De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Kan Mijn Huis Niet Zijn “Voorraadschuur” Zijn?

Vraag Nr. 97:

Is het Bijbels voor iemand om vast te houden en persoonlijk gebruik te maken van zijn tienden en offers om het evangelie werk voortgang te doen vinden in zijn eigen buurt (of wijk), naar zijn eigen plannen. {ABN4: 44.3}

Antwoord:

Nergens in de Geschriften vinden we toestemming om de Heer Zijn geld naar onze eigen inzicht {beleid} te gebruiken. De enige rechtvaardiging om zo te handelen zou puur ombekwaamheid/onmacht zijn om een of andere reden om het naar de Heer zijn voorraadschuur te sturen. Zou iemand dus vrijwillig zulke praktijken op na houden, dan zou hij/zij het verkeerde voorbeeld aan anderen geven. En als zijn leiding na gevolgd wordt, zullen anderen hetzelfde recht op zich nemen en hun koers moet onvermijdelijk leiden tot het op ernstige wijze mismaken van de Heer zijn werk, Zijn schatkamer laten doodbloeden en omverwerpen en zodoende Zijn werk ontregelen en de kerk tot slechts een schelp verminderen, terwijl haar leden zichzelf in dienst nemen als werkers in de Heer Zijn wijngaard, zichzelf helpend aan de Heer Zijn geld en gaan zonder te zijn gezonden. Wat een Babylon zal dat zijn! {ABN4: 44.4}

Hoewel de Heer gebiedt: “Brengt al de tienden naar mijn voorraadkamer” (Mal. 3:10), zegt Hij niet: “brengt al de offerande.” Zodoende geeft Hij aan dat als wij deel zullen hebben aan persoonlijke liefdadigheid of zendingsactiviteiten, wij het zouden moeten halen uit offeranden, niet van de tienden. {ABN4: 45.1}

“Engelen houden een getrouw register bij van een ieders werk en als het oordeel gaat over het Huis van God, zal het vonnis van een ieder opgetekend staan bij zijn naam, en de engel is opgedragen om de ontrouwe dienstknecht niet te sparen, maar ze neer te slaan tijdens de slachtperiode(….) En de kronen die ze hadden mogen dragen, als ze getrouw waren geweest, worden gezet op de hoofden van hen die gered zijn door de trouwe dienstknechten.”— Testimonies, Vol. 1, p. 198{“Getuigenissen voor de Kerk, Deel 1, blz. 198 {ABN4: 45.2}