De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 1 Symbolische Code Nr. 11 & 12

De Symbolische Code 

Nieuws Artikel 

Deel Een

                                                                                           NRS. 11&12

mei—juni 1935 

Waco, Texas 

TER CORRECTIE

In Het Belang Van Het Z.D.A. Kerkgenootschap

 

De verhuizing van ons hoofdkwartier naar de nieuwe locatie, heeft het noodzakelijk gemaakt om het nummer van mei en juni, van de “Symbolische Code,”samen te voegen tot één uitgave. {1SC11-12:1.1}                                   

——————————— 

VERHUIST NAAR “MOUNT CARMEL CENTER” 

WACO, TEXAS 

Hoewel het eerst gedacht werd dat het kantoor, een maand of twee langer, op haar originele locatie zou blijven, riepen de omstandigheden op haar meteen te verhuizen, en het is met lofprijzing dat wij deze blijde aankondiging maken van ons aankomst op de locatie van het nieuwe hoofdkwartier, en wij zijn er van verzekerd, dat allen die in het licht van tegenwoordige waarheid staan, samen met de pioniers van deze centrale locatie van ons toekomstig werk ten behoeve van onze Z.D.A. broeders en zusters, hun stemmen zullen opheffen in dankzegging tot onze hemelse Vader. {1SC11-12:1.2}                                   

In een van onze bestuursvergaderingen in Los Angeles, werd een oproep gedaan voor vrijwilligers, die het deel van Caleb en Jozua wilden spelen, zeggende: “Wij zijn wel in staat dit land in te nemen.” Nadat vrij transport naar Mt. Carmel was beloofd, zichzelf onderdak verschaffend, en voor niets werken, op de aangewezen dag, 19 mei, zouden wij elkaar ontmoeten in San Diego, California, en tot onze verbazing, ontdekten wij dat er 12 in het gezelschap waren, die 7 families vertegenwoordigden, hetgeen, zoals gewoonlijk, aantoonde dat de hand van God in werking was, op dezelfde wijze als toen Hij de twaalf patriarchen koos, de twaalf stammen van vleselijk Israel, de twaalf verspieders van het land, de twaalf apostelen en de twaalf stammen van geestelijk Israel, twaalf duizend uit iedere stam; namelijk de 144.000. {1SC11-12:1.3}                                   

Het is duidelijk te zien waarom God, in ieder voorval twaalf koos:– De twaalf patriarchen waren de vaderen van de grondleggers van de twaalf stammen; de twaalf stammen waren de grondleggers van de twee koninkrijken (Juda en Israel): de twaalf verspieders vertegenwoordigden alle twaalf stammen; de twaalf apostelen richten de Christelijke kerk op; en de 144.000 (12.000 uit iedere stam) zullen de kerk tot stand brengen, dat overgezet zal worden, welk feit aantoont, dat het getal “twaalf,” in iedere instantie het fundament aankondigt van geestelijk bestuur. Vandaar dat “de muur van de stad 12 fundamenten had, en in hen de namen van de twaalf apostelen van het Lam.” (Openb. 21: 14) {1SC11-12:1.4}                                   

Ons gezelschap bestaande uit 12 leden, geeft aan dat het een voorstelling moet zijn van het fundament van dit centrale locatie van het hoofdkwartier, van het laatste en eeuwige geestelijk gouvernement. En aangezien het getal “zeven,” volledigheid aangeeft, zijn de zeven families een representatie van al de families die het eeuwige koninkrijk van Christus zullen opmaken. Vandaar, dat wij de hand van God zelf nu, op dezelfde mysterieuze in werking zien. {1SC11-12:1.5}                                   

Onze aandacht wordt geroepen naar Lukas 14: 17-24: “En zond Zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed. En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie: Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En ene ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen. En dezelve dienstknecht wedergekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastiglijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen en blinden hier in. En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats. En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde; Wan ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, Mijn avondmaal smaken zal.” {1SC11-12:1.6}                                   

De bovenstaande gelijkenis moet haar vervulling vinden aan het einde van de wereld, vanwege het feit dat de oproep kwam tegen het “avondeten,” en vlak voor de bruiloft van de zoon van de koning (Matt. 22:2) wanneer het waarlijk gezegd kan worden dat “alle dingen gereed zijn,” dat is tegen de tijd dat Christus gekroond zal worden als Koning der Koningen, hetgeen plaats zal  inden aan het einde van de genadetijd. Zie De Grote Strijd, p. 428, par. 1. {1SC11-12:1.7}                                   

Merk op dat de oproep eerst kwam tot diegenen die welbekend waren en het wel hadden—de vooraanstaanden in de stad—want een had “een stuk land gekocht; een ander “vijf juk ossen,”en de ander had “een echtgenote getrouwd.” Het feit dat de dienstknecht werd gestuurd om hen die reeds eerder waren uitgenodigd, opnieuw uit te nodigen, bewijst dat de oproep van dit gelijkenis, niet komt tot een volk dat niet van Christus en Zijn bruiloft weet, maar tot Zijn kerk. Het bewijst ook dat ze geloofden, want ze redetwisten niet over de feiten met betrekking tot de bruiloft, maar verontschuldigden zich, omdat ze meer geïnteresseerd waren in de dingen van de wereld dan in het koninkrijk van Christus. Vandaar dat diegene, die “zich allen eendrachtelijk begonnen te ontschuldigen,” een groep in de kerkleden moet voorstellen en degene die de laatste boodschap in een “droevige misleiding,” vond (Testimonies for the Church, Vol 3. pp 252-3), toch gelovend dat ze gereed waren de Koning der Koningen en Heer der Heren te ontmoeten. Vandaar dat deze oproep, niet de boodschap van 1844 voorstelt, toen alle dingen gereed begonnen te zijn, maar eerder op een later tijdstip, toen alles dingen gereed waren. {1SC11-12:2.1}                                   

Het gelijkenis toont, dat toen de groep die de boodschap bereikte, zichzelf eerst begon te verontschuldigen, en aangezien de “Heer van het huis toornig werd en zei… Geen van die mannen die uitgenodigd waren zullen Mijn avondmaal smaken,” toont aan, dat hun genadetijd sloot toen ze de oproep weigerden, en dat het moest zijn voor de uiteindelijke afsluiting van de genadetijd, want nadat ze zichzelf verontschuldigden, werden anderen uitgenodigd van de “stad,”en ook van de “heggen en wegen,” en toen het huis “vol was met gasten,” en voordat de bruiloft plaats vond, sloot de genadetijd voor allen die niet reageerden op de oproep. Vandaar twee opeenvolgende afsluitingen van genadetijd. {1SC11-12:2.2}                                    

Nadat de meer prominenten in de “stad,” (kerk), die in de voorhoede staan en natuurlijkerwijs makkelijker te bereiken zijn door de boodschap, de oproep verworpen hebben, “toen” zei “de Heer des huizes, omdat Hij toornig was, aan de dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier,” dat is, zij die vaak door de voornaamsten van de kerk als het samenraapsel van de “straten en de wijken,”worden beschouwd, waarvan de kerk in haar Laodiceaanse toestand geen grote behoefte aan heeft in haar midden. {1SC11-12:2.3}                                   

Hoewel diegene die de boodschap eerst bereikte zichzelf verontschuldigden, beantwoordde de latere groep (de leken) wel aan de oproep, en zoals de dienstknecht zei: Heere het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats,” toont aan dat nadat de boodschap eerst aan de kerk zal worden gebracht, en een groep gasten zal verzamelen, het dan moet gaan naar de “heggen en wegen,”—de wereld of buiten de kerk—en een tweede groep brengen. De 144.000 zijnde de “eerste vruchten,” (Openb. 14:4), bewijst het dat diegene die komen van de “heggen en wegen,”de tweede vruchten van Openb. 7:9 zijn. {1SC11-12:2.4}                                   

Ter vervulling van dit gelijkenis, werd het onder ons bestuurlijk getal, die California verlieten op 19 mei en aankwamen op de 24ste bij de nieuwe locatie, dat we niet alleen arm waren, maar ook vreselijk kreupel. Vier van ons konden slechts een hand gebruiken—twee met permanente blessure—naast andere misvormingen en ellende over de gehele karavaan. Toch heeft ons geloof nooit gefaald, want we vertrouwen constant in Die Ene die, “het bestuur in Zijn eigen handen neemt.”—“Testimonies for the Church.”p. 80. Vandaar dat het is gezegd: “Wie veracht de dag der kleine dingen?” (Zach. 4: 10) {1SC11-12:2.5}                                   

Wij betreuren het dat onze broeders en zusters die de leiding hebben, die het eerst de oproep hebben ontvangen eendrachtelijk zichzelf hebben verontschuldigt, maar wij hopen dat sommigen zich toch zullen aansluiten met diegene van de “straten” en de “wijken.” {1SC11-12:2.6}                                   

Drie auto’s en twee zelfgemaakte trailers, maakten deel uit van de karavaan—1924 Durant, 1926 Chevrolet en 1932 Ford. De eerste twee waren in slechte toestand om gerepareerd te worden, en daar wij slechts in staat waren maar 100 mijl de eerste 8 uren te maken, leek het onmogelijk de reis te maken, maar Die Ene die “zich over de kudden ontfermd,”(Testimonie to Ministers, p. 300) en Die noch sluimert noch slaapt (Ps. 121:4) leidde ons veilig zonder enig probleem, met uitzondering van twee of drie kleine reparaties en drie platte banden aan een van de zestien banden die de karavaan droeg. {1SC11-12:2.7}                                   

In Zijn betekenisvol getal, zeven dagen, bijna op het uur, kwamen wij precies op de plaats aan, waar wij met de hulp van de Heer nu trachten het “kamp,” van Ezechiël 4:2 op te zetten, waar vandaan de last van het werk, gedragen moet worden voor de kerk in de gehele wereld, zoals uitgelegd in de “Code,” van april. Het was op deze heilige plek, dat we onze middageten aten ongeveer 13.00 vrijdag middag, God prijzend voor Zijn tedere zorg over de groep tijdens de gehele reis. {1SC11-12:2.8}                                   

Er was een ingezegende predikant in het gezelschap, ook een die nooit het Adventistisch geloof heeft beleden, maar geloofd dat wij een boodschap hebben, hetgeen symbolisch bewijst dat niet alleen de armen, en de zieken van de “straten en wijken,” vertegenwoordigd zijn in het gezelschap van twaalf, maar de predikanten ook, en ook de heiden van de “heggen en wegen.” Dus danken wij de Heer wederom, dat door een betekenisvolle onderwerpsles in de grondleggers van “Mt. Carmel Center,” Hij Zijn wensen uitdrukt om de leken evenals de predikanten en de heiden die beantwoord aan de elfde uur oproep, wil redden, die vanuit deze centrale locatie zal worden geluid. {1SC11-12:2.9}                                   

We vragen de gebeden van Gods trouwe volk, dat wij niets mogen doen, wat Hem zou onteren, Zijn werk zou vertragen, of ervoor zorgen dat wie dan ook struikelt. Mogen wij allemaal trouw zijn in dit heilige dat ons toevertrouwd is, dat aan ons is toegewijd, en “Mt. Carmel Center,” zo een heilige plaats houden, als toen de berg Sinaï schudde vanwege de aanwezigheid van de Heer, en zoals het was bewezen van het oude Mt Carmel, dat de Heer, God was en niet Baal, en zoals toen de Heer, Israel ontdeed van al de valse profeten (leraren), moge Hij nu door “Mt. Carmel Center,” veel meer doen en nog meer, omdat de Heer wil dat deze plaats een toevluchtsoord voor allen moet zijn die zich niet “verontschuldigen,”—voor de “arme, de verminkte, de kreupele en de blinde” van de “stad,”en van de “straten en wijken,” die hun behoefte voor Hem voelen. {1SC11-12:3.1}                                   

De namen dan de leden die deel uitmakten van het gezelschap van twaalf zijn als volgt:  

Ouderling E. T. Wilson 

Zr. F. en Mr. C.E. Charboneau 

Zr. S Hermanson 

Mej. Florence Hermanson 

Oliver Hermanson 

Br. en Zr. J. Berolinger 

Naoma Deeter 

Br. John Knippel. Sr. 

Br. V. T. Houteff 

{1SC11-12:3.2}                                   

 

LICHT ZOEKEN VAN OPENBARING ACHTTIEN 

Een zuster van Shreveport, Ls. stelt dat : “Meer dan zevenentwintig jaren was ik een trouwe Zevende Dag Adventist, opgevoed in de scholen van dit kerkgenootschap en altijd een toegewijde liefhebber van de waarheden van dit volk. {1SC11-12:3.3}                                   

“Zes jaren geleden wijdde ik mijzelf opnieuw, onder de Geest van God, om het als nooit tevoren uit te leven. Toen werden mijn ogen geopend, en begon ik het licht te zien. Vanaf toen heb ik de meest ernstige vervolging geleden door mijn broeders en zusters, en als gevolg daarvan zijn mijn zoon en ik gestopt om naar de kerk te gaan, maar nog steeds toegewijd de Sabbat houdend, en familiegebed onderhoudend en andere aanbiddingen{1SC11-12:3.4}                                   

“Zevenentwintig jaar lang, heb ik diensten bijgewoond, kampbijeenkomsten en de literatuur van het kerkgenootschap gelezen. Niet een titel van nieuw licht heb ik in deze bijeenkomsten gehoord. Dezelfde preken die mij in de Z.D.A waarheid hebben gebracht, worden nu gepredikt met minder geestelijke kracht dan toen, aldus de profetie in Jer. 23: 30 vervullend. {1SC11-12:3.5}                                   

 “Ongeveer een jaar geleden, kwam een colporteur van California hier naar de Shreveport kerk, en werd uitgenodigd de Sabbat School lessen samen te vatten. Nadat hij bekend geworden was, begon hij de mensen te berispen voor hun gedrag tijdens de diensten. Ze rapporteerden hem bij de conferentie en hebben hem laten verwijderen. Later werd een waarschuwing uitgegeven, in deze conferentie dat niemand toegestaan zou worden te spreken tot een Z.D.A gemeente, zonder geloofsbrieven van het conferentie kantoor. Ik vatte de mening op dat ze Christus hadden uitgesloten, want Hij zou nooit naar welke groep mannen dan ook gaan voor geloofsbrieven om tot het volk te spreken. Als Hij nu zou komen, zouden zij net als de leiders van het oude Israel, Hem vragen wie hem het recht gegeven had te onderwijzen. ( Marc 11: 28) {1SC11-12:3.6}                                   

“Ongeveer een jaar geleden zag ik in onze kerk literatuur artikelen tegen de HSTaf. Ik vroeg mij af wat de HStaf kon zijn en was vastbesloten het te lezen. {1SC11-12:3.7}                                   

“Ik betaalde mijn tienden heel toegewijd, tot acht maanden geleden. Maar toen ik mijn boeken had gekregen, in mijn studie van Ezech. 9, kwam ik tot de conclusie dat om de predikanten te ondersteunen terwijl zij vechten tegen de boodschap, ik mijzelf zou identificeren als een van hen in het ophouden van de gekoesterde gruwelen onder ons als volk. Vandaar dat, aangezien de engel allen slachtte die niet “zuchten en weeklaagden,” ben ik vastbesloten, mij er zeker van te stellen, dat ik het zegel ontvang en ontkom aan de vernietiging. {1SC11-12:3.8}                                   

“Ik heb altijd de “heiliger dan gij,” attitude van onze mensen verafschuwt, die hun specifieke zonden in hun cirkel houden, alsof God minder zal……… over de zonden van Z.D.A.’s dan van anderen.” {1SC11-12:3.9}                                   

(Getekend) Mw. J.A.Harren 

Shreveport. La 

 

HET WERK IN COLORADO 

Nooit eerder heb ik zo een oproer gezien als in Denver in deze huidige tijd. De totale conference macht, inclusief de ouderlingen van de kerk, zijn het veld ingetrokken. Zelf de president van de conferentie gaat huis aan huis om ons werk af te kraken. In plaats van “twee aan twee,” te gaan, gaan ze “drie aan drie.” {1SC11-12:4.1}                                   

Tenminste in vier kerken, gisteren in Denver, werd het hele uur besteed aan de HStaf. Wij bezochten de kerk in Arvada en zaten onder een vernietigende explosie van valsheid en beschuldigingen. Maar ondanks dat alles, ontmoeten twintig volwassenen en zeven kinderen ons om 2: 30 uur ’s middags. De sterke tegenstand heeft een paar omver gegooid, maar praktisch allen die de boodschap hebben bestudeerd, staan onwankelbaar. {1SC11-12:4.2}                                   

Aankondigingen werden gisteren in al de kerken gedaan, dat een symposium tegen de HStaf gehouden zou worden, de volgende vrijdag in een van de grote kerken. Ze zijn zeker zeer gealarmeerd en zetten iedere poging voort, om ons te stoppen. Dit zal ongetwijfeld ons werk nog moeilijker maken, van ons eisend dat wij veel bezoeken moeten afleggen, om gehoord te worden, maar wij verheugen ons in wat de Heer doet, en het schijnt zeker dat een aardige kleine groep hier georganiseerd gaat worden. Maar als zovelen een studie per week krijgen, gaat het werk zeker langzaam. {1SC11-12:4.3}                                   

Geschreven 28 april 1935

( Getekend) H.G. Warden

Denver, Colorado 

GOED NIEUWS VAN REDLANDS, CALIFORNIA 

Broeder Perry Jones, die een paar maanden in Redlands, Calif doorbracht, stuurt de volgende goede woorden voor de Code: “Zestien van de beste leden van de Redlands kerk hebben recentelijk de boodschap van de HStaf onderzocht, en verheugen zich erin. Nog veel meer van de twee-en dertig die de boeken hebben aangeschaft, studeren en bezoeken de bijeenkomsten die van tijd tot tijd worden gehouden.” {1SC11-12:4.4}                                   

Zuster Hendricks, Br. Jone’s zuster, heeft hem pas bij hem gevoegd, in het werk op deze plaats, en ongetwijfeld zullen anderen van Gods oprechte kinderen deze prachtige “tegenwoordige waarheid,” boodschap onderzoeken, en het accepteren ondanks al de tegenstand die de geliefde broeders en zusters, als blinden ertegen opdragen, want de belofte van God om de “toorn van de mens,” te veroorzaken, Hem te “prijzen,” is nog steeds van kracht. {1SC11-12:4.5}                                   

Zr. Hendricks, zal als de lezers van de Code zich herinneren, is degene die het werk begon in Sheridan, Wyoming, en heeft aardig wat vervolging te lijden gehad uit de handen van hen die haar werk niet begrijpen. {1SC11-12:4.6}                                   

Het huidige adres van deze werkers is 121 E. Olive Ave. Redlands, Calif. {1SC11-12:.4.7}                                   

DE ROEP VAN DE DWALENDE SCHAPEN GEHOORD 

Geliefde broeders en zusters:  

Ongeveer twaalf jaar geleden, door de pogingen van een geïsoleerde zuster en een jonge colporteur, accepteert onze hele familie, de waarheid zoals geleerd door de Bijbel en de Geest der Profetie. {1SC11-12:4.8}                                   

Later kwam de colporteur naar de Walla Walla Valley om te onderwijzen, en wij verhuisden daarnaar toe om onze kinderen op een school van de kerk te plaatsen. {1SC11-12:4.9}                                   

Vanaf het begin, schenen wij niet in harmonie te zijn met het “werk,” zoals het uitgevoerd werd en uitgeleefd in de levens van de Z.D.A. mensen, en door te trachten in harmonie met de kerk te zijn, werden wij geleid om verder en verder af te drijven van de fundamentele waarheden, totdat een voor een de familie af viel, en nu ben ik de enige die overgebleven is die een kerklidmaatschap heeft behouden. {1SC11-12:4.10}                                   

Twee of drie weken geleden brachten broeder en zuster Boyes mij een paar traktaten en Deel Een van de HStaf. Nu vind ik de boodschap weer in haar reinheid en schoonheid en ik voel dat mijn voeten wederom op vaste grond zijn geplaatst. Ik lees nu Deel 2 van de Staf en van wat ik tot zover heb gevonden, sta ik ermee 100 procent. {1SC11-12:4.11}                                   

Heel oprecht de Uwe voor tegenwoordige waarheid, 

Mw. Jennie Barnes 

College Place, Wash. 

 

“Nu is de tijd dat wij nauw in contact moeten zijn met God, dat wij geborgen mogen zijn, wanneer de heftigheid van Zijn toorn op de zonen des mensen uitgegoten zal worden. Wij zijn afgedwaald van de oude landpalen. Laat ons terugkeren. Als de Heere God is, dien Hem, als Baal, dien hem. Aan welke kant zult U zijn?”—Testimonies for the church.” Vol 5, p. 137. {1SC11-12:4.12} 

                                  

DE OPROEP VAN DE DWALENDE SCHAPEN GEHOORD 

Een broeder van Trussville, Al zegt: “ Ik ben zeer geïnteresseerd in de boodschap die u draagt. Ik heb precies daarop gewacht. Ik voelde me als Eliah, tot dat ik hoorde van jullie mensen. Hij dacht dat hij alleen was, totdat de Heer hem vertelde van de zevenduizend, die hun knie niet hadden gebogen voor de Baal. {1SC11-12:5.1}                                   

(Getekend) C. Richard Waldron 

——————————————————– 

Een andere broeder zegt: “Vanaf ik de HStaf een paar keer heb gelezen is de Bijbel veel helderder, en wij zien dat de Heer nu praat tot de 144.000.” Ja het lijkt inderdaad alsof het hele Boek geschreven was voor de “dienstknechten van God,” die zullen voortgaan “overwinnend en overwinnende,” tijdens de Luide Roep. Openb. 7:3; P.K. 725. {1SC11-12:5.2}                                   

(Getekend) E. A. Howard 

Palermo, Calif. 

——————————————————— 

GEDENK HET EVANGELIE VAN LIEFDE 

Iemand heeft gezegd dat de melk van menselijke vriendelijkheid, zowat zijn kracht in de wereld van vandaag heeft verloren, en vele mensen struikelen over het tekort aan deze mooie karaktertrek van Christus onder Zijn belijdende volgelingen. Deze tekortkoming is echter niet beperkt tot de leken. Nog minder heerst het alleen in de grotere kerkgenootschappen, want deze schrijver, was kort geleden een ooggetuige van een soort prediking dat mensen als demonen scheen te laten handelen, in plaats van Christenen, en het ergste van alles, deze redevoeringen werden in Zevende Dag Adventisten kerken gegeven. {1SC11-12:5.3}                                   

Het was een paar weken geleden, ons voorrecht om een dienst bij te wonen, die door een veldsecretaris van de Generale Conferentie der Zevende Dag Adventisten werd gehouden, in een van onze stadskerken, waar aan het eind daarvan, Br. Houteff, de schrijver van de HStaf, die ook aanwezig was, de spreker van de avond over een zeker discussiepunt vanuit het kansel in tegenstelling tot de leerstellingen van de Roede, een vraag stelde. Zonder enige waarschuwing of conversatie van wat voor soort dan ook, naderde een man Br. Houteff van achteren, hem bij de schouders en nek pakkend, en hem uit het gebouw duwend. De man was geen lid van de kerk, en zijn moeder zij dat hij niet eens een Christen was. Wat zette deze arme man aan, om zo te handelen? Er was geen enkele mogelijke opwinding, aan de kant van geen van de converserenden, voorafgaand aan deze schandelijke handeling. {1SC11-12:5.4}                                   

Een korte tijd hierna, bezocht ik een Sabbatsdienst in een andere kerk van ons, in gezelschap van Br. Houteff, en deze keer sprak de President van de conferentie, tegengesteld aan de HStaf, het heel duidelijk makend aan zijn gehoor, dat iedereen die de boodschap van de Roede geloofde, geen lid kon blijven van de Z.D.A. kerk, en dat wij die de boodschappen hadden geaccepteerd, die de HStaf series bevatte, geen Zevende Dag Adventisten waren; nog minder waren wij het waard de zegeningen te ontvangen waarvan genoten werd in onze kerken. {1SC11-12:5.5}                                    

Bij de afsluiting van de dienst, terwijl wij aan de voorkant van het gebouw stonden me een aantal anderen, benaderde een dame Br. Houteff en sprak met hem, en voordat hij tijd had om haar te antwoorden, haastte een jonge man zich naar Br. Houteff, en zijn mouwen oprollend, eiste hij dat hij zo stoppen met praten tot zijn moeder, en bedreigde de bril van zijn gezicht te slaan. Maar iemand leidde hem weg, en ook hij zei dat hij geen Adventist was. Wat plaatste zo een haat in het hart van deze jonge man? Was het niet wat hij vanaf het kansel gehoord had die Sabbat morgen? {1SC11-12:5.6}                                   

Een derde incident, heel gelijk aan de bovenvermelde, kwam onder mijn aandacht, allemaal binnen een periode van vier weken. Deze keer had de President van de Unie Conferentie, een grote kerkgemeente bijeengeroepen op de Sabbatmiddag, om hem te de HStaf, te horen weerleggen, waarbij hij zich op zodanige wijze gedroeg, om haat in de harten van zijn gehoor tegen de schrijver van de boodschappen die de HStaf boeken en traktaten te creëren. Nadat de bijeenkomst afgelopen was, en een groep jonge mensen buiten de kerk, naast een dijk rond br. Houteff verzameld waren, toen een jonge man zich door de menigte haastte en de persoon het dichtst bij zichzelf zo hard als hij kon duwde, in een poging om Br. Houteff van de dijk af te duwen, en zo gedaan zou hebben, als hij niet snel genoeg was om zichzelf te herpakken om met het hoofd voorover over de daling te vallen. 

Wederom mogen we terecht ons afvragen: Wat zette zo een haar in de harten van deze jonge mannen? Het antwoord is duidelijk, want het is niets anders dan de preek die zij in de kerk hoorden. Moge God deze dierbare mannen vergeven voor deze slechte dingen. Oh consistentie, je bent een sieraad! {1SC11-12:5.7}                                   

“Satans aanvallen tegen de verdedigers van de waarheid zal steeds bitterder en steeds meer vastbesloten toenemen tot aan het einde van de tijd. Zoals in de dagen van Christus, de hoofd priesters en regeerders, het volk tegen hem ophitsten, zo zullen heden ten dage de godsdienstige leiders, bitterheid en vooroordeel tegen de waarheid van deze tijd prikkelen. De mensen zullen geleid worden tot geweldsdaden en tegenstand, waar zij nooit aan gedacht zouden hebben, als ze niet met de vijandigheid van belijdende Christenen tegen de waarheid waren doordrongen.” Gospel Workers, p. 324. {1SC11-12:6.1}                                   

Zouden wij er niet goed aan doen om ons voordeel te halen uit deze ervaringen, en erop toezien dat geen wortel van bitterheid toegestaan wordt, onze harten in te gaan en ongeacht wat anderen mogen doen, zouden niet wij, die voorgeven te zuchten en weeklagen tegen de “gruwelen die in haar midden gedaan worden,” die ongeveinsde liefde voor de broeders en zusters behouden, en dus lopen in de voetsporen van Hem, Die, wanneer Hij beschimpt werd, niet ook beschimpte? {1SC11-12:6.2}                                   

E.T.Wilson 

 

HAAT OM ZIJNS NAAMS WIL 

Zuster Faith Pruett van Sheridan, Wyoming, pratend over de haat die in de harten van vele van de leden van de Z.D.A. kerk  tegen hen die de boodschap accepteerden die de HStaf boodschap bevat, verteld hoe de deuren van de kerk voor hen werden gesloten, en het verlangen in haar hart om in de kleine kerk van haar keuze te aanbidden zegt samengevat: {1SC11-12:6.3}                                   

“Het was zo koud om buiten te moeten zitten, dat geen van ons wekenlang de gebedsavond op woensdag bezocht. Maar afgelopen woensdagavond, hoewel ik wist dat geen van de andere gelovigen in de HStaf boodschap daar zou zijn, voelde ik dat ik moest gaan. Het sneeuwde heel hard, maar het was niet zo koud. Voordat ik de kerk bereikte, kwam de gedachte bij mij op, dat zij mij misschien niet zouden verwachten vanwege de hevige sneeuw, en dat de deur niet als voorheen bewaakt zou zijn, en ik werd zo zenuwachtig toen ik eraan dacht dat ik binnen kon gaan, dat ik nauwelijks kon ademen, maar ik vroeg de Heer om mij kracht te geven, in het geval dat ik toegang zou verkrijgen. {1SC11-12:6.4}                                   

“En jawel, toen ik aankwam was het koor aan het oefenen en niemand bij de deur, dus ging ik naar binnen en ging achterin het gebouw zitten, met alle ogen naar mij starend, maar ik herinnerde mij Ezechiel, hoofdstukken 2 en 3. Een zuster stond op en haastte zich heen en weer door het gebouw en ontmoette dan de ouderling en vertelde hem dat ik binnen was. Een diaken zei zodat ik het kon horen: “Ja dit is haar kerk.’ De ouderling kwam binnen, liep naar de voorkant van het gehoorzaal, en allen schijnen te weten wat te doen, want hij opende de deur naar een andere kamer en allen marcheerden naar binnen. Toen wist ik dat het voor mij betekende, dat ik moest blijven waar ik was, daar een vorige ervaring mij had geleerd, toen Zr. Walters eruit was gezet, haar in de kou achter latend en Zr. Hendriks en ik op dezelfde wijze werden behandeld, behalve dat de lichten uit gedaan werden, en wij achtergelaten werden in de hoofd auditorium; zo gauw als wij vertrokken keerden ze terug naar hun bijeenkomst waar het warm was. {1SC11-12:6.4}                                   

Maar deze keer besloot ik dat ik bij het vuur zou zitten en mijn bidstond allen zou hebben, en zij konden van hun in de kou houden. Op dat moment, kwamen de ouderling en de diaken en vertelden mij dat zij het licht zouden uitdoen en de deur zouden sluiten, en dat ik beter kon gaan, maar ik zat stil en zei niets.  En zo waarachtig aan hun woord, gingen de lichten uit en de deur werd gesloten, en zij gingen naar de achter kamer. Hoewel ik opgesloten was in de duisternis, was het aangenaam en warm en ‘de engel des Heren,’ die zich ‘legerde rondom hen die Hem vrezen,’ was mijn kameraad. Dus besteedde ik het uur door voor ieder van hen te bidden. {1SC11-12:6.5}                                   

“Toen zij klaar waren, kwamen zij terug en deden de lichten aan en opende de deur, en ik ging weg. Arme zielen, ik zie niet hoe wij hen ooit kunnen bereiken! Hoe dank ik de Heer voor de stromen van waarheid die Hij stuurt. Oh ik verlang naar meer geloof in de kracht van God om mij te redden van zonden!” {1SC11-12:6.7}                                   

HOE KIJKEN WIJ NAAR ANDERE MENSEN ? 

Bijna iedereen in de wereld, inclusief Zevende Dag Adventisten, zijn bezorgd over de volgende vraag en de meeste van ons besteden enige tijd, ten minste om aanstoot te voorkomen  door voorzichtigheid in onze uiterlijke verschijning, maar de Bijbel verteld ons dat alleen de mens kijkt naar de buitenkant, terwijl God het hart ziet, dus zullen wij niet het zoeklicht van Zijn woord inwaarts keren voor een frequent onderzoek, zodat wij onze pogingen voor goed ontkrachten door ondoordachte handelingen. {1SC11-12:6.8}                                   

Een van de treffende beweringen betreffende onze invloed, en een die het feit benadrukt dat wij inderdaad een “schouwspel voor de wereld, voor engelen en voor mensen,” zijn, wordt gevonden op blz. 23 van Deel 9 van “Getuigenissen voor de kerk,” en leest als volgt: “De wereld kijkt naar Zevende Dag Adventisten, omdat ze iets weet van hun geloofsbelijdenis en van hun hoge standaard, en wanneer het hen ziet die niet leven naar hun belijdenis, wijst het naar hen met minachting.” {1SC11-12:7.1}                                   

Hoewel het bovenstaande verwijst naar de kerk als geheel, zijn wij hier bezorgd over de vraag, hoe wij die belijden een speciale boodschap aan de kerk te geven, over komen bij onze eigen dierbare broeders en zusters, die nog niet de boodschap hebben geaccepteerd, die ons zo kostbaar is, en voor wie wij moeten werken, wetend dat hun bloed op ons zal zijn als we tekort schieten door woorden en handelingen, alles wat wij kunnen doen te doen. Vandaar dat het duidelijk wordt dat wij niet alleen een “schouwspel voor de wereld, voor engelen en voor mensen,” zijn, maar ook voor onze Z.D.A. broeders en zusters, want zij inspecteren al onze bewegingen, en wij zouden blij moeten zijn dat zij dat doen, en erop toezien dat niets ongepast voor een oprechte Christen, op waarachtige wijze tegen ons gezegd kan worden. {1SC11-12:7.1}                                   

Wij zijn geïnspireerd, deze regels te schrijven vanwege observaties die hier en daar gemaakt zijn en het is te hopen dat niemand aanstoot zal nemen aan wat er gezegd zal worden, want deze schrijver heeft alleen het goede voor allen in het hart, en wat hierin is opgenomen is eveneens van toepassing op hem als degene die het artikel zullen lezen. {1SC11-12:7.2}                                   

Concreet sprekend, mag ik onder de aandacht brengen wat een hele verfijnde dame, een lid van de Adventisten kerk vertrouwelijk aan mij zei, als een illustratie van hoe wij overkomen op anderen, en benadrukt hoe voorzichtig wij te allen tijde moeten zijn? De dame waar naar verwezen wordt zij in hoofdzaak dit: “Ik hou ervan om uw bijeenkomsten bij te wonen, terwijl ik nog niet volledig mijn besluit heb genomen om mijzelf volledig in harmonie met de boodschap van de HStaf te verkondigen, want zoals ik het zie, zou er geen enkele  noodzaak zijn geweest voor de HStaf series om geschreven te worden, als wij wat in de Getuigenissen staat,  hadden bestudeerd en uitgevoerd. Ik hou van mijn kerk en koester heel dierbaar mijn lidmaatschap daarin, en ik wenste dat mensen niet zouden lachen, wanneer iets wordt gezegd over ondeugdelijke leden van de Z.D.A. kerk. Ik zou mijn lidmaatschap in de kerk niet willen kwijtraken en geïdentificeerd worden met degene die zich aan deze niet geroepen en wrede praktijk verlustigen.” {1SC11-12:7.3}                                   

In mijn nederige opinie, heeft zij onze aandacht gevraagd, voor iets waar wij allen dankbaar voor zouden moeten zijn, en tegelijkertijd, besluiten dat wij niet onder diegene willen zijn die gaande weg  gelegenheid toe aanstoot geven. {1SC11-12:7.4}                                   

Een andere vriendelijke kritiek komt tot ons in relatie tot de lengte van onze bijeenkomsten, en de lengte en het karakter van onze gebeden en getuigenissen, waarvan wij wel doen om daar over na te denken. Zij zijn allemaal nauw verbonden en verbetering in de laatste twee onderwerpen zal helpen de eerste te genezen, dus zullen wij de laatste eerst behandelen en de eerste laatst. {1SC11-12:7.5}                                   

Wij geloven dat onze getuigenissen zouden moeten zijn om de Heer te verhogen, en vertellen wat voor grote dingen Hij voor ons heeft gedaan, maar heel kort en specifiek, en zelden moeten wij voor de tweede keer een beurt vragen, want er zijn anderen die iets timider zijn, en door zo te doen, zouden wij hun het voorrecht van spreken ontzeggen. Het is altijd volkomen gepast om speciaal gebed te vragen voor jezelf en voor hen waar je in geïnteresseerd bent, gedurende de tijd dat een getuigenis wordt gegeven. {1SC11-12:7.6}                                   

Op dezelfde wijze, moeten gebeden kort zijn, want de Heer heeft specifieke instructies gegeven over openbare gebeden die kort moeten zijn, toch schijnen wij deze waarschuwing veel te vaak te vergeten. Zullen we dus niet besluiten om deze twee punten te verbeteren en aldus helpen de Sabbat bijeenkomsten interessantere te maken, en tegelijkertijd ze houden aan de aangewezen uren? {1SC11-12:7.8}                                   

Vanwege de overvloed aan licht die de Heer op dit moment stuurt, zijn wij geneigd het feit over het hoofd te zien dat het verstand, net als de maag, maar een bepaalde hoeveelheid voedsel kan verdragen en, in onze ijver de kudden een goed deel te geven, overvoeden wij hen en mensen zijn niet in staat alles te verteren, wat ze krijgen. De dienstknecht van de Heer heeft ons niet zonder instructies  op dit punt gelaten, maar verteld ons dat de betogen van sommigen te lang zijn, zoveel punten in een preek makend zodat de meeste van hen, zijn verborgen totdat de luisteraars geen van ze kunnen bevatten. Verder hebben wij een toenemend aantal jonge mensen en kinderen die onze diensten bijwoonden en die ernaar verlangen, te helpen, de boodschap aan de kerk te geven en een van hen zijn, die het zegel zullen ontvangen en een deel van de “dienstknechten van God,” worden, en ook zij houden ons in de gaten. {1SC11-12:7.9}                                   

Moge de Heer ieder van ons helpen, te herinneren, dat wij in de aanwezigheid van den Heilige God staan ieder moment van ons leven. {1SC11-12:7.10}                                   

DE KRACHT VAN GODS WOORD, GESPROKEN IN LIEFDE 

Zuster Ida Miner, van Montros Col.., die wat tijd doorbrengt in de Boulder Sanatorium, stuurt de volgende ervaring met een van de werknemers van dit grote instituut, die haar op het matje had geroepen voor wat hij dacht problemen te veroorzaken onder de arbeiders van het sanatorium: “Toen de San———– mij vertelde dat hij niet wilde dat ik problemen veroorzaakte, zei ik dat ik niet zo een wens had, maar Br. Blank, als ik tekort schiet om de waarschuwing te luiden, en u vergaat in uw zonden, zal uw bloed van mijn handen geëist worden.” {1SC11-12:8.1}                                   

“Wel maar als ik het verwerp?” zei hij, dan ben jij vrij. Kort daarna, zag ik hem zoals hij er nooit uitzag. Zijn gezicht werd rood, dikke zweetdruppels vielen, en hij stond plotseling op, met beide handen over zijn gezicht en borstelde ze keer op keer weg en zat snel weer neer. Gedenk hem alstublieft voor de troon van genade.” {1SC11-12:8.1}                                   

OM NIETS HEBT GIJ HET ONTVANGEN, GEEF HET OM NIETS 

In een recente correspondente, verteld een van onze zusters, een lid van de Keene, Texas kerk, in de taal, over haar zorg voor de predikant die, ongeveer tien jaar geleden, de boodschap voor haar en haar echtgenoot bracht: {1SC11-12:8.2}                                   

In haar correspondentie aan de vorige predikant, herinnerde deze zuster hem eraan hoe ernstig hij had gebeden dat zij niet zouden toestaan dat een overheidsbaan niet in zou staan om de Sabbat te accepteren, en hoe zeer zij zijn gebeden ten opzichte van hen waardeerden, op dat cruciale huur van hun ervaringen. Dan vertelde ze hem dat zij en haar echtgenoot nu aan het bidden waren, dat hij niet zou toestaan, dat een functie bij de conferentie in de weg zou staan om het toegevoegde licht, welke God tot Zijn volk in deze tijd zend te accepteren, en pleitte met hem dat hij een ernstige en onbevooroordeeld onderzoek van de boodschap die de HStaf series van boeken en traktaten bevatte,  zou doen. {1SC11-12:8.3}                                   

Zullen wij niet het goede voorbeeld van deze zuster nabootsen, en zo het bevel van onze Heer vervullen, wanneer Hij zegt: “Om niets hebt gij het ontvangen, geeft het om niets?” {1SC11-12:8.4}                                   

VERHEUGEND IN DE BOODSCHAP VAN TEGENWOORDIGE WAARHEID 

Br. O. Hogan van Los Angeles, Calif., stuur de volgende bemoedigende woorden: “Ik ben de Heer dankbaar voor het mij in contact brengen met de HStaf.  Mijn moed is goed in de tegenwoordige waarheid boodschap, en wanneer ik de Geest der Profetie lees, verstevigd het mijn vertrouwen nog vaster in de boodschap voor deze tijd. Bijvoorbeeld, in ‘EEN WOORD AAN DE KLEINE KUDDE,’ blz. 5 lezen wij: ‘God stemde in met de verkondiging van 1843, en de 10e dag van de 7e maand 1844, door de uitstorting van de Heilige Geest. Vanaf de 7e maand 1844, is het “rebelse huis,” van Israels, bezig geweest de “landpalen,” te verwijderen, en valse visioenen aan het schrijven en verkondigen; maar wij allen weten dat het, het werk van mensen is en niet van God. Deze vleiende verheerlijkingen, hebben het “rebelse huis,” van Israël in zekere zin ; aangemoedigd, maar het werk heeft niet de gewijde heiligende invloed gehad, als wanneer Gods hand op tijd in het werk was.” {1SC11-12:8.5}                                   

“De Uwe voor de terugkeer van Moeder.” 

EEN WOORD VAN UITLEG 

Hoewel wij als een correcte filosofie van mening zijn dat niemand ooit zichzelf moet verdedigen, is het soms toch noodzakelijk uitleg te geven en een vraag die velen bezig houdt te beantwoorden, door middel van een publicatie in de columns als de Symbolische Code in deze huidige tijd. {1SC11-12:8.6}                                   

Ons wordt vaak de vraag gesteld als de HStaf leert dat ongelukken, zoals lichamelijke ellende, ziekte  tot de dood zelf, diegene overvalt, die de leerstellingen van de bovengenoemde publicaties en het werk dat het bepleit, tegenstaan en wij zijn blij om nadrukkelijk te stellen, dat niet alleen de schrijver van de HStaf, maar allen die de waarheden die het bevat geloven, geen blijk geven van geen enkel idee dat de slachtwapens van Ezechiël Negen wie dan ook zullen bezoeken voor het geloven of niet geloven van iets waar zij voor kiezen. {1SC11-12:8.7}                                   

Wij wensen echter niet te vallen onder de veroordeling van hen die een “vrede en veiligheid,” boodschap geven, door te zeggen: “Hij is te genadig om Zijn volk in oordeel te bezoeken,” want door zo te doen, zegt de Heer nadrukkelijk dat: ”de rechtvaardige toorn van een beledigde God,” komt over dezulken en dat “mannen, vrouwen en kleine kinderen allen samen verloren gaan.” “Getuigenissen voor de Kerk,” Deel 5, p. 211. {1SC11-12:8.8}                                   

Wij betreuren het inderdaad zeer, dat enige ruimte in dit belangrijke kleine blad bezet moet worden, in een oprechte poging om het gedachten van ons geliefde mensen te verhelderen, die verward zijn geraakt door de vijand van de bovenstaande punten, maar wij zijn verzekerd dat velen blij zullen zijn voor de uitleg, oordelend naar de vragen die vanuit alle delen van het veld ons hebben bereikt. Laat het uitdrukkelijk begrepen zijn door allen dat wij niet verantwoordelijk zijn voor wat wie dan ook anders mag zeggen, maar wij zijn volledig verantwoordelijk voor wat wijzelf zeggen en doen.—Editor. {1SC11-12:9.1}                                   

VRAGEN EN ANTWOORDEN 

Vraag: “Zou u mij adviseren mij aan te sluiten bij het Z.D.A. kerkgenootschap, nu ik de HStaf series, gelezen heb, geloof wat de boodschap leert?” {1SC11-12:9.2}                                   

Antwoord: Nadat wij de hele waarheid hebben geaccepteerd is het ons voorrecht ons aan te sluiten bij de kerk, en wij moeten ons inschrijven als leden door de instelling van de doop. Omdat u echter, de boodschap door het medium van de HStaf heeft bestudeerd, en aangezien het tegengestaan worde door de leerstellingen van de predikanten, kan uw aanvraag voor de doop en lidmaatschap niet aanvaard worden door het leidende lichaam van de kerk. Desalniettemin, als u alles gedaan heeft wat u kunt, mochten zij u zo een voorrecht ontkennen, zullen zij alleen verantwoordelijk gehouden worden. {1SC11-12:9.3}                                   

 Bovendien, het hebben van iemands naam in de kerkboeken, verzekerd niemand van gered zijn. Uw naam geschreven hebben in de boeken van de hemel is wat telt. Uw aanvaarding van de waarheid en een verlangen om aan al de vereisten waarin de boodschap voorziet te voldoen, is wat ons lidmaatschap in de kerk van de verlosten zeker stelt. {1SC11-12:9.4}                                   

Of u wordt toegelaten of niet door de doop u bij de kerk aan te sluiten, wij worden in de Schriften verteld ons licht niet onder de korenmaat te verbergen; wij moeten de instructies volgen die gevonden worden in Ezech. 2: 1-8: of ze willen horen of als ze willen….. wij moeten de boodschap naar de kerk brengen. Als u getuigd voor Christus, zullen zij u tegenstaan en u als lid uitschrijven, als u lid bent van de kerk, maar wij moeten nooit toelaten dat, dat ons ontmoedigt. Zie Luk. 6: 22. Velen waren bang om goed te spreken van Christus uit vrees om uit de synagoge geplaatst te worden, maar Jezus zei: “Wie zijn leven wil behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en het evangelie, hetzelfde zal het redden.” (Mark. 8: 35) “Gezegend zijt gij, wanneer men u haat, wanneer ze je uitsluiten and insult you en beledigen jeand reject your name as evil, en verwerpen uw naam als kwaad,because of the Son of Man. omwille van de Mensenzoon.” (Lukas 6: 22) {1SC11-12:9.5}                                   

Vraag: “Zullen zij die nu het Z.D.A. geloof aanvaarden, gedurende de verzegelingstijd onder de 144.00 zijn of vallen in de slachting van Ezechiël 9? {1SC11-12:9.6}                                   

Antwoord:” Allen die als leden van de kerk gevonden worden bij de vervulling van Ezechiël Negen, zullen of het zegel ontvangen en van de 144.000 zijn, of anders zonder gelaten worden, en vallen onder de “slachtwapens,” van de “vijf mannen.” Alleen zij die “zuchten en weeklagen voor al de gruwelen” in de kerk zullen aan de vernietiging ontsnappen. {1SC11-12:9.7}                                   

Vraag: “Zou God iemand die in gevaar verkeerd van het verwerpen van de verzegelende boodschap te ruste leggen?” {1SC11-12:9.8}                                   

Antwoord: Wij geloven niet dat God wie dan ook te rusten zal leggen, vanwege het in gevaar zijn van het verwerpen van licht dat Hij zend. Hij kan dat wel doen om een of andere, andere reden. Degene die niet nu de stem van de Goede Herder horen, zullen het nog minder horen in de opstanding van de rechtvaardigen. Desalniettemin, kunnen wij niet oordelen, want wij kennen de toestand en omstandigheden niet waaronder men mocht overlijden. {1SC11-12:9.10}                                   

Vraag: “Hoe kan ik aan een broeder bewijzen dat de slachting van Ezechiël 9 letterlijk is ?” {1SC11-12:9.11}                                   

Antwoord: Vraag eerst zijn aandacht voor het feit dat de Heer aan de drempel van het aardse huis was, waar en wanneer de profetische slachting plaatsvond. Haal deze punten vanuit traktaat 1: “De Dardenellen van de Bijbel. {1SC11-12:9.12}                                   

Verwijs hem ten tweede naar “Getuigenissen voor de kerk,” Deel 5, p. 211, waar het zegt: Hier zien wij dat de kerk—de Heer Zijn heiligdom—de eerste was die de slag van de toorn van God zou voelen.” Bovendien, voorspelt de Geest der Profetie dat wanneer de boodschap van Ezechiël Negen verkondigt is aan de kerk, sommigen haar letterlijke vervulling zullen ontkennen, want ze zeggen: “Hij is te barmhartig om Zijn volk met oordeel te bezoeken.” Ze hadden het standpunt ingenomen dat we niet naar wonderen en kenmerkende manifestaties van Gods kracht hoefden uit te kijken zoals in vroegere dagen. De tijden zijn verandert.”[p. 9] {1SC11-12:9.13}                                   

Door te zeggen dat de slachting van Ezechiël Negen niet letterlijk is, is te zeggen: “ Wij hoeven niet uit te zien naar wonderen en naar kenmerkende manifestaties van Gods kracht als in vroegere dagen.” {1SC11-12:10.1}                                   

Ten derde, herinner hem aan Jes. 66: 16, 19, 20. De slachting vermeld in vers 16 gaat letterlijk zijn, want zij die eraan ontsnappen, zullen gezonden worden naar allen natiën, om Zijn Glorie en Zijn heerlijkheid te verkondigen. Deze slachting is alleen in de kerk, want zij die “eraan ontsnappen,” zijn Gods dienstknechten, die na de slachting, Hij zal zenden naar de heidenen en als de slachting niet letterlijk is, waar zullen ze dan aan “ontsnappen?” Bovendien za Ezechiël ze letterlijk geslacht. (Ezech. 9: 7). {1SC11-12:10.2}                                   

Vraag: “Hoe brengt u de zeven koningen van Openb. 17: 10 in overeenstemming met het beest, dat was, en niet is, en toch is? De HStaf, Vol 2, p. 118 over dit onderwerp is mij niet duidelijk. {1SC11-12:10.3}                                   

Antwoord: Tracht niet de zeven koningen in overeenstemming te brengen met de zeven beesten, maar alleen met de perioden die gesymboliseerd zijn door de 4 metalen van het grote beeld van Dan. 2. Voeg aan deze perioden de periode voor de vloed toe en de ene na het millennium zoals geïllustreerd in de HStaf, Vol 2. p. 84 en u zult een volmaakte harmonie hebben. {1SC11-12:10.4}                                   

De zeven koningen omvatten de gehele wereldgeschiedenis vanaf de schepping tot aan de nieuwe aarde. De wereld voor de vloed wordt gesymboliseerd door de eerste, “koning,” Het rijk van het oude Babylon door de tweede. Het Medo-Perzische door de derde. Het Griekse door de vierde en  het Romeinse koninkrijk door de vijfde. Van deze wordt gezegd, ”vijf zijn gevallen.” De koning die “is,” is symbolisch voor de periode vanaf de val van het Romeinse rijk tot de tweede komst van Christus, dat is, de periode die nu is, namelijk Rome in haar gebroken staat. De zevende koning die,” een korte tijd moet doorgaan,” is symbolisch van de slechte wereld na het millennium.  Aldus zijn er zeven koningen; vijf zijn gevallen (voor de vloed, Babylon, Medo-Perzie, Griekenland, en Rome), maar de tegenwoordige wereld die nu “is,” maakt de zesde compleet, en de ene die nog moet komen na het millennium die een ”korte tijd moet doorgaan,”  zal de zevende en de laatste zijn. {1SC11-12:10.5}                                   

Vraag: “Waarom worden de drie symbolische beesten van de Oud Testamentische periode genummerd met vleugels en ribben en die van de Nieuwe ongenummerd gelaten?” {1SC11-12:10.6}                                   

Antwoord: Ze zijn allen genummerd, maar om de scheiding tussen de Oud-en Nieuw Testamentische perioden aan te geven is er een onderbreking in de manier van nummering, welke onderbreking weer opgemerkt wordt door het feit dat de beesten die het Oude testament symboliseren zonder hoorn zijn. Bovendien, aangezien de nummering van de Oud Testamentische beesten, onze aandacht vraagt voor de periode voor de vloed, zo vraagt de nummering van de beesten van het Nieuwe Testament onze aandacht voor de beesten van het Oude Testament, vanwege het feit dat nummering van de beesten van het Nieuwe  Testament de periode van het Oude Testament bevat, daar de nummering van de beesten van het Oude Testament de periode van voor de vloed bevat. (Zie HStaf, Vol. 2, blz. 41,41). Vandaar dat aangezien de drie perioden (voor de vloed, het Oude en het Nieuwe) de gehele wereldgeschiedenis behelzen, voor de millennium, worden zeven beesten gebruikt om volledigheid aan te duiden. (Zie illustratie in HStaf, Vol 2. p. 84). {1SC11-12:10.7}                                   

Daarom dat het niet te beschrijven beest van Daniel zeven die de 4e is, het luipaardachtig, (Openb. 13: 1-10) de 5e, het tweehoornig dat volgde in het visioen, de 6e, en aangezien het scharlaken gekleurd (beest) gezien werd na deze, vormt hij een 7e beest. Vandaar dat de beesten aan de andere kant van het millennium ( zie illustratie in HStaf, Vol. 2, p, 84) die in werkelijkheid, de 7e (scharlaken gekleurd) is, in zijn tweede fase, het 8ste wordt. Dienovereenkomstig word van hem gezegd hij is de “8ste en is van de zeven.” (Openb. 17: 11) Dus uiteindelijk zijn zij allen om de meest volmaakte wijze genummerd. {1SC11-12:10.8}                                   

BELANGRIJKE OPMERKINGEN 

Alle verzend geldopdrachten of checks moeten betaalbaar gemaakt worden, zoals in het verleden aan Mw. F. CHarboneau, Mt. Carmel Center, Waco, Texas. {1SC11-12:10.9}                                   

Adresseer alle leden naar onze nieuwe locatie onder de zorg van De Universele Uitgevers Ass. Mt Carmel Center, Waco, Texas. {1SC11-12:10.10}