De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Sanitaire Voorzieningen en Gezond Leven

Gezond Leven

“Opvoeden van de Israëlieten behelsde al hun levensgewoonten. Alles wat betrekking had op hun welzijn was het onderwerp van goddelijke zorg {aandacht}, en kwam {viel} binnen het gebied van godsdienst wet. Zelf in het bereiden van hun voedsel wilde God het beste voor hen. Het manna waarmee Hij hen voedde in de woestijn was er op berekend om fysieke {lichamelijke}, mentale {geestelijke}, en morele kracht, te bevorderen. Alhoewel zovelen van hen in opstand kwamen tegen de beperkingen in hun dieet, en er naar verlangden om terug te keren naar de dagen toen, zoals zij zeiden: “wij bij de vleespotten zaten, en toen wij volop brood aten,” was de wijsheid van Gods keuze gerechtvaardigd op een wijze die zij niet konden weerleggen. Ondanks de moeilijkheden van hun woestijn leven, was er niet een zwakke onder al hun stammen te vinden.” (…) Education, p. 38 {Karaktervorming, blz. (…)} {LDSA. 97. 2}

“Velen hadden verwacht dat God hun voor ziekte zou behoeden louter, omdat zij hem dat hadden gevraagd dat te doen. Maar God sloeg geen acht op hun gebeden, omdat hun geloof niet door werken vervolmaakt werd. God zal hen niet van ziekten behoeden die niet voor zichzelf zorgen, maar voortdurend de gezondheid wetten overtreden, en pogingen {moeite} doen om ziekten te voorkomen. Wanneer wij van onze kant alles doen wat wij kunnen om gezond te zijn pas dan mogen wij verwachten dat de gezegende resultaten zullen volgen, en kunnen wij geloof vragen om onze pogingen te zegenen voor het bewaren van gezondheid. Hij zal dan ons gebed verhoren, als Zijn naam daardoor kan worden verheerlijkt. Maar laat een ieder begrijpen dat zij een werk te doen hebben. God zal niet op een wonderbaarlijke manier werken om de gezondheid van personen te bewaren die door hun zorgeloze onoplettendheid met betrekking tot de gezondheidswetten een vastberaden richting {levensstijl} volgen om zichzelf ziek te maken – Counsels on Health, p. 59 {Lev. 98. 1} {“Raadgevingen tot Gezondheid,” blz. …}

Sanitaire voorzieningen

In Israël “waren {strenge} grondige sanitaire regelingen {regels} van kracht. Deze werden aan het volk voorgeschreven, niet alleen als noodzakelijk voor de gezondheid, maar als de voorwaarde om de aanwezigheid van de Heilige onder hen te handhaven. Onder Goddelijk gezag verklaarde Mozes aan hen: ‘De Here uw God wandelt te midden van uw kamp {legerplaats}, om u te verlossen, daarom zal uw kamp heilig zijn.’” – Education, p. 98 {Karaktervorming, blz. …}.{Lev:98.2}

“Punctuele reinheid, evenals volstrekte orde doorheen het gehele legerplaats en haar omgeving, waren voorgeschreven {bevolen}. Grondige sanitaire voorschriften waren van kracht. Iedere persoon die onrein was vanwege wat voor oorzaak dan ook, was verboden de legerplaats te betreden. Deze maatregelen waren onmisbaar om de gezondheid te handhaven onder zo een grote menigte; en het was ook noodzakelijk dat volmaakte orde en reinheid werden gehandhaafd, zodat Israël mocht genieten van de aanwezigheid van een heilige God. Aldus verklaarde Hij: ‘De Here uw God wandelt te midden van uw legerplaats, om u te redden, en uw vijanden aan u over te leveren; daarom zal uw legerplaats heilig zijn.’” – Patriarch and Prophets, p. 375. {Patriarchen en Profeten, blz. …} [Lev. 99. 1]

“Wanneer ernstige ziekte in een gezin binnendringt, is het van groot belang dat ieder gezinslid aandacht schenkt aan persoonlijke reinheid, en dieet, om zichzelf in een gezonde toestand te houden, aldus zichzelf bewapenend tegen ziekte. Het is ook van groot belang dat de kamer van de zieke, vooraleerst, grondig word doorgelucht. Dit is in het voordeel van de getroffene, en hoogstnoodzakelijk voor degenen die genoodzaakt zijn gedurende een bepaalde tijd in de kamer van de zieke te vertoeven. — (…)” [Lev. 99. 2]

“Heel veel lijden kan worden bespaard als allen konden arbeiden om ziekte te voorkomen, door volstrekte gehoorzaamheid aan de gezondheidswetten. Volstrekte gewoonten van reinheid moeten worden nageleefd. Velen, terwijl zij gezond zijn, zullen niet de moeite nemen om in een gezonde toestand te blijven. Onzuiverheden passeren voortdurend en onmerkbaar vanuit het lichaam, door de poriën, en als het huidoppervlak niet in een gezonde toestand wordt gehouden, dan wordt het lichaamsgestel belast met onzuiverheden. Als de gedragen kleding niet regelmatig wordt  van deze onzuiverheden, dan absorberen de poriën opnieuw het uitgestoten afval. De onzuiverheden van het lichaam, als ze niet worden toegestaan om te ontsnappen, worden dan opnieuw in het bloed opgenomen en belasten {dringen zich op aan} de inwendige organen. Om zichzelf te bevrijden van giftige onzuiverheden, doet de natuur een poging om het lichaamsgestel te bevrijden. Deze poging veroorzaakt koorts, en wat ziekte wordt genoemd. Maar zelfs dan, als zij die getroffen zijn de natuur zouden bijstaan in haar pogingen, door het gebruik van zuiver, zacht water, zou veel lijden worden voorkomen. Maar velen, in plaats van dit te doen, en te trachten de giftstoffen uit het lichaam te verwijderen, nemen meer dodelijk vergif op in het lichaam, om een gif te verwijderen die al daar zit.” {Lev. 99.3}

“Als ieder gezin zich realiseerde de voordelige resultaten van grondige reinheid, dan zouden zij bijzondere pogingen ondernemen om iedere onzuiverheid van zichzelf, en van hun huizen, te verwijderen. En zouden zij hun pogingen uitbreiden naar hun omgeving. Velen staan toe dat rottende plantenresten in hun omgeving blijven liggen. Zij zijn zich niet bewust van de invloed van deze zaken. Er stijgt van deze rottende substanties voortdurend een rottingslucht op die de lucht vergiftigt. Door het inademen van de onzuivere lucht, wordt het bloed vergiftigd, worden de longen aangetast, en word het hele lichaam ziek. Ziekten van haast alle beschrijving zullen worden veroorzaakt door het inademen van lucht die aangetast is door deze rottende substanties. {Lev. 100. 0}

“Gezinnen werden geteisterd door koorts, sommigen van hun gezinsleden zijn gestorven, en het overige deel van de familiekring heeft bijna geklaagd tegen hun Maker vanwege de pijnlijke beroving, wanneer de hoofdoorzaak van al hun ziekte en dood het resultaat is geweest van hun eigen roekeloosheid. De onzuiverheden in hun eigen omgeving hebben besmettelijke ziekten over hen gebracht, en de trieste aandoeningen {kwellingen} waar zij God voor verantwoordelijk houden. Alle gezinnen die waarde hechten aan gezondheid zouden hun huizen en omgeving moeten reinigen van alle rottende substanties. {Lev. 101. 1}

“God droeg op dat de kinderen van Israël in geen geval onzuiverheden van hun persoon, of van hun klederen, zouden toestaan. Zij die wat voor onreinheid dan ook hadden, werden uit de legerplaats verwijderd tot {aan} de avond, en werd er van hen geëist dat zij zichzelf en hun klederen zouden reinigen voordat zij de legerplaats weer konden betreden. Ook werd aan hen opgedragen door God om geen onzuiverheden in hun omgeving te hebben binnen een grote afstand van de legerplaats, zodat de Here niet voorbij ging en hen onreinheid zag. {Lev. 101. 2}

“Met betrekking tot reinheid, eist God niet minder van Zijn volk nu, dan dat Hij dat van het vroegere Israël deed. Nalatigheid in reinheid zal ziekte veroorzaken. Ziekte en voortijdige dood komen niet zonder reden. Hardnekkige {aanhoudende} koorts en hevige ziekte hebben geheerst in wijken en stadsdelen die voorheen gezond beschouwd werden, en sommige personen zijn gestorven, terwijl anderen werden achtergelaten met een gesloopt lichaam, hun hele leven door ziekte kreupel gemaakt. In vele gevallen bevatte hun eigen tuin het werktuig van vernietiging, die giftige dampen uitstootte in de lucht die werden ingeademd door het gezin en de buurt. De laksheid en roekeloosheid die soms wordt ervaren, is beestachtig, en de onkunde {onwetendheid} over de resultaten van deze zaken op de gezondheid is verbazingwekkend. Zulke plaatsen moeten, vooral in de zomer, worden gereinigd, met limoenen en as, of door ze dagelijks met aarde te bedekken.” – Counsels on Health, pp. 61-63 {Lev. 101. 2}