De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)


ABOUT US

We Offer Services
It’s a Story About Our Team

Great things are done by a series of small things.

2TG5-6-1200x675.jpg

1

GEDACHTE TER GEBED

Keert Af Van Debatteren; Presenteer De Waarheid

Ik zal lezen uit Christ’s Object Lessons, beginnend bij bladzijde 40, de laatste alinea {Lessen uit het Leven van Alledag, blz.20, eerste alinea}— {2TG5: 2.1}

“In plaats van verkeerde theoriën te bespreken, of  te proberen de tegenstanders van het evangelie te verslaan, volg het voorbeeld van Christus. Laat verse waarheden uit Gods schatkamer in het leven schijnen. ‘Predik het Woord.’ ‘Zaai aan alle wateren.’ ‘Dring aan, gelegen of ongelegen.’ ‘Hij die Mijn woord heeft, laat hem Mijn woord getrouw spreken. Wat is het kaf  voor het tarwe? Zegt de Here.’ ‘Ieder woord van God is rein (…) Doe niets aan Zijn woorden toe, opdat Hij u niet terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt.’” {2TG5: 2.2}

Wij zouden deze middag moeten bidden voor het vermogen om het voorbeeld van Christus te volgen bij het onderwijzen. Wij zouden ook moeten bidden dat wij zullen gedenken dat wij zijn opgedragen om niet betrokken te zijn met de genen die het niet met ons eens zijn; dat Christus niet debatteerde, en wij dat ook niet moeten sdoen als wij willen winnen; dat God ons van verse waarheden zal voorzien om tot zijn volk te brengen; dat als dergelijke waarheden de tegenstanders van de “ eeuwige evangelie” niet overtuigen, dat niets dat zal doen, zelfs als de doden zouden opstaan tot een getuigenis tegen hen; dat wij de Bijbel verheffen boven alle andere boeken; dat we alle andere dingen met de Bijbelse maatstaf meten, en voor altijd alle andere meetstaven verbreken. {2TG5: 2.3}

2

——–0———

2 TIJDIGE GROETEN 5

EEN FEESTMAAL DAT DE SLUIER WEGROLT, DE POORTEN OPENT, EN DE DOOD DOET WEGVLIEDEN

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT,6 SEPTEMBER, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO,TEXAS

De tekst voor onze studie op deze middag is Jesaja 25 en 26. Om onszelf op de juiste wijze te orienteren bij het onderwerp, zullen wij beginnen met de zeds vers van hoofdstuk vijf-en-twintig. Daarna zullen wij de eerste vijf verzen bestuderen. {2TG5: 3.1}

Vers 6—“En de Here der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal maken van vette dingen, een feestmaal van wijnen op de droesem, van vette dingen  vol merg, van wijnen op de droesem die goed gereinigd zijn.”

Allereerst zouden wij de waarheid moeten vinden van deze figuurlijke berg.Voor deze informatie moeten wij gaan naaaar de laatste vers van de vier-en-twintigste hoofdstruk, omdat het verhaal van de vijf-en-twintigste hoofdstuk begint bij het vorige hoofdstuk. Wij zullen deze verzen met elkaar verbonden lezen: {2TG5: 3.2}

Jes.24:23;25:6—“Dan zal de maan verbijsterd worden, en zon beschaamd, wanneer de Here   der heerscharen zal regeren op de berg Sion en te Jeruzalem, en op heerlijke wijze voor Zijn oudsten. En de Here der heerscharen zal op deze berg [de berg Sion] voor alle volken een feestmaal maken van vette dingen, een feestmaal van wijnen op de droesem, van vette dingen  vol merg, van wijnen op de droesem die goed gereinigd zijn.”

3

Hier ziet u dat “ de berg Sion” de berg is waarop de Heer een feestmaal zal bereiden voor voor alle volken, een feestmaal van verleidelijke dingen. Daar zullen de volken zich bijeenvergaderen. {2TG5: 4.1}

Vers 7—“En Hij zal op deze berg vernietigen het aangezicht van het verbond, dat is  geworpen  over alle volken, en de sluier, die gespreid is over alle natien.”

Wanneer de bedekking waaronder de natiën nu staan wegrolt, dan zullen zij zichzelf in het openbaar bevinden—kwetsbaar voor “wind” en “storm.” Ja, wanneer de sluier, die nu over alle volken van de aarde hangt, is neergetrokken, dan zullen zij datgene zien wat zij nu niet kunnen zien. En wat dan?— {2TG5: 4.2}

Verzen 8-10—“Hij zal de dood opslokken in de overwinning; en de Here God zal tranen van alle aangezichten afwissen; en de berisping van Zijn volk zal Hij wegnemen van de gehele aarde: want de Here heeft het gesproken. En er zal gezegd worden op die dag: Zie, deze is onze God; wij hebben op Hem gewacht, en Hij zal ons redden: dit is de Here; wij hebben op Hem gewacht, wij zullen ons verblijden en verheugen in Zijn verlossing. Want op deze berg zal de hand des Heren rusten, en Moab zal onder Hem verteden worden, zoals stro wordt vertreden voor de mesthoop.”

Om deze gebeurtenisen mogelijk te maken zal niet alleen degenen, die in die tijd het land regeren, maar ook Moab, zoals we zien, vertreden worden. En wie anders zou Moab kunnen zijn, als het niet de Arabieren zijn die nu het land Palestina op hevige wijze opeisen? Spoedig zal de wereld ondervinden dat God de aarde niet heeft verlaten, en dat God de meester is over de situatie. {2TG5: 4.3}

Verzen 11,12—“En Hij zal Zijn hand

4

uitspreiden in het midden van hen, zoals Hij die Zijn hand uitspreidt om te zwemmen: en Hij zal hun trots neerhalen tezamen met de plunderingen van hun handen. En de toevluchtsoord van de hoge vesting van uw muren zal Hij neerhalen, vernederen, en tot de grond doen neerstorten, zelfs tot het stof.”

Deze verzen houden ons het feit voor ogen dat het niet uitmaakt wat voor soort versterking de mens kan bedenken, desgelijks zal desondanks neergehaald worden als stro, wanneer de Heer zijn macht openbaart. Na deze wonderbaarlijke Bijbelse Waarheid duidelijk ingezien te hebben, laat het dan aan u zijn om te te zeggen: {2TG5: 5.1}

Jes.25:1—“O Here, Gij zijnt mijn God; ik zal u verheffen, ik zal Uw naam loven; want Gij hebt wonderbare dingen gedaan; Uw raadsbesluiten van ouds zijn trouw en waarheid.”

Hier worden wij getoond dat sommigen, als resultaat op deze geopenbaarde Waarheid, waarlijk de Heer van de Bijbel als hun God zullen aanvaarden, en zullen beloven Hem te verheffen en altijd Zijn wonderbare naam te loven, omdat zij zien dat Hij wonderbare dingen heft gedaan. Zijn raadsbesluiten van ouds zullen zij niet verwerpen, omdat zij uit ervaring zullen weten dat Zijn raadsbesluiten trouw en Waarheid zijn. Zij zullen uit persoonlijke ervaring Gods macht kennen en zeggen: {2TG5: 5.2}

Verzen 2,3—“Want Gij hebt van de stad een hoop gemaakt; van een beschermde stad een ruïne{bouwval}: een paleis van vreemden tot wat geen stad meer is; het zal nooit meer gebouwd worden. Daarom zal het sterke volk U verheerlijken, de stad van de geweldige natiën zal U vrezen.”

De stad van deze vers moet die zijn die eerst wordt vermeld in Jesaja 24: {2TG5: 5.3}

5

“De stad der verwarring is verbroken; elk huis is gesloten, opdat niemand er kan binnentreden. Er is een geroep voor wijn in de straten; alle vreugde is verduisterd, de vrolijkheid des lands is verdwenen. In de stad is verwoesting achtergelaten, en de poort is met vernieting geslagen. Wanneer het alzo zal zijn in het midden des lands onder het volk, zal het zijn als het schudden van een olijfboom, en als de nalezing der druiven wanneer de wijnoogst is gedaan. {2TG5: 6.1}

“Zij [degenen die niet zijn neergeschud] zullen hun stem opheffen, zij zullen zingen van de majesteit des Heren, zij zullen luidkeels roepen van de zee af. Verheerlijkt gij daarom de Here in het vuur, namelijk de naam van de Here God van Israël in de kustlanden der zee. Van het uitrste deel der aarde hebben wij liederen gehoord, namelijk heerlijkheid tot de rechtvaardigen [als resultaat, zullen er bekeerlingen zijn die van de vier hoeken der aarde zijn opgemaakt]. {2TG5: 6.2}

Maar ik zeide: Mijn schraalheid, mijn schraalheid, wee mij! De verraderlijke handelaars hebben zeer verraderlijk gehandeld. Vrees, en de put, en de valstrik, zijn over u, o inwoner der aarde.” Jes.24:10-17. {2TG5: 6.3}

Het  volgende citaat uit de Geest der Profetie voegt licht toe aan deze verzen: {2TG5: 6.4}

“Ik zag lichtstralen schijnen vanuit steden en dorpen, en vanuit de hoge plaatsen en de lage plaatsen van de aarde. Gods woord werd gehoorzaamd, en als resultaat waren er gedenkbeelden voor Hem in iedere stad en dorp. Zijn waarheid werd over de gehele wereld verkondigd.”—Testimonies {Getuigenisen}, Vol.9, blz.28 en 29. {2TG5: 6.5}

Jes.26: 1—“Te dien dage zal dit lied gezongen worden

6

in het land Juda: We hebben een sterke stad; God zal verlossing aanstellen tot muren en bolwerken.”

Het lied van de majesteit des Heren zal daarom in het Beloofde Land gezongen worden, en daar zullen de heiligen een stad hebben dat niet neer geschud kan worden, want het zal verlossing als muren hebben. Dan zal er gezegd worden: {2TG5: 7.1}

Vers 2—“Opent gij de poorten, opdat de rechtvaardige natie, die de Waarheid bewaart, kan binnengaan.”

Hier wordt geleerd dat dit alles plaatsvindt op een dag van verlossing, op een dag dat de poorten geopend kunnen worden voor een rechtvaardige natie om binnen te gaan. Ja, de gehel natie, van degenen die behouden zouden worden, geen zondaar onder hen, zal dan antwoorden op de roeping: “Komt uit haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt aan haar zonden, en gij niet ontvangt van haar plagen.” {2TG5: 7.2}

Verzen 3,4—“Gij zult hem in volkomen vrede bewaren, wiens verstand tot U is gericht: omdat hij op U vertrouwde. Vertrouwt gij op de Here voor eeuwig: want in de Here HEERE is eeuwige sterkte.”

Hoewel de natiën door de jaren heen van de geschiedenis grote macht hebben ontwikkeld, heeft toch geen één die macht voor altijd behouden. Maar wij worden hier wederom verzekerd dat zij die op de Here HEERE vertrouwen, eeuwige vrede en eeuwigdurende sterkte zullen hebben. {2TG5: 7.3}

Verzen 5-10—“ Want Hij werpt hen neer, die hoog wonen; de verhoogde stad, vernedert Hij; Hij vernedert het, zelfs tot de grongd toe; Hij werpt het neer  zelfs tot het stof. De voet zal het vertreden, namelijk de voeten van de arme, en de treden van

7

de behoeftigen. De weg van de rechtvaardigen is oprecht; Gij, de meest oprechte, weegt het pad der rechtvaardigen. Ja., op de weg van  Uw gerichten, O Here, hebben wij op U gewacht; het verlangen van onze ziel is tot Uw naam, en tot Uw gedachtenis. Met mijn ziel heb ik naar U verlangd in de nacht; ja, met mijn geest in mijn binnenste zal ik U vroeg zoeken: want wannneer uw gerichten op de aarde zijn, dan zullen de inwoners der wereld gerechtigheid leren. Laat de goddeloze genade bewezen worden, toch zal hij geen gerechtigheid leren: in het land van oprechtheid zal hij onrechtvaardig handelen, en zal de majesteit des Heren niet aanschouwen.”

Deze verzen vertellen ons duidelijk dat wanneer de gerichten{oordelen} van God op de aarde vallen, de rechtvaardig-gezinden dan gerechtigheid zullen leren; maar de onberouwvolle zondaars zullen geen gerechtigheid leren, ongeacht wat er voor hen wordt gedaan. En daarom zullen zij geweerd worden van de vergadering der rechtvaardigen. De rechtvaardigen echter, voelen zelfs nu de machtige hand van de Heer en zij verkaren op pijnlijke wijze: {2TG5: 8.1}

Vers 11—“Here, wanneer Uw hand is opgeheven, zullen zij het niet zien; maar zij zullen zien, en beschaamd zijn voor hun afgunst voor het volk; ja, het vuur van Uw vijanden zal hen verslinden.”

Inderdaad, wanneer Gods hand is opgeheven om Zijn volk te verlossen, zullen de goddelozen het niet zien. Maar nadat de rechtvaardigen verlost zijn, zullen de goddelozen het duidelijk zien en benijden, maar het zal tot hun schaamte, en te laat zijn om hen ten goede te zijn. Zelfs nu, terwijl “ de late regen” valt, zijn de eigen-gerechtigden, die zich verbeelden dat zij niets nodig hebben, aan het wegrennen ervoor of hun regenjassen over hun hoofd aan het trekken. De zoekers naar gerechtigheid, echter, stellen

8

zich open. Aldus leren zij te zeggen— {2TG5: 8.2}

Vers 12—“Here, Gij zult vrede over ons beschikken: want Gij hebt ook al onze werken in ons verricht.”

Dit kan alleen gezegd worden door degenen  die de Heer toelaten om Zijn werk uit te voeren in hun harten, zodat zij Hem kunnen loven: {2TG5: 9.1}

Verzen 13-16—“O Here, onze God, andere heren dan Gij hebben over ons geheerst; maar maar door U alleen zullen wij Uw naam vermelden. Zij zijn door, zij zullen niet leven; zij zijn gestorven, zij zullen niet herrijzen: daarom hebt Gij hen bezocht en vernietigd, en al hun gedachtenis doen vergaan. Gij hebt de natie vermeerderd, o Here, Gij hebt de natie vermeerderd: Gij zijt verheerlijkt: Gij hebt het ver verwijderd tot alle uiteinden der aarde. Here, in benauwdheid hebben zij U bezocht, zij riepen een gebed uit toen Uw tuchtiging over hen was.”

Deze verzen verklaren dat het Israël naar de belofte, niet de ongelovige Jood, in aantal ids vermeerderd sinds zij uit hun land zijn verwijderd, vanaf zij werden verstrooid tot de einden der aarde. Terwijl deze tuchtiging ( verdreven zijn uit hun land) nog steeds over hen is, ropen zij een gebed uit en zeggen: {2TG5: 9.2}

Verzen 17,18—“Gelijk een zwangere vrouw, die tot de tijd van haar verlossing nadert, pijn heeft, en onder haar weeen uitroept, zo zijn wij voor Uw aangezicht geweest, o Here. Wij zijn zwanger geweest, wij hebben pijn geleden, wij hebben als het ware wind voortgebracht; wij hebben geen verlossing op de aarde voortgebracht; ook zijn de inwoners van de wereld niet gevallen.”

9

Hier zien wij dat de ogen van de boetvaardigen geopend zullen worden; zij zullen zichzelf zien zoals God hen ziet, en belijden dat zij tot nu toe gefaald hebben in hun pogingen, dat zij in barendsnood waren, pijn hebben geleden, maar alleen “wind” hebben voortgebracht, als het ware, terwijl de onboetvaardigen denken dat zij zelf rijk zijn en met goederen verrijkt zijn, een grote daad doen, en aan niets gebrek hebben. {2TG5: 10.1}

Ja, de kerk kan nu wel opscheppen over haar verworvenheden, over haar zogenaamde grote lidmaatschap, maar niet lang hierna zal ook zij ontdekken dat zij gefaald heeft om haar werk af te ronden, dat de wereld nog steeds de aarde vernietigt, dat haar mensen niet gered zijn en dat zij in plaats van verlossing te hebben voortgebracht, niets anders dan “wind” heeft voortgebracht. {2TG5: 10.2}

“In de machtige zifting die spoedig zal plaatsvinden, zullen wij beter de sterkte van Israël kunnen meten. De voortekenen openbaren dat de tijd nabij is wanneer de Heer zal openbaren dat Zijn wan in Zijn handen is, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.”—Testimonies {Getuigenissen}, Vol. 5,blz.80. {2TG5: 10.3}

Vers 19—“Uw doden zullen leven, tezamen met Mijn dode lichaam zullen zij opstaan. Waakt op en zing, gij die in het stof verblijft: want uw dauw is als de dauw der kruiden, en de aarde zal de doden uitwerpen.”

Niet alleen de levenden, maar ook de doden zullen vergaderd worden tot de “sterke stad.” Wij horen reeds de Heer met ons pleiten, zeggende: {2TG5: 10.4}

Vers 20—“Kom, Mijn volk, gaat in tot uw kamers, en sluit uw deuren achter u: verberg uzelf als het ware voor een korte tijd, tot de gramschap voorbij is gegaan.”

10

Dit pleidooi toont aan dat wij naderen tot de tijd der benauwdheid en dat God ernaar verlangt om ons gedekt te hebben. De wijzen zullen Hem horen en de kamers aannemen, de bescherming waarin Hij voor hen voorziet. {2TG5: 11.1}

Vers 21—“Want zie, de Here komt uit Zijn plaats om de inwoners der aarde om hun ongerechtigheid te straffen: ook zal de aarde haar bloed onthullen, en haar gedoden niet langer bedekken.”

Al deze waarheden die God nu onder onze aandacht brengt, duiden één ding aan:  Dat de grote en vreselijke dag des Heren op handen is, dat Hij spoedig Zijn macht zal openbaren en de aarde zal schudden, zodat alles wat niet bewogen kan worden kan {blijven}staan. Bent u niet blij, broeder, zuster, dat God u als eerst de gelegenheid geeft om klaar te zijn voor de dag van God, om vast te houden aan Zijn altijd-toenemende Waarheid? {2TG5: 11.2}

11

——-0——

 

GEDACHTE TER GEBED

Hoe Kan Onvergankelijke Kennis Veiliggesteld Worden

Ik zal lezen uit Christ’s Object Lessons, beginnend met bladzijde 41, alinea 3{Lessen Uit het Leven van Alledag, blz. 20,21}— {2TG6: 12.1}

“ Door zich af te keren van Gods woord om zich te voeden met de geschriften van ongeïnspireerde mensen, wordt het verstand bekrompen en gedegradeerd(…) Het denkvermogen past zich aan tot de verstandhouding van de dingen waarmee het bekend is, en in deze toewijding tot sterfelijke dingen is het verzwakt, haar vermogen is gekrompen, en na een tijd  kan het zich niet  meer uitbreiden. Dit alles is valse opvoeding. Het werk van iedere leraar moet zijn om het verstand van de jeugd vast te houden aan de grote waarheden van het woord der Ispiratie. Dit is de opvoeding die van belang is voor dit leven en voor het toekomstig leven. En laat niet geleerd worden dat dit de studie van de wetenschappen zal voorkomen, of een lagere standard in opvoeding zal veroorzaken. De kennis van God is zo hoog als de hemel en zo breed als het universum(…) Laat de jeugd ernaar streven om deze door-God-gegeven waarheden te begrijpen, en hun verstand zal zich uitbreiden en sterk groeien in de poging. Het zal iedere student die een dader is van het word tot een brederveld van denken brengen, en voor hem een rijkdom aan kennis vaststellen, die onvergankelijk is ( …) Een dergelijke opvoeding zal het beeld van God in de ziel herstellen.” {2TG6: 12.2}

Wat een les, die niet alleen voor de jeugd geldt, maar ook voor de volwassenen! Laat ons bidden dat wij de belangrijkheid  mogen beseffen van het bestuderen van geïnspireerde Waarheid; dat wij mogen beseffen dat het de studie van ware wetenschap niet teniet doet; dat om ons leven tot het Woord van God toe te wijden, een grote schat in wijsheid verkrijgen betekent; dat aldus het beeld van God wordt hersteld in de ziel. {2TG6: 12.3

12

——–0——–

2 TIJDIGE GROETEN 6

ONTUCHTIGHEID VLUCHT WEG OP PROTEST VAN DE KINDEREN!—HERLEVING EN HERVORMING WINT

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDDDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 13 SEPTEMBER, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp wordt gevonden in het eerste en tweede hoofdstuk van Hosea. Wij zullen beginnen met– {2TG6: 13.1}

Hos.1:2—“ Het begin van het word des Heren door Hosea. En de Here zeide tot Hosea : Ga heen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land heeft hoererij geplaagd, afwijkende van de Here.”

Wij zien onmiddelijk dat deze vrouw en deze kinderen Gods volk symboliseren, die afwijken van de Heer, en dat Hij zulk een goddeloze handeling hoererij noemt. {2TG6: 13.2}

Verzen 3,4—“Zo ging hij heen, en nam Gomer, de dochter van Diblaim; en zij ontving, en baarde hem een zoon. En de Here zeide tit hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik het bloed van Jizreël vergelden over het huis van Jehu, en het koninkrijk van Israël doen ophouden.”

Gods reden om Hosea’s eerste denkbeeldige zoon also te noemen, was om aan te geven dat Hij in een korte tijd  het blewd van Jizreël zal vergelden over het huis van Jehu, die toen de koning van Israël was in die tijd. Toen verklaarde de Here: {2TG6: 13.3}

13

Vers 5–En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.

Het verbreken van de boog zou betekenen het verbreken van de militaire macht van de natie. De geschiedenis hiervan is opgetekend in 2 Koningen 10,11. {2TG6: 14.1}

Vers 6—“En zij ontving weer, en baarde een dochter; en Hij zeide tot mij : Noem haar naam Lo-Ruchama : want Ik zal geen genade meer hebben over het huis Israëls; maar Ik zal hen volkomen wegvoeren.”

De naam van dit kind moest de volledige vernietiging van het huis Israëls aangeven , het tien-stammen koninkrijk. Deze vernietiging werd, zoals wij weten, tot stand gebracht door de koning van Assyrië, die het volk verstrooide over de steden van de Meden. De geschiedenis hiervan wordt gev onden in 2 Koningen 18:11—“En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en plaatste hen in Halah, en in Habor, bij de rivier Gazon, en in de steden der Meden.” {2TG6: 14.2}

Vers 7—“Maar Ik zal genade hebben over het huis van Juda, en zal ze verlossen door de Here, hun God, en zal ze niet verlossen door de boog, noch door het zwaard, noch door krijg, door paarden, noch door ruiters.”

De Heer beloofde het huis van Juda te sparen tegen de invasie van de koning van Assyrië. De geschiedenis van dit incident is opgetekend in 2 Koningen 19 :35—Het geschiedde dan in die nacht, dat de engel des Heren uittrok, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. {2TG6: 14.3}

14

Verzen 8,9—“Toen zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. Toen zeide  God: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gij zijt Mijn volk niet, en Ik zal uw God niet zijn.”

De naam vban het derde kind moest betekenen dat, hoewel Israël en Juda Gods uitverkoren volk was, de dag snel naderde waarop zij niet langer Zijn volk genoemd zullen worden. De vervulling van deze fase van de profetie brengt ons tot de Christelijke periode. {2TG6: 15.1}

Vers 10—Nochtans zal het getal van de kinderen Israëls zijn al het zand der zee, dat niet niet gemeten noch geteld kan worden ; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen was gezegd: Gij zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden : Gij zijt de zonen van de levende God.

Ondanks de rampspoeden die de kinderen Israëls zouden overvallen, zouden zij erg talrijk worden. En wanneer zij alzo grotelijks vermenigvuldigd zijn, zullen zij weer de zonen van God genoemd worden. En zo zien wij hier een profetie van de opstand van Gods volk en Gods verwerping van hen, als ook  hun bekering en heraanneming door Hem. {2TG6: 15.2}

Laat ons hierbij even de titels “Juda” en Israël” bespreken. Wanneer zij oppervlakkig worden gelezen,  worden deze titels over het algemeen verkeerd geinterpreteerd en gemaakt als te betekenen de geindentificeerde Joden. Maar wij moeten geen oppervlakkige lezers zijn. Laat ons grondige Bijbel-studenten zijn. Een ieder weet nu dat de geidentifiuceerde Joden van vandaag slechts een handvol zijn—zeker niet als het zand der zee. De ontelbare kinderen Israëls kunnen daarom niet de ongelovige Joden van vandaag zijn. Trouwens, de

15

geidentificeerde Joden vandaag zijn niet de afstammelingen van het tien-stammen koninkrijk, maar van het twee-stammen koninkrijk. Wie is dan deze menigte van mensen, waarnaar er in Hosea’s profetie wordt verwezen? {2TG6: 15.3}

We moeten het feit niet over het hoofd zien dat het Evangelie van Christus het huis van Juda in twee sekten verdeelde—Joods en Christelijk.  Dat de Christelijke kerk voor ongeveer vier jaren na de opstanding van Christus praktisch alleen uit Joden bestond. Het is dan duidelijk dat de oorspronkelijke Christenen volbloedige Joden waren,–de Christelijke kerk is slechts een vertakking van de Joodse kerk, maar zij en hun afstammelingen hebben door de jaren heen hun raciale identiteit verloren. Ook nog moeten de afstammelingen van zowel Israël als Juda, die door de jaren van gevangenschap heen hun identiteit hebben verloren, zoals de Joden die het Christendom hebben aangenomen dat deden, volgens de profetie  ook grotelijk zijn vermenigvuldigd. Het is dan duidelijk, dat velen die als heidenen worden gezien, slechts ongeidentificeerde afstammelingen zijn van het vroegere Judah, Israël, en de Joodse Christenen. De Christelijke zelf is, zoals we hebben gezien, een Joods-Christelijke kerk. {2TG6: 16.1}

Deze afstammelingen van Jakob daarom, die zijn opgenomen door de heidense natien, zouden zich dus vermenigvuldigen als het zand der zee. Zij zijn degenen die nadat zij Christenen zijn geworden, weer de zonen van de levende God worden genoemd. {2TG6: 16.2}

Van degenen die eerst het Christelijk geloof aannamen, spreekt de Apostel Petrus aldus: “Die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die geen genade had verkregen, maar nu genade hebt verkregen.” 1Pet.2:10. {2TG6: 16.3}

En de Apostel Johannes zegt: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven

16

kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Johannes 1:12. {2TG6: 16.4}

Nu zien wij dat de profetie van Hosea 1 en 2 begint met het huis van Israël en Juda, en ons brengt door de stroom der tijd tot de Christelijke kerk. Voor licht over de kerk in de Christelijke periode, gaan wij naar— {2TG6: 17.1}

Vers 11—“En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een hoofd aanstellen, en zij zullen uit het land optrekken; want groot zal de dag van Jizreël zijn.”

Het Woord van God verklaart daarom duidelijk dat de onderdanen van de verscheurde koninkrijken—Juda en Israël–, als Christenen, tezamen met de heidenen die zich bij hen gevoegd hebben, zich bijeen zullen vergaderen en zich een koning aanstellen. {2TG6: 17.2}

In eenzelfde symbolisme, werd de profeet verteld dat na vele dagen van duisternis en rondzwerven, “zullen de kinderen Israëls terugkeren, en zoeken de Here, hun God, en David, hun koning [klaarblijkelijk is David de ‘ene hoofd’ die zij aanstellen], en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid, in de laatste dagen.” {2TG6: 17.3}

Doorgaand met dezelfde familie-illustratie, en verwijzend naar de Christelijke periode, beveelt de Heer: {2TG6: 17.4}

Hos.2 :1 {NBG en SV, 1 :12}—“Zeg tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama.”

Hier zien wij dat de namen van de twee kinderen van hoofdstuk 1 weer worden vermeld, maar de eerste twee letters van elke naam is weggelaten:

17

Lo-Ruchama is geworden Ruchama, en Lo-Ammi is geworden Ammi. Het feit nu dat dezen de broer en zuster zijn van Jizreël, brengt de waarheid naar voren dat degene, die de Heer opdraagt om tot hen te spreken, Jizreël is, de eerstgeborene van de drie. Hij moet de boodschap doorgeven aan zijn broeders, Ammi en Ruchama. {2TG6: 17.5}

Wat betekent dit nu allemaal?—Het  is niet te moeilijk om te zien.  Degene tot wie God spreekt, Jizreël, stelt een profeet voor. Zijn broeder en zuster, Ammi en Ruchama, kan alleen de kerklidmaatschap voorstellen, zowel mannelijk als vrouwelijk. In werkelijkheid moet Jizreël Gods boodschap tot hen brengen. En hier is de boodschap: {2TG6: 18.1}

Vers 2—“Pleit met uw moeder, pleit: want zij is Mijn vrouw niet, noch ben Ik haar Man; laat ze daarom haar hoererijen van haar aangezicht wegdoen, en haar overspelerijen van tussen haar borsten.”

Het feit dat God Zelf de denkbeeldige vrouw van de profeet Hosea Zijn eigen vrouw noemt, openbaart dat zij de kerk voorstelt, dat Hosea God voorstelt, en dat terwijl Jizreël de mondstuk van God voorstelt, Ammi en Ruchama de kerklidmaatschap voorstelt. In de kinderjaren (Hosea 1) stellen zij de Oud-Testamentische kerk voor, maar in hun jeugdjaren, met hun namen veranderd, (Hosea 2), stellen zij de Nieuw-Testamentische kerk voor, de Christenen. {2TG6: 18.2}

Daar de leken nu, op het bevel van God , door middel van een profeet met de kerk moeten pleiten, wordt daarom de hervorming, waarnaar hier tevoorschijn wordt geroepen, door Inspiratie ondersteund en door de leken uitgevoerd. Het is de lang verwachte herleving en hervorming tot de Laodiceeers, en vandaar een lekenbeweging

18

die tevoorschijn wordt geroepen door de vernieuwde Geest der Profetie.{2TG6: 18.3}

Zoals u ziet, wordt het Kerkgenootschap door deze profetie, van “hoererij” beschuldigd, van hebbende onwettige verbindingen met de wereld. Deze ontuchtigheid moet zij opgeven als zij begunstiging wil verkrijgen bij God. {2TG6: 19.1}

Dit zijn geen woorden van mensen, zoals u begrijpt, maar van God. En zouden wij niet dankbaar moeten zijn dat Hij alles doet wat Hij kan om ons te redden? De kerk moet zich bekeren, zegt de Heer: {2TG6: 19.2}

Vers 3—“Opdat Ik haar niet naakt uitstrope, en haar zette als ten dagem, toen zij geboren werd; en haar make als een woestijn, en haar zette als een dor land, en haar dode met de dorst.”

Het Kerkgenootschap schept vaak op over toename in lidmaatschap (kinderen), maar God klaagt aan dat degenen die zij binnenbrenget onwettige kinderen zijn! En hoe kan het anders als the kerk zelf verdorven is met de wereld? Wat anders kunnen haar bekeerlingen zijn? Wat zou hen kunnen bevrijden van de wereldse invloeden, als zij (de leiding), zelf besmet is met de praktijken van de wereld? Inderdaad kunnen haar bekeerlingen geen wettige kinderen zijn. {2TG6: 19.2}

Vers 5—“Want hun moeder heeft de hoer gespeeld: zij die hen ontvangen heeft, heeft schandelijk gehandeld; want zij zei: Ik zal achter mijn minnaars gaan, die mij mijn brood en mijn water geven, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank.”

De kerk is de wereld achterna gegaan omdat zij abusievelijk denkt dat haar steun van wereldlingen  komt, van haar “minnaars.” {2TG6: 19.3}

19

Vers 6—“Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen omheinen, en een muur maken, zodat zij haar paden niet zal vinden.”

Hier zien wij dat de kerk wikt, maar dat God beschikt; haar plannen komen niet uit zoals zij verwacht—zij verliest haar weg zoals een schip zonder kaart of kompas, die op de zee drijft. {2TG6: 20.1}

Vers 7—“En zij zal haar minnaars nalopen, maar zij zal hen niet overvallen; en zij zal hen zoeken, maar zal hen niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en werkeren tot mijn eerste man, want toen was het beter met mij dan nu.”

Weer zien wij dat beproevingen en tegenstrijdige omstandigheden voor onze eigen bestwil is, want aldus wordt de kerk tot haar goede zinnen gebracht. {2TG6: 20.2}

Verzen 8-12—“Want zij wist niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij voor Baäl bereid hadden. Daarom zal Ik weerkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezette tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, die dienen om haar naaktheid te bedekken. En nu zal Ik haar ontuchtigheid openbaren voor de ogen van haar minnaars; en mniemand zal haar uit Mijn hand verlossen. Ik zal ook al haar vrolijkheid doen ophouden, haar feestdagen, haar nieuwe manen, en haar sabbatten, en al haar plechtige feesten.   En zal haar wijnstokken en haar vijgebomen vernietigen, waarvan zij  had gezegd: Dezen zijn mijn beloningen die mijn minnaars mij gegeven hebben: en Ik zal ze maken tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.”

Uit deze verzen zien wij dat het juist een dergelijke afwending van God dat de kerk in de vroeger Chridtelijke periode haar weg deed verliezen en al

20

haar bezittingen, inclusief haar feestdagen, haar nieuwe manen, haar sabbatten, en al haar plechtige feesten.  {2TG6: 20.3}

Dit is precies wat gebeurde toen de “Duistere Middeleeuwen” van de godsdienst begon. De heidenen, in wiens greep de kerk viel, waren niet meer verantwoordelijk voor het tot de duisternis ingaan van de kerk, dan dat de Chaldeeërs dat waren voor het vernietigen van Juda en haar tempel. De ware schuld valt op de kerk zelf. En dit zou een gedurige les moeten zijn voor een ieder van ons, dat wij nooit meer onwettige verbintenis met de wereld moeten hebben, nooit meer van de Heer moeten scheiden. {2TG6: 21.1}

Laat ons nu lezen welke andere ervaringen de kerk zou moeten ondergaan: {2TG6: 21.2}

Verzen 13,14—“En Ik zal  over haar bezoeken de dagen van Baäl, waarin zij wierook voor hen branded, en zij zichzelf versierde met haar oorbellen en sieraden, en zij achter haar minnaars ging,  en Mij vergat, zegt de Here. Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haat in de woestijn brengen, en gerieflijk tot haar spreken.”

Merk op dat de Heer de kerk niet bezoekt wanneer zij in een goede geestelijke verhouding met Hem verkeert, maar wanneer zij in haar grootste afgoderij is. Inderdaad, Hij kon haar niet bezoeken op een geschiktere tijd, want alleen wanneer zij in de grootste duisternis is, kan zij het licht onderscheiden. En haar toestand kan, zoals u weet, nooit beter worden tenzij Hij een beroep op haar zou doen.  Aldus was het in de tijd  van Johannes de Doper, en ook toen de Protestante Reformatie ontstond, en alzo is het vandaag. God weet hoe te redden. Redden is Zijn voornaamste zorg. {2TG6: 21.3}

“God vereist bepaalde dingen van Zijn volk;

21

als zij zeggen: Ik zal mijn hart niet opgeven om dit te doen, dan laat de Heer hen doorgaan in hun veronderstelde verstandige beslissing zonder hemelse wijsheid, totdat dit schriftgedeelte [Jes.28:13] is vervuld. U behoort niet te zeggen: Ik zal de leiding van de Heer tot een bepaalde punt volgen, dat in overeenstemming is met mijn beslissing, wn dan vasthouden aan uw ideeen, weigerende om gekneed {gevormd} te worden naar des Heren gelijkenis. Laat de vraag gesteld worden: Is dit de wil van God? Niet: Is dit de mening of het besluit van——–?”—Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz.419. {2TG6: 21.4}

En wat is Gods belofte nu tot Zijn kerk? {2TG6: 22.1}

Vers 15—“En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop; en zij zal aldaar zingen, als in de dagen van haar jeugd, en als ten dage, toen zij optrok uit  Egypteland.”

Als resultaat van het feit dat haar wijngaarden zijn verwoest, en ook dat aan haar het dal van Achor wordt gegeven tot een deur der hoop, zal de kerk zingen zoals in de dagen van haar jeugd, als toen zij uittrok uit Egypte en introk tot het Beloofde Land. Wat kan haar wijngaard anders zijn dan haar eigen land? En als het dal van Achor tot een deur der hoop voor haar is, wat anders kan het zijn dan wat het was in Jozua’s tijd—het verwijderen van de de Achans van vandaag uit haar midden (Hos.2:15)? Inderdaad, dit is onze enige hoop—in feite, is dit zelfs nog meer zo dan het was in de dagen van Israël’s nederlaag bij Ai, de poort tot het Beloofde land. {2TG6: 22.2}

“De klasse die niet bedroefd is over hun eigen geestelijke verval, noch rouwt over de zonden van anderen, zal zonder de zegel van God achtergelaten worden. De Heer beveelt zijn boodschappers, de mannen met

22

verdelingswapens in hun hand: ‘Gaat heen, door de stad achter hem, en slaat  neer; uw oog ontzie niet, en spaart niet! Doodt volkomen ouden en jongelingen, maagden en kleine kinderen, en vrouwen; maar nadert tot niemand, op wie het teken is, en begint bij Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oude mannen die voor het huis waren.’ {2TG6: 22.3}

“ Hier zien wij dat de kerk—het heilgdom van de Heer—de eerste was die de slag van Gods toorn zal voelen. De oude mannen, zij die God groot licht had gegeven, en die als bewakers van de geestelijke belangen van het volk stonden, hadden hun vertrouwen verzaakt. Zij hadden het standpunt ingenomen, dat wij niet hoeven uit te kijken naar wonderen en de gekenmerkte openbaringen van Gods macht als in de vroegere dagen.   De tijden zijn veranderd. Deze woorden versterken hun ongeloof, en zij zeggen : De Heer zal geen goed, en ook geen kwaad doen. Hij is te genadig om zijn volk met oordelen te bezoeken. Aldus is vrede en veioligheid de roep van mannen die nooit meer hun stem als een bazuin zullen opheffen om Gods volk hun overtredingen te tonen en het huis Jakobs hun zonden. Deze stomme honden, die niet wilden blaffen, zijn degenen die de rechtvaardige wraak van een beledigde God voelen. Mannen, maagden, en kleine kinderen, allen komen tezamen om.”—Testimonies {Getuigenissen}, Vol.5,blz.211. {2TG6: 23.1}

Vers 16—“En het zal te dien dage geschieden, zegt de Here, dat gij Mij zult noemen:Ishi; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl.”

Zo is het dan dat nadat de huichelaars en de zondaars uit de weg zijn geruimd, de kerk niet langer de Verlosser Baäl (Heer) zal noemen, maar zij zal Hem Ishi (mijn Man) noemen. De betekenis is dat zij Hij dan waarlijk haar man {echtgenoot] zal zijn, terwijl Hij nu voor haar als het ware slechts een grote persoonlijkheid is. {2TG6: 23.2}

23

Vers 18—“En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen veilig doen neerliggen.

Hier is vrede, de enige vrede die men vandaag kan hebben, als hij daarnaar verlangt. Dit is vrede, dat overvloeit van veiligheid. De heiligen, hoeven, nadat de zondaren onder hen zijn verwijderd, geen wilde dieren, vogels of kruipende dieren van de grond te vrezen, noch wapens of zwaard ; zij zullen neerliggen in vertrouwen en zekerheid dat niets hen zal deren, want Hij ‘Wiens wan in Zijn hand is,…zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn graan verzamelen in de graanschuur ; maar het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur.’ Matt.3:12. {2TG6: 24.1}

Verzen 19-21—‘En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid ; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid, en in gericht, en in goedertierenheid, en in barmhartigheden. Ook zal Ik u Mij ondertrouwen in trouw: en gij zult de Here kennen. En het zal te dioen dage geschieden, dat Ik verhoren zal, zegt de Here, Ik zal de hemelen verhoren, en zij zullen de aarde verhoren.’

Door te zeggen dat de Heer de hemelen zal verhoren, en de hemelen de aarde, zegt Inspiratie in feite dat wanneer deze dingen plaatsvinden op aarde, de Heer in het midden van Zijn volk zal zijn, dat Hij vanuit de aarde zal spreken en Zijn onderdanen in de hemel zullen Hem horen. {2TG6: 24.2}

Vers 22—‘En de aarde zal het koren verhoren, en

24

de wijn, en de olie ; en zij zullen Jizreël verhoren.’

Het verhoren van het koren, de wijn, en de olie, betekent hen te horen spreken, en anngezien echte koren, wijn, en olie niet kunnen spreken, moeten zij figuurlijk staan voor geestelijk voedsel en drank—figuurlijk voor de machtige boodschap op de grote en geduchte dag des Heren. En uit het feit dat de mensen op aarde Jizreël zullen horen, Gods mondstuk, wordt het duidelijk gemaakt dat de roep : ‘Komt uit haar, Mijn volk, opdat gij geen deel hebt aan haar zonden, en opdat gij niet ontvangt van haar plagen’ (Openb.18 :4), haar toegewezen werk zal volbrengen. Zij die eruit komen, gaan in tot de voorheen vermelde plaats van veiligheid. En zij die Jizreël niet horen, zullen omkomen, zoals de Joden dat deden die de profeten verwierpen in hun dagen. {2TG6: 25.1}

Laat ons nu de studie van vandaag overzien door deze grafische afbeelding te volgen: {2TG6: 25.2}

shepherds-rod-tract-4-hosea

25

Hier zien wij Jezreel, Lo-Ruchama, en Lo- Ammi als kleine kinderen afgebeeld, vorrstellend de koninkrijken van Israël en Juda in hun rampspoeden, een volledige, maar korte geschiedenis van  de Oud-Testamentische kerk en haar volk. {2TG6: 26.1}

Dan zien wij dat de letters ‘Lo’ zijn weggeloten van de namen Ruchama en Ammi, wat een verandering aangeeft van de namen—Joden die Christenen worden genoemd,–betekenend “genade” en “Mijn volk,”  in plaats van “geen genade” en “niet Mijn volk” .Jizreël’s naam blijft echter hetzelfde, en aangezien hij Gods profeten in alle tijden voorstelt, geeft dit aan dat zij de afstammelingen zijn van Jakob en daarom moeten wij naar hen horen en gehoorzamen. {2TG6: 26.2}

Het gezin, dat als kleine kinderen het volk van het Oud-Testamentische kerk, en als jongelingen de Nieuw-Testamentische kerk voorstelt, toont aan dat er geestelijke groei heeft plaatsgevonden door de stroom der tijd heen, dat zij nu gegroeid zijn, in staat om “vaste voedsel” in te nemen, en om waarlijk hervormers te zijn in de kerk, en zendelingen tot de wereld. {2TG6: 26.3}

Wij zien ook dat de dezelfde moeder en dezelfde vader, tezamen met dezelfde kinderen, zowel de Oude als de Nieuw-Testamentische kerk voorstellen; dat de afstammelingen van Jakob in werkelijkheid de oude olijfboom zijn (Rom.11:24), dat de enige manier waarop de heidenen het koninkrijk kunnen ingaan is doordat zij inge-ent worden in de oude olijfboom. Jood en Heiden, allen moeten zich erbij voegen, als zij in het koninkrijk willen zijn. Dit kan alleen gedaan worden door onze eigen toestemming en handeling, nu terwijl de Geest met ons pleit, en terwijl de Heer klaarstaat om het werk te doen. Niemand hoeft buitengesloten te worden. Niemand hoeft een lauwe Laodiceer te blijven zijn tenzij hij alzo verkiest. Mijn hoop is dat allen het leven zullen kiezen in plaats

26

van de dood. {2TG6: 26.4}

Vervolgens zien wij dat de kerk in het geheel, als een gezin, is samengesteld uit een vader, een moeder, en uit zonen en een dochter, dat de vader God is; dat de vrouw de geestelijke leiding is (zij die bekeerlingen binnenbrengen); dat de kinderen de leken zijn. Ook zien wij dat de kerk (vrouw) was getrouwd met de Heer in haar jeugdjaren, in de dagen dat zij uit Egypte kwam; dat hoewel de leiding in zijn geheel nooit vooruit ging van de ene warheid naar de ander, de kerk (echtgenote) doorging door steeds weer vervangen te worden door nieuwe en opeenvolgende leiders. En nu zij diepgegrond zit in hoererij, zij vanzelfsprekend weer vervangen zal worden door een nieuwe leiding {bediening}, en Aldus zal zij trouw worden aan onze Vader; dat dit uitgevoerd zal worden door de zondaars uit haar midden weg te nemen. Dan zullen haar wijngaarden aan haar gegeven worden, en dan zal zij en al haar kinderen in vrede en veiligheid leven. {2TG6: 27.1}

Het is dan duidelijk dat ontuchtigheid feitelijk zal wegvlieden, en deze herleving en hervorming, voortgebracht door deze lekenbeweging, zal haar gegeven werk volbrengen. En zo ziet u dat als resultaat van het protest {opstand} van de kinderen, het gehele gezin van God gelukkig zal leven in vrede en veiligheid in alle eeuwigheid. {2TG6: 27.2}

27

——-0——-

 


2TG7-8-1200x675.jpg

VOORLEZING

Verkondig Slechts de Volstrekte Waarheden.

Ik lees u voor uit het boek “Lessen uit het Leven van Alle Dag,” blz. 21; (“Christ Ob­ject Lessons”, p. 43.) {2TG7: 2.1}

  “Maar de Leraar van de heilige waarheid kan alleen datgene mededelen welke Hij zelf mee bekend is door ervaring. ‘De zaaier zaaide zijn zaad.’ Christus leerden de waarheid, omdat Hij de Waarheid was. (…) Zo is het ook met Zijn dienst­knehten: Zij, die het woord zouden willen leren moeten het zich toeëigenen door hun eigen ervaring. (…) Bij het verkon­digen van het woord Gods aan ande­ren, moeten zij het niet tot een twijfelach­tige veronderstelling maken. Tezamen met de apostel Petrus zouden zij moeten uitroepen: ‘Wij hebben geen listig bedachte fabels nage­volgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn majesteit.’ (2 Pet. 1:16, KJV.) Elke dienaar van Chris­tus en elke leraar zou in staat moe­ten zijn met de geliefde Johan­nes te zeggen: ‘Het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en ver­kondigen u het eeu­wig leven, dat bij de Vader was en aan ons geopen­baard is.’ (1 Joh. 1:2).” {2TG7: 2.2}

   Hoe moeten Gods dienaren de waarheid onder­wijzen? — Zij moeten de volstrekte waarheid onderwijzen, niet door veronder­stellingen of twijfelachtigheid, maar door zekerheden. Als zij niet de absolute Waarheid spreken, wat voor goeds zal dan het resultaat zijn? De apostelen verkondigden niet de opstanding en hemelvaart van Christus als een theorie, maar als een absolute Waarheid. Als onze onderwij­zingen bestaan uit veronderstellingen en onze­kerheden, dan verspillen wij onze tijd, onze energie, en de tijd van hen die naar ons luis­teren. Het zal niemand tot profijt zijn en allen schaden. Wij zouden nu moeten bidden voor be­kwaam­heid om alleen absoluut zekere waarheden te on­derwij­zen, slechts datge­ne, wat wij door erva­ring en gezag kennen. {2TG7: 2.3}

2

—-0—-

2TIJDIGE GROETEN 7

De Tijd van “De Tijd der Benauwdheid,”

en de Beloning van het Geloof dat Men in God Stelt.­

(Toegesproken onderwerp, door: V. T. Houteff,

Predikant der D. Zevende-dags Adventisten

Sabbat, 20 september,

Carmel Chapel

Waco, Texas)

   Ons onderwerp voor deze middag wordt gevon­den in Daniël , hoofdstuk 11 en 12. Hoofdstuk 12 bevat de “tijd der benauwd­heid,” maar de tijd van de “tijd der benauwdheid” wordt in het elfde hoofdstuk van Daniël gevonden. Het twaalfde hoofdstuk is, vanzelfsprekend, een vervolg van het elfde hoofdstuk. Wij zullen onze studie aanvangen met — {2TG7: 3.1}

  “Dan. 12:4 — “Maar gij, o Daniël, sluit de woorden toe, en verzegel het boek, namelijk, tot de tijd van het einde; velen zullen heen en weer snellen, en (de) kennis zal vermenig­vuldigd worden.” (KJV.)

   Aan Daniël werd medegedeeld om het boek te sluiten en te verzegelen, namelijk, tot de eindtijd. Daarom, was het boek niet bestemd voor het begrip van de mensen van vóór de tijd van ht einde. Wanneer dus het boek wordt ontzegeld en begrepen mogen wij dan weten dat de tijd van het einde aangebroken is. {2TG7: 3.2}

   Naast dit teken, echter, is er het teken van het heen en weer snellen der mensen, en de toename der kennis. De hele wereld weet dat door de jaren van de geschiedenis heen, vooraf­gaand aan onze tijd, dat het paard het snelste vervoer- en communicatie­middel was, en dat dit middel door de eeuwen heen gehand­haafd bleef. De engel informeerde Daniël ech­ter, dat in de eindtijd

3

een besliste verande­ring zou plaatsvinden, dat de mensen dan heen en weer zouden snellen. En de tijd van het einde rakend overeenkomstig Nahums’ profetie, verklaart Inspiratie: “De wagens zullen snel­len door de straten, zij zullen tegen elkaar botsen op de uitgestrekte wegen; zij zullen lijken op fakkels, zij zullen voortsnellen als bliksemschichten.” (Nah. 2:4, KJV.) {2TG7: 3.3}

Daar nu de kennis is vermenigvuldigd sinds de vorige eeuw, of langer, en daar nu de stoom, de loie en de electrische machines de wereld hebben gerevolutioneerd, en het de mens mogelijk hebben gemaakt om met ongeevenaarde snelheid heen en weer te snellen, , staat het onderwerp zo helder als kristal vast,dat wij nu in de eindtijd leven. Er kan geen twijfel hierover zijn.Dit is absolute waarheid, waarheid dat u niet kan tegenspreken en nochtans de Bijbel en de geschiedenis geloven. {2TG7: 4.1}

Om het begin van de eindtijd te vinden, moeten wij lezen— {2TG7: 4.2}

Dan.11:40—“En op de tijd van het einde, zal de koning van het zuiden tegen hem stoten; en de koning van het noorden zal tegen hem opkomen als een wervelwind, met wagens, en met ruiters, en met vele schepen; en hij zal in de de landen binnengaan, en zal ze overstromen en doortrekken.”

Niet in, maar op de tijd van het einde zal de koning van het zuiden tegen de koning van het noorden stoten. Deze profetische oorlog geeft daarom het begin aan van de eindtijd. Om de tijd van de strijd tussen de twee koningen te vinden, moeten wij lezen— {2TG7: 4.3}

Dan.11:41-43—“Hij zal komen in het land van het sieraad, en vele landen zullen ter neergeworpen worden;

4

doch dezen zullen uit zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en het hoofd der kinderen van Ammon. Hij zal zijn hand ook uitstrekken over de landen: en het land van Egypte zal niet ontkomen. Maar hij zal macht hebben over de verborgen schatten van het goud en van het zilver, en over al de kostbare dingen van Egypte; en de Libiers en de Ethiopiers zullen zijn stappen volgen.”

Merkt zorgvuldig op dat de koning van het noorden, bij de ondergang van de koning van het zuiden, zich uitbreidt en vele landen neerwerpt; dat hij het sieraadland ingaat (Palestina), maar Edom, Moab, en de kinderen Ammons ontkomen uit zijn hand. En gedenk dat zijn overwinningswerk zou beginnen op de tijd van het einde. Vandaar dat de koning van het zuiden in de tijd van het einde afneemt, terwijl de koning van het noorden zich uitbreidt. En aangezien de strijd begint op de tijd van het einde, dan wordt de nederlaag van de een en de overwinning van de ander voltooid in en gedurende de tijd van het einde. {2TG7: 5.1}

Vervolgens, om te weten te komen wanneer de jaren van de tijd van het einde begonnen, en wie de koning van het zuiden en wie de koning van het noorden zijn, is het enige wat u moet weten, is wanneer zulk een botsing is begonnen, en wie wie in de tijd van het einde Egypte en Palestina overgaven aan een vijandige macht, welke macht als resultaat terugdrong gedurende de tijd van het einde, en welke macht zich heeft uitgebreid. Er is maar een antwoord, en dat is: Terwijl het Ottomaanse Rijk inkromp sinds 1669 N.CHr.,  breidde het Britse Rijk zich uit, en vandaag regeert het over Egypte en Palestina.  Daardoor is Turkye vandaag de koning van het zuiden, en Groot Brittanië,. De koning van het  noorden; en volgens dit profetisch conflict, begon de tijd van het einde aan het begin van de achttiende eeuw. {2TG7: 5.2}

5

Hier is een map die de opkomst en de terugval van het Ottomaanse (Turkse) Rijk weergeeft. Bekijk het, bestudeer het. En op de tegenovergestelde pagina is de uitbreiding van het Engelse Rijk gedurende dezelfde periode van tijd. {2TG7: 6.1}

shepherds-rod-timely-greetings-rise-fall-ottoman

6

shepherds-rod-timely-greetings-english-expansion

7

Zoals u ziet is dit  absolute waarheid, geen giswerk, geen theorie, geen vergezocht idee. {2TG7: 8.1}

Merk u vervolgens op dat Edom en Moab uit zijn hand ontkomen. Ja, de koning van het noorden  zal hen verliezen. {2TG7: 8.2}

Daar de Tweede Wereld Oorlog, echter, de eerste omkering teweegbracht voor Groot Brittanië, en aangezien wij haar hier in de profetie zien, moet haar deel in de Tweede Wereld Oorlog ook gevonden worden in Daniël 11. Laat ons dan de overblijvende verzen van het hoofdstuk bestuderen.. {2TG7: 8.3}

Dan.11:44—“Maar de geruchten {tijdingen, berichten} van het oosten en van het noorden zullen hem verschrikken {benauwen}; daarom zal hij met grote grimmigheid uittrekken  om velen te vernietigen en volkomen weg te doen.”

In de tijd van het einde, na de voorheen vermelde landen te hebben overstroomd, wordt de koning van het noorden weer in een conflict gezien, maar niet met de koning van het zuiden. Hij wordt tot zijn laatste conflict getrokken door wat hem wordt meedegedeeld uit het oosten en uit het noorden. Nu dat de Tweede Wereld Oorlog zich heeft ontwikkeld vanuit de richtingen die gespecificeerd staan door Inspiratie,–Duitsland uit het noorden, en Japan uit het oosten, naast Rusland uit het uiterst Noorden,–moeten de feiten die zo vers in onze gedachten zijn, alle twijfel verwijderen, dat de Tweede Wereld-Oorlog de oorlog is waarvan hier in profetie wordt gesproken. En laat ons niet vergeten dat de Tweede Wereld-Oorlog in feite nog niet is afgelopen, dat het nog voleindigd moet worden. Ik moet zeggen, met het oog op deze feiten die nu wereldwijd bekend zijn, dat het voor iemand moeilijk is te ontkennen wat hier aan het licht wordt gebracht. {2TG7: 8.4}

Dan.11:45—“En hij de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeen op de heerlijke heilige berg; doch hij zal tot zijn einde komen, en niemand

8

zal hem helpen.”

Nu daar de economische structuur van Groot Brittanië in groot gevaar verkeert om in te storten, en daar haar Rijk in snelle tempo aan het afbrokkelen is, vrezen wij dat de vervulling van vers 45 misschien veel dichterbij is dan wij kunnen beseffen. Als degenen die aan het hoofd staan van het Rijk, en ook de hoofdfiguren van onze eigen natie van de profetie slechts afwisten en het begrepen, geloven wij dat Groot-Brittanië overwinnelijk eruit zou komen, zoals het vroegere Nineve dat deed na Jona’s grote episode. {2TG7: 9.1}

Wij allen weten dat Groot Brittanië meer dan een keer door de Verenigde Staten van Amerika werd geholpen. Maar als wij deze vers goed begrijpen, de gebeurtenissen die slechts een voortzetting van die in vers 44 zijn gevonden, zal de koning zeker tot zijn einde komen, en niemand zal hem helpen. Dit kan plaatsvinden voordat de Tweede Wereld-Oorlog volledig is afgelopen, of  het zal dat niet.Wij halen dit uit het feit dat de gebeurtenis van vers 44  in verbinding staat met de gebeurtenis van vers 45. Inspiratie schijnt geen tijd tot te laten tussen vers 44 en 45. Wij weten niet welke wending de oorlog zal nemen, maar wij weten dat de profetieen van de Bijbel nooit falen. {2TG7: 9.2}

Wat het planten van zijn tenten op de heerlijke heilige berg, is het niet al te duidelijk, want het planten van de tenten van zijn paleis voordat hij aan zijn einde komt  wil niet noodzakelijkerwijs zeggen dat hij zijn troon daarnaar toe verhuist. Het zou kunnen betekenen dat hij een deel {vertakking} van zijn paleis daar heeft.  Als hij zijn tenten daar zal planten terwijl Michaël opstaat, echter, dan is de enige andere lokatie dan het Heilige Land die wij kennen, de berg Sinai, tussen de Middellandse en de Rode Zee. {2TG7: 9.3}

9

Uit de studie van het elfde hoofdstuk van Daniël, hebben wij verscheidene absolute waarheden geleerd: 1. Dat de tijd van het einde begon in de achttiende eeuw; 2. Dat de koning van het zuiden het Ottomaanse Rijk is; .Dat de koning van het noorden in deze huidige tijd Groot-Brittanië is, in het bijzonder; 4. Dat de Tweede Wereld-Oorlog de oorlog is in Daniël elf. {2TG7: 10.1}

Daar nu de profetie van het elfde hoofdstuk van Daniël zich voortzet met de twaalfde , zullen wij gaan naar vers een. {2TG7: 10.2}

Dan.12:1—“En op die tijd zal Michaël  opstaan, die grote Vorst, die voor de kinderen uws volks staat; en er zal een tijd der benauwdheid zijn, zoals er nooit is geweest is, sinds er een natie geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.”

Op die tijd (dat is, op de tijd dat de koning van het noorden tot zijn einde komt en niemand hem helpt) zal Michaël  staan; en op diezelfde tijd zal er een tijd der benauwdheid zijn zoals er nooit was geweest tot op die tijd.  Alleen Gods volk, wiens namen geschreven staan in het boek, zal verlost worden. Niemand anders. {2TG7: 10.3}

Deze studie heeft ons stap voor stap geleid tot onze eigen tijd. Door deze studie zien wij dat de tijd der benauwdheid slechts een stap in de toekomst is, dat de enige gebeurtenis die nog vevuld moet worden voordat de benauwdheid begint, het ten einde komen van de koning van het noorden is. Daarna volgt de beloning voor de getrouwen. {2TG7: 10.4}

Wat een ernstige tijd is het, waartoe wij zijn gekomen, Broeders, Zusters. Beseft u wel dat indien u nu geen poging

10

maakt om uw naam in het boek te zetten, het voor altijd te laat kan zijn? En is het niet beter om uw naam daar te hebben, zelfs wanneer de benauwdheid honderd jaren in de toekomst zou liggen? Nu is het de tijd om te handelen.  Nu is de dag der verlossing tot u gebracht. Vandaag pleit Inspiratie; als u Zijn stem hoort, verhard uw harten niet. Alleen degenen die naar het geopenbaarde Woor van God luisteren, zullen verlossing en vrede vinden,–niemand anders zal dat vinden. {2TG7: 10.4}

Dan.12:2—“En velen van hen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, tot eeuwige afgrijzing.”

Hier worden wij verteld dat dezen in de tijd der benauwdheid opstaan, sommigen om eeuwig te leven en sommigen om weer te sterven. {2TG7: 11.1}

Beseft u nu dat niet alleen de tijd der benauwdheid voor de deur staat, maar ook deze bijzondere opstanding? Ziet u werkelijk in dat in de tijd der bernauwdheid, terwijl de levende heiligen verlost worden, deze doden, die opstaan “ ten eeuwigen leven,” ook verlost worden van hun graven? Beseft u dat deze tijd der benauwdheid   in “de grote en vreselijke dag des Heren” is, de dag die de beloofde Elia aankondigt? Weet u werkelijk dat hij de harten der vaders en der kinderen tot elkander zal doen keren? Opdat de Heer “ de aarde niet met een vloek” slaat. Mal.4:5,6. Ziet u in dat de profeet op eemn dag verschijnt waarop hij alle dingen kan herstellen, alles wat wij door de zonde hebben verloren, zelfs het Koninkrijk? Weet u dat de opstanding van Daniël 12 niet dezelfde is als de opstanding van 1 Thessalonicensen  en van Openbaring 20:5? {2TG7: 11.2}

1Thess.4:16—“Want de Here Zelf zal

11

van de hemel neerdalen met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan.”

Openb. 20:4-6—“En ik zag tronen, en zij zaten daarop; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen der genen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en zijn beeld niet aangebeden hadden, noch zijn beeld, noch het merkteken ontvangen hadden op hun voorhoofden en aan hun handen; en zij leefden en regeren met Christus, de duizend jaren. Maar de overigen der doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaren geeindigd waren. Deze is de eerste opstanding Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem regeren duizend jaren.”

De Apostel Paulus spreekt vanzelfsprekend over  dezelfde opstanding als de Apostel Johannes, omdat daarin alleen de heiligen worden opgewekt. Zowel Pau,lus’ als Johannes’ beschrijvingen maken duidelijk dat dezen opstaan bij het begin van de duizend jaren. Dit zien wij uit het feit dat zij met Christus duizend jaren leefden, en dat zij werden opgenomen om de Heer te ontmoeten in de lucht, dat zij op weg waren om met Christus te leven gedurende de duizend jaren, niet Christus met hen. {2TG7: 12.1}

Om al de opstandingen nu rangschikken, moeten wij ook rekening houden met die van Ezechiël. {2TG7: 12.2}

Ezech. 37:1,11-14—“ De hand des Heren was op mij, en voerde mij uit in de Geest van de Heer, en zette mij neer in het midden van de vallei, welke vol beenderen was (…)“Toen zeide Hij tot mij: Mensenzoon, deze beenderen zijn het ganse

12

huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze hoop is verloren: wij zijn afgesneden van ons deel. Darom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here God: Ziet, o Mijn volk, Ik zal uw graven openen, en u uit uw graven doen opkomen, en u brengen in het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven heb geopend, o Mijn volk, en u uit uw graven heb opgebracht, en Mijn Geest in u zal leggen, en gij zult leven, en Ik zal u in uw eigen land plaatsen; dan zult gij weten, dat Ik, de Here, het heb gesproken, en het heb uitgevoerd, zegt de Here.

Bij deze opstanding staat alleen Gods eigen volk, Israël, op, zonder een zondaar onder hen. Bovendien ontmoeten dezen de Heer niet in de lucht; zij worden gebracht naar het land Israëls, Palestina. Deze opstanding is daarom niet dezelfde als de opstanding van 1 Thessalonicensen, van de Openbaring, of van Daniël 12. Het moet een afzonderlijke {opstanding} zijn. {2TG7: 13.1}

Laat ons nu terugkomen bij— {2TG7: 13.2}

Dan.12:1-3—“En op die tijd zal Michaël  opstaan, die grote Vorst, die voor de kinderen uws volks staat; en er zal een tijd der benauwdheid zijn, zoals er nooit is geweest is, sinds er een natie geweest is, tot op die tijd toe; en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van hen, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, tot eeuwige afgrijzing. En die verstandig zijn zullen blinken, als de glans van het uitspansel, en die er velen tot gerechtigheid keren gelijk de sterren, altoos en eeuwig.”

13

In deze verzen komen verscheidene dingen duidelijk naar voren: (1) Alleen degenen wiens namen in het boek staan geschreven worden verlost; er zijn daarom geen “dwazen” onder hen; (2) Degenen die worden opgewekt, echter, zijn gemengd, zowel dwazen als verstandigen staan op; (3) De verklaring:“En die verstandig zijn [aangevende dat sommigen dwaas zijn] zullen blinken, als de glans van dhet uitspansel” geeft aan dat deze “verstandigen” uit de verrezenen komen; (4) Dat  indien de verstandigen van onder de verrezenen komen, en velen tot gerechtigheid keren, dan moeten zij verrezen worden in de genadetijd, in de tijd der verlossing. {2TG7: 14.1}

“Uw werk, mijn werk, zal niet ophouden in dit leven. Voor een korte tijd kunnen wij rusten in het graf, maar, wanneer de roep komt, zullen wij, in het koninkrijk Gods, andermaal ons werk hervatten.” –Testimonies  {Getuigenissen}, Vol.7, blz.17. {2TG7: 14.2}

Dan .12:4,10—“ Maar gij, o Daniël, sluit de woorden toe, en verzegel het boek, namelijk, tot de tijd van het einde; velen zullen heen en weer snellen, en (de) kennis zal vermenig­vuldigd worden. Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en beproefd worden; doch de goddelozen zullen goddeloos handelen: en geen van de goddelozen zullen het verstaan; maar de verstandigen zullen het verstaan.”

Wat wordt nu bedoeld met verstandig zijn?—Laat ons keren naar— {2TG7: 14.3}

Matt.25:1-4—“Dan zal het koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die hun lampen namen, en uitgingen, de bruidegom tegemoet. En vijf van hen waren wijzen, en vijf waren dwazen. Die dwaas waren namen hun lampen, maar namen geen olie met zich. Maar de wijzen namen olie in hun vaten, met hun lampen.”

14

Hier zien wij dat de wijzen degenen zijn die extra olie nemen, extra Waarheid dat de rest van hun weg verlicht. Uiteindelijk blijkt het duidelijk dat deze gemengde opstanding een test is, dat wil zeggen, zij zijn allen de gelegenheid gegeven om verstandig te zijn, om velen tot gerechtigheid te keren, maar slechts een deel van hen doet alzo. Sommigen van hen vervallen weer in de zonde, en daarom ontwaken zij  tot versmaadheid en eeuwige verachting (eeuwige ongehoorzaamheid), maar  de verstandigen  ontwaken tot eeuwig leven, om nooit meer te sterven. Dit toont duidelijk aan dat degenen die zichzelf overgeven aan goddeloosheid tot aan de tijd dat zij sterven, niet tot gerechtigheid zouden keren, ook al zou er aan hen een tweede kans worden gegeven. De extra olie (Waarheid voor deze tijd) is wat een ieder’s bestemming bepaalt. De verstandigen zullen de “toegebvoegde Waarheid” aannemen, terwijl de dwazen dat niet zullen doen. Waarlijk, de zonde is een mysterie! {2TG7: 15.1}

15

—-0—-

 

2 TIJDIGE GROETEN 8

HERLEVING EN HERVORMING GAAT VOORAF AAN DE GROTE EN VRESELIJKE DAG DES HEREN

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 27 SEPTEMBER, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp voor deze middag wordt gedeeltelijk gevonden in Daniël 2, Mattheus 4, Jeremia 51, Micha 5, en Maleachi 4, maar voornamelijk in Joël, hoofdstukken 2 en 3. Wij zullen eerst gaan naar Maleachi : {2TG8: 16.1}

Mal.4:5,6—“Zie, Ik zal tot u zenden de profeet Elia, voor de komst van de grote en vreselijke dag des Heren ; en hij zal het hart der vaderen tot de kinderen terugbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome, en de aarde met een vloek sla.”

Hier hebben wij de belofte dat God iemand zal zenden voor de grote en vreselijke dag des Heren, en wanneer hij komt, zij het dat hij wat dan ook volbrengt, zal hij de harten van de vaders tot hun kinderen terugbrengen en de harten van de kinderen tot hun vaderen. {2TG8: 16.2}

Het lijkt nu enigszins raadselachtig dat de harten van de vaders of van de kinderen het nodig hebben om tot elkander getrokken te worden. Maar als wij gedenken dat het werk van Elia niet van huishoudelijke aard is, maar van geestelijke aard, dan zullen wij inzien dat Elia’s boodschap zowel in het hart van de ouders, als in de harten van de kinderen, een last moet intensieveren {versterken} voor de

16

zaligheid {verlossing} van de ander. Ouders verlangen erg ernaar om met de kinderen van andere mensen te arbeiden, maar zelden met hun eigen kinderen. Op dezelfde wijze verlangen de kinderen  ernaar om tot anderen te preken, maar niet zo erg om tot hun eigen ouders te preken. Elia’s boodschap van herleving en hervorming echter, zal de last van het redden van zielen op hoofdzakelijk plaatsen, waar het thuishoort. Zijn boodschap zal worden gezien als zijnde van waarlijk belang in plaats van een theorie. En wanneer haar volgelingen volledig beseffen dat grote en vreselijke dag des Heren voor de deur staat, zullen zij gezien worden , pleitende eerst voor degenen die hen het dichts bij hun hart staan. {2TG8: 16.3}

Laat ons nu gaan naar Daniël’s profetie. {2TG8: 17.1}

Dan.2:44—“En in de dagen van deze koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat nooit vernietigd zal worden; en het koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden, maar het zal al deze koninkrijken aan stukken breken en verteren, en het zal voor eeuwig standhouden.”

Het is door de meeste Bijbelstudenten begrepen dat dit groot beeeld van Daniël 2 de koninkrijken voorstelt van Daniël’s tijd tot het einde toe. Hier ziet u dat de steen die zonder handen is afgesneden het beeld aan de voeten slaat, en de steen vult de gehele aarde. “In de dagen van deze koningen.” Onze tijd, verklaart Inspiratie, zal God een koninkrijk oprichten, die door de steen wordt voorgesteld, en het zal de natiën slaan en daardoor hun einde tot stand brengen. Wat zou die dag anders kunnen zijn dan groot voor Gods volk, en vreselijk voor de natiën? Inderdaad, het zal de grote en vreselijke dag des Heren zijn. {2TG8: 17.2}

Dan.2:45—“In zoverre gij hebt gezien dat de steen zonder handen uit de berg was afgesneden, en

17

het in stukken brak het ijzer, het koper, het klei, het zilver, en het goud; de grote God heeft de koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; en de droom is gewis, en de uitlegging ervan zeker.”

Daniël’s verslag van de dag is zeer kort, maar Jeremia beschrijft de dag in details {uitgebreid}: {2TG8: 18.1}

Jer.51:21-23—“En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan de wagen en zijn ruiter. En door u zal Ik in stukken slaan de man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan  de oude en de jonge; en door u zal Ik  in stukken slaan de jongeling en de jonkvrouw; ook zal Ik door u instukken slaan de herder en zijn kudde; en door u zal Ik aan stukken slaan de akkerman en zijn jukossen; en door u zal Ik in stukken slaan aanvoerders en heersers.”

Hier legt Inspiratie uit dat God met {door} Zijn Koninkrijk de natiën zal breken, dat Zijn volk Zijn strijdbijl zal zijn. Zowel Daniël als Jeremia zijn duidelijk {omschreven} dat het Koninkrijk de koninkrijken der wereld ten einde zal brengen. {2TG8: 18.2}

Micha 5:7—“En het overblijfsel van Jakob zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van de Here, als stromen op het kruid, dat op geen man wacht, noch op de zonen der mensen wacht.”

Het overblijfsel van Jakob (zij die zijn overgebleven nadat het onkruid is weggenomen) zal, wanneer zij eenmaal als een koninkrijk zijn opgericht, als stromen van zegen zijn voor degenen die verlossing zoeken, en als een leeuw die degenen aan stukken scheurt, die doorgaan met hun zonde. De dag zal grot zijn voor het ene volk,

18

en vreselijk voor het ander. {2TG8: 18.3}

Nu gaan wij naar de hoofdstukken van Joël’s profetie die hun vervulling treffen in de laatste dagen. {2TG8: 19.1}

Joël 2 :1-3—Blaast de bazuin te Sion, en roep een alarm uit op Mijn heilige berg : laat alle inwoners des lands beven : want de dag des Heren komt, want het is nabij, op handen ; een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisternis, als de dageraad gespreid over de bergen ; een groot volk en sterk ; desgelijks is er nooit geweest, noch zal er geen na hen zijn, zelfs tot in jaren van vele geslachten. Voor hen verteert een vuur ; en achter hen brandt een vlam ; het land is als de hof van Eden voor hen, en achter hen een woeste wildernis ; ja, en niets zal ontkomen aan hen.

Hier ziet u dat een boodschap tot de kerk verkondigd zal worden, tot Sion, verklarende dat de grote en vreselijke dag des Heren op handen is; dat het vernietigend zal zijn  achter Zijn volk, en heerlijk voor hen,–dat de Heer het veld grondig zal uitkammen, dat Hij iedere “tarwe”-graan zal verzamelen, en dan het onkruid zal verbranden. {2TG8: 19.2}

Joël 2:4-6—“ Hun gedaante is als de gedaante van paarden; en als ruiters, zo zullen zij lopen. Als het gedruis van wagens op de hoogten der Bergen zullen zij springen, als het gedruis van een vuurvlamdat de stoppels verslindt, als en sterk volk, dat in slagorde gesteld is.Voor hun aangezicht zullen de volken in veel pijn zijn; alle aangezichten zullen zwart betrokken zijn.”

19

Wij zien dat de kracht die het vroegere Israël begeleidde terwijl zij het Beloofde Land innamen, ook de dienstknechten Gods zal begeleiden op deze inzamelingstijd. {2TG8: 20.1}

Joël 2:7,8—“Zij zullen lopen als helden, als krijgsmannen zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen optrekken, een ieder in zijn wegen, en zij zullen hun paden niet verbreken; ook zal de een de ander niet verdringen; zij zullen een ieder in zijn eigen baan wandelen; en wanneer zij op een zwaard vallen, zullen zij niet verwond worden.”

Niets zal in tsaat zijn om het volk van God tegenhouden. Iedereen zal zich  volkomen met zijn zaak bezighouden. Zij zullewn de vruchten der aarde verzamelen en niets zal hen schade toebrengen. De Geest der Profetie getuigt : « Terwijl de heiligen de steden en de dorpen verlieten, werden zij vervolgd door de goddelozen, die hen trachtten te doden. Maar de zwaarden die werden opgeheven om Gods volk te doden, vielen zo machteloos neer als stro. » Early Writings {Eerste Geschriften}, blz.284-285. {2TG8: 20.2}

Joël 2:9—“Zij zullen heen en weer snellen in de stad; zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensters inklimmen als een dief.”

“De dienstknechten Gods” zullen zeker al hun broeders verzamelen uit alle natiën (Jes.66:20). Inderdaad is dat zo, want de benen van het Evangelie zijn de benen van het volk dat het verkondigt. Vanzelfsprekend kan het evangeliewerk alleen met volkomen samenwerking en een kogelvrije leger voltooid worden, wanneer het twee-hoornig beest verklaart “ dat zovelen die het beeld van het beest niet zouden adanbidden, gedood zouden worden.” Openb.13:15. {2TG8: 20.3}

20

Joël 2:10,11—“De aarde zal voor hen beroerd zijn; de hemelen zullen beven; de zon en de maan zullen donker zijn, en de sterren zullen hun glans intrekken: en de Heer zal Zijn stem uiten voor Zijn heer; want Zijn leger is zeer groot: want Hij is sterk en voert Zijn woord uit; want de dag des Heren is groot en zeer vreselijk; en wie kan het verdragen?”

Daar Hij heeft aangekondigd hoe groot en vreselijk de dag zal zijn, geeft de Heer dit pleidooi: {2TG8: 21.1}

 Joël 2:12-14—Daarom nu dan ook, zegt de Here, keert u tot Mij met uw ganse hart, en met vasten em met geween, en met rouwklacht: en scheurt uw hart en niet uw klederen, en keert tot de Here, uw God: want Hij is genadig en barmhartig, langzaam tot toorn, en groot van goedertierenheid, en berouwt Hem over het kwade. Wie weet, of Hij Zich zal wenden en berouwen, en een zegen achter Zich laten, namelijk een spijsoffer en een drankoffer voor de Here, uw God?

Gods pleidooi is dat wij ons voorbereiden om de dag te ontmoeten; dat wij nu als oprechte Christenen, die zich realiseren voor zulk een uur als deze, deze boodschap van genade tot ons is gekomen, boetvaardig tot Hem terugkeren. {2TG8: 21.2}

Joël 2:15,16—“Blaast de bazuin in Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst uit. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderen, en zij die de borsten zuigen: laat de bruidegom voortgaan uit zijn vertrek, en de bruid uit haar kamer.”

In deze vers wordt, net als in Joël 2:1, het bevel gegeven om de bazuimn te blazen in Sion. De

21

tweede bazuin echter, is niet on de dag van God aan te kondigen, maar om zowel een vasten en het volk te heiligen, om een plechtige samenkomst uit te roepen, vanwaaruit niemand uitgesloten moet zijn uit de bijeenkomst. {2TG8: 21.3}

Joël 2:17—“Laat de priesters, de dienaars des Heren, wenen tussen het voorhuis en het altar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o Here, en geef Uw erfenis niet over tot schande, dat de heidenen over hen zouden heersen: waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hun God?”

Hier worden wij duidelijk verteld dat Gods volk vervolging en verontrusting zal ondergaan, en dat tenzij zij dicht bij de Heer blijven, hun gehele bestaan op het stel kan zijn, Gods naam onteerd, en de heidenen toegestaan kunnen worden om over hen te heersen en hun geloof in God uit te dagen. {2TG8: 22.1}

Joël 2:18.19—“Dan zal de Here jaloers zijn over Zijn land, en medelijden hebben over Zijn volk. Ja, de Here zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Zie, Ik zal u het koren zenden, en de wijn, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een schande onder de heidenen.”

God vindt toevlucht en vrijheid voor hen in hun eigen land waar niets zal ontbreken. {2TG8: 22.2}

Joël 2:21-23—“Vrees niet, o land; verheug u en wees blijde; want de Here zal grote dingen doen. Wees niet bevreesd, gij beesten des velds: want de weiden der woestijn schieten op, want het geboomte draagt zijn vrucht, de vijgeboom en de wijnstok geven hun vermogen. Weest dan blijde, gij kinderen Sions, en verheugt in de Here, uw God; want Hij heeft u de vroege regen met mate gegeven, en Hij zal voor u regen doen neerdalen, de vroege regen en de late regen in de eerste maand.”

22

Het is duidelijk genoeg te zien dat God Zijn volk spreekt die zowel de vroege als de late regen moet ontvangen in de eerste maand. {2TG8: 23.1}

Joël 2:24—“En de dorsvloeren zullen vol tarwe zijn, en de perskuipen zullen van wijn en olie overlopen.’’

Inspiratie spreekt natuurlijk niet alleen maar van geestelijke dingen, maar ook van materiele dingen. De regen (nieuw geopenbaarde Waarheid) zal daarom zowel een grote oogst van zielen produceren als een overvloed aan voorzienigheden. {2TG8: 23.2}

Joël 2:25-32—“En Ik zal tot u herstellen de jaren die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups  heeft afgegeten ; Mijn groot heer, dat ik onder u gezonden heb. En gij zult overvloedig eten,en verzadigd zijn, en prijzen de naam van de Here, uw God, Die wondelijk bij u gehandeld heeft : en Mijn volk zal nimmer beschaamd zijn. En gij zult weten dat Ik in het midden van Israël ben, en dat Ik de Here, uw God ben, en niemand meer; en Mijn volk zal nimmer beschaamd zijn. En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten over alle vlees, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw oude mannen zullen dromen dromen, en uw jongelingen zullen gezichten zien. En ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. En ik zal wondertekenen tonen in de hemelen en op de aarde : bloed, en vuur, en rookpilaren. De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, voordat de grote en vreselijke dag des Heren komt. En het zal geschieden dat al wie de naam des Heren zal aanroepen, zal verlost worden. Want op de

23

berg Sion  en te Jeruzalem zal er verlossing zijn, zoals de Here gezegd heeft; en bij de overgeblevenen, die de Here zal roepen.”

Hier zien wij dat degenen die de naam van de Heer aanroepen nadat de late regen valt, verlossing zullen vinden op de berg Sion en te Jeruzalem, ook bij de overgeblevenen die de Here zal roepen. {2TG8: 24.1}

Het allereerste woord (“want”) van het volgende hoofdstuk toont aan dat de profetie van hoofdstuk twee doorgaat met hoofdstuk drie. {2TG8: 24.2}

Joël 3:1,2—“ Want zie, in die dagen, en in die tijd, wanneer ik de gevangenschap van Juda en Jeruzalem zal wenden, zal Ik ook natiën vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en zal aldaar met hen richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israël, die zij onder de natiën verstrooid, en Mijn land verdeeld hebben.”

Deze verzen leggen uit waarom, hoe, en wanneer Gods volk is verlost op de berg Sion en te Jeruzalem. Zoals u ziet vinden deze dingen plaats wanneer Hij de gevangenschap van Juda en Jeruzalem wendt. Dan zal Hij alle natiën brengen tot het dal van Josafat en daar richten vanwege all Zijn gevangengenomen mensen die de natiën hebben verstrooid over de wereld. {2TG8: 24.3}

Joël 3:3—“En zij hebben het lot over Mijn volk geworpen en een jongen gegeven voor een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.”

Vers 3 openbaart de verdorven praktijken van de wereld. {2TG8: 24.4}

Joël 3 :4-7—Ja, en wat hebt gij met Mij te doen,

24

o Tyrus en Sidon, en al de kustlanden van Palestina ? Zult gij Mij een vergelding teruggeven?  En  zo gij Mij wilt vergelden, snel en haastig zal Ik uw vergelding op uw eigen hoofd terugbrengen; want gij hebt Mijn zilver en Mijn goud weggenomen, en hebt Mijn goede aangename dingen in uw temples gebracht; ook hebt gij de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de Grieken, opdat gij hen ver van hun grens mocht verwijderen. Zie, Ik zal ze oprichten de plaats, waarheen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding terugbrengen op uw eigen hoofd.”

Tyrus en Sidon, en de kustlanden van Palestina, die natiën die Gods volk hebben verstrooid, zullen dan hun beloning krijgen. Wat zal hun vergelding zijn? Hier is het antwoord— {2TG8: 25.1}

Joël 3:8-10–“En Ik zal uw zonene en uw dochters verkopen in de hand van de kinderen van Juda, en zij zullen ze verkopen aan de Sabeers, aan een vergelegen volk; want de Here heeft het gesproken.  Verkondig dit ondr de heidenen; Bereidt een oorlog voor, wekt de helden op, laat alle krijgdslieden naderen, laat hen optrekken; Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkels tot spiesen; laat de zwakke zeggen: Ik ben sterk.”

In zoverre de natiën zich op een oorlog zullen voorbereiden wanneer deze profetieën worden vervuld, is het duidelijk te zien dat atoonwapens geen vrede zullen brengen. {2TG8: 25.2}

Joël 3: 11—“Verzamelt u, en komt aan, al gij heidenen, en vergadert u zich rondom: doe Uw helden daarheen afdalen , o Here.”

Hier worden wij verteld dat Gods helden de legers

25

van de heidenen zullen ontmoeten. En waar zal God de volken richten?—De volgende verzen geven het antwoord: {2TG8: 25.3}

Joël 3:12-14—“Laten de heidenen opgewekt worden, en optrekken naar het dal van Josafat; want daar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom. Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hun boosheid is groot. Menigten, menigten in het dal der beslissing: want de dag des Heren is nabij in het dal der beslissing.”

Ja, hier wordt de dag der beslissing beschreven. De menigten zullen dan moeten beslissen om God te dienen en leven of  door te gaan met de Duivel te dienen en met hem om te komen. {2TG8: 26.1}

Joël 3 :15,16—De zon en de maan zullen zwart worden, en de sterren zullen hun glans intrekken. De Here zal ook uit Sion brullen, en Zijn stem uitspreken uit Jeruzalem ; en de hemelen en de aarde zullen beven : maar de Here zal de hoop van Zijn volk zijn, en de sterkte van de kinderen Israëls.

Wat een dag is de wereld nu aan het naderen, en hoe blind is zelfs de kerk voor dit feit! {2TG8: 26.2}

Joël 3 :17-21—Alzo zult gij weten, dat Ik de Here, uw God ben., wonende op Sion, Mijn heilige berg: dan zal Jeruzalem heilig zijn, en er zal geen vreemdeling meer door haar heen gaan. En het zal te dien dage geschieden, dat de bergen van nieuwe zoete wijn zullen druipen, en de heuvels zullen met melk stromen, en al de rivieren van Juda zullen met water stromen ; en er zal een fontein uit

26

het huis des Heren uitgaan, en zal het dal van Sittim bevloeien. Egypte zal een veroesting zijn, en Edom zal een woeste wildernis zijn, om het geweld, gedaan aan de kinderen Israëls, omdat zij onschuldig bloed vergoten hebben in hun land. Maar Judah zal voor eeuwig wonen, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. Want Ik zal hun bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd heb: want de Here woont op Sion.

Onze uiteindelijke reiniging zal plaatsvinden in ons eigen land. Zoals u ziet, zijn de Schriften onderling verbonden met elkaar; de ene waarheid legt de ander uit. Daarom kunnen verzen en hoofdstukken niet afgezonderd worden van hun verband, als zij op de juiste wijze begrepen moeten worden. Een correct idée kan niet ondersteund worden op maar een vers wanneer het is afgezonderd van zijn voortzetting. En alleen wanneer wij God op Zijn woord vertrouwen, kunnen wij in waarheid de Schriften bestuderen. Dan hebben wij slechts het sleutelwoord nodig om de verborgenheden Gods te ontsluiten. En hier hebben wij het dan. {2TG8: 27.1}

Herleving en hervorming, een verandering van ideeen en praktijken, is daarom onze grootste behoefte. Zonder dit zullen wij voorzeker onder degenen gevonden worden die zullen zeggen “tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons en verbergt ons van het aangezicht van Hem, Die op de troon zit, en van de toorn van het Lam: want de grote dag van Zijn toorn is gekomen, en wie zal kunnen standhouden?” Openb.6:16,17. {2TG8: 27.2}

27

——–0———

 


2TG9-10-1200x675.jpg

1

GEBEDSVOORLEZING

“Het Grond Langs De Weg”

Wij zullen lezen  uit Christ’s Object Lessons, beginnend op bladzijde 43, de laatste alinea : {2TG9: 2.1}

Hetgeen de gelijkenis van de zaaier hoofdzakelijk behandelt is de uitwerking dat wordt geproduceerd in de groei van het zaad door de grond waarop het is geworpen. Door deze gelijkenis zei Christus feitelijk aan Zijn toehoorders: Het is niet veilig voor u om als critici tegenover Mijn werk te staan, of toe te geven aan teleurstelling omdat het niet beantwoordt aan uw ideeen. De vraag die van het grootste belang is voor u is : Hoe gaat u met Mijn boodschap om ? Uw eeuwige bestemming hangt af van uw aanvaarding of  verwerping ervan (…) {2TG9: 2.2}

“Het zaad dat langs de weg is gezaaid stelt het woord van God voor zoals het valt op het hart van een onoplettende hoorder (…) Geabsorbeerd zijnde in zelfzuchtige doeleinden en zondige toegeeflijkheden, is de ziel “ verhard door de misleiding van de zonde.” De geestelijk vermogens zijn verlamd. Mensen horen het woord, maar verstaan het niet. Zij nemen niet waar dat het op hun van toepassing is. Zij beseffen hun behoefte en hun gevaar niet. Zij bemerken de liefde van Christus niet, en zij gaan voorbij aan Zijn boodschap van genade als iets dat hen niet aangaat. {2TG9: 2.3}

Wij zouden  moeten bidden dat wij niet het manier navolgen van degenen die altijd gereed zijn om fouten te vinden en te bekritiseren, maar dat wij onverdeelde aandacht schenken, terzijde leggende alle vooroordeel en vooropgezette meningen, hetzij eigenmachtig of van het Kerkgenootschap ; dat wij onze harten openstellen voor de waarheid, niet omdat het populair is, maar omdat de Bijbel het leert, beseffende dat alles wat hierin tekort  schiet ons gewis zal leiden waartoe het de vroegere Joden had geleid. {2TG9: 2.4}

2

—0—

2 TIJDIGE GROETEN 9

WEES EEN NIEUW DORSEND WERKTUIG IN DE HAND VAN GOD

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 4 OKTOBER, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp op deze middag wordt gevonden in Jesaja, de hoofdstukken 40 en 41. Wij zullen beginnen met de eerste vers van het veertigste hoofdstuk. {2TG9: 3.1}

Jes.40:1,2—“ Troost u, troost u, Mijn volk, zegt uw God. Spreekt gerieflijk tot Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is; want zij heeft van des Heren hand dubbel ontvangen voor al haar zonden.”

Zoals wij zien, dringt Inspiratie hier bij iemand aan om Gods volk te troosten. Zij moetemn verteld worden, niet dat  hun strijd vervuld zal worden, maar dat hun strijd is vervuld; dat hun ongerechtigheid is verzoend; dat Jeruzalem, de Kerk, reeds dubbel voor al haar zonden heeft ontvangen. {2TG9: 3.2}

Deze strijd kon vanzelfsprekend niet vervuld zijn geweest in Jesaja’s tijd, noch in de tijd van Johannes de Doper—neen, zelfs niet in de Middeleeuwen. Deze troostende tijdingen kunnen alleen gezegd worden tot de Kerk nadat zij is verlost van de juk van de heidenen, geddurende de tijd waarin het volk dubbel heeft betaald voor hun zonden, voor en na de verspreiding. Daarom is dit hoofdstuk in zijn geheel van toepassing op de eindtijd, op onze tijd. {2TG9: 3.3}

3

Jes.40:3—“De stem van hem die roept in de wildernis: Bereidt de weg des Heren, maak recht in de woestijn een grote weg voor onze God.”

Dit is de vers waarin Johannes de Doper zijn tekst vond als de boodschapper om de weg voor Christus’ eerste komst te bereiden. Maar aangezien wij reeds hebben gezien dat het hoofdstuk begint met een boodschap voor het volk van God dat leeft in de tijd van het einde, de tijd waarin zij for al hun zonden hebben betaald, en aangezien de tijd voor hun verlossing eindelijk is gekomen, heeft het hoofdstuk vanzelfsprekend zowel een voornamelijke als een uiteindelijke toepassing : Het is van toepassing op zowel Christus’ eerste als op Zijn tweede komst. Het laatste van deze is zinnebeeldig—een stem, roepende in de wildernis, niet in de wijngaard, niet in het land van Juda (Jes.5 :7), maar in de woestijn, in de landen van de heidenen. {2TG9: 4.1}

Jes. 40:4—“Ieder dal zal verhoogd worden, en iedere berg en heuvel zal vernederd worden; en het kromme zal recht gemaakt, en de oneffen plaatsen vlak gemaakt worden.”

De last van de boodschap die verkondigd moet worden zal het volk voorbereiden de Heer te ontmoeten : de hoge plaatsen verlagen, de lage plaatsen op te richten, om alle beletsels te verwijderen, zodat de grote weg van de Heer, de weg voor Zijn komst, vrijgemaakt wordt. Deze termen, zeggen natuurlijk op zinnebeeldige wijze: De verhevenen zullen vernederd worden; verkeerdheden moeten goedgemaakt worden, want in Gods domein moeten gelijkwaardigheid en gerechtigheid overheersen. {2TG9: 4.2}

“Waneer de Geest Gods, met zijn wonderbaarlijke opwekkende kracht, de ziel aanraakt, vernedert het de menselijke trots. Werelds genot en positie en macht worden als waardeloos gezien. ‘ Verbeeldingen,

4

en alle hoogte dat zich verheft tegen de kennis van God,’ worden neergeworpen; iedere gedachte wordt in gevangenschap gebracht ‘tot de gehoorzaamheid van Christus.’ Dan worden nederigheid en zelfopofferende liefde, die zo weinig worden gewaardeerd onder de mensen, verhoogd als zijnde van enige waarde. Dit is het werk van het evangelie, waarvan Johannes’ boodschap deel uitmaakte.”—The Desire of Ages, blz.135{De Wens der Eeuwen, blz.102}. {2TG9: 4.3}

Jes.40:5—“En de heerlijkheid des Heren zal geopenbaard worden; en alle vlees zal het tezamen zien; want de mond des Heren heeft het gesproken.”

Hier worden wij verteld dat waneer deze “herleving en hervorming” plaatsvindt, de heerlijkheid des Heren geopenbaard zal worden, en alle vlees zal het tezamen zien. Laat ons daarom ons realiseren dat als wij deze dingen doen, dan zouden wij allen voorlopers zijn van deze heerlijke beloften, en de dienstknechten van God voor deze tijd. {2TG9: 5.1}

Jes.40:6-8—“De stem zeide: Roept. En hij zei : Wat zal ik roepen ? Alle vlees is gras, en alle goedertierenheid daarvan als de bloem des velds; het gras verdort, de bloem verwelkt, omdat de Geest des Heren daarop blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem verwelkt ; maar het Woord van onze God zal voor eeuwig standhouden.”

De boodschap van het uur moet duidelijk maken dat alle mensen sterfelijk zijn, niet langer stand houdende dan het gras; dat zelfs hun deugden niet langer duren dan de bloemen van het veld; maar dat het Woord van God eeuwigdurend is; dat degenen die ernaar velangen het eeuwig leven te verkrijgen, om zo eeuwigdurend te worden als het Woord zelf, geen vertrouwen moeten stellen op enig mens, maar op het Woord van God alleen; dat zij voor zichzelf moeten navragen: “Is het Waarheid?,”

5

 en niet: “Van wie is het afkomstig?” {2TG9: 5.2}

Jes.40:9—“O Sion, die goede berichten brengt, klimt gij op tot de hoge berg; O Jeruzalem, die goede berichten brengt, hef uw stem op met kracht; heft het op, wees niet bevreesd; zeg tot de steden van Juda: Aanschouw uw God!”

Zij die uiteindelijk op de berg Sion zullen staan, en die nu de weg van de Heer bereiden door die goede berichten te brengen, worden allen geadviseerd on als het ware op een hoge berg te gaan, en hun stemmen tezamen op te heffen zonder enige vrees dan ook, om tot de steden van Juda (tot de kerken overall) te verkondigen om de weg van de Heer te bereiden en te zeggen: “Aanschouw uw God.” {2TG9: 6.1}

Jes.40:10—“Zie, de Here God zal komen met een sterke hand, en Zijn arm zal voor Hem heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn werk voor Hem.”

De arm van de Heer die voor Hem heerst {regeert}, moet een voorstelling zijn van degenen door wie Hij werkt (Jes.51:9), van degenen die met Hem zullen staan op de berg Sion (Openb.14:1),–de Kerk, vlekkeloos en zonder bedrog {leugen}. “Want de kinderen Israels zullen vele dagen verblijven zonder een koning, en zonder een vorst, en zonder een offer, en zonder een beeld, en zonder een efod, en zonder terafim; daarna zullen de kinderen Israels terugkeren, en zoeken de Here, hun God, en David, hun koning; en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid, in de laatste dagen” Hos.3:4,5. {2TG9: 6.2}

De boodschappers van het uur moeten ook verkondigen dat het loon van de Heer (leven in eeuwigheid) bij Hem is, maar dat Zijn werk nog steeds voor Hem ligt, het nog voltooid moet worden. {2TG9: 6.3}

6

Jes.40:11—“Hij zal Zijn kudde weiden als een herder: Hij zal de lammeren met Zijn arm vergaderen, en hen aan Zijn boezem dragen, en zal hen die met jongen zijn zachtjes leiden.”

Deze zorg voor Zijn volk zal gevoeld worden wanneer Zijn arm voor Hem regeert. Dan zal Hij het heft in handen nemen over Zijn werk, en over Zijn volk, zoals een herder zorgt voor een kudde. Hij zal opersoonlije zorg beoefenen over allen, jong en oud desgelijks. {2TG9: 7.1}

Jes.40:12—“ Wie heeft de wateren met de holte van Zijn hand gemeten, en van de hemel met de span de maat genomen, en het stof der aarde  in een maat ingesloten, en de bergen in een waag gewogen, en de heuvels in een weegschaal?”

Aangezien er niemand anders is dan God zelf die al deze dingen kan dien? En aangezien Hij Zelf de leigding zal nemen over Zijn Eigen kudde,  dan weten wij dat Zijn zorg over hen niet te evenaren zal zijn. En waarom zouden wij die tijd niet bespoedigen? {2TG9: 7.2}

Jes.40:13,14—“Wie heeft de Geest des Heren bestuurd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? Met wie heeft Hij raad gehouden, en wie heeft Hem  onderricht, en Hem in het pad des rechts  geleerd, en aan Hem de weg der verstandhouding geleerd?”

Wij weten dat de Geest Die tot alle Waarheid en alle kennis leidt Zelf niet door enig mens geleid of onderwezen wordt.  Waarom zouden wij daarom ons afhankelijk stellen van enig mens dat is afgescheiden van Inspiratie, om een oordeel te vellen over geinspireerde Waarheid? Het Woord geeft aan dat niet alleen de mens maar ook de natien als niets zijn: {2TG9: 7.3}

Jes.40:15-17—”Ziet, de natien zijn

7

als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; Hij neemt de eilanden op als een zeer klein ding. En de Libanon is niet voldoende om te branden, en het gedierte daarvan is niet voldoende tot brandoffer. Alle natien zijn als niets voor Hem ; en zij worden bij Hem geacht minder dan niets, en ijdelheid.”

Wanneer wij ons realiseren dat de natien op aarde in vergelijkling met Gods macht als niets zijn, dat noch de ceder noch de dieren van de Libanon voldoende zijn voor zelfs een brandoffer, zullen wij net zo gauw alle mensen, inclusief onszelf, als onbeduidend zien, en zo waardeloos als stof. Dan zullen wij onze afhankelijkheid van Hem zo belangrijk en zo volledig zien als de afhankelijkheid van een zuigeling van zijn ouders. {2TG9: 8.1}

Jes.40:19,20—“Met wie zult gij God vergelijken? Of welke gelijkenis zult gij op Hem toepassen?”

Dit is nu een vraag die een ieder met zijn eigen verstand moet beantwoorden. {2TG9: 8.2}

Jes.40:19,20—“De werkmeester smelt een gesneden beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen aan. Hij die zo verarmd is dat hij geen offerande heeft, kiest een boom uit die niet zal verrotten; hij zoekt zich een listige werkmeester om een gesneden beeld te bereiden, dat niet bewogen zal worden.”

In deze verzen wordt getoond hoe dwaas de mensen zijn: Zij stoppen niet om te bedenken dat hoewel een stuk hout goed kan zijn voor brandstof, toch wanneer de mens probeert om een gelijkenis van God ervan te maken, het slechts dwaasheid is en om ervoor neer te knielen, is verlagend en godslasterend. {2TG9: 8.3}

8

Jes.40:21-26—“Hebt gij niet geweten? Hebt gij niet gehoord? Is het u niet verteld van den beginne? Hebt gij niet verstaan van de grondlegging der aarde af? Hij is het, Die op de cirkel der aarde zit, en de inwoners daarvan zijn als sprinkhanen;  Die de hemelen uitspant als een gordijn, en ze uitbreidt als een tent, om te bewonen ; die de vorsten te niet maakt; Hij maakt de richters der aarde tot ijdelheid. Ja, zij zullen niet geplant worden; , ja, zij zullen niet gezaaid worden; ja, hun stam zal geen wortel schieten in de aarde; en ook zal Hij op hen blazen, en zij zullen verwelken, en de stormwind zal hen als een stoppel wegnemen. Met wie zult gij Mij dan vergelijken, of zal Ik gelijk zijn? Zegt de Heilige. Heft uw ogen op omhoog, en izet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heer voortbrengt; Die ze alle bij name roept, door de grootheid van Zijn macht, omdat Hij sterk is in macht; niet een faalt.”

Aangezien God groter is dan de menselijke verbeelding kan doorgronden, waarom stellen de mensen zich dan zo weinig afhankelijk van Hem,–en zo veel van hun eigen woorden? Het is waar, dat wij niet feitelijk neerknielen voor een beeld, maar we kunnen wel andere doen die even afgodisch zijn.Inderdaad, als dat niet het geval was, dan zouden deze vermaningen niet tot ons zijn gekomen door dezde tijdig-geopenbaarde profetie. {2TG9: 9.1}

Jes.40:27-31—“Waarom zegt gij: O Jakob, en spreekt: O Israel, mijn weg  is voor de Here verborgen, en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Hebt gij niet geweten? Hebt gij niet gehoord,. Dat de eeuwige God, de Here, de Schepper van de einden der aarde, niet verzwakt, noch moede is? Er is geen doorgronding aan Zijn verstand. Hij geeft kracht aan de zwakken, en aan hen

9

die geen macht hebben, vermeerdert Hij de sterkte. Zelfs de jongen zullen verzwakken en moede zijn, en de jongelingen zullen volkomen vallen; maar zij die de op de Here wachten, zullen hun kracht vernieuwen; zij zullen oplopen met vleugels als arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet verzwakken.”

Is het niet verwonderlijk dat de Kerk, die door de eeuwen heen tot zo ver is gekomen, nu de allereerste grondbeginselen van haar geloof geleerd moet worden? {2TG9: 10.1}

Jes.41:1,2—“Zwijgt voor Mij, O eilanden; en laat het volk hun kracht vernieuwen: laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen; Wie  de wekte rechtvaardige  op uit het oosten , riep hem op zijn voet, gaf de natien voor zijn aangezicht, en maakte dat hij over koningen heerste? Hij gaf ze als stof voor zijn zwaard, en als gedreven stoppel voor zijn boog.”

Het vernieuwen van hun krachten betekent het wegdoen van de zonde, en het nader  tot God komen, betekent om van Hem te leren.  Na dit gedaan te hebben, moeten zij dan anderen uitnodigen om tot het gericht te komen. De natien zullen tot die tijd zwijgen, en dan zullen zij zeggen: “Komt en laat ons opgaan tot de berg des Heren, en tot het huis van de God Jakobs; en Hij zal ons van Zijn wegen leren, en wij zullen in Zijn paden wandelen ; want uit Sion zal de wet voortgaan, en en het woord des Heren uit Jeruzalem.” Micha 4:2. {2TG9: 10.2}

Het is daarom ons werk om de weg voor de Heer te bereiden voor de verzameling van het volk. {2TG9: 10.3}

Jes 41:3-5—“Hij joeg hen na, en trok veilig door, zelfs dor de weg die Hij met Zijn voeten niet had

10

begaan.  Wie heeft dit  tot stand gebracht en gedaan, de geslachten roepende van den beginne? Ik, de Here, de eerste , en met de laatste, Ik ben Dezelfde. De eilanden zagen het, en vreesden; de einden der aarde waren bevreesd, naderden, en kwamen toe.

Deze verzen tonen duidelijk aan dat de openbaring van Gods macht overal gevoeld zal worden. {2TG9: 11.1}

Jes.41:6—“Zij hielpen een ieder zijn naaste, en een ieder zei tot zijn broeder: Hebt goede moed.”

Gods volk zal waarlijk hun naaste helpen. De dwazen zullen desondanks op dwaze wijze handelen, en zullen doorgaan in hun afgoderij. {2TG9: 11.2}

Jes.41:7-10—Aldus bemoedigde de timmerman de goudsmid, en hij die glad maakt met de hamer , hij die het ambeeld gelad maakt, zeggende: Het is gereed voor het smeden: en hij bevestigde het met spijkers, opdat het niet zou bewegen. Maar gij, Israel, zijt Mijn dienstknecht, Jakob, die Ik gekozen heb, het zaad van Abraham, Mijn vriend. Gij, die ik heb genomen van de einden der aarde, en u geroepen uit de voornaamste mannen daarvan, en tot u heb gezegd: Gij zijt Mijn dienstknecht; Ik heb u uitverkoren, en u niet weggeworpen. Vreest gij niet; want Ik ben met u: wees niet angstig; want Ik ben uw god: Ik zal u versterken; ja, Ik zal u helpen; ja, Ik zal u steunen met de rechterhand van Mijn gerechtigheid.”

Gods beloften aan Zijn dienstknechten staan zeker. Laat ons nu beslag op hen leggen. Wij zullen nooit zo een goede gelegenheid vinden als wij vandaag hebben. Morgen zal het te laat zijn; wij kunnen beter beantwoorden terwijl God {nog} pleit. {2TG9: 11.3}

11

Jes.41:11,12—“Ziet, zij allen die tegen u ontstoken waren zullen beschaamd en verward zijn; zij zullen als niets zijn; en zij die met u vechten zullen omkomen. Gij zult ze zoeken, en zal ze niet vinden, namelijk hen die met  u twistten: zij die tegen u strijden zullen als niets zijn, en als een nietig ding.”

Nu hebben wij de gelegenheid om alles te doen wat wij kunnen voor degenen die ons tegenstaan, want hier worden wij duidelijk verteld dat als zij doorgaan met hun vijandigheid, zij zullen omkomen. {2TG9: 12.1}

Jes.41:13—“Want de Here, uw God, zal uw rechterhand vasthouden, zeggende tot u: Vrees niet; Ik zal u helpen.”

Als wij als volk niet bang zijn, waareom dan al deze smekingen en bemoedigingen? Waarom de aansporingen om onze angsten uit te werpen? {2TG9: 12.2}

Jes.41:14,15—“Vrees niet, gij worm Jakob, en gij mannen Israels; Ik zal U helpen, zegt de Here, en uw Verlosser, de Heilige Israels. Zie, Ik zal u een nieuwe, scherp dorsend werktuig, dat tanden heeft, maken: gij zult de Bergen dorsen, en ze klein slaan, en zult de heuvels maken als kaf.”

Het dorsen van de bergen (koninkrijken) betekent het tarwe (heiligen) uit hen weghalen. Daarom worden de dienstknechten van God hier een nieuw werktuig beloofd, anders dan ieder andere die ooit tevoren is gebruikt; dat is, de inzameling van de heiligen in de oogsttijd zal volbracht worden op een manier die men niet heeft gedroomd, –tegengesteld tot iedere menselijke voornemen. Dit werktuig zal tanden hebben; het zal plotseling het tarwe van de stro scheiden en het kaf uitblazen. Christus, “Wiens wan is in  Zijn hand,

12

…zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn tarwe in de schuur vergaderen; maar Hij zal het kaf verbranden met onuitblusbaar vuur.” Matt.3:12. Om deze zaak zijn wij geroepen, en voor dit groot en voornaam werk moeten wij de weg bereiden. {2TG9: 12.3}

Jes.41 :16,17—Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien ; en gij zult u verheugen in de Here, en in de Heilige Israels zult u zich beroemen. Wanner de armen en behoeftigen water zoeken, en er is geen, en hun tong varzwakt van dorst,  dan zal Ik, de Here, hen horen ; Ik, de God Israels, zal hen niet verlaten.

Ja, het kaf zal uitgeblazen worden en de stormwind zal het wegnemen om verbrand te worden met verterend vuur. Maar Gods volk zal zich verblijden in de Heer, en hun armen zal Hij troosten. {2TG9: 13.1}

Jes.41:18–“Ik zal rivieren op hoge plaatsen openen, en fonteinen in het midden der valleien; Ik zal de woestijn tot een waterpoel maken, en het dorre land tot waterbeken.”

De late regen zal, zoals wij hier zien, overbloedig zijn. Het zal rivieren, beken, en poelen maken waar dat niet wordt verwacht. Dit alles is een voorspelling van een grote oogst, zelfs uit de verlaten gebieden—uit de heidense landen. “Hierna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natien, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed zijndee met witte klederen, en palmtakken in hun handen. Openb.7:9. {2TG9: 13.2}

Jes.41 :19–Ik zal in de woestijn de cederboom, de sittimboom, en de mirteboom, en de olieboom planten ; Ik zal in de wildernis stellen de denneboom,

13

de pijnboom, en de busboom tezamen.

God zal het land van de heidenen mooi maken met mensen die Christelijke karakters hebben en genadegaven die zo schoon zijn als de mirtel de olie, de den, de pijnboom, en de busboom tezamen. Er is niets in de wereld vandaag dat de mens hoop en gedachte des vredes kan geven dan deze beloften van God. {2TG9: 14.1}

Jes.41:20-24—Opdat zij mogen zien, en weten, en overdenken, en tezamen verstaan, dat de hand des Heren zulks gedaan, en de Heilige Israels het geschapen heeft. Brengt uw zaak voor, zegt de Here; brengt uw gegronde bewijsredenen naar voren, zegt de Koning van Jakob. Laat hen ze voortbrengen, en ons tonen wat er zal gebeuren; laat hen de vorige dingen tonen, wat zij zijn, opdat wij ze mogen overdenken, en het laatste einde van ze weten ; of ons de dingen verkondigen die zullen komen. Toon de dingen aan die hierna zullen komen, opdat wij mogen weten dat gij goden zijt; ja, doet goed , of doet kwaad, opdat wij onthutst mogen zijn, en het tezamen zien. Ziet, gij zijt niets, en uw werk van niets; en een gruwel is hij, die u verkiest.

Hier is een uitdaging voor al onze tegenstanders. Laat hen u vertellen wat hierna zal gebeuren, als zij dat kunnen, of laat ze het verleden vertellen als ze dat willen, zo daagt God hen uit. Aldus kunnen zij nu weten dat zij als niets zijn, en degenen die verkiezen hen te volgen, zelfs zij zullen een gruwel voor Hem zijn. {2TG9: 14.2}

Jes.41:25—“Ik heb een verwekt van het noorden, en hij zal komen: Van de opgang der zon zal hij Mijn naam aanroepen; en hij zal komen over vorsten als over vijzel, en gelijk een pottenbakker het leem treedt.”

14

Deze, die in de profetie vermeld, komt ergens uit het noorden van het Beloofde Land. Hij roept de Heer vroeg aan—zo vroeg als bij de opgang van de zon.  Ook komt hij over vorsten als over vijzel, en zoals de pottenbakker het leem treedt. “In de dagen van deze koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten…het zal al deze koninkrijken aan stukken breken en verteren.” Dan.2:44. {2TG9: 15.1}

Jes.41:26—“Wie heeft van den beginne verkondigd, opdat wij het mogen weten? En voor de tijd, opdat wij mogen zeggen: Hij is rechtvaardig? Ja, er is niemand, die aantoont, ja , er is niemand die verkondigt, ja, er is niemand die uw woorden hoort.”

Is er iemand die ooit deze dingen aan de mensen verkondigde?, vraagt de Heer. Dan beantwoordt Hij Zijn Eigen vraag : “Ja, er is niemand, die aantoont, ja , er is niemand die verkondigt, ja, er is niemand die uw woorden hoort.” {2TG9: 15.2}

Jes.41:27,28—De eerste zal tot Sion zeggen: Zie, ziet ze aan; en Ik zal aan Jeruzalem een geven die goede berichten brengt. Want ik zag toe, en er was geen raadgever, opdat die, wanneer ik naar ze vroeg, Mij een woord kon antwoorden.”

Wanneer God zijn volk bezoekt met deze goede berichten, vindt Hij niemand onder zijn dienstknechten om dit werk te doen, en geen raadgever onder hen om een antwoord te geven op deze dingen! Desondanks moeten wij alles doen wat wij kunnen om hen te doen ontwaken. Wij moeten het Woord verhogen, Zijn volk troosten, en de weg bereiden zodat Hij een nieuw dorsend werktuig van ons kan maken. {2TG9: 15.3}

15

—–0—–

Ashamed of Jesus!{Schamen over Jezus!}

Jesus, and shall it ever be,{Jezus, en zal het ooit zo zijn,}

A mortal man ashamed of Thee?{Een sterfelijk mens, beschaamd over U zijn ?}

Ashamed of Thee, whom angels praise,{Beschaamd over U, die de engelen prijzen,}

Whose glories shine through endless days?Wiens heerlijkheden door eindeloze dagen heen schijnen?}

Ashamed of Jesus! sooner far {Schamen over Jezus! Het zij eerder verre}

Let evening blush to own a star;{Laat de avond blozen om een ster te bezitten ;}

He sheds the beams of light divine {Hij giet de stralen van goddelijk licht}

O´er this benighted soul of mine.{Over deze, mijn onwetende ziel.}

Ashamed of Jesus! Just as soon {Schamen over Jezus! Net zo gauw}

Let midnight be ashamed of noon; {Laat de middernacht beschaamd zijn over de middag;}

`T was midnight with my soul till He, {‘t Was middernacht in mijn ziel totdat Hij,}

Bright Morning Star, bade darkness flee.{Blinkende Morgenster, de duisternis gebood te vlieden.}

Ashamed of Jesus! that dear Friend {Schamen over Jezus!die kostbare Vriend}

On whom my hopes of heaven depend! {Van wie mijn hoop op de hemel afhangt!}

No; when I blush, be this my shame {Nee; wanneer ik bloos, dat dit mijn schande mag zijn}

That I no more revere His name.{Dat ik niet meer Zijn naam vereer.}

Ashamed of Jesus! yes, I may{Schamen over Jezus!ja, dat kan ik}

When I´ve no guilt to wash away;{Wanneer ik geen schuld heb om weg te wassen;}

No tear to wipe, no good to crave,{Geen traan om te wissen, geen goed om te begeren,}

No fears to quell, no soul to save.{Geen angsten te onderdrukken, geen ziel te redden.}

Till then, –nor is my boasting vain,–{Tot dan,–is mijn roemen ook niet ijdel(vergeefs)-}

Till then I boast a Saviour slain;{Tot dan roem ik op een geslagen Verlosser;}

And O, may this my glory be,{En O, moge dit mijn roem zijn,}

That Christ is not ashamed of me!{Dat Chistus Zich niet schaamt over mij!}

—-Joseph Grigg

16

 

2 TIJDIGE GROETEN 10

BLOEIENDE TAKKEN, GEEN ZIJTAKKEN

Aan De Broeders In Omloop

Lezing door V.T. Houteff,

Predikant der D.Zevende-Dags Adventisten

Mt.Carmel Kapel

Waco, Texas

In zoverre er vaak aan ons wordt gevraagd wat de “D”  in de Tijdige Groeten betekent in verband met de naam “Zevende-Dags Adventisten,” zullen wij proberen dit uit te leggen. De “D” staat voor Davidiaanse. De uitgevers gebruiken, in plaats van de naam volledig uit te drukken, vaak de afgekorte vorm “D” wanneer de ruimte beperkt is. {2TG10: 17.1}

In wezen zijn wij Zevende-Dags Adventisten. Sinds de leidinggevende broeders van het Kerkgenootschap der ZevendeDags Adventisten de toevoeging tot de Derde Engel Boodschap (Early Writings, blz.277{Eerste Geschriften, blz.331,332}) verwierpen op de zelfde manier waarop de Joden het evangelie van Christus afwezen, en zoals de populaire kerken de boodschappen die daarna volgden afwezen, zijn wij in wezen altijd Zevende-Dags Adventisten gebleven. Wij zijn gescheiden van de moederkerk doordat de “lauwe” broeders met instemming van de meerderheid ons het lidmaatschap hebben ontzegd, en een bewaking bij de kerkdeuren hebben geplaatst om ervan verzekerd te zijn dat wij de de kerken niet konden binnengaan op de Sabbatdag. Natuurlijk hebben zij deze dingen gedaan om  ons ertoe te dwingen om de geopenbaarde Waarheid van de Heer te verzaken, en ook om degenen die de Tegenwoordige Waarheid aanvaardden, en degenen die de boodschap van het uur voor zichzelf konden onderzoeken en aannemen, angst in te boezemen. Er zou geen andere reden kunnen zijn om ons weg te zenden. {2TG10: 17.2}

Aangezien wij de door-God-gezonden “voedsel op zijn tijd” niet de rug konden toekeren, werden wij

17

 vanzelfsprekend genoodzaakt om Davidiaanse toe te voegen aan de naam Zevende-Dags Adventisten, zodat wij niet beschuldigd zouden worden van een verkeerde voorstelling. Wij hebben ons echter nooit gescheiden van het kerkgenootschap.  Als volk bezoeken wij nog steeds de kerken van de genootschap, wanneer wij niet worden tegengehouden om binnen te gaan. {2TG10: 17.3}

Ons werk is nauwgezet {gericht} binnen onze kerkgenootschap zoals Johannes’ en Christus’ werk dat was binnen hun kerkgenootschap. Onze fundamentele geloofspunten zijn daarom dezelfde als die van het kerkgenootschap, met uitzondering van de toegevoegde leerstellende waarheden die de toegevoegde boodschap ons brengt. De omstandigheden hebben ons daarom in een situatie geplaatst die hetzelfde is als die van de apostelen: Ook hun fundamentele geloofspunten waren eveneens de fundamentele geloofspunten van de Joden, en ter toevoeging tot dezen, hadden zij het Evangelie van Christus. {2TG10: 18.1}

Om smaad te werpen op, en om de mensen met vooroordeel te doen staan tegenover de door-de-hemel gezonden boodschap, noemt de tegenpartij ons op ironische wijze “zijtakken.” Juist hun uitdrukking tegen ons, echter, bewijst dat wij gelijk hebben en zij het verkeerd hebben. Ware het niet voor de “zijtakken”, dan zou de Christelijke kerk nooit tot stand zijn gekomen, –neen, zelfs niet de Protestantse kerken, noch ook de Zevende-Dags Adventisten. {2TG10: 18.2}

God zij dank dus dat wij de vastberadenheid hadden om geen vlees tot onze arm te stellen (niet het woord van de priesters en rabbijnen aan te nemen, als het ware, maar een kijk te nemen, om persoonlijk te weten wat Waarheid is) en de smaad te weerstaan zoals degenen dat deden die ons zijn voorgegaan. {2TG10: 18.3}

Hier is het  waarop de verklaring van de profeet Jesaja op passende wijze en tijdig van toepassing is: “ Ja, de waarheid ontbreekt; en hij die van het kwade wijkt, maakt zichzelf tot een prooi: en de Here zag het, en het mishaagde Hem,

18

 dat er geen recht was.” Jes.59:15. {2TG10: 18.4}

De waarheid van de zaak is echter, dat de zogenaamde zijtakken slechts bloeiende takken zijn. En laat ons altijd gedenken dat zoals een boom sterft wanneer het faalt om een bloeiende tak te geven ieder seizoen, zo zal ook de kerk dat doen wanneer zij faalt om gelijke tred te houden met de voortschrijdende Waarheid van de Hemel. Zelfs de wereld weet dat de bloeiende takken altijd de kerk levend en vrij hebben gehouden, en dat bloeiende takken dat altijd zullen doen. Daarom voelen wij ons enorm vereerd om bloeiende takken te zijn, in plaats van slapende knoppen. {2TG10: 19.1}

Ja, het is een grote eer om vervolgd, bespot , en mishandeld te worden om Christus’ wil en Zijn Waarheid. Alzo verklaart Jezus: “Zalig zijt gij, wanneer men u zal haten, en wanneer zij u zullen afscheiden van hun gezelschap, en u zullen smaden,  en uw naam als kwaad uitwerpen, om de Zoon des mensen. Verblijdt u in die dag, en springt van vreugde: want zie, uw loon is groot in de hemel; want op gelijke wijze hebben hun vaders gedaan aan de profeten.” Lukas 6:22,23{KJV}{2TG10: 19.2}

“Hoort het Woord des Heren, gij die voor Zijn Woord beeft; uw broeders, die u haatten, die u uitwerpen om Mijns Naams wil, zeggen: Laat de Here verheerlijkt worden; doch Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden.” Jesaja 66:5{KJV}. {2TG10: 19.3}

“En koningen zullen uw voedstervaders zijn, en hun koninginnen uw voedstermoeders; zij zullen zich voor u buigen met hun aangezicht ter aarde, en het stof van uw voeten aflikken; en gij zult weten dat ik de Here ben; want zij die op Mij wachten zullen niet beschaamd worden. {2TG10: 19.4}

“Zal de prooi van de machtige weggenomen worden, of de rechtmatige gevangene verlost worden ? Doch alzo zegt de Here: Zelfs de gevangenen van de machtige zullen

19

weggenomen worden, en de prooi van de vreselijke verlost worden: want Ik zal met hem twisten die met u twisten, en Ik zal uw kinderen redden.” Jesaja 49:23-25.{KJV}{2TG10: 19.5}

Het is duidelijk te zien dat degenen die de waarheid-gelovende broeders uit hun midden uitwerpen, het op bevel van de Boze doen, want zij die rekening houden met het bevel van de Heer, werpen zelfs het “onkruid” niet uit. Zij weten dat het reinigingswerk voor de kerk alleen de engelen toebehoort. {2TG10: 20.1}

“Toen zag ik de derde engel. Mijn vergezellende engel zei: ‘Vreselijk is zijn werk. Ontzagwekkend is zijn missie. Hij is de engel die het tarwe moet onderscheiden van dhet onkruid, en het tarwe voor de hemelse graanschuur moet verzegelen of binden. Deze dingen zouden beslag moeten leggen op het gehele verstand, de gehele aandacht..’” –Early Writings, blz.118{Eerste Geschriften, blz….}. {2TG10: 20.2}

“Wederom, is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, dat in de zee was geworpen, en van allerlei soort verzamelde; welke zij, toen het vol was, aan de oever trokken, en neerzaten, en het goede in vaten verzamelden, maar het kwade wegwierpen. Alzo zal het zijn bij het einde van de wereld; de engelen zullen uitgaan, en de goddelozen afscheiden van onder de rechtvaardigen, en zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. “ Matt.13:47-30. {2TG10: 20.3}

Dus, hetzij wij gelijk of hetzij wij het verkeerd hebben, wij weten dat de werken van de broeders niet in overeenstemming zijn met de Heer. {2TG10: 20.4}

De grondleggers van het Christelijk geloof gaven hun leven terwille van de Waarheid, waarom zouden wij dat niet doen? {2TG10: 20.5}

Om nu te beoordelen of  wij wel of geen Zevende-Dags Adventisten zijn,  laat mij voor u stellen onze fundamentele

20

 geloofspunten uit het boekje: “Fundamentele Geloofspunten en Gids.” Hier zult u opmerken dat de gehele lijst van fundamentele geloofspunten is geciteerd uit het jaarboek van het Z.D.A-kerkgenootschap. En waarom?—eenvoudigweg omdat hun geloofspunten ook onze geloofspunten zijn. Dan zult u de toegevoegde leerstellende waarheden opmerken die daarop volgen. {2TG10: 20.6}

FUNDAMENTELE GELOOFSPUNTEN DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAGS ADVENTISTEN

Opkomende in 1930 van binnen in het kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten (“de kerk der Laodiceeërs”), is het Davidiaanse Zevende Dags Adventistische genootschap altijd toegewijd geweest aan het profetisch werk (voorspeld in Jesaja 52:1) van de voorbereiding van de Laodiceese kerk, de laatste met “het onkruid” onder “het tarwe,” op de laatste verkondiging van het evangelie “in de gehele wereld.” Matt. 24:14. {2TG10: 21.1}

Dit Genootschap houdt zich, gemeenschappelijk met het kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten,”aan bepaalde fundamentele geloofspunten, waarvan de voornaamste kenmerken, tezamen met enkele Bijbelse verwijzingen, waarop deze zijn gebaseerd,” oorspronkelijk als hiernavolgend worden opgesomd: {2TG10: 21.2}

  1. Dat de Heilige Schriften van het Oude en het Nieuwe Testament ontstaan zijn door inspiratie Gods en een alleszins voldoende openbaring bevatten van Zijn wil ten opzichte der mensen en het enige onfeilbare richtsnoer zijn voor het geloof en het gedrag zijn (1Tim.3:15-17). {2TG10: 21.3}
  2. Dat de Godheid of Drie-eenheid bestaat uit de Eeuwige Vader, een persoonlijk, geestelijk Wezen, almachtig, alomtegenwoordig, alwetend,

21

oneindig in wijsheid en liefde; de Here Jezus Christus, de Zoon van de Eeuwige Vader, door Wie alle dingen werden geschapen en door Wie de redding van de verloste scharen vervuld zal worden; de Heilige Geest, de derde Persoon der Godheid, de grote weder barende macht in het werk der verlossing (Matt. 28:19). {2TG10: 21.4}

  1. Dat Jezus Christus inderdaad God is, in natuur en wezen overeenkomende met de Eeuwige Vader. Hoewel Hij Zijn Goddelijke natuur behield, nam Hij de natuur van het menselijk geslacht aan en leefde als zodanig op deze aarde, openbaarde in Zijn leven ons ten voorbeeld, de beginselen der gerechtigheid, bewees Zijn verhouding tot God door vele machtige wonderen, stierf voor onze zonden aan het kruis, werd opgewekt uit de dood, en voer ten hemel naar de Vader, waar Hij als Middelaar voor ons leeft (Joh. 1:1,14; Hebr. 2:9-18; 8:1,2; 4:14-16; 7:25). {2TG10: 22.1}
  2. Dat een ieder, om de zaligheid (of verlossing) te verkrijgen, de wedergeboorte moet ondergaan, wat een algehele verandering leven en karakter door de herscheppende macht Gods door het geloof in de Here Jezus Christus inhoudt (Joh. 3:16; Matt.18:3; Hand. 2:37-39). {2TG10: 22.2}
  3. Dat de doop een instelling is van de Christelijke kerk en volgen moet op berouw en vergeving der zonden. Door deze te ondergaan, toont men geloof in de dood, begrafenis, en wederopstanding van Christus; dat de juiste wijze van de doop geschiedt door onderdompeling (Rom. 6:1-6; Hand. 16:30-33). {2TG10: 22.3}
  4. Dat de wil van God wat betreft het zedelijk gedrag, is vastgesteld in Zijn wet der tien geboden. Dat deze hoogst zedelijke, onveranderlijke

22

 beginselen zijn, bindend voor alle mensen door alle tijden heen (Ex. 20:1-17). {2TG10: 22.4}

  1. Dat het vierde gebod van deze onveranderlijke wet de viering vraagt van de Sabbat op de zevende dag. Deze heilige instelling is tegelijkertijd een herinnering aan de schepping en een teken van heiligmaking, een teken van de rust van de gelovige van zijn eigen werken der zonde en zijn ingaan in de zielenrust, die Jezus beloofde aan diegenen, die tot Hem komen (Gen. 2:1-3; Ex. 20:8-11; 31:12-17; Hebr. 4:1-10). {2TG10: 23.1}
  2. Dat door de wet der tien geboden de kennis der zonde is, waarvan de bezoldiging (of het loon) de dood is. De wet kan de overtreder niet van zijn zonde redden, noch hem de kracht verlenen om hem voor zonde te bewaren. In oneindige liefde en genade wijst God een weg, waardoor dit kan geschieden. Hij stelt een Plaatsvervanger aan en wel Christus de Rechtvaardige, om in de plaats van de mens te sterven, want Hij heeft “Hem, die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”(2 Kor. 5:21). Wij worden gerechtvaardigd niet door gehoorzaamheid aan de wet, maar door de genade in Christus Jezus. Door Christus aan te nemen wordt de mens verzoend met God, gerechtvaardigd door Zijn bloed voor de zonden van het verleden en gered van de macht der zonde door de inwoning van Christus. Aldus wordt het Evangelie “de kracht Gods tot zaligheid (dit is verlossing of eeuwige behoudenis) voor een ieder die gelooft.” Deze ervaring wordt gewrocht (of tot stand gebracht)door de goddelijke inwerking van de Heilige Geest, Die van zonde overtuigt en leidt tot Hem, die de zonde op Zich neemt; vervolgens de zondaar in verbondsbetrekking tot zich brengt, de wet van God in zijn hart schrijft en door de bekwaam makende kracht van de inwonende Christus zijn leven in overeenstemming brengt met de goddelijke beginselen. De eer en verdienste van

23

 deze wonderlijk veranderring komen algeheel Christus toe (1 Joh. 3;4; Rom 7:7; 3:20; Efe. 2:8-10; 1 Joh. 2:1,2; Rom. 5:8-10; Gal. 2:20; Efe. 3:17; Hebr. 8:8-12). {2TG10: 23.2}

  1. Dat God alleen onsterfelijkheid bezit (1 Tim. 6:16). De sterfelijke mens bezit een natuur, onafscheidelijk verbonden met de zonde en de dood. Het eeuwige leven is de gave Gods door het geloof in Christus (Rom. 6:23). “Die de Zoon heeft, heeft het leven”(1 Joh. 5:12). Onsterfelijkheid wordt gegeven aan de rechtvaardigen bij de tweede komst van Christus, wanneer de gerechtvaardigde doden zullen opstaan uit het graf en de levende rechtvaardigen veranderd zullen worden om de Here te ontmoeten. Dan zullen de getrouwen “onsterfelijkheid”aandoen (1 Kor. 15:51-55). {2TG10: 24.1}
  2. Dat de mens in zijn dood van niets bewust is. Dat alle mensen, zowel goede als boze, in het graf blijven van af hun dood tot aan de opstanding (Pred. 9:5,6; Psalm 146:3,4; Joh. 5:28,29). {2TG10: 24.2}
  3. Dat er een opstanding zal zijn, zowel van de rechtvaardigen als van de onrechtvaardigen. De opstanding van de rechtvaardigen zal plaatsvinden bij de tweede komst van Christus, de opstanding der onrechtvaardigen zal duizend jaren later plaatsvinden, na het einde van het millennium (Joh. 5:28,29; 1 Tess. 4:13-18; Openb. 20:5-10). {2TG10: 24.3}
  4. Dat de onboetvaardigen (dit zijn zij die geen berouw hebben van hun zonden en ze niet beleden hebben) met inbegrip van Satan, die de aanstichter van de zonde is, door het vuur van de grote dag, geheel vernietigd zullen worden, zodat het zal zijn alsof zij nooit bestaan hadden. Aldus zal Gods heelal gereinigd worden van zonde en zondaren (Rom. 6:23; Mal. 4:1-3; Openb. 20:9,10; Obadja 16). {2TG10: 24.4}
  5. Dat er in de Bijbel geen profetisch tijdvak

24

voorkomt, dat doorloopt tot de tweede Advent, maar dat het langste profetische tijdvak, vermeld in Dan. 8:14, eindigde in 1844, het tijdstip wanneer het heiligdom gerechtvaardigd, of in rechte staat hersteld (of zoals de “King James”vertaling het zegt: “gereinigd”) zal worden. {2TG10: 24.5}

  1. Dat het ware heiligdom, waarvan de tabernakel op de aarde een voorbeeld was, de tempel Gods in de hemel is, waarvan Paulus in Hebr. 8 en volgende hoofdstukken spreekt, en waarvan de Here Jezus, als onze Hogepriester, de Bedienaar is; en dat het priesterlijk werk van onze ere het tegenbeeld is van het werk der Joodse priesters van de vorige bedeling; dat dit hemelse heiligdom gereinigd wordt aan het einde van de 2300 dagen van Dan. 8:14; dat deze reiniging, evenals in het schaduwbeeld, een werk van het oordeel is, beginnende met Jezus’ ingang in de tweede afdeling van het hemels heiligdom, doende daar een werk, dat afgeschaduwd was in de aardse tabernakel op de grote Verzoendag. Dit werk van het oordeel in het hemelse heiligdom begon in 1844. Het einde van dit werk zal ook het einde van de genadetijd der mensen zijn. {2TG10: 25.1}
  2. Dat God, in overeenstemming met de wijze, waarop Hij altijd met het mensdom handelde, door het te waarschuwen voor komende gebeurtenissen, die hun toekomstig lot zouden beslissen (Amos 3:6,7), in deze tijd van het oordeel, de nadering van de tweede komst van Christus aankondigt; verder dat dit werk gesymboliseerd wordt door de drie engelen van Openb. 14, en dat hun drievoudige boodschap een hervormingswerk weergeeft, dat een volk moet voorbereiden om Hem te ontmoeten bij Zijn komst. {2TG10: 25.2}
  3. Dat de tijd van de reiniging van het heiligdom, welke samenvalt met het tijdvak van de

25

verkondiging van de boodschappen van Openbaring 14, een tijd is van het onderzoekend oordeel, in de eerste plaats ten aanzien van de doden, en in de tweede plaats ten aanzien van de levenden. In dit onderzoekend oordeel moet worden uitgemaakt, wie van de myriaden (of menigten) slapenden in de stof der aarde, waardig zijn om del te hebben aan de eerste opstanding en wie van de levende scharen waardig zijn om in een ondeelbaar ogenblik te worden veranderd (1 Pet. 4:17,18; Dan. 7:9,10; Openb. 14:6,7; Luk. 20:35). {2TG10: 25.3}

  1. Dat de volgelingen van Christus een godvruchtig volk moeten zijn, die niet de wereldse stelregels aannemen, niet wandelen op de onrechtvaardige wegen der wereld, zich niet aan haar zondige vermaken overgeven, noch haar dwaasheden vergoelijken. Dat de gelovige zijn lichaam moet stellen tot een tempel van de Heilige Geest, en dat hij derhalve zich ook netjes, zedig en onopvallend moet kleden. Verder dat hij in eten en drinken en in heel zijn gedrag, zijn leven zo zal inrichten, als een volgeling van de ootmoedige en nederige Meester betaamt. Dit zal de gelovige er toe leiden om zich te onthouden van alle bedwelmende dranken, van tabak en andere verdovende middelen en zich los te maken van alle ziel en lichaam verontreinigende gewoonten en praktijken (1 Kor. 3:16,17; 9:25; 10:31; 1 Tim. 2:9,10; 1 Joh. 2:6). {2TG10: 26.1}
  2. Dat het Goddelijk beginsel betreffende tienden en offeranden ter ondersteuning van het Evangeliewerk, een erkenning inhoudt, dat God een eigendomsrecht bezit op ons leven en dat wij rentmeesters zijn, die Hem verantwoording schuldig zijn betreffende alles, wat Hij ons als bezit gegeven heeft (Lev. 27:30; Mal. 3:8-12; Matt. 23:23; 1 Kor. 9:9-14; 2 Kor. 9:6-15). {2TG10: 26.2}
  3. Dat God in Zijn gemeente de gaven van de Heilige Geest geplaatst heeft, zoals ze genoemd worden in 1

26

 Kor. 12 en Efeze 4. Dat deze gaven in hun werking in overeenstemming zijn met de goddelijke beginselen van de Bijbel, en gegeven zijn om de heiligen te vervolmaken, voor het werk der bediening, tot stichting van het lichaam van Christus ( Openb.12:17; 19:10; 1 Kor. 1:5-7). {2TG10: 26.3}

  1. Dat de tweede Komst van Christus de zalige hoop der gemeente is, de grote climax van het Evangelie en het verlossingsplan. Zijn komst zal letterlijk, persoonlijk en zichtbaar zijn. Vele belangrijke gebeurtenissen zullen met Zijn wederkomst samenvallen, zoals de opstanding der doden, de verdelging der goddelozen, de reiniging der aarde, de beloning der rechtvaardigen en de oprichting van Zijn eeuwige Koninkrijk. De bijna algehele vervulling van de verschillende profetische geschiedsbeschrijvingen, in het bijzonder die, welke men aantreft in de boeken Daniël en de Openbaring, en de heersende toestanden op lichamelijke, maatschappelijk, industrieel, politiek en godsdienstig gebied, tonen aan, dat Jezus’ komst “nabij is, voor de deur.” De juiste tijd van die gebeurtenis is niet voorzegd. De gelovigen worden vermaand bereid te zijn, “want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen” ( Luk. 21:25-27; 17:26-30; Joh.14:1-3; Hand. 1:9-11; Openb. 1:7; Hebr. 9:28; Jak. 5:1-8; Jo.l 3:9-16; 2 Tim. 3:1-5; Dan. 7:27; Matt. 24:36,44). {2TG10: 27.1}
  2. Dat Christus’ heerschappij gedurende de duizend jaren het tijdvak beslaat tussen de eerste en de tweede opstanding, gedurende welke tijd de heiligen uit alle eeuwen met hun gezegende Verlosser in de hemel zullen verblijven. Aan het einde van de duizend jaren zal de Heilige Stad met al de heiligen op de aarde nederdalen. De goddelozen, opgewekt in de tweede opstanding, zullen opkomen over de breedte der aarde, met Satan aan het hoofd, om

27

de legerplaats der heiligen te overweldigen, maar dan zal vuur van God uit de hemel nederdalen en hen verslinden. In deze vuurzee, die Satan en zijn heir (zijn volgelingen) vernietigt, zal de aarde herschapen en gereinigd worden van de gevolgen van de vloek. Aldus zal Gods heelal gezuiverd worden van de zonde en van alles, waaraan zonde kleeft (Openb. 20; Zach. 14:1- 4; 2 Pet. 3:7-10). {2TG10: 27.2}

  1. Dat God alle dingen nieuw zal maken. De aarde, zal voor eeuwig de woonplaats van ‘s Heren heiligen zijn. De belofte aan Abraham gegeven, dat door Christus, hij en zijn zaad de aarde door de eindeloze eeuwen heen zouden bezitten zal vervuld worden. “Het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse aarde zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten; Zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen.” Christus, de Here, zal boven allen regeren “en elk schepsel, in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is,”zal lof en eer en heerlijkheid en kracht toekennen aan “Hem, die op de troon zit, en aan het Lam in alle eeuwigheid”( Gen. 13:14-17; Rom. 4:13; Hebr. 11:8-16; Matt. 5:5; Jes. 35; Openb. 21:1-17; 5:13; Dan. 7:27).—Jaarboek van het Kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten, 1940 Editie, blz. 5-8. {2TG10: 28.1}

TER TOEVOEGING tot deze fundamentele geloofsstellingen waaraan het zich overeenkomstig houdt met het Kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten, gelooft het Davidiaanse Genootschap: {2TG10: 28.2}

  1. Dat de profetische gaven van de Z.D.A. Kerk (door de tussenpersoon waardoor de kerk in 1844 tot stand kwam en gedurende 70 jaren gevoed en in stand gehouden wordt) ophield

28

  1. zich te manifesteren in 1915 en niet opnieuw werd gemanifesteerd dan in 1930. Het ophouden en opnieuw manifesteren zijn te vergelijken met het ophouden ervan in het Oude Testament en het opnieuw manifesteren van deze gaven in het Nieuwe Testament. {2TG10: 29.1}
  2. Dat de tegenwoordige manifestatie word vastgesteld overeenkomstig de 430-jarige profetie van Ezechi.l 4, en dat het de “toevoeging” is die verwacht wordt in Eerste Geschriften (E.G.), blz. 332 / Early Writings (E.W.) p. 277. {2TG10: 29.2}
  3. Dat het opnieuw wordt gemanifesteerd in het afsluitingswerk voor de kerk om de verzegeling van de 144.000 dienstknechten van God teweeg te brengen (3 Testimonies p. 266), en om kracht en nadruk te geven ( E.G. blz. 331,332 / EW. p. 277) aan de Derde Engel Boodschap (Openb. 14:6-11) zodat de 144.000 gesterkt mogen zijn om het afsluitingswerk voor de wereld te volbrengen en al hun broeders te verzamelen uit alle natiën (Jes. 66:19, 20; Openb. 18:4). {2TG10: 29.3}
  4. Dat de vernietiging van het onkruid temidden van de eerste vruchten der levenden (Matt. 13:30, 48, 49; Eze. 9:6, 7) resulteert in de reiniging van de kerk. {2TG10: 29.4}
  5. Dat onmiddellijk daarna, de engelen de vier winden zullen loslaten (Openb. 7:1-3), waaruit voortvloeit de tijd der benauwdheid en het opstaan van Michaël Die daarvan zal bevrijden, allen, wier namen geschreven staan in het Boek des Levens van het Lam (Dan. 12:1). {2TG10: 29.5}
  6. Dat het loslaten van de vier winden door de engelen om over de vier hoeken der aarde te waaien (Openb. 7:1), niet een vooruitzicht is op een wereldoorlog, maar eerder een wereldwijd dekreet is, opgelegd door heel Babylon door het beest met het beeld, en dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie

29

“het beeld” aanbidt (Openb. 13:15-17). {2TG10: 29.6}

  1. Dat daarna, de tijd van Jakobs benauwdheid (Jes. 30:7) voor de 144.000 zonen van Jakob, logischerwijs volgt op hun weg naar huis (Gen. 32:1, 24) naar het land hunner vaderen (Eze. 36:28; 37:21, 25). {2TG10: 30.1}
  2. Dat de voorafgaande gebeurtenis zal maken dat de namen van de 144.000 zullen worden veranderd zoals bij hun vader Jakob (Gen. 32:28), en als een lichaam een nieuwe naam zullen ontvangen welke de mond des HEREN zal noemen (Jes. 62:2). {2TG10: 30.2}
  3. Dat deze gebeurtenissen zullen resulteren in het oprichten van het Koninkrijk (Dan. 2:44; Jes. 2:1-4; Micha 4; Eze. 37), waarin de 144.000, zij die het Lam volgen “waar Hij ook heengaat” (Openb. 14:4), met Hem zullen staan op de berg Zion (Openb. 14:1), waar zij de “vermogens der heidenen zullen ontvangen” (Jes. 60:5, 11). {2TG10: 30.3}
  4. Dat met deze reeks van gebeurtenissen de Luide Roep van de engel zal volgen die de aarde verlicht met zijn heerlijkheid (Openb. 18:1), terwijl die andere stem roept: “Kom uit van haar Mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen.” (Openb. 18:4). {2TG10: 30.4}
  5. Dat als reactie op deze oproep, vele nati.n zullen zeggen: “Kom, en laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem.” (Micha 4:2) {2TG10: 30.5}
  6. Dat de Stem zal ophouden met roepen wanneer al de gelovigen zullen zijn vergaderd uit

30

 alle nati.n. Dan zullen “de dagen komen, zegt de HERE God, dat lk een honger zal zenden in het land — geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des HEREN te horen. Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten, zij zullen heen en weer snellen om het woord des HEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.” (Amos 8:11, 12). {2TG10: 30.6}

  1. Dat dan zal volgen de ontbinding van de wereldwijde organisatie van het beeld van het beest (Openb. 19:1-3), de afsluiting van het onderzoekend oordeel der levenden (Openb. 15:5-8), het einde van de genadetijd (Openb. 22:11), en de uitstorting van de laatste plagen over de goddelozen. (Openb. 16). {2TG10: 31.1}
  2. Dat onder de zevende plaag, de legerscharen toegerust voor de slag van Harmagedon zullen strijden tegen, en zullen worden gedecimeerd (gestraft) door, de hemelse legerscharen (6 Testimonies p. 406), en dat Christus zal verschijnen in al Zijn heerlijkheid, de overgebleven goddelozen vernietigend, de rechtvaardige doden opwekkend (1 Tess. 4:15-17), en het millennium (= de periode van 1000 jaren) inleiden (Openb. 20:5). {2TG10: 31.2}
  3. Dat gedurende een korte tijd (Openb. 20:3), honderd jaren (Jes. 65:20), na het millennium, de goddelozen weer zullen leven en dan uiteindelijk zullen worden vernietigd door vuur (Openb. 20:9), waarna alle dingen zullen worden vernieuwd en Gods oorspronkelijk plan op volmaakte wijze in vervulling zal gaan in een onafgebroken eeuwigheid van hemelse vreugde (Openb. 21:4). {2TG10: 31.3}

31

— 000 —

 


2TG1-2-1200x675.jpg

1

GEBEDSVOORLEZING 

Jezus’Voorbeeld van Onderrichten

Wij zullen lezen uit “Lessen Uit het Leven van Alledag,” de vijfde en zesde alinea van bladzijde 11 ( Christ’s Object Lessons, eerste alinea, blz.21): {2TG1: 2.1}

“Daarbij moest Christus waarheden brengen waarvoor de mensen nog niet gereed waren om deze te aanvaarden of zelfs te begrijpen. Ook daarom onderwees Hij hen in gelijkenissen. Door Zijn onderricht te verbinden met het dagelijkse leven of met de natuur trok Hij hun aandacht en sprak Hij tot hun hart. Als zij later zagen naar de voorwerpen die zijn lessen illustreerden, herinnerden zij zich de woorden van de goddelijke Leraar. Voor het verstanmd dat openstond voor de Heilige Geest, kreeg de betekeneis van de leer van de heiland steeds meer inhoud. Verborgenheden werden openbaar en wat moeilijk te vatten was geweest, lag nu voor de hand. Jezus zocht toegang tot ieders hart. Door verschillende illustraties te gebruiken, bracht Hij niet alleen de waarheid in zijn verschillende vormen, maar deed Hij tevens een beroep op de verschillende toehoorders. (…)Niemand die naar de Heiland luisterde, kon het gevoel hebben dat hij veronachtzaamd of vergeten werd. De nederigste en zondigste mensen hoorden in Zijn leer een stem die vol medeleven en tederheid tot hen sprak.” {2TG1: 2.2}

Daar de mensen in Jezus’tijd  waren als de mensen van vandaag, niet begerig zijn om nieuwe Waarheid te leren, gebruikt Hij de natuur om hun aandacht te trekken. De profeten werden geleid om dezelfde methode te gebruiken. Daarom moeten wij bidden voor een branden verlangen om Gods Waarheid van vandaag te weten. We moeten nodig bidden dat wij niet zelfverzekerd worden, en tevreden met onze verworvenheden in het Woord van God; dat wij alle vooroordeel terzijde leggen en gewillig zijn om van zelfs de “nederigste der nederigen” te leren. {2TG1: 2.3} 

2

 2 TIJDIGE GROETEN 1 

HET ANTWOORD VAN DE HEER TOT DE ONDERVRAGERS VAN GOD

  LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 9AUGUSTUS 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp wordt gevonden in Ezechiël twiontig. Dit hoofdstuk bevat, zoals wij zullen ondervinden, een profetische geschiedenis van de Kerk vanaf de tijd van haar dienstbaarheid in Egypte tot de tijd van de verzegeling van de 144.000. {2TG1: 3.1}

Ezech.20:1-8—“En het hgeschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van die maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om de Here te vragen; en zij zaten neer voor mijn aangezicht. Toen kwam het woord des Heren tot mij, zeggende: Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Alzo zegt de Here HERE: Zijt gij gekomen om Mij te vragen? Zo waar Ik leef, zal Ik niet van U gevraagd worden, zegt de Here HERE. Wilt gij hen oordelen, mensenkind, wilt gij hen oordelen? Maak hen de gruwelen van hun vaderen bekend; En zeg tot hen: Alzo zegt de Here HERE: ten dage dat Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs en maakte Mijzelf hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de Here, uw God. Op die dag hief Ik mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen. En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de gruwelen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte:

3

Ik ben de Here, uw God.  Maar zij waren weerspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemamd wierp de gruwelen van zijn ogen weg, noch verliet de afgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.”

In de geschriften vanMozes vinden wij geen verslag betreffende de betrouwbaarheid van de kinderen Israëls in het land Egypte. Mozes vertelt niet, of zij goed of slecht waren. Maar hier worden wij door Ezechiël verteld wat zij waren. Zoals u bemerkt, waren zij niet allemaal God-vrezende mensen. Dit schriftgedeelte maakt duidelijk dat zelfs toen God hen opriep om te vertrekken uit het land Egypte, de meerderheid onbetrouwbaar was in hun toewijding tot God. {2TG1: 4.1}

 Verzen 9,10—“Maar Ik deed het om Mijns naams wil, opdat Het niet ontheiligd zou worden voor de ogen der heidenen, in wier midden zij waren; aan wie Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren. En ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.”

Wij hebben nu het verslag gelezen van de Hebreeuwse schare, –van hun geestelijke toestand in het land Egypte, en van Gods reden warom Hij hen uit Egypte uitvoerde. Vervolgens zullen wij het verslag lezen die zij hebben opgebracht in de woestijn. {2TG1: 4.2}

 Verzen11-13—“Ik gaf hun Mijn inzettingen, maakte hun Mijn rechten bekend, welke, zo een mens ze doet, zal hij daardoor leven. Daartoe ook gaf ik hun Mijn sabbaten, om  een teken te zijn tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Here ben, Die hen heilig. Maar het huis Israëls werd weerspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn 

4 

rechten; welke, zo een mens ze doet, zal hij daardoor leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten ten zeerste; Toen zeide Ik: Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdelgen.”

Hier zien wij dat de daden van de afstammelingen van Jakob nog minder aanbeveelbaar waren in de woestijn dan zij waren in Egypte. {2TG1: 5.1}

 Verzen14-28–“Maar ik deed het om Mijns naams wil, opdat die niet ontheiligd zou worden voor de ogen van die heidenen, voor wier ogen Ik hen uitvoerde. Evenwel hief Ik Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen; Omdat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn inzettingen niet wandelden, en Mijn sabatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun afgoden na. Dach Mijn oog spaarde hen, dat ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn. Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen van uw vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun afgoden. Ik ben de Here, uw god, wandelt in Mijn inzetingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet ze. En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat ik, de Here, uw God ben. Aar die kinderen waen ook weerspannig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; welke, zo een mens ze doet, zal hij daardoor leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten. Toen zeide ik: Ik zal Mijn grimmigheid over hen uitgieten, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn. Doch Ik keerde Mijn hand af, en deed het om Mijns naams wil, opdat die voor de ogen der heidenen niet ontheiligd zou worden, voor wier ogen Ik hen uitgevoerd had. Ik hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de

5

heidenen, en hen verstrooien in de landen; Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzetingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de afgoden van hun vaderen waren. Daarom gaf Ik hun ook inzettingen, die niet goed waren, en rachten, waarbij ze niet leven zouden. En Ik verontreinigde hen in hun giften, omdfat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik de Here ben. Daarom, mensenkind, spreek tot het huis Israëls, en zeg tot hen: Alzo zegt de Here HERE: Hierme nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben.  Toen Ik hen in het land gebracht had, waarover Ik Mijn hand opgeheven had, om het hun te geven, zo zagen zij naar elke hoge heuvel, en elk dicht geboomte, en offerden daar hun offers, en gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijke reuk, en daar offerden zij hun drankoffers.”

Zij waren onbetrouwbaar in Egypte, in de woestijn, en in het beloofde land. Nu zullen wij de resultaten lezen. {2TG1: 6.1}

 Verzen29-36—“Toen zeide Ik tot hen: Wat is die hoogte, waarheen gij gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op deze dag toe. Daarom zeg Ik tot het huis Israëls: Alzo zegt de Here HERE: Zijt gij verontreinigd geworden in de weg van uw vaderen, en hoereert gij achter hun gruwelen? Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen dor het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw afgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israëls? Zo waar als Ik leef, spreekt de Here HERE, Ik zal niet van u gevraagd worden! Daarom, wat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: 

6 

Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen. Zo waar Ik leef, spreekt de Here HERE, met een sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u heersen. Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand, met uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid. Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht.  Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, spreekt de Here HERE.”

 Aan de ene kant zien wij de reden voor het verhogen van de Hebreeuwse schare van Farao’s slaven tot Gods priesters, profeten, en koningen. Aan de andere kant zien wij hun verstrooiing over alle natiën. Vervolgens aanschouwen wij Gods beloften van hun vergadering uit de landen waartoe zij zijn verstrooid. Dit belooft Hij te doen met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm. {2TG1: 7.1}

 Vers 37—“En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band des verbonds.”

 Deze vers is wat gecompliceerd en moet verduidelijkt worden met behulp van een ander schriftgedeelte. Laat ons gaan naar Leviticus. {2TG1: 7.2}

“Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal de Here heilig zijn.” Lev.27:32. {2TG1: 7.3}

Om het deel van de Heer vast te stellen, de tiende, werden de lammeren, geiten of schapen van de Heer, veroorzaakt om door de roede door te gaan. Elke tiende deel werd dan genomen en apart gezet voor de Heer. De verklaring in Ezechiël twintig, vers zevenendertig, “onder de roede doen

7

doorgaan,” betekent daarom het scheiden van Zijn uitverkorenen onder de menigte, uit het “onkruid,” (Matt.13:30) of uit de “slechte vissen” (Matt.13: 47,48). En daar zij aldus worden gescheiden, worden zij geteld. Zodoende is het dat de 144.000 (Openb.7:3-8;14:1) een apart en geteld gezelschap zijn. {2TG1: 7.4}

Nu zien wij dat Ezechiël twintig een profetische geschiedenis bevat vanaf de tijd van hun vertoeving in Egypte tot de tijd van de verzegeling van de 144.000, en van de verzameling van de mensen. {2TG1: 8.1}

Wanneer God aldus veroorzaakt dat Zijn volk onder de roede doorgaat, dan zal Hij hen brengen onder de band van het “verbond , dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izaak; Die Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot en inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond; Zeggende: Ik zal u het land Kanaän geven, een snoer van uw erfdeel.” 1 Kron.16:16-18. {2TG1: 8.2}

De beloften die zij faalden te verwezenlijken, verzekert de Heer weer dat Hij nu dat Zijn volk dezen zal hebben. {2TG1: 8.3}

 Vers 38—“daartoe zal Ik, die rebelleren, en die tegen Mij overtreden, uit u uitzuiveren; Ik zal hen uit het land van hun vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het land Israëls niet weerkomen, en gij zult weten, dat Ik de Here ben.”

 Hier wordt ons duidelijk verteld dat Hij alleen de uitverkorenen zal brengen “onder de band des verbonds.” Alleen hen zal Hij in het land Israëls brengen. De zondaars (onkruid, slechte vissen of bokken) die zich nu onder Gods volk bevinden zullen eruit gehaald worden en er niet meer zijn. {2TG1: 8.4}

“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en

8

dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; Dat, wanneer het vol geworden is, de vissers aan de oever optrekken, en neerzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg. Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden; En zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.”  Matt. 13:47-50. Zoals u bemerkt, brengt de scheiding, het Oordeel der Levenden, de voleinding der wereld tot stand. {2TG1: 8.5} 

Vers 39—“En gij, o huis Israëls, alzo zegt dfe Here HERE: Gaat heen, dient een ieder zijn afgoden, ook hierna, als gij naar Mij niet hoort; doch ontheiligt gij niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw afgoden.”

God heeft nu Zijn “schoon werk” duidelijk gemaakt, wat Hij zal doen, zowel voor de boetvaardigen als de onboetvaardigen. Het ligt nu aan hen om te beslissen of zij Hem of hun afgoden zullen dienen—zij maken hun beslissing nu niet meer onwetend. Als zij wensen te vergaan, dan mogen zij doorgaan met hun afgoden te dienen. {2TG1: 9.1}

 Verzen 40,41—“Want op Mijn heilige berg, om de hoge berg Israëls, spreekt de Here HERE, daar zal Mij het ganse huis Israëls in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefoffers eisen, en de eerstelingen van uw heffingen met al uw geheiligde dingen. Ik zal een welgevallen aan u nemen om de liefelijke reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit alle landen, in welke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der heidenen.”

Zoals u ziet, zullen al deze dingen plaatsvinden voor de ogen van de heidenen. {2TG1: 9.2} 

9 

Verzen 42-44—“En gij zult weten, dat ik de Here ben, als Ik u in het land Israëls gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om het uw vaderen te geven. Daar zult gij zult dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmee gij u verontreinigd hebt, en gij van uzelf een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt. Zo zult gij weten, dat Ik de Hereben, als Ik met u gedaan zal hebben, om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen noch naar uw verdorven handelingen, o huis Israëls, spreekt de Here HERE.”

God doet deze dingen voor Zijn volk, niet omdat zij het verdienen, maar om Zijns Naams wil, omdat Zijn belofte niet kan falen. Zoals u ziet, begint het Koninkrijk van God niet in de hemel, maar op aarde. En het zoals u nu ziet, zal het Koninkrijk niet opgemaakt worden uit geesten, maar uit levende mensen, uit heiligen, zonder één zondaar in hun midden. {2TG1: 10.1}

Jawel, de Eden, die verloren was gegaan, zal hersteld worden. In feite verklaart het Woord duidelijk dat Elias eerst moet komen en alle dingen herstellen (Markus 9:12). Zoals Eden een echte thuis was in het begin, bewoond door echte mensen, zo zal het weer zijn.

{2TG1: 10.2}

De overgebleven verzen van Ezechiël twintig beginnen met een andere gelijkenis. Maar aangezien de tijd het niet toelaat om erop in te gaan, zullen wij onze studie ter afsluiting brengen. Laat het echter eerst opgemerkt worden, dat de overgebleven verzen van dit hoofdstuk, en ook hoofdstuk 21, met dit licht voor de hand, zelf-uitleggend zijn geworden, en u kunt ze in uw eigen tijd bestuderen. Vers 27 van hoofdstuk 21, zal ik nu echter nog behandelen. {2TG1: 10.3}

Ezech. 21:27—“Ik zal het omkeren, omkeren, omkeren; en het zal niet meer zijn, totdat Hij komt, Die daartoe recht 

10

 heeft, en Hem zal Ik het geven.”

In deze hoofdstukken worden beide het huis Israëls en het huis van Juda in zicht gebracht. In deze vers verklaart God duidelijk dat Hij drie omkeringen tot stand zou brengen, en dat het Koninkrijk daarna niet meer zou zijn, totdat “Hij komt, Die daartoe recht heeft”; dat is, na de drie omkeringen, zal Hij “Die daartoe recht heeft” komen, en het Koninkrijk zal hersteld worden. {2TG1: 11.1}

De eerste onkering vond plaats toen Assyrië het huis Israëls omkeerde, het tien-stammen koninkrijk; de tweede omkering vond plaats toen de koning van Babylon het huis van Juda omkeerde, het twee-stammen koninkrijk; en de derde onkering vond plaats toen Titus in het jaar 70 N.C. Jeruzalem verwoestte. Aldus wordt gezien dat wij nu leven in de periode na de derde omkering, de periode waarin “Hij Die daartoe recht heeft,” zal komen en Zijn Koninkrijk oprichten. {2TG1: 11.2}

Juist het feit dat Inspiratie deze profetieën nu heeft ontvouwd, en ze onder de aandacht van de kerk heeft gebracht, leidt ons ertoe om met zekerheid te weten dat de tijd voor het herstel van het Koninkrijk op handen is; dat wij nu in de verzegelingstijd zijn van de 144.000; en dat wij, als wij getrouw zijn, ons onder hen zullen bevinden, en op de berg Sion zullen staan met het Lam. {2TG1: 11.3}

Dit, broeder, zuster, is het Eigen antwoord van de Heer tot u. {2TG1: 11.4}

Uw taak is nu om het te aanvaarden, als u het eeuwig leven wenst te bezitten. Laat de vijand der Waarheid geen twijfel in uw verstand brengen, en laat niemand u deze Waarheid uit het hoofd praten, want de Duivel zal niet ijdel blijven staan. Hij zal alles doen om u omver te werpen. Controleer het steeds weer, en ziet dat de Bijbel deze Waarheid leert, zodat u

11

 zichzelf staande kunt houden. U kunt het zich niet veroorloven om verlies te lijden op zulk een late tijd van de dag. {2TG1: 11.5}

———-0———-

Deze Wekelijkse boekjes, die u niets kosten, zijn van prijsloze waarde voor u. Leest en bewaart u ze in uw boekenverzameling, want de tijd zal zeker komen dat u dankbaar zult zijn dat u uw exemplaar heeft bewaard. Als u enigen wenst te geven aan uw Adventistische vrienden en verwanten, kunt u extra kopieën bestellen of hun namen en adressen opsturen voor onze verzendlijst.

12

VOORLEZING

Waarom Jezus in Gelijkenissen Leerde

Ik zal lezen uit “Christ Object Lessons,” blz.22, de eerste alinea ( Lessen Uit het Leven vanAlledag, blz.12, eerste alinea) {2TG2: 13.1}

“En Hij had nog een reden om te leren door gelijkenissen. Onder de velen die Hem om Hem vergaderd waren, bevonden zich priesters en rabbi’s, schriftgeleerden en oudsten,Herodianen en oversten, wereldgezinde, dweepzieke, eerzuchtige mensen, die hun uiterste best deden een beschuldiging tegen Hem te vinden. Hun spionnen volgden dagelijks Zijn stappen om van Zijn lippen iets te horen waardoor zij Hem konden veroordelen om zodoende Hem, die heel de wereld achter Zich scheen te trekken, voor altijd tot zwijgen te brengen. De Heiland kende het karakter van deze mensen en bracht de waarheid op zulk een manier, dat zij niets konden vinden om Zijn optreden voor te leggen aan het Sanhedrin. Door gelijkenissen bestrafte Hij de schijnheiligheid en boze werken van hen, die vooraanstaande posities bekleedden. In beeldspraak kleedde Hij de waarheid, die van zo een doorsnijdende aard  was dat wanneer deze rechtsstreeks was gesproken, zij niet naar Zijn woorden zouden hebben geluisterd, maar al heel spoedig een eind aan Zijn werk zouden hebben gemaakt. Terwijl Hij echter de spionnen ontliep, maakte Hij de waarheid zo duidelijk dat dwaling aan het licht werd gebracht en de oprechten van hart, baat vonden bij Zijn lessen.” {2TG2: 13.2}

Laat ons knielen en bidden dat wij onszelf kunnen behoeden tegen het ondoordringbaar {of onontvankelijk}worden voor de Waarheid, zoals de Farizeeërs waren, dat wij oprecht van hart mogen zijn en baat vinden bij de Waarheid die tot ons komt. {2TG2: 13.3}

13

—-0—-

2 TIJDIGE GROETEN 2 

ĖĖN HERDER ZAL DATGENE VOLBRENGEN WAT EEN MENIGTE VAN HEN FAALDE TE VOLBRENGEN

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 16 AUGUSTUS, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Laat ons gaan naar Ezechiël 34, het hoofdstuk dat wij vandaag zullen bestuderen. {2TG2: 14.1} 

Ezech.34;1,2—“En het woord des Heren kwam tot mij, zeggende: Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders; Alzo zegt de Here God: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Zouden de herders niet de kudden moeten weiden?”

Zoals wij lezen, werd Ezechiël een visioen gegeven van zelfzuchtige, hebzuchtige, en onwaardige herders.  Wat nu ten eerste van belang is, is om vast te stellen of deze zelfzuchtige herders in Ezechiël’s dagen leefden, vóór zijn tijd, of na zijn tijd. Om deze informatie te verkrijgen, laat ons lezen— {2TG2: 14.2}

 Verzen 23,24—“En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik, de Here, zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst te midden van hen; Ik, de Here, heb het gesproken.”

 De zelfzuchtige herders, waartegen de profeet werd verteld te schrijven, zullen vervangen worden door één herder, David. Wanneer dit plaats vindt, dan zal Gods volk

14

maar één herder hebben. Dit kan natuurlijk niet Christus Zelf zijn, want Inspiratie noemt Hem nooit David, maar Het noemt Hem eerder de Zoon van David. Aangezien Gods volk altijd vele herders heeft gehad, en nog steeds heeft, komt de waarheid kristalhelder naar voren, dat de David van de verzen 23 en 24 nog moet komen, en dat de herders die Inspiratie aanspreekt in het bijzonder degenen zijn die David zal opvolgen. {2TG2: 14.3}

Ezechiël werd dan niet een visioen gegeven van de herders in zijn tijd, noch van die vóór zijn tijd, maar van de herders ná zijn tijd—de tijd waarin God deze antitypische David zal verwekken om Zijn hongerige en verwaarloosde kudde te weiden.  Gods volk zal dan niet langer vreemdelingen dienen,  “maar zij zullen de Here, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hen verwekken zal.” Jer.30:9. Hier zien wij dat niet alleen Ezechiël, maar ook Jeremia een visioen werd gegeven van deze waarheid. Ja, al de profeten. {2TG2: 15.1}

Ezech.37:24,25—“En Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen één herder hebben: en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; en zij zullen daarin wonen, zij, en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hun vorst zijn tot in eeuwigheid.”

Aangezien dit de toevoeging aan de “Derde Engel Boodschap” is (“Early Writings,” blz.277{“Eerste Geschriften”, blz. 331,332}), en aangezien het de boodschap van het uur is, dan volgt daaruit dat de dag van het Davidiaanse Koninkrijk nabij is. Laat ons gaan naar— {2TG2: 15.2}

Hos.3:4,5—Want de kinderen Israëls zullen vele

15

dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim: daarna zullen de kinderen Israëls terugkeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning; en zullen de Here vrezen, en Zijn goedheid, in de laatste dagen.”

De vele dagen zijn nu bijna ten einde en de tijd voor de vervulling van Gods beloften staat gewis aan de drempel van onze tijd. {2TG2: 16.1}

 Ezech. 34:3—“Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de kudde weidt gij niet.”

De herders in de tijd waarin het Koninkrijk opgericht zal worden, worden beschuldigd van het nemen van alles wat zij mogelijk kunnen nemen van de schapen, en het geen zorg dragen voor de schapen. Deze praktijk moet niet ons eigen worden. {2TG2: 16.2}

 Verzen 4,5—“De zwakke hebt gij niet gesterkt, en het kranke hebt gij niet genezen, en het gebrokene hebt gij niet verbonden, en het weggedrevene hebt gij niet teruggebracht, en het verlorene hebt gij niet gezocht; maar gij hebt met geweld en wreedheid over hen geheerst. En zij waren verstrooid, omdat er geen herder is; en zij werden tot voedsel voor al het gedierte des velds, toen zij verstrooid waren.”

De zorgeloze houding aan de kant van de herders veroorzaakt dat de leken rondzwerven van de ene isme tot de ander, op zoek zijnde naar geestelijk voedsel en lichamelijke zorg. Ja, zij zwerven als het ware van de ene hoogte naar de andere, velen van hen zijn figuurlijk voedsel geworden voor gedierten ( isme’s), omdat er geen herder is om voor de schapen te zorgen, maar er zijn scheerders om de wol van hun rug

16

af te scheren, en het vet van onder hun ribben af te nemen. Schandelijk, inderdaad! En wie waagt het te weigeren om te verkondigen wat God zegt? {2TG2: 16.3}

 Verzen 6-10—“Mijn schapen doolden op alle bergen en op alle hoge heuvel, ja, Mijn kudde was verstrooid op de ganse aardbodem; en er was niemand, die ernaar vroeg, of ernaar zocht. Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren! Zowaar Ik leef, spreekt de Here God, omdat Mijn kudde een prooi geworden zijn, omdat Mijn kudde tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder was, noch hebben Mijn herders naar Mijn kudde gezocht; maar de herders weidden zichzelf , en de kudde hebben zij niet geweid; daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Here God: Zie, Ik ben tegen de herders; en Ik zal Mijn kudde van hun hand eisen, en zal ze van het weiden van de kudde doen ophouden; ook zullen de herders niet langer zichzelf weiden; want Ik zal Mijn kudde uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.”

 Laten wij onszelf niet langer voor de gek houden. God laat niet met Zich spotten. Hij zal Zijn schapen niet voor altijd verlaten, noch zal Hij voor altijd onbetrouwbare herders behouden om Zijn schapen te hoeden. Hij zal hen spoedig ontslaan, en eisen dat zij rekenschap geven voor hun ontrouw. Zodoende is het dat wat een menigte van herders heeft gefaald te doen, één herder, namelijk David, in Gods handen, zal klaarspelen. {2TG2: 17.1}

 Vers13—“En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en ze brengen in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.”

In de dagen van deze antitypische David vergadert God Zijn

17

kudde uit alle landen waartoe zij verstrooid zijn, en brengt ze naar hun eigen land. God zal hen niet langer laten in de bergen en de heuvels van de Heidenen. “Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël samenvergaderd worden, en één hoofd over zich stellen, en zij zullen uit het land optrekken; want groot zal de dag van Jizreël zijn. Daarna zullen de kinderen Israëls terugkeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning; en zullen de Here vrezen, en Zijn goedheid, in de laatste dagen.” Hos.1:11; 3:5. {2TG2: 17.2}

 Verzen 11-16—“Want zo zegt de Here God: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, ten dage der wolk en der donkerheid. En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en ze brengen in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands. Op een goede plaats zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij neerliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls. Ik zal Mijn kudde weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Here HERE. Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik terugbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.”

“(…) God heeft beloofd dat daar waar de herders niet trouw zijn, Hij Zelf zich over de kudde  zal ontfermen. God heeft de kudde nooit volledig afhankelijk gemaakt van menselijke instrumenten. Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal

18

een volk hebben dat zuiver en waarachtig is. In de machtige zifting die spoedig zal plaatsvinden zulen wij beter in staat zijn de sterkte van Israël te meten. De voortekenen openbaren dat de tijd nabij is wanneer de Heer zal tonen dat Zijn wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.”—“Testimonies,” Vol./“Getuigenisen,”Deel 5, blz.80. {2TG2: 18.1}

 Vers 17—“Wat u aangaat, o Mijn kudde, alzo zegt de Here God: Ziet, Ik zal richten tussen vee en vee, tussen de rammen en de bokken.”

Inspiratie keert zich nu van de herders en spreekt tot de schapen, tot de leken, en waarschuwt dat er twee soorten vee zijn (twee klassen leken), rammen en bokken. Dit is daarom een waarschuwing tot hen, en wij moeten niet verzuimen het te verkondigen, en zij moeten niet verzuimen het te horen en te handelen. Juist om deze reden zijn  de Tijdige Groeten gepubliseerd en als de herfstbladeren verspreid. {2TG2: 19.1}

 Vers 18—“Schijnt het u een klein ding te zijn, dat gij de goede weide hebt opgegeten, maar het overige van uw weiden met uw voeten moet vertreden? En dat gij van de bezonken wateren hebt gedonken, maar het overgelatene met uw voeten moet vertroebelen?”

Een deel van het vee wordt ervan beschuldigd  selectief te zijn, van het eten en drinken van alleen datgene wat hun bevalt, en van het vertreden van het overige.  Zij accepteren welke Waarheid dan ook dat voor hen aanvaardbaar is, maar verwerpen de rest. Hier zullen wij een voorbeeld citeren: {2TG2: 19.2}

“Mijn arbeid is het meest ontmoedigend geweest, aangezien ik heb gezien dat hetgeen God heeft bedoeld, niet is volbracht. (…) Deze broeders stonden op dit standpunt: Wij geloven in de visioenen, maar Zuster White plaatste, bij het opschrijven van ze, haar eigen woorden, en wij zullen dat deel geloven waarvan wij denken dat

19

het van God is, en zullen geen aandacht schenken aan het andere {deel}.”—“Getuigenissen,” Deel/ “Testimonies”, Vol.1, blz.234. {2TG2: 19.3}

De berisping: O, gij “tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben,” die op de twee discipelen rustte,  is een uitdaging voor een ieder van ons.  Niemand van ons is zo groot als de Heer, en toch geloofde Hij alles wat de profeten schreven. Een volledig geloof  in de profeten is wat Gods volk groot maakt. Hier wordt gezien, dat “een ieder, die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden,” en “een ieder, die  zichzelf verhoogt, zal vernederd worden.” Lukas 14:11. {2TG2: 20.1}

Wel, wat mij aangaat, betwijfel ik niets wat God door Zijn profeten heeft gesproken. Ik weet dat Hij niet liegt;dat Hij wel in staat is om de geschriften van zijn profeten te dirigeren {leiden}; dat Hij geen ijdele beloften maakt; dat Hij bij machte is alles te volbrengen wat Hij zegt; dat Zijn profetieën nooit falen. Ik neem de beloften van berisping net zo bereidwillig aan als de beloften van aanbeveling. Ik bestudeer mijn taken zoals zij door Hem zijn beschreven met net zo een groot plezier als ik de beloften van heerlijkheid bestudeer. {2TG2: 20.2}

 Vers 19–“En wat Mijn kudde aangaat, zij eten hetgeen gij met uw voeten hebt vertreden; en zij drinken hetgeen gij met uw voeten hebt vertroebeld.”

Gods ware volk, de ware groten, aanvaarden hetgeen de zogenaamde wijzen met hun voeten vertreden. {2TG2: 20.3}

 Verzen 20,21—“Daarom zegt de Here God alzo tot hen: Ziet, Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette vee, en tussen het magere vee. Omdat gij al de zwakken met de zijde en met de schouder hebt verdrongen, en al het kranke met uw hoornen hebt gestoten, totdat gij ze naar buiten toe verstrooid hebt.”

Er is een klasse kerkleden die met

20

de zijde en met de schouder degenen verdringen die hen niet aanstaan, meestal degen die niet van dezelfde hoogmoedige aard als zijzelf zijn. Dezen zullen hun bestraffing krijgen. En degenen die aldus mishandeld worden, moeten zich nooit gekrenkt voelen, nooit mismoedigd worden, want van hun is het Koninkrijk, zolang zij anderen niet  “verdringen”en “stoten”. De twijfelaars en “verstrooiers” zullen hun beloning krijgen. {2TG2: 20.4}

Verzen 22-25—“Daarom zal Ik Mijn kudde verlossen, en zij zullen niet meer een prooi zijn; en Ik zal richten tussen vee en vee. En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik, de Here, zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst te midden van hen; Ik, de Here, heb het gesproken. En Ik zal en verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen veilig wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.”

De huidige stand van zaken onder zowel de leiders als de leken zal spoedig op moeten houden. Niet langer zullen de overtreders zich vermengen met de getrouwen. Niet langer zullen de huichelaars en de oprechten samen wandelen. Niet langer zal Gods volk gedwongen zijn om naar allerlei wind van leer te luisteren. Niet langer zullen zij verwaarloosd worden, of achtergelaten worden om te lijden en te vrezen. {2TG2: 21.1}

Aangezien wij nu met Inspiratie geconfronteerd zijn, en het verschil tussen het goede en het verkeerde worden verteld, worden wij zonder een mantel, om ons daaronder te verschuilen, achtergelaten. Nu kunnen wij verstandelijk kiezen om hetzij God of  het eigen-ik en de mens te dienen, hetzij op God te vertrouwen, Zijn Woord voor onzelf te bestuderen, of op mensen te vertrouwen, om anderen Het voor ons te laten bestuderen en ons te vertellen wat Waarheid is en wat dwaling is. Wij kunnen nu beslissen om vooroordeel ons te laten beheersen,

21

of onze harten open te stellen zodat Waarheid daarin verblijf kan vinden. Wij kunnen nu als donkere voorwerpen in de hoek zijn, of als heldere lichten aan de top van de bergen. “En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die er velen tot gerechtigheid brengen als de sterren, voor eeuwig en altoos.” Dan.12:3. {2TG2: 21.2}
Vers 26—“En Ik zal ze, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, tot een zegen stellen; en Ik zal de regen doen nederdalen op zijn tijd; regens van zegen zullen er zijn.”

Wij zingen vaak het lied: “Er Komen Stromen Van Zegen,” maar nu ligt het aan ons—wij kunnen ze verkrijgen of we kunnen voor ze vluchten. Degenen die alles aannemen wat God geeft, alles wat de profeten hebben geschreven, op hen zullen de regens vallen. “Alleen zij die de verzoeking hebben weerstaan in de kracht van de Machtige, zullen worden toegelaten om deel te nemen aan het verkondigen ervan [Derde Engel Boodschap], wanneer het zal zijn gezwollen tot een Luide Roep.”—“The Review and Herald,” 19 nov., 1908. {2TG2: 22.1}

Verse 27—“En het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomst geven, en zij zullen veilig zijn in hun land, en zullen weten dat  Ik de Here ben, wanneer Ik de banden van hun juk heb verbroken, en hen heb verlost uit de hand van hen, die zichzelf dienden door hen.”

Er zullen stromen {regens} van zegen zijn, en er zal ook een grote oogst zijn. Dat zal zo zijn, wanneer de banden van onze juk zijn verbroken, wanneer wij zijn verlost uit de handen van degenen die zichzelf dienen in plaats van de kudde. {2TG2: 22.2}

Verzen 28,29—“En zij zullen niet meer een prooi zijn

22

voor de heidenen, en het gedierte der aarde zal hen niet meer verslinden; maar zij zullen veilig wonen, en niemand zal hen bevreesd maken. En Ik zal voor hen een plant van naam verwekken, en zij zullen niet meer door honger verteerd zijn in het land, en de schande der heidenen niet meer dragen.”

God zal niet alleen Zijn volk verlossen uit de handen van ontrouwe en wrede broeders, maar Hij zal hen ook beschermen tegen het ten prooi zijn voor de heidenen, en voor isme’s. {2TG2: 23.1}

“Verzen 30, 31—“Alzo zullen zij weten, dat Ik de Here, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, Mijn volk zijn, zegt de Here God. En gij, Mijn kudde, de kudde van Mijn weide, zijt mensen, en Ik ben uw God, zegt de Here God.”

God laat Zijn kudde niet in de steek. Op terdere wijze noemt Hij ze “Mijn kudde,” en verzekert hen wederom dat Hij hun God is. Hij zal zonder te falen één herder stellen om te volbrengen wat een menigte van herders heeft gefaald te doen. Nu heeft u de gelegenheid om u te goed te doen aan “voedsel op zijn tijd,” in de hand van Gods gekozen herder, of om te verhongeren aan de schillen in de hand van een menigte van herders. {2TG2: 23.2}

23

———0———


2TG3-4-1200x675.jpg

VOORLEZING

De Bijbel—Onbetwistbaar Gezag

Ik zal lezen uit “Christ’s Object Lessons,” beginnend bij bladzijde 38 met de laatste alinea {“Lessen uit het Leven van Alledag, blz.18, laatste alinea}. {2TG3: 2.1}

“De leraars in Israël zaaiden niet het zaad van Gods Woord.Christus’werk als leraar der waarheid duidelijk tegengesteld aan het werk van de rabbi’s in Zijn tijd. Zij stonden stil bij overleveringen, bij menselijke theorieën en speculaties. Dikwijls plaatsten zij wat mensen hadden onderwezen en geschreven over het Woord, in de plaats van het Woord zelf.(…) Het onderwerp van Christus’leer en prediking was Gods Woord. Hij antwoordde zijn ondervragers met een duidelijk: ‘Er staat geschreven.’ ‘Wat zegt de Schrift?’ ‘Hoe leest gij?’(…) Christus’dienstknechten moeten hetzelfde werk doen. In onze tijd worden, net als vroeger, de belangrijke waarheden van Gods Woord opzij geschoven voor menselijke theorieën en ideeën. Veel bekende predikanten van het evangelie aanvaarden niet alles in de Bijbel als het geïnspireerde Woord. De ene geleerde verwerpt één deel; de ander trekt een ander deel in twijfel.  Zij plaatsen hun oordeel boven het Woord, en de schriften die zij onderwijzen berusten op hun eigen gezag. Haar {het Woord}goddelijke betrouwbaarheid wordt teniet gedaan.(…) Hij wees naar de Schrift als het onbetwistbaar gezag, en wij moeten hetzelfde doen. De Bijbel moet worden voorgehouden als het Woord van de oneindige God, als het eind van alle strijd en als de grondslag van alle geloof.” {2TG3: 2.2}

Wij moeten vanmiddag bidden voor hulp om nooit Gods Woord terzijde te leggen voor menselijke theorieën en speculaties, maar om altijd de duidelijke waarheden van de Bijbel te onderwijzen overeenkomstig met de Geest, het enige onbetwistbare gezag—het eind van van alle strijd, de grondslag van alle geloof. Laat ons knielen. {2TG3: 2.3}

2

——-0——-

2 TIJDIGE GROETEN 3 

HET HERSTEL VAN HET LAND EN DE HART-OPERATIE VAN DE CHRISTEN 

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF,

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAGS AVDENTISTEN

SABBAT,23 AUGUSTUS,1947

MT.KARMEL KAPEL

WACO,TEXAS

Ons onderwerp voor deze middag is het herstel van het land en de hart-operatie van de Christen. Dit onderwerp vinden wij in het zes-en-dertigste hoofdstuk van Ezechiël. {2TG3: 3.1}

 Ezech.36:1-10—“Gij, mensenzoon, profeteer ook tot de bergen Israëls, en zeg: Gij bergen Israëls, hoort het Woord des Heren. Alzo zegt de Here God: Omdat de vijand tegen u had gezegd:  Aha, zelfs de vroegere hoge plaatsen [de plaatsen voor aanbidding in het Beloofde Land] zijn in onze bezitting! Daarom profeteer en zeg: Zo zegt de Here God: Omdat zij u woest hebben gelaten, en u aan alle kanten hebben opgeslokt, opdat gij een bezitting zoudt zijn voor het overblijfsel der heidenen, en gij opgenomen bent in de lippen der praters, en een beruchtheid bent bij het volk; Daarom, gij bergen Israëls, hoort het Woord van de Here God; Zo zegt de Here God tot de bergen, en tot de heuvels, tot de rivieren en tot de dalen, tot de verwoeste plaatsen, en tot de steden die verlaten zijn [door Zijn volk], die tot een prooi en een bespotting zijn geworden voor het overblijfsel der heidenen die rondom zijn; Daarom, zo zegt de Here God: Voorzeker heb Ik in het vuur van Mijn jaloersheid gesproken tegen het overblijfsel der heidenen, en tegen geheel Edom [nu geheten Arabieren], die Mijn land in hun bezitting hebben aangesteld met de blijdschap van hun ganse

3

hart, met verachtelijke gedachten, om het tot een buit uit te werpen. Profeteer daarom betreffende het land Israëls, en zeg tot de bergen, en tot de heuvels, tot de rivieren en de dalen: Zo zegt de Here God: Ziet, Ik heb in Mijn jaloersheid en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij de schande der heidenen hebt gedragen; Daarom, zo zegt de Here God: Ik heb Mijn hand opgeheven; Voorzeker zullen de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande dragen. Maar gij, o bergen Israëls, gij zult uw takken doen uitschieten, en uw vrucht dragen voor Mijn volk Israël, want zij zijn naderbij te komen. Want zie, Ik ben voor u, en Ik zal tot u keren, en gij zult gebouwd en gezaaid worden. En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, zelfs het geheel ervan; en de verwoeste plaatsen zullen bebouwd worden.”

 Deze verzen, die nu worden gezien in het kader van de boodschap van het uur, tonen aan dat de tijd van de heidenen ten einde is, dat Gods uitverkorenen terug zullen keren naar hun land en het voor eeuwig zullen bezitten! {2TG3: 4.1}

 Verzen 11-14—“En Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen toenemen en vrucht voortbrengen; en Ik zal u vaststellen volgens uw vroegere nalatenschap, en zal het u beter maken dan in uw begin; en gij zult weten, dat Ik de Here ben. Ja, Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël; en zij zullen u bezitten, en gij zult hun erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer van mensen beroven. Zo zegt de Here God: Omdat zij tot u zeggen: Uw land verslindt mensen, en heeft uw natiën beroofd; daarom zult gij niet meer mensen verslinden, en uw volken niet meer beroven, zegt de Here God.”

 Deze verzen kunnen niet verkeerd geïnterpreterd worden als de

4

terugkeer  van de Joden uit Babylon te betekenen, omdat er hier wordt gezegd, dat het land “niet meer de mensen” zal “verslinden, en uw volken niet meer beroven,” terwijl de geschiedenis antoont dat vanaf de terugkeer van de Joden uit Babylon, het land heeft verslonden—er is geen blijvende vrede geweest. Bovendien spreekt dit hoofdstuk in het bijzonder over het “huis Israëls,” net tien-stammen koninkrijk, welke op deze dag nooit is teruggekeerd sinds het werd verstrooid door de Assyriërs. {2TG3: 4.2}

 Verzen 15-22—“Ook zal Ik maken, dat de mensen niet meer de schande der heidenen in u horen, noch zult gij de smaad der volken dragen; ook zult gij uw natiën niet meer doen vallen, zegt de Here God. Bovendien kwam het woord des Heren tot mij, zeggende: Mensenzoon, toen het huis Israëls  in hun land woonden, hebben zij dat verontreinigd door hun eigen wegen en door hun doen en laten. Hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw zo was hun wandel in mijn ogen. Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en omdat zij het land verontreinigd hadden door hun afgoden. En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden over de landen verspreid; overeenkomstig hun wegen en overeenkomstig hun doen en laten oordeelde Ik hen. En toen zij tot de heidenen kwamen, waarheen zij gingen, ontheiligden zij Mijn heilige naam, doordat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des Heren, en zijn uit Zijn land weggegaan. Maar Ik had medelijden wegens Mijn heilige naam, die het huis Israëls ontheiligd had onder de heidenen waar zij heengingen. Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Here God: niet om uwentwil doe Ik dit, o huis Israëls, maar terwille van Mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken waarheen gij ging.”

Met deze verzen kan het nu worden begrepen dat God dit niet doet omdat Zijn volk van gisteren

5

of van vandaag goed is geweest, maar omdat Hij Zijn naam moet rechtvaardigen {zuiveren}, en Hij moet de heidenen laten weten dat zij in staat waren gesteld om Zijn volk uit het land te drijven, alleen maar omdat Hij hen toeliet dat te doen wegens de ongerechtigheid van Zijn volk. {2TG3: 5.1}

Verzen 23-26—“ En Ik zal Mijn grote naam die onder de heidenen ontheiligd was, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Here ben, zegt de Here God, wanneer Ik voor hun ogen in u geheiligd zal zijn. Want Ik zal u weghalen uit de heidenen en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; dan zal Ik rein water over u sprengen, en gij zult rein zijn: van al uw vuiligheid en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; ook een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste leggen; en het stenen hart zal Ik uit uw vlees wegnemen, en Ik zal u een hart van vlees geven.”

Het is duidelijk te zien dat, voordat u en ik gereed kunnen zijn voor  de opname,  wij eerst klaar moeten zijn om het Beloofde Land in te gaan, om daar gereinigd te worden, om daar onze stenen hart te laten verwijderen. Ja, de enige manier om deze hart-operatie op ons te laten uitvoeren is om de Heer ons eerst te laten vergaderen van onder de heidenen en ons in ons eigen land te brengen. Want “dan zal Ik,” zegt de Heer, “rein water over u sprengen,” en “ook een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste leggen.” {2TG3: 5.2}

Tegenover dit, zou ik willen weten wie ooit zou kunnen leven met Christus gedurende de duizend jaren, zonder eerst naar het land te zijn gegaan, om daar gereinigd te worden en daar een nieuw hart te ontvangen? {2TG3: 5.3}

Verzen 27-32—“En Ik zal Mijn Geest in uw binnenste leggen,

6

en maken, dat gij naar Mijn inzettingen wandelt en gij zult  Mijn verordeningen {rechten} onderhouden {bewaren} en ze doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb; en gij zult Mijn volk zijn, en Ik zal uw God zijn. Ook zal Ik u verlossen van al uw onreinheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal het doen toenemen, en geen hongersnood op leggen, En Ik zal de vrucht van het geboomte vermenigvuldigen, en de inkomst van het veld, opdat gij niet meer de smaad van de hongersnood ontvangt onder de heidenen. Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen, en uw doen en laten, die niet goed waren; en gij zult van uzelf walgen in uw eigen ogen om uw ongerechtigheden en om uw gruwelen. Niet om uwentwil doe Ik dit, zegt de Here God, het zij u bekend; weest beschaamd en verbijsterd om uw eigen wegen, o huis Israëls.”

De Heer weet hoe te redden: Hij had Zijn volk verspreid over de  natiën, zodat wanneer Hij hen terugbrengt naar huis, zij het resultaat van hun boze doen en laten zullen gedenken, en zo van hun ongerechtigheden zullen walgen. {2TG3: 7.1}

Verzen 33-36—“Alzo zegt de Here God: Ten dage, dat Ik u zal reinigen van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik u ook in de steden doen wonen, en de verwoeste plaatsen zullen bebouwd worden. En het verwoeste land zal bewerkt worden, terwijl het verwoest lag in de ogen van allen die er doorgingen.  En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als de Hof van Eden; en de verlaten, en verwoeste, en geruïneerde {vernielde} steden zijn beschut geworden, en bewoond. Dan zullen de heidenen, die rondom u overgebleven zijn, weten, dat Ik, de Here, de geruïneerde plaatsen bebouw, en hetgeen verwoest was, beplant; Ik, de Here, heb het gesproken, en Ik zal het doen.”

Al deze wonderen voert de Heer, zoals u ziet, uit in het land van Israël en voor de ogen van de heidenen. Dit zijn noodzakelijkerwijs gebeurtenissen vóór het millennium. {2TG3: 7.2}

7

Vers 37—“Alzo zegt de Here God: Ik zal nochtans door het huis Israëls hierom gevraagd worden, om het voor hen te doen; Ik zal hen met mensen doen toenemen als een kudde.”

Gods uitverkoren, verklaart deze vers, zullen voor de voltooiing van deze schriftgedeelten bidden. Wat bent u aan het doen, Broeder, Zuster? Bidt u voor deze dingen? Of vecht u tegen ze? Waagt u het niet te zeggen: “Het maakt niet uit,” want zulk een houding van ongeloof zal u uit het Koninkrijk houden net zo zeker als het de antediluvianen {mensen vóór de zondvloed} uit de ark hield. {2TG3: 8.1}

Vers 38—“Gelijk de heilige kudde, gelijk de kudde van Jeruzalem in haar plechtige feesten; zo zullen de verlaten steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de Here ben.”

Is er nog steeds twijfel in de harten van enigen van u? O, hoe kan er twijfel zijn? Deze verzen hebben, zoals u ziet, feitelijk geen enkele uitlegging dan ook nodig. Er is geen duidelijkere leerstelling in de Bijbel. U kunt uw ogen er niet voor sluiten en alsnog verwachten gerekend te worden onder de gelovigen in het Woord van God. {2TG3: 8.2}

Nu zien wij dat er een herstel van het land en een hart-operatie moet plaatsvinden—dat Gods Koninkrijk op aarde begint voor de ogen van de heidenen, dat het zo echt zal zijn als wat dan ook, en dat er noch een zondaar, noch een stenen hart in Het zal zijn. Is dit niet veel aantrekkelijker dan het denkbeeldige, en veel vergeestelijkte koninkrijk waar er vaak van wordt gehoord? {2TG3: 8.3}

Elia zal inderdaad eerst komen en alle dingen herstellen.  En wij zullen eindelijk zijn wat Adam was in het begin, in leven zijnde in de Hof van Eden, en genieten van de boom des levens. {2TG3: 8.4}

8

——–0——–

It Shall Be Well With Thee {Het Zal U Goed Gaan}

Be tranquil, O my soul, {Wees gerust, O mijn ziel,}

Be quiet every fear! {Zwijgt, iedere vrees!}

Thy Father hath supreme control,{Uw Vader heeft de hoogste macht,}

And He is ever near.{En Hij is altijd nabij.}

Never of  thy lot complain,{Klaagt nooit over uw lot,}

What ever may befall,{Wat u ook mag overkomen,}

Sickness or sorrow, care or pain,{Ziekte of  verdriet, zorgen of pijn,}

 ‘Tis well appointed all.{Alles is goed vastgesteld.}

A Father’s chastening hand{Des Vader’s louterende hand}

 Is leading thee along;{Die geleidt u;}

Nor distant is the promised land,{Noch is het beloofde land veraf,}

Where swells the immortal song.{Waar het onsterfelijk lied aanzwelt.}

O, then, my soul, be still!{Weest dan stil, o mijn ziel!}

 Await heaven’s high decree;{Wacht op des hemels hoge bevel;}

Seek but to do thy Father’s will,{Zoekt slechts uw Vader’s wil te doen,}

It shall be well with thee.{Het zal u goed gaan.}

–Thomas Hastings

 

9

VOORLEZING

De Leringen van Mensen Tegenover de Leringen van De Geest

Op deze middag zal ik lezen uit “Christ’s Object Lessons,” bladzijde 40, alinea 1 en 2 {“Lessen uit het Leven van Alledag,” blz.19, alinea 2 en 3}— {2TG4: 10.1}

“(…)In de preken  vanuit veel kansels van vandaag is geen goddelijke manifestatie die het geweten wakker schudt en leven brengt aan de ziel. (…) Er zijn velen die uitroepen naar de levende God, verlangende naar de goddelijke tegenwoordigheid. (…) Laat Gods Woord tot de mensen spreken. Laten zij die alleen maar overleveringen en menselijke theoriën {opvattingen}en stelregels hebben gehoord, de stem horen van Hem, wiens Woord de mens kan vernieuwen tot eeuwig leven.

Christus’geliefkoosde onderwerp was de vaderlijke tederheid en overvloedige genade van God; Hij stond veel stil bij de heiligheid van Zijn karakter en Zijn wet; Hij maakte Zichzelf bekend aan de mensen  als de Weg, de Waarheid, en het Leven. Laten dezen de onderwerpen zijn van Christus’ dienstknechten. Presenteer de waarheid zoals deze is in Christus. Maak de eisen van de wet en het evangelie duidelijk. Vertel de mensen over Christus’ leven van zelfverloochening en opoffering; over Zijn vernedering en dood, Zijn opstanding en hemelvaart; over Zijn middelaarswerk voor hen in de hoven van God; over Zijn belofte: ‘Ik zal wederkomen, en u tot Mij nemen.’” {2TG4: 10.2}

Wij moeten bidden voor hulp om le leren hoe te onderwijzen zoals Christus dat deed, hoe de leringen van de Geest te warderen boven de leringen van mensen, en hoe het Woord te presenteren zoals het in Jezus is, de Waarheid duidelijk makend. Dit is onze grote nood. {2TG4: 10.3}

10

—–0—–

2 TIJDIGE GROETEN 4 

DE DODEN EN DE LEVENDEN VORMEN HET GEHELE HUIS ISRAELS; GOG FAALT

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 30 AUGUSTUS, 1947

MT.KARMEL KAPEL

WACO, TEXAS 

Ons onderwerp wordt vandaag gevonden in Ezechiël, hoofdstukken 37 tot en met 39. Deze hoofdstukken zijn lang, en de tijd zal ons niet toestaan om iedere vers te lezen, noch zelfs om veel commentaar over ze te geven. En daarom zullen wij niet proberen om al de verzen in hoofdstuk 38 en 39 te behandelen, noch alles te zeggen dat er gezegd kan worden. De verzen echter, die wij overslaan, hebben feitelijk geen commentaar nodig, want met dit licht voor de hand hebbende, wanneer u de hoofdstukken in uw eigen tijd bestudeert, zal hun waarheid op heldere wijze uitsteken. {2TG4: 11.1}

 Ezech.37:1-12—“De hand des Heren was op mij, en voerde mij uit in de Geest van de Heer, en zette mij neer in het midden vcan de vallei, welke vol beenderen was, en deed mij aan deze voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren er zeer veel in de open vallei; en ziet, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenzoon, kunnen deze beenderen leven? En ik antwoordde: O Here, Gij weet het. Wederom zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: O gij dorre beenderen, hoort het Woord des Heren. Alzo zegt de Here God tot deze beenderen: Ziet, Ik zal adem {lucht} in u doen binnengaan, en gij zult leven; en Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en u met huid bedekken, en adem in u leggen, en gij zult leven; en gij zult weten, dat Ik de Here ben.

11

“Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was; en toen ik profeteerde, was er een geluid, en ziet, een beroering, en de beenderen kwamen bij elkaar, elk been tot zijn been. En ik zag, en ziet, er kwamen zenuwen en vlees op hen, en huid bedekte hen; maar er was geen adem in hen. Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeter, mensenzoon, en zeg tot de wind: Alzo zegt de Here God: Kom aan van de vier winden, o adem, en blas in deze gedoden, opdat zij kunnen leven. Zo profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had, en de adem kwam in hen, en zij leefden, en stonden op hun voeten, een uiterst groot heer {leger}.{2TG4: 12.1}

 “Toen zeide Hij tot mij: Mensenzoon, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze hoop is verloren: wij zijn afgesneden van ons deel. Darom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here God: Ziet, o Mijn volk, Ik zal uw graven openen, en u uit uw graven doen opkomen, en u brengen in het land Israëls.” {2TG4: 12.2}

Hier zien wij hoe de doden opgewekt zullen worden: Eerst worden de beenderen bij elkaar verzameld, elk been tot zijn been. Vervolgens wordt het vlees toegevoegd, daarna met huid bedekt, en als laatst wordt hen adem gegeven. In Genesis wordt ons verteld dat Adam’s lichaam van klei was gemaakt, toen werd er adenm in zijn neusgaten gelegd, en hij werd een levende ziel. Door lucht met klei te combineren werd de mens een levende ziel. Zo openbaren de Schriften dat de opstanding slechts een herschepping is. De mens ontvangt een nieuw lichaam uit het oude, maar om dezelfde mens te zijn die eens leefde en stierf, en daarna weer levend gemaakt te worden, wordt hij noodzakelijkerwijs de voormalige intellectuele kennis en  geheugen gegeven van zijn levenservaring. Waarlijk, de levenden weten, dat zij zullen sterven, maar de doden weten geen ding al de tijd dat zij in hun graven zijn. Pred.9:5,6. {2TG4: 12.3}

 12

Verzen 13,14—“En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven heb geopend, o Mijn volk, en u uit uw graven heb opgebracht, en Mijn Geest in u zal leggen, en gij zult leven, en Ik zal u in uw eigen land plaatsen; dan zult gij weten, dat Ik, de Here, het heb gesproken, en het heb uitgevoerd, zegt de Here.”

Hij zal Zijn volk niet alleen maar uit hun graven doen opkomen, mar Hij zal hen ook in het land Israëls brengen. Dat de doden weer zullen leven is waarlijk een wonder, mar niet veel groten dan dat een worm zichzelf in de grond begraaft of zichtzelf insluit in een cocon of desgelijks, daarna tot een toestand van onbewustheid in te gaan, zijn vorm te veranderenen een prachtige vlinder te worden,, de lucht doorkruisend, in plaats van op de grond te kruipen. Deze, en andere wonderen, lijken geen wonderen te zijn, omdat zij gewone alledagse gebeurtenissen zijn. Als God in het begin de aarde uit niets kon scheppen, kan Hij de mens veel gemakkelijker herscheppen wanner Hij, om te beginnen, ten minste de beenderen van de mens en zijn intellectuele kennis van goed en kwaad heeft. {2TG4: 13.1}

Verzen 15-19—“Het Woord des Heren kwam wederom tot mij, zeggende: Bovendien, gij mensenzoon, neem u een stok, en schrijf erop: Voor Juda [het twee-stammen koninkrijk], en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen: en neem een andere stok, en schrijf erop: Voor Jozef, de stok van Efraïm [het tien-stammen koninkrijk], en voor het ganse huis Israëls, zijn metgezellen. En voeg ze aan elkander toe tot één stok; en zij zullen één worden in uw hand. En wanneer de kinderen van uw volk tot u zullen spreken, zeggende: Wilt gij ons niet tonen wat gij hiermee bedoelt? Zeg tot hen: Alzo zegt de Here God: Zie, Ik zal de stok van Jozef nemen, welke in de hand van Efraïm is,

13

en de stammen Israëls, zijn metgezellen, en zal hen met hem zetten, namelijk met de stok van Juda, en hen tot één stok maken, en zij zullen één zijn in Mijn hand.”

Hier worden wij duidelijk verteld dat Hij de twee oude koninkrijken, de typen, zal herstellen en samenvoegen—en zodoende het antitype tot stand brengen. {2TG4: 14.1}

Verzen 20-21—“En de stokken waarop gij schrijft zullen in uw handen voor hun ogen zijn. En zeg tot hen: Alzo zegt de Here God: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls van onder de heidenen nemen, waarheen zij gegaan zijn, en zal hen verzamelen van elke kant, en hen naar hun eigen land brengen.”

De getrouwen onder de afstammelingen van Israël die verstrooid waren onder de natiën zullen, zoals wij op concrete wijze worden verteld, vergaderd en teruggebracht worden naar hun eigen land. Deze afstammelingen van de stammen van Jakob moeten wij echter niet verwarren als zijnde de ongelovige Joden van vandaag, die proberen om Palistina in hun bezit te krijgen.  Het Koninkrijk dat hier wordt voorspeld zal, zoals u opmerkt, alleen gevormd worden door bekeerlingen tot Christus, het meest afkomstig van de stammen die verstrooid en uit het oog verloren waren onder de heidense natiën, inclusief de afstammelingen van degenen die de vroegere Christelijke kerk vormden,–zij die zichzelf niet langer Joden, maar Christenen noemden. Dezen zullen, naast degenen uit de heidense natiën zich bij Christus voegen, klaarblijkelijk dit Koninkrijk vòòr het millennium in het Beloofde Land vormen. {2TG4: 14.1}

 Verzen 22—“En Ik zal hen tot één natie maken in het land op de bergen Israëls; en één koning zal over hen allen koning zijn; en zij zullen niet meer twee natiën zijn, ook zullen zij helemaal niet meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.”

14

Zoals u bemerkt, is dit troostwoord blijvend. En aangezien er geen zondaars in Het zijn, is het vanzelfsprekend, zoals het elders in onze literatuur wordt aangetoond, het resultaat van het “Oordeel in het huis Gods”(1 Pet. 4:17)—het Oordeel voor de Levenden, de reiniging van de kerk, de scheiding van de kwade vissen van onder de goede ( Matt.13:47.48), de reininging van het heiligdom (Dan.8:14)—de oogst van de eerste vruchten; de 144.000 die op de berg Sion staan met het Lam (Openb.14:1)—“het overblijfsel.” Dan volgt de inzameling van de tweede vruchten. {2TG4: 15.1}

Uw kennis van deze dingen zullen u echter niet van nut zijn als u geen wanhopige poging maakt om één van, of één met de 144.000 te zijn. Bovendien moet u nù deze extra olie in uw vaten hebben (Matt. 25:1-12), terwijl het zo vrijelijk wordt uitgedeeld. Het later krijgen ervan zal u geen voordeel opleveren, want de laatkomers zullen de deur gesloten aantreffen. Hun geklop aan de deur zal alleen maar veroorzaken dat zij de  Meester horen zeggen: “Gaat weg van Mij,” “Ik heb u nooit gekend.” (Matt.7:23). Inderdaad, u moet nù onmiddellijk gebruik maken van deze licht-gevende olie terwijl Het tot uw deuren wordt gebracht, als het u enig goed zou moeten doen. {2TG4: 15.2}

 Vers 23—“Noch zullen zij zich meer verontreinigen met hun afgoden, noch met hun afschuwlijke dingen, noch met al hun overtredingen: maar Ik zal hen redden uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn.”

Nadat de onderdanen van de koninkrijken van Juda en Israël zijn vergaderd van onder de heidense natiën en zij zelf een natie zijn geworden en een koninkrijk, “dan” zullen zij gereinigd worden, en niet daarvoor, zeggen de Schriften. Hieruit ziet u dat dit het werk is van de

15

reiniging van het Heligdom (Dan.8:14), de zuivering van de kerk (“Testimonies,” {Getuigenissen}Vol.5,blz.80)—de reiniging van de tempel (Mal.3:1-3)—de oogsttijd—het uitdelgen van de zonden en tekortkomingen van de boetvaardigen en uit de weg ruimen van de onboetvaardigen. Het is het Oordeel voor de Levenden dat de kerk reinigt. Het scheidt haar af van de wereld, en maakt haar geschikt voor het verzamelen van de mensen (Openb.18:4)—maakt haar tot de ark van vandaag, een plaats van toevlucht voor allen die aan de plagen wensen te ontkomen. Daarna blijven de heiligen rein. Zij zondigen niet meer. Zijn voor eeuwig Gods reine en getrouwe volk. Er is daarom nooit tot Gods volk een belangrijkere boodschap gekomen dan deze. {2TG4: 15.3}

 Verzen 24-28—“En Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen één herder hebben; ook zullen zij in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren, en ze doen. En zij zullen in het land wonen dat aan Mijn knecht Jakob heb gegeven, waarin uw vaders hebben gewoond; en zij zullen daarin wonen, namelijk zij, en hun kinderen, en hun kindskinderen, voor eeuwig. En Mijn knecht David zal voor eeuwig vorst zijn. Bovendien zal Ik een verbond des vredes met hen maken; het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal hen plaatsen, en hen vermenigvuldigen, en Mijn heiligdom tot in alle eeuwigheid in het midden van hen zetten. Mijn tabernakel zal ook bij hen zijn: Ja, Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik, de Here, Israël heilig, wanneer Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in alle eeuwigheid.”

Het is dan duidelijk, dat al deze dingen plaatsvinden voor de ogen van de heidenen, opdat zij kunnen zien en weten wat God voor Zijn volk heeft gedaan. Aldus zullen zij weten dat Hij hen heeft liefgehad. {2TG4: 16.1}

16

Ezech.38:1,2-” En het Woord des Heren kwam tot mij, zeggende: Mensenzoon, zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.”

Hier wordt er van Gog verteld dat hij de hoofdvorst is, de koning van Mesech en Tubal. Deze twee steden bevonden zich vroeger in Azie, ten zuiden van de Zwarte Zee, waar het Turkse Rijk nu is. {2TG4: 17.1}

Vers 8-“Na vele dagen zult gij bezocht worden; in de laatste jaren zult gij komen in het land, dat teruggebracht is van het zwaard, en vergaderd is uit vele volken, tegen de bergen Israels, die altijd verwoest zijn geweest; maar het is voortgebracht uit de natien, en zij zullen allen veilig wonen.”

De  “vele dagen”  waarna Gog is bezocht, zijn de duizend jaren. De laatste dagen waarin Israel terugkeert naar hun land, en de tijd waarin God tegen hen zal gaan, zijn voor het millennium. {2TG4: 17.2}

Vers 9-“Gij zult opstijgen en komen als een storm, gij zult zijn als een wolk om het land te bedekken, gij, en al uw benden, en vele volken met u.”

De uitdrukking ” opstijgen, en komen als een storm,” veronderstelt dat deze dingen zullen plaatsvinden in de tijd van de vliegtuig. {2TG4: 17.3}

Verzen 10-12-“Alzo zegt de Here God: “Het zal ook geschieden, dat  er op dezelfde tijd dingen in uw verstand zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken: en gij zult zeggen: Ik zal optrekken tot het land van onbemuurde dorpen; Ik zal gaan tot hen, die in rust zijn, die veilig wonen, allen die zonder muren wonen, en noch grendels noch poorten hebben. Om een buit te nemen, en om een prooi te nemen;

17

om uw hand te wenden over de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en over het volk dat uit de natien is vergaderd, dat vee en have verkregen heeft, dat in het midden van het land woont.”

Daar het land Israels geen enkele zichtbare menselijke bescherming dan ook zal hebben, zal het voor Gog schijnen alsof hij geen moeite zou moeten hebben om het volk van het land te beroven. {2TG4: 18.1}

Vers 13-“Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en al hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Zijt gij gekomen om een buit te nemen? Hebt gij uw gezelschap vergaderd om een prooi te nemen ? om zilver en goud weg te nemen, om vee en have weg te nemen, om een grote buit te nemen ?”

Deze aangrenzende landen en volken die Gog vragen om hen zijn missie te vertellen, zijn klaarblijkelijk niet gealliëerd met hem. {2TG4: 18.2}

Verzen 14-17-“Daarom, mensenzoon, profeteer en zeg tegen Gog: Zo zegt de Here God: Op die dag dat Mijn volk Israel veilig zal wonen, zult gij het  niet weten? En gij zult uit uw plaats komen uit de zijden van het noorden, gij, en vele volken met u, allen rijdende op paarden, een groot gezelschap, en een groot leger. En gij zult opkomen tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken ; het zal zijn in de laatste dagen, en Ik zal u tegen Mijn land aanbrengen, opdat de heidenen Mij mogen kennen, wanneer Ik in u geheiligd zal zijn, o Gog, voor hun ogen. Alzo zegt de Here God: Zijt gij die, van wie Ik gesproken heb in vroegere tijden door Mijn dienstknechten, de profeten van Israël, die profeteerden in die dagen ,vele jaren, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?”

18

Het is duidelijk, dat dit Koninkrijk van Israël wordt opgericht in de laatste dagen, in de dagen vòòr het millennium, want nadat het Koninkrijk is opgericht, voert Gog oorlog tegen Het.  Inderdaad, dit kan niet na het millennium zijn, want dan zullen alle natien van de vier hoeken der aarde, Gog en Magog met hen tezamen, niet de bergen Israels, maar het Nieuwe Jeruzalem, omringen. Verder nog zullen in die tijd de gedoden niet begraven, maar tot as verbrand worden. (Openb. 20:9,10; Mal. 4:1). {2TG4: 19.1}

Vers 23—“Alzo zal Ik Mijzelf groot maken, en Mijzelf heiligen; en Ik zal bekend zijn in de ogen van vele natiën, en zij zullen weten, dat Ik de Here ben.”

Ezech.39:1-7–“Daarom, mensenzoon, profeteer tegen Gog, en zeg: Alzo zegt de Here God: Ziet, Ik ben tegen u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal: en Ik zal u omwenden, en slechts het zesde deel van u achterlaten, en zal u doen opkomen uit de zijden van het noorden, en zal u brengen op de bergen Israëls. En Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen. Gij zult op de bergen Israëls vallen, gij, en al uw benden, en het volk dat met u is; Ik zal u aan de roofvogels van elk soort, en aan het gedierte des velds geven, om verslonden te worden. Gij zult op het open veld vallen; want Ik heb het gesproken, zegt de Here God. En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder hen, die zorgeloos wonen op de eilanden; en zij zullen weten, dat Ik de Here ben. Zo zal Ik Mijn heilige naam bekend maken in het middemn van Mijn volk Israël; En Ik zal hen niet meer Mijn heilige naam laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten dat Ik de Here ben, de Heilige in Israël.”

Zoals u ziet, zal Gog falen om Gods volk te beroven. Hij zal in plaats daarvan omkomen op de bergen Israëls. {2TG4: 19.3}

19

Verzen 8-15—“ Ziet, het is gekomen, en het is geschied, zegt de Here God: Dit is de dag waarover ik heb gesproken. En de inwoners van de steden van Israel zullen uitgaan, en vuur stoken en de wapens verbranden, beide de schilden en de gespen, de bogen en de pijlen, en de handstaven, en de spiesen, en zij zullen hen zeven jaren met vuur verbranden; Zo zullen zij geen hout uit het veld nemen, noch uit de wouden houwen; want zij zullen de wapens met vuur verbranden; en zij zullen hen plunderen, die hen geplunderd hadden, en hen beroven, die hen beroofd hadden, zegt de Here God. En het zal geschieden op die dag, dat Ik aan Gog daar een plaats der graven In Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en het zal de neuzen der doorgangers stoppen; en daar zullenzij Gog begraven, en al zijn menigten; en zij zullen het noemen: het Dal van Harmon-gog. En het huis Israels zal hen zeven maanden lang begraven, opdat zij het land kunnen reinigen. Ja, al het volk des lands zal hen begraven; en het zal hun tot roem zijn, ten dage dat Ik verheerlijkt zal zijn, zegt de Here God. En zij zullen mannen afzonderen, van voortdurende werk, die het land doortrekken, om met de doorgangers, hen te begraven, die op de aardbodem zijn overgebleven, om het te reinigen; aan heteind van zeven maanden zullen zij zoeken. Eb de doorgangers die door het land gaan, zullen, waneer iemand een mensenbeen ziet, een teken daarbij oprichten, totdat de begravers het hebben begraven in het Dal van Harmon-gog.” 19

 Daar deze verzen geen commentaar nodig hebben, gaan wij door met {2TG4: 20.1}

Verzen 22-29—“ Zo zal het huis Israels weten, dat Ik de Here, hun God ben, van die dag af en voortaan. En de heidenen zullen weten, dat het huis Israels in gevangenschap gingen wegens hun ongerechtigheid; omdat zij

20

tegen Mij hadden overtreden, daarom verborg Ik Mijn aangezicht voor hen, en heb ze in de hand van hun vijanden overgegeven; zo vielen zij allen door het zwaard. Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik hen aangedaan, en verborg Mijn aangezicht voor hen. Daarom, zo zegt de Here God: Nu zal Ik de gevangenschap van Jakob wenden, en genadig zijn over het ganse huis Israels,en zal jaloers zijn wegens Mijn heilige naam; nadat zij hun schande hebben gedragen, en al hun overtredingen waarmee zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij veilig woonden in hun land, en niemand verschrikte hen.  Wanneer Ik hen wederom heb gebracht uit de volken, en hen verzameld heb uit de landen van hun vijanden, en in hen geheiligd ben voor de ogen van vele natien; maar Ik heb hen vergaderd tot hun eigen land, en heb geen van hen meer daar achtergelaten. Noch zal Ik Mijn aangezicht meer meer voor hen verbergen: want Ik heb Mijn Geest over het huis Israels uitgestort, zegt de Here God.”

 Ik ken geen andere hoofdstukken in de Bijbel die nauwkeuriger zijn omschreven dan deze hoofstukken van Ezechiël. Zij hebben geen enkele verklaring dan ook nodig. Maar omdanks dit negeert het Kerkgenootschap ze alsof zij niet in de Bijbel stonden. En zelfs nu, in plaats van de spoedige volbrenging van deze hoofdstukken te onderwijzen, de oprichting van het Koninkrijk, doen de predikanten alles wat zij kunnen om de leken te verwarren en de Schriften in mysterie te omhullen! Zodoende wordt er bewijs op bewijs geleverd dat de engel van de Laodiceeërs blind is, en dat niet weet. {2TG4: 21.1}

Op dit kruispunt nu zal de eeuwige bestemming van al Gods dienstknechten bepaald worden. Nu moeten zij of de stap nemen die Paulus gedwongen was te nemen op de weg

21

naar Damascus, of de stap die Judas nam in de bovenzaal nadat de Meester zijn voeten had gewassen. Dit is, zoals u ziet, geen (uit)spraak van mensen; Het is van God, en van de Bijbel. {2TG4: 21.2}

Nu is aan u de gelegenheid gegeven om een Daniël, een Job, een Stefanus, een Luther, een Miller, of een White te zijn. Ik hoop dat geen van u heeft gekozen om een schriftgeleerde of een Farizeeër te zijn. Zij waren geniën in het vinden van fouten, maar te dom om de Waarheid te zien. Dezulken hebben, zoals u weet, nooit iemand tot de Waarheid geleid, maar hebben altijd zelfs gehele natiën van Het af gehouden. Zij zijn geniën in hun goddeloos beroep. {2TG4: 22.1}

22

——0——-

De Wolk en Het Vuur

Zoals van ouds toen het heer

van Israël

Was genoodzaakt in de woestijn

te vertoeven,

Vertrouwende op hun God

Om de weg te leiden

Tot het licht van de volmaakte dag.

Heen en weer als een schip

zonder een zeil,

Geen kompas om hen te begeleiden

Door het dal,

Maar het teken van hun God

Was altijd nabij,

Om aldus hun vermoeide harten te verblijden.

Al de dagen van hun zwevingen

Werden zij gevoed

Tot het land der belofte

Werden zij geleid;

Door de hand van de Heer,

In zekere leiding,

Werden zij tot de kust van Kanaan gebracht.

Alzo het teken van het vuur bij nacht,

En het teken van de wolk overdag,

Erover rondzwervend, net ervoor,

Als zij reizen op hun weg,

Zal een gids en een leider zijn,

Totdat de woestijn voorbij is,

want de Here hun God

Op Zijn eigen goede tijd

Zal ten laatste tot het licht leiden.

The Cloud and Fire

As of old when the hosts

Of Israel

Were compelled in the wilderness

To dwell,

Trusting they in their God

To lead the way

To the light of perfect day.

To and fro as a ship

Without a sail,

Not a compass to guide them

Through the vale,

But the sign of their God

Was ever near,

Thus their fainting hearts to cheer.

All the days of their wand’rings

They were fed

To the land of the promise

They were led;

By the hand of the Lord,

In guidance sure,

They were brought to Canaan’s shore.

So the sign of the fire by night,

And the sign of the cloud by day,

Hov’ring o’er, just before,

As they journey on their way,

Shall a guide and a leader be,

Till the wilderness be past,

For the Lord our God

In His own good time

Shall lead to the light at last.

–C.A.Miles