Kortom, vanaf de tijd dat hij aankomt op Mt. Karmel, behoeft hij alleen maar te betalen voor hetgeen hij zou betalen als hij thuis was—tafel, kamer, wasgoed, kleren, en ander waar. {ABN5: 93.1}

(Zij die zich wensen in te schrijven, kunnen een aanvraag verzenden voor blanco inschrijfformulieren.) {ABN5: 93.2}

WACHTEN TOT NA REGISTRATIE, OF EERDER INSCHRIJVEN?

Vraag Nr. 165:

Zou een Davidiaan, die van plan is zich in te schrijven bij het Davidisch-Levitisch Instituut, en die de leeftijd van Selectieve Dienst Registratie nadert, zich moeten inschrijven na de registratie, of zou hij zich moeten inschrijven vóór de registratie, en dan zich registreren vanuit Mt. Karmel Centrum? {ABN5: 93.3}

Antwoord:

Elke Davidiaan die door God is geroepen om te studeren voor de bediening bij het Davidisch-Levitisch Instituut, maar die de leeftijd van Selectieve Dienst Registratie nadert, zou zich indien mogelijk optijd moeten inschrijven bij het Instituut om vanuit Mt. Karmel zich te registreren. {ABN5: 93.4}

Indien hij echter zich reeds heeft geregistreerd bij de Selectieve Dienst, maar van plan is zich in te schrijven bij het Instituut, dan zou hij, ongeacht of hij zijn

93

Selectieve Dienst-formulier 40 wel of niet heeft ingeleverd bij zijn plaatselijk bestuur van oorsprong, meteen het bestuur moeten verzoeken om hem over te dragen aan McLennan County, Texas, Plaatselijk Bestuur Nr. 4, ter classificatie. {ABN5: 93.5}

Als men verzuimt om deze overdracht vast te stellen voordat men vertrekt naar Mt. Karmel, kan men ondervinden dat het te laat is om dat te doen bij aankomst, en men zal dan niet in staat kunnen zijn om de ongelegen en onbevredigende gevolgen te voorkomen, die vaak gepaard gaan met het voorleggen van zijn geval per briefwisseling bij zijn Bestuur van Selectieve Dienst. {ABN5: 94.1}

Bovendien kan men, door het ondernemen van deze stappen na te laten, nauwelijks van een Bestuur verwachten dat zij hem ministeriele uitstel zullen verlenen. {ABN5: 94.2}

(Al het schuingedrukte door ons toegevoegd.)

——————–

WAT ZAL UW VOLGENDE STAP ZIJN?

Als u nu genoten, gewaardeerd en uw voordeel gedaan heeft door deze vraag en antwoord discussie van Boek Nr. 5 en als het uw wens is om verder te gaan, dan kunt u een verzoek inzenden voor Boek Nr. 6. Het zal u toegezonden worden als een Christelijke dienst zonder kosten of verplichtingen. {ABN5: 94.3}

94

Schriftuurlijke Index

95

Schriftuurlijke Index(Vervolg)