De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 1 Symbolische Code Nr. 7

De Symbolische Code

Nieuws Artikel

Deel Een      

                                                   Nr. 7                                                     

15 januari

Los Angeles, California.

TER CORRECTIE

In Het Belang Van Het Z.D.A. Kerkgenootschap

EEN HEMELSE SMEEKBEDE

De tijd is aangebroken dat de volgende smeekbede niet langer ongestraft kan worden verwaarloosd: {1SC7:1.1}

“Vele velden die rijp zijn voor de oogst, zijn nog niet betreden, vanwege onze tekort aan zelf opofferende helpers. Deze velden moeten betreden worden, en vele arbeiders moeten er naar toe gaan met de verwachting van het dragen van hun eigen onkosten. Maar sommige van onze predikanten zijn weinig geneigd, om de last van dit werk op zich te nemen, weinig geneigd te werken met de welwillendheid van het ganse hart, dat het leven van onze Heer karakteriseerde. {1SC7:1.2}

“God is bedroefd, als Hij het tekort van zelfverloochening en vastberadenheid ziet in Zijn diensknechten. Engelen zijn verbaasd door dit spektakel. Laten de werkers voor Christus Zijn leven van zelfopoffering bestuderen. Hij is ons voorbeeld.”—“Testimonies for the Church,”  Vol 7, p. 254. {1SC7:1.3}

Waar in de organisatie van het kerkgenootschap zijn de “vele,” zelfondersteunende werkers?  En waarom zijn er haast geen in plaats van “vele”? {1SC7:1.4}

Wat kan het mogelijk maken voor de groep die geen middelen heeft, om voort te gaan en “hun hele energie te gooien in dit geheel van belang zijnde werk,” en tegelijkertijd “hun eigen onkosten,”dragen? Waarom het huidig tekort aan zelf opofferende werkers, en wie is verantwoordelijk voor deze gesteldheid? {1SC7:1.5}

De opdracht van de Meester aan Zijn werkers is: “Verkrijg u noch goud, noch zilver, noch kopergeld in uw gordels; noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf, want de arbeiders is zijn voedsel waardig. En in wat stad of vlek gij zult inkomen,onderzoekt wie daarin waardig is, en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat.” (Matt. 10: 9-11) {1SC7:1.6}

Het plan van Christus verbiedt dat wie dan ook de evangelie bediening door middel van salaris zal ingaan, maar eerder door geloof dat in zijn noden voorzien zal worden, door diegenen die hun deuren openen voor de arbeiders van de Heer. Vandaar dat aangezien er bijna geen zelfondersteunende werkers in het veld zijn, het duidelijk is dat er maar weinig zendelingen zijn die Christus als de Zijne erkent. Dientengevolge, overtreden zowel zij die evangelie werkers huren door middel van een bedongen salaris, en degene die zo een positie aanvaarden, het gebod van de Meester. {1SC7:1.7}

De huidige regel van de conferenties is niet alleen in tegenstelling tot de instructies van de Meester, maar ook verantwoordelijk voor het niet hebben van “vele zelfondersteunende werker,” want van allen die ingaan om door het geloof te werken, die hun eigen onkosten dragen (geen loon ontvangen van de conferentie, maar eenvoudigweg de gastvrijheid van diegenen die overtuigd zijn om instructies van de boodschappers van God te ontvangen), eist de conferentie, al de tienden en offeranden van de deel dat zij ontwikkeling. {1SC7:1.8}

Aldus is iedereen die zich waagt aan deze heilige dienst, gedwongen het op zijn eigen manier te doen, zolang hij doorgaat in het werk, hetgeen niet alleen het werk van de Heer onmogelijk maakt, maar ook onvruchtbaar want om continu je eigen uitgaven bij te houden en daarnaast een familie te voeden, zal het meeste van iemands tijd innemen. {1SC7:1.9}

Het is noch Bijbels noch rechtvaardig, dat iemand ernstig werkt op een groep van gelovigen op te wekken en dan de conferentie de tienden van zijn werk laat nemen, om een gehuurde predikant te voeden die geen deel had in de moeite, in plaats van de persoon die offers gebracht heeft en het werk gedaan heeft. Zo een handeling, mag net zo goed, diefstal genoemd worden. {1SC7:1.10}

Deze door mensen gemaakte regel, was van het veld verbannen, “de vele zelfopofferende werkers,” zodoende zij die in duisternis zijn berovend van het licht van tegenwoordige waarheid, met het resultaat dat er duizenden Z.D.A.’s zijn zonder werk nu in deze tijd, die in plaats van in te gaan in het evangeliewerk van Christus zoals gevraagd, op en neer de straten afgaan en verwachten een of ander liefdadigheidshulp te ontvangen, terwijl ze zichzelf allemaal heel vaak in ondeugden werken. {1SC7:1.11}

Maar deze zielige toestand zou nu niet bestaan, als het kerkgenootschap de instructies had gevolgd van de “Grote Leraar.” Bovendien zouden er heden ten dage “vele,” duizenden met de Geest vervulde evangelie werkers in het veld zijn geweest, in plaats van slechts en handje vol, en waar er nu slechts een bekeerling gemaakt wordt met zeer grote kosten door de conferentie, zouden er duizenden  gebracht worden met totaal geen kosten.{1SC7:1.12}

Een ieder die het werk van Christus betreed, onder de omstandigheden door Hem voorgeschreven, zou  al de tienden die gerealiseerd worden van zijn arbeid toegestaan moeten worden, totdat hij voldoende heeft om zijn onkosten te betalen, dan zou wat overblijft door de conferentie gehouden moeten worden. Zo zou de boodschap door sprongen gaan—meer arbeiders, meer bekeerlingen, meer middelen. {1SC7:2.1}

Vandaar dat het huidige systeem van het kerkgenootschap voor de ontwikkeling van het evangelie dwaasheid is vanuit het standpunt van de Bijbel evenals vanuit het standpunt van de zakenwereld. Als gevolg daarvan, kan men niet helpen te zien dat Satan zijn wijsheid heeft uitgeoefend om diegenen in het werk van God te plaatsen, die werken voor de broden en de vissen, en diegene die zichzelf opofferen, buiten te houden, aldus zich afscheidend om de wereld in duisternis te laten. Daarom, laat Gods ware volk niet langer slapen, maar ontwaken, en antwoorden aan de volgende oproep, door nu het werk in te gaan. {1SC7:2.2}

“God zal mensen hebben, die wat dan ook en alles zullen aandurven, om zielen te redden.  Zij die niet zullen bewegen, tenzij ze iedere stap van de weg helder voor zich zien, zullen in deze tijd niet in het voordeel zijn om de waarheid van God  door te geven. Er moeten nu werkers zijn die in het donker voort willen duwen evenals in het licht, en die dapper onder ontmoedigingen en teleurstellende hoop zullen ophouden, en toch voort zullen werken met geloof, met tranen en geduldige hoop, zaaiend langs alle wateren, en vertrouwend op de Heer om de toename te brengen. God roept mannen met geestkracht op, van hoop, geloof en volharding  om nauwkeurig te werken.” “Life Sketches,” 213-214. {1SC7:2.3}

GESLOTEN DEUREN!

Ze vechten zeker tegen de HStaf hier, dus stuur ik van nu af aan mijn tiende naar de “schatkamer,”” zodat er vlees is in” Zijn “huis.” {1SC7:2.4}

De meeste van de broeders hier zijn bang voor de “Getuigenissen” van Zr. White, en de leiders hebben het ertoe gebracht te geloven, dat als ze de boodschap voor zichzelf bestuderen, ze misleid zullen worden en verloren zullen gaan! {1SC7:2.5}

Ze hebben de kerk gesloten, tegen de voorstaanders van de HSTaf en aan iedereen gevraagd hun huizen te sluiten voor hen. Maar de waarheid zal zegevieren. {1SC7:2.6}

                                                                            (Getekend) O.O. Callentine

                                                                                              Bozeman, Mont.

We hebben allen zeker genoten van de laatste Code en wachten gretig op de volgende uitgave. We hebben een tijd hier en kunnen zien dat de strijd gewoon aanvangt. De opzichter van de Missie wordt binnenkort hier verwacht, en ze zijn van plan de deur te bewaken zodat ze kwartaal diensten zonder ons aanwezig kunnen hebben. {1SC7:2.7}

Moge God ons kracht geven en genade om door te gaan tot het einde. Oh, zal het niet heerlijk zijn wanneer het allemaal voorbij is en wij met Jezus zijn. {1SC7:2.8}

                                                                            (Getekend) Mw. Faith Pruett

                                                                                              Sheridan, Wyo.

Het is haast onmogelijk te geloven dat onze broeders en zusters zulke vreselijke dingen zouden doen. Maar de vijand is wanhopig, en zal voor niets wijken. Alhoewel zulke onchristelijke tactieken slechts dienen om de boodschap vooruit te helpen, zoals de volgende brief bewijst. {1SC7:2.9}

 

“KAN NIETS TEGEN DE WAARHEID DOEN, MAAR VOOR DE WAARHEID”

 

Nadat  we de tirade tegen de HStaf gehoord hadden tijdens de Carolina Kamp bijeenkomst, afgelopen juni, keerden we terug naar huis vastbesloten ertegen te vechten, en een korte tijd later waren we blij dat we de gelegenheid hadden ertegen te stemmen en 13 leden afgeschreven te hebben van de Charleston kerk. Maar nu kunnen we hun standpunt meer waarderen, aangezien wij zelf met een ander op 19 dec.  werden verbannen. {1SC7:2.10}

Een korte tijd geleden ontvingen we van een van de HStaf gelovigen een brief bevattende vele citaten van de Geest der Profetie, waarvan we nooit droomden dat ze hier waren. Ze maakten dat we gingen studeren en we zagen al snel hoe onrechtvaardig  het kerkgenootschap gehandeld heeft met de leerstellingen van de HStaf. {1SC7:2.11}

We danken God dat Hij op genadige wijze ons de gewilligheid en de moed heeft gegeven , voor onszelf te lezen en te onderzoeken nadat we onze harten tegen Zijn boodschap hadden gezet. Lofprijzing voor Hem voor Zijn goedheid en voor tegenwoordige waarheid. We verwachten dat we onszelf en onze alles in dit werk zetten. {1SC7:2.12}

                                                         (Getekend) Mhr. & Mw. C. E. Wessel

                                                                  Charlestong, S. Carolina

————————————————————————

 

VERBLIJDEN IN DE BOODSCHAP

Toen ik in Medford was had ik studies gekregen van Br.—– en aanvaarde de boodschap in die tijd. De kerk hier was vlak nadat ik kwam gewaarschuwd geworden om niets te maken te hebben met de HStaf of met iemand die eraan verbonden was, en niet te studeren met wie dan ook die in hun huizen kwam om Bijbel- of Getuigenissen studies te geven, tenzij ze geloofsbrieven van de Conferentie konden tonen. De predikant waarschuwde ook de ouderling van de kerk, niemand van het kansel te laten spreken, tenzij hij wist wie ze waren en wat ze te zeggen hadden! {1SC7:2.13}

Ik ben de Symbolische Code aan het ontvangen en lees het met grote vreugde. Ik heb ook de traktaten gelezen en verheug me in de waarheden geopenbaard in hen. {1SC7:3.1}

                                                                  (Getekend) Mw. W. E. Phillips

                                                                                     Bend, Ore.

 

Ik wil u vertellen dat ik blij ben in deze geweldige boodschap; niet alleen om het verheven voorrecht te hebben, om een van de 144.000 te zijn, maar ook om het even hoge voorrecht te hebben van het feitelijk helpen dit meest glorierijke gezelschap te verzamelen! {1SC7:3.2}

We hebben hele geweldige HStaf bijeenkomsten hier. Afgelopen sabbat kwamen we bijeen bij het huis van Br._____ in Muncie, en er waren in totaal 19 aanwezig. {1SC7:3.3}

Moge God u en allen die verbonden zijn in dit werk zegenen. Laat ons moet hebben, de overwinning is zeker, en dat heel gauw. Ik heb nooit de Heer zo dichtbij gevoeld, noch heb ik ooit de moed zo volledig gevoeld als nu. Prijs Zijn naam! {1SC7:3.4}

                                                                  (Getekend) Wm Edwards

                                                                            Hartford City, Ind.

 

DOELTREFFENDE HERVORMING

 Ik schrijf u een paar zinnen om u te laten weten dat tezamen met mijn echtgenoot ik me verheug in deze schitterende boodschap, die een besliste verandering ten goede in onze levens heeft gemaakt. Het is prachtig wat de Heer wil doen, wanneer we onze harten en huizen openen voor Hem… Ik hou van het lezen van de HStaf boeken en traktaten en kan altijd nieuwe schatten in ze vinden…We willen en hebben de intentie om oprecht te zijn en eerlijk en het Woord te prediken totdat Jezus komt. {1SC7:3.5}

                                                                  (Getekend) Wm Edwards

                                                                            Hartford City, Ind.

 

Ik ben me zo erg aan het verheugen voor wat de Heer voor mij heeft gedaan, vanaf ik de HStaf boodschap heb aanvaard, dat ik u er een beetje over wil vertellen. {1SC7:3.6}

Toen de hervormingsboodschap tot mij kwam, vond het me enerzijds zwaar in de schuld. Meteen begon ik de Heer te vragen om voor deze schuld te zorgen, op zo een manier dat mijn schuldeiser tevreden zou zijn en we op vriendschappelijke basis zouden blijven. Dit deed Hij meteen, en nu ben ik  in een veel betere positie om de vermaning te vervullen. “Wat gij ook doet, doet het ter verheerlijking van God.” {1SC7:3.7}

Hoe dankbaar ben ik dat God de trouwe gebeden van Zijn volk hoort en hun zware lasten inlost! Door Zijn genade ben ik voornemens alles te doen tot Zijn glorie en te helpen het werk te beëindigen. {1SC7:3.8}

                                                                  (Getekend) H.H. Philebaum

                                                                            Hartford City, Ind.

 

 

We zijn ons zeker aan het verblijden in deze tegenwoordige waarheid. Het heeft ons tot standvastige gelovigen  in  Zr. White’s Getuigenissen gemaakt, die wij voorheen, nooit volledig geloofden. Daarnaast, werden we snel weer als de wereld, maar nu is mijn echtgenoot weg bij de vrijmetselaren en vraag ik deze maand mijn aftreden aan. We willen niets tussen ons en onze Verlosser. {1SC7:3.9}

Afgelopen sabbat kwam een van de conferentie ouderlingen naar de Cocoa Kerk en predikte twee uren lang tegen de HStaf. Een van de zusters zei aan Mr. Harper, dat ze niemand  haar zou laten vertellen wat te lezen en wat niet te lezen, maar dat ze voor zichzelf zou lezen. Mr. Harper had het eerste deel van de HStaf in zijn zak en gaf het aan haar. Nu leest ze het! {1SC7:3.10}

Ik wil u vertellen hoe geweldig ik geniet van de Symbolische Code. Ik lees het keer op keer weer. Ik bewaar al de Bijbel studies in een grote map met losse bladzijden. {1SC7:3.11}

We zijn haast 16 jaren Adventisten geweest en zijn sterker in de oude waarheid dan ooit tevoren. Spoedig nadat we in de kerk in Charleston, S. Carolina kwamen, ondervonden we dat de kerk niet veel anders was dan de wereld. Vanaf die tijd waren we slechts geestelijke Adventisten. Maar nu, dank zij de HStaf, hebben we onze eerste liefde herwonnen. Prijs God! Ik zou kunnen schreeuwen van vreugde! {1SC7:3.12}

                                                         (Getekend) Mw. W.L. Harper

                                                                  Richmond, Va.

 

Ik ben zeker gelukkig en dankbaar aan de Heer voor het schitterende licht en de boodschap van hervorming in de HStaf. Opgegroeid in de waarheid, toch zoals de meeste Adventisten, wist ik heel weinig van waar Zr. White’s geschriften uit bestonden en niets van hun werkelijke waarde, met het resultaat dat ik weggedreven was van de kerk toen de HStaf mij vond. Maar dankzij de HStaf, heb ik bijna al de geschriften van de Geest der Profetie en studeer ik ieder mogelijk moment. Met dit toegevoegd licht is ieder Woord van de Bijbel en de Getuigenissen waardevol voor mij geworden. {1SC7:3.13}

Ik prijs God vaar Zijn liefde en genade voor het sturen naar ons, die zo ontrouw zijn geweest van deze hervormingsboodschap, die een verandering van “ideeën, en theorieën, gewoonten en praktijken, ”tot stand brengt. {1SC7:4.1}

                        (Getekend) Mw. Floyd Davis

                             Greeley, Colo.

 

Ik prijs de Heer voor het naar mij sturen van deze schitterende boodschap van tegenwoordige waarheid. Hierna, zal ik mijn tiende en offerande naar de schatkamer sturen, zodat deze boodschap, die “vlees voor deze tijd is,” aan anderen gegeven moge worden, die hongeren naar waarheid. {1SC7:4.2}

De Heer is zeer genadig geweest in mij mijn ware toestand te tonen, zodat ik tot inkeer mag komen en mijn verlossing zeker mag stellen. Ik werkte in en ziekenhuis, waar ik er 5 tot 6 uren op de Sabbat moest zijn, maar nu heb ik mijn werk opgezegd en heb mijn rekening met de wereld afgesloten. En nu heeft God mij een korte tijd gegeven voor studie en het voorbereiden van mezelf, om me gereed te maken om het werk af te sluiten en Hem te ontmoeten wanneer Hij tot Zijn trouwe dienstknechten komt. {1SC7:4.3}

                                                         (Getekend) Mw. M.L.Hodgen

                                                                            Greeley, Colo.

 

Ik dank God voor de boodschap van het uur, dat Laodiceanen uit de misleiding , verval en moedeloosheid trekt, naar het licht van de “waarheid zoals het is in Jezus.” {1SC7:4.4}

Niet lang geleden, vanwege een verlengde afvalligheid, was ik mij in de wereldse verlokkingen van Satan aan het verlustigen. Roken van sigaretten, drinken, gokken, dansen, naar het theater gaan, verlustigen in eetlust, en breken van de Sabbat, waren onder andere de kwaadheden die mijn zijn beheersten. Maar glorie voor Hem voor het behouden van mijn ziel om deze boodschap te zien en bevatten, die zich toegevoegd heeft aan dat van de Derde Engel, voor het afsluiten van het evangelie, en welke het voor mij mogelijk heeft gemaakt, om zulk kwaad naast mij te leggen. Prijs Zijn Heilige naam voor Zijn grote liefde en genadige handelingen en voor een boodschap met zulk een effectieve hervorming en verkwikkende kracht. {1SC7:4.5}

                                                         (Getekend) J.L. Looney,

                                                                            Greeley, Colo.

 

DANKBAAR VOOR LICHT

Ik heb al lang naar een postkantoor willen gaan om deze brief te zenden. Soms raak ik ontmoedigd zoals de dingen gaan, dan denk ik hoe God het werk in handen heeft, en hoe Hij zij die vijanden waren van de tegenwoordige waarheid heeft verwijderd van deze plaats, een paar dagen voordat ik hiernaar toe verhuisde. {1SC7:4.6}

Ik dank God vaak voor het schitterende licht dat ik ontvangen heb door de HStaf op de Bijbel en Getuigenissen. Mijn Bijbel is een nieuw boek voor mij geworden. Zo vele dingen die ik geleerd was, waren alleen van toepassing op de Nieuwe Aarde, maar  waren nooit duidelijk en nu zijn ze helder en in harmonie. Ik prijs God voor Zijn waarheid en voor het voorrecht om een beetje te lijden voor de Meester. {1SC7:4.7}

                                                         (Getekend) Mw. A. Oswald

                                                                            Tom Ball, Texas

 

GEREED MAKEN OM TE “GAAN”

Ik ben zeker blij om de Symbolische Code te ontvangen, want het geeft ons moed om te weten dat er overal trouwe lieden zijn die voor de boodschap staan. Ik ben aan het studeren en bidden, proberen om gereed te zijn om te werken voor de Heer in deze laatste grote strijd. Ik vraag om uw gebeden. {1SC7:4.8}

                     (Getekend) Ben Garrett

                                                                  East Jamestown, Tenn.

———————————————–

BELANGRIJKE INSTRUCTIES

Leiders van alle gezelschappen worden verzocht om elke maand aan de achterkant van elk verslag formulier de volledige naam en het adres van ieder lid van het gezelschap te schrijven. Deze procedure is noodzakelijk zodat wij efficiënt en succesvol in dit kantoor te voort kunnen gaan. Een ieder die de Code wenst moet ook zijn naam en adres insturen, want alleen zij wiens naam op de post lijst staan zullen de Code ontvangen. {1SC7:4.9}

Omwille van het stopzetten van geld wisselen voor tiende en offers, betalen van boeken, etc. op de Sabbat, een Laodiceaanse praktijk, welke het Woord van God veroordeelt, laten we nauwkeurig al deze zaken op de voorbereidingsdag afhandelen, door alle geld in enveloppen te plaatsen. Om dit doel te bereiken adviseren we ieder gezelschap om zichzelf te voorzien van kleine goedkope enveloppen. Gebruik geen kerkmateriaal, waar u niet meer ervoor betaald, want het is niet correct. {1SC7:4.10}

——————————-

In een vroege uitgaven in december van “Central Union Reaper,” is een twee kolommen lang artikel verschenen getiteld: “Stormrammen en Vrijheid,” door C. A. Purdom, opzichter van de Wyoming Missie. {1SC7:5.1}

In voornemen is het artikel een waarschuwing tegen de HStaf, maar ongelukkigerwijs in uitvoer ontaart het in een hardvochtig bezielde tirade, zonder acht te slaan om eenvoudige feiten en eerlijkheid. {1SC7:5.2}

Het bedroefd ons om zo een ruwheid te zien in bedienaren van God, en verrast ons dat ze zullen buigen naar gedeeltelijk citeren etc. om een zaak te maken tegen ons en hun eigen doelen dienen. We zouden denken dat Z.D.A. bedienaren, omdat ze dit soort dingen zo lang  in de voorstanders van eerste dagen gezien hebben, het als de pest zouden schuwen. {1SC7:5.3}

Maar helaas, “de engel van Laodicea,” is zo lang in Egypte geweest, dat hij het zicht heeft verloren van de Meester, en zijn handelingen zijn gelijk gesteld aan die van het land waarin hij vertoeft. {1SC7:5.4}

Dit is een trieste waarschuwing, voor ons om al de wegen en werken van Egypte te ontvlieden, zodat ook wij niet worden als datgene waar we naar kijken. {1SC7:5.5}

De last van de slechte karakter en onoprechtheid van het artikel, is om de Symbolische Code van oktober te laten staan als post voor zweepslagen. Maar onze broeders schijnen vergeten te zijn, dat ze “niet kunnen doen tegen de waarheid, maar alleen voor de waarheid.” {1SC7:5.6}

Door op dezelfde gewetenloze wijze van de Symbolische Code te citeren, dat ze al de tijd van de Herderstaf hebben gedaan, door de belangrijke kwalificerende uitspraken weg te laten, meteen voorafgaand en volgend op de geciteerde delen, is de schrijver slechts erin geslaagd in het voorgenoemde artikel in het dienen van  het belang van de Code. Ieder dien tegen de boodschap is zendingsliteratuur ervoor. {1SC7:5.7}

“De pogingen gedaan, om de vooruitgang van de waarheid te vertragen, zullen dienen tot de uitbreiding ervan. De uitnemendheid van waarheid is nog duidelijker te zien vanuit ieder opeenvolgend punt van waar uit het bekeken mag worden. Dwaling vereist vermomming en verhulling. Het bekleed zichzelf in engelen klederen, en iedere manifestatie van zijn ware karakter, vermindert zijn kans op succes…{1SC7:5.8}

De wraak van de mens zal U lofprijzen’, zegt de psalmist,’ het overblijfsel van de wraak zult Gij bedwingen.’ God bedoelt dat waarheid dat op de proef is gesteld op de voorgrond zal worden gebracht, en een onderwerp van onderzoek en discussie zal worden, zelf als dat is door de minachting  die erop geplaatst is. Het verstand van het volk moet worden geprikkeld. Iedere tegenstrijdigheid, iedere smaad, iedere laster, zal Gods manier zijn om onderzoek te veroorzaken, en intellecten te doen ontwaken, die anders zouden sluimeren.”5 T 454, 453. {1SC7:5.9}

Hoe ijveriger hun pogingen gaandeweg, hoe sneller zal het werk beëindigd zijn en de Heer komen. Laten we daarom bidden dat hun ijver niet verslapt, en tegelijkertijd dat het de oprechten onder hen, zoals Paulus, naar een plaats zal brengen waar God ze nederig kan maken en ze redden van het verschrikkelijke uitspugen (Ezech. 9), dat staat te wachten op de “engel,” van de Laodiceanen. {1SC7:5.10}

EEN ERNSTIGE AANGELEGENHEID VOOR ALLEN

Een zekere gelovige in tegenwoordige waarheid schrijft het volgende hoofdstuk: {1SC7:5.11}

“Recentelijk, bezocht ik met vrienden en familie in______, en trachtte hen te interesseren in het bestuderen van de HStaf, maar ik vond het vooroordeel zeer sterk. Elkeen van hun scheen in de HStaf  aanhangers, alleen een neiging tot bekritiseren en fouten aanwijzen van predikanten en werkers te hebben gezien. Zoals ik de boodschap nu zie, is het niet onze zaak van welke vorm dan ook van persoonlijk bekritiseren. Hoewel we niet kunnen nalaten te zuchten en weeklagen, “voor de gruwelen in hun midden,” als we “het zegel van de levende God,” willen ontvangen, moet onze geest een zijn van liefde en verdraagzaamheid.” {1SC7:5.12}

Hoewel het onmogelijk is om tegelijk uit al de oude Z.D.A familie zwakheden, zwakke punten en dwaasheden te groeien—de algemene Loadiceaanse erfenis—en  de volkomen volmaaktheid van onze grote Voorbeeld te bereiken, zouden de bovengenoemde opmerken, ernstig overwogen moeten worden, door iedereen die in het licht staat. Echter, de onmogelijkheid van het  ineens verkrijgen van deze absolute volmaaktheid, gebruiken de vijanden van tegenwoordige waarheid met een totaal gebrek aan redelijkheid en eerlijkheid als een wapen tegen de boodschap. Ze gaan over tot onze gewoonten, zeden en woorden af te keuren, alsof de HStaf verantwoordelijk voor hen is, en iedere Laodiceaanse geneigdheid die we nog mogen bezitten heeft veroorzaakt! {1SC7:5.13}

Het koren in het veld komt niet in een ogenblik tot haar prachtige volwassenheid. Zelf onder de invloed van de late regen van het seizoen, brengt het niet meteen volledige ronde aren voort. Het proces van rijpheid neemt wat tijd in beslag. Jammer genoeg besluipt onvolmaaktheid henzelf, toch zoeken onze broeders  “die ons haten” en “ons uitwerpen omwille van de Zoon des mensen,” vreemd genoeg naar ons, in tegenstelling tot de natuurlijke mogelijkheid, om ons “in een ogenblik, in een oogwenk,” tot volwassenheid en volmaaktheid te laten opschieten! Hier is een van de beste bewijzen dat deze critici “in een treurige misleiding zijn,”en “het niet weten.” {1SC7:5.14}

De zogenaamde veroordelingen, kritieken en aanklachten—“de schenen,”—waartegen zowel de “engel,”(leiderschap—Openb. 1:20; 3: 14) van de Laodiceanen en de kandelaar zelf (kerk) “schoppen,” en op allerlei manieren  uitroepen, zijn niet meer de gevoelens van hen die de boodschap verkondigen aan de kerk in deze tijd, dan de veroordelingen waren, die Johannes de Doper uitsprak over de Joodse kerk—zijn eigen, maar de woorden van God, die Hij plechtig bezwoer voort te spreken in angst en gunst van niemand. Daarom , als ze wensen te denken dat onze positie kritisch, niet deftig en onsmakelijk is, laat ze zichzelf bedenken over de woorden en houding van Eliah, Johannes de Doper, Luther, Zuster White, ja iedere boodschapper die God ooit had, en ze zullen ontdekken dat ze ons, ongewild in gekozen gezelschap plaatsen, en in hachelijk gevaar verkeren door God tot een leugenaar  te maken over het soort gezelschap dat Hij zegt dat Hij houdt en de kaliber  van Zijn vrienden. Laat ze beseffen dat op dwaze wijze veroordelen en ons ten late leggen, datgene wat Gods verantwoordelijkheid is. {1SC7:6.1}

Het is zowel onrechtvaardig en ook heel onverstandig om ons te verwerpen, enkel omdat wij onze taak doen zoal de Heer dat geboden heeft: “Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.” (Jes. 58:1). “Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls, zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt, die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uw hand eisen. Doch als gij den goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw ziel bevrijd. Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw handen eisen. Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt,opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uw ziel bevrijd.” (Ezech. 3: 17-21) {1SC7:6.2}

Deze blinde zielen doen precies wat Paulus hun waarschuwt, niet te doen: “Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij u zelven; want gij die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.”( Rom.: 2: 1) Zij zelf, zonder een opdracht van God en zonder doel, dan zichzelf te rechtvaardigen, gaan over tot verwijt, beschuldiging en kerven in diegene die “Gods adviezen vanouds,” verkondigen die “trouw en waarheid,” zijn, niet beseffend dat ze daardoor dubbel verwijtbaar en verwerpelijk zijn. {1SC7:6.3}

Precies de aard der dingen, maakt het onmogelijk voor ons om op welke manier dan ook iets te zeggen, over de specifieke beschuldigingen van overdreven kritisch zijn door de vragensteller. Alles wat we op rechtvaardige wijze kunnen observeren is dat onze algemene ervaring met degene die de HStaf accepteren, is dat welke ongepaste kritiek ook van hun lippen mag vallen, ontglipt zijn (een kortstondige terugkeer van geërfde Laodiceanisme) en niet een praktijk, en dat alles bij elkaar we zij vrijwel vrij van deze zonde vinden, dan diegene die over hen klagen, opmerkelijk vrij ervan als we de aard van de boodschap die ze dragen en de omstandigheden waaronder ze werken,  in overweging nemen.  En wat nog meer telt, we  hebben nog iemand waar te nemen die zijn aanklachten met boosaardigheid  of vrolijkheid spreekt, verstoken van liefde. En wat het meeste telt, bijna iedereen die wij kennen vecht het goede gevecht om zijn Laodiceaanse neigingen te overkomen, langs deze en andere wegen.  {1SC7:6.4}

————————————–

EEN ANDERE  ERNSTIGE AANGELEGENHEID VOOR ALLEN

 

“Ik schijf omdat ik heel erg verontrust en bezwaard ben over sommige dingen. Echter, voordat ik mijn probleem aangeef, wil ik zeggen dat ik de boodschap van de 144.000 en de reiniging van de kerk volkomen geloof. Door sommigen, echter, worden er enkele bij-leerstellingen voortgebracht, die ik niet kan aanvaarden, en wat ik wil weten is; worden ze door de HStaf ondersteunt. {1SC7:6.5}

Het is heel jammer, de situatie die door de vragensteller is belicht. We betreuren het dat sommigen eigen interpretaties van de boodschap, voorgebracht hebben, die het verstand van anderen verontrust hebben. Toch lijkt het oneerlijk om de boodschap op de proef te stellen vanwege de onrechtmatige ideeën voor geschoven door  sommigen. Dit is als de Derde Engel Boodschap laten verantwoorden aan de wereld, voor de buitensporige leerstellingen van vele tijdzetters die in ons midden zijn geweest. 1SC7:6.6}

We ondersteunen geen onderwijzing of standpunt die niet gevonden wordt in de publicaties van de HStaf of geautoriseerd door het kantoor, zoals duidelijk is verklaard op de eerste bladzijde van de Symbolische Code van oktober (nr. 4). Nergens is het standpunt ingenomen “dat iedereen die in de Zevende Dags Adventisten kerk is gebracht, bekeerd is , en dat er niemand binnen gebracht mag worden.” Het meest extreme standpunt die de boodschap inneemt in dit verband, is datgene wat de Geest der Profetie in de volgende getuigenis het verplicht te nemen: “De Heer werkt nu niet  om vele zielen in de waarheid te brengen, vanwege de kerkleden die nooit bekeerd zijn geweest, en zij die eens bekeerd waren maar die nu afgegleden zijn.” 6 T 371. {1SC7:7.1}

Zo ver komen wij, niet een centimeter kort, niet een centimeter voorbij. Diegenen die voorbij dit punt gaan evenals diegene die weigeren ertoe te komen, begaan gelijke buitensporigheden die de waarheid verwerpt. {1SC7:7.2}

Betreffende het idee dat de huidige tijd, niet de dag is voor individuen buiten de Z.D.A. kerk, hoewel ze de boodschap kennen en geloven, tot inkeer te komen en zich te laten dopen, zouden we zeggen, dat God nergens een mens rechtvaardigt, ongeacht wat zijn status mag zijn—of Jood of Griek, kerklid of ongelovige—de dag van bekering te verschuiven, als eenmaal het licht tot hem gekomen is. Dit is de zonde tegen de Heilige Geest. “Heden, na zo een lange tijd; zoals het gezegd is: Heden als gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet.” {1SC7:7.3}

Echter, onder de dispensatie  van een speciale boodschap aan de kerk, gelijk aan die Christus drie en een half jaar lang, droeg naar de Joodse kerk, zo is het ook onze lot die te dragen naar de Z.D.A kerk vandaag, we moeten niet begrijpen dat het, het werk is van diegene , die zo een boodschap dragen, om tegelijkertijd het Evangelie programma voor de wereld  in het algemeen te dragen. {1SC7:7.4}

De Heer heeft ons niet in duisternis gelaten, met betrekking tot wat onze standpunt in deze zaak moet zijn. Jezus ”hield voort,”aan de kerkleden “aan de grens van Tyre en Sidon,” toen de vrouw die “een Griek was, een Syrophoenisische van het land,” “kwam en aan Zijn voeten viel,” Hem smekend, dat Hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen. Maar Jezus zei tegen haar: Laat de kinderen eerst verzadigd worden: want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en het voor de honden (Heidenen) werpt. En zij antwoordde en zei tot Hem: ja Heere, doch ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen. En Hij zeide tot haar: Om deze woorden wil, ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.” (Marcus. 7: 26-29) {1SC7:7.5}

Dus zien we dat terwijl we uitdrukkelijk bevolen zijn de kinderen te voeden, en niet te op zoek te gaan naar de Heidenen, we tegelijkertijd verteld worden niet de waarheid van de laatstgenoemde te weerhouden, wanneer ze vrijwillig en in geloof,  kruimels komen zoeken. {1SC7:7.6}

 

VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vraag: Geeft niet de houding van de HStaf ten opzichte van buitenlandse missiewerk, haar tegenstanders een gelegenheid haar te beschuldigen van niet geïnteresseerd zijn in de redding van diegene die in de wereld zijn, en zodoende haar eigen vooruitgang hinderen in het krijgen van de boodschap tot de kerk? {1SC7:7.7}

Antwoord: Met betrekking tot uw bezorgdheid over het ogenschijnlijk blokkeren van de HStaf van haar eigen handelswijze, door haar houding, dat we de buitenlandse zendingsprogramma’s niet moeten ondersteunen, zouden we zeggen, dat als haar vijanden dit niet gebruikten als een struikelblok, ze iets anders zouden gebruiken. Haar houding is niet een van tegenstand, eenvoudigweg omwille  van oppositie of omwille van  bevordering van zelfzuchtige belangen. Het geloofd in iedere soort  zendingswerk op zichzelf, hetgeen duidelijk moet zijn voor iedereen die de boodschap wil bestuderen. Maar onder de huidige omstandigheden, met een zwaard hangend over de kerk, ieder moment gereed te vallen en duizenden naar hun vernietiging te sturen, kan God nauwelijks consequent of  barmhartig zijn, in het verspillen van Zijn tijd en middelen, aan een programma welke, onder de huidige wending van aangelegenheden, niet langer haar goddelijk aangewezen doel, kan tot stand brengen, maar van hier af aan zichzelf alleen kan lenen tot vermeerderen van de diensten van de vijand, door het brengen van duizenden onbekeerden in de kerk, om slecht verloren te gaan in de verschrikkelijke slachting van Ezech. 9. {1SC7:7.8}

Vraag: Wanneer we niet werken aan zondaren in Sion, waarom dan niet voor zondaren in de wereld? Ze zijn allemaal zondaren in de ogen van God….Hij heeft ons sinds 1844 licht gegeven, en Hij bedoelde niet dat het “onder een korenmaat,”verborgen moest worden, maar om de wereld te verlichten.” {1SC7:7.9}

Antwoord: Wat hier is gezegd is waar. Als we niet werken voor zondaren in Sion, zouden we voor zondaren in de wereld moeten werken. Als we echter werkelijk de boodschap geloven, zullen we het meeste van de tijd voor zondaren in Sion werken, dat we geen tijd over zullen hebben voor zondaren in de wereld, met uitzondering van de ‘Syrophoenicieers.” Dan zouden we ons volledige deel doen, om de dag van de Luide Roep te verhaasten, wanneer het licht dat Hij ons gegeven heeft in 1844 om de wereld te verlichten, maar die we al die tijd verborgen hebben gehouden, “onder de korenmaat,” uiteindelijk ieder zondaar zal bereiken. {1SC7:7.10}

Als de tegenstanders van de HStaf geleefd hadden in de dagen van Johannes de Doper, in de dagen van Christus, of in de eerste 3 ½ jaren van de apostelen, en in hun huidige gedachtegang waren geweest, zouden ze hun standpunt genomen hebben aan de kant van de heersers van Israel tegen de waarheid van die tijd. {1SC7:8.1}

Vraag: “Bedoelt de HStaf te onderwijzen dat het oordeel van de rechtvaardige doden gesloten is 1931, of daar in de beurt, door de volgende bewering: ‘ Terwijl God de weg vrijmaakt voor de zeven laatste plagen, door sommige van Zijn volk te ruste te leggen in het graf, heeft Hij hetzelfde gedaan zodat de gebeurtenis in 1931 zou kunnen plaatsvinden (als die datum correct is). Zij die de beproeving niet kunnen ondergaan, worden te ruste gelegd in hun graven, terwijl de 144.000 overblijven en zullen ontkomen, maar het overschot in de kerk (nu) in het verderf, ten onder zal gaan.’ (HStaf, Vol. 1, p. 219.) Leg alstublieft uit.” {1SC7:8.2}

De datum 1931 en de betreffende uitspraak, hebben geen verwijzing naar het onderzoekend oordeel. De HStaf legt geen datum vast, noch exact noch bij benadering voor het sluiten van het oordeel van de doden of voor het begin van het oordeel van de levenden. De tijd van deze gebeurtenissen zal niet bekend zijn totdat de ene voorbij is en de andere is begonnen. {1SC7:8.3}

Betreffende de datum van 1931 en de gebeurtenis die ermee verbonden is, hebben we geen verdere licht in deze huidige tijd dan gevonden kan worden in Vol.1, blz. 108-114 en Vol. 2, blz. 275. Het was rond die tijd (het sluiten van 1930 en het begin van 1931), dat de gebeurtenis van het uitgeven van de HStaf, Vol. 1 plaats vond, en de waarheid van de 144.000 en oproep tot hervorming, geopenbaard werd. Daarom, hoewel het niet eerder juist begrepen was, wat precies de aard van de gebeurtenis zou zijn, toen de volheid des tijds kwam en geen andere gebeurtenis  bekend werd maar deze zelfde, werd het daarbij herkend als de ene voorspeld in Ezechiël 4; dat is de tijd aan het einde van de 430 profetische jaren toe de “boekrol,” een ander draai zou maken. {1SC7:8.4}

Met betrekking tot de betreffende specifieke gebeurtenis, als de vragensteller zijn HStaf, Vol. 1 wil openen en nauwkeurig blz. 219 herbestuderen, zal hij duidelijk zien dat de context van de uitspraak: “Zij die de beproeving niet kunnen ondergaan worden in hun graven gelegd,”vereist dat het voor Ezech. 9 vervult moet worden. Aldus kan het alleen van toepassing zijn op de rechtvaardigen die sterven, onder de Derde Engelen Boodschap tot aan de reiniging van de kerk, Jes. 57: 1 vervullend, en niet Openb. 14: 13. {1SC7:8.5}

Vraag: “Legt U alstublieft, de betekenis van Juda, Efraïm en Israël uit, want deze termen zijn vaak genoemd in de Bijbel, en in het bijzonder in Hosea, hoofdstuk 4-14.” {1SC7:8.6}

Antwoord: De vragenstellen zal zich herinneren dat het Israëlisch rijk- de twaalf stammen—verdeeld werden na de dood van Salomo in twee koninkrijken. (1 Kon. 11:11,12; 12-19, 20,21) Het ene dat samengesteld was uit tien stammen, dat het Noordelijke gedeelte van het beloofde land bewoonde, werd genoemd “Israel”, waar deze term van toepassing op is wanneer het gescheiden gebruikt wordt van de twaalf stammen. {1SC7:8.7}

De term “Ephraim,” is van toepassing op hetzelfde koninkrijk. (Jes. 7: 1,2). Het koninkrijk  dat was samengesteld uit de twee stammen en die het Zuidelijke gedeelte van het land bewoonde is genoemd “Juda.” De reden dat “Ephraim,” synoniem is van “Israel,” is dat de stam van Ephraim , het koninkrijk regeerde. Aldus omwille van dit feit, wordt het koninkrijk van het Noorden onder beide namen genoemd—“Israël,” en “Ephraim,”—terwijl het Zuidelijke koninkrijk dat geregeerd werd door de stam van Juda, daarom “Juda”, genoemd werd. Zodoende zijn de termen “Israël,” en Ephraim” van toepassing op de Noordelijk afdeling en de term, “Juda,”op de Zuidelijke afdeling van Gods oud volk. {1SC7:8.8}

Vraag: “Leg alstublieft E.W. 36 uit: “Ik zag dat Jezus het allerheiligste  niet zou verlaten, totdat iedere zaak besloten was, of voor verlossing of vernietiging,” etc. {1SC7:8.9}

Antwoord: De vraag die hier opkomt is hoe is het mogelijk om “De Herdersstaf,” met de “Geest der Profetie,”te laten overeenstemmen, wanneer de een schijnt te zeggen dat Jezus het allerheiligste zal verlaten  bij Ezech. 9, terwijl de ander zegt Hij zal het niet verlaten totdat iedere zaak is besloten. {1SC7:8.10}

Zonder te trachten de gebeurtenis in E.W. 36 te beschrijven, zullen we alleen op de zaak ingaan, of het wel mogelijk is met het oog op de E.W. uitspraak, dat Jezus het allerheiligste “verlaat” om het werk van Ezech. 9 uit te voeren, voor de algemene afsluiting van de genadetijd van de mens. {1SC7:8.11}

Om te beginnen, is er niets in het woord “verlaten,”dat definitief zijn en blijvend in toestand of handeling betekend. Om eens te vertrekken, sluit de mogelijkheid niet uit, van verlaten het hebben in eerdere gevallen en dan terug gekeerd. Vandaar dat op basis van de logica van taal alleen, alleen het feit dat Zr. White “zag dat Jezus het allerheiligste niet zou verlaten totdat iedere zaak besloten was,”bewijst daarom niet dat Hij, eerder nooit het allerheiligste kon hebben verlaten, en dat Hij het niet kan verlaten om Ezech. 9 over de kerk kan voltrekken. {1SC7:8.12}

We moeten onze standpunt echter niet alleen op logica baseren. De Schriften bewijzen overvloedig het feit dat Jezus tegelijk te midden van Zijn volk zal vertoeven, voordat iedere zaak is besloten. We citeren Zach. 2: 10, 11—“Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere. En vele heidenen zullen te dien dage den Heere toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen.” {1SC7:9.1}

Vers 11 bewijst dat in “die dag,”wanneer Hij komt en te midden van Sion zal wonen, “vele heidenen tot de Heere toegevoegd zullen worden,”en ieder Z.D.A. hoort te weten dat er geen heidenen tot de Heer toegevoegd zullen worden, nadat de genade tijd gesloten is. {1SC7:9.2}

Bovendien, in Jes. 66: 15, welke leest: “Want ziet, de Heere zal met vuur komen en Zijn wagenen als een wervelwind om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn schelding met vuurvlammen,”(Vers 16) “want met vuur en met Zijn zwaard zal de Heere pleiten met alle vlees, en de verslagenen des Heeren zullen vermenigvuldigd zijn,” zien we dat wanneer Hij met vuur komt, het is om te “pleiten” met alle vlees hetgeen bewijst dat het tijdens de genade tijd is, want na de afsluiting van de genadetijd, zal God met geen enkel vlees pleiten. {1SC7:9.3}

Verder bewijst Jes. 66: 20, dat het in deze tijd is, gedurende welke de Heer pleit met alle vlees, dat “vele heidenen,”—“al uw broederen,”—toegevoegd worden tot de Heer. Vandaar dat “in die dag,” de dag van slachting (Ezech. 9; Jes. 63; Jes 66) Hij “zal komen, en .. te midden van “Sion” zal wonen. {1SC7:9.4}

Het is daarom duidelijk dat Jezus zal komen en te midden van Zijn volk zal wonen, hier op aarde voor de afsluiting van de genadetijd, zoals Hij te midden van Zijn volk in de exodus beweging woonde, zoals beschreven in Jes. 4. {1SC7:9.5}

Sommigen hebben in het geheel een te bekrompen visie van de Godheid. Ze denken dat als Jezus het onderzoekend oordeel in het hemelse heiligdom voort wil zetten, Hij Zichzelf daar ieder moment moet opsluiten, en dat zelf in geval van noodzaak Hij de plaats van het allerheiligste  afdeling niet kan verlaten, om iets anders te doen, totdat Zijn bemiddelingswerk voorbij is. {1SC7:9.6}

Christus zijn vertrek van de heilige plaats, bij de voltrekking  van het onderzoekend oordeel, zal resulteren in Zijn zichtbare tweede komst, terwijl de gebeurtenis van Ezech. 9 en Zach. 2: 9-11, een onzichtbare komst is. {1SC7:9.7}

GEZONDHEIDHERVORMING

Vraag: “Hoe staan wij op gezondheidhervorming? Onderscheiden we ons toch zonder voorbehoud tegen het gebruik van gepasteuriseerde melk? {1SC7:9.8}

Antwoord: Ons standpunt op gezondheidhervorming is met beide voeten stevig vastgezet en voorwaarts gaand. Om toegewijd te zijn op deze koers, betekend echter niet dat we tot extreme maatregelen overgaan. In tegendeel, betekend het om gezond verstand te adviseren en matigheid, niet gaan buiten wat goddelijk geopenbaard is. {1SC7:9.9}

Die specifieke artikelen, waartegen de Geest der Profetie een positieve getuigenis draagt; van de natuur ontdaan, levenloos gemaakt, voedsel dat van mineralen is ontdaan,en alle ongezonde praktijken, beloven wij te vermijden. Maar we nemen het standpunt niet in dat melk niet gebruikt moet worden. Sommigen van ons gebruiken het niet, maar pleiten niet voor het niet gebruiken op dit punt. Het zou dwaas zijn om op zo een hervorming aan te dringen, terwijl de meerderheid nog steeds koffie, thee, azijn, specerijen, boter, rijke gebakken, levenloze granen etc. gebruikt. Dit zou eenvoudigweg betekenen te springen naar de bovenste tree van de ladder, terwijl men neergehouden wordt door de zware gewichten van verkeerde praktijken, in plaats van klimmen vanaf de bodem en stap voor stap de gewichten, afsnijden totdat de top uiteindelijk bereikt is, welk proces van vooruit schrijdende hervorming beter geïllustreerd wordt door de volgende droom. {1SC7:9.10}

“Terwijl ik in augustus  1868 in Battle Creek was, droomde ik dat ik mij in gezelschap van een groote menigte mensen bevond. Een deel van deze menigte begaf zich op reis, goed toegerust. Wij hadden zwaar beladen wagens bij ons. Terwijl wij reisden, scheen de weg omhoog te gaan. Aan de ene kant van de weg was een diepe afgrond en aan de andere kant een hoge, gladde witte muur, alsof deze gepleisterd was. {1SC7:9.11}

Naarmate wij verder reisden werd de weg nauwer en steiler. Op sommige plaatsen scheen de weg zo smal, dat wij zagen dat wij niet langer met onze beladen wagens konden verder reizen. Wij maakten daarom de paarden los, namen een deel van het reisgoed van de wagens en legden het op de paarden en reisden te paard verder. {1SC7:9.12}

Hoe verder wij kwamen, hoe smaller de weg werd. Wij waren genoodzaakt om dicht tegen de muur te blijven, om niet van de smalle weg af in de diepe afgrond te storten. Terwijl wij dit deden, schuurde het reisgoed op de paarde tegen de muur, zodat wij naar de kant van de afgrond overhelden. Wij waren bang dat we zouden vallen en op de rotsen verpletterd zouden worden. Daarom sneden wij onze bagage van de paarden los, die toen in de afgrond viel. Wij reden te paard verder maar waren erg bang, toen de weg nog smaller werd, dat wij ons evenwicht zouden verliezen en zouden vallen. Op zulke ogenblikken scheen een hand de paarden bij de teugel te houden en ons veilig over de gevaarlijke plaatsen te leiden. {1SC7:10.13}

De weg werd steeds smaller en wij zagen in dat wij niet langer veilig te paard konden gaan. Wij lieten nu de paarden achter en gingen te voet verder, in een rij achter elkaar. Op dit ogenblik werden dunne koorden van boven de witte muur neergelaten, waarvan wij een gretig gebruik maakten om ons evenwicht te bewaren op de smalle weg. Terwijl wij verder reisden, bewogen de koorden ook mee. De weg werd uiteindelijk zo smal dat wij niet langer onze schoenen aan onze voeten durfden te houden. Wij deden ze snel uit en gingen zo verder. Nog wat verder gekomen besloten wij voor de veiligheid ook onze kousen uit te trekken en wij reisden barrevoets verder. {1SC7:10.1}

Wij dachten toen aan hen, die aan geen ontberingen en moeilijkheden gewend waren. Waar waren zij nu? Zij waren niet in de groep. Bij elke ontbering bleven er sommigen achter. Alleen zij, die zich geoefend hadden om moeilijkheden te doorstaan, bleven. De ontberingen deden hun verlangen alleen toenemen om tot het einde toe door te zetten. {1SC7:10.2}

Het gevaar om van de smalle weg af te vallen nam steeds toe. Wij drukten ons tegen de witte muur aan. Het pad was nu zo nauw dat onze voeten er niet eens in zijn geheel op pasten. Wij hingen daarom bijna met onze gehele gewicht aan de koorden en riepen uit: “Wij hebben houvast van boven! Wij hebben houvast van boven! Dezelfde woorden werden door allen in de groep op het smalle past geuit. Maar wij rilden als wij de klanken van vrolijkheid en feestgejoel hoorden, die uit de afgrond tot ons opstegen. Wij konden het gevloek, en de gemene scherts, het lage vuile gezang vernemen. Wij hoorden de krijgsmuziek en de dansmuziek, de muziek van instrumenten, het luide gelach, vermengd met gevloek en geschreeuw van angst en bitter gekerm, wat ons meer dan ooit deed verlangen om op het nauwe moeilijke pas te blijven. Een groot gedeelte van de tijd moesten wij met ons hele gewicht aan de koorden hangen die, naarmate wij verder kwamen, steeds dikker werden. {1SC7:10.3}

  Ik bemerkte, dat op de schone witte muur bloedvlekken  zaten  en ik betreurde het dat de muur zo bezoedeld was. Maar dat gevoel duurde een ogenblik, want ik bedacht mij, dat dit was zoals het zijn moest. Zij, die volgden zullen hieraan weten, dat anderen de smalle, moeilijke weg voor hen gegaan zijn en daaruit opmaken, dat, als anderen in staat waren die weg te gaan, zij hetzelfde kunnen doen. Als dan het bloed uit hun pijnlijke voeten wordt geperst, zullen zij niet onder ontmoediging bezwijken, maar door het zien van het bloed op de weg weten , dat anderen dezelfde pijnen hebben doorstaan. {1SC7:10.4}

Eindelijk kwamen wij bij een wijde kloof, waar ons pad eindigde. Er was niets om onze voeten te leiden, niets waarop wij konden steunen. Wij moesten ons nu geheel op de koorden verlaten, die steeds in dikte toegenomen waren, totdat zij bijna zo dik waren als onze lichamen. Voor een ogenblijk waren wij in grote nood en verwarring.  Wij vroegen angstig fluisteren: ‘” Waar zitten de koorden aan vast?”Mijn echtgenoot was vlak voor mij. Grote druppels zweet vielen van zijn voorhoofd af, de aderen in de nek en ik de slapen waren eens zo groot als gewoon en een onbedrukt gekreun ontsnapte aan zijn lippen. Het zweet liep mij ook van het gelaat af en ik had een angst, zoals ik nog nooit tevoren gekend had. Een vreselijke strijd stond ons te wachten. Als het hier misliep, hadden wij al de moeilijkheden van de afgelegde weg voor niets doorgemaakt. {1SC7:10.5}

Voor ons uit, aan de andere kant van de kloof, was een prachtig veld met groen gras, ongeveer vijftien centimeter hoog. Ik kon de zon niet zien, maar heldere, zachte lichtstralen, die op fijn goud en zilver leken, rustten op het veld. Niets van wat ik op de aarde gezien had kon vergeleken worden met de pracht en heerlijkheid van dat veld. “Maar zouden wij erin kunnen slagen om het te bereiken ?” was onze angstige vraag. Als het koord zou breken waren wij verloren. Weer werden angstig fluisterende woorden herhaald. “Waaraan zitten de koorden vast ?” Voor een ogenblijk aarzelden wij om de sprong te wagen. Mar toen riepen wij uit: “Onze enige hoop is geheel op het koord te vertrouwen. Wij hebben er heel de moeilijke weg op vertrouwd. Het zal ons ook nu niet in de steek laten.” Nog aarzelden wij een ogenblijk. Daarop werden de woorden gesproken: “God houdt de koorden vast. Wij hoeven niet te vrezen.” Deze woorden werden herhaald door hen die achter ons waren en er werd aan toegevoegd: Hij zal ons nu niet verlaten. Hij heeft ons al veilig tot hier gebracht.” {1SC7:10.6}

Hierop zwaaide mijn echtgenoot zich over de vreselijke kloof in het prachtige veld erachter. Ik volgde hem onmiddellijk. Wat gaf ons dat een verlichting en wat een gevoel van dankbaarheid vervulde ons hart! Ik hoorde stemmen, die triomfantelijk God loofden. Ik was gelukkig, volmaakt gelukkig! {1SC7:10.7}

Ik ontwaakte en ondervond van de angst die ik had ervaren in het door de moeilijke route te gaan, iedere zenuw in mijn lichaam in huivering scheen te zijn. Deze droom behoeft geen commentaar. Het heeft zo een indruk op mijn geheugen gemaakt, dat waarschijnlijk iedere onderdeel erin helder voor mij zal zijn als mijn herinnering voortgaan.” – 2 T 594-597{1SC7:10.8}

Zo kunt u zien dat het hele probleem individueel is. Als we vastbesloten zijn om gelijke tred te houden met God, zal Hij de hervormingen openbaren die Hij wil dat wij in ons leven instellen en wanneer we ze moeten uitvoeren. Daarom zouden wij u iet adviseren om het gebruik van melk af te schaffen, totdat u zeker bent dat de Heer u zegt dat te doen. {1SC7:11.1}

Vraag: “Waarom wordt de grote schare van Openb. 7: 9 ontelbaar genoemd, terwijl Zach. 13: 8 spreekt van hen die gered worden als 1/3 deel, hetgeen een telbaar deel is? Leg alstublieft uit.” {1SC7:10.2}

Antwoord: Van de grote schare is gezegd: “Niemand kan het tellen” hetgeen echter niet betekend dat God het niet kan tellen. Evenzo is het met het heir in Zach. 13:8. God heeft ze geteld, hoewel het exacte nummer niet bekend is bij de mens zoals dat is van de 144.000. {1SC7:10.3}

In de code van december hebben we het volgende bezoek van Zr. Palmer gedrukt: “ We kwamen hier in het midden van oktober en zouden blij zijn om welk  lid dan ook van de HStaf, bij ons in de buurt te doen stoppen, maar we schoten tekort om haar adres te geven, hetgeen is C.C.C. 762, Red Cloud, Nebraska. {1SC7:10.4}

HEEL BELANGRIJK

Onzorgvuldigheid bij een deel van sommigen heeft hun een heel goed deel gekost, en veel post is verloren gegaan, hetgeen nooit het kantoor heeft bereikt. Ons juist adres is in het verleden gepubliceerd, maar sommigen hebben er geen acht op geslagen. Wilt u er alstublieft aan denken om welk lid van dit kantoor dan ook op de volgende manier te adresseren. {1SC7:10.5}

                                                         Universele Uitgevers Associatie

                                                         Station K, Box 68

                                                         Los Angeles, California

                                                         Naam van de persoon

 

Plaats geen geld in gewone post. Stuur liever een  Geldopdracht of een check van de bank. Vergewis u ervan dat uw retour adres op alle post gegeven is. {1SC7:10.6}

Aangezien deze instructies niet volledig,  zijn nagevolgd, hetgeen ons verwarring bezorgt, drukken we het opnieuw, ernstig verzoekend dat iedereen corresponderend met dit kantoor het juiste formulier hierin gegeven gebruikt. {1SC7:10.7}

Onze vrijwillige fonds voor literatuur, gecreëerd door vrijwillige offer gaven, heeft tot dusver, de helft van de noodzakelijke onkosten gedekt. Wij zijn daarom geneigd onze vrienden in tegenwoordige waarheid te herinneren aan de behoefte van deze waardevolle onderneming. {1SC7:10.8}

De contributies voor de Symbolische Code, dekken ook tot dusver de helft van onze uitgaven voor alleen de voorraad. {1SC7:10.9}

Onze vereende gebeden op vrijdag avond (5 u ’s middags Pac. Stand.Tijd; 6 u ’s avonds Moun. Stand. Tijd; 7 u ’s avonds Cent. Stand Tijd; 8 u ’s avonds East Stand Tijd)ten gunste van onze broeders en zusters die in duisternis zijn met betrekking tot tegenwoordige waarheid, moet trouw door alle betrokkenen nageleefd worden. {1SC7:10.10}

Iedere Z.D.A. die ernaar verlangt kosteloos de “Symbolische Code” regelmatige naar hem verstuurd te hebben,vul alstublieft het volgende formulier in.

—————————- ———SCHEUR AF———————————————–{1SC7:10.11}

Plaats alstublieft mijn naam op uw regelmatige postlijst voor u maandelijks blad: “De Symbolische Code.”

Naam———————————-Straat Postbus nr.—————————————

Stad———————–Staat—————————————Land—————————–{1SC7:10.12}

De Universele Uitgevers Associatie

Symbolische Code Afd., Station K, Box 68

Los Angeles, California