De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




De Recruteerder Van Het Witte Huis

De Recruteerder Van Het Witte Huis

WHR-1200x675.jpg

2

Kopierecht , 1951

door

De Ministeriele Rekruterings Commissie

 

Vertaling van:

“The White-House Recruiter.”

 

  shepherds-rod-white-house-recruiter-recruiting-commission

 

3

“DE REKRUTEERDER VAN HET WITTE HUIS.”

A-BOMMEN, VLIEGENDE SCHOTELS, DE DERDE WERELDOORLOG.

— 0 —

 

Een Post Voor Elke Ministeriële

Afgestudeer­de.

  Nooit tevoren hebben oorlogswolken, zo vreemd en zo donker, in dreigende onweersbui­en boven de wereld gehangen, en nooit zag de wereld zichzelf zoals zij dat heden ten dage doet. Overal — in de regering en in de in­dustrie, in universiteiten, in kerken, in tehuizen, op straat — in iedere gang van het leven, is de meest gestelde vraag: Waar moet het heen met het mensdom? {WHR:3.1}

  “Wat is het verhaal van de mens? Het is, dat wanneer de mensen sterven, de Mens over­leeft. Heden ten dage zijn de mensen meetbaar dich­terbij de vreselijkste van alle climaxen, die zij over zichzelf hebben gehaald in hun lange geschiedenis van strijd. Als de climax  daar is, zal hij het leven en de wereld ver­an­de­ren. Maar het zal geen einde maken aan het leven, het zal de wereld niet vernieti­gen. Bij deze hoogste climax, of hoogstwaar­schijn­lijk in afwachting ervan, kan de mens uitein­delijk het geheim van deze vrede vinden en de manier om te leven zonder vernietiging. Dat is een hoop. De zekerheid is, dat de mens op aar­de zal zijn, een wereld scheppende.” — (“Life, Oct. 3, 1949, p. 22.) {WHR:3.2}

  “(…) Einstein (…) ging ermee akkoord (…) dat andere naties onze geheime processen zelf kunnen herontdekken; dat géén militaire verde­diging verwacht kan worden, en dat paraatheid nutteloos is, dat als er nog een oorlog uitbreekt, atoombommen

4

zeker de samen­le­ving zullen vernietigen.” {WHR:3.3}

  “‘Het is belangrijk,’ vervolgde hij, ‘om de publieke mening te verlichten omtrent de ware toestand betreffende de bom. Slechts de pre­ventie (de voorkoming) van oorlog door actie op internationale schaal, hetgeen voorberei­ding op oorlog onnoodzakelijk zal maken en zelfs onmogelijk, kan ons redden van de gevol­gen ervan.'” (“News Week,” March, 1947, p. 58.) {WHR:4.1}

  “(…) In grote gebieden van de wereld her­haalt de geschiedenis zich. Fanatisme heeft de rede vervangen; terreur, compromis (onderhan­deling); haat, vriendschap. Wetenschap, oplei­ding en filosofie, de voertuigen van vooruit­gang voor de Westerse mens, zijn verdorven geweest, verwrongen, en omgebouwd tot wapens tegen de beschaving.” — (John Edgar Hoover, in een verslag uitgezonden door, “Federal Bu­reau of Investigation.”) {WHR:4.2}

  “De Eerst Wereldoorlog was een beslis­te ontzetting voor de vroegere periode van opti­misme, (…) Heden ten dage, is de schok haast ongelooflijk groter. Onveiligheid en strijd zijn zo algemeen, dat de heersende hou­ding, één is van bezorgdheid en pessimis­ti­sche onzeker­heid.” — (John Dewey, “Recon­struction in Phi­losophy,” p. 8.) {WHR:4.3}

  “Er is slechts te veel reden voor angst, dat de Westerse beschaving, indien niet de hele we­reld, waarschijnlijk in de nabije toe­komst een periode zal doormaken van zeer gro­te moeilijkheden, lijden en pijn (…)” — Ber­trand Russel, over het onderwerp: “If we are to survive the dark time,” (“Als wij de don­kere periode zullen overleven.”) in “New York Times Magazine, September 3, 1950. {WHR:4.4}

       “Wij zijn nu aangekomen bij de eindfase van de geschiedenis. Wat uiteindelijk van ons wordt gevraagd, wordt nú van ons gevraagd. (…) De tijd is ver gevorderd. Waarschijnlijk kan niets ons redden. Het

5

handschrift aan de muur is echter duidelijk genoeg. Het zegt tot de aardbewoners: ‘Ver­enigt u, of sterf.'” — Dr. Robert m. Hutchins. {WHR:4.5}

  “Iedereen is het er over eens, dat een atoom­oor­log wereldwijde zelfmoord is, die niemand kan winnen. Géén wetenschapper of vermaard­heid (bekendstaand persoon) trekt het feit in twijfel, dat elk land met een indus­triële capaciteit binnen vijf jaar de atoom­bom zal hebben. wij hebben slechts vijf jaar om aan de vrede te werken.” — Dr. Robert M. Hutchkins, Chancellor of Chicago University, in “Chicago Tribune,” March 26, 1946. {WHR:5.1}

  “Er kan géén twijfel bestaan over de we­reldcrisis. Wij leven bij één van die keerpun­ten van de wereldgeschiedenis die twee wegen voorhouden, waarvan de ene naar de dood leidt en de andere naar het leven. {WHR:5.2}

  “Het feit is, de H-bom vertegenwoordigt de uiteindelijke zelfmoordtriomf, de ontslui­ting van de meest intieme geheimen der natuur voor doeleinden van totale vernietiging. Het plaatst in de absolute brandpunt het falen van de materialistische samenleving, die getracht heeft haar leven in te richten zonder God.” — (G. Asthon Oldham, voormalige Bisschop of Op­ziener van de Episcopale Diocese van Albany, betreffende, “The World Crisis and the Futu­re,” (“De Wereld Crisis en de Toekomst,”), in de bulletin van de “Church Peace Union for June.”) {WHR:5.3}

  “De mensen ontdekken, dat een ontzaglijke moeilijkheid het leven binnengekomen is, zelfs onoplettende mensen zijn verraden, bij vlagen, een bepaalde verwondering, een fi­guur­lijke in­een-doen-krimpend gevoel dat er iets gebeurt, waar­door het leven niet meer hetzelfde zal zijn. {WHR:5.4}

  “Spreidt uit, en onderzoek het voorbeeld der gebeurtenissen en u zult ontdekken, dat u oog in oog staat met een nieuwe intrige {een nieuw plan}, tot nog toe ondenkbaar voor het men­se­lijk ver­stand. (…) {WHR:5.5}

6

“Schrijvers zijn overtuigd, dat er géén uit­weg is, rondom of door de impasse heen. Het is het ein­de.” — (H.G. Wells, “Los Angeles Exami­ner,” October 21, 1945.) {WHR:6.1}

 Door de wereld beschouwende mening van deze eminente (uitstekende) bijdetijdse waarnemers, is deze generatie bij het uur nul van de be­schaving beland. Als wij het ons nu wél of niet realiseren, de dag des oordeels verkort zijn schaduw, en wij staan oog in oog met de meest belangrijke kwesties waar ooit een men­selijk geslacht mee werd geconfronteerd. Atoomkernkoppen, dodelijke raketten, gift­gas, bacteriologische bommen, super onderzeeërs doorklieven machtige diepten, en su­per­sonische vliegtuigen doorboren het lucht­ruim, — wat hebben deze en andere geduchte vernietiging teweegbrengende uitvindingen te betekenen? Wat voorspellen deze tekenen des tijds voor de kerk en voor de gehele wereld? Indien de vraag zich, in welke generatie dan ook, had opgedrongen van Gods’ profeten van vroeger, dan zouden zij ongetwijfeld hebben geantwoord: “Zo waar als de Kerk leeft, en zo zeker als God leeft, zou het onmogelijk zijn dat Hij Zijn volk in duisternis zou laten be­treffende de tekenen van hun tijden.” En hun  antwoord moet zéker ook ons antwoord zijn. Voorts, is het een vanzelfsprekend feit, dat, als wij in kennis gesteld willen worden, God ons instaat zal stellen om de ware betekenis van deze ongekende vernietiging veroorzakende din­gen te weten. {WHR:6.2}

  Van aanvang aan wordt reeds zoveel gemani­fes­teerd: Als de superbommen, super bommenwerpers, en al deze superheden tot niets anders bijdra­gen, bedrei­gen zij ongetwijfeld de sa­menle­ving. Een zwakke voorstelling van de verwoes­tende en demoraliserende gevolgen van hun gebruik zal worden ingewonnen van het schouw­spel van verwoesting vanuit de lucht, hetgeen staat afge­beeld op de voorpagina. {WHR:6.3}

7

  Wat ook gemanifesteerd is, is de ze­kerheid, dat de Hemel deze werktuigen der verwoesting in hun totstandkoming toege­staan heeft, ten­einde de Christenheid te doen op­staan, zowel predikanten als leken, tot een besliste, ver­lichte, grootscheepse actie, zo­als de HERE het leidt om de mens van zich­zelf en van de Duivel te redden. Aangezien de Christenheid in gebre­ke blijft deze taak te vervullen, en zij de wereld aan zichzelf over­laat om zichzelf, zo goed als het gaat, te redden, zal de Vijand uiteindelijk niet alleen de kennis van God en van de verlossing uitwis­sen, maar ook de be­schaving zelf. In­derdaad, kan iedere waakzame observeerder dui­delijk zien, dat ter­wijl Hemel en aarde hals reikend naar christe­nen uitzien om in de aan­val te gaan tegen alle ongerech­tigheid, oefent de macht van het kwade een onheilspellende in­vloed uit door onchris­telij­ke mannen en vrou­wen, zoals zij, die de rode toorts van het Communisme dragen. {WHR:7.1}

  Het schouwspel is inderdaad grimmig, en het absolute gevaar ervan tart de gehele christen­heid. Wat zullen wij eraan doen? Uw ogen stijf ervoor dichtdoen? Of voor de ogen ervan opstaan, en Noachs, Gideons, Davids, Elijas, Daniëls, Luthers, en al dezulken, zijn, met een geloof om er iets aan te doen, terwijl het licht nog steeds schijnt en terwijl ons nog steeds de gelegenheid daartoe geboden wordt? Zullen wij zorgvuldig de tries­te waarheid ter harte nemen, dat “de zonde van de non-boetvaardigheid der wereld aan de deur van de kerk ligt.”? — “The Great Controversy,” p. 389. (“De Grote Strijd,” blz. 365.) Zullen wij de verheven aankondiging: “Ere zij God in de ho­ge, en vrede op aarde, in de men­sen een welbe­hagen” (Lukas 2:14), aanvaarden, als de meest verheven hoop en plicht van de Kerk, meer dan die van de Staat? Ons land en de gehele wereld heeft de Kerk nodig, en God wacht op haar le­den, zowel leken als predi­kers, om “op te staan” en te “worden ver­licht.” (Jesaja 60:­1.) {WHR:7.2}

       Elke Christen die weet dat het evangelie “een kracht is tot verlossing,” weet dat in­dien de menigte tot Christus zou worden bekeerd,

8

 

dat er geen enkele agressie­ve Commu­nistische of totalitaire macht zou zijn, in­der­daad, dat er géén kon zijn in de wereld, en daarom niet zulk een bedreiging als het militante Commu­nisme nu aan de dag legt naar de samenleving toe. En elke Christen weet ook, dat er géén andere macht op aarde is, dan “het zwaard des Gees­tes,” die het hoofd van de Goliath van vandaag kan afhouwen. Het zal jam­mer zijn, en het zal van een laf­har­tige af­valligheid getuigen waar men vertrou­wen in stelt, als de Kerk niet onmiddellijk van de schouders van de Staat haar eigen na­gela­ten aandeel zou afha­len, het­geen het gro­tere aan­deel is, van de last van het stichten van vrede. De Kerk laat de Regering, zo goed als zij dat kan, maar voortgaan in het dra­gen van de hele la­ding, en dat, zon­der dat de Rege­ring van Gods­wege ver­licht is en zonder de kracht, die alleen de Kerk kan toebedelen. {WHR:7.3}

       Door in werkelijkheid de Kerk uit alle door het Communisme gedomineerde landen te verdrijven, heeft de Vijand reeds op succes­volle wijze een loopje met haar genomen, en is hij nu vurig aan het strijden om zijn overwinning uit te breiden tot de uiteinde­lijke overwinning, om haar van de aarde weg te vagen. Maar er is nog hoop, als zij slechts in moedige getrouwheid gehoor geeft aan het Goddelijke bevel, dat nu voort galmt tot elke verdediger van de waarheid: {WHR:8.1}

       “Staat op, schijnt voort; want uw licht is gekomen, en de heerlijkheid des HEREN is over u opgegaan. Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en grote duisternis de men­sen; maar de HERE zal over u opgaan, en Zijn heer­lijkheid zal over u gezien worden. En de Hei­denen zullen tot uw licht komen, en konin­gen tot de helderheid van uw opgang.’ (Jes. 60:1-3, KJV.) {WHR:8.2}

  In de machtswellustige, heerst-of-vernietig, oorlogszuchtige, en vastbesloten, zelfvernie­tiging wedloop der mensheid, in de woes­te en catastrofale omwentelingen en uitbar­stingen der

9

natuurelementen, en in de-zich-ophopende vervullingen van de zich-snel-ver­vullende pro­fetieën in het Woord van God, bul­deren de te­ke­nen der tijden het waarschuwende verzoek, dat wij opstaan of ontwaken in het licht van God, en dat wij haast maken om Zijn volk te redden van de ziekten die dreigen de wereld te ver­woesten. Als dit niet de grote opdracht en plicht van de Kerk is in dit cri­sis uur, Wat voor nut is zij dan voor God en voor de we­reld? Maar wat kan de Kerk uitrich­ten, tenzij haar leden, zowel leken als voor­gangers, teza­men, als één man, opstaan, en zich geheel en al in de strijd storten? {WHR:8.3}

  Ons wel bewust van het antwoord op deze dringende vragen, wat voor een excuus zullen wij hebben, als wij, en alle heiligen van de Christenheid tezamen met ons, onszelf niet oprichten, om datgene te doen wat het evange­lie ons opdraagt te doen? Ongeacht hoe drama­tisch en indrukwekkend welke demonstratie dan ook de kerk aan de dag mag leggen, het is geen geheim, dat, zelfs al wordt zij niet uitgesto­ten of verbannen uit enige plaats of land, zal toch met haar tegenwoordige tempo in het ver­kondigen van het evangelie van het Ko­nink­rijk, zelfs een millennium (een periode van duizend jaar) niet toereikend zijn voor haar om de wereld te waarschuwen, het werk te vol­eindi­gen, en het Koninkrijk in te luiden. En elke verlichte verstand weet dat deze de on­vermijdelijke waarheid is. {WHR:9.1}

  Kijk maar naar de woeste, eerzuchtige of ro­vende machten die de vrije teugel hebben en overal aan knagen, machten, die maken dat de gehele aarde uitbarst in geweld, oproer en terreur. Waarlijk, zij “doen de harten der mensen [bezwijmen] van vrees en angst, voor de dingen, die over de aarde komen. (…)” (Luk. 21:26.) Zullen niet alle christenen overal wakker zijn bij deze dingen, om “de gehele wapenrusting Gods aan te doen” en om “het zwaa­rd des Geestes” ter hand te nemen (Ef. 6:11, 17.), terwijl zij de Heer volgen naargelang Hij de leiding heeft? Indien niet, dan

10

 is het zeker dat zowel de Kerk als de Wereld hopeloos verdoemd zijn. welis­waar, zullen de enkelingen die wel opstaan om zich volledig over te geven op de wijze waar­op het uur dit vereist, door God worden gered van de grote brand of ver­woesting dat staat te ge­beuren. {WHR:9.2}

  Hoe zal Hij dan een ieder redden die nalaat acht te slaan op de tekenen der tijden, op het gebulder van de doodstrommels van de Dag der Verdoemenis, die nu in onze ogen flitsen en in onze oren rommelen met waarschuwingen die vreselijker zijn dan de hevige donder­sla­gen van de Sinaï? Neen, Hij kan zulke onge­neeslijke geestelijke blin­den, doven, en stommen, niet méér redden, als dat Hij de antediluvianen {de mensen van voor de zond­vloed} kon redden, die in gebreke bleven om in Noachs ark te gaan. {WHR:10.1}

  En wat voegen de vliegende schotels nu toe aan het reeds sombere plaatje? Als zij nu me­chanismen zijn van aardse makelij of van he­melse oorsprong, interplanetaire ruimtesche­pen, zij schilderen een steeds grimmi­ger beeld voor de zondaren. {WHR:10.1}

  De een mag ongelovig, een ander verbaasd staan, bij de gedachte betreffende dat de He­mel vliegende schotels heeft. Maar waarom? Als God de mens kennis heeft gegeven om mechanis­men voor de luchtvaart te ontwikkelen, dan kan niemand op redelijke wijze veronderstellen dat de Hemel geen onvergelijkbare betere heeft. Laten wij niet vergeten waarmee een hele berg bedekt was in de dagen van Elia (2 Kon. 6:17.) Om zeker te zijn, Elia noemde hen wagens, maar als zij geen vliegende schotels van bepaalde soort waren, hoe kwamen zij dan naar de aarde? Het doet er niet toe hoe men ze noemt, het gaat erom wat zij zijn, en wat zij uitrichten, dat is wat telt. {WHR:10.2}

  Wat zij echter ook mogen voorstellen, de tekenen om ons heen waarschuwen ons zonder zich te vergissen, dat dikke zwarte wolken zich rondom de aardbol verzamelen om over een beschutting loze wereld de meest verschrikke­lijke storm sinds het begin der tijden uit te stor­ten. {WHR:10.3}

11

Aan allen die een oor hebben om te horen en een oog om te zien, openbaren de te­kenen der tijden dat wij oog in oog komen te staan met de “tijd der benauwdheid zoals nooit eer­der geweest is.” (Dan. 12:1.) {WHR:11.1}

  Een duidelijke greep naar de vreselijke mo­gelijkheid van wapens die nu beschikbaar zijn, kan geen twijfel in het toonbeeld achterlaten van de wereldwijde bedreiging. Een ieder van ons weet dat als de vliegende schotels gehei­me militaire wapens van de Verenigde Staten zijn, dat andere naties buiten ons om, ze spoe­dig ook zullen bezitten, indien zij ze niet nu reeds in hun bezit hebben. Als dat het geval is, waar anders kunnen zij dan voor vervaar­digd zijn, dan om levens uit te doven, ja zelfs de levens van de uitverkorenen, in­dien mogelijk? {WHR:11.2}

  En als de vliegende schotels inderdaad van de Heer afkomstig zijn, waar komen zij dan an­ders voor, dan om een ieder uit te redden wiens naam geschreven staan in het Boek (Dan. 12:1), en om hen te doden die hen onderdruk­ken (Jes. 66:16)? En als bijgeval er nog niets uit de hemel gekomen is, dan is nog steeds niets zekerder dan het feit dat de dag zeer snel nadert wanneer zij zullen komen. Wat echter van eerste en meest verheven be­lang voor een ieder is, is dat men met zeker­heid weet dat zijn naam geschreven staat in het Boek. Om deze meest gezegende zekerheid deelachtig te worden, moet men eerst weten wat zijn naam uit het Boek zal houden, en wat het erin zal plaatsen. {WHR:11.3}

  Een van de vele dingen die iemands naam uit het Boek van God zal houden, is wanneer men geen gehoor geeft aan de waarschuwing van de Heer, dat, wanneer men de hand aan de ploeg slaat, en dan achterom ziet (hij, die in het evangeliewerk begint, en zich dan van afwendt), men niet “geschikt” is “voor het Ko­nin­krijk.” Luk. 9:62. Het feit is, dat allen die afge­studeerd zijn van ministeriële colle­ges hun handen reeds aan de ploeg geslagen heb­ben. Zullen zij zich nu terugtrekken? In alle op­rechtheid hopen wij niet dat dit het geval mocht zijn. {WHR:11.4}

12

  Aan ons (Zevende-dags Adventisten) in het bijzonder, is de betekenis, als hetgeen wij om ons heen zien glashelder moet zijn, duidelijk gemaakt dat voor alle kerkle­den de tijd nu aangebroken is om deel te ne­men aan de verkondiging van de Drie-engel Boodschappen. Er zijn nu echter duizen­den pas­tora­le ambten die openstaan om ver­vuld te wor­den door zowel afgestudeerden als door hen die niet afgestudeerd zijn van Ze­vende-dags Adven­tistische colleges. Laat dus voort­aan niemand met dergelijk kwalificaties nog langer werke­loos staan of zich bezighouden met een wereld­se beroep terwijl het werk van de Heer verflauwt en wacht. {WHR:12.1}

  Juist in dit uur vallen miljoenen af en ver­dorren, zij komen om op de terreinen der zon­de, en op de slagvelden, omdat niemand hen voor Christus heeft gewonnen met het eeuwige evangelie. Wie zal voor hen instaan? Wie heeft de visie, het hart, en de wil om eropuit te trekken teneinde het mensdom voor Christus te redden? Voor alle college afgestudeerden, non-afgestudeerden, en Bijbelwerkers die de moge­lijkheid en de wil hebben om zich toe te rus­ten voor het werk, zijn zowel de gelegen­heid tot dienstbaarheid en de middelen om te voor­zien in de reiskosten gereed en wachtende. Vandaar dat er geen gronden zijn voor “Ik ver­zoek u, houdt mij voor verontschuldigd.” Luk. 14:18. De oproep die Inspiratie laat ho­ren: “Staat op, wordt verlicht,” is tot iedere ziel gericht. Zult u geen gehoor geven, broe­ders? Zult u niet ernstig voor uzelf en voor andere arbeiders bidden om te helpen bij het bijeen vergaderen van het gouden graan? Of zult u falen in deze onvergeeflijke verantwoorde­lijk­heid, en deze meest lieflijke voorrecht ver­spelen? {WHR:12.2}

  De zaak is van het grootste belang. Chris­tus wist van te voren dat dit het geval zou zijn, en in meest verheven belang projecteer­de Hij haar in de kronende les van Zijn ge­lijkenis betreffende de wijngaard. Nu de tijd aangebro­ken is voor het laatste gelijkenis uur, heeft Hij de gelijkenis in het volle licht ge­plaatst. Om progressief* (= voort­schrij­dend) te zijn zoals dat ook met de Waarheid

13

 het geval is, laten wij daarom een diepere kijk op de gelij­kenis werpen, nu het licht van God erop schijnt: {WHR:12.3}

“Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een heer des huizes, die des mor­gens vroeg arbeiders voor zijn wijngaard ging hu­ren. Toen hij het met de arbeiders eens ge­worden was voor een schelling ‘s daags, zond hij hen in zijn wijngaard. En omstreeks het derde uur ging hij naar buiten en zag nog an­de­ren werkloos op de markt staan, en hij zei­de tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard en wat billijk is zal ik u geven. En zij gin­gen. Om­streeks het zesde en het negende uur ging hij wéér naar buiten en handelde evenzo. Toen hij om­streeks het elfde uur naar buiten ging, vond hij nog anderen ledig staan en zeide tot hen: Waarom staat gij hier de gehe­le dag werkloos? Zij zei­den tot hem: Omdat nie­mand ons gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij in de wijngaard; en wat billijk is zult gij ontvan­gen.” Matt. 20:1-7, KJV. {WHR:13.1}

  Hoe kunnen wij met zekerheid weten in welk uur wij ons bevinden, en als onze eigen op­roep voor dienstbaarheid is aangebroken? Wij kunnen het alleen weten door de tijd vast te stellen waarbinnen het laatste gelijkenis uur verstrijkt. En om dit te doen moeten wij eerst de tijd bepalen van de eerste oproep voor dienstknechten, dan achtereenvolgens de tijd voor iedere daaropvolgende oproep, met als hoogtepunt de laatste (oproep). Om tot een slotsom te kunnen komen, moeten wij de aan­dacht ves­tigen op de punten in de gelijke­nis die van betekenis zijn: {WHR:13.2}

  (1) Zoals iedere Bijbelstudent weet, is de “Heer des huizes,” de Heer Zelf. (2) De ar­bei­ders zijn Zijn dienstknechten. (3) De schelling is de beloning. (4) Zijn wijngaard is de plaats waar zij moeten arbeiden. (5) De dag is een symbolische voorstelling zoals in de gelijkenis weergeven — hetgeen een voor­stelling is van een tijdsperiode die verlicht wordt door een groot licht. (6) De periode waarin arbeid verricht wordt, wordt zowel voorafge­gaan als opgevolgd door een nacht — an­ders kon er geen sprake zijn van een “vroe­ge” en “late” deel van de dag.

14

(7) De Heer des huizes huurt op verschillende tijd­stippen ar­beiders in. (8) Er zijn vier perio­den van drie uur. (9) In elk van de eerste drie perio­den wordt er slechts één groep inge­huurd. (10) In de vierde en tevens laatste periode van drie uren, worden er twee groepen in­gehuurd. (11) De overeenkomst voor een schel­ling ‘s daags wordt slechts met de eerste groep geslo­ten. (12) De overige groepen moeten “wat bil­lijk is ontvan­gen.” (13) Aan het einde van de dag ont­vangen allen hetzelfde loon — een schelling, zelfs al heeft de laatste voor slechts één uur arbeid verricht. (14) De eer­sten werden het laatst betaald; de laatsten, het eerst. {WHR:13.3}

  Om nu uit te vinden in welk uur ons verteld wordt: “Gaat ook gij,” moeten wij dadelijk bij de aanvang van deze ga-aan-het-werk-stu­die, bepalen waar in de tijd de gelijkenis begint en waar het eindigt. Om deze belang­rijke ken­nis te vergaren moet eenvoudigweg rekening gehouden worden met de elkaar opvol­gende ver­sterkende feiten dat de gelijkenisnacht die voorafgaat aan de gelijkenis dag noodzakelij­kerwijs de periode zijn voordat het geestelij­ke “Licht der wereld,” de Bij­bel, opkwam — voordat het licht van de Schriften, het ge­schreven Woord van God, voort begon te schij­nen in de harten der men­sen. Want men moet in gedachte houden, dat toen in die tijd de wil van God overgebracht werd, niet door de Bij­bel, maar mondeling van vader op zoon, net zoals het licht van de zon ‘s nachts door de maan wordt overgebracht of weerkaatst naar de aarde, eerder dan door de zon zelf. Vanwege deze reden is men dit gaan beschouwen als de tijd van de mondelinge tra­ditie. {WHR:14.1}

  Maar de dag van arbeid stelt klaarblijke­lijk de periode voor waarin “het Licht der we­reld,” de Bijbel, het pad der mensen ver­licht. Vandaar, dat de Meester, de Heer van de wijngaard, in Zijn gelijkenis de bede­ling van het Oude Testament en van het Nieuwe Tes­tament als de enige dag periode van alle gena­detijd beschouwt, waarin Hij op

15

vijf elkaar opvolgende tijdstippen naar de markt gaat om dienstknechten in te huren om in Zijn wijn­gaard te werken. {WHR:14.2}

Tenslotte, kan de nacht die de dag opvolgt slechts die periode voorstellen nádat het werk van het evangelie beëindigd is, nádat de genadetijd voor de verlossing der mensen ge­sloten is. Dan, wanneer het “Licht der we­reld” (het Woord van God) achter de horizon van de dag wegzakt, bedekt duisternis “de aar­de, en grote duisternis de mensen.” Jes. 60:2. Het is de tijd waarin het lot van een ieder voor eeuwig bepaald is. Dan volgt de onherroe­pelijke uitspraak van de Heer: {WHR:15.1}

  “Wie onrecht doet, hij doe nog meer on­recht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie recht­vaardig is, hij bewijze nog meer recht­vaardig­heid; wie heilig is, hij worden nog meer ge­heiligd.” Openb. 22:11. {WHR:15.2}

  Het is de tijd waarin de mensen “heen en weer zullen snellen op zoek naar het Woord van de Heer, maar vinden zullen zij het niet (Amos 8:12). De tijd waarin degenen die geen acht slaan op de oproep van de Meester, en die geen be­rouw tonen vanwege hun zonden, zich realise­ren en op waanzinnige wijze en in dolle wanhoop uitroepen: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered”! Jer. 8:20. {WHR:15.3}

  De waarheid wordt nu duidelijk dat de gelij­kenis de genadetijd in twee gelijke delen on­derverdeelt van elk twaalf gelijkenis uren, namelijk, de periode voor de Bijbel (de nacht), en de periode tijdens (of met) de Bij­bel (de dag). Als bekrachtigende aanvulling aan het feit verlenend dat de gelijkenis op die wijze de tijd onderverdeelt, verklaart Jezus: {WHR:15.4}

  “Gaan er niet twaalf uren in een dag? Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien.” Joh.11:19. {WHR:15.5}

16

Verder gaand, komen wij bij een an­der punt van bijzondere betekenis: de eerste vier groe­pen werden ingehuurd op elkaar op­vol­gende tus­sentijden met drie gelijkenis uren van elkaar; terwijl de vijfde, de laatste groep, die op het elfde uur ingehuurd werd, slechts twee, in plaats van drie, uren later kwam dan de vierde groep, en aldus slechts één gelijke­nis uur voor het einde van de dag — kort voordat de genadetijd afsluit. {WHR:16.1}

  Deze twee-uren-periode, van het negende uur tot het elfde uur, is een eenmaligheid welke als een hoge uitzondering komt t.o.v. de Mees­ters’ voor­beeld van de elkaar opvolgende en regelma­tige drie-uren-intervallen tussen de op­roepen. Het laat duidelijk zien dat de laatste oproep onverwacht en bij verrassing komt, bin­nen de periode van de groep van het negende uur. Vandaar dat er slechts twee ge­lijkenis-uren zijn voor de ene groep, en slechts één gelijkenis-uur voor de andere groep. {WHR:16.2}

  Om de identiteit van de arbeiders vast te stellen die delen in elk van de vijf ver­schillende oproepen, worden wij genoodzaakt met onze speurtocht beginnen bij de ARBEIDERS VAN DE EERSTE OPROEP: {WHR:16.3}

  Wij hebben reeds gezien dat het de Bijbel, het geestelijk Licht der wereld,” is, die de gelijkenis dag vormt. Voorts weten wij allen dat de Bijbel met de Exodusbeweging tot stand kwam; zo ook dat vanaf die totstandkoming, de Heer nooit een overeenkomst sloot, als het ware, met een ander volk, en dat zij de eni­gen waren aan wie Hij de ceremoniële verbon­den toevertrouwde met al hun bijbehorende beloningen en beloften. Het is daarom onont­koombaar, dat de eerste groep van de gelijke­nis, zij die “vroeg in de morgen” uitgingen om te arbeiden, bij het opkomen van het gees­te­lijk licht, de Bijbel, en met wie de over­een­komst gesloten werd voor een schelling per dag, waren het oude Israël toen zij uit Egyp­te wegtrokken,

17

 de tijd waarvan gezegd wordt dat het vroeg in de gelijkenis dag was. In overeenstemming hiermee verklaart de Geest der Profetie: {WHR:16.4}

  “De Joden werden het eerst geroepen in de wijngaard des Heren (…).” (“Christ Object Lessons, p. 400. “Lessen uit het Leven van Alledag,” blz. 248.) {WHR:16.1}

  Op dat vroege uur, toen God de Schriften begon te schrijven (toen het Licht dat in de har­ten der mensen schijnt begon op te komen), “Hij ge­denkt voor eeuwig aan Zijn verbond, — het woord, dat Hij gebood aan duizenden ge­slachten — dat Hij met Abraham sloot, en aan Zijn eed aan Izaäk; ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting (of tot een wet), en voor Israël tot een eeuwig ver­bond.” Psalm 105 :8. {WHR:17.1}

  Nu er bij de eerste oproep op duidelijke wijze de tijd bepaald is waarin de ga-aan-het-werk gelijkenisoproepen aanvingen, moeten wij nu de oproeptijd en de werkperiode vaststellen van DE DIENSTKNECHTEN VAN DE TWEEDE OPROEP: {WHR:17.2}

  De tweede groep, zij die op het derde gelij­kenis-uur uitgezonden zijn, moeten noodzake­lijkerwijs degenen zijn die vervolgens tot het werk ge­roepen zijn. En zij waren, vanzelfspre­kend, de eerste Christenen. Veelbetekenend genoeg, werd de Heer ook op het derde uur van de dag ge­kruisigd (Mark. 15:25), en gelijkerwijze kwam Pinksteren op het derde uur van de dag (Hand. 2:15). {WHR:17.3}

  Een ander veelbetekenend punt waar wij aan­dacht moeten besteden is het feit dat de bood­schappen die door de eerste twee groepen wer­den uitgedragen, door het vroegere Israël en de eerste Christenen, niet van reformato­ri­sche aard waren; zij waren geen oude, ver­geten waarheden in een proces van opwekking en her­stel; elk van hen was eerder een nieuwe open­baring, “voedsel op z’n tijd” — tegen­woordige Waarheid die speciaal aangepast was om volle­dig tegemoet te komen aan de behoef­ten van de mensen in hun respectievelijke tijden. De eerste groep

18

werd ge­­ïnspireerd en opge­dragen om de waarheden van verlossing te on­derwijzen en te praktise­ren zoals ze vervat waren in het ceremoniële stelsel; de latere groep werd geïnspireerd en opgedragen om de­zelfde onvergankelijke waar­heden in hun toege­nomen licht — toegenomen van type tot antitype, te onderwij­zen en uit te leven, van de bediening in het aardse ta­bernakel tot de be­diening van de hemelse ta­bernakel. Dat wil zeggen, van het offeren van een lam uit de kudde tot het offeren van Christus Zelf, het Lam Gods. Aldus leerde de late­re groep de oude waarheden in een nieuw en ori­gineel licht, in het licht van het evangelie — dat Christus gekruisigd was voor de vergeving van zonden, opgestaan in de overwinning over zon­de en dood, en opgevaren om verzoening te doen voor de berouwvolle zondaar, niet in een aardse, maar in een he­melse, tabernakel. {WHR:17.4}

  Aangezien de boodschappen van de twee groe­pen (de ene uitgedragen door de Exodusbewe­ging, en de anderen uitgedragen door de Christenen) elk in hun respectievelijke tij­den fris van heerlijkheid waren, bevestigt dat feit op logische wijze zichzelf als een Godde­lijke voorafganger en voorbeeld voor al de bood­schappen van de gelijkenis. Dienovereen­kom­stig, moeten elk van de drie overblijvende groepen op gelijke wijze belast zijn met een boodschap met een nieuwe andere openbaring, van “voedsel op z’n tijd” — waarheid speci­aal en volledig aangepast aan de behoeften van Gods volk in de tijd wanneer zij dan aanwezig is. Vandaar, dat wij slecht het spoor behoeven te volgen binnen de gelederen van de kerkge­schiedenis in het ontvouwen van de boekrol, totdat wij aankomen bij een nieu­we en oor­spronkelijk geopenbaarde en verkon­digde waar­heid, die de boodschap van de eer­ste komst van Christus opvolgt. Zij moet aan­tonen DE DIENSTKNECHTEN VAN DE DERDE OP­ROEP: {WHR:18.1}

  De Protestantse Reformatie, hetgeen puur een poging was om oude, ter aarde geworpen waarhe­den te herstellen, en niet om nieuwe, voortschrijdende waarheden te openbaren, had geen nieuwe boodschap van zichzelf –

19

  niets dat  niet eerder in de vroegere tij­den was geopenbaard. Hieruit volgt daarom, dat de der­de groep en boodschap gezocht moet wor­den tij­dens de jaren die de Reformatie op­vol­gen. {WHR:18.2}

  De enige profetische waarheid, die de Refor­matie opvolgt, is de aankondiging van het jaar waarin het werk van de reiniging van het hei­ligdom zou beginnen, in de eerste plaats ten aanzien van de doden (gebaseerd op Daniël 8:14, maar toen niet volledig begrepen werd). Aangezien de aankondiging ervan gedaan werd door de Eerste-dags Adventisten, volgt logischerwijs hieruit dat zij de derde groep ar­beiders waren met een nieuwe en verscheiden boodschap. En zoals algemeen bekend staat, begonnen zij de boodschap te verkondigen in het jaar 1833, aankondigend dat de reiniging van het heiligdom zou beginnen in het jaar 1844. Aldus sloeg in 1833 de klok van gelij­ke­nis-tijd het uur zes. {WHR:19.1}

  De verklaring: “Wederom ging Hij naar bui­ten omstreeks het zesde en het negende uur, en handelde gelijkerwijs,” sprekend over de twee oproepen, niet enkelvoudig, zoals in de geval­len van de oproepen die daaraan vooraf­gingen, maar gezamenlijk, toont aan dat de boodschap en de dienstknechten van het “zesde uur” nauw ver­want zouden zijn aan en samen zouden gaan met de boodschap en met de DIENSTKNECHTEN VAN DE VIERDE OPROEP: {WHR:19.2}

  Aldus was het, dat de groep en de boodschap van het zesde uur, dat van de eerste-dags Ad­ventisten, en de groep en de boodschap van het negende uur, die van de Zevende-dags Ad­ventis­ten, samensmolten, omdat de boodschap van de eerstgenoemde groep in zichzelf van hemelse ontwerp was om de boodschap van de laatstge­noemde aan het licht te brengen. Voorts is het zo, dat, zodra de beëindiging van de pro­feti­sche “2300 dagen” (of “2300 avonden en morgens”) (Dan. 8:14) waren be­reikt in okto­ber, 1844, dat juist toen Daniël 8:14;  7:9, 10;  12: 10-12, tezamen met Open­ba­ring 14:6, 7 (de Eerste Engel Bood­schap in

20

  haar eerste fase) voor het eerst wer­den ver­kondigd door de Zevende-dags Adven­tis­ten “zeggende met een luide stem, vreest God en geeft Hem eer; want de ure van Zijn oor­deel is gekomen; en aanbid Hem Die de he­mel, en de aarde, en de zee, en de wa­ter­bronnen ge­maakt heeft.” Openb. 14:7. {WHR:19.3}

  Aldus begonnen de Zevende-dags Ad­ventis­ten In 1844 hetgeen zij “het onderzoekend oor­deel der doden” noemden te verkondigen, hetgeen in Bijbelse termen het uitwerpen van hen die niet het bruiloftskleed aanhebben (Matt. 22:11-13) betekent, Het buitensluiten van de dwaze maag­den (Matt. 25:10), de scheiding van de schapen en de bokken (Matt. 25:32, 33), de scheiding van de slechte “vissen” van de goe­de “vissen” (Matt. 13:48) — dit alles onder de doden. Tegelijkertijd betekende dit dat zij goed be­grepen dat het “de anti-typische dag der ver­zoening” moest zijn — De dag waar­op in de Boeken des Hemels de namen wor­den uitgewist van hen die hun levensloopbaan af­sloten ter­wijl ze in gebreke bleven de ge­schikt­heid te verwerven om op te komen bij de eer­ste opstan­ding, in de opstanding van de hei­ligen (Openb. 20:5, 6). Al deze aspecten zijn vervat in de woorden: “Dan zal het Hei­ligdom gereinigd wor­den.” Dan. 8:14. {WHR:20.1}

   Aangezien de reiniging van het Heiligdom ten behoeve van de doden noodzakelijkerwijs puur een verhandeling is dat in de boeken plaats­vindt, is dat de reden waarom het slechts plaatsvindt in het Hemelse Heiligdom. Vandaar dat de namen van hen die onwaardig bevonden zijn voor de “eerste opstanding” wor­den uitge­zift van de namen van hen die waardig zijn bevonden. Dat de boeken des He­mels met alle aspecten van het leven verhande­len wordt dui­delijk door Psa. 56;  69:28;  139:­16;  Dan. 12:1;  Mal. 3:16;  Fil. 4:3;  Openb. 3:5, enz. Vandaar dat de profetie openbaart dat toen “het oor­deel gezeten was, (…) de boeken geo­pend wer­den.” Dan. 7:10. {WHR:20.2}

21

 Aangezien de boodschap van het uur des oor­deels in karakter en belangrijkheid in de ge­hele kerkgeschiedenis de enige in haar soort is, aangezien het ook de enige pro­fe­tische boodschap is die moet weerklinken vol­gend op de boodschap van het zesde uur, kan niets ze­kerder zijn dan het feit, dat toen het in 1844 verkondigd werd, Gods gelij­kenis-uur­werk toen het negende uur aanduidde. {WHR:21.1}

  De groep van het negende uur in de gelijke­nis kan dus niemand anders zijn, dan de Ze­ven­de-dags Adventisten, die toen bezig waren te verkondigen dat “het oordeel zich had neerge­zet, en de boeken werden geopend” (Dan. 7:10), en dat een ieder toen, tijdens de an­ti-typi­sche Dag van Verzoening (of Grote Ver­zoen­dag) voor de doden, die gevonden zou wor­den onder de doden zonder dat hij zijn zonden beleden had (zonder dat hij zijn ziel veroot­moedigd of beproefd had, en zonder het bruiloftskleed aan) zou worden “afgesneden te mid­den van zijn volk.” Matt. 22:11-13;  Lev. 23:­29. In het kort, de boodschap verklaarde dat de scheiding in de vergadering der doden toen was begonnen. {WHR:21.2}

  Nu, daar de gelijkenis voor het eerst in het volle licht staat, kan niemand anders dan het oog dat op hopeloze wijze in een duister­nis als van het graf is uitgegaan, falen om dui­de­lijk te kunnen zien dat de boodschap die aan ons Zevende-dags Adventisten in 1844 was toe­vertrouwd, op het negende uur, niet de bood­schap van het elfde uur is, niet de bood­schap van het oordeel der levenden, maar eer­der slechts de boodschap van het oordeel der do­den. {WHR:21.3}

  Als toekomstige dienstknechten van God, laat een ieder hier, bij dit centrale punt van de gelijkenis, voor een ogenblik stil­staan om haar meest belangrijke les ste­vig in te pren­ten in het verstand zoals deze naar voren wordt gebracht in de nu volgende illu­stratie: {WHR:21.4}

22

shepherds-rod-white-house-recruiter-fay-of-labor

Het volgende beslissende waarheidspunt is dat het oordeel der doden zou worden verkon­digd aan “vele volken en natiën en talen en koningen,” Openb. 10:11. Let op het woord, “velen.” Het betekent nooit “alle,” en het betekent nooit “iedere.” Aangezien deze Bij­belvers de uitbreiding van de groep en de boodschap van het negende uur voor­zegt, zal het

23

een ieder die zorgvuldig onder­zoek pleegt naar hetgeen de Openbaring over het onderwerp te zeggen heeft, ruimschoots ver­goe­den. Waagt u het niet om (maar iets) aan het Woord toe te voegen of af te nemen. verge­lijk het dan met de volgende Schriftgedeelten, die de uitbreiding van de groep en de bood­schap van het elfde uur voorzeggen, en u zult de gehele waarheid met betrekking tot de af­slui­ting van het evangelie bezitten. {WHR:22.1}

  Nu de tijd uiteindelijk aangebroken is voor de Heer om Zijn dienstknechten van het elfde uur aan te werven, heeft deze onschatbare ge­lijkenis zich ontvouwd, en nu voor de eer­ste keer duidelijk wordt gezien dat terwijl het oordeel der doden verkondigd moest worden aan vele natiën en volken, dat het oordeel der levenden zal worden verkondigd aan alle natiën en aan elk volk op aarde. Hier volgt wat In­spiratie Zelf zegt: {WHR:23.1}

  “En ik zag een andere engel in het midden des hemels vliegen, hebbende het eeuwig evan­gelie om die te verkondigen aan hen die op de aarde wonen, en aan alle natie en stam en taal en volk, zeggende met een luide stem: Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem, Die de hemel en de aarde en de zee en de water­bronnen gemaakt heeft. Openb. 14:6, 7, KJV. {WHR:23.2}

  Dat de dienstknechten van de oproep van het elfde uur — zij, die zijn “ontkomen,” die niet zijn “afgesneden” (Lev. 23:29), terwijl “het huis Gods” wordt geoordeeld (1 Petr. 4:­17), zullen worden uitgezonden naar alle na­tiën, verklaart de profeet Jesaja: {WHR:23.3}

  “Want zie, de HERE zal komen als vuur en Zijn wagens zullen zijn als een storm, om Zijn toorn te openbaren en Zijn dreiging in vuurvlammen. Want te vuur en

24

  te zwaard zal de HERE gericht oefenen over al wat leeft, en de door de HERE verslagenen zullen tal­rijk zijn. (…) En Ik zal onder hen een teken doen en Ik zal uit hen de ont­komenen zenden naar de natiën — naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Ja­wan, de verre kust­landen, die de tijding aan­gaande Mij niet heb­ben gehoord noch Mijn heerlijk­heid hebben ge­zien — opdat zij Mijn heer­lijkheid onder de heidenen verkondigen. En zij zullen al uw broeders brengen uit alle volken als een of­fer voor de HERE; op paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle ka­me­len, naar Mijn heilige berg, naar Jeruza­lem, zegt de HERE, zoals de Israëlieten het offe­r in rein vaatwerk naar het huis des HE­REN bren­gen.” Jes. 66:15, 16, 19, 20. {WHR:23.4}

  Met deze ernstige woorden waarschuwt de Heer dat de slachting (Het anti-typische Pascha — Testimonies, Vol. 5, pp. 505, 211{ Getuigenissen, Deel 5, blz. 413, 173}; Testimonies, Vol. 1 {Getuigenissen, Deel 1}, pp. 190, 198) zal plaatsvinden onder hen die tot het huis Gods behoren, de kerk, want de ontkomenen worden naar de heidenen gezonden die tot nu toe nog niet van Gods tijding en van Zijn heerlijkheid hebben gehoord. Klaar­blijkelijk zullen de engelen die deze slachting ten uit­voer brengen de onrechtvaar­digen van de kerk wegnemen — zij, die in de figuur­lijke zin worden aangeduid als de slechte “vissen” en in een ander geval als “gasten” die “het brui­loftskleed” niet aan­heb­ben. {WHR:24.1}

  Laat elke ernstig gezinde lezer hier stil­staan om te overpeinzen wat Inspiratie zegt: De verzen 19 en 20 verklaren dat zij, die ont­komen aan de slachting van de verzen 15 en 16, zullen worden uitgezonden als zendelingen naar de heidenen, die God nog niet kennen. Vandaar, dat de ontkomenen (de overgebleve­nen), Gods rest zijn, Zijn eerste vruchten van de oogst, Zijn smetteloze dienstknechten, de 144.000 — de uitverkorenen. En alleen zij, géén anderen, verklaren de Schriften, zullen al hun broeders brengen uit alle natiën, in een rein vat (of rein vaatwerk) in het gereinigde huis van de Heer — Zijn Witte Huis. Hetgeen meer is, geen enkel juist den­kend verstand kan zelfs zich een voorstelling maken van de moge­lijkheid dat er met geen ­min­der heilige en geduchte of

25

 ont­zagwekkende agentschap dan met zo’n mach­tige groep bedie­naren — een groep die ont­snapte aan de zonde, zondaren, en het oor­deel — de Here het werk kan en zal beëindi­gen, en “het in gerechtigheid afsluiten” (Rom. 9:28), waardoor Hij Zijn volk zal redden van de vre­selijke storm dat op het punt staat los te barsten over de aarde, haar geselend over haar lengte en breedte. {WHR:24.2}

  Grimmig als hij is, weet Satan dit. Hij weet dat zijn tijd kort is en dat het angst­vallig korter wordt. Hij weet dat deze ge­trouwe die­naren spoedig naar voren zullen treden en het tegen hem zullen opnemen. Hij weet dat het zijn Waterloo zal zijn. Vandaar zijn meest verwoede poging om hen uit te scha­kelen. Per slot van rekening er ach­ter komend dat hij dat niet voor elkaar kan krij­gen, zal het zijn vastbesloten doel zijn, om de tijd der be­nauwdheid zoals nooit eerder ge­weest was (Dan. 12:1), teweeg brengen, in de hoop om allen te vernietigen. {WHR:25.1}

  Het was een soortgelijke massa-moord-metho­de die hij toepaste in de dagen van Farao, toen hij de Hebreeuwse kinderen van het man­nelijk geslacht liet verdrinken (Exo. 2:22), in de hoop Mozes te doden; en wederom in de da­gen van Herodes, in het op duivelse wijze doden van de kinderen “van twee jaar en daar­beneden” (Matt. 2:16), in de hoop om Christus te doden. Maar zoals God de Zijnen toen be­waarde, zal Hij op gelijke wijze ook heden ten dage de Zijnen sparen; Michaël, de grote Vorst en Ver­losser, zal opstaan (Dan. 12:1) voor allen die voor Hem opstaan, en wiens namen als gevolg daarvan blijven staan in het Boek des Levens, en (Hij) zal hen op glorieu­ze wijze redden. Deze twee gezichtspun­ten van de strijd — Sa­tans doel om Gods uit­verkore­nen te ver­nieti­gen, en Michaëls’ doel om hen uit te red­den — brengt “de grote en vrese­lijke dag des HEREN” teweeg. {WHR:25.2}

26

Alhoewel het nieuw geopenbaarde licht der Waarheid dat nu op het onderwerp schijnt voor ons allen nieuw is, is het na­tuurlijk niet nieuw in de Bijbel. Om ons goed wak­ker en waakzaam te hou­den met betrekking tot de voortschrijdende ontvouwing van de Waar­heid, heeft de Geest van God door de jaren heen onze aandacht getrokken door ons te be­palen bij de nu vol­gende citaten: {WHR:26.1}

  “Wonderbare moge­lijkheden staan open voor hen, die beslag leggen op de goddelij­ke verze­keringen van Gods woord. Er zullen heerlijke waarheden verschijnen voor het volk van God. Voor­rechten en plichten waarvan zij niet eens ver­moeden dat die in de Bijbel zijn, zul­len voor hun worden opengelegd. Naargelang zij voort­gaan op het pad van nederige gehoor­zaam­heid, Zijn wil doende, zullen zij steeds meer te weten komen van de Godsspra­ken.” (Testi­monies, Vol. 8 {Getuigenissen, Deel 8}, p. 322.) {WHR:26.2}

  “Wij spreken van de eerste-engel boodschap en van de tweede-engel boodschap, en wij den­ken dat wij enig begrip hebben van de derde-engel boodschap. Maar zolang wij ons tevreden stel­len met een beperkte kennis, zullen wij onbe­kwaam zijn om meer heldere inzichten van de waarheid te verkrijgen.” (Gospel Wor­kers {Evangeliewerkers}, p. 251.) {WHR:26.3}

  “Er zijn nog genoeg kostbare waarheden die zullen worden geopenbaard aan het volk in deze tijd van valstrikken en duis­ternis, maar het is Satans’ vastbesloten voornemen om te voorkomen dat het licht der waarheid in de harten der mensen schijnt. (…) Kostbare waarhe­den die lange tijd verborgen waren zul­len worden geopenbaard in een licht dat hun heili­ge waarde zal ten toon spreiden; want God zal Zijn woord verheerlijken, zodat het zal ver­schijnen in een licht waarin wij het nog nooit hebben aan­schouwd.” —Testimonies on Sabbath School Work {Getuigenissen over Sabbatschoolwerk}, p. 6; Counsels on Sab­bat School Work {Adviezen over Sabbatschoolwerk}, p. 25.) {WHR:26.4}

27

 “(…)Wij moeten niet verwachten dat wan­neer God licht heeft voor Zijn volk, dat Satan rustig zal blijven toekijken zonder pogingen te doen het volk ervan te weerhouden om het licht te ontvangen. Hij zal de gedach­ten van sommigen beïnvloeden teneinde wan­trouwen, jaloezie en ongeloof op te wekken. Laten wij op onze hoe­de zijn om niet het licht te weigeren dat God tot ons zendt, om­dat het niet op een manier tot ons komt die ons bevalt. Laat Gods zegen niet van ons wor­den afgewend omdat wij de dag van onze bezoe­king niet kennen. Indien er enigen zijn die voor zichzelf het licht niet zien, laten zij dan niet in de weg staan van ande­ren. Laat van dit meest bevoorrechte volk niet gezegd worden, zoals er gezegd werd van de Joden toen het goede nieuws van het koninkrijk aan hen verkon­digd werd: ‘zelf zijn zij niet bin­nengegaan, en hen, die trachtten bin­nen te gaan hebben zij tegenge­hou­den.’ (Luk. 11:­52.)”–Tes­timonies, Vol. 5, p. 728 {Getuigenissen, Deel 5, blz. 592, 593}. {WHR:27.1}

  Wij weten allen, dat de profetieën het licht des Hemels voor onze voeten zijn. Als wij in gebreke blijven om onze ogen en harten voor hen te openen ten tijde dat de Heer zou wil­len dat wij profijt zouden hebben van de ont­vou­wing van de Boekrol, hoe zullen wij dan kun­nen ontkomen aan het feit te zijn als de blinde die de blinde leidt? {WHR:27.2}

  Broeders, voor uw eigen best wil, ga niet achteloos voorbij aan deze zaak dat met le­ven en dood te maken heeft, want, zoals u hebt waargenomen, verlicht het licht dat op het onderwerp schijnt het feit dat, volgend op de groep en de boodschap van het negende uur, er eerst een toevoeging moest komen bij de bood­schap, de verzegelde dienstknechten — de meest gewichtige boodschap van het oordeel der levenden, en de meest krachtige dienst­knech­ten, de “ontkomenen,” die eerder naar “alle natiën” zullen gaan, dan naar “vele.” De eer­ste verzekering dat er een toegevoegde bood­schap aan de Derde-engel Boodschap zou zijn, kwam tot ons in de volgende woorden: {WHR:27.3}

  “Ik zag engelen heen en weer snellen in de hemel, zag hen nederdalen

28

naar de aarde, en wederom opstij­gen naar de hemel, voorbereid­selen makende voor het plaatsvinden van een belang­rijke gebeurte­nis (vervul­ling). Toen zag ik een andere machti­ge engel, die last kreeg om naar de aarde af te dalen, en zijn stem te voegen bij die van de derde en­gel, en kracht en nadruk aan diens boodschap bij te zet­ten. (…) Deze bood­schap scheen een toe­voeging aan de derde boodschap te zijn en ermede sa­men te gaan, gelijk de midder­nacht­roep samen­ging met de boodschap van de tweede engel in het jaar 1844.”–Early Writings, p. 277{Eerste Geschrif­ten, blz. 331, 332.} {WHR:27.4}

  Het is dus duidelijk dat het de dienst­knecht van het elfde uur is, met de toege­voegde bood­schap, de boodschap van het oor­deel der leven­den, die Gods volk uit Babylon redt. Inder­daad, niet eerder dan wanneer de kerk zelf is bevrijd geworden van de huiche­laars en de gru­welen, en aldus wit en rein gemaakt is, kan God op morele wijze Zijn Geest met de kracht van Pinksteren uitstorten op Zijn volk, en de roep doen weerklinken: “komt uit haar Mijn volk, zodat gij geen deel­hebbers zijt van haar zonden, en dat gij niet van haar plagen ont­vangt.” Openb. 18:4. {WHR:28.1}

  Merk op dat de Stem die Gods volk uit Baby­lon roept, duidelijk laat blijken dat er geen zonde is in de plaats waar de Stem hen heen roept. Voorts is het zo, dat het geen blijk van recht­vaardigheid zou zijn om hen uit Ba­by­lon te roepen, ten einde hen te redden van de plagen die over haar zullen komen vanwege haar zonden, als de uitgeroepen overgebracht zouden worden in een andere plaats waar zonde heerst. Het loon van de zonde zou niet meer of minder schade kunnen aanrichten in de ene zon­dige plaats dan dat het dat in een andere zon­dige plaats zou doen. {WHR:28.2}

  Van deze zich nu ontvouwende Schriftgedeelten wordt ook duidelijk waargenomen, dat de boodschap van het oordeel der levenden een laatste van de Hemel gezonden toevoeging van blijde berichten voor de heiligen is, en van droevige berichten voor de zondaren. Vandaar dat het zal worden verkondigd door smetteloze dienstknechten, de 144.000 –DE DIENSTKNECH­TEN VAN HET ELFDE UUR: {WHR:28.3}

29

 Tot dusver wordt duidelijk aange­toond dat deze laatste oproep op het laatste uur van de gelijkenis dag komt, juist voordat het evangeliewerk tot een afsluiting komt. Aange­zien het de laatste genadeboodschap voor de wereld is, en ook de laatste oproep voor dienstknechten, moet het daarom worden ge­bracht door Elia, de profeet, door hem die verschijnt, juist voor “de grote en vreselij­ke dag des HEREN.” Mal. 4:5;  Matt. 17:12. (KJV., Matt. 17:11.) Dienovereenkomstig, moe­ten de dienstknechten van het elfde uur tot het werk geroepen worden door hem gedurende de tijd waarin hij de dag des Heren aankon­digt, de dag waarop de Heer Zijn wan in Zijn hand neemt (Matt. 3:12;  5 Testimonies, p. 80;  Testimonies to Ministers, p. 373), en “Zijn dorsvloer” grondig reinigt — het kaf wegbla­zend en het onkruid verbrandend. Wan­neer Hij eenmaal het tarwe in Zijn “graan­schuur” (Matt. 13:30) ge­plaatst heeft, in Zijn Ko­ninkrijkkerk, blijft het altijd zon­der on­kruid, en voortaan “een stralende ge­meente, (…) zonder vlek of rimpel of iets derge­lijks; zodat zij heilig is en onbesmet. Efe. 5:27. Inderdaad Gods’ Witte Huis! (Zie, Jes. 52:1;  Joël 3:17, en Nahum 1:15.) {WHR:29.1}

  In andere gelijkenisbewoordingen, is de “grote en vreselijke dag des HEREN” Zijn uit­werping van de slechte “vissen” en het plaat­sen van “de goede in vaten.” Matt. 13:47, 48. Het is de dag waarop Hij “de schapen aan Zijn rechterhand, maar de bokken aan de linker­hand” plaatst. Matt. 25:33. Het is de oor­deelsdag der levenden, de reiniging van het heiligdom op aarde — het werk dat de kerk reinigt en haar “wit” maakt (Dan. 12:10;  Mal. 3:1-3). {WHR:29.2}

  Het is waar dat wij Zevende-dags Adventis­ten tot dusver de aanvullende aspecten of ge­zichtspunten van het oordeel niet geweten en geleerd hebben, maar louter vanwege het feit dat Waarheid altijd tijdig is, doordat zij zich al­tijd ontvouwt naargelang de tijd voortschrijdt. Vandaar dat onze kennis van de ene fase van de boodschap wordt opgevolgd door Gods openbaring van een andere fase ervan. Hoe blij en verlangend

30

zouden wij dan moeten zijn om gelijke tred te houden met de ontvouwing van de Boekrol, zoals wij ge­lijke tred houden met de tijd. En hoe ver­heugd zou­den wij moeten zijn om te weten dat God ons niet verlaten heeft, maar wederom “Zijn kud­de, het huis van Juda, bezocht heeft, en hen ge­maakt heeft als Zijn goede paarden in de strijd.” Zach. 10:3. {WHR:29.3}

  Nu, daar de Tijd en de Waarheid de armen in elkaar gehaakt hebben en samen voortsnellen, moeten ook wij snel inhaken en volgen. Wij kunnen het ons niet veroorloven de fouten die de Joden en de naamkerken gemaakt hebben te herhalen, en aldus achter gelaten worden (Cou­nsels on Sabbath School Work {Adviezen over Sabbatschoolwerk}, pp. 28-30; Testimonies, Vol. 5 p. 728 {Getuigenissen, Deel 5, blz. 592,593}). Laat ons het niet wa­gen. Wij moeten het niet doen. {WHR:30.1}

  De bewoordingen: inspecteren, reinigen, zui­veren, afsnijden, uitwerpen, oordelen, oogsten, en scheiden, enz., van hen wordt nu ge­zien dat zij algemene synoniemen zijn, die allen heen wijzen naar één gebeurtenis — het komen van de Heer tot “Zijn tempel” (kerk) om Zijn levende heiligen te reinigen. Hij heeft Zijn werk op verscheidene manieren geïllustreerd: ten eerste, als het scheiden van het onkruid van tussen de tarwe (Matt. 13:30); vervolgens, als het scheiden van slechte vis­sen van tussen goede vissen (Matt. 13:48); dan, als het scheiden van schapen van tussen bokken (matt. 25:32); wederom, als het uit­wer­pen van hen die falen het bruiloftskleed aan te doen (Matt. 22:12, 13); en tenslotte, als het uitwerpen uit het gastenvertrek of de brui­loftszaal (de kerk) van hen die in gebre­ke blijven de hun gegeven talenten te verme­nig­vuldigen (Matt. 25:28-30). Dit op ver­schil­len­de wijze uitgebeelde gerechtelijke werk (het beheersende begrip van Christus’ gelij­kenis­sen betreffende het Koninkrijk), verge­lijkt de Heer met een “{verfijnders of} smelters vuur” met “loog van de blekers,” en met een “reini­ger van zilver.” Mal. 3:2, 3. {WHR:30.2}

  Aldus, is het duidelijk te zien dat de geestelijke “oogst” precies gelijk is aan de natuurlijke oogst — beiden scheiden zij hun graan van het onkruid en het kaf, het goede van het slechte. In de woorden van Daniël, is het “het oordeel,” of de

31

tijd wan­neer “het Heiligdom” zal “worden gereinigd (Dan. 8:14.); in de woorden van de Apostel Petrus, is het “oordeel (…) bij het huis van God” (1 Petr. 4:17); In de woorden van Johannes de Openbaar­der, is het “de ure van Zijn oordeel” (Openb. 14:7); en in de woorden van de profeet Malea­chi, is het “de grote en vreselijke dag des HEREN” (Mal. 4:5); “De HEER zal spoedig tot Zijn tempel komen” (Zijn kerk) om te rei­nigen als met “vuur,” om te wassen als met “loog of zeep der blekers,” en om te “reinigen (…) als goud en zilver” “de zonen van Levi” (mal. 3:1-3) — de priesters van het Heiligdom tij­dens het elfde uur. {WHR:30.3}

  Met ruim meer dan twee miljard stervelingen die rijp zijn of rijpen in de grote oogst­veld, mogen wij terecht de omvangrijkheid van de oogst in beschouwing nemen. De Heer Zelf be­vestigt: “De oogst is waarlijk groot, maar de arbeiders zijn er weinig,” Matt. 9:37. Meest vreselijk, echter, zijn de gevolgen ervan voor het onkruid en het kaf, wanneer de gewaarwor­ding dat zij verloren zijn over hen zal komen, en in doodsangst of afgrijzen zul­len uitroe­pen: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered!” Jer. 8:20. {WHR:31.1}

  Aldus bewijs bij bewijs voegend, tonen de Schriften op overvloedige wijze aan dat de oogst het oordeel der levenden is, het bijeen- vergaderen van de “tarwe” door de Heer, de Zijnen, uit alle natiën, en Zijn vernietiging van het onkruid en het kaf. Daarom, is de oogst waarlijk “het einde van de wereld.” Het is de tijd waarin de Heer zit “op de troon Zijner heerlijkheid” (de gereinigde kerk — Matt. 25;31;  Jes. 62:1-3;  66:18, 19). Het is de scheiding die Hij bewerkstelligt tussen de schapen en de bokken — het werk dat deze zon­dige wereld tot een einde brengt. {WHR:31.2}

  Laat ons echter niet vergeten dat er een  vijand is die

32

 vastbesloten is om Gods volk in duisternis te houden, in onwe­tend­heid be­tref­fende tijdige Waarheid. (Zie Tes­ti­monies, Vol. 5, pp. 709, 728{Getuigenissen, Deel 5, blz. 577, 592}). En in wat voor grote­re schade­veroorzakende duisternis zou hij kunnen trachten om hen te houden, dan in on­we­tend­heid betreffen de dingen die God wil dat zij die zouden weten, terwijl het oordeel nog bezig is, terwijl zij worden gewogen in de weeg­schaal van het Heiligdom? Geen enke­le, absoluut geen. {WHR:31.3}

  Dus moet verwacht worden dat nu, meer dan ooit, wij allen te maken zullen krijgen met de hevigste tegenstand. Zogenaamde mannen van naam, zullen, optredend als waanzinnigen, haastig overal verwarring verspreiden. Dit zullen zijn doen door vooroordeel op te wek­ken, door het verhogen van theorieën zonder grondslag, door het vervaardigen en propage­ren van valsheid, door het uiten van spot en het bela­che­lijk maken, door het verhandelen van roddel en praatjes, en door het deelnemen aan het in-een-slecht-daglicht-stellen van ande­ren. Maar niets van dit alles zal hen voor ogen staan wiens vesting de HERE is, en die gehoor geven aan Zijn onschatbare, kost­bare, inspirerende raadgeving in het nu vol­gende ci­taat: {WHR:32.1}

  “Weest niet ongelovig. Hoe meer u geduwd of verdrongen, verkeerd begrepen, vals geïnter­preteerd, verkeerd voorge­steld wordt, des te meer bewijs hebt u dat u een werk voor de Meester doet, en des te meer moet u zicht vastklampen aan uw Verlosser.” —Tes­timonies, Vol. 8{Getuigenissen, Deel 8}, p. 130. {WHR:32.2}

  “Allen die in die boze dag getrouw God zul­len dienen overeenkomstig de voorschriften van het geweten, zullen moed, stand­vastigheid, en kennis van God en Zijn woord, nodig hebben; want zij die trouw aan God zijn zullen worden vervolgd, hun motieven zullen worden betwist of in twijfel worden getrokken, hun beste po­gingen verkeerd worden begrepen, en hun namen zullen door het slijk worden gehaald.” —Gospel Wor­kers {Evangeliewerkers}, p. 264. {WHR:32.3}

33

“‘De toorn der mensen zal U lof­prij­zen,’ het overblijfsel des toorns zult Gij bedwingen.’ (Ps. 76:11.) God bedoelt dat toet­sende waarheid naar voren gebracht zal worden, en zij zal een onderwerp van onder­zoek en dis­cussie worden, zelfs als het ge­schiedt door de misachting die op haar gelegd wordt. Het ver­stand der mensen moet beroerd worden. Elke strijd, elke blaam of verwijt, elke belas­te­ring, zal een middel van God zijn om de nieuwsgierigheid op te wekken, en om geesten te verkwikken of te doen ontwaken die anders zouden sluimeren.” — Tes­ti­monies, Vol. 5, p. 453 {Getuigenissen, Deel 5, blz.371}. {WHR:33.1}

  Alles wat kan worden gedaan tegen Gods boodschap van vandaag zal worden gedaan met zelfs groter geweld dan aan de dag werd ge­legd tegen de boodschap van de Hemel in de dagen van de eerste komst van Christus, want de Dui­vel weet dat als hij nu verliest, hij voor eeuwig verliest — dat hij geen andere kans zal hebben. Zonder weerga, is daarom de aan­drang dat elke kerklid van het elfde uur nu met spoed en grondig zichzelf versterkt tegen de poging van de Vijand om een doodsklap toe te dienen. Ook moeten wij op onze hoede zijn, dat de klap bij verrassing zal komen van on­verwachte vijanden — van belijdende vrienden van het evangelie, die niet minder vroom of godvruchtig zijn dan de priesters in de dagen van Christus. Bovendien, moet ook worden ver­wacht dat de Tegenstander alle mogelijke mid­delen zal inzetten om te voorkomen dat de Heer Zijn 144.000 dienstknechten der eerste vruch­ten die nu aan het gezicht onttrokken zijn, naar voren doet treden, die de tweede vruch­ten (O­penb. 7:9) zullen bijeen vergaderen. De Vijand zal alles uitproberen om de Waarheid te ver­warren, te benevelen, en te bedekken, in het bijzonder wat het onderwerp van de 144.000 betreft. {WHR:33.2}

  Deze 144.000 “dienstknechten van God,” die de eerste aanwas van de oogst zijn, worden “eerste vruchten” of “eerstelingen” genoemd. En aangezien zij allen “uit al de stammen van de kinderen van Israël” zijn (Openb. 7:4), worden zij noodzakelijkerwijs geoogst van het Israël dat nu is — de Kerk Zelf. Terwijl de

34

 grote schare die niemand tellen kan, later wordt geoogst van “alle natiën” (Openb.7:9) over wie de hoer, het Grote Baby­lon, dan re­geert. Dat zij regeert wordt sym­bo­lisch aan­getoond doordat zij rijdt op (re­geert over) het scharlakenrood beest — het volgende en laatste symbool van deze wereld (Openb. 17;  18:1-4). Deze uitgeroepenen zijn ongetwijfeld de tweede vruchten: want volgens de telregel moet er, wanneer er sprake is van een eerste, een tweede op de voet volgen. {WHR:33.3}

  Dus, door de bemiddeling van de 144.000 dienstknechten der eerste vruchten, de bedie­naren van het elfde uur, zal de Geest van God maken dat de Drie-engelen Boodschappen zullen aanzwellen tot een Luide Roep tijdens de oogst, en zal Hij “de schoven van het goede” “inzamelen van de akker der zonde” uit alle natiën — die grote schare der tweede vruch­ten die tot nog toe niet van Gods tijding hebben gehoord, noch Zijn heerlijkheid hebben gezien (Jes. 66:19, 20). Wat een majestueuze voor­recht, Broeders! Zou hij die het, voor welke reden dan ook, zou versmaden, niet terecht als een bedelaar bij de overeenkomst moeten sterven? {WHR:34.1}

  Met de afgeronde boodschap van het oordeel tijdens het elfde uur, zullen de engelen het volk van God scheiden van het volk van de we­reld. En exact hierover, gaf Inspiratie in het verleden de volgende verklaring: {WHR:34.2}

       “Toen zag ik de derde engel. Mijn begelei­dende engel zei: ‘Ontzagwekkend is zijn werk. Vreselijk is zijn opdracht. Hij is de engel die de tarwe van het onkruid moet scheiden, en de tarwe moet verzegelen, of binden, voor de hemelse graanschuur. Deze dingen moeten het gehele verstand, de gehele aandacht in beslag nemen.” (“Early Writings”, p. 118/ “Eerste Geschriften”, blz. 135, 136.) {WHR:34.3}

  Dus, zullen allen die in dit late uur ge­hoor geven aan de oproep van de Geest, feite­lijk tot het besef komen dat zij

35

geen tijd te ver­spillen hebben in het krijgen en beste­den en in het verspillen van hun krachten; dat geen tijd verspild moet worden aan niets. Hun eni­ge doel zal zijn om de hun opgedragen taak te beëin­digen door Hem Die hen oproept om aan het werk te gaan in Zijn wijn­gaard. Zij zul­len het zich ten volle bewust zijn dat er een stad voor hen bereid is, een stad wiens bou­wer en maker God is, en dat ten slotte, daar­in, hun gehele we­zen ver­rukt zal zijn tot de triom­fantelijke uitroep: {WHR:34.3}

  “De machtige God, de HERE, heeft gesproken, en riep de aarde vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat. Uit Sion, de volkomen schoonheid, God had geschenen. Onze God zal komen, en zal niet zwijgen; een vuur zal vóór Hem verteren, en rondom Hem zal het geweldig stormen. Hij zal roepen tot de hemelen daar­bo­ven, en tot de aarde, zodat Hij Zijn volk kan richten: Verga­dert Mij Mijn heiligen (of gunst­genoten); zij, die met Mij een verbond gesloten hebben door offers. En de hemelen zullen Zijn ge­rech­tigheid verkondigen: want God Zelf is rech­ter. se­la.” Ps. 50:1-6 {KJV}. {WHR:35.1}

  “Groot is de HERE, en hoog te lo­ven in de stad van onze God, op de berg Zij­ner heilig­heid. Schoon door Zijn verhe­venheid, de ­vreug­de van de ganse aarde, is de berg Sion, ver in het noor­den, de stad van de grote Ko­ning. God doet in haar pa­leizen Zich kennen als een burcht. Want zie, koningen kwa­men bij­een, zij trokken geza­men­lijk op. Zodra zij het zagen, stonden zij ontzet, zij werden ver­schrikt en vlucht­ten weg. Beving greep hen daar aan en pijn als van een vrouw in barens­nood. Door de oos­ten­wind verbreekt Gij de schepen van Tar­sis. Ge­lijk wij gehoord hadden, zo za­gen wij het, in de stad van de HERE der heer­scha­ren, in de stad van onze God. God zal haar voor altoos beves­tigen. Sela. {WHR:35.2}

36

 “Wij hebben gedacht, o God, Uw goe­der­tie­renheid in het midden van Uw tem­pel. Gelijk Uw naam, o God, zo is Uw lof tot aan de einden der aarde; Uw rech­ter­hand is vol van gerech­tigheid. Laat de berg Sion zich ver­heu­gen; laten de dochters van Juda juichen om Uw ge­richten. Gaat rondom Sion en trekt om haar ­heen; telt haar torens, richt uw aan­dacht goed op haar bolwerken, neemt haar pa­leizen in beschou­wing; opdat gij het aan het volgende ge­slacht kunt ver­tellen. Want deze God is onze God, voor eeuwig en al­toos; tot de dood toe zal Hij onze Leidsman zijn.” Psalm 48:2-15. {WHR:36.1}

  Omdat de tijd en het evangelie op hun climax-uur zijn, en het werk daarom van bovenzinne­lijke omvang, uitbreiding, en belang is, en toch van uiterst korte duur, heeft God de mens geïnspireerd om tijd- en arbeidsbesparende, wonderen-verrichtende, aarde beheersende, gereedschappen en machines van allerlei soort, uit te vinden — bewonderenswaardigheden die het voorstellingsvermogen van de vo­rige gene­raties versteld zouden hebben doen staan, en hun geloofwaardigheid armoedig {hebben} doen lijken, ondanks het feit dat eeuwen te voren “de Hoge en Verhevene, Die in eeuwigheid troont” (Jes. 57:15), verklaart: “Maar gij, Daniël, sluit de woorden toe, en verzegel het boek, namelijk tot de tijd van het einde; velen zullen heen en weer snellen, en kennis zal toenemen.” Dan. 12:4 {KJV}. {WHR:36.2}

       Het feit dat deze gelijkenis van het Ko­ninkrijk aldus nu voor het eerst volledig voor inzage openstaat vanaf dat Christus het uit­sprak, is in zichzelf een onbetwistbaar feit dat de slag van het elfde uur op het punt staat gehoord te worden, zelfs tot de vier hoeken van het kompas.

       Hoe vindt deze Waarheid de Laodiceeërs, de laatste van de “zeven kerken” waarin de tarwe en het onkruid, de schapen en de bokken, de goede en de slechte vissen vermengd zijn? {WHR:36.3}

37

Helaas, in de houding van zelfgenoegzaamheid, zichzelf rijk en verrijkt wanend en niets meer nodig hebbende, terwijl in tragische waarheid de Heer met nadruk verklaart dat zij “ellendig, jammerlijk, arm, blind en naakt” zijn — aan alles behoefte hebbend, en toch zijn zij onwetend betreffende hun gevaarlijke armoedige toestand (Openb. 3:14-18). Zij zijn zelfs verstoken van de kennis dat het oordeel der levenden, niet dat der doden, de laatste boodschap is, en dat alleen zij die gehoor geven aan de oproep van het elfde uur gespaard zullen worden bij de scheiding, en dat zij het zijn die de laatste groep dienstknechten zullen vormen met de laatste boodschap. Wat zijn wij ëës tot zover toch blind. Hoe nauwkeurig is de diagnose van de Heer. Hoe ernstig de toestand. Laten wij allen, daarom, meteen met alle ernst onszelf de ernstige vraag stellen: {WHR:37.1}

       Wanneer uiteindelijk het oordeel overgaat van de doden naar de levenden, aldus er voor zorgdragend dat de eerste face van de Eerste Engel Boodschap (het oordeel der doden) verouderd doordat het afgelopen is, wat voor tijdige Waarheid zal de kerk dan voor zichzelf en voor de wereld hebben? Wat, inderdaad, indien zij niet nu juist de boodschap van tegenwoordige Waarheid aanvaardt en beoefend, de laatste face van de Eerste Engel Boodschap, die tegenwoordig het heimelijk naderbij sluipende oordeel over de levenden aankondigt, en die aan de deur van het hart van een ieder klopt? {WHR:37.2}

       Tragischer wijs, zullen zij die nu in gebreke blijven om hun kruiken (Matt. 25:1-4) te vullen met deze extra olie (de toegevoegde waarheid — de waarheid van het oordeel der levenden) die van de gouden schaal (Zach. 4) vloeit, uiteindelijk zien dat hun lampen voor altijd uitgaan als een druipende kaars. Och, in wat voor een ontsteltenis zullen zij dan naar de kostbare gouden olie zoeken! En met wat voor een oneindig groter vurig verlangen dan dat zij nu zoeken naar goud en aanzien! Maar, helaas, zoals Ezau, ook al zullen zij het “zorgvuldig onder

38

tranen” zoeken, zullen zij “geen plaats vinden voor berouw:” Zij kopen hun olie te laat. De deur is gesloten wanneer zij haar bereiken. En als antwoord op hun uitzinnig geklop erop horen zij het schrikaanjagende antwoord: “Ik heb u nooit gekend.” Matt. 7:23. Dan is de oogst van de eerste vruchten voorbij, de vruchten zijn binnen gehaald, en het onkruid is buitengesloten om te worden vernietigd, om daar in zielsangst te wenen en hun tanden te knarsen: “De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” Jer. 8:20. {WHR:37.3}

       “De tijd van het Oordeel is de meest ernstige periode, wanneer de Heer de Zijnen temidden van het onkruid verzamelt. Zij die leden zijn geweest van hetzelfde gezin worden gescheiden. Een merkteken wordt op d rechtvaardigen geplaatst.” Testimonies to Ministers, p. 234. {WHR:38.1}

       “(…) De zuiver aar en het kaf zullen niet langer vermengd zijn.” — Testimonies to Ministers, p. 236. {WHR:38.2}

       “(…) De kerk zal worden gevoed met manna uit de hemel, en zal worden bewaard onder de louter bescherming van Zijn genade. Gekleed in de volledige wapenrusting van licht en gerechtigheid, treedt zij haar laatste strijd tegemoet. Het waardeloze materiaal zal worden verteerd, en de invloed van de waarheid getuigt aan de wereld van haar heiligende karakter. (…)” Testimonies to Ministers, p. 17, 18. {WHR:38.3}

       Om Zijn “juwelen” (Mal. 3:17) te beschermen tegen verderf, terwijl Hij hen opmaakt, plaats Hij hun in een Huis, wit en rein, gescheiden van de valsen — de huichelaars. Dit doet Hij aan het einde van de gelijkenis-dag. {WHR:38.4}

39

De dienstknechten van het elfde uur zijn dus de eersten die hun beloning zullen ontvangen — de “schelling.” Zij leven voort om hun Heer te ontmoeten; om Hem het aanmoedigende eerbewijs te horen uitspreken: “Wel gedaan, gij goede en getrouw dienstknecht; (…) treed binnen in de vreugde van uw heer” Matt. 25:21. “En te dien dage zal gezegd worden: Ziet, deze is onze God, wij hebben op Hem gewacht, en Hij zal ons redden: deze is de Heer, wij hebben op Hem gewacht, wij zullen ons verblijden en ons verheugen in Zijn verlossing.” Jes. 25:9 {KJV}. Terwijl de dienstknechten van de vorige oproepen in de graven wachten om op te komen op de opstandingmorgen om zich te voegen bij het zich verplaatsende zangkoor, en om hun beloning van een schelling — het eeuwig leven, te ontvangen. Aldus “zullen de laatsten de eersten, en de eersten de laatsten zijn” (Matt. 20:16) — de laatste groep, de dienstknechten van het elfde uur, worden het eerst betaald, en de dienstknechten van de voorgaande oproepen worden het laatst betaald. {WHR:39.1}

       Allen die deze bladzijden tot dit punt zorgvuldig hebben gelezen, zijn zich zeker van het feit bewust geworden dat zelfs deze zeer beperkte voorstelling van de “toegevoegde boodschap” — die van het oordeel der levenden, in zichzelf geweldige “kracht en nadruk” geeft aan de Drie Engelen boodschappen (Early Writings, p. 277). Maar op welke wijze zal zij kracht en nadruk aan hen geven? — ten eerste door de eertijds niet geopenbaarde aspecten van het Oordeel aan het licht te brengen, en dan daaropvolgend door het bevrijden van Gods volk van zowel de zonde als van zondaren, daardoor tot stand brengend de langverwachte gereinigde kerk “die opgaat als de dageraad, schoon als de maan, stalend als de zon en geducht als een leger met banieren.” Hooglied 6:10, {KJV}; Prophets and Kings, 725 {Profeten en Koningen, 445.} Inderdaad, een waarachtige krachtcentrale! {WHR:39.2}

       Aldus “gekleed in de volledige wapenrusting van licht en gerechtigheid, treedt zij haar laatste strijd tegemoet,” “gepolijst om te

40

 schijnen als een embleem van de hemel, de velle heldere lichtstralen van de Zon der Gerechtigheid in alle richtingen verspreidend.” — Testimonies to Ministers, p 17. — “Dit is de Heerlijkheid Gods, die het werk van de derde engel afsluit.” — Testimonies, Vol. 6, p. 19. {WHR:39.3}

       Deze uitdagende feiten zijn, vanzelfsprekend, een grote berisping aan hen die lang de hun van-God-gegeven plicht om zowel predikanten als leken te onderrichten hebben verwaarloosd om de “toegevoegde boodschap,” die van het elfde uur, te verwachten, naar uit te zien en wanneer zij verschijnt haar blijmoedig te verwelkomen. Als zij trouw hun plicht hadden vervuld, dan zouden zij nu de boodschap die aan hun deuren klopt hebben herkend, als de langverwachte boodschap, die op verschillende wijze wordt uitgebeeld: (1) het oordeel der levenden, (2) de oogst, (3) de grote en geduchte dag des Heren, (4) de luide roep (terwijl de boodschap de aarde met de heerlijkheid van Christus’ gerechtigheid die van de 144.000 smetteloze dienstknechten van God afstraalt, verlicht). En dienovereenkomstig, zouden zij weten dat het op die wijze is, waarop God de naties zal ziften (Jes. 30:28), “het werk voleindigen, en het in gerechtigheid afsluiten.” Rom. 9:28. {WHR:40.1}

       Maar ondanks hun plichtsverzuim en de daaruit voortvloeiende blindheid, verlangt Inspiratie ernaar in een poging hen alert te maken voor hetgeen zij lang geleden op getrouwe wijze van te voren had gewaarschuwd: {WHR:40.2}

       “(…) Het verleden heeft aangetoond dat zowel leraren als leerlingen zeer weinig weten met betrekking tot de ontzagwekkende waarheden die levende kwesties zijn voor deze tijd. Indien de derde engel boodschap in alle linies zou moeten worden verkondigd aan velen die als opvoeders optreden, dan zou zij niet door hen worden begrepen.” Testimonies, Vol. 6, p. 165. {WHR:40.3}

41

  “(…) boeken en bladen die weinig van de tegenwoordige waarheid bevatten worden verheven, en de mensen worden te wijs om een ‘zo zegt de Here’ na te volgen. (…) velen onder de wachters zijn slapende. Zij zijn als de blinde die de blinde leidt. Nochtans is de dag des Heren ons zeer dicht genaderd. Als een dief sluipt zij stilletjes naderbij, en zij zal plotseling een ieder overvallen die niet waakzaam is. Wie onder onze leraren zijn wakker, en geven, als getrouw rentmeesters van Gods genade, de bazuin een zuivere klank?” — Testimonies, Vol. 6, p. 166. {WHR:41.1}

       “(…) De tegenwoordige houding van de kerk is niet behaaglijk voor God. Een vorm van zelfvertrouwen heeft haar intrede gedaan die hen het gevoel heeft gegeven om niet de noodzaak in te zien voor meer waarheid en groter licht. Wij leven in een tijd waarin Satan aan de rechter en de linker kant, van voren en van achter ons aan het werk is; en toch slapen wij als volk. God wil dat er een sten zal worden gehoord die Zijn volk tot actie opwekt.” — Testimonies, Vol. 5, p. 709. {WHR:41.2}

       “Er zal een boodschap worden verkondigd die de kerken zal opwekken. Elke poging zal worden ondernomen om het licht, niet alleen aan onze mensen, maar ook aan de wereld, te geven. Mij wed geïnstrueerd dat de boeken van Daniel en de Openbaring in kleine boeken moesten worden gedrukt, met de noodzakelijke uitleg, en dat zij over de gehele wereld moesten worden verzonden. Het is van noodzakelijk belang dat het licht in duidelijke richtlijnen voor ons volk wordt geplaatst.” Testimonies to Ministers, p. 117. {WHR:41.3}

       “God zal degenen berispen die de weg zouden willen versperren, zodat er geen helderder licht tot Zijn volk zal komen. Er moet een groot werk worden verricht en God ziet dat onze leiders meer licht nodig hebben, zodat zij zich kunnen verenigen met de boodschappers die Hij zendt om het werk te voltooien dat Hij bestemd heeft om te worden gedaan.” — Gospel Workers, p. 304. {WHR:41.4}

42

 “Ik zag engelen heen en weer snellen in de hemel, afdalen naar de aarde, en weer opstijgen naar de hemel, voorbereiding makende voor de vervulling van een belangrijke gebeurtenis. Toen zag ik een andere machtige engel die last kreeg om naar de aarde af te dalen, om Zijn stem te voegen bij die van de derde engel, en om kracht en nadruk aan zijn boodschap te geven. Grote kracht en heerlijkheid werden aan de engel toebedeeld, en toen hij afdaalde, werd de aarde met zijn lichtglans verlicht. (…) Het werk van deze engel doet op het juiste moment zijn intrede om zich te voegen bij het laatste grote werk van de derden engel boodschap, zoals zij aanzwelt tot een luide roep. (…) Deze boodschap schijnt een toevoeging aan de derde boodschap te zijn, en ermee samengaand zoals de middernacht roep samenging met de tweede engel boodschap in 1844.” — Early Writings, p. 277. {De Eerste Geschriften, blz. ….} {WHR:42.1}

       “Alleen aan zielen die ernstig naar licht zoeken, en die met blijdschap elke lichtstraal van de hemel van Zijn heilig woord aanvaarden — slechts aan dezulken zal licht worden gegeven. Het is door deze zielen dat God licht en kracht zal openbaren die de gehele aarde zullen verlichten met Zijn heerlijkheid.” —  Testimonies, Vol. 5, p. 729. {WHR:42.2}

       “In die manifestatie van de kracht die de aarde zal verlicht met haar heerlijkheid, zullen zij slechts iets zien die zij, in hun blindheid, als gevaarlijk beschouwen, iets dat hun angsten zal opwekken en zij zullen zich gezamenlijk er tegen verzetten. Omdat de Here niet overeenkomstig hun verwachtingen en ideeën werkt, zullen zij zich tegen het werd verzetten. Waarom, zeggen zij, zouden wij de Geest van God niet kennen, terwijl wij zoveel jaren in het werk zijn geweest?” — Review and Herald, Nov. 7, 1918. {WHR:42.3}

43

“Helderheid, heerlijkheid en kracht zullen worden verbonden met de derde engel boodschap, en overtuiging zal overal volgen waar zij wordt verkondigd in de demonstratie van de Geest. Hoe zal ieder van onze broeders en zusters weten wanneer dit licht tot het volk van God zal komen? Tot op heden hebben wij zeker niet het licht gezien dat aan deze beschrijving beantwoordt. God heeft licht voor Zijn volk, en allen die het aanvaarden zullen de zondigheid inzien om in een lauwe toestand te blijven.” — Review and Herald, 1 april, 1890. {WHR:43.1}

       “(…) Tenzij degenen die kunnen helpen in ——- ontwaken tot een zekere mate van hun plicht, zullen zij het werk van God niet herkennen wanneer de luide roep van de derde engel zal worden gehoord. Wanneer licht voortgaat om de aarde te verlichten, zullen zij, in plaats van de Here te hulp te komen, Zijn werk aan banden leggen om op die manier aan hun bekrompen ideeën tegemoet te komen. Laat mij u vertellen dat de Heer in dit laatste werk op een manier zal werken die anders is dat op de normale manier, en op een manier die tegengesteld zal zijn aan menselijke planning. Er zullen zich onder ons mensen bevinden die altijd het werk van God willen beheersen, om zelfs te dicteren wat voor bewegingen zullen worden gemaakt wanneer het werk voorwaarts gaat onder leiding van de engel die zich voegt bij de derde engel in de boodschap die aan de wereld zal worden gegeven. God zal wegen en middelen aanwenden waarbij gezien zal worden dat Hij de teugels in eigen handen neemt. De werkers zullen verbaast staan door de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk in gerechtigheid tot stand te brengen en te vervolmaken.” — Testimonies to Ministers, p. 300. {WHR:43.2}

       “Ik vroeg de betekenis van de schudding die ik gezien had, en mij werd getoond dat het zou worden veroorzaakt door het onomwonden getuigenis voortgebracht door de raad van de Waarachtig Getuige gericht aan de Laodiceeërs. Dit zal zijn uitwerking hebben op

44

 het hart van de ontvanger, en dit zal hem ertoe leiden de standaard te verhogen en de zuivere waarheid naar voren te doen treden. Sommigen zullen dit onomwonden getuigenis niet kunnen verdragen. Zij zullen ertegen in opstand komen, en dit is wat een schudding zal veroorzaken onder Gods volk. {WHR:43.3}

       “Ik zag dat er amper gehoor gegeven was aan het getuigenis van de Waarachtige Getuige. Het plechtige getuigenis waar het lot van de kerk van afhangt is lichtvaardig geacht, zo niet volledig misacht. Dit getuigenis moet tot diep berouw leiden; allen die het ontvangen zullen het gehoorzamen, en zij zullen gereinigd worden.” — Early Writings, p. 270. {WHR:44.1}

       “Zij zullen alles in twijfel trekken en bekritiseren wat opkomt in het ontvouwen van de waarheid, zij zullen het werk en positie van anderen bekritiseren, zij zullen elke tak van het werk bekritiseren waarin zijzelf geen aandeel hebben. Zij zullen zich voeden met de dwalingen, de vergissingen en de fouten van anderen, ‘totdat,’ zegt de engel, ‘de Here Jezus zal opstaan van Zijn middelaars werk in het hemelse heiligdom, en zich zal kleden met de klederen der wrake, en Hij hun op hun onheilige feest zal verassen; en zij zullen bemerken dat zij onvoorbereid zijn voor het bruiloftsmaal van het Lam.’ Hun smaak is dusdanig verdorven dat zij geneigd zouden zijn om zelfs de tafel des Heren in Zijn koninkrijk te bekritiseren.” Testimonies, Vol. 5, p. 690. {WHR:44.2}

       “Als nooit tevoren, zouden wij niet alleen moeten bidden dat arbeiders gezonden zouden moeten worden in de grote oogstveld, maar dat wij een heldere inzicht van de waarheid hebben, zodat wanneer de boodschappers der waarheid zullen komen, wij de boodschap kunnen aanvaarden en de boodschapper kunnen respecteren,” — Testimonies, Vol. 6, p. 420. {WHR:44.3}

       “Profetie moet in vervulling gaan. De Here zegt: ‘zie,

45

Ik zend u de profeet Elia voordat de grote en geduchte dag des Heren komt.’ Iemand zal komen in de geest en de dracht van Elia, en wanneer hij verschijnt, kan men zeggen: ‘U bent te ernstig, u legt de Schriften niet op de juist manier uit. Laat mij u vertellen hoe u uw boodschap moet onderwijzen.’” — Testimonies, to Ministers, p. 475. {WHR:44.4}

       Ten kwade of ten goede, broeders en zusters, u bent nu, in het volle licht van Gods Woord, aan het nemen van uw eigen beslissing overgelaten. Wat het ook zijn mag, u zult nooit een gerechtvaardigde oorzaak hebben om noch een ander daarvoor op te hemelen of kwalijk te nemen; de verantwoordelijkheid ligt nu volledig bij u. Als u voor het verkeerde kiest, dan zult u, om te herhalen, zo gauw als de olie in uw lampen opgebruikt is (zo gauw als de boodschap van het oordeel der doden voorbij is, en het oordeel der levenden op het punt staat aan te vangen), uzelf in dichte geestelijke duisternis bevinden, met uw lampen tot het laatste sprankje licht uitgebrand, en zonder olie in uw kruiken — met kennis noch voorbereiding voor het oordeel der levenden; daarom, uitgespuwd. {WHR:45.1}

       “Maar indien uw oog slicht is, zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien nu wat licht in u is, duister is, hoe groot is dan die duisternis! Matt. 6:23. {WHR:45.2}

       Indien u nu in gebreke blijft om deze extra olie van Waarheid op te slaan, dan zult u binnen korte tijd in weerloze angst de noodzaak ervan inzien. Maar wanneer u overvallen wordt door deze angstaanjagende werkelijkheid, zal het volslagen nutteloos zijn, want tegen de tijd dat u aanstalten maakt om de olie te bemachtigen, teneinde het resterende deel van de weg te vervolgen, zal dan, zo waar als dat u leeft, de deur dichtvallen, en zal al uw wanhopig kloppen erop al heel gauw slechts het noodlottige, afwijzende antwoord van binnen opleveren: “Voorwaar, Ik zeg u, Ik ken u niet.”  Matt. 25:12. En och, wat een mateloze, onuitgesproken tragedie zal dat zijn, broeders en zusters. {WHR:45.3}

46

 Maar indien u uw keuze ten goede maakt, dan zult u Gods merkteken (Eze. 9; Testimonies to Ministers, p. 445) op uw voorhoofden ontvangen, foutloos gerekend voor Zijn oordeels troon, en zult u bevoorrecht zijn om, of op te komen in de opstanding van Daniel 12:2, of om te staan met het Lam op de berg Sion (Openb. 14:1); om vandaar Gods boodschap uit te dragen naar alle naties, en al uw broeders te brengen als een offer naar “het huis des Heren.” Jes. 66:19, 20. U zult deel uitmaken van de eerste vruchten, de kern van de Koninkrijk-Kerk, het teken van de tweede vruchten der levenden, van hen die u later binnenbrengt. {WHR:46.1}

       Moge de Heer ons, als aanhangers van de tegenwoordige waarheid in de periode van de eerste vruchten, helpen, broeders en zusters, om, of onder, of met de eerste vruchten, de 144.000, te zijn. Het is aan een ieder persoonlijk overgelaten om zijn eigen bestemming te bepalen. En wees hiervan verzekerd, dat de enige veilige weg om de eeuwigheid te verwerven is, te luisteren naar en het navolgen van de stem van God; in het maken van uw keuze in de binnenkamer van stil gebed; en in het overvloedig nauwgezet en eerbiedig bestuderen van geopenbaarde Waarheid voor deze bijzondere tijd. Terwijl de zekerste weg van dwaling en ondergang gehoor geven aan de stem van de mens in plaats van aan de stem van God is. {WHR:46.2}

       Van nog groter belang is de waarheid dat de oproep van het elfde uur haar arbeiders “werkeloos” aantreft op de markt (de kerk), niets doende, voeren zij als excuus aan: “niemand heeft ons gehuurd.” Met deze feiten voor ogen, is het duidelijk dat de dienstknechten van het elfde uur niet uit bedienaren {predikers of leiders} bestaan, niet uit hen die reeds aan het werk zijn. Neen, niet meer dan de dienstknechten van de vorige oproepen dat waren.

47

 De geschiedenis levert het bewijs dat het in feite alleen de werkelozen, de leken, waren die altijd het eerst reageerden op elke goddelijke oproep! {WHR:46.3}

 “Bij het laatste plechtige werk,” verklaart de Geest der Profetie, “zullen weinig mannen van naam betrokken zijn. Zij zijn zelfingenomen, onafhankelijk van God, en Hij kan ze niet gebruiken. De Heer heeft getrouwe dienstknechten, die in de tijd van schudding en zifting gezien zullen worden. Er zijn nu dierbaren verborgen die de knie niet voor de Baal gebogen hebben. Zij hebben het licht niet gehad dat in een geconcentreerde felheid op u geschenen heeft. (…) {WHR:47.1}

       Wanneer bomen die geen vrucht dragen worden geveld omdat ze een beletsel voor de grond zijn, wanneer een groot aantal valse broeders van de ware worden gescheiden, dan zullen zij die nu aan het oog onttrokken zijn worden opgemerkt, en zullen zij zich onder hosanna geroep {of gejubel} scharen onder het banier van Christus. Zij die beschroomd en onzeker waren, zullen zich dan openlijk uitspreken voor Christus en Zijn waarheid. De zwaksten en zij die aarzelen in de kerk, zullen dan als David zijn — gewillig om moedig tot actie over te gaan. (…)” Testimonies, Vol. 5, pp. 80, 81. {WHR:47.2}

       De verklaringen: “zullen worden opgemerkt,” “kostbaren die nu aan het oog onttrokken zijn,” en “aan het oog onttrokken die in de openbaarheid zullen treden,” onthult op onomwonden wijze dat alhoewel de dienstknechten van het elfde uur nu geen voorname mensen zijn, geen mensen die nu algemeen bekend zijn, zullen zij, niettemin, uiteindelijk erkenning afdwingen. Dit werk van Christus Zijn gerechtigheid, broeders en zusters, zal niet als iets vreemds toeschijnen wanneer u in beschouwing neemt dat alle mannen (behalve twee) boven de leeftijd van twintig jaar in de Exodus beweging nadat zij de Rode Zee overgestoken was, omkwamen in twijfel, of in het vitten tegen Inspiratie, of in het willen bekleden van een ambt,

48

 of door te hunkeren naar de vleespotten van Egypte, en dat alleen de jeugd van de beweging in leven bleef om de Jordaan over te steken en om het Beloofde Land in bezit te nemen. Houdt in gedachte dat deze dingen “hen overkomen zijn tot voorbeeld voor ons,” als “typen” (anders vertaald), om ons nu aan het einde van de wereld te vermanen. 1Cor. 10:11. {WHR:47.3}

       Van hen die zullen “ontkomen” en die “in de openbaarheid zullen treden” in de anti-typische Exodus beweging, verklaart Inspiratie op vreugdevolle wijze: . {WHR:48.1}

       “Zij zijn mannen die ten wonderteken dienen: (…) en hij die te dien dage zwak is onder hen zal zijn als David; en het huis van David zal zijn als God, als de engel des Heren voor hun aangezicht.” Zach. 3:8; 12:8. {KJV.} {WHR:48.2}

       Het is dus duidelijk dat deze “mannen die tot wonderteken dienen” (de “ontkomenen” en zij die “in de openbaarheid zullen treden” bij het elfde uur) zijn de “dienstknechten” die de lang verwachte “lekenbeweging” zullen vormen (Testimonies, Vol. 9, pp. 125, 126). Daarom, is het elfde uur de tijd waar naar de Geest der Profetie verwijst wanneer zij zegt: {WHR:48.3}

       “(…) In het laatste plechtige werk zullen weinig mannen van naam {of personen van aanzien} deelhebben. (…) God zal in onze dagen een werk tot stand brengen dat slechts weinigen verwachten. Hij zal onder ons hen doen opstaan en verheffen die eerder door de zalving van de Geest onderwezen zullen worden dan door de uiterlijke training op wetenschappelijke instellingen. (…) God zal tonen dat Hij niet afhankelijk is van geleerde, zelfingenomen stervelingen.” —  Testimonies, Vol. 5, pp. 80, 82. {WHR:48.4}

       Hoe kan het anders inderdaad mogelijk zijn, tenzij “geleerde” mensen, mensen “van naam,” of nederig afkomen van, of nooit de door de mens verhoogde, maar door God veroordeelde troon bestijgen waarop de machtige zit die nooit onpopulaire Waarheid aanvaardt,

49

 en die altijd anderen ervan weerhoudt haar te aanvaarden, tenzij die waarheid haar oorsprong bij hun vindt? Bovendien, waagt alleen de dwaas het, nooit degene die waarlijk groot die wijs is, om die door God verboden zetel van eigendunk te bestijgen. Zij die waarlijk groot zijn weten dit; zij weten ook dat God nooit in staat is geweest om de zogenaamde groten — zij die in aanzien zijn — te gebruiken als instrumenten waardoor nieuwe Waarheid kan worden geopenbaard en verspreid. Ons wordt eerder verteld: {WHR:48.5}

       “Maar de Heilige Geest zal, van tijd tot tijd, de waarheid door Zijn Eigen uitverkoren werktuigen openbaren; en niemand, zelfs geen priester of regeerder, heeft het recht om te zeggen: U zult geen bekendheid geven aan uw meningen, want ik geloof ze niet. Dat bijzondere “eigen ik” kan pogen haar gedurende een tijd te verstikken en haar te doden; maar dat zal van dwaling geen waarheid, of van waarheid geen dwaling maken. Het vindingrijke verstand van der mensen heeft speculatieve meningen in verschillende richtingen bevorderd, en wanneer de Heilige Geest licht doet schijnen in het verstand van de mens, houdt het geen rekening met ieder punt dat men toepast op het Woord. God prent Zijn dienstknechten in om de waarheid te spreken, ongeacht wat de mens als waarheid heeft aangenomen. {WHR:49.1}

       “Zelfs Zevende-dags Adventisten lopen gevaar hun ogen voor de waarheid te sluiten zoals zij in Jezus is, omdat het in tegenspraak is met iets dat zij voor waarheid hebben aangenomen, maar waarvan de Heilig Geest leert dat het geen waarheid is.” Testimonies to Ministers, p. 70. {WHR:49.2}

       “Wees echter op uw hoede niet datgene te verwerpen dat waarheid is. Het grote gevaar bij ons volk is dat men zich afhankelijk heeft gemaakt van, en dat men zijn vertrouwen heeft gesteld op de mens. Zij die niet de gewoonte hebben gehad om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen af te wegen, stellen vertrouwen in de

50

 leiders en aanvaarden de beslissingen die zij nemen; en op die wijze zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God tot Zijn volk zendt, als deze leidinggevende broeders de boodschappen niet aanvaarden. {WHR:49.3}

 “Niemand zou moeten opeisen dat hij al het licht heeft dat er is voor Gods volk. De Heer zal dit niet gedogen. Hij heeft gezegd: ‘Ik heb voor u een open deur geplaatst, en niemand kan haar sluiten.’ Ook al zouden al de leiders licht en waarheid weigeren, zal die deur toch open blijven. De Heer zal mensen doen opstaan die aan het volk de boodschap voor deze tijd zullen geven. “ Testimonies to ministers, pp. 106, 107. {WHR:50.1}

       Zou u, broeders en zusters, niet spoedig willen opstaan? Of zult u de fouten uit de dagen van Jozua herhalen, en de jeugd uw plaats laten innemen? {WHR:50.2}

       “De Here heeft de jeugd aangesteld om Zijn helpende hand te zijn.” — Testimonies, Vol. 7, p. 64. {WHR:50.3}

       “Wij hebben vandaag aan de dag een leger aan jonge mensen die veel kunnen doen als zij op de juiste wijze worden begeleid en bemoedigd.” — Generale Conference Bulletin, Vol. V, No. 2, p. 24. (Jan. 29, 30, 1893). {WHR:50.4}

       “Met een dergelijk leger van werkers als onze jeugd, op de juiste wijze opgeleid of getraind, machtig toegerust, hoe spoedig zou dan de boodschap van een gekruisigde, verrezen, en spoedig komende Verlosser kunnen worden gebracht aan de hele wereld!” — Education, p. 271. {WHR:50.5}

       “Jonge mensen zouden de Schriften voor zichzelf moeten onderzoeken. Zij moeten niet het gevoel hebben dat het volstaat dat zij die ouder zijn in ervaring de waarheid uitzoeken, zodat de jongeren haar van hun kunnen aanvaarden als gezaghebbend. De Joden zijn als natie omgekomen, omdat zij van de waarheid werden afgetrokken door hun regeerders, priesters en ouderlingen. Indien

51

zij gehoor hadden gegeven aan de lessen van Jezus en de schriften voor zichzelf hadden onderzocht, dan zouden zij niet zijn omgekomen. {WHR:50.6}

 “Jonge mensen in onze gelederen zien nauwlettend toe met welke geest de bedienaren zich toeleggen op een onderzoek van de Schriften; als zij een ontvankelijke geest hebben, als zij nederig genoeg zijn om bewijzen te aanvaarden en als zij licht ontvangen van de boodschappers die God verkiest te zenden.”  Testimonies, to Ministers, p. 109. {WHR:51.1}

       Nu daar de oproep van het elfde uur weerklinkt, roept de Heer bij aanvang in Zijn wijngaard alle ministeriele gediplomeerden en zij die bijna afgestudeerd zijn van Zevende-dags Adventisten Colleges, en die werkeloos staan, wachtende om te worden “gehuurd,” op. Bovendien roep Hij alle werkers op die lichamelijk nog sterk en gezond zijn ter ondersteuning voor deze heerlijke laatste bediening. Wilt u niet allen, broeders en zusters, nu gehoor geven aan deze laatste meest heerlijke oproep? U kunt meteen in de wijngaard beginnen, nadat u op succesvolle wijze een intensieve drie maanden durende seminar cursus hebt afgerond van studies betreffende tegenwoordige Waarheid openbaringen die kracht en nadruk geven aan de Derde Engel Boodschap (Early Writings, p. 277 {De Eerste Geschriften, blz. …}), en welke het oordeel der levenden onthullen, de grote en geduchte dag des Heren. {WHR:51.2}

       U Zult geen lesgeld nodig hebben of geld voor kost en inwoning terwijl u deze drie maanden durende cursus volgt aan het Davidic Levitical Institute, Mt. Carme Center, en wanneer u uw studie hebt afgerond zult u een blijvende betrekking met loon en reiskosten vergoeding ontvangen, eerst door de Zevende-dags Adventisten wereld, dan tenslotte aan iedere natie door de hele wijngaard van de Heer heen. Dit is de kans van uw leven — om u een plaats te verzekeren “in het afsluitingswerk voor de kerk, in de verzegelingtijd van de

52

 honderd vier en veertig duizend” ( Test. Vol. 3 p. 266), en later een plaats onder deze “ontkomenen,” die eropuit trekken om al hun broeders uit alle naties “in het huis des Heren” te brengen, zoals Jesaja op levendige wijze verklaart: {WHR:51.3}

       “En Ik zal onder en een teken doen en Ik zal onder hen de ontkomenen zenden naar de volken — naar Tarsen, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Jawan, de verre kustlanden, die de tijding aangaande Mij nog niet hebben gehoord noch Mijn heerlijkheid hebben gezien — opdat zij Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En zij zullen al uw broeders brengen uit alle natie als een offer voor de Here, op paarden en op wagens; op draagstoelen; op muildieren en op snelle beesten, naar Mijn heilige berg, naar Jeruzalem, zegt de Here, zoals de Israëlieten het offer in een rein vat naar het huis des Heren brengen.” Jes. 66:19, 20. {KJV.} {WHR:52.1}

       Hier neemt de profeet twee Gezelschappen van heiligen in beschouwing, — zij die ontkomen, en zij die worden binnen gebracht door de ontkomenen — door de 144.000. Aangezien de eerste groep dienstknechten de eerste vruchten zijn van de grote oogst, dan is het onontkoombaar vanzelfsprekend dat degenen die zij binnen brengen tot de Heren, de tweede vruchten zijn. Inderdaad, waar er een eerste is, moet er noodzakelijkerwijs ook een tweede zijn. Daarom zijn de eerste en tweede groepen exact datgene wat Johannes zag (Openb. 7:3-9). Merk op dat deze dienstknechten van het elfde uur die naar alle naties gaan om hun broeders te redden, hen als “in rein vaatwerk naar het huis des Heren” brengen (Jes. 66:20), in de gereinigde kerk, de kerk zonder huichelaars die voortgaan met hun gruwelen daarin, — een huis dat waarlijk wit is. {WHR:52.2}

53

  Laat echter niemand u voor de gek houden om te geloven dat de Rekruteerder u oproept om uit het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten te gaan en dat u zich ergens anders zou moeten aansluiten. Dergelijke aantijgingen {beweringen} en zinspelingen {inbreng} zijn alleen afkomstig van hen die vijanden zijn van Gods elfde of Oordeels-uur Waarheid, en die daarom Zijn dienstknechten noch Zijn vrienden zijn. Gods dienstknechten krijgen hun opdrachten van God, en vrienden hoeden zich er altijd voor dat zij zich eraan schuldig zouden maken er verantwoordelijk voor te zijn dat hun vrienden gepropageerde dwaling zouden aanvaarden, in het bijzonder wanneer de Schriften in beschouwing worden genomen. De zuivere waarheid over de Rekruteerder is om er zeker van te zijn dat u in de kerk blijft, en u ervoor te behoeden om te worden uitgeworpen, niet door mensen maar door de Here, wanneer Hij voortgaat om de gasten daarin te inspecteren en om diegenen uit te werpen die in gebreke zijn gebleven om het “bruiloftskleed” aan te doen welke de Rekruteerder met zich meebrengt. {WHR:53.1}

       De verstandigen zullen de vijanden van de waarheid niet toestaan hun te bedriegen. Zij zullen eerder hun uiterste best doen om deze zogenaamde vrienden op andere gedachten te brengen, en hun aanmoedigen dat zij de Rekruteerden toestaan hun ogen te zalven zodat zij mogen zien dat: “Te dien dage wat de Here doet uitspruiten mooi en heerlijk, en” dat “de vrucht der aarde tot heerlijkheid en luister voor de ontkomenen van Israël” [Gods kerk van vandaag], “zal zijn.” {WHR:53.2}

       “En het zal geschieden, dat wie overgebleven is in Sion [op het Hoofdkwartier], en hij die overgelaten in Jeruzalem [in de kerk na de reiniging], heilig zal heten, — ieder die in Jeruzalem ten leven is opgeschreven, wanneer de Here het vuil van de dochters van Sion zal hebben afgewassen en de bloedvlekken van Jeruzalem daaruit zal hebben weggespoeld door de geest van gericht, en door de geest van verbranding {of uitdelging}.

54

“Dan zal de Here over het gehele gebied van Sion en over de samenkomsten die daar gehouden worden, des daags een wolk en rook scheppen, en des nachts een schijnsel van vlammend vuur, want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn. En er zal een tent zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een schuilplaats en een toevlucht tegen stortbui en regen.” Jes. 4:2-6 {KJV.} “(…) want de goddeloze zal niet meer door u heentrekken; hij is volledig afgesneden.” Nah. 1:15 {KJV}. {WHR:53.3}

       Daar nu “alles gereed is,” Broeders en Zusters, is deze uw oproep van Gods wege nabij het elfde uur, God verhoede dat u deze nooit zo kostbare kans aan u voorbij laat gaan, “om uw roeping en verkiezing vast te maken.” 2 Pet. 1:10. Handel vastberaden, want de nieuw ontzegelde profetieën openbaren  dat het werk van het oordeel der doden haast voorbij is – hetgeen juist de reden is van deze van Godswege geplande en dringende oproep tot dienstbaarheid, nu naargelang deze Hemelse Rekruteerder (of Aanwerver} de ijzerachtige obstakels doorbreekt waarachter de vijanden der Waarheid Gods uitverkorenen in duisternis en in Laodicea-blindheid houden. {WHR:54.1}

       Door het doen binnendruppelen van een weergaloze angst en vooroordeel in de gelederen van Laodicea tegen het lezen of aanhoren van alles behalve datgene wat iemands officiële goedkeuring en zegen wegdraagt, heeft Satan met zijn ondermijnende activiteiten getracht om de communicatielijnen tussen de Geest der Waarheid en het volk van God af te snijden. Om hun vervolgens in onderwerping aan zichzelf en aan hun wereldse maatstaven te houden,  bedreigen zij met afschrijving als kerklid en met verdoemenis een ieder die, met meer ontzag voor God dan voor de mens,  het zou wagen om de Waarheid voor zichzelf te kennen. De weinigen die vervolgens de moed hebben om hun overtuigingen uit te dragen, worden onmiddellijk als tegenreactie daarop de doelwitten van de vurigste pijlen van tegenstand, — de bitterste vooroordeel, aanstoot gevende leugens en karakter misvorming, spot, hoon

  1. 55

en haat, belediging en ontbering. Aldus zullen “allen die godvruchtig in Christus Jezus willen leven” (2 Tim. 3:12, KJV) ontdekken dat zij “verstoten” worden (Jes. 66:5; Luc. 6:22; Hand. 24:14) door de handen van vervolgende machten die in de voortzetting van hun vervolging het Judaïsme en het Romantisme in de verste verte overtreffen. En wat nog erger is, wanneer het deze tirannieke tegenstrevers, gekleed in apostelachtige gewaden, gelukt om verwarring te stichten en om het geloof omver te werpen van een onderzoeker of volgeling der Waarheid die juist voor deze tijd bedoeld is, dwingen zij hem om te herdopen teneinde te worden toegelaten om deel uit te maken van het kerkgenootschap, al is hij zelfs getrouwer geworden dan dat hij dat ooit tevoren was! Wat een ontzettende godslastering! {WHR:54.2}

       Van ganser harte mag worden gehoopt dat Gods volk nu zal inzien dat het van geen enkel manier van belang is, als de van-de-hemel-gezonden  voorbode van het elfde uur – de Rekruteerder, nu deze, gene, of welke andere menselijke stempel van goedkeuring draagt, maar dat het van alle belang is dat hij de Hemelse stempel draagt, en dat iedere “schaap” van de kudde zijn van-God-geven recht doet gelden om hem met zijn eigen ogen te onderzoeken, en dan, zonder de invloed van welke stem dan ook behalve die van de Inwonende Geest der Waarheid, voor zichzelf de feiten in deze zaak te bepalen. {WHR:55.1}

       De tegenwoordige tirannieke en gemene geest begon zich jaren geleden te manifesteren, en zelfs toen waarschuwde de Geest der Waarheid: {WHR:55.2}

       “Weest echter op  uw hoede om niet datgene te verwerpen wat waarheid is. Het grote gevaar bij ons volk is dat men zich afhankelijk heeft gemaakt van, en dat men zijn vertrouwen heeft gesteld op de mens. Zij die niet de gewoonte hebben gehad om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen af te wegen,  stellen vertrouwen in de leiders en aanvaarden de beslissingen die zij nemen; en op die wijze zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God tot Zijn volk Zendt, als deze leidinggevende broeders die boodschappen niet aanvaarden.” –

56

Testimonies to Ministers, pp. 106, 107. {WHR:55.3}

“Kostbaar licht zal schijnen vanuit het woord van God, en laat niemand het zich aanmatigen om te dicteren wat wel of wat niet zal worden voorgehouden aan het volk in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, om op die wijze de Geest van God het zwijgen op te leggen. Wat zijn positie ook mag zijn, niemand heeft het recht om het licht van het volk af te sluiten. Wanneer in de naam des Heren een boodschap tot Zijn volk komt, mag niemand zich verontschuldigen om haar eisen te onderzoeken. Niemand kan het zich veroorloven om zich afzijdig te houden in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen, zeggende: ‘ik weet wat waarheid is. Ik ben tevreden met mijn positie. Ik heb  mijn grenzen bepaald, en ik wil niet van mijn standpunt worden afgebracht, wat er ook komen mag. Ik zal niet luisteren naar de boodschap van deze boodschapper, want ik weet dat het geen waarheid kan zijn.’ Het was vanwege het voortzetten van een dergelijke handelwijze dat de bekende kerken in gedeeltelijke duisternis werden gelaten, en dat is de reden waarom de boodschappen van hemel hen niet heeft bereikt.” – Counsels on Sabbath School Work, p. 28. {WHR:56.1}

       “(…) Ik ben gedrongen om aan onze werkers het verzoek te richten: Wat uw positie ook is, maak u niet afhankelijk van de mens, of stel uw vertrouwen niet op mensen.” Testimonies to Minsters, pp. 349, 350. {WHR:56.2}

       Stevig in het zadel, en zich niet bewust van de raadgeving van Inspiratie, drijven deze gewetendrijvers de leken voort als vee, als of de Geest der Waarheid niemand anders dan de hoeders leidt. Door deze ver reikende lijn van onwettige overheersing bestaande uit geestelijken, die wemelt van {een} alsmaar toenemende misrepresentatie, moet deze Hemelse Rekruteerder zich een weg banen om allen te reden die gered willen worden. {WHR:56.3}

       Een gelijksoortige overheersing van geestelijke leiders in de dagen van

57

Nicodemus zorgde ervoor dat hij zich niet durfde te vertonen met Jezus, maar dat hij Hem stiekem in de nacht ging opzoeken.  Aangezien het echter nu niet raadzaam is voor de meesten van Gods uitverkorenen om zelfs ’s nachts te komen om de Waarheid bestemd voor het elfde uur te horen, is deze Hemelse Rekruteerder genoodzaakt in onbekende kledij (als met de nacht gekleed) tot hen te gaan – de enige manier waarop het hen die gewillig zijn kan bereiken en redden. {WHR:56.4}

       Wederom, toen Israël haar machtige trompetgeschal liet weerklinken, nadat zij zevenmaal in alle stilte rondgetrokken waren om de ondoordringbare muren van Jericho, viel plotseling de grote ijzeren poort terwijl de muren op onverklaarbare wijze neerstortten, waarop Israël op triomfantelijke wijze naar binnen marcheerde! Zo zal het ook zijn met de massieve muren van tegenstand waarbinnen de Vijand de Laodiceeërs in Lauwheid houdt – in het bedrog dat zij “rijk en met goederen verrijkt” zijn, en niets meer nodig hebben, terwijl zij “ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt” zijn. Openb. 3:17.  Spoedig zullen dus de poorten die nu stevig dicht zitten, vergrendeld, versperd en gebarricadeerd tegen de redders van de Hemel met voorraden van Waarheid, voedsel op z’n tijd, door de Rekruteerder plotseling openvallen voor de gevangen genomen kudde, zoals dat het geval was met de muren van Jericho, bij de zevende rondtrekkende beweging en het trompetgeschal. Dan zullen allen die door God verborgen zijn op glorieuze wijze “aan het oog” worden “onthuld.” {WHR:57.1}

“Dan is de buit van de grote roof verdeeld; de lamme neemt de buit. En de inwoner zal niet zeggen: Ik ben ziek; het volk dat daar woont Zal vergeven zijn van hun ongerechtigheid.” Jes. 33:23, 24 {KJV}. {WHR:57.2}

       “(…) Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest! Zegt de Here der Heerscharen. Wie zijt gij, o grote berg? Voor Zerubbabel wordt gij een vlakte; en hij zal

58

de hoofdsteen daarvan voortbrengen onder het gejubel: Genade, genade zij hem!” Zach. 4:6, 7 (KJV}. {WHR:57.3}

 Hetzelfde Goddelijke principe werd verkregen toen Gideon en zijn 300 man, met bazuinen en met brandende fakkels verborgen in de kruiken, onder Goddelijke leiding en bescherming, het kamp van de vijand omsingelden even behoedzaam als een tijger zijn prooi besluipt. Plotseling weerklonk er een signaal, en een onmiddellijke uitbarsting van schallende bazuinen, brekende kruiken, flitsend licht, en geschreeuw van stemmen veroorzaakten wilde paniek onder de gelederen van de Midianieten, hetgeen er voor zorgde dat zij verwarring en verwoesting onder elkaar aanrichtten. Op die wijze bevrijdde Gideon, met deze van de Hemel afkomstige krijgslist, het leger van Israël dat in gevaar verkeerden. {WHR:58.1}

       En nu noodzaakt een tegenstand zoals die Gideon ertoe noodzaakte om een krijgslist toe te passen door middel van zijn 300 uitverkorenen, onvermijdelijk Jezreel op gelijke wijze om een gepaste list toe te passen door middel van zijn drie uitverkoren divisies – (1)The Entering Wedge {De Binnendringende Wig}, (2) The 1950 General Conference Special {De 1950 Generale Conferentie, Bijzondere Uitgave}, (3) Deze White-House Recruiter {De Rekruteerder van het Witte Huis}. In stilte gloeiend met het licht des levens, banen dezen zich een weg door de tegenstand en bereiken zij harten in gevangenschap. Maar door wat voor vreselijke obstakels, valstrikken, en gevaren van duivelachtigheden heen moet de Waarheid doorbreken! {WHR:58.2}

       Dit is altijd het geval geweest. En niemand kan op realistische wijze verwachten dat de hindernissen tegenwoordig minder zullen zijn dan die hindernissen die de vlees geworden Waarheid in Eigen Persoon, Jezus persoonlijk, in Zijn dagen tegenkwam. Bijvoorbeeld, toen het “loofhutten feest nabij was,” “Zeiden Zijn broeders tot Hem: Ga van hier en reis naar Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken kunnen aanschouwen, die Gij doet (…) Toen zeide Jezus tot hen: (…) Gaat gij op naar het feest; Ik ga niet op naar

59

dit feest, omdat Mijn tijd nog niet vervuld is (…) Maar toen Zijn broeders opgegaan waren naar het feest, toen ging Hij Zelf ook op,

niet openlijk, maar als in het verborgen.” Joh. 7:2, 3, 6, 8,10. {WHR:58.3}

       Denk eraan, de Heer in Eigen Persoon was genoodzaakt om een soortgelijke hulpmiddel toe te passen bij het derde zinnebeeldige uur om zo Zijn doel te kunnen bereiken bij het feest, zoals deze Rekruteerder ook moet doen ten einde nu zijn doel te kunnen bereiken nabij het elfde uur. Uit noodzaak vertelde Hij aan Zijn discipelen dat Zijn tijd nog niet gekomen was, dan, zo gauw als zij weg waren, haastte Hij Zich heimelijk Zelf heen! Zou een voorzichtige poging als deze de oorzaak van kunnen zijn geweest dat zij Hem een “misleider” noemden? {WHR:59.1}

       Wanneer men op de hoogte is van het tegenwoordige gevaar zoals het feitelijk is, dan behoeft men zich niet meer te verbazen over het feit waarom vele jaren geleden Inspiratie de volgende schrikbarende onthulling van de toestanden in Laodicea deed: {WHR:59.2}

       “Wie kan naar waarheid zeggen: ‘ Ons goud is in vuur beproefd, onze klederen zijn niet door de wereld bevlekt’? Ik zag dat onze Instructeur naar de klederen van zogenaamde gerechtigheid wees. Hij trok ze weg, en legde de vuiligheid dat zich daaronder bevond bloot. Toen zei Hij tot mij: ‘Kunt u niet zien hoe zij op aanmatigende wijze hun vuilheid en verdorvenheid van karakter bedekt hebben? Hoe is deze  getrouwe stad een hoer geworden?’ Mijn Vaders huis is een huis van koopwaar geworden, een plaats waarvan de goddelijke tegenwoordigheid en heerlijkheid heengegaan zijn! Dit is de oorzaak van zwakheid en gebrek aan kracht,’” – Testimonies, Vol. 8, p. 250. {WHR:59.3}

       “Onze eigen handelwijze van afvallig gedrag heeft ons van God afgescheiden. Trots, begeerte en

60

 wereldliefde hebben hun plaats in het hart zonder vrees voor verbanning en veroordeling. Vreselijke en aanmatigende zonden hebben onder ons hun plaats ingenomen. En toch is de algemene opvatting dat de kerk aan het bloeien is en dat vrede en geestelijke voorspoed binnen al haar grenzen aanwezig zijn. {WHR:59.4}

       “De kerk volgt Christus niet langer na als haar Leider, en keert gestaag terug naar Egypte. Toch zijn er weinigen gealarmeerd of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht. Twijfel en zelfs ongeloof in de Getuigenissen van de Geest van God doordrenken overal onze kerken. Zo heeft Satan het graag, bedienaren die zichzelf prediken in plaats van Christus, zien het graag zo. De Getuigenissen worden niet gelezen en worden niet op prijs gesteld. God heeft tot u gesproken. Licht heeft vanuit Zijn Woord en vanuit de Getuigenissen geschenen, en beiden zijn zij misacht en veronachtzaamd. Het resultaat is aantoonbaar door gebrek aan reinheid, toewijding en ernstig geloof onder ons.” Testimonies, Vol. 5, p. 217. {WHR:60.1}

       “De boodschap aan de kerk van laodicea is een schrikbarende aanklacht, en het is van toepassing op het volk van God in de tegenwoordige tijd. {WHR:60.2}

       “”(…) Het volk van God wordt voorgesteld in de boodschap aan de Laodiceeërs als in een positie van vleselijke zekerheid. Zij voelen zich op hun gemak, en zij maken zichzelf wijs dat zij zich in een verheven toestand van Geestelijke Verworvenheden bevinden. ‘Omdat gij zegt, ik ban rijk en verrijkt met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek; en gij weet niet dat gij, en jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt zijt,’ {WHR:60.3}

       “Wat voor een grotere misleiding kan bezit nemen van de menselijke geest, dan een vertrouwen dat zij gelijk hebben, terwijl zij allen verkeerd zijn! De boodschap van de Getrouwe Getuige vindt het

61

volk van God in een droevige misleide toestand, en toch zijn zij oprecht in die misleiding. Zij weten niet dan hun toestand betreurenswaardig is in Gods oog. Terwijl degenen aan wie de boodschap gericht is zichzelf vlijen dat zij zich in een verheven geestelijke toestand bevinden, verbreekt de Getrouwe Getuige hun zekerheid met de schrikbarende aanklacht van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede, en ellendigheid. Het getuigenis, zo scherp omlijnd, kan geen vergissing zijn, want het is de Getrouwe Getuige Die spreekt, en Zijn getuigenis moet juist zijn.” – Testimonies, Vol. 3, pp 252, 253. {WHR:60.4}

       Het is een vreselijke tragedie dat de herders in Laodicea, in wiens handen de kudde van God is gevallen zo misleid zijn door de vijand, zoals zij onwetend met hem samengaan in durven tegenstreven en trachten te verslaan van zelfs de almachtige Verlosser. Hoe, O, hoe kunnen  deze dwalende herders en hun gevangen kudde worden gered van hun valstrik? Om in de laatste poging hun slachtoffers niet alleen van hen, maar ook hun van zichzelf te bevrijden, is de Geest der Waarheid uitgegaan om zo velen  te redden als die gehoor zullen geven aan de oproep om “de Here tot hulp” te komen, “de Here tot hulp tegen de machtige.” Rich. 5:23. {KJV.} {WHR:61.1}

       De Werver is daarom nu nabij het elfde uur wereldwijd bezig om strijdkrachten te mobiliseren tot de maatstaf van de grote Vorst der Waarheid, ter voorbereiding op ’s Hemels ophanden zijnde D-Day {leger actie} tegen de gruwelen die voortgezet worden door de huichelaars – door de vloedgolf van de draak (Openb. 12:15). Spoedig echter zal de aarde haar mond openen en “de vloedgolf” verzwelgen. Dan zullen zij die overgebleven zijn, “het overblijfsel,” “de ontkomenen uit Israël” (Jes. 2:4), de eerste selectie commando’s voor Christus, “zulk een vastberadenheid en beslistheid in hun getuigenissen leggen waarmee zij de hindernissen van Satan zullen doorbreken.” – Testimonies

62

to Ministers, p. 413. Zij zullen “hem de kop vermorzelen” wanneer hij uitgaat om oorlog tegen hen te voeren (Gen. 3:15; Openb. 12:16, 17). {WHR:61.2}

       Het grootste belang van besliste actie onmiddellijk in deze zaak, wat allen betreft, vindt haar vreselijke nadruk in de snelle nadering van de dag des Heren, en in de besliste kortstondigheid van de tijd die ons nog rest om de nodige voorbereidingen te treffen om stand te houden tegen het kaf verterende vuur van die dag. Met deze feiten in het vooruitzicht zijn de volgende bekende richtlijnen inderdaad tijdiger dan ooit tevoren: {WHR:62.1}

       “(…) Nu is de tijd haast verstreken, en wat wij in jaren hebben geleerd, zullen zij in enkele maanden moeten leren. Zij zullen ook veel moeten afleren, en veel opnieuw moeten leren.” – Early Writings, p. 67. {WHR:62.2}

       “De tijd is kort, en wat u doet moet haastig worden gedaan. Neem het besluit om de tijd te sparen. Zoek niet uw eigen plezier. Word wakker! Leg beslag op het werk met een nieuw voornemen des harten. De Here zal de weg voor u openen. Onderneem iedere mogelijke poging om overeenkomstig de richtlijnen van Christus te werken, in zachtmoedigheid en nederigheid, vertrouwende op Hem voor kracht, van genade tot genade. U zult in staat zijn om ijverig en volhardend te werken voor uw volk terwijl het nog dag is; want de nacht komt waarin niemand kan werken.” – Testimonies, Vol. 9, p. 200. {WHR:62.3}

       “(…) De laatste bewegingen zullen snelle bewegingen zijn.” – Testimonies, Vol. 9, p. 11. {WHR:62.4}

 Voorts eist de oproep om zich nu in te schrijven een onmiddellijke

63

beslissing, vanwege het feit dat de school zich tot doel heeft gesteld gedurende het eerste deel van het jaar slechts ongeveer 60 ministeriele studenten voor de “wijngaard” voor te bereiden. Aanvraag formulieren voor toelating zullen op verzoek worden verzonden. Richt u alle communicaties aan *De Ministeriele Rekruteerders Commissie, Mt. Carmel Centrum Waco Texas. Laat, Broeders en zusters, de neiging tot uitstellen u niet beroven van deze grote kans van uw leven. De Geest pleit met u in de naam van alles wat redelijk en verstandig is. Veronachtzaam of stel uw voorbereiding van het pionierswerk in het vooruitzicht niet uit. U mag niet ontbreken. Laat Jesaja’s aangrijpende visioen van de onvergelijkbare resultaten van het werk van het elfde uur u opwekken en inspireren tot onmiddellijk, algeheel handelen: {WHR:62.5}

       “Sta op, Schijnt voort, want uw licht is gekomen en de heerlijkheid des Heren is over u opgegaan. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en dikke duisternis de mensen, maar over u zal de Here opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. En de Heidenen zullen tot uw licht komen en koningen tot uw stralende opgang. {WHR:63.1}

       “Hef uw ogen op en zie rondom: zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen zullen van verre koen en uw dochter zullen aan uw zijde verzorgd worden. Dan zult gij het zien en samen stromen, uw hart zal vrezen en zich verruimen, want tot u zal de overvloed der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen. De menigte der kamelen zal u overdekken, dromedarissen van Midjan en Efa; uit Seba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden des Heren blijde verkondigen. Al de kudden van Kedar zullen zich voor u verzamelen, de rammen van Nebajot zullen zich u tendienste stellen; zij zullen als een welgevallig offer op Mijn altaar

64

komen en aan Mijn luisterrijk huis zal Ik luister verlenen. Wie zijn dezen, die als een wolk komen aangevlogen en als duiven naar hun til? Want op Mij zullen de kustlanden wachten; en de schepen van Tarsis zullen de eersten zijn om uw zonen van verre aan te brengen; hun zilver en goud voeren zij mede, ter ere van de naam des Heren, uws Gods, voor de Heilige Israëls, omdat Hij u verheerlijkt heeft. En de zonen van vreemdelingen zullen uw muren herbouwen en hun koningen zullen u dienen, want in Mijn toorn heb Ik u geslagen, maar in Mijn begunstiging heb Ik u begenadigd. {WHR:63.2}

       “Daarom zullen uw poorten bestendig openstaan, dag noch nacht zullen zij gesloten worden, opdat men tot inbrenge de vermogens der Heidenen, terwijl hun koningen worden meegevoerd. Want de natie en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen omkomen, ja, die naties zullen volledig verwoest worden.” Jes. 60:1-12 {KJV}. {WHR:64.1}

       Aan de profeet Hosea werd ook deze grote inzameling van geheel Gods volk nabij het elfde uur getoond: {WHR:64.2}

       “Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. Daarna zullen de Israëlieten terug keren, en de Heren, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Here en tot Zijn heil, in de laatste dagen.” Hos. 3:4, 5 {KJV}. {WHR:64.3}

       “Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeen scharen, een hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land, want groot zal de dag van Jezreel zijn. Hos. 1:11 {KJV}. {WHR:64.4}

       Het visioen dat Hosea net aanhaalde projecteert niet alleen dat God

65

Zijn vroegere (typische) Koninkrijk neerhaalde, en daardoor Zijn volk wereldwijd verstrooide, waardoor Hij maakte dat zij hun identiteit  kwijt raakten en opgingen in de naties der Heidenen gedurende deze vele eeuwen, maar ook projecteert Hij het heerlijk herstel van Zijn Koninkrijk (het antitype), en daaropvolgend Zijn vergaderen van alle naties in dat Koninkrijk, terwijl Hij het werk van het evangelie tot een afsluiting brengt. Voorts duidt de inhoud van Hosea’s tijdige visioen beslist aan dat dit grote inzamelingswerk van wereldwijde omvang niet kan beginnen totdat “Jezreel” ten tonele verschijnt. En wie kan met gezond verstand veronderstellen dat Satan zal toelaten dat deze kronende, elfde-uur-prestatie van het evangelie zal geschieden, zonder dat hij een laatste poging waagt om het tot een treffen te laten komen met de machtige strijdkrachten der duisternis? Men moet ook niet veronderstellen, zelfs niet voor een ogenblik, dat de Almachtige de toestand niet van te voren wist en dat Hij niet voorzien had in een middel om deze toestand tegemoet te treden, een middel waarvan de zinnebeeldige naam Jezreel is, de schrijversnaam van Zijn vertegenwoordiger van het elfde uur. Door dit eenvoudige hulpmiddel (deze onbekende naam) ontwapent de Hemel de tegenstand, verzekerd zij een welkome ontvangst voor de Rekruteerder (de stem van Jezreel), en stelt zij hem daardoor instaat de vuilnisbak en openhaard te overleven, om zodoende gedachten die verward zijn door valsheid, en harten die verhard zijn door vooroordeel, te bereiken. {WHR:64.5}

       Dank zij dit middel der overwinning over Satans samenzwering, “zullen” niet slechts de uitverkorenen, maar zal zelfs de gehele aarde “Jezreel horen,” en “zal,” daarom “de dag van Jezreel groot zijn,” Hos. 2:22; 1:11. (Een gedetailleerde uiteenzetting van de hele profetie van Hosea kan op verzoek worden verkregen.) {WHR:65.1}

       In deze bladzijden, Broeders en Zusters, stelt Gods belastend verzoek aan u gericht slechts een klein gedeelte voor van de boodschap van het elfde uur die nu door Laodicea weerklinkt

66

als het duidelijk gerinkel van een brandalarm vermengd met dat van kerkklokken. Wilt u niet met Jesaja gehoor geven aan “de stem des Heren,” en resoluut {vastbesloten} zeggen: “’Hier ben ik, zendt mij?’” Jes. 6:8. {WHR:65.2}

       Met uw ogen wijd open naar het Woord van God, uw oren strak toegesloten voor geruchten, en uw hart rein geledigd van vooroordeel en vooropgezette meningen, slaat acht, ter wille van eigen ziel, op het bazuingeschal dat hier weerklinkt. Handel het voor eens en altijd met uzelf af dat aangezien de oude boodschap, het oordeel der doden, reeds door de nieuwe boodschap, het oordeel der levenden, overschaduwd wordt, dat er slechts één verstandige keus is die men kan maken zijn eigen bestwil en die van anderen, en die is om volledig in het openbaar te treden als één van de elfde-uur-werkers van de Heer en om aldus Hem in de gelegenheid te stellen om u spoedig op de voorgrond te doen treden voor de gehele wereld. Anders zal het slechts een korte tijd duren, en u zult helemaal geen boodschap hebben. Laat uw gedachten niet worden beïnvloed door berichten en geruchten. Geeft gehoor aan de raadgeving: {WHR:66.1}

       “O, dat de Here moge leiden! U zou nooit, zelfs niet in het geringste geval, mogen toestaan dat geruchten u zouden aanzetten tot handelend optreden.” Testimonies to Ministers, p. 299. {WHR:66.2}

       “Laat u nooit en te nimmer beinvloeden door berichten.” – Testimonies, Vol. 3, p. 507. {WHR:66.3}

       Aan u mag zijn verteld dat er niets goeds uit deze plaats kan komen. Op gelijke wijze was aan Nathanaël verteld dat er niets goeds uit Nazareth kwam. Het is echter verstandig, om te doen wat hij deed – “kom en zie,” en aldus zult ook u “waarlijk een Israëliet” zijn “en wie geen onrecht is.” Weiger om te worden beïnvloed door kwade berichten, geruchten, spot, en laster. Gebruik in plaats daarvan getrouw uw eigen ogen,

67

oren, en verstand. Dan zult u een blij zijn als hij dat was, en wat was hij toch blij! {WHR:66.4}

 Houdt ook altijd in gedachte, dat er altijd mensen zijn en zullen zijn die verwachten dat  allerlei soorten theorieën van de kerk in overeenstemming zijn met de door de Hemel geopenbaarde Waarheid. Hetgeen onmogelijk is. Zij die getrouwe Zevende-dags Adventisten willen zijn, zullen daarom de volgende waarschuwing en raad goed ter harte nemen: {WHR:67.1}

       “(…) deze leiders (…) nemen de mogelijkheid niet in beschouwing dat zij zelf het Woord niet goed begrepen hebben. Zij willen hun ogen niet openen om het feit waar te nemen dat zij de Schriften verkeerd uitgelegd en verkeerd toegepast hebben, en dat zij valse theorieën opgebouwd hebben, terwijl zij deze theorieën fundamentele leerstellingen van het geloof noemen (…) Zelfs Zevende-dags Adventisten lopen gevaar om hun ogen te sluiten voor de waarheid zoals zij in Jezus is, omdat  zij iets tegenspreekt waarvan zij veronderstellen dat het op waarheid berust, maar waarvan de Heilige Geest leert dat het geen waarheid is.” – Testimonies to Ministers, p. 70. {WHR:67.2}

       “(…) Laat de mensen niet het gevoel hebben dat het hun voorrecht is om datgene aan de wereld te geven waarvan zij veronderstellen dat het waarheid is, en weigeren dat maar iets gegeven zal worden dat tegen hun ideeën indruist. Dit is niet hun werk. Vele dingen zullen duidelijk als waarheid verschijnen, die niet aanvaardbaar zullen zijn voor hen die denken dat hun verklaringen van de Schriften altijd juist zijn. Veel besliste veranderingen zullen moeten worden aangebracht met betrekking tot ideeën die sommigen als zijnde foutloos hebben aanvaard.” – Testimonies, to Minsters, p. 76. {WHR:67.3}

       Ook moet worden verwacht, dat er ook diegenen zullen zijn die door de Vijand zullen worden overtuigd om geen onpopulaire

68

leerstellingen te lezen of te bespreken. Maar zo waar als dat God leeft, de Duivel heeft al dezulken in de hel reeds voordat er vuur in ontstoken is! Wij hopen dat zij nu eruit zullen komen terwijl zij het nog kunnen. Wijze studenten beoordelen, aan de hand van geen enkele menselijke theorieen, geen enkele aanspraak op Bijbelwaarheid . Zij beoordelen haar door de Bijbel alleen. {WHR:67.4}

       “Kom en zie” voor uzelf, broeders en zusters. Alleen dan, zult u zich realiseren waarom de Heer de ernstige beschuldiging tegen ons allen als Laodiceeërs richt: {WHR:68.1}

       “Omdat gij zegt: Ik ben rijk, en ben met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek, en gij weet niet, dat gij zijt  ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt, raad Ik u aan van Mij te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, opdat gij rijk moogt worden, en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde; en uw ogen zalven met ogenzalf omdat gij moogt zien. Allen die Ik liefheb, berisp en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u. Zie, Ik sta aan de deur in Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden, en hij met Mij.” Openb. 3:17-20. {KJV.} {WHR:68.2}

       Dat men zich nu ten volle mag realiseren, broeders en zusters, dat het openen van iemands deur voor de Heer niet betekent dat men zijn oren opent voor de zogenaamde wijzen die nooit onpopulaire waarheid omhelzen, terwijl zij altijd snel aan de haal gaan met hun eigen theorieën. De volgelingen van Christus nemen de tijd om voor zichzelf te onderzoeken wat het Woord zelf zegt, niet wat de vijanden van God trachten het te laten zeggen. Zij weten dat “jong noch oud te verontschuldigen zijn om het hebben van een eigen ervaring aan een ander toe te vertrouwen. De engel zei: ‘ Zo zegt de Here: Vervloekt is de mens die op een mens vertrouwt en vlees tot arm stelt,’ (…) {WHR:68.3}

69

  “mannen, vrouwen, en jeugd, God eist van u om morele moed te bezitten, standvastig in doelstelling, moedig en volhardend, gedachten die niet de zekerheid van anderen kan nemen, maar welke voor zichzelf kunnen onderzoeken voordat zij ontvangen of verwerpen, die zullen studeren en de bewijzen tegen elkaar zullen afwegen, en het tot de Heer in gebed brengen.” – Testimonies, Vol. 2, p. 130. {WHR:69.1}

       Tenslotte, Gods volk zijn onbevreesde, oprechte en grondige studenten, geen automaten, geen voortgebrachte dogmatici, noch oppervlakkige onderzoekers. {WHR:69.2}

       “Hoe velen in deze wereldperiode blijven in gebreke om diep genoeg te gaan. Zij onderzoeken slechts oppervlakkig. Zij willen niet nauwkeurig genoeg denken om moeilijkheden te zoen teneinde met hen te worstelen. Zij zijn niet bereid om ieder belangrijke onderwerp die voor hen geplaatst wordt, onder bedachtzaam en biddend studeren, te onderzoeken, zodat zij met voldoende oplettendheid en belangstelling het ware punt waar het om gaan kunnen zien. Zij spreken over zaken die zij niet volledig en zorgvuldig hebben overwogen.” – Testimonies, Vol. 4, p. 361. {WHR:69.3}

       De Vijand zal zeker alles doen wat in zijn vermogen ligt om allen te doen geloven dat de Schriftgedeelten die hierin behandeld zijn verkeerd zijn geïnterpreteerd {uitgelegd} en dat de Getuigenissen “uit hun verband” zijn “genomen.” Hij heeft reeds in het verstand van zowel leken als bedienaren {predikanten} stevig het verzinsel geplant dat er “geen noodzaak {of behoefte} voor meer waarheid en groter licht” is (Gospel Workers, p. 300), en dat de Geest der Profetie een dergelijke verklaring geeft! Natuurlijk, heeft hij deze twee leugens jaren van te voren in het verstand van de mensen geplant, in een poging om Gods uitverkorenen te verleiden om hun “parel van grote waarde” weg te werpen. Matt. 13:46. De enige verdediging en bescherming voor een ieder, zal daarom hieruit bestaan, dat men hem niet toestaat het verstand te beïnvloeden; mensen zijn namelijk geen paarden die door hun berijders in bedwang moeten worden gehouden door toom en bit.

70

 Laat een ieder op krachtige wijze zijn van God gegeven recht en verantwoording aanwenden om iedere eis van de vijanden aan de vuurproef te onderwerpen, en op eerbare wijze eisen dat de vijanden van de Rekruteerder iets beters produceren, of iets dat tenminste even goed is, in de plaats van wat het brengt van de Schriften, of dat zij anders in “gouden” stilte zwijgen en aanvangen om grondig de Schriften te bestuderen. Verplicht hen om hoofdstuk en vers, bladzijde en alinea, aan te voeren om de betrouwbaarheid van de zo vaan aangehaalde beweringen: “Wij hebben genoeg waarheid om ons naar het einde toe te leiden,” “Wij hebben al het licht dat wij nodig hebben,” te bewijzen. Natuurlijk zullen geen van zulke bewijzen kunnen worden gegeven, want geen van zulke verklaringen zullen worden gevonden in de bladzijden van Inspiratie. Eerder is het een feit dat juist het tegenovergestelde het geval is, zoals bewezen wordt in de vreselijke berisping aan het adres van Laodicea voor hun verkeerde wijze van denken. (Zie Testimonies, Vol. 3, pp. 252, 253.) {WHR:69.4}

       “Al waren Noach, Daniel en Job daar, zo waar Ik leef, zegt de Here God, zij zullen zoon noch dochter redden. Zij zullen door hun gerechtigheid slechts hun eigen zielen redden.” Eze. 14:20. {KJV.} {WHR:70.1}

       “(…) Als de student de kracht om voor zichzelf te richten opoffert, dan wordt hij onbekwaam om te kunnen onderscheiden tussen waarheid en dwaling, en wordt hij een makkelijke prooi voor misleiding. Hij wordt makkelijk aangezet tot het navolgen van traditie en gewoonte (…) Het verstand dat vertrouwt op het oordeel van anderen zal zeker, vroeg of laat, worden misleid.” – Education, pp. 230, 231. {WHR:70.2}

       Tenslotte, broeder en zusters, zult u als studenten met een goede inzicht van de Bijbel en de Geest der Profetie feitelijk gevoelig zijn voor het feit dat de grote meerderheid zich eenvoudigweg niet kan realiseren dat de “schrikbarende aanklacht: van de Heer aan het adres van de

71

 

Laodiceeërs (Testimonies, Vol. 3, p. 252) op hun van toepassing is.  En als zij ervoor kiezen om blind te blijven, dan zult u geen reden hebben om u te verbazen dat zij dus deze scherpomlijnde “ vernieuwing van het onomwonden getuigenis” van de Getrouwe Getuige verwerpen (Gospel Workers, p. 307) “Waaraan het lot van de kerk hangt.” – Early Writings, p. 270. Ook zult u geen reden hebben u te verbazen over het daaraan verbonden feit dat de langverwachte schudding (Early Writings, p. 270) het resultaat zal zijn van sommigen die hun standpunt innemen, tezamen met de boodschappers des lichts, aan de zijde van de Heer, en van anderen die hun standpunt innemen, tezamen met de gezanten der duisternis, aan de kant van de Vijand. {WHR:70.3}

       Allen die de integriteit {*oprechtheid} hebben om tot zover te lezen, en de oplettendheid om Waarheid te herkennen wanneer zij wordt gezien, zullen niet langer meegaan met de Laodicea-menigte, gestaag vasthoudend aan de noodlottige misleiding dat zij “niets meer nodig hebben” (dat zij alle waarheid hebben die nodig is om hen door de paarlen poorten heen te leiden), zelfs als een dergelijke houding van de Heer een leugenaar maakt! Alleen als u voor uzelf hebt gezien, broeders en zusters, zult u zich realiseren hoe waar het getuigenis van de Heer is, en met uw gehele hart uitroepen: “Omdat ik blind was, nu ziek ik.” Johannes 9:25. “Heer, (…) hier ben ik, zend mij.” Jes.6:8. Alleen dan zult u zien dat de 1844 fase van de Derde Engel Boodschap, het oordeel der doden, de fase is die aan haar vooraf gaat, niet haar laatste, — niet het oordeel der levenden. {WHR:71.1}

       Aangezien u in onvergeeflijke verantwoordelijkheid deze reddende Waarheid aan uzelf en aan de wereld verschuldigd bent, zult u nu dan niet besluiten om de genadevolle oproep van de Heer te beantwoorden, en voordeel halen uit deze onvergelijkbare gelegenheid die u in staat stelt om zich te goed te doen aan “voedsel op z’n tijd” terwijl het hier is, en het Heerlijk Land verderop te winnen, zonder dat u maar één cent behoeft te

72

investeren of te riskeren? U hebt niets te verliezen behalve uw zonden, uw angsten, uw zorgen, uw onzekerheden, uw tranen, en alles te winnen. {WHR:71.2}

       Verlies echter nooit uit het oog, dat staan voor progressieve Waarheid {Waarheid die voortschrijdt} een principe en gebruik is die nu eenmaal met een uiterst hoge prijs komt – maar al te vaak zo hoog als een marteling {of marteldood}, en nooit lager dan een excommunicatie {verstoten worden uit de kerk of leefgemeenschap}. {WHR:72.1}

       “De kerk heeft haar toevlucht genomen tot de burgerlijke macht om hen, die als boosdoeners werden beschouwd, te straffen. Zij die verschilden met de gevestigde leer zijn opgesloten, gepijnigd en ter dood gebracht op aanstichten van mensen die beweerden dat zij handelden op bevel van Christus. Maar het is de geest van Satan en niet van Christus die tot zulke handelingen aanspoort. Dit is de methode die Satan gebruikt om de wereld in zijn greep te krijgen. God is op onjuiste wijze voorgesteld geweest door de kerk, die op deze wijze mensen heeft behandeld die als ketters werden beschouwd.” Christ’s Object lessons, p. 74. {Lessen uit het Leven van Alledag, p. 40.} {WHR:72.2}

            Maar aangezien de kerk vandaag feitelijk overal onderworpen is aan de staat, en daarom volkomen machteloos is om de straf van gevangenschap, marteling, en dood op te leggen, zoals haar voorganger {of voorvaderen} dat regelmatig deden, ter afstraffing van zogenaamde ketterij, is de dreiging van excommunicatie dus de hoogste prijs die het kerkgenootschap bij machte is toe te passen op een ieder die het zou wagen om haar slapers te wekken. Gelijkerwijze is het haar sterkste wapen om hen die ontwaakt zijn te overtuigen om te herroepen en weg te kwijnen in het Laodicea sluimeren en slapen. In feite verdiept de tirannieke handelwijze in elk geval de gewaarwording, onder de navolgers van Inspiratie, dat Satans ondermijnende werktuigen het kerkgenootschap volledig onder controle hebben,

73

en al het mogelijke doen om een ieder uit te werpen die het waagt om gehoor te geven aan de Stem van de Almachtige God boven de stem van mensen die worden aanbeden. Ondanks het feit dat zij ooit geheel andere kerkgenootschappen veroordeelden voor het verbannen van non-conformisten {zij die niet overeenstemmen met het standaard gedrag of mening}. Inderdaad horen wij haar luid een dergelijke tirannie afkeuren niet langer terug dan een geringe vijftien jaren geleden, toen zij, in de nu volgende hoofdartikel, verklaarde: {WHR:72.3}

            “Populaire godsdienst is vele mijlen afgeweken van de visie die haar grondleggers hadden. Om nu een ketter te zijn behoeft men slechts de leerstellingen bloot te leggen die oorspronkelijk werden neergelegd in het platform van haar kerkgenootschap. (…) {WHR:73.1}

            “Uit de kerk gegooid omdat men de Bijbel geloofd” Is dat geen droevige commentaar op hedendaagse religie? Geen wonder dat Jezus zei: ‘Wanneer de Zoon des mensen komt, zal Hij geloof vinden op de aarde?'” — Alonzo Baker, Signs of the Times, Feb. 5, 1935, p. 11. {WHR:73.2}

            Maar zij die nu in haar eigen huis een oog dicht doet voor hetzelfde kwaad die zij met kracht veroordeelt in anderen, laat haar even ongeschikt en onbruikbaar voor haar Hemelse taak zoals een stomme hond dat zou zijn (Jes. 56:10) als hij zou worden ingezet om het huis van zijn meester te bewaken. Zij zal niet alleen “niet blaffen” (Testimonies, Vol. 5, p. 211) maar zelfs ook niet de stem van God horen, doe haar onheilige handelwijze veroordeelt, terwijl Hij het geloof en de vastberadenheid van haar “uitgeworpenen” versterkt, zoals dat op profetische wijze wordt geuit in het nu volgend citaat: {WHR:73.3}

            “Hoor het woord des Heren, gij die voor Zijn Woord beeft; uw broeders die u haten, die u uitwerpen ter wille fan Mijn naam, laat de Heer verheerlijkt worden;

74

 maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd staan.” Jes. 66:5 {KJV}. {WHR:73.4}

            “Zalig zijt gij wanneer u de mensen haten en wanneer zij u uitstoten, en smaden en uw naam als slecht verwerpen ter wille van de Zoon des mensen. Verblijdt u te dien dage en springt op van vreugde, want, zie, uw loon is groot in de hemel immer, op dezelfde wijze hebben hun vaderen met de profeten gehandeld.” Lucas 6:22, 23. {WHR:74.1}

            Broeders en zusters, dat u de goede en juiste keuze mag maken, vergewis u van he feit om met het Lam op de Berg Sion te staan, gereed om aan boord te gaan van de vliegende schotel des Hemels (Early Writings pp. 287, 288) bij het weerklinken van de bazuin, het geschal die over de gehele wereld zal worden gehoord wanneer God Zijn oordeel werk beëindigt met Zijn volk en met Zijn bedienaren en haar hoofdkwartier — de Generale Conferentie. {WHR:74.2}

shepherds-rod-white-house-recruiter-recruiting-commission-sheaves

 

De Ministeriele Rekruterings Commissie.

 

— 000 —

75

Verhelderende uitleg betreffende de Nederlandse vertaling

{Clarification information concerning the Dutch translation}

 

Ps. De tussen punthaakjes — {…} — geplaatste tekst is ter verduidelijking door de vertalers aan de tekst toegevoegd.

Bijvoorbeeld: {KJV.}; dit staat voor King James Vertaling.

{De KJV is de vertaling waardoor de Heer tot zijn volk sprak bij het ontstaan van de Advent Beweging. Om de profetische boodschappen en juiste uitleg van de Bijbel goed te kunnen begrijpen, doen wij er goed aan om deze meest accurate, vanuit de grondtekst vertaalde Bijbelvertaling, ter harte te nemen.

   De vertalers van deze Tegenwoordige Waarheid Bijbelstudies hebben het daarom, onder leiding van Gods Geest, nodig geacht om (daar waar het noodzakelijk was) de geciteerde Bijbelteksten zo letterlijk mogelijk te vertalen vanuit de Engelse King James Bijbel. Zou deze procedure niet zijn toegepast, dan zou de uitleg die (door br. V. T. Houteff) gegeven is van de Bijbelteksten, afwijken van de geciteerde teksten uit de andere Bijbelvertalingen.}

   Deze kleine wekelijkse boekjes, waaraan er geen kosten voor u zijn verbonden, zijn van onschatbare waarde voor u. Leest ze en bewaart ze in uw boekenverzameling, want er zal zeker een tijd komen dat u dankbaar zult zijn, dat u uw exemplaar bewaard heeft. Als u één wilt weggeven aan uw Adventistische vrienden of kennissen, kunt u extra kopieën aanvragen of u kunt hun namen en adressen opsturen voor onze post- of correspondentielijst.

76

 

 

77

NOTES

78

NOTES