De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 1 Symbolische Code Nr. 14

De Symbolische Code

Nieuws Artikel

                                   Deel Een                                  

                                                                                                 Nr. 14   

                                                                                              aug 1935

    Waco, Texas

   TER CORRECTIE

In Het Belang Van Het Z.D.A. Kerkgenootschap   

DE VORDERING OP MT. CARMEL

 “Aan de twaalf stammen die overal verspreid zijn, de groeten:”

Daar de ogen van Mt. Carmel Center over het gehele veld van de “eerste vruchten,” reiken, zo moet de oren van hen die “zonder schuld,” zijn, gespitst zijn om iedere mogelijk geluid van haar activiteiten te horen. Vandaar dat we verplicht zijn een paar nieuws dragende golven betreffende de vorderingen, van deze reeds wijd bekende heuvel uit te zenden. Wij zijn verheugd te verslaan dat haar bevolking reeds gegroeid is tot 37 zielen, waarvan 29 geïmmigreerd zijn vanuit andere staten en hoewel sommigen nog steeds in de stad van Waco verblijven, vanwege een tekort aan behuizing, toch is de toch, schijnt de top van Carmel iedere avond gevuld te zijn met bijen zonder bijenkorf. Desalniettemin, schijnen zij allemaal volmaakt tevreden te zijn en gewillig alles te doen wat zij kunnen om de situatie te verlichten, een ieder meer bezorgd over anderen dan over zichzelf, herinnerend dat de Heer zelf niet veel  had. De toegenomen geïmmigreerde populatie, is in twee installeringen aangekomen, waarvan de namen als volgt zijn:{1SC14:1.1}                                  

Groep Nr. 1:

Br. En Zr. J. E. Wilson en hun twee kinderen, namelijk John jr. en Donald van Noord Carolina.

Groep Nr. 2:

Br. En Zr. D.Kapuczin en dochter, Mary;

Zr. Ida Lackey

Zr. Esther O’Malley

Br. En Zr. O.Hogan en hun twee dochters. Carol en Kathleen.

Allen van deze groep zijn van Carolina. {1SC14:1.2}                                 

Het hete weer heeft onze last verzwaard, en als wij vooruitblikken naar de onmetelijkheid van het werk dat wacht om gedaan te worden, lijkt het alsof we op een slakkengang gaan in zo verre, dat wij de noodzakelijke vooruitgangen maken. Dit voegt echter, moed toe aan ons, vanwege het feit dat ieder departement van de verzegelende boodschap een heel klein en langzaam maar steevast begin heeft gehad. Inderdaad het is als de mosterdzaad, maar volgens het Woord, wanneer de vorderingen zijn afgerond, zal zoals de mosterd plant de grootste is van alle andere kruiden, zo zal het werk op Carmel, het grootste in de hele wereld zijn. {1SC14:1.3}                                 

Tot zover zijn wij gedeeltelijk klaar met twee geraamte constructies. De ene wordt gebruikt voor verschillende doelen; dat is als warenhuis, slaapgelegenheid, keuken en eetkamer. De andere als woonkamer alleen. Er is nog een andere onder constructie, waarvan wij verwachten het te gebruiken als een kantoor, om de verstopte situatie te verlichten en het werk in het algemeen te faciliteren. {1SC14:1.4}                                 

Onze volgende directe behoeften zullen zijn: Adequate woongelegenheden voor de arbeiders die reeds hier zijn, klas lokalen, waarin wij een school kunnen begeleiden, naar de school van de profeten.; een wasserette en een algemene winkel voor voorraden, ook een tehuis voor de bejaarden en behoeftigen van de straten en de wegen.” {1SC14:1.5}                                 

Wij verzoeken daarom van alle betrokkenen, om door te gaan met bidden voor ons, dat wij onszelf zo in verbinding mogen stellen met de Ene, Die in staat is alle dingen te doen, dat wij geen hindernis voor Hem zijn in dit machtige werk, dat Hij reeds begonnen is, en dat Hij een nog een paar zelf opofferende, bekwame arbeiders mag sturen, vertrouwend op Hem die in staat is onze zielen te behouden, dat Hij ook in staat is te voorzien in al onze behoeften. {1SC14:1.6}                                 

“Daarom weest niet bezorgd, zeggende Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmee zullen wij ons kleden? Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Weest dan niet bezorgd tegen de morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.” Matt. 6: 31-34. {1SC14:1.7}                                 

DE GALG VAN DE HERDERSSTAF, NEEMT DE LEVENS VAN DE BOUWERS ERVAN

Als verdedigers van waarheid en gerechtigheid, en vanwege onze grote liefde voor onze broeders en zusters, zouden wij, net zoals Johannes de Doper, liever onthoofd worden dan dat Die Ene die voor ons stierf, hun bloed van onze handen eist, als wij het ons toevertrouwde, welke Hij op ons gelegd heeft zouden verraden. Vandaar dat voor de redding van onze broeders en zusters, en onszelf, zijn wij met zorg gedwongen, dit artikel uit te geven, hopend zo veel als mogelijk die op het punt staan erdoor weggevaagd te worden, te redden van de naderende storm. {1SC14:2.1}                                 

Te kort schietend in het weerleggen van de boodschap van de HStaf, door oprechte, gezaghebbende feiten, die de test kunnen doorstaan, vallen onze leidende broeders en zusters, de karakters aan van diegene die verbonden zijn met de HStaf als of dat haar eisten zou weerleggen. Terwijl zij voortgaan in deze wreedheid, en verdorven dingen spreken tegen de volgelingen van de HStaf, werpen zij geen smaad op de HStaf, maar meer op zichzelf en op de Drie Engelen Boodschap; want als een schandelijk karakter aan de kant van de arbeiders van de HStaf, de eisen van de Staf zou weerleggen, zou dan de “verdorvenheid van karakter,” onder de Z.D.A bediening de Drie Engelen Boodschap ook niet weerleggen? Als de veroordeling van de Heer Zelf tegen de Z.D.A bediening  in de volgende citaten, geen weerspiegeling werpt op de Drie Engelen Boodschap, dan zou iemands slechte daden de feiten die de HStaf bevat ook niet weerleggen. {1SC14:2.2}                                 

‘Onze Instructeur,’ zegt: “’ Kunt u niet zien hoe zij aanmatigend hun vuilheid en verdorvenheid van karakter hebben bedekt? “Hoe is de trouwe stad een hoer geworden? Mijn Vaders huis is een huis van handel geworden, een plaats waar de goddelijke tegenwoordigheid en heerlijkheid van zijn afgeweken!’” Testimonies for the Church,” Vol. 8, p. 250. {1SC14:2.3}                                 

Ruimte laat een uitgebreide discussie met onze broeders en zusters over dit onderwerp niet toe, maar wij zullen slecht een geval van de oneerlijke en onverstandige kritiek tegen de verdedigers van tegenwoordige waarheid, onder de aandacht van de lezers van de Code brengen, zoals dat onder onze aandacht gebracht is, in een brief van Zr. Chas. Michael, van Indiana en waar wij van citeren: {1SC14:2.4}                                 

 “Ouderling B_______ kwam naar de Liberty Kerk om een scheldkanonnade te voeren tegen de HStaf, en zei: ‘Ik ben gevraagd de kerken te bezoeken in deze conferentie en te spreken tegen de HStaf.’ Na lang gepraat tegen valse profeten en zijtakken, zei hij tegen zijn gehoor: ‘ U kunt er zeker van zijn, dat wanneer wie dan ook uit de Adventisten kerk komt, trachtend discipelen achter zichzelf aan te trekken, dat hij niet van God kan zijn.’ {1SC14:2.5}                                 

 “Aangezien ik intens geïnteresseerd was en aandachtig luisterde naar zijn dialoog, kon ik het niet helpen op een gelegen tijdstip te zeggen: ‘Broeder Houteff ging niet eruit, maar werd eruit geworpen.’” Nog minder is hij nu, of ooit bezig geweest discipelen achter zich aan te trekken want hij instrueert alle volgelingen van de HStaf boodschap om in hun respectievelijke kerken te blijven, ongeacht hoe zij behandeld mogen worden, en hun volharding om te blijven waar zij zijn, heeft reeds bewezen aan onze broeders en zusters, dat wij niet zijtakken zijn, maar bijtakken. “Hij antwoordde: ‘Hij zou uitgeworpen moeten worden en een ieder die hem volgt.’ Toen citeerde ik de volgende woorden: {1SC14:2.6}                                   

 “Zalig zijt gij, wanneer de mensen u haten , en wanneer zij u afscheiden en smaden , en uw naam als kwaad verwerpen, om de Zoon des mensen. Verblijdt u in die dag en weest vrolijk, want ziet uw loon is groot in de hemel, wan hun vaders deden evenzo aan de profeten.’ Maar Hij (de Heer) zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.’ (Luk. 6: 22; Jes. 66.: 5) Dit negeerde hij…{1SC14:2.7}                                 

Toen wij later vertrokken, zei ik: ‘Zr. White heeft geschreven dat er een reformatie en reorganisatie zal zijn, een verandering van ideeën, theorieën en praktijken.’ Toen vroeg hij: ‘Kan jij mij de bewering tonen? Ik zei ‘Ja,’ Ik pakte het book, ‘Christus onze Gerechtigheid,’ en toen ik mijn bewering bevestigd had door op blz. 156 te lezen, antwoorde hij: ‘Dit zijn niet haar woorden.!’” {1SC14:2.8}                                 

Ouderling A.G. Daniels, die het boek schreef (Christus Onze Gerechtigheid), beweert dat het citaat daarin onvervalst is van de pen van Zr. White, maar ouderling B_________ in zijn ijver om de HStaf te weerleggen maakt ouderling D een vervalser door te zeggen: “Dit zijn niet haar woorden.” Tevens de stem van de Geest van God van geen invloed makend , als de citaten niet zuiver zijn, en toch deden beide mannen dit, terwijl zij betaald worden van de schatkist van de Conferentie! {1SC14:2.9}                                 

EEN Z.D.A. PREDIKANT BIJ DE INDIANA KAMPBIJEENKOMST VERKIEST BESCHULDIGINGEN—De brief zegt in het beschrijven van een ander incident: “Het schijnt dat bij de Indian kampbijeenkomst velen tot ouderling G——- spraken over de HStaf, en dit zijn sommige van de dingen die mij ter ore kwamen; Dat er geen eerlijke bot in br. Houteff zijn lichaam is; dat hij betaald voor land in Waco, Texas van de tienden; Dat hij zijn volgelingen zo veel beloofd voor iedere bekeerling die zij uit de Z.D.A. kerk kunnen krijgen; Dat hij duizenden dollars ontvangt aan tienden, en spoedig een rijke man zal zijn, etc.” {1SC14:2.10}                                 

 

Voor het Gerecht

De bovenstaande beschuldigingen zijn of waar of onwaar, maar een ding is zeker en dat is, ouderling G. weet nog minder hoe Br. Houteff voor het land betaald, dan dat hij voor andere dingen betaald, en aangezien ouderling G. datgene tracht te vertellen dat buiten zijn kennis is, met betrekking tot geldzaken, zijn, zijn beschuldigingen tegen br. Houteff zijn botten ook ongerechtvaardigd. Dientengevolge kunnen ouderling G. zijn woorden br H. niet meer onbetrouwbaar maken als hij betrouwbaar is dan dat zij hem betrouwbaar kunnen maken als hij onbetrouwbaar is, dus zal br. H noch trachten zichzelf te verdedigen nog ouderling G.., maar hij zal alles doen wat in zijn macht is om de waarheid die God, gezonden heeft voor Zijn volk te verdedigen, om hen van hun zonden te redden. {1SC14:3.1}                                 

Stel dat het waar is dat Br. H. voor het Waco “kamp,” gebied betaald door de tienen die hij ontvangt van de leden van de Z.D.A. kerkgenootschap, hetgeen het grootste geschilpunt schijnt te zijn, zou dat hem onbetrouwbaar maken? Als het land van hem is, zou hij betrouwbaarder zijn om de overschot van de tienden bij de bank te bewaren, of het in luxe uit te geven, terwijl hij zijn volgelingen vraagt een stuiver hier en een stuiver daar te besparen, een maaltijd per week over te slaan, een offer hier en een offer daar, met de belofte om hen slecht een boekenlegger of enig ander waardeloos snuisterij te geven voor hun offers; of dat hij en zijn medearbeiders bezuinigen en ervoor betalen met de tienden? Zou het voorgaande voorstel niet erger zijn dat het laatste? {1SC14:3.2}                                 

Wij denken dat het heel wreed zou zijn als Br. H en diegene die met hem verbonden zijn de tienden zouden houden voor hun eigen persoonlijk gebruik alleen, en dan Br. H. aandringt bij zijn volgelingen voor alles wat hij doet in verband met de zaak van God. {1SC14:3.3}                                 

Als ouderling G juist is in zijn poging om het werk van Br. H. verkeerd voor te stellen, bewijst hij dat Br H. genadiger en oprechter is dan de predikanten van het kerkgenootschap, want zij hebben een onbevoegde halo (stralenkrans) van heiligheid geplaatst op de tienden zoals de Joden uit de oudheid, verbonden hadden aan het Sabbatgebod. Zij denken dat de tienden alleen uitgegeven dient te worden voor hun directe noden en dat al hun andere personeel evenals kerkelijke noden onderhouden moeten worden door geschenken en offeranden, want zij verbruiken beide—de tienden in de naam van predikanten en de offeranden in de naam van zendelingen. Als gevolg daarvan, raken de leken verarmd en de predikanten verrijkt, terwijl de ondernemingen die gedragen moeten worden door de offeranden totaal veronachtzaamd worden. {1SC14:3.4}                                 

Gods Plan voor  de Tienden en Offeranden Misbruikt

Oorspronkelijk heeft God de tienden aan een kant gezet voor de ondersteuning van de hele stam der Levieten, en daar alleen een Leviet toegestaan werd te bedienen in wat dan ook met betrekking tot de religieuze dienst, bewijst het dat vanaf de hogepriester, wiens taak het hoogste was, neerwaarts tot de conciërge, allen ondersteund werden door de tienden. Hoe komt het dan dat onze leidende broeders en zusters in deze tijd, de plaatselijke kerk ouderlingen, de diakenen, het koor, etc, die het werk doen dat alleen een Leviet toekomt, voor niets werken en zichzelf ondersteunen, en als gevolg daarvan het werk van de Heer wordt verwaarloosd, terwijl de tafel van de predikant overbelast is. Bovendien heeft God oorspronkelijk de gaven en offers, van het volk geheiligd, zoals Hij deed met de tienden, maar niet voor de ondersteuning van de Levieten in vroegere tijden, of voor de bediening in onze tijd, maar voor het voeden van de armen, bedienen van de zieken, etc., desondanks, verbruiken de predikanten van onze tijd toch beide—tienden en offers—en door zo te doen, hebben zij niet allen andere arbeiders berooft in verband met het evangelie, maar ook de armen en de zieken, de wezen en de weduwen. {1SC14:3.5}                                  

In plaats van Bedienen, worden zij Bediend

Wat nog erger is, is dat zij instituten hebben gebouwd met de gaven van de leken, die nauwelijks toegestaan worden een zegen te ontvangen in deze instituten, tenzij zij de prijs betalen en als zij niet daartoe in staat zijn, worden zij gedwongen te gaan naar een andere liefdadigheidsgemeenschap, voor aandacht, terwijl de predikanten die nooit een dag betaling verliezen, misschien in het leven, al de voordelen genieten van onze  instellingen, en wanneer zij te oud zijn voor dienst, pensioneren zij met een aanzienlijk pensioen voor hun onderhoud. “Ik ben niet gekomen om gediend te worden,” zei Christus, “maar om te dienen.” {1SC14:3.6}                                 

Zullen wij ons daarom afvragen waarom zij zover zij gegaan, om op te dringen aan het geweten van de leken, hun berovend van de God gegeven vrijheid van de waarheid voor zichzelf onderzoeken, hun intelligente in twijfel trekkend [p4] en allen die voor zichzelf durven denken, als lidmaten afschrijven? Desalniettemin, is de menigte, “vertroeteld” en “beroofd” in vervoering gebracht in de straten en terwijl het “alarm,” van waarschuwing weerklinkt in hun oren, schoppen zij ertegen als dronkaards, tonend dat zij liever beroofd willen worden dan verstoord. Tegelijkertijd, proppen de rovers de oren van de slachtoffers  door valsheid te verspreiden tegen de Staf en doen zij alles wat zij kunnen om het alarm te laten zwijgen, door uit te roepen: “Onheilig, Onheilig,” tegen de boodschappers van tegenwoordige waarheid, en dus wanneer de HStaf aanhangers in de kerk zijn, worden zij bij elkaar samengedreven in een hoek, uit vrees dat zij een woord zullen laten vallen en een hongerige ziel laten ontwaken. Is dit minder dan onfatsoenlijk? {1SC14:3.7}                                  

“Ontwaak, ontwaakt:” Bereid u voor om uw God te ontmoeten, mijn broeders en zusters, zodat u niet verloren gaat in uw zonden! Laat niet de kostbare momenten van u wegglippen. De HStaf zal of vallen of staan op haar eigen verdienste. Het heeft u niet nodig om het omver te duwen. {1SC14:4.1}                                 

Het Vonnis Uitgesproken Tegen de Aanklager

“Alzo zegt de Heere Heere: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Zullen niet de herders de schapen weiden? Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet. De zwakke sterkt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weg gedrevene brengt gij niet terug, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardheid. Daarom gij herders hoort het woord des HEEREN! Zo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik niet ! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijs geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelf, maar Mijn schapen weiden zij niet. Daarom, gij herders! Hoort het woord des HEEREN! Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelf niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen  uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijs zullen zijn.” (Ezech. 34: 2-4, 7-10.) {1SC14:4.2}                           

Daarom “stelt” nu “de Heer Zich op om te pleiten, en Hij staat om de volken te richten.” De Heere komt ten gerichte tegen de oudsten van Zijn volk en zijn vorsten; want gij hebt deze wijngaard verteerd; de roof van de ellendige is in uw huizen. Wat is u, dat gij Mijn volk verbrijzeld; en de aangezichten der ellendigen vermaalt? Spreekt de Heere HEERE der heerscharen.” (Jes. 3: 13-15) (De Geest der Profetie, Deel 1, p. 270 zegt: De profetie van Jesaja 3, werd mij gepresenteerd als van toepassing op deze laatste dagen.”) “Ik zag, zegt de Geest der Profetie, “dat het in de voorzienigheid van God is dat weduwen, de blinden en de doven, de verlamden en de verminkte personen op verscheiden wijze, nauw in Christelijke relatie tot Zijn kerk zijn geplaatst; het is om Zijn volk te toetsen en hun ware karakter te ontwikkelen. Engelen van God kijken toe hoe wij deze personen behandelen, die onze sympathie, liefde en onbaatzuchtige liefdadigheid nodig hebben.”—Testimonies fort he Church,” Vol. 3, p. 511. {1SC14:4.3}                                 

Wat Zouden Predikanten moeten doen met de Tiende?

Daar van de Levieten ook vereist werd dat zij een offerande voor de armen, en de ziekte etc. deden, hetgeen vanzelfsprekend van de tienden kwam, want dat was hun enige inkomen, toont het aan dat elke waardige onderneming in het plan van God, ondersteund door offers ook door de tienden kan worden ondersteund. Vandaar dat als Br Houteff een deel van de tienden gebruikt voor het betalen van land waar “de armen en de verminkten, en de hinkende en de blinden,” de wezen en de bejaarden een toevlucht mogen vinden, bewijst het dat ouderling G’s beschuldiging met betrekking tot de tienden, dat ieder bot in br. Houteff’s lichaam oprecht is en dat ouderling G niet in staat is onderscheid te maken tussen betrouwbare en onbetrouwbare botten. {1SC14:4.4­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­}                                  ­

Verder, als br. Houteff iedereen betaald die op zoek gaat en ‘een verloren schaap van het huis van Israel,” terugbrengt, wat het kerkgenootschap zou moeten doen, bewijst het dat br. Houteff door en door betrouwbaar is. {1SC14:4.5}                                 

Een Vraag Beantwoord

De vraag over hoe Br. Houteff dit alles kan doen naar het verkopen van de delen van de HStaf voor minder dan de helft, dat het kerkgenootschap een boek van haar soort zou verkopen, en al zijn traktaten en andere literatuur verspreiden zonder enige kosten in het geheel, en zijn werk toch vooruitgaat, zonder tekort aan middelen, het kerkgenootschap schuddend op haar grondvesten, zou in het verstand van ouderling G. kunnen opkomen. Wij antwoorden als volgt: {1SC14:4.6}                                 

Br. Houteff dringt bij niemand erop aan om tienden te betalen, geschenken te geven, of offers te doen. Br. H heeft een boodschap dat de zielen bekeerd en diegene die hongeren en dorsten naar gerechtigheid bevredigd, want het schijnt als een licht dat brand; het stelt hen in staat het verschil te kennen tussen goed en kwaad.” Vandaar dat iedereen die bekeerd is tot de boodschap, geïnstrueerd is door de Geest der waarheid en Br. Houteff hoeft zijn tijd niet te verspillen door geld bij elkaar te brengen en  budgetten te balanceren. {1SC14:5.1}                                 

Tevens, zal het zelfde geldbedrag vereist om een Z.D.A. predikant, een maand te onderhouden, br. Houteff’s noden vier keer zo lang verzorgen, en zij die met hem werken, passen de eenvoudige principes van economie toe. Maar het onderliggende geheim ervan ligt daarin dat de “strijd des Heeren,” is. {1SC14:5.2}                                 

 

Waarom Voorspoedig?

Hoewel Br. H geen bankrekening heeft, denken wij dat ouderling G, juist is door te zeggen, dat Br. Houteff, “spoedig een rijke man,” zal zijn, want br. Houteff doelt op een grote schare van zielen die geen man kan tellen, en van zijn boodschap in profetie lezen wij: {1SC14:5.3}                                 

“Hef uw ogen rondom op, en zie, die alle zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde opgevoed worden. Dan zult gij het zien en samenvloeien en uw hart zal ontroerd zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heer der heidenen zal tot u komen. Een hoop kamelen zal u bedekken, de snelle kamelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen de overvloedige lof des HEEREN boodschappen. Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar en Ik zal het huis van Mijn heerlijkheid heerlijk maken.” (Jes. 60: 4-7) {1SC14:5.4}                                  

Bovendien heeft Br. Houteff’s werk aangetoond, dat hij niet alleen in een hoek zal zitten, maar gelijkmatig het zal delen, met zo veel mogelijk als zullen komen tot de kennis van de waarheid en Carmel’s last zullen delen voor de redding van zielen, want alzo is hij geïnstrueerd door het Woord van de Heer, zeggende: “Voedt Uw volk met Uw staf de kudde van Uw erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.” (Mich. 7: 14) Voor dit doel heeft hij het land gekocht en in het bos neergestreken, op de top (midden) van Mt. Carmel, aan de kant van het meer. {1SC14:5.6}                                 

De Smeekbede van de Verdediger Voor Zijn Slachtoffer

Wij zullen het zeer betreuren en bitter wenen als onze broeders en zusters voortgaan in hun huidige boze werken, die ook voorzegt zijn in het volgende: “ Zij zullen alles in twijfel trekken en bekritiseren dat opkomt in het ontvouwen van waarheid, het werk bekritiseren en de positie van anderen, iedere onderdeel van het werk bekritiseren waarin zij zelf geen deel hebben. Zij zullen zich voeden op de tekortkomingen en vergissingen en fouten van anderen, ‘totdat,’ zegt de engel, ‘de Here Jezus zal opstaan van Zijn bemiddelingswerk in het hemels heiligdom, en Zichzelf zal bekleden met de klederen der wraak, en hun verassen bij hun onheilig feest; en zij zichzelf onvoorbereid zullen vinden voor het bruiloftsmaal van het Lam.” “Testimonies for the Church.” Vol. 5 p. 690. Belijd uw fouten mijn broeders en zusters, voordat het te laat is. {1SC14:5.7}                                 

“Heden, indien Gij Zijn Stem hoort, Verhardt Uw Harten Niet.” {1SC14:5.8}                                 

Het is waar, wij zijn ons hoofdkwartier op deze berg, die in profetie gevonden wordt aan het bevestigen, maar ons verblijf hier, zal heel, heel kort zijn, want “Want Hij voleindigt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid, want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.” (Rom. 9:28) {1SC14:5.9}                                 

Het kan interessant zijn voor ouderling G om te weten dat de naamgeving van ons “kamp,” “Mt. Carmel Center,” op dezelfde wijze tot stand kwam als de naamgeving van onze publicaties “De Herdersstaf,” want wij wisten niet van te voren dat het in profetie was, totdat onze aandacht ertoe werd geroepen door Mich. 7:14 en Amos 1: 2. In de profetie van Amos lezen wij:  {1SC14:5.10}                                 

“De Heere zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen der herders zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.” {1SC14:5.11}                                 

Iedere Bijbel student zal met een paar opmerkingen over het bovenstaande Schriftgedeelte, binnen een oogopslag opmerken dat het van toepassing is op de tijd van het einde, zoals uitgelegd door de evangelie profeet: “En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat “de berg van het huis des Heeren zal vastgelegd zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvels,…. Want uit Zion zal de wet uitgaan, en het woord des Heeren uit Jeruzalem.” (Jes. 2: 2,3),: Zijn stem verheffen uit Jeruzalem.” Blikkend naar deze zelfde tijd, zet Joel het als volgt: “En de Heere verheft Zijn stem voor Zijn heer heen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn Woord, want de dag des Heeren is groot en zeer vreselijk en wie zal hem verdragen?” (Joel 2: 11) {1SC14:6.1}                                 

Daar Amos zegt: “De woningen der herders zullen treuren,” is het duidelijk, dat de profetie van Amos in de toekomst ligt, omdat het woord, “woningen,” (plaatsen) in de meervoudsvorm is, welke niet van toepassing kan zijn op de woning (kerkgenootschap) van een herder, maar op allen die op dat moment bestaan. De term “Herders,” betekend, zoals begrepen, hetzelfde als “de oude mannen die voor het huis waren,” – de predikanten.  “Testimonies for the Church,  Vol 5, p. 211. Merk op dat de herders zelf niet zullen treuren, maar hun “woningen,” (hun huizen); dat is, de leden van hun kerken, welk feit openbaart dat het zo zal zijn in de tijd, wanneer de slapende menigte in de kerken wakker wordt, van hun geestelijke ongevoeligheid en zal ondervinden dat de herders die zij onvoorwaardelijk hebben vertrouwd voor hun zaligheid, al diegene die hen hebben gevolgd, hebben misleid. {1SC14:6.2}                                 

De profeet Jeremia legt in de volgende woorden uit,  dat dit jammeren door diegene die aldus misleid zijn, aan het einde van de genadetijd zal zijn. Want zij zullen zeggen: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” (Jer. 8: 20) Dat is, na de oogst, de tijd waarin zij gered hadden kunnen zijn, zullen zij beseffen dat de genadetijd gesloten is. Dan, “zullen de woningen, van de herders treuren, en de hoogt van Carmel verdorren.” Dus, voor die tijd moet de hoogte van Carmel groen geweest zijn, met veel grasland, anders zou er niets zijn om te verdorren; dat wil zeggen, hoewel Carmel nu heel veel grasland (tegenwoordige waarheid) heeft, wanneer de genadetijd gesloten is, zal het verlaten zijn (“verdorren”), want zegt de Geest der Profetie: “In de tijd der verdrukking, vluchten wij allen van de steden en dorpen.”— “Early Writings,” p. 34{1SC14:6.3}                                 

Aldus zal de hoogte van Carmel verdorren, en diegene die geen acht slaan op het woord: “Heden indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet,”  uitvoerig gewaarschuwd zullen worden, dat hun gelegenheid, voor het aanvaarden van de waarheid weggeglipt is. Dan in hun haastige, waanzinnige poging om zichzelf kennis te laten maken met tegenwoordige waarheid, welke uitging van de hoogte van Carmel, zullen zij tot hun verbazing bemerken dat Carmel haar werk heeft voleindigd, haar inwoners verhuist, en genadetijd gesloten, in welke tijd de inwoners van “Carmel,” alleen maar kunnen herhalen: “de oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij hebbe niets voor u.” {1SC14:6.4}                                 

Dan zal het geschieden, dat: “Zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten, zij zullen omlopen om het woord des Heeren te zoeken, maar zullen het niet vinden. Te dien dage zullen de schone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten. Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat ik een honger in het land zal zenden, niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN. ( Amos  8: 12,13,11) Oh, wat een teleurstelling zal dat zijn! {1SC14:6.5}                                 

En nu, “Mijn  ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd, mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk van de dochter mijns volks, omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken. Uw profeten hebben uw ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u, uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en wegvoeringen.” (Klaaglied. 2: 11,14) {1SC14:6.6}                                 

Daar de Heer nooit Zijn volk in duisternis heeft gelaten, vinden wij het werk van de Herdersstaf duidelijk samengevat in profetie door de Bijbel heen, en de enige reden dat onze leidende broeders niet de waarheid erin kunnen zien, en niet weten, “wie het aangesteld heeft,” is omdat zij het trachten te zien door de dollars en centen in plaats van door de Geest der Profetie, de ogen voor de kerk, waardoor zij alleen de waarheid en de ware staat van hun toestand van geestelijke blindheid, armoede en jammerlijkheid kunnen zien, en een behoefte voor “ogenzalf,” want wie van de mensen weet, wat van de mens is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand wat van God is, dan de Geest Gods. (1 Cor. 2; 11). {1SC14:6.7}                                 

Maar nu, daar “de Geest der waarheid is gekomen zal Hij u leiden  in de waarheid, want Hij zal niet spreken van Zichzelf, maar al hetgeen Hij horen zal, dat zal Hij speken, Hij zal u de dingen die komen moeten tonen” (Joh. 16:13), want zonder de Geest van God, kent “niemand,” de dingen Gods. {1SC14:6.8}                                 

Aan de Boodschappers van Waarheid

Geliefde broeders en zusters,

“Laat uw gesprekken het Evangelie van Christus, alleen waardig zijn, opdat hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende, door het geloof van het Evangelie. En dat gij in geen ding verschrikt wordt door hen, die tegenstaan, hetwelk hun wel een bewijs is van het verderf; maar u van de zaligheid, en dat van God. Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden; Dezelfde strijd hebbende, hoedanige gij in mij gezien hebt, en nu in mij hoort.” (Fil. 1:27:30) {1SC14:7.1}                                 

“En zo gij uw ziel opent voor de hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag. En de Heere zal u gedurig leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader der wateren; welker wateren niet ontbreken. En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fundamenten van geslacht tot geslacht verwoest zult gij oprichten, en gij zult genoemd worden; Die de bressen dicht, die de paden weer aanlegt, om te bewonen.” (Jes. 58:10-12) {1SC14:7.2}                                 

———————————–

MEER SCHANDELIJKE HANDELINGEN

Br. John Buckheister van Charleston, S. Carolina, beschrijft de volgende schandelijke handelingen: “Afgelopen sabbat was het kleine gezelschap verhindert, van het betreden van de kerk. Zr. Kennedy ging naar binnen en ging zitten, maar de predikant ging achter haar aan en vroeg of zij de HStaf geloofde, waarop zij antwoorde: ‘Ja ik sta er welwillend tegenover.’ Toen vroeg hij haar het gebouw te verlaten. Dit is een kleine vrouw, die nooit lid was geweest van de Z.D.A. kerk, en door zo een soort behandeling uit de handen van de predikant te hebben ontvangen, kan zij hun zeker heel veel problemen geven als ze dat wilde. Wij bleven allen voor in de kerk tot, nadat de dienst begon, en toen gingen wij naar Zr. Livingstons, en hadden daar een tijd van gebed. {1SC14:7.3}                                 

“Zij brachten  weer stemmen uit op de Sabbat, om naar de rechter te gaan met een klacht dat wij de bijeenkomsten verstoorden! Vanzelfsprekend is dit niet zo, maar zij zijn gewillig wat dan ook te zeggen, als excuus om ons weg van de kerk te houden! Het weer was verschrikkelijk heet afgelopen Sabbat, 36 graden, en daar zij de voordeur tegen ons  gesloten hadden, kunt u zich voorstellen dat zij een beroerde tijd hadden om in dat hete gebouw te blijven. Ik weet dat zij, niet ‘lauw,’ waren. {1SC14:7.4}                                 

“Sommigen van ons denken dat wij terug zouden moeten gaan, en anderen dat wij weg moeten blijven. Wilt u zo snel mogelijk adviseren. {1SC14:7.5}                                 

Antwoord: Was het niet vanwege het feit dat de schrijver, met zijn eigen ogen getuige was geweest van zelf ergere voorstellingen dan de ene boven beschreven, zou het hard voor hem geweest zijn te geloven dat Z.D.A.’s ooit zich zouden bezig houden met zo een schandelijke, on-Christelijke en on-broederlijke handeling. Wij betreuren de leidende broeders en zusters, die  betrokken zijn in hetzelfde slechte werk als dat van het oude Israël. Maar wat nog erger is, is dat zij instemmen met de vele lidmaten, die niet geloven in de Geest der Profetie, anderen overtreden de Sabbat, terwijl anderen pruimen en roken, en weer anderen nog ergere walgelijkheden doen. Toch worden deze zondaren gehouden als leden en velen van hen worden zelf toegestaan om functies te bekleden, terwijl diegene, die door de HStaf te lezen, hervormen van deze walgelijkheden en ware Z.D.A worden door de hele waarheid te gehoorzamen, verkeerd worden behandeld en als kwaaddoeners worden uitgeworpen en zelf zij die schuldig zijn  van de bovenvermelde walgelijkheden, nemen een actieve rol daarin. Aldus roept de menigte van vandaag, zoals in de dagen van Christus uit zeggend: “Weg met deze man en bevrijd ons Barabas.” Toch laten zij het lijken bij allen, dat de HStaf aanhangers zichzelf aan het afscheiden zijn van de kerk—beschuldigd van het zijn van zijtakken! {1SC14:7.6}                                 

Hier worden wij gebracht om smaad en vervolging  van de hand van onze broeders en zusters te verdragen omdat wij niet durven ongehoorzaam te zijn aan de waarheid of de kerken te verlaten! En dus wordt de vraag gesteld: “ Zullen wij de kerk verlaten en uit onszelf weggaan zoals al de hervormers gedwongen werden te doen in de voortgang van iedere waarheid, of zullen wij in hen blijven, hoewel wij gedwongen worden buiten te blijven en blootgesteld worden aan extreme hitte of strenge kou, terwijl zij op ons neerzien alsof wij veelhoofdige monsters zijn. {1SC14:7.7}                                 

Het maakt niet uit wat zij tegen ons mogen doen, wij zullen liever dood gaan dan ongehoorzaam zijn aan het bevel van de Heer. De Z.D.A. kerk is geen Babylon. Als het dat geweest was, zouden wij verplicht zijn geweest uit haar te gaan, maar aangezien het dat niet is, hebben wij nergens te gaan. Dientengevolge, zullen wij in “Jeruzalem,” blijven, hoewel het gevuld is met dieven. “Vrees hen niet en ontzet u niet voor hun aangezicht,” zegt de Here. (Ezech. 3:9) “De engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden.” (Matt. 13:49) {1SC14:8.1}                                 

De generatie is haast voorbij, en er is geen tijd over, om een ander kerkgenootschap te bouwen, en hoewel in vorige tijden God Zijn volk uit het ene kerkgenootschap riep naar een anderen, kan Hij het nu niet doen, maar in plaats daarvan, zal Hij door het zegel van God, het kerkgenootschap behouden, voor de rechtvaardigen en alles wat slecht is, en het zegel niet ontvangt eruit nemen, want zo zegt de Heren: “ Alle zondaars van Mijn volk, zullen door het zwaard sterven, die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet naderen, noch ons overkomen.” (Amos 9: 10; “Testimonies for the Church,” Vol. 5, p. 211.) {1SC14:8.2}                                  

“En gij zult weten dat Ik de Heere, uw God ben, wonende op Sion, de berg Mijner heiligheid, en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen er niet meer door heen gaan.” (Joel 3: 17) (Lees “The Warning Paradox,” pp 40-42) Hoort het woord des Heeren, gij die voor Zijn woord beeft! Uw broeders die u haten, die u ver afzonderen om Mijns Naams wil zeggen:” Dat de Heere heerlijk worden! Doch Hij zal verschijnen tot uw vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.” (Jes. 66:5) {1SC14:8.3}                                 

Daarom adviseren wij al onze mensen om vredelievend te zijn, bezorg geen verstoring van welke aard dan ook, en blijf in kerkgenootschapskerken, want wij hebben ze helpen bouwen. Ze hebben onze tienden en offers genomen voor de ondersteuning van de predikanten, etc., en zolang wij ware Z.D.A.’s zijn door waarheid te onderhouden, hebben zij gen wettelijk recht van de Koning van de hemel, noch van de overheid op aarde om ons uit te werpen. Als zij trachten je uit te dragen, weer sta hen niet. Als zij een wachter bij de deur zetten en je uitsluiten, tracht niet door kracht binnen te gaan. Als zij je slaan, vecht niet terug, maar tracht met alles wat in je is binnen te gaan en als je dat niet kan, blijf buiten en getuig van tegenwoordige waarheid totdat de diensten over zijn, behalve wanneer je lichamelijk niet in staat bent dat te doen. {1SC14:8.4}                                 

De beproeving komt en ongeacht de verzoeking, moeten wij niet tekort schieten, te demonstreren wat wij geloven en hen tonen dat wij de waarheid onderhouden, hou van de broeders en zusters, en wees gewillig voor hen te sterven, als het hen zou doen ontwaken en gered worden, want wij waren niet beter dan hen toen de waarheid ons vond. {1SC14:8.5}                                 

———————————–

VERBROKEN VERTROUWEN—ER IS EEN REDEN

De ogen van velen van onze mensen worden geopend en wanneer dat zo is, wordt hun vertrouwen in de arme kwetsbare mensheid, op wie zij lang vertrouwd hebben voor hun zaligheid, niet vanwege autoriteit, maar vanwege traditie en toch oprecht, wakker geschud. Zij zijn geleid te geloven, dat onze menselijke organisatie, die de Heer ons gaf, voor de voortzetting van het werk, een soort van heilige instituut is, waar het geweten van Zijn volk, moet worden overgegeven in de handen van mensen, in zoverre dat zij zelf de leerstellingen van de Bijbel, niet voor zichzelf moeten durven onderzoeken. Desalniettemin, beginnen de arme schapen wakker te worden tot de omstandigheden. Wij publiceren hierbij een brief met betrekking hierop: {1SC14:8.6}                                 

Mw. F. Charboneau

Geliefde zuster,

Ik sluit $15.00 hierbij in. Het is mijn tienden die ik over een periode heb bewaard, omdat ik niet zeker was, waar ik het zou moeten zenden… Ik heb zo lang op onze geliefde organisatie gebouwd, dat het als heiligschennis is, om andere visies die in tegenstelling zijn tot de leiding als lichaam aan te horen….{1SC14:8.7}                                  

Ik zie nu dat wij inderdaad met betrekking hiertoe verwant zijn aan de Katholieken, en het is heel erg voor mij, want ik ben geboren en opgevoed als Zevende Dag Adventist, en mijn geliefde vader heeft in mij een aanbidding voor deze mensen ingeprent. Maar het lijkt alsof de bodem uit gevallen is van alles, tot zover dat wij niet langer op een predikant kunnen vertrouwen om ons het Koninkrijk in te leiden, en ik weet nu dat zij dat niet kunnen. Als kerkgenootschap zijn wij verloren en als de HStaf niet de waarheid is, is er geen hoop voor geen van ons. {1SC14:8.8}                                 

Nadat ik te weten was gekomen hoe mijn zuster behandeld is geworden door de kerk in Sheridan, Wyoming, en al de andere HStaf gelovigen, door oneerlijke, onvriendelijke en on-Christelijke behandeling, ben ik overtuigd, dat ik niet kan rekenen op mensen die handelen als de pauselijke tirannen uit het verleden. {1SC14:8.9}                                 

Bidt voor mij, dat ik de waarheid helderder mag zien en er vast op staan. Moge de Heer ons allen zegenen en behouden, terwijl wij in deze vallei van beslissing zijn. {1SC14:8.10}                                 

                                                                  Mw. Audrey Helms

                                                                            Brandon, Colo.

——————————-

LOFPRIJZING AAN HEM

Ik ben dankbaar aan de Heer voor “de Herdersstaf,” boodschap, en voor het goede dat het mij doet. Ik ben gestopt met het roken van sigaretten, nadat ik dertig jaren, een volledige slaaf van ze was, en hoewel ik verschillende keren daarvoor getracht heb de gewoonte te stoppen, faalde ik iedere keer. {1SC14:9.1}                                 

Toen Br. Warden naar mijn huis kwam, was ik een afgevallen Z.D.A., die geen interesse had in godsdienst, en ik weet niet wat maakte dat ik naar de studie kwam. Ik geloof volledig nu, dat ik met de genade van onze Heer, een van de 144.000 zal zijn. {1SC14:9.2}                                 

                                                         (Getekend) R. E. Davies

                                                                            Denver, Colorado

————————————-

VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vraag: “Is het zonde om de tienden in te houden, en zo ja, zal ik het aan de HStaf boodschap betalen, terwijl ik nog lid ben van de Z.D.A. kerk? {1SC14:9.3}                                 

Antw.: De vraag is volledig beantwoord door de Geest der Profetie in de volgende citaten: {1SC14:9.4}                                 

“De tiende is van de Heer, en zij die zich ermee bemoeien, zullen gestraft worden met het verlies van hun hemelse schatten tenzij zij berouw tonen. Laat het werk niet langer afgebakend worden, want de tienden zijn omgeleid geworden in verschillende kanalen, anders dan die ene waarnaar de Heer heeft gezegd dat het zou gaan. Er moet voorzieningen gemaakt worden voor deze andere soorten werk. Zij moeten ondersteund worden, maar niet vanuit de tienden. God is niet veranderd: De tienden moeten nog steeds gebruikt worden ter ondersteuning van de bediening.”—“Testimonies for the Church,” Vol. 9. p. 250. {1SC14:9.5}                                  

“De tiende is …  des Heren.’  Hier wordt dezelfde manier van uitdrukken toegepast als in de wet van de Sabbat. ‘De zevende dag is de Sabbat van de Heer uw God.’ God heeft voor Zichzelf een specifieke deel van de tijd van de mens van zijn middelen gereserveerd, en geen mens kan, zonder schuld, geen van beide toepassen voor zijn eigen belang.”—Patriarchen en Profeten.” pp. 526-7{1SC14:9.7}                                 

Let nauwkeurig op wat de bovenstaande referenties onderwijzen. De tiende is des Heren, en het moet gebruikt worden voor de ondersteuning van Zijn boodschap. Maar hoewel het misbruikt kan worden door de bediening, moet het ingediend worden voor hun gebruik, totdat Hij uw aandacht roept voor het kwaad en ons vraagt om de verandering tot stand te brengen. Als wij dan tekort schieten om op Zijn stem te reageren, en gebruik maken van het geneesmiddel waarin Hij heeft voorzien, om de verspilling tegen te gaan van Zijn middelen, zullen wij verantwoordelijk gehouden worden hiervoor, evenals van het weerhouden van datgene wat van Hem is. {1SC14:9.8}                                 

“Laat de verwaarloosde tiende nu ingebracht worden. Laat het nieuwe jaar over u open gaan, als eerlijke mensen in hun handelen met God. Laat diegenen die hun tienden hebben onthouden, ze insturen voordat het jaar 1896 zal eindigen, zodat zij recht mogen staan met God, en nooit, nooit weer enig risico lopen van vervloekt te worden door God. Presidenten van onze conferentie, doe uw plicht. Werk van huis tot huis, zodat de kudden van God niet nalatig zal zijn met betrekking tot deze grote zaak, die zo een zegen inhoudt, of zo een vloek. {1SC14:9.9}                                 

“Laat allen die God vrezen, tot de hulp van de Heer  komen en zichzelf trouwe dienstknechten tonen. De waarheid moet naar alle delen van de wereld gaan. Mij werd getoond, dat velen in onze kerken God beroven in tienden en offeranden. God zal precies datgene wat Hij verkondigt heeft over hun uitvoeren. Aan de gehoorzamen, zal Hij rijke zegeningen geven; aan de overtreders, de vloek. Iedere man die de boodschap van waarheid naar onze kerken draagt, moet zijn plicht van waarschuwen, opvoeden en vermanen doen. Iedere nalatigheid van plicht, hetgeen een roof is ten opzichte van God, betekend een vloek voor de misdadiger.”—Testimonies to Ministers,” pp. 306-7. {1SC14:9.10}                                 

“De waarheid heeft onze harten overgenomen. Het is geen grillige impuls, maar een waarlijk keren naar de Heer, en de perverse wil van de mens is onder ondergeschiktheid gebracht aan de wil van God. Om God te beroven in tienden en offeranden is een overtreding van de duidelijke bevelen van Jehovah, en brengt de diepste verwonding aan, aan hen die het doen; want het berooft hen van de zegening van God, die beloofd is aan hen die oprecht met Hem handelen.”—Testimonies fort he Church,” Vol. 5, p. 644. {1SC14:9.11}                                 

Tot dusver is het eerste gedeelte van de vraag volledig beantwoord. Nu komen wij aan het tweede gedeelte, namelijk: ‘Zal ik mijn tiende aan de HStaf boodschap betalen, terwijl ik nog steeds lidmaatschap hou in de Z.D.A. kerk? {1SC14:10.1}                                 

Laat de vragensteller zichzelf dezelfde vraag stellen en zijn eigen antwoord zal hem vertellen wat te doen: {1SC14:10.2}                                   

Geloof ik dat de HStaf de verzegelende boodschap van de 144.000 heeft? ______ Is het de boodschap van het uur? ______ Heb ik enige geestelijke hulp ervan ontvangen?_____ Heeft het ervoor gezorgd dat ik berouw toonde van mijn zonden, waarin ik voorheen mij in verlustigde?_____ Ben ik nu een betere Z.D.A. dan ik was, voordat ik de boodschap van de HStaf leerde? _________ Hebben mijn Z.D.A. broeders en zusters deze boodschap nodig? _________ Hou ik nu meer van de Bijbel, de Geest der Profetie en de broeders en zusters, dan ik voorheen deed? _______ {1SC14:10.2}                                 

Als uw antwoord op de bovenstaande vragen Nee is, betaal dan uw tienden aan de kerk waar u nu lid van bent. Maar als uw antwoord op de bovenstaande vragen Ja is, stel dan uzelf deze vragen: {1SC14:10.3}                                 

Als ik in mijn Laodiceaanse situatie waarin de HStaf mij vond was voort gegaan, zou ik gered zijn en gereed om de Heer te ontmoeten?______ Zouden mijn Z.D.A. broeders en zusters gered zijn in hun huidige toestand?_____ Als uw antwoord op de bovenstaande vragen Nee is, dan zal uw antwoord op de volgende vragen u instrueren waar u uw tienden moet betalen, hoewel u een kerklidmaatschap houdt. {1SC14:10.4}                                   

Als ik verantwoordelijk ben voor het licht dat nu op mijn levensweg schijnt, en als mijn Z.D.A. broeders het moeten hebben, zou ik dan mijn tienden moeten betalen aan het kerkgenootschap, zodat de predikanten meer geld kunnen hebben om tegen de boodschap te vechten en tegen mijn persoonlijke pogingen om het volk te bereiken, en aldus hen helpen mijn broeders en zusters te misleiden, of zou ik het betalen aan de “voorraadschuur,” van tegenwoordige waarheid, waar het, het hardst nodig is om haar snelle bevrijding te faciliteren en mijn broeders en zusters redden, van een eeuwige vernietiging? Als noch onze Z.D.A broeders en zusters, noch diegene in de wereld gered zijn en niet beter voorbereid om de Heer te ontmoeten, dan de predikanten zelf, zal mijn tienden naar de kerk gaan ten behoeve van de heiden en uiteindelijk beiden verloren zullen zijn__ de kerk en de heiden—of aan de boodschap van de HStaf die eerst de kerk moet redden en dan de heiden? ____ Als ik als een gelovige van de boodschap, niet durf het te ondersteunen door mijn tiende, wie zal het dan willen?___ Waar zal mijn tienden het meest goede tot stand brengen?____ Als ik mijn tienden betaal ten behoeve van de heiden, ter veronachtzaming van mij eigen broeders en zusters, zou ik dan door mijn handelingen dan niet zeggen: “Ben ik mijn broeders hoeder ?” ____ Zal ik gehoor geven aan de oproep en op zoek gaan naar de verloren schapen van het huis Israëls, of eerder de verloren schapen van het huis van Baal? _____ In welke van deze twee velden, zou mijn tienden mij het recht geven op de woorden: “Wel gedaan gij goede en trouwe dienstknecht, over weinig  zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten, ga in, in de vreugde van uw Heer.” (Math. 25:21) {1SC14:10.5}                                 

Als u nog steeds niet kunt beslissen, lees dan ons traktaat nr. 4: “Het laatste nieuws van moeder,” pp. 80-84. {1SC14:10.6}                                 

“Denk aan de vrouw van Lot,” en doe wat de Heer u zegt om te doen. {1SC14:10.7}                                 

Vraag: “Ik heb verscheidene van de HStaf delen gelezen, en heb ondervonden dat zij vele punten beantwoorden, hetgeen bewijst dat ‘Een antwoord aan de Herdersstaf,’ onbetrouwbaar en oneerlijk is ten opzichte van de Staf, maar tot nu toe heb ik nog niets gevonden dat de ‘Oogst,’ behandeld, en het schijnt dat de kaart op blz. 14 van ‘Een antwoord,’ met betrekking tot de Oogst en de tien maagden, de Staf heeft weerlegt. Antwoord alstublieft. {1SC14:10.8}                                 

Antwoord: Van de zogenaamde weerleggingen van “Een antwoord aan de Herdersstaf,” kunnen wij vrij zeggen dat tot dusver, het kerkgenootschap niet in staat geweest is om maar een enkel punt van de boodschap die wij dragen te weerleggen, en hun pogingen om dat te doen, dienen alleen om te bewijzen, dat de HStaf de stem van God is aan Zijn volk en om haar volgelingen nog vaster te bevestigen in de tegenwoordige waarheid. {1SC14:10.9}                                 

Door een grondig persoonlijk onderzoek van de onderzoeksonderwerpen in de HStaf en van al de zogenaamde weerleggingen ertegen, zullen de lezers van de Code, misschien tot hun verbazing te weten komen, dat de bovenstaande bewering 100% correct is. Br. Houteff’s overeenstemming met de leidende broeders staat nog steeds goed, dat wil zeggen, als zij welk onderwerp dan ook in onze publicaties weerleggen, zullen wij voor altijd ophouden het te onderwijzen. Maar wij hopen dat onze broeders en zusters niet de fout van Achan zullen nabootsen, en te lang wachten met hun belijdenis van de waarheid, wanneer het voor hun niets meer kan betekenen. {1SC14:10.10}                                 

Met betrekking tot de kaart op blz. 14 van “Een antwoord aan de Herdersstaf,” zal de lezer opmerken, dat sommige van de gebeurtenissen daar  aldus gearrangeerd, zonder goddelijke autoriteit zijn. Laat ons de methode die daarin gebruikt is om de Geest der Profetie te interpreteren, illustreren. “Christ Object Lesson,” zegt: “Het onkruid en de tarwe moeten tezamen groeien tot aan de oogst; en de oogst is het einde van de genadetijd.” Als de Engelse taal iets betekend, dan kan de bewering hier geciteerd, zeker niet de oogst plaatsen, nadat de genadetijd gesloten is maar eerder ervoor. {1SC14:10.11}                                 

Hoe kan de oogst na de afsluiting van de genadetijd zijn, als “de genadetijd,” voor de afsluiting van de genadetijd is, terwijl wij zien, dat het niet zegt; “de oogst is,” na “het einde van de genadetijd.” Vandaar dat het duidelijk is dat de oogst vooraf moet gaan aan de afsluiting van de genadetijd, dat is de oogst is het einde—het laatste gedeelte van de “genadetijd,”—en daarmee sluit de genadetijd. Bovendien zag Jeremia profetisch, dat nadat de oogst voorbij was en de zomer ten einde was ( de tijd waarin mensen gered konden worden) de slechten zeggen: “De oogst is voorbij einde, de zomer is ten einde en wij zijn niet gered.” (Jer. 8:20) {1SC14:11.1}                                 

Als de oogst na de afsluiting van de genadetijd is, waarom zouden zij zeggen: “De oogst is voorbij, de zomer is teneinde,” want zij zouden zeker deze woorden niet kunnen zeggen voordat de genadetijd afsluit, noch konden zij dat na de tweede komst van Christus, want dan zouden zij dood zijn en zouden zij niet kunnen spreken? Dientengevolge, kan de enige tijd waarop deze woorden gesproken worden zijn, in de periode tussen de afsluiting van de genadetijd en de tweede komst van Christus, welk feit de “oogst,” voor de afsluiting van de genadetijd plaatst. {1SC14:11.2}                                  

Verder zegt de Heer in Matt 13: 30: “In de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen: Vergader eerst dat onkruid.” De woorden, “in de tijd van de oogst,” toont aan dat de oogst een tijdsperiode is. Bovendien zegt de Geest der Profetie, in “Eerste Geschriften,” blz. 118: “ Toen zag ik een derde engel. Mijn begeleidende engel zei: hij is de engel die het tarwe van het onkruid zal scheiden en verzegelen of binden, het tarwe voor de hemelse schuur.’” {1SC14:11.3}                                   

Als de derde engel de scheiding zal tot stand brengen, en voor zover de derde engelboodschap voor de afsluiting van de genadetijd verkondig moet worden, niet erna, toont het aan dat de oogst, de tijd waarin de engelen verzegelen en binden, de tijd beslaat terwijl de derde engelen boodschap wordt verkondigd. Het is dan duidelijk, dat de woorden: “De oogst is het einde van de wereld,” het allerlaatste gedeelte van de genadetijd aangeeft, welke de wereld tot haar einde brengt. De Geest van God door Paulus, interpreteert de term: “Het einde van de wereld,” aldus: maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te  niet te doen, door de offerande van Zichzelf.” (Heb. 9: 26) {1SC14:11.4}                                 

Wij weten allemaal dat de wereld niet 1900 jaren geleden aan haar einde kwam, toe Christus geofferd werd, en toch wordt het gezegd: ‘In de voleinding der eeuwen.” De waarheid van Paulus zijn bewering echter, is dit:  Als de zonden van een mens in het oordeel uitgewist worden vanaf 1844, bewijst het dat Paulus vooruit keek naar onze tijd toen Christus, “door Zichzelf op te offeren,” in de tijd van het oordeel van de levenden, onze zonden uit aan het wissen is. Het is dan duidelijk, dat de term: “Het einde der wereld,” van toepassing is o de tijd van het oordeel der levenden, in de tijd van de Luide Roep, aan het einde van “de genade tijd,”—de laatste boodschap die de wereldgeschiedenis afsluit. Bovendien, onderwees de Z.D.A. kerkgenootschap jarenland dat het einde van de wereld begon in 1789. Zie “Gedachten van Daniel; blz. 387. (in verband met Dan. 12:4); ook “Bijbel leziging voor het huisgezin,” blz. 324. Het kerkgenootschap heeft nooit enige officiële verkondigingen gehad met betrekking tot de waarheid van de  oogst, maar nu in hun poging de HStaf te weerleggen, veranderen zij hun positie over wat zij eerst onderwezen hebben, van wat zij dachten dat het einde van de wereld is. {1SC14:11.5}                                 

Het zou niet ongepast zijn om in verband hiermee mijn ervaring mee te geven van wat ik kort geleden hoorde over dit onderwerp. Ouderling G.W. Wells, een van de veldsecretarissen van de Gen. Conf. wijdde vroeg in 1935, een hele week nachtelijke bijeenkomsten, in een poging om de HStaf, te weerleggen,  in welke tijd hij nacht na nacht onderwees dat de oogst “het einde van de wereld is,– de tweede komst van Christus.”—het begin van de duizend jaar. {1SC14:11.6}                                 

Aan het einde van zijn bijeenkomsten, op de Sabbatmiddag, voerde Ouderl. R.L Benton, pres. Van de Zuidwestelijke Unie Conf. een andere tirade tegen de HStaf op, gedurende welke tijd hij een kaart ten toon stelde, die toonde dat de oogst vanaf de afsluiting van de genadetijd is, tot aan de tweede komst van Christus. De volgende woensdag, verzorgde Ouderl. W. H. Clark, de Secr. Van Home Miss Texas Conf. de bidstond, waarop hij in die tijd in antwoord op mijn vraag, de oogst voor de afsluiting van de genadetijd plaatste. Hier is het punt. In tien dagen tijd, gaven drie Z.D.A. predikanten, betaald door de schatkist van de Z.D.A, allemaal verantwoordelijke posities bekledend, drie verschillende uitleggingen over de oogst, welk feit bewijst, dat het kerkgenootschap als een lichaam, zelf  onder de leidinggevende mannen, er geen speciale overeenstemming bestaat over dit onderwerp. Dan met het oog op zo een blindheid, waarschuwen de tegenstanders van de HStaf, de leken tegen het aanvaarden van dwaling! Oh wat een zielige misleiding! {1SC14:11.7}                                 

Voor een complete uitleg van de “Oogst,” lees ons traktaat nr. 3. {1SC14:11.8}