De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Gezondheidshervorming – Deel 1

Vraag: Wat is ons standpunt met betrekking tot gezondheidshervorming? Maken wij toch zonder voorbehoud onderscheid in het gebruik van gepasteuriseerde melk? {1SC7:9.7}

Antwoord: Ons standpunt met betrekking tot gezondheidshervorming, is met beide been stevig geplaatst en voorwaarts stappend. Om echter toegewijd te zijn in deze zaak, betekend niet intekenen voor extreme maatregelen. In tegendeel, betekend het logisch verstand te raadplegen en matigheid, niet boven datgene gaan, dat goddelijk is geopenbaard. {2SC2:9.8}

Die specifieke artikelen waartegen de Geest der Profetie een positieve getuigenis op na houd; onnatuurlijk, van krachten ontdaan, voeding zonder mineralen; en alle ongezonde praktijken, hebben wij toegezegd te vermijden. Maar wij nemen niet het standpunt in dat melk niet gebruikt moet worden. Sommige van ons gebruiken het niet, maar pleiten op dit punt niet, dat het niet gebruikt moet worden. Het zou dwaas zijn om aan te dringen op zo een hervorming, wanneer de meerderheid nog steeds, koffie, thee, azijn, kruiden, bitter, rijke gebakken, ongezonde granen, etc. gebruikt. Dit zou eenvoudigweg betekenen, te springen naar de hoogste trede van de ladder, terwijl men neergehouden wordt,  door de zware gewichten van verkeerde praktijken, in plaats van vanaf de bodem stap voor stap opklimmen, terwijl men de gewichten weg snijd, totdat uiteindelijk de top is bereikt, een proces van progressieve hervorming, die beter geïllustreerd wordt door de volgende droom. {2SC2:9.9}

“Terwijl ik in augustus 1860 in Battle Creek was, droomde ik, dat ik mij in gezelschap van een grote menigte mensen bevond. Een deel van deze menigte begaf zich op reis, goed toegerust. Wij hadden zwaar beladen wagens bij ons. Terwijl wij reisden, scheen de weg omhoog te gaan. Aan de ene kant van de weg was een diepe afgrond en aan de andere kant een hoge, gladde witte muur, alsof deze gepleisterd was. {2SC2:9.10}

“Naarmate wij verder reisden werd de weg nauwer en steiler. Op sommige plaatsen scheen de weg zo smal, dat wij zagen dat wij niet langer met onze beladen wagens konden verder reizen. Wij maakten daarom de paarden los, namen een deel van het reisgoed van de wagens en legden het op de paarden en reisden te paard verder. {2SC2:9.11}

“Hoe verder wij kwamen, hoe smaller de weg werd. Wij waren genoodzaakt om dicht tegen de muur te blijven, om niet van de smalle weg af in de diepe afgrond te storten. Terwijl wij dit deden, schuurde het reisgoed op de paarden tegen de muur, zodat wij naar de kant van de afgrond overhelden. Wij waren bang dat wij zouden vallen en op de rotsen verpletterd zouden worden. Daarom sneden wij onze bagage van de paarden los, en het viel in de afgrond. Wij reden te paard verder, maar waren erg bang, toen de weg nog smaller werd, dat wij ons evenwicht zouden verliezen en zouden vallen. Op zulke ogenblikken scheen een hand de paarden bij de teugel te houden en ons veilig over de gevaarlijke plaatsen te leiden. {2SC2:9.12}

“De weg werd steeds smaller en wij zagen in, dat wij niet langer veilig te paard konden gaan. Wij lieten nu de paarden achter en gingen te voet verder, in één rij achter elkaar. Op dit ogenblik werden dunne koorden van boven de witte muur neergelaten, waarvan wij een gretig gebruik maakten om ons evenwicht te bewaren op de smalle weg. Terwijl wij reisden, bewogen de koorden zich ook mee. De weg werd uiteindelijk zo smal, dat wij niet langer onze schoenen aan onze voeten durfden te houden. Wij deden ze snel uit en gingen zo verder. Nog wat verder gekomen besloten wij voor de veiligheid ook onze kousen uit te trekken en wij reisden barrevoets verder.{2SC2:10.1}

“Wij dachten toen aan hen, die aan geen ontberingen en moeilijkheden gewend waren. Waar waren zij nu? Zij waren niet in de groep. Bij elke ontbering bleven er sommigen achter. Alleen zij, die zich geoefend hadden om moeilijkheden te doorstaan, bleven. De ontberingen deden hun verlangen alleen toenemen om tot het einde toe door te zetten. {2SC2:10.2}

“Het gevaar om van de smalle weg af te vallen nam steeds toe. Wij drukten ons tegen de witte muur aan. Het pas was nu zo nauw dat onze voeten er niet eens in zijn geheel op pasten. Wij hingen daarom bijna met ons gehele gewicht aan de koorden, en iemand riep: ‘Wij hebben houvast van boven! Wij hebben houvast van boven!’’ Dezelfde woorden werden door allen in de groep op het smalle pas geuit. Maar wij rilden als wij de klanken van vrolijkheid en feestgejoel hoorden, die uit de afgrond tot ons opstegen. Wij konden het gevloek, de gemene scherts, het lage, vuile gezang vernemen. Wij hoorden de krijgsmuziek en de dansmuziek, de muziek van instrumenten, het luide gelach, vermengd met gevloek en geschreeuw van angst en bitter gekerm, wat ons meer dan ooit deed verlangen om op het nauwe moeilijke pad te blijven. Een groot gedeelte van de tijd moesten wij met ons hele gewicht aan de koorden hangen, die naarmate wij verder kwamen, steeds dikker werden. {2SC2:10.3}

“Ik bemerkte, dat op de schone witte muur bloedvlekken zaten en ik betreurde het dat de muur zo bezoedeld was. Maar dat gevoel duurde een ogenblik, want ik bedacht mij, dat dit was zoals het zijn moest. Zij, die volgen zullen hieraan weten, dat anderen de smalle, moeilijke weg voor hen gegaan zijn en daaruit opmaken, dat als anderen in staat waren de weg te gaan, zij hetzelfde kunnen doen. As dan het bloed uit hun pijnlijke voeten wordt geperst, zullen zij niet onder ontmoediging bezwijken, maar door het zien van het bloed op de weg weten, dat anderen dezelfde pijnen hebben doorstaan.{2SC2:10.4}

“Eindelijk kwamen wij bij een wijde kloof, waar ons pad eindigde. Er was niets om onze voeten te leiden, niets waarom wij konden steunen. Wij moesten ons nu geheel op de koorden verlaten, die steeds in dikte toegenomen waren, totdat ze bijna zo dik waren als onze lichamen. Voor een ogenblik waren wij in grote nood en verwarring. Wij vroegen angstig fluisterend: ‘’ Waar zitten die koorden aan vast?’’ Mijn echtgenoot was vlak voor mij. Grote druppels zweet vielen van zijn voorhoofd af, de anderen in de nek en in de slapen waren dubbel zo groot als gewoon en een onderdrukt gekreun ontsnapte aan zijn lippen. Het zweet liep mij ook van het gelaat af en ik had een angst, zoals ik nog nooit tevoren gekend had. Een vreselijke strijd stond ons te wachten. Als het hier misliep, hadden wij al de moeilijkheden van de afgelegde weg voor niets doorgemaakt. {2SC2:10.5}

“Voor ons uit, aan de andere kant van de kloof, was een prachtig veld met groen gras, ongeveer vijftien centimeter hoog. Ik kon de zon niet zien, maar heldere, zachte lichtstralen, die op fijn goud en zilver leken, rustten op het veld. Niets van wat ik op de aarde gezien had, kon vergeleken worden met de pracht en heerlijkheid van dat veld.’’ Maar zouden wij erin kunnen slagen om het te bereiken’’ was onze angstige vraag. Als het koord zou breken waren wij verloren. Weer werden angstig fluisterende woorden herhaald: ‘’ Waaraan zitten de koorden vast? ‘’ Voor een ogenblik aarzelden  wij om de sprong te wagen. Maar toen riepen wij uit: ‘’ Onze enige hoop is geheel op het koord te vertrouwen. Wij hebben er heel de moeilijke weg op vertrouwd. Het zal ons ook nu niet in de steek laten.’’ Nog aarzelden wij een ogenblijk. Daarop werden de woorden gesproken: ‘’ God houdt de koorden vast. Wij hoeven niet te vrezen.’’ Deze woorden werden herhaald door hen, die achter ons waren en er werd aan toegevoegd: ‘’ Hij zal ons niet verlaten. Hij heeft ons al veilig tot hier gebracht.’’{2SC2:10.6}

“Hierop zwaaide mijn echtgenoot zich over de vreselijke kloof in het prachtige veld erachter. Ik volgde onmiddellijk. Wat gaf ons dat een verlichting en wat een gevoel van dankbaarheid vervulde ons hart! Ik hoorde stemmen, die triomfantelijk God loofden. Ik was gelukkig, volmaakt gelukkig! {2SC2:10.7}

“Ik ontwaakte en merkte dat door de angst die ik ervaren had om over de moeilijke weg, te gaan iedere zenuw in mijn lichaam aan het trillen was. Deze droom heeft geen uitleg nodig. Het heeft zo een indruk op mij gemaakt, dat waarschijnlijk ieder onderdeel erin mij levendig zal bijstaan, zolang mijn geheugen voortgaat. “ – 2 T 594-597. {2SC2:10.8}

Zo kunt u dus zien, dat het hele probleem van de individu afhangt. Als wij vastbesloten zijn om gelijke tred met God te houden, zal Hij de hervormingen aan ons openbaren, die wij in ons leven moeten instellen en wanneer hen uit te werken. Daarom zullen wij u niet adviseren, om het gebruik van melk te stoppen, totdat u er zeker van bent dat de Heer u zegt dat te doen. {2SC2:10.9}