De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Fundamentele_Geloofspunten en Adresboek

Fundamentele Geloofspunten

 en Adresboek

van

De Davidiaanse Zevende dags Adventisten

Plaatje met daaronder de volgende tekst

“Blaast de bazuin te Zion, en roept luid op de berg mijner heiligheid”

FUNDAMENTELE GELOOFSPUNTEN

En

Adresboek

Van

 

De Davidiaanse Zevende dags Adventisten

Logo

Uitgegeven in 1943

“Sta op en wordt verlicht, want u licht is gekomen, en de heerlijkheid des Heeren is over u opgegaan.’ Jes. 60 : 1 {FB: 2.1}

“Blaast de bazuin te Zion, en roept luid op de berg mijner heiligheid : laat alle inwoners  des lands beroerd zijn: want de dag des Heeren komt, want hij is nabij” Joel 2: 1 {FB: 2.2}

“Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.” Jes. 58: 1 {FB: 2.3}

2

FUNDAMENTELE GELOOFSPUNTEN

Opkomende in 1930 van binnen in het kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten (“de kerk der Laodiceanen”), is het Davidiaanse Zevende Dags Adventistische genootschap altijd toegewijd geweest aan het profetisch werk (voorspeld in Jesaja 52:1) van de voorbereiding van de Laodiceaanse kerk, de laatste met “het onkruid”onder “het tarwe,”op de laatste verkondiging van het evangelie “in de gehele wereld.” Matt. 24:14. {FB: 3.1}

Dit Genootschap houdt zich, gemeenschappelijk met het kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten,”aan bepaalde fundamentele geloofspunten, waarvan de voornaamste kenmerken, tezamen met enkele Bijbelse verwijzingen, waarop deze zijn gebaseerd,” oorspronkelijk als hiernavolgend worden opgesomd: {FB: 3.2}

  1. Dat de Heilige Schriften van het Oude en het Nieuwe Testament ontstaan zijn door inspiratie Gods en een alleszins voldoende openbaring bevatten van Zijn wil ten opzichte der mensen en het enige onfeilbare richtsnoer zijn voor het geloof en het gedrag zijn (1Tim.3:15-17). {FB: 3.3}
  2. Dat de Godheid of Drie-eenheid bestaat uit de Eeuwige Vader, een persoonlijk, geestelijk Wezen, almachtig, alomtegenwoordig, alwetend, oneindig in wijsheid en liefde; de Here Jezus Christus, de Zoon van de Eeuwige Vader, door Wie alle dingen werden geschapen en door Wie de redding van de verloste scharen vervuld zal worden;

3

 de Heilige Geest, de derde Persoon der Godheid, de grote weder barende macht in het werk der verlossing (Matt. 28:19). {FB: 3.4}

  1. Dat Jezus Christus inderdaad God is, in natuur en wezen overeenkomende met de Eeuwige Vader. Hoewel Hij Zijn Goddelijke natuur behield, nam Hij de natuur van het menselijk geslacht aan en leefde als zodanig op deze aarde, openbaarde in Zijn leven ons ten voorbeeld, de beginselen der gerechtigheid, bewees Zijn verhouding tot God door vele machtige wonderen, stierf voor onze zonden aan het kruis, werd opgewekt uit de dood, en voer ten hemel naar de Vader, waar Hij als Middelaar voor ons leeft (Joh. 1:1,14; Hebr. 2:9-18; 8:1,2; 4:14-16; 7:25). {FB: 4.1}
  2. Dat een ieder, om de zaligheid (of verlossing) te verkrijgen, de wedergeboorte moet ondergaan, wat een algehele verandering leven en karakter door de herscheppende macht Gods door het geloof in de Here Jezus Christus inhoudt (Joh. 3:16; Matt.18:3; Hand. 2:37-39). {FB: 4.2}
  3. Dat de doop een instelling is van de Christelijke kerk en volgen moet op berouw en vergeving der zonden. Door deze te ondergaan, toont men geloof in de dood, begrafenis, en wederopstanding van Christus; dat de juiste wijze van de doop geschiedt door onderdompeling (Rom. 6:1-6; Hand. 16:30-33). {FB: 4.3}
  4. Dat de wil van God wat betreft het zedelijk gedrag, is vastgesteld in Zijn wet der tien geboden. Dat deze hoogst zedelijke, onveranderlijke beginselen

4

zijn, bindend voor alle mensen door alle tijden heen (Ex. 20:1-17). {FB: 4.4}

  1. Dat het vierde gebod van deze onveranderlijke wet de viering vraagt van de Sabbat op de zevende dag. Deze heilige instelling is tegelijkertijd een herinnering aan de schepping en een teken van heiligmaking, een teken van de rust van de gelovige van zijn eigen werken der zonde en zijn ingaan in de zielenrust, die Jezus beloofde aan diegenen, die tot Hem komen (Gen. 2:1-3; Ex. 20:8-11; 31:12-17; Hebr. 4:1-10). {FB: 5.1}
  2. Dat door de wet der tien geboden de kennis der zonde is, waarvan de bezoldiging (of het loon) de dood is. De wet kan de overtreder niet van zijn zonde redden, noch hem de kracht verlenen om hem voor zonde te bewaren. In oneindige liefde en genade wijst God een weg, waardoor dit kan geschieden. Hij stelt een Plaatsvervanger aan en wel Christus de Rechtvaardige, om in de plaats van de mens te sterven, want Hij heeft “Hem, die geen zonde gekend heeft, tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”(2 Kor. 5:21). Wij worden gerechtvaardigd niet door gehoorzaamheid aan de wet, maar door de genade in Christus Jezus. Door Christus aan te nemen wordt de mens verzoend met God, gerechtvaardigd door Zijn bloed voor de zonden van het verleden en gered van de macht der zonde door de inwoning van Christus. Aldus wordt het Evangelie “de kracht Gods tot zaligheid (dit is verlossing of eeuwige behoudenis) voor een ieder die gelooft.” Deze ervaring wordt gewrocht (of tot stand gebracht)door de goddelijke inwerking van de Heilige Geest, Die van zonde overtuigt en leidt tot Hem,

5

die de zonde op Zich neemt; vervolgens de zondaar in verbondsbetrekking tot zich brengt, de wet van God in zijn hart schrijft en door de bekwaam makende kracht van de inwonende Christus zijn leven in overeenstemming brengt met de goddelijke beginselen. De eer en verdienste van deze wonderlijk veranderring komen algeheel Christus toe (1 Joh. 3;4; Rom 7:7; 3:20; Efe. 2:8-10; 1 Joh. 2:1,2; Rom. 5:8-10; Gal. 2:20; Efe. 3:17; Hebr. 8:8-12). {FB: 5.2}

  1. Dat God alleen onsterfelijkheid bezit (1 Tim. 6:16). De sterfelijke mens bezit een natuur, onafscheidelijk verbonden met de zonde en de dood. Het eeuwige leven is de gave Gods door het geloof in Christus (Rom. 6:23). “Die de Zoon heeft, heeft het leven”(1 Joh. 5:12). Onsterfelijkheid wordt gegeven aan de rechtvaardigen bij de tweede komst van Christus, wanneer de gerechtvaardigde doden zullen opstaan uit het graf en de levende rechtvaardigen veranderd zullen worden om de Here te ontmoeten. Dan zullen de getrouwen “onsterfelijkheid”aandoen (1 Kor. 15:51-55). {FB: 6.1}
  2. Dat de mens in zijn dood van niets bewust is. Dat alle mensen, zowel goede als boze, in het graf blijven van af hun dood tot aan de opstanding (Pred. 9:5,6; Psalm 146:3,4; Joh. 5:28,29). {FB: 6.2}
  3. Dat er een opstanding zal zijn, zowel van de rechtvaardigen als van de onrechtvaardigen. De opstanding van de rechtvaardigen zal plaatsvinden bij de tweede komst van Christus, de opstanding der onrechtvaardigen zal duizend jaren

6

later plaatsvinden, na het einde van het millennium (Joh. 5:28,29; 1 Tess. 4:13-18; Openb. 20:5-10). {FB: 6.3}

  1. Dat de onboetvaardigen (dit zijn zij die geen berouw hebben van hun zonden en ze niet beleden hebben) met inbegrip van Satan, die de aanstichter van de zonde is, door het vuur van de grote dag, geheel vernietigd zullen worden, zodat het zal zijn alsof zij nooit bestaan hadden. Aldus zal Gods heelal gereinigd worden van zonde en zondaren (Rom. 6:23; Mal. 4:1-3; Openb. 20:9,10; Obadja 16). {FB: 7.1}
  2. Dat er in de Bijbel geen profetisch tijdvak voorkomt, dat doorloopt tot de tweede Advent, maar dat het langste profetische tijdvak, vermeld in Dan. 8:14, eindigde in 1844, het tijdstip wanneer het heiligdom gerechtvaardigd, of in rechte staat hersteld (of zoals de “King James”vertaling het zegt: “gereinigd”) zal worden. {FB: 7.2}
  3. Dat het ware heiligdom, waarvan de tabernakel op de aarde een voorbeeld was, de tempel Gods in de hemel is, waarvan Paulus in Hebr. 8 en volgende hoofdstukken spreekt, en waarvan de Here Jezus, als onze Hogepriester, de Bedienaar is; en dat het priesterlijk werk van onze ere het tegenbeeld is van het werk der Joodse priesters van de vorige bedeling; dat dit hemelse heiligdom gereinigd wordt aan het einde van de 2300 dagen van Dan. 8:14; dat deze reiniging, evenals in het schaduwbeeld, een werk van het oordeel is, beginnende met Jezus’ ingang in de tweede afdeling van het hemels heiligdom, doende daar een werk, dat afgeschaduwd was in de aardse

7

 tabernakel op de grote Verzoendag. Dit werk van het oordeel in het hemelse heiligdom begon in 1844. Het einde van dit werk zal ook het einde van de genadetijd der mensen zijn. {FB: 7.3}

  1. Dat God, in overeenstemming met de wijze, waarop Hij altijd met het mensdom handelde, door het te waarschuwen voor komende gebeurtenissen, die hun toekomstig lot zouden beslissen (Amos 3:6,7), in deze tijd van het oordeel, de nadering van de tweede komst van Christus aankondigt; verder dat dit werk gesymboliseerd wordt door de drie engelen van Openb. 14, en dat hun drievoudige boodschap een hervormingswerk weergeeft, dat een volk moet voorbereiden om Hem te ontmoeten bij Zijn komst. {FB: 8.1}
  2. Dat de tijd van de reiniging van het heiligdom, welke samenvalt met het tijdvak van de verkondiging van de boodschappen van Openbaring 14, een tijd is van het onderzoekend oordeel, in de eerste plaats ten aanzien van de doden, en in de tweede plaats ten aanzien van de levenden. In dit onderzoekend oordeel moet worden uitgemaakt, wie van de myriaden (of menigten) slapenden in de stof der aarde, waardig zijn om del te hebben aan de eerste opstanding en wie van de levende scharen waardig zijn om in een ondeelbaar ogenblik te worden veranderd (1 Pet. 4:17,18; Dan. 7:9,10; Openb. 14:6,7; Luk. 20:35). {FB: 8.2}
  3. Dat de volgelingen van Christus een godvruchtig volk moeten zijn, die niet de wereldse stelregels aannemen, niet wandelen op de onrechtvaardige wegen der wereld, zich niet aan haar zondige vermaken overgeven, noch haar dwaasheden vergoelijken.

8

Dat de gelovige zijn lichaam moet stellen tot een tempel van de Heilige Geest, en dat hij derhalve zich ook netjes, zedig en onopvallend moet kleden. Verder dat hij in eten en drinken en in heel zijn gedrag, zijn leven zo zal inrichten, als een volgeling van de ootmoedige en nederige Meester betaamt. Dit zal de gelovige er toe leiden om zich te onthouden van alle bedwelmende dranken, van tabak en andere verdovende middelen en zich los te maken van alle ziel en lichaam verontreinigende gewoonten en praktijken (1 Kor. 3:16,17; 9:25; 10:31; 1 Tim. 2:9,10; 1 Joh. 2:6). {FB: 8.3}

  1. Dat het Goddelijk beginsel betreffende tienden en offeranden ter ondersteuning van het Evangeliewerk, een erkenning inhoudt, dat God een eigendomsrecht bezit op ons leven en dat wij rentmeesters zijn, die Hem verantwoording schuldig zijn betreffende alles, wat Hij ons als bezit gegeven heeft (Lev. 27:30; Mal. 3:8-12; Matt. 23:23; 1 Kor. 9:9-14; 2 Kor. 9:6-15). {FB: 9.1}
  2. Dat God in Zijn gemeente de gaven van de Heilige Geest geplaatst heeft, zoals ze genoemd worden in 1 Kor. 12 en Efeze 4. Dat deze gaven in hun werking in overeenstemming zijn met de goddelijke beginselen van de Bijbel, en gegeven zijn om de heiligen te vervolmaken, voor het werk der bediening, tot stichting van het lichaam van Christus ( Openb.12:17; 19:10; 1 Kor. 1:5-7). {FB: 9.2}
  3. Dat de tweede Komst van Christus de zalige hoop der gemeente is, de grote climax van het Evangelie en het verlossingsplan. Zijn komst zal letterlijk, persoonlijk

9

en zichtbaar zijn. Vele belangrijke gebeurtenissen zullen met Zijn wederkomst samenvallen, zoals de opstanding der doden, de verdelging der goddelozen, de reiniging der aarde, de beloning der rechtvaardigen en de oprichting van Zijn eeuwige Koninkrijk. De bijna algehele vervulling van de verschillende profetische geschiedsbeschrijvingen, in het bijzonder die, welke men aantreft in de boeken Daniël en de Openbaring, en de heersende toestanden op lichamelijke, maatschappelijk, industrieel, politiek en godsdienstig gebied, tonen aan, dat Jezus’ komst “nabij is, voor de deur.” De juiste tijd van die gebeurtenis is niet voorzegd. De gelovigen worden vermaand bereid te zijn, “want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen” ( Luk. 21:25-27; 17:26-30; Joh.14:1-3; Hand. 1:9-11; Openb. 1:7; Hebr. 9:28; Jak. 5:1-8; Jo.l 3:9-16; 2 Tim. 3:1-5; Dan. 7:27; Matt. 24:36,44). {FB: 9.3}

  1. Dat Christus’ heerschappij gedurende de duizend jaren het tijdvak beslaat tussen de eerste en de tweede opstanding, gedurende welke tijd de heiligen uit alle eeuwen met hun gezegende Verlosser in de hemel zullen verblijven. Aan het einde van de duizend jaren zal de Heilige Stad met al de heiligen op de aarde nederdalen. De goddelozen, opgewekt in de tweede opstanding, zullen opkomen over de breedte der aarde, met Satan aan het hoofd, om de legerplaats der heiligen te overweldigen, maar dan zal vuur van God uit de hemel nederdalen en hen verslinden. In deze vuurzee, die Satan en zijn heir (zijn volgelingen) vernietigt, zal de aarde herschapen en gereinigd

10

 worden van de gevolgen van de vloek. Aldus zal Gods heelal gezuiverd worden van de zonde en van alles, waaraan zonde kleeft (Openb. 20; Zach. 14:1- 4; 2 Pet. 3:7-10). {FB: 10.1}

  1. Dat God alle dingen nieuw zal maken. De aarde, zal voor eeuwig de woonplaats van ‘s Heren heiligen zijn. De belofte aan Abraham gegeven, dat door Christus, hij en zijn zaad de aarde door de eindeloze eeuwen heen zouden bezitten zal vervuld worden. “Het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse aarde zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten; Zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen.” Christus, de Here, zal boven allen regeren “en elk schepsel, in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee en alles wat daarin is,”zal lof en eer en heerlijkheid en kracht toekennen aan “Hem, die op de troon zit, en aan het Lam in alle eeuwigheid”( Gen. 13:14-17; Rom. 4:13; Hebr. 11:8-16; Matt. 5:5; Jes. 35; Openb. 21:1-17; 5:13; Dan. 7:27).—Jaarboek van het Kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten, 1940 Editie, blz. 5-8. {FB: 11.1}

TER TOEVOEGING tot deze fundamentele geloofsstellingen waaraan het zich overeenkomstig houdt met het Kerkgenootschap der Zevende Dags Adventisten, gelooft het Davidiaanse Genootschap: {FB: 11.2}

  1. Dat de profetische gaven van de Z.D.A. Kerk (door de

11

tussenpersoon waardoor de kerk in 1844 tot stand kwam en gedurende 70 jaren gevoed en in stand gehouden wordt) ophield zich te manifesteren in 1915 en niet opnieuw werd gemanifesteerd dan in 1930. Het ophouden en opnieuw manifesteren zijn te vergelijken met het ophouden ervan in het Oude Testament en het opnieuw manifesteren van deze gaven in het Nieuwe Testament. {FB: 11.3}

  1. Dat de tegenwoordige manifestatie word vastgesteld overeenkomstig de 430-jarige profetie van Ezechiël 4, en dat het de “toevoeging” is die verwacht wordt in Eerste Geschriften (E.G.), blz. 332 / Early Writings (E.W.) p. 277. {FB: 12.1}
  2. Dat het opnieuw wordt gemanifesteerd in het afsluitingswerk voor de kerk om de verzegeling van de 144.000 dienstknechten van God teweeg te brengen (3 Testimonies p. 266), en om kracht en nadruk te geven ( E.G. blz. 331,332 / EW. p. 277) aan de Derde Engel Boodschap (Openb. 14:6-11) zodat de 144.000 gesterkt mogen zijn om het afsluitingswerk voor de wereld te volbrengen en al hun broeders te verzamelen uit alle natiën (Jes. 66:19, 20; Openb. 18:4). {FB: 12.2}
  3. Dat de vernietiging van het onkruid temidden van de eerste vruchten der levenden (Matt. 13:30, 48, 49; Eze. 9:6, 7) resulteert in de reiniging van de kerk. {FB: 12.3}
  4. Dat onmiddellijk daarna, de engelen de vier winden zullen loslaten (Openb. 7:1-3), waaruit voortvloeit de tijd der benauwdheid en het opstaan van Michaël Die daarvan zal bevrijden, allen,

12

 wier namen geschreven staan in het Boek des Levens van het Lam (Dan. 12:1). {FB: 12.4}

  1. Dat het loslaten van de vier winden door de engelen om over de vier hoeken der aarde te waaien (Openb. 7:1), niet een vooruitzicht is op een wereldoorlog, maar eerder een wereldwijd dekreet is, opgelegd door heel Babylon door het beest met het beeld, en dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie “het beeld” aanbidt (Openb. 13:15-17). {FB: 13.1}
  2. Dat daarna, de tijd van Jakobs benauwdheid (Jes. 30:7) voor de 144.000 zonen van Jakob, logischerwijs volgt op hun weg naar huis (Gen. 32:1, 24) naar het land hunner vaderen (Eze. 36:28; 37:21, 25). {FB: 13.2}
  3. Dat de voorafgaande gebeurtenis zal maken dat de namen van de 144.000 zullen worden veranderd zoals bij hun vader Jakob (Gen. 32:28), en als een lichaam een nieuwe naam zullen ontvangen welke de mond des HEREN zal noemen (Jes. 62:2). {FB: 13.3}
  4. Dat deze gebeurtenissen zullen resulteren in het oprichten van het Koninkrijk (Dan. 2:44; Jes. 2:1-4; Micha 4; Eze. 37), waarin de 144.000, zij die het Lam volgen “waar Hij ook heengaat” (Openb. 14:4), met Hem zullen staan op de berg Zion (Openb. 14:1), waar zij de “vermogens der heidenen zullen ontvangen” (Jes. 60:5, 11). {FB: 13.4}
  5. Dat met deze reeks van gebeurtenissen de Luide Roep van de engel zal volgen die de aarde verlicht met zijn heerlijkheid (Openb. 18:1),

13

 terwijl die andere stem roept: “Kom uit van haar Mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen.” (Openb. 18:4). {FB: 13.5}

  1. Dat als reactie op deze oproep, vele nati.n zullen zeggen: “Kom, en laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande Zijn wegen en opdat wij Zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem.” (Micha 4:2) {FB: 14.1}
  2. Dat de Stem zal ophouden met roepen wanneer al de gelovigen zullen zijn vergaderd uit alle nati.n. Dan zullen “de dagen komen, zegt de HERE God, dat lk een honger zal zenden in het land — geen honger naar brood, en geen dorst naar water, maar om de woorden des HEREN te horen. Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten, zij zullen heen en weer snellen om het woord des HEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.” (Amos 8:11, 12). {FB: 14.2}
  3. Dat dan zal volgen de ontbinding van de wereldwijde organisatie van het beeld van het beest (Openb. 19:1-3), de afsluiting van het onderzoekend oordeel der levenden (Openb. 15:5-8), het einde van de genadetijd (Openb. 22:11), en de uitstorting van de laatste plagen over de goddelozen. (Openb. 16). {FB: 14.3}
  4. Dat onder de zevende plaag, de legerscharen toegerust voor de slag van Harmagedon

14

zullen strijden tegen, en zullen worden gedecimeerd (gestraft) door, de hemelse legerscharen (6 Testimonies p. 406), en dat Christus zal verschijnen in al Zijn heerlijkheid, de overgebleven goddelozen vernietigend, de rechtvaardige doden opwekkend (1 Tess. 4:15-17), en het millennium (= de periode van 1000 jaren) inleiden (Openb. 20:5). {FB: 14.4}

  1. Dat gedurende een korte tijd (Openb. 20:3), honderd jaren (Jes. 65:20), na het millennium, de goddelozen weer zullen leven en dan uiteindelijk zullen worden vernietigd door vuur (Openb. 20:9), waarna alle dingen zullen worden vernieuwd en Gods oorspronkelijk plan op volmaakte wijze in vervulling zal gaan in een onafgebroken eeuwigheid van hemelse vreugde (Openb. 21:4). {FB: 15.1}

15

ADRESBOEK

GEBIED

Bij het begin: “De straten en zijwegen van de stad” (Lukas 14: 17-21) – de kerk.

Aan het eind: “De snelwegen en heggen” (Lukas 14: 23; Matt. 24: 14)—“ alle natie, en geslacht en taal en volk” (Openb. 14: 6), zelf “ in de eilanden van de zee” ( Jes. 24: 15), — de “eilanden veraf.”  Jes. 66: 19.

ADRES VAN HET KANTOOR AAN HUIS

Telegram adres: Davidiaanse Zevende dags Adventisten, Mt. Carmel Center,

Waco, Texas.

Snelpost en Vrachtgoederen: Internationale Handels Associatie., Mt. Carmel Center, Waco, Texas.

Post: Universele Uitgevers Associatie., Mt. Carmel Center, Waco, Texas.

DAGELIJKS BESTUUR

President: V. T. Houteff

Vice President: E. T. Wilson

Secretaresse: Mw. F. M. Houteff

Penningmeester: Mw. S. Hermanson

BESTUURSLEDEN

  1. T. Houteff Mw. G. R. Bingham
  2. J. Bingham E. T. Wilson

Mw. S. Hermanson                            H. G. Warden

Mw. F. M. Houteff

UITGEVERIJ

          Redacteur: V. T. Houteff

          Assistent Redacteur: M. J. Bingham

          Aangesloten Redacteuren: Mw. S. Hermanson

                                         Mw. G. R. Bingham

         Manager Verspreiding: Mw. L. M. Georgel

AFDELINGS SECRETARESSES

          Onderwijs: M. J. Bingham

          Sabbat School: Mw. G. R. Bingham

          Correspondentie: Mej. J. M. Helman

                              Mw. M. E. Mills

VERWERVING EN DISTRIBUTIE

Mej. M. A. Helman

  1. V. Smith

SECRETARESSES VOOR HET VELD VOOR DE VERENIGDE STATEN

  1. G. Warden E. T. Wilson

Dr. H.F. Roller      W. J. Banks

PREDIKANTEN

Banks, W. J.                                              Houteff, V. T.

         Bero, S.                                                      Josselyn, F. H.

         Bingham, M. J.                                           Knipple, J.

          Boyes, J. H.                                                Nations, L. W.

          Brewer, B. C.                                              Richardson, O. O.

          Butterbaugh, Dr. W. S.                               Roller, H. F.

          Coffey, W. R.                                               Rose, A. J.

          Colvin, A. J.                                                Springer, J. D.

          Deeter, M. L.                                               Warden, H. G.

          Georgel, R. A.                                              Wilson, E. T.

          Herrera, L. R.                                              Wolfe, M. W.

17

DOCTORANDUS STUDENTEN

  Goodman, Milton                                        Mill, H. H.

Green, G. W.                                               Saether, G. W.

Green, L. G.                                                Sealy, H. C.

Green, R. S.                                                Smith, A. G.

Helman, C. W.                                             Smith, V. V.

Hermanson, T. O.                                      Walton, G. W.

Johnson, M.                                                Wilson, J. E. {FB: 18.1}

BIJBELWERKERS

Archor, Dr, Clara Farr

Aclin, Mw. Emma Bell

                                      Amos, Mw. Etta J.

Berolinger, J. B.

Betz, J. H.

                                       Bingham, Mw. Genevieve

          Clark, D.D.

          Colvin, Mw. Ruth

          Conley, Mw. Gay

Davis, Mw. Evelyn

Ferguson, Mw. Evelyn

Fitzsimmons, Mw. Lavada

Gould, Mw. Gladys

Gurney, C. J.

Henderson, T. E.

Hill, Miss Lucy

Hodgen, Mw. Mary, L.

Huffaker, L. B.

Kurtz, E. E.

Lowe, Mw. R. N.

Lyons, Mw. Edna, E.

Michael, Mw. Sophrania

Mooney, R. P. {FB: 18.2}

18

Quackenbush, Mw. Louise

Richert, H.

Robles, J. P.

Rogers, Mw. Helen

Rompel, J. B.

Saether, Mw. Romana

Schiau, N.

Schleifer, Mej. Lilian

Smith, C. T.

Vories, J. R.

Warden, Mw. Vida

Wessel, C. E.

Wilson, C. L. {FB: 19.1}

Wolfe, Mw. Ethel

ADRESBOEK WERKERS

Archor, Dr, Clara Farr, 402 East Chandler,

Brownwood, Texas

Aclin, Mw. Emma Bell, 72 East 6th Avenue,

 San Angelo, Texas

Amos, Mw. Etta J., 4850 Northwest 24th

Court, Miami, Florida

Banks, W. J., Meadows of Dan, Virginia

Bero, S., 9237 University Avenue, Chicago,

 Illinois

Berolinger, J. B.,Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Betz, J. H., Garland, Wyoming

Bingham, Mw. Genevieve, Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Boyes, J. H. Gibbs, Idaho

19

Brewer, B. C. 1699 East 110th Street, Los

          Angeles, California

Butterbaugh, Dr, W. S., Box 68, Canon

          City, Colorado

Clark, D.D., 744 East 10 1/2 Street, Houston

          Texas

Coffey, W. R., 926 East 104th Street, Los

          Angeles, California

Colvin, A, J. , Mt. Carmel Center, Waco,

Texas

Conley, Mw. Gay, Route 1, Springfield,

          Ohio

Davis, Mw. Evelyn, Route 4, Box 96, Greely,

Colorado

Deeter, M. L., Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Ferguson, Mw. Evelyn, 120 ½ S. Giavanola,

          Ave., San Bernardino, Calif.

Fitzsimmons, Mw. Lavada, 315 Forrest

          Avenue, San Antonio, Texas

Georgel, R. A., Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Gould, Mw. Gladys, Route 3, Box 9, Bremerton

          Washington

Gurney, C. J., 709 Colonial Avenue,

          Norfolk, Virginia

Henderson, T. E., Route 4, Cleburne,

          Texas

Herrera, L.R., 1925 Cave, National City,

          California

Hill, Miss Lucy, 1625 East 10th , Pueblo,

          Colorado

20

Hodgen, Mw. Mary, L., 2831 South Lincoln,

          Englewood, Colorado

Houteff, V. T. , Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Huffaker, L. B., Route 1, Weston, Ohio

Josselyn, F. H., 213 North Virginia St.,

          Clearwater, California

Knipple, J., 308 Mooney Drive, Wilmar,

California

Kurtz, E. E., Route 1, Marietta, Georgia

Lowe, Mw. R. N., Darrington, Washington

Lyons, Mw. Edna, E., 5905 Southeast 21 st

          Avenue, Portland, Oregon

Michael, Mw. Sophrania, Liberty Center,

          Indiana.

Mooney, R. P., 680 Kerr Ave., Victoria, B. C. ,

Canada

Nations, L. W., Salem, South Caroline

Quackenbush, Mw. Louise S., 121 Mt Vernon

          St., Ridgefield Park, N. J.

Richardson, O.O., Route 1, Muncie,

          Indiana

Richert, H., Route 5, Box 470, Portland,

          Oregon

Robles, J. P., 711 Echandia Street, Los An-

          Geles, California

Rogers, Mw. Helen, Helen, 1522 Zuniga Lane,

          Los Angeles, California

Roller, H. F., 3887 37th Street, San Diego

          California

21

Rompel, J. B., Route 2, Box 72, Chow-

          Chilla, California

Rose, A. J., Route 5, Waterford, Penn.

Schiau, N., Mt. Carmel Center, Waco, Tex.

Schleifer, Mej. Lilian, 372 ½ E. Delmar

          Street, Pasadena, California

Smith, C. T., Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Smith, V. V., Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Springer, J. D., Route 1, Mitchel, Neb.

Vories, J. R., Route 1, Maple Springs

          Camp, Logansport, Indiana

Warden, H. G., Mt. Carmel Center, Waco

          Texas

Warden, Mw. Vida, Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Wessel, C. E., 29 Chesnut Street, Charleston,

          South Carolina

Wilson, C. L., Route 1, c/o J. Ford, Rath-

          Drum, Idaho

Wilson, E. T., Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

Wolfe, M. W., Mt. Carmel Center, Waco,

          Texas

22

DE INSTRUCTIES VOOR HET ELFDE UUR

“Sta op en wordt verlicht, want u licht is gekomen, en de heerlijkheid des Heeren is over u opgegaan. Want ziet, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de Heere opgaan, en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En de Heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan. Hef uw ogen rondom op en zie die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoed worden.” Jes. 60: 1-4. {FB: 23.1}

“Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet ik zeg u : heft uw ogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn al wit om te oogsten.” Joh. 4 : 35. {FB: 23.2}

“Toen zei hij tot zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig;  Bidt dan de Heere van de oogst, dat Hij arbeiders in zijn oogst zende.” Matt. 9: 37, 38. {FB: 23.3}

“Overal wordt opgeroepen tot het uitdragen van het licht dat God aan Zijn volk heeft gegeven, maar deze oproepen zijn meestal tevergeefs. Wie voelt de drang om zichzelf aan God en Zijn werk te wijden? Waar zijn de jonge mannen die zich voorbereiden om aan deze oproepen gehoor te geven? Grote gebieden liggen voor ons open, waar het licht van de waarheid nooit is doorgedrongen.

23

Welke kant wij ook opkijken, wij zien rijke oogsten klaar om te worden binnengehaald, maar er is niemand om te oogsten. Gebeden worden opgezonden voor de triomf van de waarheid. Wat betekenen uw gebeden, broeders? Wat voor succes wilt u? — een soort succes dat past bij uw niets doen of uw zelfzuchtige begeerten?– een succes dat zichzelf zal ondersteunen en in standhouden zonder enige inspanning van uw zijde? {FB: 23.4}

Er moet een definitieve verandering plaatsvinden. . . die hen die op hun lauweren rusten slecht zal uitkomen, voordat arbeiders die voor het ernstige werkt geschikt zijn, naar het veld kunnen worden uitgezonden. Er moet een opleving, een geestelijke vernieuwing komen. De temperatuur van de christelijke vroomheid moet omhoog. Er moeten plannen worden gemaakt en uitgevoerd voor de verspreiding van de waarheid onder alle naties van de aarde. Satan is bezig Christus’ belijdende volgelingen in slaap te sussen, terwijl overal om hen heen zielen omkomen, en wat voor excuus kunnen zij voor hun nalatigheid aanbieden aan de Meester? {FB: 24.1}

“… Waarom staat gij hier de hele dag werkeloos? “Waarom bent u niet op enige wijze in de wijngaard aan het werk? Telkens weer vraag Hij u, “Gaat ook gij in de wijngaard aan het werk en al wat billijk is zal Ik u geven. “Deze genadige oproep vanuit de Hemel is echter door de overgrote meerderheid in de wind geslagen. Is het niet de hoogste tijd dat u de geboden van God gehoorzaamt ?  Er is werk voor iedereen die de naam

24

 van Christus draagt. Een stem uit de hemel roept u ernstig op om uw plicht te vervullen. Luister naar deze stem en ga onmiddellijk ergens aan het werk, in een andere functie. Waarom staat gij de hele dag werkeloos? Er is werk te doen voor u, –een werk dat vraagt om uw beste inzet. Ieder kostbaar moment van het leven is verbonden met een of andere plicht die u aan god of aan uw medemens verschuldigd bent, en toch staat u hier werkeloos!”— Testimonies, Vol. 5 p. 203, 204, {Getuigenissen, Deel 5, blz. 167}. {FB: 24.2}

“Laat mij u vertellen,” vervolgt de Geest der Profetie, “ als u uw hart in dit werk legt en u heeft vertrouwen in God, hoeft u niet afhankelijk te zijn van de goedkeuring van om het even welke predikant of welk mensen: als u recht te werk gaat in de naam van de Heer, op een nederige manier doen wat u kan om de waarheid te onderwijzen, zal God u rechtvaardigen. Als het werk niet zo aan banden werd gelegd door beletsel hier en een beletsel daar, en aan de andere kant een beletsel, zou het voort zijn gegaan in haar verhevenheid. Het zou eerst in zwakheid gaan; maar de God van de hemel leeft.”—Review and Herald, April 16, 1901. (Zie ook Testimonies, Vol 7, p. 25) {FB: 25.1}

          Er moet nog een belangrijk werk van het redden van zielen worden gedaan. Iedere engel van God is met dit werk bezig, terwijl ieder boze engel het tegenwerkt. Christus… verwacht een overeenkomstige zelfopoffering van degenen die Hij kwam zegenen en redden. Iedereen is verplicht te

25

 werken overeenkomstig zijn vermogen. Iedere wereldse overweging moet terzijde worden geschoven tot glorie van God.”—Testimonies, Vol 5, p. 204, {Getuigenissen, Deel 5, p. 168}. Dit ligt ten grondslag aan alle

Vereisten voor Werkers. {FB: 25.2}

          Zij die vandaag Zijn stem willen horen en hun harten niet verharden, zoals in de dagen van uitdaging, zal Hij maken tot Zijn toekomstige dienstknechten. {FB: 26.1}

          “Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de Heere der heirscharen.” Zach. 4 : 6. De werkers zullen eerder onderwezen worden door de zalving van Zijn Geest, door de uiterlijke training van wetenschappelijke instituten…. God zal duidelijk maken dat Hij niet afhankelijk is van geleerde, stervelingen die zichzelf belangrijk vinden. “Zij die zwak en aarzelend waren in de kerk, zullen als David zijn—zij zullen bereid zijn en durf hebben.”— Testimonies, Vol. 5, p. 82,81 {Getuigenissen, Deel 5, p. 71} {FB: 26.2}

“Ik zal ongeletterde mannen nemen,” zegt de Here, “verborgen mannen , en Mijn Geest over hun brengen, om Mijn plannen in het werk van winnen van zielen uit te voeren. De laatste boodschap van genade zal gegeven worden door een volk dat Mij liefheeft en vreest.”—Review and Herald, Sept. 21 , 1904. “Hij zal mannen gebruiken voor het voltooiing van Zijn plannen, die sommige broeders zouden verwerpen als onwaardig om deel te nemen in het werk.”—Review and Herald, Feb. 9, 1895. {FB: 26.3}

In deze laatste oproep voor arbeiders, zullen allen, –klein of groot, rijk of arm, geleerd of ongeletterd,

26

een hoge en verhoogd voorrecht hebben om predikanten van Christus te worden—

Mannen van Eer en Bestemming.   {FB: 26.4}

“Tegenwoordige waarheid leid voorwaarts en opwaarts, de behoeftigen, de onderdrukten, de lijdenden, de berooiden, verzamelend. Allen die willen komen, moeten gebracht worden in de schaapskooi. In hun leven zal er een hervorming plaats moeten nemen, die hun zal aanstellen als leden van de Koninklijke familie, kinderen van de hemelse Koning.”—Testimonies, Vol. 8, p 195,196. {FB: 27.1}

Aan deze werkers, de 144.000, beloofd de Heer goedgunstig: “ En vreemdelingen zullen staan, en uw kudde weiden; en de zonen van de vreemden [ zij die niet van de 144.000 zijn] zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn. Doch gijlieden zult priesters des Heeren heten, men zal u dienaren onze Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u beroemen.” (Jes. 61: 5,6), als u nu opstaat en zich haast om tot stand te brengen, een volledige

Beroeps Overgang. {FB: 27.2}

          Aangezien deze bediening, waarvan” er nooit een geweest was, en noch  meer zal zijn, na deze”( Joel 2: 2), vrij zal zijn van alle aardse belemmeringen, laat niemand vertragen in het tot stand brengen van de overgang die hem uiteindelijk met hart en ziel betrokken zal maken in het afsluitingswerk voor de kerk van de Heer,”in het binnen halen van de “eerste vruchten”die verzegeld moeten

27

worden onder de levenden in Laodicea. En terwijl hij zichzelf overgeeft aan dit werk, zal hij tegelijkertijd zichzelf voorbereiden om de boodschap te geven in de tijd van de Luide Roep, welke de reiniging van de kerk, –de verlossing van de verzegelden en de vernietiging van de niet verzegelden—zal inluiden, en welke de gereinigden zullen verkondigen. {FB: 27.3}

Laat iedereen bedachtzaam (wijselijk) deze onvermijdelijke overgang maken, door geleidelijk  bezigheden van zijn eigen interesse,  in te perken, en bezigheden van de Heer te laten toenemen. Op deze wijze, zal elk één gestaag opklimmen van een leeg en miskend verleden van eigen bedrijvigheid, naar een volle en glorierijke toekomst van heilige bedrijvigheid welke zullen inspireren “van het uiterste einde van de aarde…psalmen, tot verheerlijking der rechtvaardigen.” Jes. 24: 16. {FB: 28.1}

Nu is de tijd wanneer de Hemelse Gezinshoofd navraagt, “Wat staat gij hier de gehele dag ledig?”en aandringt, “ Gaat ook gij henen in de wijngaard, en zo wat recht is zult gij ontvangen.”Matt. 20: 6, 7. {FB: 28.2}

          Mijn broeders en zuster, als u deel wilt hebben aan dit nimmer-zo-glorierijke werk, de kronende uitvoering in de verlossing van de wereld, moet u zich nu snel haasten om gereed te zijn. Laat niet de zorgen van dit leven u beroven van de kroon van het eeuwig leven. Aarzel niet, Satan toelatend om de verontschuldiging in uw mond te plaatsen: “Ik heb een akker gekocht,

28

en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie: ik bid u, houd mij voor verontschuldigd; of, “Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.”Lukas 14: 18-20. “Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid van het vlees en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.”1 Joh. 2 : 16, 17. {FB: 28.3}

Terwijl u nog in dienst bent in uw huidige beroep, ga in tot de wijngaard van de Heer, en naarmate uw interesse daar groeit, zal uw eigen werk verminderen, totdat u zichzelf volledig gescheiden ervan zult vinden, en getrouwd met dat van de Heer. {FB: 29.1}

“Daarom, wees niet bezorgd, Wat zullen wij eten? of, Wat zullen wij drinken? of, waarmede zullen we ons kleden?”  Maar

“Zoekt Eerst het Koninkrijk Gods “ — Geen Arbeidsloon. {FB: 29.2}

Als onze belangrijkste gedachten voor de vooruitgang van het Koninkrijk zijn, dan zullen wij geen aandacht schenken aan wie ons , onze beloning zal geven, maar zullen opgewekt berusten in de verzekering dat in onze noden voorzien zal zijn. {FB: 29.3}

Volgens de gelijkenis, gaan de arbeiders die de Meester huurt, uit in geloof, niet wetend

29

wat ze aan het eind van de dag zullen ontvangen. Als de boodschap van de Herdersstaf van God is, dan moeten Zijn arbeiders beter leren, dat het geheel uitgevoerd moet worden op Zijn wijze, en niet op de manier van de mensen, en dat zij die werken voor een vergoeding als beloning, niet voor Christus werken, maar meer voor zichzelf; ook dat als de organisatie een financiële ondersteuning geeft aan een ieder die slechts in deeltijd werkt, de verplichting zou volgen tot betalen van allen die wat dan ook gedaan hebben , weinig of veel—een gebruik welke beiden, de werker en zij voor wie hij mag werken alleen kan beschadigen in plaats van opbouwen. {FB: 29.4}

          Derhalve, is de enige rechtvaardige procedure, dat allen die dienst doen in het werk van deze verzegelende boodschap, hun activiteiten, moeten rapporteren aan de organisatie, zodat het aan hun de resultaten van hun arbeid mag toekennen. En zou er van deze inspanningen voldoende middelen voortvloeien om hen in staat te stellen zichzelf volledig te geven aan het onderwijzen van deze boodschap, zal hun een status van vaste dienst toegekend worden, recht hebbend op de nodige levensonderhoud vergoeding van de financiële resultaten van hun arbeid. {FB: 30.1}

          De “Tijd,” zegt de Geest der Profetie, “is kort, en onze krachten moeten georganiseerd worden om een groter werk te doen. Er zijn arbeiders nodig die de grootheid van het werk inzien, en die erin willen dienst doen, niet om het loon dat zij zullen ontvangen, maar vanuit een besef van de nabijheid van het einde. De tijd vereist

30

grotere doeltreffendheid en diepere toewijding” ( Testimonies, Vol. 9, p. 27) en

 Christelijke Voornaamheid. {FB: 30.2}

          “Ik heb deze boodschap voor u van de Heer: Wees vriendelijk in uw spraak, voornaam in uw handelingen. Behoed uzelf nauwlettend, want u bent geneigd om streng en overheersend te zijn, en ondoordachte dingen te zeggen. De Heer spreekt tot u, zeggende: Waakt en bid, dat u niet in verzoeking valt. Ruwe uitdrukkingen doen de Heer verdriet; onverstandige woorden brengen schade aan. Ik ben opgedragen om aan u te zeggen, Wees zachtaardig in uw spraak; let goed op uw woorden; laat geen ruwheid in uw uitspraken of in uw gebaren inkomen. Breng in alles wat u doet en zegt, de geur van Christelijkheid. Laat geen natuurlijke karaktertrekken uw werk ontsieren en bederven. U moet de verzochten helpen en versterken. Laat niet het eigen ik in ruwe woorden verschijnen. Christus heeft Zijn leven gegeven voor de kudden, en voor allen voor wie u arbeid. Laat geen enkel woord van u zielen de verkeerde richting doen afwegen. In de predikanten van Christus moet een Christelijk karakter geopenbaard worden. {FB: 31.1}

          “Ondoordachte, dominerende uitdrukkingen zijn niet in harmonie met het heilige werk, dat Christus zijn geestelijken heeft gegeven om te doen. Wanneer de dagelijkse ervaring een is van opkijken naar Jezus en van Hem leren, zult u een heilzaam harmonieus karakter openbaren. Verzacht uw uitbeelding, en laat geen veroordelende woorden gesproken worden. Leer

31

 van de grote Onderwijzer. Woorden van vriendelijkheid en medelevendheid zullen  even goed doen als medicijn, en zullen zielen genezen die in wanhoop zijn. De kennis van het woord van God, toegepast in het praktische leven zal een genezende, kalmerende kracht hebben. Grofheid in spraak zal nooit zegen brengen voor uzelf of voor een andere ziel. {FB: 31.2}

          “Mijn broeder, u moet een vertegenwoordiging zijn van de zachtaardigheid en lijdzaamheid en goedheid van Christus. In uw gesprekken voor het publiek, laat uw vertegenwoordiging zijn naar de orde van Christus. “De wijsheid die van boven is, is ten eerste zuiver en vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten.’ Waakt en bidt, en temper de ruwheid die soms bij u uitbreekt. Door de genade van Christus die in u woont, zullen u woorden geheiligd worden. Als uw broeders en zusters niet handelen zoals u denkt dat ze moeten handelen, ga hun niet tegemoet met grofheid. De Heer is enige keren verdriet aangedaan door uw strenge uitdrukkingen.”Gospel Workers, p. 163, 164. {FB: 32.1}

“Het is niet zo zeer wat je zegt,

          Als de manier waarop je het zegt.

Het is niet zo zeer de taal die je gebruikt,

          Als de toon waarin je het uitdrukt.

De woorden mogen zacht en eerlijk zijn,

          En de toon kan doordringen als een pijl;

De woorden mogen zacht zijn als de zomerlucht,

          En de toon kan hartverscheurend zijn.” {FB: 32.2}

32

“ De waarheid moet gebracht worden met heilige tact, vriendelijkheid en tederheid. Het zou moeten komen uit een hart dat verzacht en medelevend is geworden. We moeten een nauwe gemeenschap hebben met God, … we moeten waken onder het gebed, en altijd gereed zijn om een reden te geven van de hoop die in ons is, met vrezen en beven. Opdat we een ziel waar Christus voor gestorven is niet op verkeerde wijze zullen beïnvloeden, moeten we onze harten opheffen tot God, zodat wanneer de gelegenheid zichzelf voordoet, we de juiste woorden op de juiste tijd te spreken hebben.”—Testimonies, Vol. 6, p. 400. Dit is

De Wetenschap van Succes. {FB: 33.1}

“Aan iedere werker zou Ik willen zeggen: Ga voort in nederig geloof, en de Heer zal met je gaan. Maar waakt onder gebed. Dit is de wetenschap van uw arbeid. De kracht is van God.”—Testimonies, Vol. 7, p. 272. {FB: 33.2}

“Ik ben opgedragen te zeggen aan mijn medewerkers, als u de rijke schatten  van de hemel zou willen hebben, moet u een geheime gemeenschap houden met God. Tenzij u dit doe, zal uw ziel net zo verstoken zijn van de Heilige Geest als de heuvels van Gilboa waren van dauw en regen. Wanneer u zich haast van een ding naar een ander, wanneer u zoveel te doen heeft, dat u geen tijd kunt uittrekken om met God te praten, hoe kan u dan kracht verwachten in uw werk?… {FB: 33.3}

“Spreek met uw eigen hart, en ga dan in gesprek met God. Tenzij u dit

33

doet, zullen uw pogingen vruchteloos zijn, aldus gemaakt door een ongeheiligd haasten en verwarring.”—Gospel Workers, p. 272. {FB: 33.4}

“Diegenen, die op de meest effectieve wijze onderwijzen en prediken, zijn diegenen, die nederig wachten op God, en hongerig wachten voor Zijn leiding en Zijn genade. Waakt, Bidt, Werk—dit is de Christen zijn wachtwoord. Het leven van een ware Christen is een leven van constant gebed.”—Gospel Workers, p. 257. {FB: 34.1}

“Een zekere predikant, wiens preken vele zielen bekeerde, ontving een openbaring van God dat het in elk geval, niet zijn preken of zijn werken waren, maar de gebeden van een ongeletterde leken broeder, die op de treden van het kansel zat te pleiten voor het succes van de preek. Het mocht zo zijn met ons in de alles openbarende dag. We mogen geloven, dat na lang en vermoeiend arbeiden, dat alle eer toekomt aan een andere bouwer, wiens gebeden van goud, zilver en waardevolle stenen waren, terwijl onze predekingen, los van gebed, slechts hooi en stoppels zijn.”—C. H. Spurgeon. {FB: 34.2}

“Gods boodschappers moeten zich lang met Hem bezig houden, als ze succes willen hebben in hun werk. Het verhaal gaat van een oude vrouw uit Lancashire die luisterde naar de redenen die haar buurvrouw gaf voor het succes van haar predikant. Ze spraken over zijn gaven, zijn manier van aanspreken, en zijn manieren. ‘Neen.’ zei de oude vrouw, ‘Ik zal je vertellen

34

wat het is,. Uw man is heel dikke maatjes met de Almachtige.’ {FB: 34.3}

“Wanneer mensen toegewijd zijn als Eliah was en het geloof bezitten wat hij had, zal God Zichzelf openbaren zoals Hij toen gedaan heeft. Wanneer mensen pleiten met de Heer zoals Jakob deed, zullen de resultaten die toen gezien waren, opnieuw te zien zijn. Kracht zal komen van God in antwoord tot het gebed in geloof.”—Gospel Workers, p. 255. {FB: 35.1}

Verrijs tot het werk, Tegenwoordige Waarheid onderwijzer! Doe het werk van Hem Die u gezonden heeft, “terwijl het nog dag is,” want de nacht komt haastiglijk, “waarin niemand werken kan.” Joh. 9 : 4. “En al wat recht is, dat zult u ontvangen “als u getrouw leert

Alleen Datgene Wat Geleerd Moet Worden. {FB: 35.2}

De Bijbel en de boeken van de Geest der Profetie zijn de uitsluitende bron van de Herdersstaf boodschap, vandaar dat wanneer de Roede wordt geleerd, worden de Bijbel en de Geest der Profetie onderwezen. En aangezien geen ander dan de Geest van Waarheid, die de verborgenheden van Inspiratie heeft overgebracht, ze kan uitleggen, zullen dan zij die trachten ze te onderwijzen zonder deze geïnspireerde verklarende Deskundige, onvermijdelijk vallen in de verboden praktijk van eigen uitleggingen (2 Pet. 1: 20)—het grote kwaad, dat de Christendom in haar huidige vrijwel grenzeloze staat heeft gebracht van scheuringen en consequente verwarring, conflict en machteloosheid. {FB: 35.3}

35

Aangezien wij ons niet op zulk een pad mogen wagen, moeten wij daarom als leraren van de Herderstaf (de officiële uitgaven van de Davidian Zevende dags Adventisten Associatie) uitsluitend in het licht van de Roede die hoofdstukken onderwijzen die op de een of andere manier verklaard dienen te worden. Alleen op deze wijze zullen alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen ooit komen tot dezelfde geest, van aangezicht tot aangezicht ziend, en dezelfde dingen spreken. (1 Cor. 1: 10; 1 Petr. 3: 8; Jes. 52: 8). {FB: 36.1}

En de zulke die verkiezen om zich te verwikkelen in eigen uitleggingen, worden met alle respect gevraagd om op te houden, te onderwijzen in naam van de Roede en op haar kosten. Laat ze als eerlijke mannen, onderwijzen in hun eigen naam en op hun eigen kosten. {FB: 36.2}

Ten slotte, broeders en zusters, hou de organisatie op de hoogte van uw inspanningen, en het zal u op haar beurt iedere mogelijke ondersteuning betonen, om uw werk tot een succes te maken. Welnu, God Zegene u! {FB: 36.3}

36