De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Het Huwelijk of Celibaat

Vraag Nr. 73:

Paulus zegt: “Dit bedoel ik, broeders: de tijd is kort. Ten slotte, laten zij, die een vrouw hebben, zijn als zonder vrouw.” “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf.” 1 Kor. 7: 29, 7. Wat bedoelt hij? {ABN3: 79.1}

Antwoord:

Om de leer van de apostel van het huwelijk en het celibaat op de juiste wijze te begrijpen, zoals het naar voren wordt gebracht in de verzen in kwestie, en ten einde een correcte vooruitzicht te krijgen van zijn doel en van de punten die hij aan het behandelen is, is het noodzakelijk om het hoofdstuk eerst in haar volledige  zetting te bekijken. {ABN3: 79.1}

1 Korinthiers 7:1 openbaart dat hij een brief had ontvangen, en zijn antwoord daarop (in ditzelfde hoofdstuk) toont aan dat er onder de gelovigen in de gemeente Korinthe ontevredenheid en gebrek aan begrip bestond, met betrekking tot het huwelijksverband. Sommigen waren ontevreden over hun lot van het ongehuwd zijn; anderen hadden genoeg van hun lot van het huwelijksleven; terwijl nog anderen zich afvroegen of zij hun ongelovige echtgenoten of echtgenotes moesten verlaten, en hertrouwen. {ABN3: 79.3}

Daar hij altijd trachtte om alles te zijn voor alle mensen, en indien mogelijk welke scheuringen dan ook in de jonge gemeente te voorkomen, brengt Paulus op tactvolle en duidelijke wijze de voordelen naar voren van zowel de gehuwde staat als die van de ongehuwde staat. {ABN3: 80.1}

Van de ongehuwden en de weduwen zegt hij: “Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik. Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.” 1 Kor. 7:8, 9. {ABN3: 80.2}

“Doch hun, die getrouwd zijn,” — zowel tot de paren waarvan beiden in Christus geloven, als tot  de paren waarvan een van hen niet gelooft—schrijft hij: “beveel ik niet, maar de Here, dat een vrouw haar man niet mag verlaten (…) en een man moet zijn vrouw niet verstoten. Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here: heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem te wonen, dan moet hij haar niet verstoten. En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar te wonen, die man niet verstoten.” 1 Kor. 7:10-13 {KJV}. {ABN3: 80.3}

In deze korte redevoering zien wij dat de apostel de ongehuwde staat niet ondersteunt, maar duidelijk erop aandringt dat, ten einde “hoererij te vermijden, (…)moet ieder zijn eigen vrouw hebben en(…) iedere vrouw haar eigen man.” 1 Kor. 7:2. {ABN3: 80.3}

Hij doet een beroep op echtgenoten en echtgenotes waarvan beiden gelovigen zijn, maar die samen het niet goed met elkaar kunnen vinden, om te proberen, indien mogelijk, vreedzaam met elkaar te leven. En waar er slechts één  gelovige is, dat men zou moeten trachten de ongelovige partner te bekeren (1 Kor. 7:14). Hij voegt er echter aan toe, dat als de ongelovige zou vertrekken, dat “De broeder of zuster in dit geval niet gebonden is; tot vrede heeft God u geroepen.” 1 Kor. 7:15. {ABN3: 81.1}

Met gelijke nadrukkelijkheid leert hij dat als twee van hetzelfde geloof zouden  beslissen te scheiden, dat zij niet met een ander zouden mogen trouwen, maar te proberen zich met elkaar te verzoenen (1 Kor. 7:11). Nog gelukkiger is echter: “Hebt gij geen vrouw meer? Zoek er geen.” 1 Kor. 7:27. “Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen hij geroepen werd” (1 Kor. 7:27), en te leren om tevreden te zijn, zoals “ik heb geleerd om in welke toestand ook ik verkeer, daarmee tevreden te zijn.” Fil. 4:11{KJV} {ABN3: 81.2}

Daar de huidige staat van leven van korte duur is, drong hij bij hen erop aan om in de tussentijd hun genegenheid niet te stellen op de dingen van deze wereld, maar op de heerlijkheden van de toekomstige wereld, want “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.” 1 Kor. 2:9. {ABN3: 81.3}

Wanneer deze gelukkige, heilige staat is bereikt, dan zal het zo zijn dat “zij, die een vrouw hebben, zijn alsof zij er geen hadden; en zij die wenen, als weenden zij niet; en zij die blijde zijn, als waren zij niet blijde; en zij die kopen, als zouden zij er niets van behouden; en zij die van deze wereld gebruik maken, als zouden zij haar niet misbruiken; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.” 1 Kor. 7:29-31 {KJV}. {ABN3: 81.4}

Dat betekent: zij die nu een echtgenote hebben, zullen niet meer voordeel aan haar trekken in het leven hierna dan wanneer zij er geen hadden; noch zullen zij die nu kopen, dan meer bezitten dan zij die nu niets kopen; maar allen —getrouwd en ongetrouwd, zij die wenen en zij die zich verblijden, zij die kopen en zij die dat niet doen — zullen dan in gelijksoortige omstandigheden verkeren, zodat allen tezamen zich kunnen verblijden, “want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.” “Wie haar dus uithuwelijkt, doet wèl, maar wie haar niet uithuwelijkt, doet beter. {ABN3: 82.1}

“De vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, alleen in de Here. Toch is zij naar mijn mening gelukkiger, indien zij blijft, zoals zij is; en ik meen ook de Geest Gods te hebben.” 1 Kor. 7:38-40 {KJV}. {ABN3: 82.2}

Nergens in deze huwelijksraadgeving is Paulus de macht van zijn voorschrift en voorbeeld aan het verlenen aan de volstrekte bevordering van de ene staat van leven boven de ander, noch aan de afschaffing van de geheiligde huwelijksvoorrechten en rechten die worden gewaarborgd door het huwelijksverbond. {ABN3: 82.3}

Zij die voor zichzelf tot de conclusie zijn gekomen dat zij geleid zijn om een huwelijk te verkiezen, en die vastbesloten zijn om in de vrees tot de eer van God voort te gaan, zullen noodzakelijkerwijs “alleen in de Here” trouwen: zij zullen geen ongelovigen, noch onbekeerde, wereldgezinde, onverschillige, niet toegewijde gelovigen voor zich ten huwelijk nemen. De verstandigen zullen voortdurend het besef in gedachten houden, dat wereldse kleding en gedrag een ware Christen niet kan bekoren, en daarom onmogelijk een gelukkige, blijvende, ware Christelijke eenheid tot stand kan brengen. Zij zullen hun genegenheid alleen stellen op iemand die een oprechte, ijverige, vlijtige, geestelijk gezinde aanhanger van Tegenwoordige Waarheid is. {ABN3: 83.1}

En een even belangrijke vereiste tot het succes van deze meest voortreffelijke, doch het moeilijkste der levensondernemingen, is dat geen van de twee tot het huwelijk zouden moeten ingaan voor de tijd, zonder de volledige, noodzakelijke voorbereiding te hebben getroffen. Dienovereenkomstig, kan geen enkele Godvrezende Davidiaanse jongeman zich op morele wijze toestaan om het huwelijk te overpeinzen tenzij hij iemand is die, daar hij vroeg in zijn leven vastgesteld heeft welk soort beroep hij het beste voor geschikt is, zijn doelen heeft vastgesteld, en het of heeft bereikt of aardig onderweg is om het te bereiken, een huis voor zichzelf heeft gebouwd en ingericht, of de middelen heeft om dat te doen, of ten minste een {huis} heeft ingericht of in staat is dat in te richten. {ABN3: 83.2}

Door te trachten om de ingewikkelde, zware, en beproevende verantwoordelijkheden aan te nemen om een gezin te leiden naar Gods wil, zonder ten volle de aller-hoogstnoodzakelijke voorbereidingen die hier worden vermeld, aan te nemen, kan men weinig verwachten de fysieke, mentale, en geestelijke vermogens die een Christen zich van Gods wege voorgenomen heeft te bereiken, te ontwikkelen. Door dit te veronachtzamen, zal hij het leven tot een gezwoeg en een vloek maken, en door de jammerlijke onderhandeling eerder slechts een last zijn voor de grond dan een zegen voor de aarde. In plaats van op edele wijze onafhankelijk te zijn van anderen, zal hij verachtelijk afhankelijk zijn van hen; in plaats van een verheffende invloed te hebben op de samenleving, zal hij een verlagende invloed hebben; in plaats van zijn kinderen een redelijke zekerheid van kansen te geven, hen de zog en opvoeding te geven die ieder mens verdient, zal hij de vader zijn van een ongelukkig geslacht, dat gedoemd is in alle waarschijnlijkheid tot de lage lotsbestemming van mislukkelingen. {ABN3: 83.3}

Elke godvruchtige Davidiaanse jongeman zal zulk een tragedie vermijden door zich ten volle voor te bereiden op deze grootste ervaring in het leven voordat hij zich eraan gewaagt. Hij zal gedenken, dat voordat de Here de mens deed bestaan, Hij eerst de aarde maakte, het thuis van de mens, en het daarna voorzag van licht, lucht, voedsel, en water, van struik, en boom, en gras, van vogels, dieren en vee. En daar hij dit weet, zal hij dit navolgen. {ABN3: 84.1}

Naast het voldoen aan al deze onmisbare kwalificaties, zal de aanstaande echtgenoot die succes in het huwelijk koestert, geen huwelijksstap ondernemen voordat hij zich bekwaam heeft gemaakt om de huistaken van de echtgenote te doen voor het geval dat zij ziek, op een andere wijze onbekwaam of weggenomen wordt, of dat zij om een andere onverwachte reden door hem worden overgenomen. {ABN3: 84.2}

Anderzijds kan geen enkele Godvrezende Davidiaanse jonge vrouw op morele wijze het trouwen overdenken tenzij zij de huishoudelijke vaardigheden heeft verworven en iedere taak van het gezin op de schouder kan nemen. Als zij het huis schoon en keurig en ordelijk kan houden; als zij op vaardige wijze kan koken, wassen, en naaien, als zij kan zorgen voor de zieken en eerste hulp kan bieden, als zij op verstandige wijze kan zorgen voor kinderen; als zij op voorspoedige wijze kan tuinieren om haar tafel te voorzien van een overvloed aan verse groenten (want wanneer zij dagen voor gebruik worden gesneden, verliezen zij de meeste van de vitaminen door middel van oxidatie); — als zij al deze dingen kan doen, dan is zij het respect waard die een goede echtgenote toebehoort; zij heeft het verband van een sterke, duurzame verbond verworven. Evenwel moet zij echter, zo respectvol en gerespecteerd als zij moet zijn, ook een bepaalde soort beroep hebben zodat wanneer de echtgenoot ziek wordt, of gebrekkig {invalide} is geworden of wordt weggenomen, zij aan het hoofd kan staan van het gezin en zorgen haar noden en haar problemen het hoofd kan bieden. {ABN3: 85.1}

Ten slotte zullen beiden goed het feit in acht nemen dat de mentale, morele en professionele toerusting van een jongeman zelden voldoende is om de verantwoordelijkheden van het huwelijk te dragen, voordat hij de leeftijd van vier en twintig jaar heeft bereikt – de dag waarop een man volgroeid en ontwikkeld is, en dat een jonge vrouw zelden aldus erop voorbereid is voordat zij de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt – de dag waarop een vrouw volgroeid en ontwikkeld is. {ABN3: 85.2}