De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




De Volmaakte Mens

Christenen spreken vaak van de Gouden Regel – “Alles wat gij wilt dat u de mensen doen, doet gij ook hun evenzo: want dit is de wet en de profeten.” (Matt. 7:12) – Maar er is een vraag voor wat betreft hoe velen werkelijk aan haar eisen beantwoorden, in de volste betekenis des woords. Moeten slechts in vriendelijke daden, eerlijke zakelijke transacties, en zendingsactiviteiten aan de eisen van deze christelijke regel beantwoord worden? {5SC1-5:10.1.4}

Het doel hierin is om duidelijk aan te tonen op welke wijze de Gouden Regel vaak het meest wordt overtreden, en welke de meeste Christenen hoogstwaarschijnlijk niet volledig begrijpen voor wat betreft de mate waarin het hun eigen levens, de levens van hun bloedverwanten, vrienden, bekenden, en broeders en zusters van de kerk {geloofsgenoten}, beïnvloed. Boven alles echter, is het doel hierin om aan te tonen wat voor schade Christenen dagelijks aan het werk van God berokkenen, hetzij door hun blind zijn voor Gods wegen, of door hun falen om de grondbeginselen vervat in de Gouden Regel ten uitvoer te brengen, door onbeteugelde heerschappij te geven aan het meest onhandelbare lid van het lichaam; namelijk, de tong. {5SC1-5:10.1.5}

Wij horen veel over de verderfelijke gewoonte van “roddelen,” die ons in onze diepste wezen ziek maakt, want wij als een volk horen raadgevingen zonder beperking over het onderwerp, maar wij geven er geen gehoor aan. Hoewel het niet als heerlijke muziek in onze oren klinkt, moeten wij ons realiseren dat wij het probleem tegemoet moeten treden en ermee afrekenen. Wij moeten overwinnaars zonder bedrog in onze monden zijn, als wij onder hen willen zijn die “ontkomen” en naar de naties gezonden worden om Gods “roem” {of “beroemdheid”} en Zijn “heerlijkheid” onder de heidenen te verkondigen (Jes. 66:19, 20), en die deel hebben in het geven van de boodschap in de tijd van de Luide Roep. {5SC1-5:10.2.3}

“Roddelen” is gewoonweg praten met een ander om ijdele {of zinloze} praatjes {of leugens} te vertellen, kletsen {of babbelen}, of slechts om te praten over anderen. {5SC1-5:10.2.4}

Informatie die niet noodzakelijk is, of die onnodig verstrekt wordt, ook al zijn het volstrekte feiten, is een andere fase van converseren dat even veel schade berokkent als roddelen. {5SC1-5:10.1.5}

Om onze naaste lief te hebben zoals wij van onszelf houden, moeten wij de Gouden Regel gedenken door een wacht te plaatsen voor onze lippen, want wanneer een woord eenmaal geuit is, ook al wordt het teruggetrokken, kan het nooit meer worden herroepen {of ongedaan gemaakt worden}, ofschoon wij onze verontschuldigingen mogen aanbieden en vele tranen laten vloeien. {5SC1-5:11.1.1}

Wij mogen zonder dat wij er erg in hebben hier en daar een woord, of informatie die voor ons op gegeven moment helemaal niets te betekenen heeft, deponeren, maar die ons vroeger of later in het gezicht kan aanstaren in een meest onplezierige zetting, en ons enorm verdriet, zorgen, en schade kan bezorgen. {5SC1-5:11.1.2}

Laat ons voor een ogenblik nauwgezet iemand observeren die succesvol is in zijn of haar beroep. Neem bijvoorbeeld een verpleegster, als illustratie voor ons punt. Noodzakelijkerwijs is zij in vele gevallen vertrouwd met bepaalde omstandigheden, of toestanden die hoogstwaarschijnlijk haar patiënten omgeven. Hoe ongepast en schade berokkenend zou het zijn voor haar beroep, als zij, zelfs aan haar beste vriend, zaken zou vertellen die zij strikt vertrouwelijk voor zichzelf zou moeten houden, laat staan om ze rond te bazuinen of erover te roddelen, of zelf de informatie door te geven! Geen enkele goede zakenpersoon vertelt over zijn privé zaken. Veel minder zouden anderen die er geen belang bij hebben de “berichten” kunnen “verspreiden” en toch belijden dat zij zich aan de “Gouden Regel” houden.  {5SC1-5:11.1.3}

Informatie moet soms worden verstrekt, maar om “wijs te zijn als slangen en onschuldig als duiven” is het niet alleen noodzakelijk dat wij leren wat ijdele taal – roddelen – is, maar ook dat wij leren waarom bepaalde informatie zou moeten worden verstrekt, door wie het zou moeten worden verstrekt, en, in het bijzonder, wanneer het zou moeten worden verstrekt. {5SC1-5:11.1.4}

Zelfs de gewoonte om uitdrukking te geven aan onze mening over zaken die niet in het bijzonder op ons betrekking hebben, is een diepgewortelde oorzaak van vele kwaadheden en onplezierige gevolgen. {5SC1-5:11.1.5}

Wanneer wij wensen een onderwerp te bespreken, of wanneer wij het wagen om over anderen te spreken, moeten wij waken over onze tong door altijd in gedachte te houden dat het onderworpen moet zijn aan de wet die de apostel Paulus aan ons oplegt in de volgende bezorgdheid. Laat een ieder van ons, voordat wij een onderwerp bespreken, vragen: {5SC1-5:11.1.6}

Is het “waar,” of is het louter – “ik heb gehoord”? {5SC1-5:11.1.7}

Is het “eerlijk” (anders gezegd, eerbaar – om te worden eerbiedigd), of is het dwaze grappenmakerij, en heeft het betrekking op ons en ons werk? {5SC1-5:11.1.8}

Is het “rechtvaardig” – zoals wij zouden willen dat anderen ons behandelen? Toont het aan dat wij geven om de gevoelens van onze broeder? {5SC1-5:11.1.9}

Is het “zuiver” – zodat geen veroordeling tegenover ons zal staan? {5SC1-5:11.1.10}

Is het “lieflijk” – Zou het maken dat wij grotere liefde voor onze broeder zouden hebben, ongeacht zijn fouten? {5SC1-5:11.1.11}

Is het “van goede verslag,” zodat wij daardoor iets mochten leren voor onze ervaring of vooruitgang langs de hoofdweg van het leven? {5SC1-5:11.1.12}

Als deze betreffende zaken in beschouwing moeten worden genomen wanneer  vragen van anderen gesteld worden, dan zou het goed zijn voor ons om in het bijzonder in beschouwing te nemen wanneer wij hen aan anderen vertellen, want de tekst draagt ons verder op om deze dingen te gedenken “als er enige deugd en als er enige lofprijzing is.” {5SC1-5:11.2.1}

Wij zouden als Paulus moeten zijn, en “jagen naar het doel, om de prijs der roeping Gods, in Christus Jezus. Laten  wij dan allen, die volmaakt zijn [144.000], aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, zal God u ook dat openbaren.” (Fil. 3:14, 15.) {5SC1-5:11.2.2}

God is nu aan het streven om iets voor ons te doen, maar Hij kan het niet, totdat wij onze tongen aan Hem onderwerpen. Hoe langer wij deze onderwerping uitstellen, hoe meer wij Zijn bedoelingen voor ons en Zijn volk verhinderen. En wat wij niet in tijden van vrede doen, zullen wij in tijden van moeilijkheden moeten doen. {5SC1-5:11.2.3}

“Wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, laat hij zijn tong weerhouden van het kwade, en zijn lippen dat zij geen bedrog spreken” {KJV}. {5SC1-5:11.2.4}

Laat ons voorzichtig zijn in ons spreken, zodat wij niets spreken dat wij niet behoren te zeggen (1 Tim. 5:13), “want wij struikelen allen in velerlei opzicht.” (Jak. 3:2) {5SC1-5:11.2.5}

Sommigen mogen zelfs denken dat zijn goed bezig zijn in de dienst van God door het verstrekken van vertrouwelijke informatie over zaken die alleen betrekking hebben op Gods werk en Zijn werkers, terwijl een dergelijke aanmatiging inderdaad een aanstoot “aan allen” en een grote schade aan Gods zaak is. Sommigen begrijpen de volheid van de strijd tussen Christus en Satan niet, noch zijn ze zich bewust wanneer zij kritiek leveren, roddelen, en belangrijke informatie verstrekken over Gods werk, ja, zelfs meer, veroorzaken dat anderen, tegen de instelling, meningen vormen die hen voor eeuwig bevooroordeeld er tegen zouden maken. {5SC1-5:11.2.6}

“Wie in zijn spreken niet struikelt, is een volmaakt man, in staat zelfs zijn gehele lichaam in toom te houden.” (Jak. 3:2) {5SC1-5:11.2.7}

Totdat wij kunnen leren wanneer te spreken en wanneer te zwijgen, ongeacht wie wij zijn, zijn wij nog steeds in onze zonden en ongekwalificeerd {ongeschikt} om dienst te doen in de wijngaard des Heren, want in zo een geval zouden wij “onze plicht verzaken,” verraders, stijfhoofdig, en hoogmoedig” worden,  onze eigen arrogantie {verwaandheid of hoogmoed} wijzer achtend dan hetgeen “geschreven is,” terwijl onze raad, advies, kritiek, discussie, en onze verslaggeving die wij horen of zien tegengesteld zou zijn aan dat wat zou passen bij de 144.000, die zonder bedrog in hun mond zijn. (Openb. 14:5) {5SC1-5:11.2.8}

“Laat het ja, dat gij zegt, ja zijn, en het neen, neen; wat daar bovenuit gaat, is uit den boze.” (Matt. 5:37.) Zij die dit doen zijn even “wijs als slangen, en onschuldig als duiven.” Streef om een van de 144.000 te zijn, die zonder bedrog in hun mond zijn. {5SC1-5:11.2.9}

“Weest gij daarom volmaakt, gelijk uw Vader Die in de hemel is volmaakt is.” (Matt. 5:48, KJV) {5SC1-5:11.2.10}

WEES VOORZICHTIG WAT U ZEGT

In het spreken van iemands fouten,

Alstublieft, vergeet de uwe niet;

Gedenk dat zij die een huis van glas hebben,

nooit een steen zouden gooien;

Als wij niets anders te doen hebben

dan praten over hen die zondigen,

Is het beter  om thuis te beginnen,

en van dat punt af beginnen.

{5SC1-5:12.1.1}

Wij hebben niet  het recht om iemand te oordelen,

totdat hij eerlijk berecht is;

Zouden wij zijn gezelschap niet leuk vinden,

wij weten dat wereld wijd is.

Sommigen mogen fouten hebben –

en wie heeft er geen? Zowel de ouderen als de jongeren;

Misschien kunnen wij, je weet maar nooit,

vijftig hebben tegenover hun ene.

{5SC1-5:12.1.2}

Ik vertel u over een beter plan,

en ontdek dat het geheel goed werkt;

Te trachten mijn eigen gebreken te genezen,

Voordat ik dat van anderen vertel;

En hoewel ik soms hoop te zijn,

niet slechter te zijn dan iemand die ik ken,

Vragen mijn eigen tekortkomingen mij

de fouten van anderen te laten gaan.

{5SC1-5:12.1.3}

Laat ons dan allen, wanneer wij aanvangen

Om vriend en vijand te belasteren,

Denken aan de schade die een woord kan aanbrengen

Aan hen die weinig weten.

Gedenkt vervloekingen soms als

Onze kippen, “thuis op stok.”

Spreek niet over de fouten van anderen,

totdat Wij zelf er geen hebben.

–Joseph Kronthal. {5SC1-5:12.1.4}

HET LOONT NIET OM TE REDETWISTEN

 Christenen zijn geroepen om getuigen te zijn, geen rechters. Hun leven moet getuigen voor het gehele universum dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om te redden, niet om te veroordelen. Het getuigt van slecht beleid om over wat dan ook te redetwisten, maar het is vooral verkeerd om over godsdienst te redetwisten. Laat ons in plaats daarvan getuigen. {5SC1-5:12.1.5}

De meeste mensen zijn in meerderde of mindere mate bevooroordeeld, vanwege vooropgezette ideeën en meningen. Er zijn echter velen, die, als er tactvol mee wordt omgegaan, zullen toegeven dat zij verkeerd zijn, maar niemand vindt het feit plezierig dat zijn verkeerd zijn hem in de keel wordt geduwd door de andere persoon. {5SC1-5:12.1.6}

Benjamin Franklin vertelt hoe, terwijl hij als jeugdige voortdurend fouten maakte, een Quaker vriend hem een meest kostbare les leerde. De Quaker vriend zei tot hem: {5SC1-5:12.1.7}

“Ben, jouw meningen hebben een slag in hen voor een ieder die met jou van mening verschilt. Jou vrienden vinden dat zij zich beter amuseren als jij er niet bent. Je weet zo veel dat niemand je iets kan vertellen. Inderdaad zal niemand het proberen, want de poging zou slechts leiden tot onbehaaglijkheid.  Dus ben je niet geschikt om ooit meer te weten dan wat je weet, hetgeen heel weinig is.” {5SC1-5:12.1.8}

Deze stekende berisping dwong de jonge man om voordeel daaruit te trekken, zoals is bewezen door zijn getuigenis. {5SC1-5:12.1.9}

“Ik verbood mezelf het bezigen van iedere uitdrukking die betekenis gaf aan een vastgestelde mening, zoals ‘zeker’, ‘ongetwijfeld’, enz., en nam daarvoor in de plaats aan: ‘ik neem aan,’ dat iets zo is; of ‘het schijnt mij op dit moment zo te zijn.’ Wanneer een ander iets beweerde waarvan ik dacht dat het een dwaling was, weigerde ik mezelf het plezier om hem abrupt tegen te spreken, of het onmiddellijk aantonen van  enige absurditeit {of onzin} in zijn voorstel; en in het beantwoorden begon ik met op te merken dat in sommige gevallen of omstandigheden zijn mening juist zou zijn, maar dat er in de huidige zaak mij enig verschil toescheen.” – “The Readers’s Digest,” Jan., 1937, pp. 118, 119. {5SC1-5:12.2.1}

Tegenwoordige Waarheid gelovigen zouden er goed aan doen om de raad in beschouwing te nemen van de oude Quaker vriend van Benjamin Franklin. De wereld, engelen, en onze broeders, allen hebben hun ogen op ons gericht. Laat ons stoppen met redetwisten. {5SC1-5:12.2.2}