De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




De Leviticus van de Davidian Zevende dags Adventisten

1

GRONDREGELS (GRONDWET) 3-8
Artikel I————Naam 3
Artikel II———-Doel 5
Artikel III—————Lidmaatschap 5
Artikel IV — Functionarissen en hun taken 5
Artikel V — Sessies 7
Artikel VI — Bij-regels 8
BIJ-REGELS 9-11
Artikel I ——–Bestuursraad 9
Artikel II———Arbeidersvergoeding 10
Artikel III———Inwijding van voorgangers 10
OORSPRONG, NAAM , MISSIE, PATROON 12-20
DE MOZAïSCHE—EEN TEGENHANGER 15
DE DAVIDISCHE—EEN TEGENHANGER 16
DE EZRAïSCHE—EEN TEGENHANGER 17
DE APOSTOLISCHE—EEN TEGENHANGER 18
ORDE 21-27
DE OUD-TESTAMENTISCHE KERK—EEN TEGENHANGER 22
DE NIEUW-TESTAMENTISCHE KERK—EEN TEGENHANGER 24
DISCIPLINE 28-40
OPVOEDING 41
SCHOOL PATROON EN ONDERWIJSPROGRAMMA 41
KWALIFICATIES EN TAKEN VAN LERAARS 51
SAMENWERKING VAN OUDERS 65
KWALIFICATIES VOOR ARTSEN 67
KWALIFICATIES VOOR VERPLEGERS 76
Kwalificaties (eigenschappen voor allen) 80
Kwaliteiten voor kerkleden 87

De Leviticus

van

de Davidian Zevende dags Adventisten (CONCEPT)

Voorwoord

Provisorisch(tijdelijk) zijnde zowel in opbouw als ook in naam, bestaat de Davidian Zevende-dags Adventistische Associatie alleen om een goddelijk toegewezen werk binnen het Zevende-dags Adventistische kerkgenootschap te voltooien, waarin het daarom ook strikt zijn activiteiten bepaalt. Naar mate haar werk daarin tot een afsluiting komt, en de “dienstknechten van onze God”(Openb. 7:3) verzegeld zijn, zal haar naam veranderd worden(Jes 56:5; 62:2 ;65:15) en haar doel en haar werk alles-omvattend zijn tot het evengelie (Matt 17:11; Handelingen 3:21; Jes 61:4-7). Dan zullen haar Grondregels en Bijregels, zoals ze hierin geordend zijn, volledig werkzaam worden. {LDSDA: 2.1}

2

 GRONDREGELS (GRONDWET)

Artikel I————Naam

Afdeling 1. Deze Associatie zal tijdelijk bekend staan als de Davidian Zevende dags Adventisten, de profetische spruit van de ouder{lijke} Zevende-dags Adventistische, de Laodiceaanse, kerk. {LDSDA: 3.1}

     De naam: Davidian, afleidend van de naam van de koning van het Oude Israel, komt aan deze Associatie toe uit hoofde van haar volgende aspecten :Ten eerste, is het toegewijd aan het werk van het aankondigen en tot stand brengen van de restauratie {het herstel} (zoals voorzegd in Hosea 1:11; 3:5) van Davids Koninkrijk in antitype, de troon  waarop Christus, “de zoon van David,”zal zitten. Ten tweede, stelt het zichzelf voor als te zijn de eerste van de eerste vruchten van de levenden, de voorhoede van tussen de hedendaagse afstammelingen van die Joden die deel uitmaakten van de Vroegere (Eerste) Christelijke Kerk. Met het verrijzen van deze voorhoede en haar leger, de eerste vruchten, uit welke 12.000 zijn uitverkoren uit elk der twaalf stammen van Jakob, “de 144.000” (Openb. 14:1; 7:2-8) welke staan op de berg Sion met het Lam (Openb. 14:1; 7:2-8), vangt de regering aan van de antitypische David. {LDSDA: 3.2}

3

De naam Zevende-dags Adventist ,welke deze Associatie erft van de moeder organisatie, is tijdelijk (Jes. 62:2) en  alleen voor de duur van haar werk binnen de moeder organisatie. {LDSDA: 4.1}

 Afdeling 2

De literatuur van de Associatie, De Shepherd’s Rod Series (Herdersstaf Series), trekt zijn titel uit de staf van Mozes de herder van Midian. In de  uittocht in zijn dagen, was het de staf die de kinderen van Israel vrijmaakte van de Egyptenaren en later de wateren sloeg van de Rode Zee, zodoende voorziend in een toevluchtsoord voor de vluchtelingen en een dodelijke val opstellend voor hun achtervolgers.Om deze reden heeft de literatuur de naam “Shepherd’s Rod”

{“Herdersstaf“}, om haar speciale werk te identificeren en te onderscheiden, waarvan Jesaja schreef: “Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland , en van Elam en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee” (Jesaja 11:11);  en om te attenderen op de opmerkelijke vervulling van Micha’s profetie: “De stem des Heeren roept tot de stad, en de man van wijsheid zal Uw naam zien: Hoort gij de roede, en Wie ze besteld heeft”. Micha 6:9 {KJV}. {LDSDA: 4.2}

4

Artikel II———-Doel

Afdeling I

Het doel van deze Associatie is om onder Gods volk die reformatie voort te brengen waartoe opgeroepen wordt in Testimonies for the Church {Getuigenissen voor de Kerk}, Deel 9, blz.126, als een noodzakelijk vereiste beweging voor het luiden van de “Oproep van het Elfde Uur” ( Matt. 20 :6,7) van “het eeuwigdurende evangelie. … naar elke natie , en geslacht , en taal en volk”. Openb. 14:6. Door deze oproep, de Luide Roep van de drie engelen-boodschap, zal het “het volk van de heiligen des Allerhoogsten”(Dan 7:27) bijeenvergaderen, in het koninkrijk “dat in der eeuwigheid niet zal venietigd worden…..maar….zal al die koninkrijken in stukken breken  en verteren” Dan 2:44 {KJV}. Aldus zal het inluiden de regering van Christus als Heer der heren en Koning der koningen over geheel de aarde voor eeuwig. {LDSDA: 5.1}

Artikel III—————Lidmaatschap

Afdeling I

Het lidmaatschap van deze Associatie zal alleen bestaan uit personen die de gehele geloofsovertuiging onderschrijven en in hun leven de totale agenda (alle besproken onderwerpen) van de voorgenoemde Associatie verwezenlijken. {LDSDA: 5.2}

Artikel IV — Functionarissen en hun taken

Afdeling I

(a)  De standaard functionarissen van deze associatie zullen zijn

–     een president,

–     een vice president

–     een secretaris(esse)

–     een penningmeester {LDSDA: 5.3}

5

(b)De president zal geroepen en gekozen worden volgens de procedure voortvloeiend uit

Exodus, hoofdstuk 3 , verzen 10, 15 en 16; hoofdstuk 4, vers 17; Ezechiel, hoofdstuk     3,vers 17; en Lukas, hoofdstuk 6, vers 13. {LDSDA: 6.1}

(c)Alle andere functionarissen van deze Associatie, zullen aangesteld worden volgens de procedure voortvloeiend uit Numeri, hoofdstuk 11, verzen 16, 17, 24 en 25, en

 Handelingen 6:1 tot 7 en hoofdstuk 13, verzen 1 tot en met 3. {LDSDA: 6.2}

Afdeling II

De president zal, zoals getypeerd in Exodus, hoofdstuk 4, en in Numeri, hoofdstuk 16, verzen 12 en 25 tot en met 32, handelen als voorzitter van de Bestuursraad (Uitvoerend Orgaan), als hoofd bestuurder van de aangelegenheden van de Associatie, en als een werker en  voorganger in het algemeen belang van de Associatie. {LDSDA: 6.3}

Afdeling III

De vice president zal, in overeenstemming met het voorbeeld opgetekend in Exodus, hoofdstuk 7, verzen 1 en 2, de president assisteren in het beheren van de aangelegenheden van de Associatie. {LDSDA: 6.4}

6

Afdeling IV

De secretaris zal de voortgang van alle bijeenkomsten van de Associatie bijhouden en andere taken uitoefenen die gepaard gaan met het bekleden van een dergelijke functie. {LDSDA: 7.1}

Afdeling V

De penningmeester zal alle fondsen van de Associatie in ontvangst nemen en ze uitbetalen volgens de voorbeelden opgetekend in de volgende schriftgedeelten: Exodus, hoofdstuk 36, vers3; Ezra, hoofdstuk 8, verzen 21, 24 tot en met 30; Handelingen, hoofdstuk 4, verzen 35 tot en met 37; en hoofdstuk 6, vers 3. {LDSDA: 7.2}

Artikel V — Sessies

Afdeling I

De Associatie zal regelmatig vergaderingen {zittingen} houden op die tijden en plaatsen die de Bestuursraad zal aangeven door een melding, gepubliseerd in The Symbolic Code {De Symbolische Code}, het officiele orgaan van de organisatie, in twee opeenvolgende afleveringen voorafgaand aan de datum van de opening van de vergadering. {LDSDA: 7.3}

Afdeling II

(a)  Speciale vergaderingen mogen opgeroepen worden, op dezelfde manier als een gewone vergadering wordt opgeroepen. {LDSDA: 7.4}

(b)  De besluiten genomen bij een speciale vergaderingen zullen dezelfde kracht hebben als die genomen bij de gewone vergaderingen. {LDSDA: 7.5}

Artikel VI — Bij-regels

7

Afdeling 1

Bij-regels mogen elke voorziening omvatten die niet in tegenstelling is met de Grondregels. {LDSDA: 8.1}

Afdeling II

De Associatie mag bij elke vergadering ervan,bijregels in werking doen treden, verbeteren of herroepen, door zulks een representatie en stemming zoals is uitgebeeld in The Acts of the Apostles, blz 195, 196 {Van Jeruzalem tot Rome, blz 144,145}. {LDSDA: 8.2}

8

  BIJ-REGELS

Artikel I ——–Bestuursraad

Afdeling I

(a)  De Bestuursraad zal het patroon hebben de raad zoals is beschreven in Handelingen, hoofdstuk 6, verzen 2 tot en met 6. {LDSDA: 9.1}

(b)  Het zal volledige bestuurlijke en administratieve kracht hebben tussen de vergaderingen {sessies}van de Associatie in. {LDSDA: 9.2}

(c)  Het zal bekleed worden met de bevoegdheid om geloofsbrieven en vergunningen te verstrekken, en vacatures te vervullen die mogen ontstaan in elk van de functies van de Associatie, met uitzondering van de functie van President. {LDSDA: 9.3}

Afdeling II

Een meerderheid van de volle lidmaten van de Bestuursraad zal, na tijdige bekendmaking aan de beschikbare leden, een quorum {vereist aantal leden} aanstellen van de Bestuursraad. {LDSDA: 9.4}

Afdeling III

(a)  Bestuursvergaderingen mogen door de voorzitter of door ieder ander lid van het  Bestuur door hem aangewezen of gedelegeerd, bijeengeroepen worden. {LDSDA: 9.5}

(b)Bestuursvergaderingen mogen op ieder tijdstip samengeroepen worden. {LDSDA: 9.6}

 (c)Ze zullen gehouden worden op het algemene hoofdkantoor, tenzij anders aangegeven door een quorum van de Bestuursraad. {LDSDA: 9.7}

Afdeling IV

Bestuursvergaderingen met een minimum aantal van minder dan 7 leden van de Raad, mogen gehouden worden bij het Algemene Administratie Kantoor

9

 voor de transactie van noodzakelijke of routine zaken. {LDSDA: 9.8}

Artikel II———Arbeidersvergoeding

Afdeling I

De vergoedingen en uitgaven van alle arbeiders in dienst van de Associatie zullen bepaald en aangepast worden door de Bestuursraad. {LDSDA: 10.1}

Afdeling II

(a)  De hoofdzakelijk werkbare fondsen van de Associatie zullen bestaan uit de tienden en de offers. {LDSDA: 10.2}

(b)  Onverwachte fondsen zullen bestaan uit donaties, legaten, nalatenschappen en interne opbrengsten. {LDSDA: 10.3}

Artikel III———Inwijding van voorgangers

Afdeling I

(a)  De Davidian Zevende-dags Adventisten zullen alleen de schriftuurlijke wet van inwijding erkennen; te weten 1-dat de roep tot voorganger van het evangelie van God tot de indivudu moet komen en dat 2- het opgevolgd dient te worden in strikte getrouwheid aan de vereisten van de evangelie orde, zoals afgekondigd in Lukas, hoofdstuk 10, verzen 3 tot en met 9; Mattheus, hoofdstuk 10, verzen 5 tot en met 11;en 1 Timotheus, hoofdstuk 3, verzen 1 tot en met 7. {LDSDA: 10.4}

(b)  Als en wanneer ten volle bewijs is geleverd dat in de bediening van iemand deze vereisten vervuld worden, zal de Bestuursraad bevoegdheid erkennen

10

van zijn roeping om deel te nemen aan het heilige werk van de  bediening zoals fundamenteel wordt gedefinïeerd in Mattheüs, hoofdstuk 10, en zal hem of inwijden of vergunning (toestemming) verlenen zoals het geval  het rechtvaardigt. {LDSDA: 10.5}

Afdeling II

Een ingewijde voorganger zal bekleed zijn met het recht om  de waarheden te prediken en te onderwijzen, de grondbeginselen, en de lessen, en om de bedienende ambten{taken}, diensten en ceremonies{vormelijkheden}uit te voeren, zoals uiteengezet in de Schriften. {LDSDA: 11.1}

Afdeling III 

Een voorganger die (vergunning) toestemming is verleend zal bekleed zijn met het recht tot het prediken en onderwijzen van de waarheden,de grondbeginselen en de lessen, zoals uiteengezet in de Schriften, maar niet om de bedienende ambten, diensten en ceremonies uit te voeren, behalve bij gelegenheden die gerechtvaardigd worden door speciale, door de Raad bevoegdheidgevende, uitgesproken rechten . {LDSDA: 11.2}

11

OORSPRONG, NAAM , MISSIE, PATROON

De Davidians zijn de zijtak van het vervallen Zevende-dags Adventisme, profetisch voorgesteld in Ezechiël, hoofdstuk 9. Haar leden zijn voornamelijk zij die uitgeworpen zijn en beroofd zijn van de gemeenschap van hun Zevende-dags Adventisten kerken. Zodoende gescheiden van hun kerk en haar naam ontzegd {zijnde}omdat ze gehoor hebben gegeven aan de stem van de Staf, de stem van de Goede Herder, worden zij geroepen door de naam, vastgelegd in het werk van de Staf, “Davidian Zevende-dags Adventisten,” tot de tijd wanneer ze  zullen worden “genoemd met een nieuwe naam”, welken des Heeren mond noemen zal “Jesaja 62:2. {LDSDA: 12.1}

Aldus onstaan uit noodzaak, en niet uit keus, is deze Associatie binnen de Zevende-dags Adventisten organisatie voorbestemd tot het werk met een drievoudig doel: 1. Het moet gaan tot het huis van “Israël en Juda” (Ezech. 9:9), en “om de genodigden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed”. Lukas 14:17. En hoewel zij die het eerst de oproep horen zichzelf zullen verontschuldigen (verzen 18-20),  zullen “de armen en verminkten en kreupelen en blinden”van “de straten en wijken der stad” (verzen 21, 22) gehoor geven. 2. Dienovereenkomstig, moet het die “grote reformatorische beweging” tot stand brengen en de reiniging waartoe over geroepen wordt “onder Gods volk” Testimonies for the Church {Getuigenissen voor de Kerk}, Vol. 5, blz. 80;

12

Vol. 9, blz. 126. Met de uit dit werk resulterende vruchten., de eerste van de oogst, zal het het Koninkrijk inluiden (Micha 4:1,2). 3. Dan zal het met een luide roep “gaan op de hoofdwegen en paden (Lukas 14:23), verkondigende “het eeuwige evangelie……tot hen die op de aarde wonen, en aan alle natie, en stam, en taal, en volk ”(Openb 14:6) “dopend…..in de naam van de Vader ,en van de Zoon, en van de Heilige Geest: hen lerende te onderhouden al wat” Christus geboo. (Matt 28:19, 20). Met de uit dit werk resulterende vruchten, de tweede van de oogst, zal het het Koninkrijk vergroten totdat het de gehele aarde vervult (Dan. 2 :35). {LDSDA: 12.2}

Zodoende, in het demonstreren “door machtige tekenen en wonderen, door de kracht van de Geest van God (Rom 15:19), de machtige kracht van het Koninkrijk , zal het een wereldwijde getuigenis geven dat Christus met Zijn kerk is “altijd tot aan de voleinding der wererld” Matt. 28:20. {LDSDA: 13.1}

Profetisch geroepen in de wijngaard des Heeren op “het elfde uur,” verkondigen de Davidian Zevende-dags Adventisten de Tegenwoordige Waarheid geopenbaard in het ontvouwen van de profetische boekrol (Testimonies For the Church {Getuigenissen voor de Kerk}, vol 6 blz. 17). Haar ernstige waarheden “openen voor hen die beslag leggen op de goddelijke verzekeringen van Gods Woord,” “wonderbaarlijke mogelijkheden” en

13

“voorrechten en verplichtingen welke zij zelfs niet verwacht hadden in de Bijbel te zijn.” — Testimonies for the Church, Vol 8, blz. 322. {LDSDA: 13.2}

Als fundament voor hun structuur van Schriftuurlijke interpretaties, houden de Davidians vast dat “de ervaringen van Israël opgetekend zijn voor onze instructie {onderricht}” (Education p. 50, {Karaktervorming, blz.50}); dat “al deze dingen” inderdaad “met hun gebeurd zijn als voorbeelden ; en…..opgetekend staan ter waarschuwing voor ons, over wie de einden der eeuwen gekomen zijn” (1 Cor 10:11); dat daarom, waar er geen fundamentele type is, er ook geen fundamentele waarheid, een antitype, is, en ook  niet kan zijn; en dat als gevolg zij die niet “luisteren naar…..Mozes en de profeten, zich ook niet laten gezeggen indien iemand uit de doden opstond.”Lukas 16:31. {LDSDA: 14.1}

Dienovereenkomstig, omarmt deze reformatorische {hervormende} Associatie, onderdeel van de Zevende-dags Adventisten organisatie, een alles bijbehorende Schriftuurlijke fundamentalisme. En het is dientengevolge begiftigd met Grondregels en Bijregels belichamend de bestuurlijke principes en systemen van de viervuldige nalatenschap van de Exodus beweging,  het Davidiaanse Koninkrijk, de Richters, en de Apostelen , zoals toegelicht in De Geest der Profetie in de volgende passages, openbarend dat GOD het middelpunt van gezag is dat mannen {mensen} door Hem aangewezen de bestuurders zijn van Zijn wet: {LDSDA: 14.2}

14

BESTURING

DE MOZAïSCHE—EEN TEGENHANGER

“Het bestuur van Israël werd gekenmerkt door een uiterst grondige organisatie, wonderbaar gelijkend door haar eenvoud en volkomenheid. De orde, die zo kenmerkend was in volmaaktheid en regering van al Gods geschapen werken, openbaarde zich in de Hebreeuwse economie. God was het middelpunt van het gezag en het bestuur, de Soeverein {hoogste, onovertroffene} van Israël. Mozes was hun zichtbare leider, door God hiertoe aangewezen, om de wetten in zijn naam te handhaven. Uit  de oudsten van de stammen werd een raad van  zeventig gekozen om Mozes te assisteren in de algemene belangen van het volk. Daarnaast kwamen  de priesters, die de Here dienden in het heiligdom. Hoofdmannen werden aangesteld over de stammen. Onder dezen waren “oversten over duizend, oversten over honderd, oversten over vijftig en oversten over tien” {Deutoronomium 1:15}, en ten slotte beambten die voor speciale taken werden aangewezen.”—Patriarchs and Prophets, blz.374 {Patriarchen en Profeten, blz. 338}. {LDSDA: 15.1}

“In harmonie met dit plan ‘koos Mozes flinke mannen en stelde hen aan als hoofden over het volk, oversten van duizend, oversten van honderd, oversten van vijftig, en oversten van tien. Dezen spraken te allen tijde recht onder het volk; de moeilijke zaken brachten zij tot Mozes, maar alle kleine zaken berechtten zij zelf.’ {Exodus 18:19-26}.” {LDSDA: 15.2}

15

“Toen Mozes later zeventig oudsten uitkoos, die met hem de verantwoording van het leiderschap zouden dragen, zorgde hij ervoor dat hij als zijn helpers waardige mannen uitkoos, die een gezond oordeel en ervaring bezaten. In zijn toespraak tot de oudsten, bij gelegenheid van hun ambtsaanvaarding, beschreef hij enige van de hoedanigheden die iemand moet bezitten om een wijs bestuurder in de gemeente te zijn. ‘Hoort de geschillen tussen uw broeders’, sprak Mozes, ‘en oordeelt rechtvaardig tussen de een en de ander, of dit diens broeder is dan wel de vreemdeling die bij hem woont. Gij zult in de rechtspraak de persoon niet aanzien; gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke; gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is Godes.’ {Deutoronomium 1:16, 17}.”—The Acts of the Apostles, blz. 93, 94 {Van Jeruzalem tot Rome, blz.67}. {LDSDA: 16.1}

“Israël werd bestuurd in naam en op gezag van God. Het werk van Mozes, van de zeventig oudsten en van de oversten en richters was alleen om nadruk te leggen op de wetten die God gegeven had; ze hadden niet de bevoegdheid wetten uit te vaardigen voor het volk. Dit was en zou zijn de voorwaarde voor het voortbestaan van Israël als natie. Van tijd tot tijd zond God mannen die door Hem waren geïnspireerd om het volk te onderrichten en toe te zien op de naleving der wetten.” — Patriarchs and Prophets, blz.603 {Partiarchen en Profeten, blz. 552}. {LDSDA: 16.2}

DE DAVIDISCHE—EEN TEGENHANGER

“Koning David gaf tegen het einde van zijn regering een ernstige opdracht aan degenen die in zijn dagen de verantwoording van het werk voor God hadden

16

te dragen. Bijeengeroepen hebbende ‘alle oversten van Israël, de oversten der stammen, de oversten van de afdelingen die de koning dienden, de oversten over duizend, de oversten over honderd en de beheerders van alle have en vee van de koning en van zijn zonen, tezamene met de hovelingen, de helden en alle weerbare mannen’, beval de oude koning hen plechtig ‘ten aanschouwen van geheel Israël, de gemeente des Heren, en ten aanhoren van onze God,’ te onderhouden  en onderzoeken ‘alle geboden van de Here, uw God.’{1 Kronieken 28:1,8.} {LDSDA: 16.3}

“Aan Salomo, die geroepen was om een verantwoordelijke, leidende positie te bekelden, gaf David een speciaal bevel: ‘En gij, mijn zoon Salomo, ken de God van uw vader, en dien Hem met een volkomen toegewijd hart en een bereidwillig gemoed, want de Here doorzoekt alle harten en doorgrondt al wat de gedachten beramen. Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden; doch indien gij Hem verlaat, zal Hij u voor eeuwig verwerpen. Zie nu, hoe de Here u heeft verkoren; …wees sterk.’{1 Kronieken 28:9,10}.”—The Acts of the Apostles, blz.94,95{Van Jeruzalem tot Rome, blz.67,68}. {LDSDA: 17.1}

DE EZRAïSCHE—EEN TEGENHANGER

Wederom: “Als bijzondere voorzorg in het beschermen van de schatten zonderde Ezra twaalf van de oversten der priesters af, mannen

17

wier trouw gebleken was, en woog voor hen ‘het zilver af en de voorwerpen die de heffing voor het huis van onze God waren, die de koning, zijn raadsheren, zijn vorsten en alle Israëlieten die zich daar bevonden, als heffing hadden gebracht.’ Deze mannen kregen de ernstige opdracht  als waakzame rentmeesters zorg te dragen voor de schatten die hun waren toevertrouwd. ‘Gij zijt de Here geheiligd’ zei Ezra; ‘evenzo zijn deze voorwerpen geheiligd, en het zilver en het goud zijn een vrijwillige gave voor de Here, de God uwer vaderen; bewaakt ze en houdt ze onder uw hoede, totdat gij ze kunt afwegen in het bijzijn van de oversten der priesters, van de Levieten en van de oversten van Israël’s familie te Jeruzalem, in de vertrekken van het huis des Heren.’{Ezra 8: 24,25,28,29}. {LDSDA: 17.2}

“De zorg, door Ezra getoond bij de voorzieningen voor het vervoer en de veiligheid van de schatten des Heren, leert een les die de moeite van nauwgezette studie waard is. Alleen zij die betrouwbaar waren gebleken, werden uitgekozen; en ze kregen duidelijke voorschriften betreffende de verantwoordelijkheid die op hen rustte. Bij het aanwijzen van betrouwbare beambten als schatbewaarders van de goederen van de Heer, erkende Ezra de noodzaak en de waarde van orde en organisatie in verband met Gods werk..”–Prophets and Kings, blz.616,617{Profeten en Koningen, blz.377}. {LDSDA: 18.1}

DE APOSTOLISCHE—EEN TEGENHANGER

“Dezelfde beginselen van vroomheid en rechtvaardigheid waardoor de bestuurders van Gods volk zich in de tijden van Mozes en van David moesten laten leiden, moesten ook worden gevolgd door degenen aan wie het

18

toezicht van de nieuw georganiseerde gemeente van God in de Christelijke bedeling was opgedragen.  Bij het regelen van zaken in alle gemeenten en bij de inzegening van geschikte personen om als ambtsdragers dienst te doen, hielden de apostelen zich aan de hoge maatstaven die in het Oude Testament staan aangegeven. Zij hielden eraan vast dat een ieder die in de gemeente een verantwoordelijke, leidende positie bekleedt, moet zijn: ‘onberispelijk als een beheerder van het huis Gods, niet aanmatigend, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, niet op oneerlijke winst uit, maar gastvrij, met liefde voor wat goed is, bezadigd, rechtvaardig, vroom, ingetogen, zich houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen’ {Titus 1:7-9}.” — The Acts of the Apostles, blz. 95 {Van Jeruzalem tot Rome, blz.68}. {LDSDA: 18.2}

“Na een vergadering te hebben bijeengeroepen, ontwierpen de apostelen, onder leiding van de Heilige Geest, een plan tot een betere organisatie van alle werkkrachten in de gemeente. De tijd was gekomen, zo voerden de apostelen aan, dat de geestelijke leiders die met het toezicht op de gemeente waren belast, van de taak tot uitdeling aan de armen en dergelijke zouden worden ontheven, opdat zij ongehinderd het evangelie konden prediken. Daarom zeiden zij: ‘Ziet dan uit, broeders, naar zeven mannen onder u, die goed bekend staan, vol van de Heilige Geest en wijsheid, opdat wij hen voor deze taak aanstellen; maar wij zullen

19

ons voortdurend houden aan het gebed en de bediening van het woord.’ Deze raad werd opgevolgd, en dor gebed en handoplegging werden de zeven gekozen mannen plechtig voor het ambt van diakenen afgezonderd. {LDSDA: 19.1}

“De benoeming van de zeven die het toezicht kregen op speciale werkzaamheden in de gemeente, bleek een grote zegen te zijn. Deze ambtsdragers schonken nauwkeurig aandacht aan de individuele noden zowel als aan de algemene financiële aangelegenheden der gemeente. Door hun voorzichtig beleid en hun godvruchtig voorbeeld waren zij een belangrijke steun voor hun mede-arbeiders  om de verschillende belangen der gemeente tot één geheel samen te bundelen. {LDSDA: 20.1}

“Dat deze stap in overeenstemming was met Gods plan, bleek uit de onmiddelijk daaropvolgende resultaten ten goede die werden waargenomen. ‘En het woord Gods wies en het getal der discipelen te Jeruzalem nam zeer toe en een talrijke schare van de priesters gaf gehoor aan het geloof.’ Deze zielenoogst as toe te schrijven zowel aan de  grotere bewegingsvrijheid die de apostelen verkregen, alsook aan de ijver en geestesgaven waarvan de zeven diakenen blijk gaven. Het feit dat deze broeders tot het speciale werk  van armenzorg waren ingezegend, sloot hen niet uit van de leraarsambt. Integendeel, zij waren volkomen bekwaam om anderen in de waarheid te onderwijzen en zij gaven zich met grote ernst en met succes aan het werk.” — Idem, blz. 89, 90 {Van Jeruzalem tot Rome, blz. 64, 65}. {LDSDA: 20.2}

20

ORDE

“God is een God van orde. Alles wat met de hemel verbonden is, is in volmaakte harmonie; onderdanigheid en grondige discipline kenmerken de hemelse heerscharen. Succes kan slechts plaatsvinden waar orde en harmonie bestaan.  Evenals in de dagen van Israël eist God ook nu orde en regelmaat in Zijn werk. Allen die voor Hem werken, moeten op verstandige wijze werken, en niet op een zorgeloze willekeurige manier. God wil dat Zijn werk getrouw en nauwgezet wordt verricht, zodat Hij daarop het zegel van Zijn goedkeuring kan plaatsen.”—Patriarchs and Prophets,blz.376{Patriarchen en Profeten, blz.340}. {LDSDA: 21.1}

“ ‘Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de gemeenten der heiligen.’ Hij verlangt dat bij de behandeling van gemeentelijke aangelegenheden heden ten dage evenzo orde en regel in acht worden genomen al in de dagen van ouds. Hij wenst dat Zijn werk met vastberadenheid en nauwgezetheid zal worden verricht, zodat Hij het met Zijn zegel kan bekrachtigen. Christen moet met Christen, geneemte met gemeente verenigd zijn, het menselijk werktuig moet met God samenwerken, iedere arbeidskracht onderdanig aan de Heilige Geest, en allen te zamen verenigd om de wereld de blijde boodschap van Gods genade te brengen.”—The Acts of the Apostles,blz.96{Van Jeruzalem tot Rome,blz.69}. {LDSDA: 21.2}

“Tijd en krachten van degenen die door Gods voorzienigheid op verantwoordelijke, leidende posten in de gemeente zijn geplaatst, behoren te worden gebruikt bij het afdoen van meer gewichtige zaken die bijzondere

21

wijsheid en grootmoedigheid vorderen. Het ligt niet in gods bedoeling dat op zodanige personen een beroep wordt gedaan voor de berechting  van minder belangrijke zaken waartoe anderen zeer wel de bekwaamheid bezitten om deze af te handelen. Jethro stelde Mozes voor, dat ‘zij alle grote zaken voor u brengen, maar alle kleine zaken zullen zij zelf berechten, zodat zij u verlichting geven en met u meedragen. Indien gij dit doet en God het u gebiedt, dan zult gij staande kunnen blijven en zal ook al dit volk tevreden naar zijn woonplaats gaan.’”– The Acts of the Apostles, blz.93{Van Jeruzalem tot Rome, blz.67}. {LDSDA: 21.3}

DE OUD-TESTAMENTISCHE KERK—EEN TEGENHANGER

“Het Hebreeuwse kamp was in volmaakte orde gerangschikt. Het was verdeeld in drie grote afdelingen, die elk een bepaalde positie innamen in de legerplaats. In het midden stond de tabernakel, de wooplats van de onzichtbare Koning. Rond het heiligdom woonden de priesters en de Levieten. Daarachter bevonden zich alle andere stammen.”  {LDSDA: 22.1}

“De Levieten hadden tot taak te zorgen voor de tabernakel en ales wat daarmee verbonden was, zowel in het legerkamp als op reis. Als het kamp werd opgebroken, moesten ze de tabernakel afbreken; bij de volgende pleisterplaats moesten ze deze oprichten.  Niemand van een andere stam mocht naderbij komen, op straffe des doods. De Levieten waren verdeeld in drie afdelingen, de afstammelingen van de drie zonen van Levi, en elke afdeling had zijn speciale

22

plaats en werk. Voor de tabernakel, het dichts in de nabijheid ervan, stonden de tenten van Mozes en Aäron. Ten zuiden waren de Kohatieten, die voor de ark en het verdere gereedschap moesten zorgen; ten noorden de Merarieten, die moesten zorgen voor de  pilaren, de voetstukken, planken, enz.; en achteraan de Gersonieten, die de zorg hadden voor de gordijnen en kleden. {LDSDA: 22.2}

“Ook de positie van elke stam was bepaald. Ieder moest achter zijn eigen vaandel gaan en zich legeren, zoals de Here bevolen had: ‘De kinderen Israëls zullen zich legeren, ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis van hun vaderen; op een afstand zullen zij zich rondom de tent der samenkomst legeren.’ ‘Zoals zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een ieder aan zijn plaats, naar hun banieren.’{Numeri 2: 2,17}. De menigte van allerlei slag die Israël vanuit Egypte had vergezeld, mocht niet samenwonen met de stammen, maar moest buiten de legerplaats blijven; en hun nakomelingen werden tot het derde geslacht buiten de gemeente gesloten.{Deutoronomium 23:7,8}. {LDSDA: 23.1}

* * *

“Op alle reizen van Israël ging ‘de ark van het verbond des Heren  vóór hen uit…om voor hen een rustplaats te zoeken.’{Numeri 10:33}. De heilige kist, die gedragen werd door de zonen van Kehat, welke Gods heilige wet bevatte, moest de stoet leiden. Vooraan gingen Mozes en Aäron, en de priesters die zilveren

23

bazuinen bij zich hadden, bevonden zich in de nabijheid. Deze priesters kregen aanwijzingen van Mozes, die ze door middel van hun bazuinen aan het volk moesten doorgeven. Het was de taak van de leiders van elke groep om nauwkeurig aan te geven wat gedaan moest worden, zulks naar de bevelen via de bazuinen. Wie naliet zich te houden aan de gegeven aanwijzingen, werd met de dood bestraft.”—Patriarchs and Prophets, blz.374,375,376{Patriarchen en Profeten, blz.338,339,340}. {LDSDA: 23.2}

DE NIEUW-TESTAMENTISCHE KERK—EEN TEGENHANGER

“Alleen in verbondenheid met Christus konden de discipelen op de begeliedende kracht van de Heilige Geest en de medewerking van de engelen des hemels hopen. Met de hulp van deze hemelse machten zouden zij de wereld en anengesloten front kunnen tonen, en zouden zij in de strijd die zij zonder ophouden tegen de machten der duisternis moesten voeren, overwinnen. Indien ze zouden voortgaan endrachtig te werken, zouden hemelse boden voor hen uitgaan om hun weg te banen; harten zouden voor de waarheid ontvankelijk worden gemaakt en bvelen zouden voor Christus worden gewonnen. Zolang zij eensgezind bleven, zou de gemeent voortgaan ‘schoon als de maan, helder als de zon, en verschrikkelijk als een leger met banieren.’{Hooglied 6:10, KJV}. Niets zou haar voortgang kunnen tegenhouden. De gemeente zou van overwinning tot overwinning optrekken, en haar goddelijke roeping om de wereld het evangelie te verkonigen, heerlijk vervullen. {LDSDA: 24.1}

24

“De organisatie van de gemeente te Jeruzalem moest als voorbeeld dienen voor de organistatie van gemeenten in iedere plaats waar boodschappers der waarheid bekerlingen tot het evangelie zouden winnen. Degenen aan wie de verantwoording van het algemeen toezicht over de gemeente was opgedragen, moesten niet over gods erfdeel heersen, maar als wijze herders moesten zij ‘de kudde Gods’ hoeden, ‘ …als voorbeelden der kudde geworden zijnde.’{1 Petrus 5:2,3}. En de diakenen moesten zijn: ‘mannen, die goed bekend staan, vol van de Heilige Geest en wijsheid.’ Deze mannen moesten zich gezamenlijk aan de zijde van het recht stellen, en dit vastberaden  en afdoende handhaven. Zo zouden zij een samenbindende invloed op de gehele kudde uitoefenen. {LDSDA: 25.1}

“Toen zich later in de geschiedenis van de eerste gemeente vele groepen van gelovigen in verschillende delen der wereld tot gemeenten hadden verenigd, werd de organisatie der gemeente verder verbeterd, zodat orde en harmonieuze samenwerking bleven gehandhaafd. Ieder lid werd gemaand zijn plicht goed te volbrengen. Iedereen moest van de hem toevertrouwde talenten een verstandig gebruik maken. Sommigen watren door de Heilige Geest met bijzondere gaven begiftigd—‘ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten{wonderen}, daarna gaven van genezing, (bekwaamheid) om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen.’ {1 Korintiërs 12:28}. Doch al deze groeperingen van werkers moesten in harmonie samenwerken. {LDSDA: 25.2}

“ ‘Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest; en er is verscheidenheid in

25

bedieningen, maar het is dezelfde Here; en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt. Maar aan een ieder wordt de openbaring van de geest gegeven tot welzijn van allen. Want de een wordt door de Geest gegeven met wijsheid te spreken, en de ander met kennis te spreken krachtens dezelfde Geest; de een geloof door dezelfde Geest en de ander gaven van genezingen door die ene Geest; de een werking van krachten, de ander profetie; en weer een ander vertolking van tongen. Doch dit alles werkt één en dezelfde Geest, die een ieder in het bijzonder toedeelt, gelijk Hij wil. Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van het lichaam, hoe velen ook, één lichaam vormen, zo ook Christus’{1 Korinthiërs 12:4-12}.”—The Acts of the Apostles, blz.90-92 {Van Jeruzalem tot Rome,blz.65,66}. {LDSDA: 25.3}

“De ordening die in de eerste, christelijke gemeente in stand werd gehouden, stelde hen in staat om als een welgeordend leger, bekleed met de wapenrusting Gods, als één man voorwaarts te trekken. Ofschoon de groepen van de gelovigen over een uitgestrekt gebied waren verspreid, waren zij toch allen leden van één lichaam. Allen leefden in samenwerking en in overenstemming met elkander. Wanneer in een plaatselijke gemeente twedracht heerste, zoals later in Antiochië en elders het geval was, en de gelovigen het niet eens konden worden, liet men zich niet toe

26

 dat deze zaken een oorzaak van verdeldheid in de gemeente werden, maar werden zij verwezen naar een algemene raad van het gehjele lichaam der gelovigen, bestaande uit afgevaardigden van de verschillende plaatselijke gemeenten, onder de verantwoordelijke leiding van de apostelen en de ouderlingen. Op deze wijze werd aan de pogingen van Satan om de afzonderlijke gemeenten aan te vallen, door een eensgezind handelen van alle afgevaardigden het hoofd geboden, en werden de plannen van de vijand om scheuring en vernietiging te weeg te brengen, verijdeld.”—Idem, blz.95, 96 {Van Jeruzalem tot Rome, blz.68,69}. {LDSDA: 26.1}

“Nadrukkelijk leert de Bijbel ons dat we ons moeten wachten om niet lichtvaardig hen te beschuldigen die God heeft geroepen als Zijn gezanten. De apostel Petrus zegt, als hij een klas vcan openbare zondaars beschrijft: ‘Zulke vermetelen, vol van zelfbehagen, schromen niet de herlijkheden te lasteren, terwijl engelen, hun merderen in sterkte en macht, bij de Here geen smadelijk oordeel tegen deze inbrengen.’{2 Petrus 2:10,11}. En Paulus zegt in zijn onderricht aan hen die over de gemente zijn geplaatst: ‘Gij moet geen klacht tegen een oudste aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn.’{1 Timoteüs 5:19}. Hij die op mensen de zware verantwoordelijkheid heeft gelegd van leiders en leraars voor zijn volk, zal de mens aansprakelijk stellen voor de wijze waarop men zijn dienstknechten behandelt. We moeten hen eren die door God geëerd worden. Het oordeel waardoor Mirjam getroffen werd, moet een bestraffing zijn voor allen die aan afgunst toegeven en die morren tegen hen op wie God de last van Zijn werk heeft gelegd.”—Patriarchs and Prophets, blz.386{Patriarchen en Profeten, blz.349}. {LDSDA: 27.1}

27

DISCIPLINE

“God had Mozes uitgekozen en Zijn Geest op hem gelegd; en Mirjam en Aäron waren door hun morren schuldig aan ontrouw, niet alleen aan hun gekozen leider, maar ook aan God zelf. De oproerige fluisteraars werden naar de tabernakel geroepen en vor Mozes gebracht. ‘Toen daalde de Here neder in de wolkkolom, stlede Zich in de ingang der tent, en riep Aäron en Mirjam’. Hun aanspraak op de profetische gave werd niet geloochend; God had tot hen door middel van visioenen en dromen kunnen spreken. Maar Mozes, van wie de Here Zelf verklaarde dat hij ‘getrouw’ was ‘in heel Mijn huis,’ had een nauwer contact met God. ‘Waarom hebt gij u dan niet ontzien tegen Mijn knecht Mozes te spreken? Daarom ontbrandde de toorn des Heren tegen hen en Hij ging heen.’ De wolk verliet de tabernakel als teken van Gods ongenoegen en Mirjam werd gestraft. Ze ‘was melaats als sneeuw.’ Aäron bleef gespaard, mar ook hij werd zwaar gestraft in de straf van Mirjam. Nu hun trots diep vernederd was, beleed Aäron hun zonde en smeekte dat zijn zuster niet zou omkomen door die afschuwelijke en dodelijke plaag. In antwoord op het gebed van Mozes werd de melaatsheid genezen. Mirjam werd echter voor zeven dagen buiten het leger verbannen. Pas na haar vertrek

28

rustte het teken van Gods gunst weer op de tabernakel. Uit respect voor haar verheven positie en uit droefheid over de slag waardoor ze getroffen was, bleef het gehele leger in Chaserot, tot ze terugkeerde.’—Idem, blz.384,385 {Patriarchen en Profeten, blz.348}. {LDSDA: 28.1}

Later ‘werd een diepgelegen complot gesmeed {gevormd}, het resultaat van een vastbesloten doel om het gezag van de leiders die God Zelf had aangesteld omver te werpen. {LDSDA: 29.1}

‘Korach, de aanvoerder in deze beweging, was een Leviet, uit het geslacht van Kehat, en een neef van Mozes; hij was een bekwaam en invloedrijk persoon. Hoewel aangewezen om dienst te doen in de tabernakel, was hij niet tevreden met zijn positie, en streefde naar de waardigheid van het priesterschap. De aanstelling van Aäron en diens huis tot het priesterschap, een aanstelling die vroeger te beurt viel aan de oudste zoon van elk gezin, was aanleiding geweest tot afgunst en ontevredenheid, en sedert enige tijd had Korach in het geheim het gezag van Mozes en Aäron tegengewerkt, hoewel hij het niet tot een open opstand durfde laten komen. Eindelijk besloot hij zowel het burgerlijk als het godsdienstig gezag omver te werpen. Het ontbrak hem niet aan bijval. Niet ver van de tenten van Kehat en de Kehatieten bevond zich ten zuiden van de tabernakel het legerkamp van de stam van Ruben, de tenten van Datan en Abiram, twee vorsten van die stam. Deze beide vorsten

29

 stemden in met zijn eerzuchtige plannen. Als nakomelingen van Jakobs oudste zoon maakten ze aanspraak op het burgerlijk gezag, en ze besloten om met Korach de eer van het priesterschap te delen. {LDSDA: 29.2}

“De gevoelens van het volk begunstigden de plannen  van Korach. Door de bitterheid van hun teleursteling waren hun vroegere twijfel, afgunst en haat weer opgewekt, en opnieuw richtten ze hun klachten tegen hun zachtmoedige leider. Gedurig verloren de Israëlieten het feit uit het oog dat ze door God geleid werden. Ze vergaten dat de Engel des verbonds hun onzichtbare Leider was, dat Christus voor hen uitging, gehuld in de wolkkolom, en dat Mozes van Hem alle bevelen ontving. {LDSDA: 30.1}

“Ze wilden zich niet neerleggen bij het verschrikkelijk vonnis dat allen moesten sterven in de woestijn, en daarom waren ze bereid om elke uitvlucht te aanvaarden dat niet God, maar Mozes hen voorging, en dat Mozes hun vonnis had uitgesproken. Alle inspanningen van de zachtmoedigste mens op aarde waren niet in staat de ongehoorzaamheid van dit volk de kop in te drukken; en hoewel de bewijzen van Gods ongenoegen over hun vroegere afdwalingen hen nog voor ogen stonden in de lege plaatsen in hun rijen, namen ze deze les toch niet ter harte. Opnieuw lieten ze zich door de verzoeking meeslepen. {LDSDA: 30.2}

* * *

30

“Ze slaagden erin om tweehonderd vijftig vorsten, mannen van naam in de vergadering, te vervreemden van Mozes. Met deze sterke en invloedrijke aanhangers waanden ze zich sterk genoeg om een volledige verandering in het bestuur tot stand te brengen, wat een grote verbetering van het bestuur van Mozes en Aäron zou zijn. {LDSDA: 31.1}

Afgunst had plaats gemaakt voor nijd, en nijd voor opstand. Ze hadden gesproken over de vraag of Mozes terecht zulk een eervolle en gezaghebbende plaats bekleedde, tot ze eindelijk overtuigd waren dat hij een benijdenswaardige plaats innam, die ieder van hen evengoed kon vervullen. En ze bedrogen zichzelf en elkaar door te denken dat Mozes en Aäron zichzelf die plaatsen hadden aangematigd. De ontevredenen zeiden, dat deze leiders zich verheven hadden boven de vergadering des Heren, door het priestershap en de leiding op zich te nemen, hoewel hun geslacht niet boven anderen in Israë;l uitblonk; ze waren  niet heiliger dan het volk, en daarom moesten ze tevreden zijn om met hun broederen op één lijn te staan, daar deze evengoed door Gods bijzondere tegenwoordigheid en bescherming begunstigd waren geworden. {LDSDA: 31.2}

“Vervolgens begonnen de samenzweerders het volk op te ruien. Zij die ongelijk hebben en straf verdienen, horen niets liever dan blijken van medeleven en eerbewijs. Daarom wonnen Korach en zijn metgezellen op deze wijze de aandacht en de steun van de vergadering.

31

De beschuldiging dat de opstand van het volk oorzaak was geweest van Gods toorn werd onjuist genoemd. Ze zeiden dat de schuld niet lag bij de vergadering, omdat ze alleen maar stonden op hun rechten; maar dat Mozes een onderdruker was; dat hij het volk voor zondaars had uitgemaakt, hoewel ze een heilig volk waren, en de Here in hun midden was. {LDSDA: 31.3}

* * *

“Tijdens deze ontevredenheid was er meer eenheid en samenwerking onder de ontevreden elementen in de vergadering dan ooit tevoren. Het succes dat Korach bij het volk had, was oorzaak dat zijn vertrouwen toenam en sterkte hem in de overtuiging dat het angematigde gezag van Mozes noodlottig zou worden voor de vrijheid van Israël, als hieraan geen paal en perk werd gesteld. Ook bewwerde hij dat God hem die zaak had geopenbaard, en hem gemachtigd had een verandering aan te brengen in het bestuur eer het te laat zou zijn.Velen waren echter niet bereid de beschuldigingen van Korach tegen Mozes te aanvaarden. De gedachte aan zijn geduldige, zelfopofferende arbeid rees voor hen op, en ze voeldem zich onrustig worden. Daarom was het noodzakelijk dat hem zelfzuchtige bedoelingen werden toegeschreven die ten grond lagen aan zijn diepe belangstelling voor Israël; en de vroegere beschuldiging werd herhaald, dat hij hen in de woestijn had geleid om hen daar te laten omkomen, zodat hij zich kon verrijken met hun goederen. {LDSDA: 32.1}

“Een tijd lang werd dit werk in stilte gedaan. Zodra de beweging echter voldoende sterkte

32

had om een open opstand te verzekeren, verschen Korach aan het hoofd van een afvaardiging, en beschuldigde Mozes en Aäron in het openbaar, dat ze zich een gezag hadden aangematigd waarop Korach en diens metgezellen evenveel recht hadden. Verder luidde de beschuldiging dat het volk beroofd was van zijn vrijheid en onafhankelijkheid. ‘Het is te veel voor u,’ zeiden de samenzweerders, ‘want deze vergadering, zij allen, zijn heilig, een ieder van hen, en de Here is in hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des Heren?’ {LDSDA: 32.2}

“Mozes had niets vermoed van deze diepgewortelde samenzwering, en toen hij de verschrikkelijke betekenis ervan besefte, viel hij op zijn aangezicht voor God in stil gebed. Verdrietig, maar kalm en sterk, stond hij op. Goddelijke leiding was hem gegeven. ‘Morgen,’ zo zei hij, ‘dan zal de Here bekend maken, wie de zijne, en de Heilige is, die Hij tot zich zal doen naderen; en wie Hij verkoren zal hebben, die zal Hij tot Zich doen naderen.’ De proef werd tot de volgende dag uitgesteld, zodat allen de tijd hadden om na te denken. Dan moesten degenen die het priesterschap wensten, elk met een wierookvat komen en wierook offeren bij de tabernakel in tegenwoordigheid van de vergadering. De wet had heel duidelijk gemaakt dat allen zij die tot het heilige ambt waren gewijd, in het heiligdom dienst mochten doen. Zelfs de priesters Nadab en Abihu waren gedood omdat ze het

33

gewaagd hadden ‘vreemd vuur’te brengen, zonder acht te slaan op Gods gebod. Nu daagde Mozes zijn beschuldigers uit om, als ze zulk een gevaarlijke eis durfden te stellen, de zaak aan Gods beslissing over te geven. {LDSDA: 33.1}

“Terwijl Mozes Korach en de Levieten die bij hem waren afzonderde, zei hij: ‘Is het u te weinig, dat de God van Israël u heft afgezonderd van de vergadering Israëls om u tot Zich te doen naderen, om de dienst aan de tabernakel des Heren te verrichten en voor het aangezicht der vergadering te staan om hen te dienen, en dat Hij u en al uw broederen, de zonen van Levi, met u deed naderen? Streeft gij nu ook naar het priesterschap? Daarom, gij en uw gehele aanhang, gij spant samen tegen de Here, want wat is Aäron, dat gij tegen hem zoudt morren?’ {LDSDA: 34.1}

“Datan en Abiram hadden zich niet zo hardnekkig verzet als korach; en Mozes, die hoopte dat ze nog niet volkomen verdorven waren door de samenzwering, riep hen op om voor hem  te verschijnen, zodat ze hun klachten tegen hem zouden kunnen inbrengen. Maar ze wilden niet komen, en weigerden zo onbeschaamd zijn gezaqg te erkennen. Hun antwoorden, gegeven ten aanhoren van heel de vergadering, luidde: ‘Is het een kleinigheid, dat gij ons hebt opgevoerd uit een land, vloeiende van melk en honig, om ons te laten sterven in de woestijn, en wilt gij u ook nog als heerser over ons opwerpen? Gij hebt

34

ons waarlijk niet gebracht in een land, vloeiende van melk en hinig, noch ons akkers en wijngaarden in bezit gegeven; meent gij de ogen dezer mannen te kunnen verblinden? Wij komen niet.’ {LDSDA: 34.2}

* * *

“De volgende morgen kwamen de tweehonderd vijftig vorsten met Korach aan het hoofd met hun wierookvaten. Ze werden in de voorhof gebracht, terwijl het volk buiten vergaderd was om de uitslag af te wachten. Niet Mozes had de vergadering bijengeroepen om getuigen te zijn van de nederlaag van Korachen de zijnen, maar de opstandelingen hadden, in hun verblinde aanmatiging, hen bijeengeroepen om hun overwinning gade te slaan. Een groot gedeelte van de vergadering koos openlijk de kant van Korach, die werkelijk meende dat Aäron het onderspit zou delven. {LDSDA: 35.1}

Toen ze aldus voor Gods aangezicht vergaderd waren, ‘verscheen de heerlijkheid des Heren aan de gehele vergadering.’ God waarschuwde Mozes en Aäron: ‘Scheidt u af van deze vergadering, opdat Ik haar in één ogenblik vertere.’ Maar ze vielen op hun aangezicht, met de bede: ‘O God, God der geesten van alle vlees, als één man zondigt, zult Gij dan tegen de gehele vergadering toornen?’ {LDSDA: 35.2}

“Korach had zich van de vergadering gescheiden om zich bij Datan en Abiram te voegen, toen Mozes en de zeventig oudsten uitgingen

35

 om de mannen die geweigerd hadden bij hem te komen, voor de laatste maal te waarschuwen. De menigte volgde, en eer Mozes zijn boodschap overbracht, verzocht hij op Gods bevel het volk: ‘Wijk toch van de tenten dezer goddeloze mannen en raakt niets aan, dat hun toebehoort, opdat gij niet door al hun zonden wordt weggeraapt.’ Aan deze waarschuwing werd gehoor gegeven, want allen hadden een voorgevoel van een naderend oordeel. De voornaamste opstandelingen zagen zich verlaten door hen die ze misleid hadden, maar ze bleven even hardnekkig. Met hun gezinnen stonden ze voor hun tenten, alsof ze Gods waarschuwing uitdaagden. {LDSDA: 35.3}

“In de naam van de God van Israël zei Mozes nu voor de oren van de vergadering: ‘Hieraan zult gij weten, dat de Here mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is: indien deze zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de Here mij niet gezonden. Maar, indien de Here iets nieuws zal scheppen, zodat de aarde zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hen toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de Here gesmaad hebben.’ {LDSDA: 36.1}

“De ogen van heel Israël waren op Mozes gericht, terwijl ze vol angst het gebeuren afwachtten. Toen hij zweeg, opende de aarde zich, en de opstandelingen werden levend begraven

36

met alles wat hun toebehoorde, en ze kwamen om te midden der vergadering. Het volk vluchtte, daar het zich schuldig voelde aan dezelfde zonde. {LDSDA: 36.2}

“Maar aan het oordeel was nog geen einde gekomen. Vuur uit de wolk verteerde de tweehonderd vijftig vorsten die wierook geofferd hadden. Deze mannen, die niet tot de aanstokers van de opstand behoorden, werden niet gelijktijdig met de voornaamste  samenzweerders gestraft. Ze mochten hun einde aanschouwen, en kregen gelegenheid zich te keren; maar ze kozen de zijde van de opstandelingen, en deelden in hun lot. {LDSDA: 37.1}

“Toen Mozes Israël bad om de komende ondergang te ontvlieden, had Gods oordeel nog afgewend kunnen worden, wanneer Korach en de zijnen berouw hadden getoond en vergiffenis hadden gezocht. Maar hun halsstarrigheid bezegelde hun ondergang. De gehele vergadering was medeschuldig, want tot op zekere hoogte hadden allen hen gelijk gegeven. Toch maakte God in Zijn grote lankmoedigheid onderscheid tussen de leiders van de opstand en hen die zich lieten meeslepen. Het volk dat zich had laten verleiden kreeg gelegenheid zich te bekeren. Het had overvloedige bewijzen gekregen van hun ongelijk en het feit dat Mozes in het gelijk stond. De duidelijke manifestatie van Gods macht had alle twijfel verdreven. {LDSDA: 37.2}

* * *

“Heel Israël was vol ontzetting gevlucht bij het geroep van de veroordeelde zondaars die door de

37

 arde werden verzwolgen, want ze zeiden: ‘De aarde moest ook ons ens verzwelgen.’ ‘De volgende dag echter morde de gehele vergadering tegen Mozes en Aäron, zeggende: Gij hebt het volk des Heren gedood.’ Ze stonden op het punt geweld te gebruiken tegen hun getrouwe, onbaatzuchtige {zelfopofferende} leiders. {LDSDA: 37.3}

* * *

“Maar de engel der wrake was reeds uitgegaan; de plaag deed haar dodelijke werk. Op aanwijzing van zijn broer nam Aäron een wierookvat en haastte zich te midden van de vergadering om verzoening over het volk te doen. Hij stond tussen de levenden en de doden. Terwijl de rook van de wierook opsteeg, bad Mozes in de tabernakel tot God en werd de plaag een halt toegeroepen; maar veertienduizend Israëlieten lagen dood, als teken van de schuld van hun morren en opstand. {LDSDA: 38.1}

“Er werd meer bewijzen gegeven dat het priesterschap verbonden was aan het geslacht van Aäron. Op Gods aanwijzing moest elke stam een staf nemen en daarop de naam van de stam schrijven. De naam van Aäron stond op de staf van Levi. Deze staven werden in de tabernakel gelegd ‘vóór de getuigenis.’ Het bloeien van een staf was een teken dat God die stam had aangewezen voor het priesterschap. De volgende morgen ‘zie, de staf van Aäron, voor het huis van Levi, bloeide; hij had bloesem voorgebracht, bloemen gedragen en amandelen doen rijpen.’

38

De staf  werd aaan het volk getoond en later in de tabernakel gelegd als bewijs voor latere geslachten. Door dit wonder werd een eind gemaakt aan het geschil over het priesterschap. {LDSDA: 38.2}

“Nu stond ten volle vast dat Mozes en Aäron op Gods bevel hadden gesproken, en het volk moest wel geloven in de onaangename waarheid, dat ze in de woestijn zouden sterven. ‘Zie, wij geven de geest, wij komen om, wij allen komen om,’ hadden ze uitgeroepen. Ze erkenden dat ze gezondigd hadden door in opstand te komen tegen hun leiders, en dat Korach en z’n metgezellen terecht door God gestraft waren.”—Idem, blz.395-403 {Patriarchen en Profeten, blz.358-366}. {LDSDA: 39.1}

In de dagen van  Ezra benaderden enkelen van de hoofdmannen van Israël hem met een ernstige klacht. “Enkelen van ‘het volk Israël, priesteres en Levieten’hadden de geboden van God zozeer uit het oog verloren, dat ze zich door het huwelijk hadden vermengd met de omwonende volken. ‘Zij hebben  uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen,’ kreeg Ezra te horen, ‘waardoor het heilige zaad zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan.’{Ezra 9:1,2}. {LDSDA: 39.2}

“Toen de tijd van het avondoffer aangebroken was, stond Ezra op, schurde opnieuw zijn mantel en zijn kleed, viel op zijn knieën en stortte zijn hart uit in smeekbeden tot God. Hij hief zijn handen op naar

39

 de hemel en riep uit: ‘Mijn God, ik scham mij, en durf mijn ogen niet tot u opslaan, o mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel. {LDSDA: 39.3}

* * *

“Een van hen die aanwezig waren, Sekanja, erkende dat de woorden, door Ezra gesproken, juist waren. ‘Wij zijn ontrouw geweest jegens onze God,’ zei hij, ‘doordat wij vreemde vrouwen uit de volken des lands hebben gehuwd; desondanks is er nog hoop voor Israël.’ Sekanja stelde voor, dat allen die gezondigd hadden, met God een verbond zouden sluiten om hun zonden los te laten, en volgens de wet behandeld zouden worden. ‘Sta op,’zei hij tot Ezra, ‘want op u rust de taak; wij zullen met u zijn; wees sterk en handel.’ ‘Toen stond Ezra op en deed de oversten der priesters en der Levieten en geheel Israël zweren, dat zij naar dit woord zouden handelen.’ Ezra 10:2-5. {LDSDA: 40.1}

“Dit was het begin van een wonderbare hervorming. Met eindeloos geduld en zeer veel wijsheid en nauwgezette overwegingen voor de rechten en het welzijn van ieder persoonlijk, trachtten  en zijn metgezellen de boetvaardige Israëlieten op de goede weg te leiden. Bovenal was Ezra een leraar van de wet; en terwijl hij persoonlijk aandacht schonk aan het onderzoeken van elk geval, trachtte hij het volk te doordringen van de heiligheid van deze wet, en de zegeningen konden zijn door gehoorzaamheid.”—Prophets and Kings, blz.619-622{Profeten en Koningen, blz.380-381}. {LDSDA: 40.2}

40

OPVOEDING

SCHOOL PATROON EN ONDERWIJSPROGRAMMA

 Het Ware Onderwerp van opvoeding

Het ware onderwerp van opvoeding is om Gods beeld in de ziel te {LDSDA: 41.1}

“” De vreze des Heeren is het begin der wijsheid; en de wetenschap der heiligen is verstand”

Het grote werk van het leven is karaktervorming; en de kennis van God is de basis van alle ware opvoeding. Om deze kennis bij te brengen en het karakter te vormen in harmonie daarmee zou het onderwerp van het onderwijzers werk moeten zijn.

41

De wet van God is een weergave van Zijn karakter. Vandaar dat de psalmist zegt. “” Al Uw geboden zijn rechtvaardig en door Uw  voorschriften krijg ik verstand. –Patriarchen en Profeten pp 595,596. {LDSDA: 41.2}

 Vroege training van de Jeugd

In de wetten toevertrouwd aan Israel, waren specifieke instructies gegevenmet betrekking tot opvoeding. Op de Sinai had God Zichzelf aan Mozes geopenbaard als”” barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid”” . Deze principes belichaamd in Zijn wet, dienden de vaders en moeders in Israel hun kinderen te leren.  Door heilige aanwijzingen verklaarde Mozes aan hen: “” Deze woorden, welke ik u deze dag gebied , zullen in uw hart zijn en gij zult het ijverig leren aan uw kinderen en zult over deze spreken wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij langs de weg gaat en wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat”” – Education p. 40. {LDSDA: 42.1}

“” De Here zelf gaf aanwijzingen voor de opvoeding van Israel. Zijn zorg was niet beperkt tot hun religieuze interesses; alles wat  hun geestelijke of fysieke welzijn beinvloedde, was ook het onderwerp van zijn heilige voorzienigheid en kwam binnen de sfeer van heilige wet. {LDSDA: 42.2}

God had de Hebreeuwen geboden hun kinderen Zijn vereisten te leren en hun bekend te maken met al zijn handelingen

42

met hun vaderen. Dit was een van de speciale taken van iedere ouder, –een die niet aan een ander moest worden overgedragen.  In de plaats van vreemde lippen, moesten de liefhebbende harten van de vader en de moeder, instructies geven aan hun kinderen. Gedachten aan God, moesten verbonden worden met al de gebeurtenissen van het dagelijks leven. De machtige werken van God in het bevrijden van Zijn volen de beloften van de Verlosser die komen zou, moesten vaak verhaalt worden in de huizen van Israel; en het gebruik van figuren en symbolen zorgde ervoor dat de lessen die gegeven werden, onwankelbaar vastgelegd weren in het geheugen. De grote waarheden van Gods voorzienigheid en van het toekomstige leven werden vastgelegd in het jonge verstand. Het werd getraind om God gelijk te zien in de natuurverschijnselen  en de woorden der openbaring .De sterren der hemel, de bomen en bloemen van het veld, de verheven bergen, de Kabbelende beekjes, — allen spraken van de Schepper. De heilige offerdienst en aanbidding in het heiligdom, en de uitspraken van de profeten waren een openbaring van God. {LDSDA: 42.3}

Zo was de trainig van Mozes in het nederigen hutje in Goshen; van Samuel, door de trouwe Hannah ,van David in de heuvels vertoefende in Bethlehem; van Daniel voor de tonelen van gevangenschap hem scheidde van het huis der vaderen.Zo was het vroege leven van Christus te Nazareth ook ; zo ook de training waardoor het kind Timotheus leerde van de lippen van zijn

43

grootmoeder Lois en zijn moeder Eunice, de waarheden van de Heilige Schrift. {LDSDA: 43.1}

 De Scholen der Profeten

Verdere voorzieningen waren getroffen voor het instrueren van de jeugdigen, door het oprichten van de scholen der profeen. Als een jongeling de waarheden van het Woord van God dieper wenste te doorzoeken en wijsheid van boven te zoeken, zodat hij een leraar van Israel kon worden, waren deze scholen open voor hem. De scholen der profeten waren opgericht door Samuel om te dienen als een overbrugging tegen de wijd verspreide corruptie, om te voorzien in het morele en spirituele welzijn van de jeugd en om de toekomstige voorspoed van de natie te bevorderen door het in te richten met gekwalificeerde mannen die konden handelen als leiders en raadgevers in de vreze des Heren . Ter vervulling van dit onderwerp, vergaarde Samuel gezelschappen van jonge mannen die vroom , intelligent en leergierig waren. Dezen werden de zonen der profeten genoemd. Als ze in nauw contact met God waren en Zijn Woord en Zijn werken bestudeerden werd er wijsheid van boven toegevoegd aan hun natuurlijke talenten (eigenschappen). De instrukteurs waren niet alleen mannen goed bedreven in heilige waarheden, maar diegene die zelf  nauw contact met God hadden genoten en de speciale eigenschappen van de Zijn Heilige Geest hadden ontvangen. Ze genoten het respect en vertrouwen van het volk, zowel door het leren als vroomheid. {LDSDA: 44.1}

In de dagen van Samuel waren er twee van deze scholen,- een te Ramah, het huis van de

44

profeet en de andere te Kirjathjearim waar de ark toen was.Andere werden in latere tijden opgericht.

 …

De belangrijkste studie-onderwerpen  in deze scholen waren de wet van God, met de instrukties gegeven door Mozes, heilige geschiedenis, heilige muziek en poezie. De wijze van lesgeven was zeer verschillend van dat van de hedendaagse theologische scholen , waarvan vele studenten afstudeerden met minder ware kennis  van God en religieuze waarheden dan toen ze begonnen.In die scholen van de ouden tijd was het allerbelangrijkste onderwerp van de hele studie  de wil van God te leren en de verplichtingen van de mens tot Hem. De voetstappen van Jehova werden nagevolgd in de heilige verslagen  van de geschiedenis. De grote waarheden voortgezet door de typen werden onder de aandacht gebracht en geloof greep het centrale onderwerp van het hele systeem vast, — het Lam Gods dat de zonden der wereld zou wegnemen. {LDSDA: 45.1}

Een geest van toewijding werd gekoesterd. De studenten werden niet alleen de take van het gebed geleerd, maar ze werden geleerd  hoe te bidden, hoe hun Schepper te naderen, hoe geloof in hem te beoefenen en hoe de leerstelingen van de Heilige Geest te begrijpen en te gehoorzamen. Geheiligde intellecten brachten nieuwe en ouden dingen voort van de schatkamer van God en de Geest van God was zichtbaar in profetie en heiligen liederen. {LDSDA: 45.2}

De leerlingen van deze scholen, onderhielden

45

 zichzelf door hun eigen arbeid in landbouw of een of ander mechanische  werkzaamheid. In Israel werd hier niet als vreemd of vernederend

over gedacht.; inderdaad was het een misdaad om kinderen in onwetendheid van bruikbare arbeid te laten opgroeien. Door het gebod van God ,werd ieder king een vorm van handel geleerd, hoewel hij opgevoed werd voor heilige diensten.Vele van de religieuze leraren onderhielden zichzelf door manuele arbeid. Zelf toen in de tijd van de apostelen, waren Paulus en Aquila niet minder geeerd omdat ze hun levensonderhoud verdienden door hun handel in tenten maken. –Patriarchen en profeten 592-594. {LDSDA: 45.3}

Zowel de fysieke als de religieuze trainingen beoefend in de scholen van de Hebreeuwen mogen nuttig bestudeerd worden.De waarde van zulke trainingen is niet te onderschatten.

Er is een intieme relatie tussen het verstand en het lichaam en om een hoge standaard van morele en intellectuele verworvenheid te verkrijgen moet acht gegeven worden aan de wetten die onze fysieke zijn beheersen. Om verzekerd te zijn van een sterk evenwichtig karakter, moeten zowel de mentale als de fysieke krachten beoefend en ontwikkeld worden. Welke studie kan belangrijker zijn voor de jeugd dan die welke dit wonderlijke organisme behandelt,  dat God aan ons heeft toevertrouwd en van de wetten waardoor het in gezondheid onderhouden kan worden? {LDSDA: 46.1}

46

En nu , zoals in de dagen van Israel moet elke jeugdige de taken van het praktische leven bijgebracht worden. Elk moet een kennis van een bedrijfstak van manuele arbeid verkrijgen, doorwelke , mocht het nodig zijn hij een levensonderhoud kan verkrijgen. Dit is essentieel, niet alleen als beveiliging tegen de  wisselvalligheden van het leven, maar van haar betrekking op fysieke, mentale en morele ontwikkeling.Zelf al was het zeker dat een (persoon)nooit zou hoeven te vallen onder manuele arbeid om zichzelf te onderhouden, toch zou hij geleerd moeten worden omte werken. Zonder fysieke oefening kan niemand een gezond gestel en een krachtige gezondheid hebben; en de discipline van goedgeregelde arbeid is niet minder essentieel voor het verzekeren van een sterk en actief verstand en een nobel karakter. {LDSDA: 47.1}

Elke student moet een deel van elke dag toewijden een actieve arbeid. Aldus zullen bedrijvige gewoonten gevormd worden en een geest van zelf-vertrouwen bemoedigd worden,  terwijl de jeugd beschermd wordt van vele slechte en verlagende praktijken die zo vaak het resultaat zijn van ledigheid. En dit is allemaal in overeenstemming met het houden van de primaire onderwerpen van opvoeding; want door het bemoedigen van activiteit, ijverigheid en reinheid, komen we in harmonie met de Schepper —Id p. 601. {LDSDA: 47.2}

De aarde bewerken is een van de beste soorten van arbeid, de spieren tot actie roepend en het verstand rusten. Studies in agrarische richting moeten de A, B en C  zijn van het onderwijs gegeven in onze scholen. Dit is het allereerste werk dat

47

mee begonnen moet worden. Onze scholen moeten voor graan en groente , en fruit dat zo belangrijk is voor de gezondheid, niet afhankelijk zijn van geimporteerde produkten.Onze jeugd heeft een opvoeding nodig in het omhakken van bomen en bewerken van de bodem evenals in literaire richting. Verschillende leraren moeten aangewezen worden om toezicht  te houden op een aantal studenten in hun werk en zouden met hen moeten werken. Zodoende zullen de leraren zelf leren om verantwoordelijkheden te dragen als lastendragers. Fatsoenlijke studenten zullen op deze wijze ook opgevoed worden om verantwoordelijkheden te dragen samen met de leraren. Allen moeten samen overleggen wat de allerbeste methode is om het werk uittevoeren.{LDSDA: 47.3}

   …

“De oefening die de hand leert om nuttig te zijn en de jeugd traint om hun deel van levenslasten te dragen, geeft fysieke kracht en ontwikkelt elk vermogen. Allen moeten iets vinden om te doen dat bevorderlijk is voor hun zelf en behulpzaam is naar anderen toe.

God heeft werk aangesteld als een zegen en alleen de ijverige werker vind de ware glorie en vreugde van het leven. {LDSDA: 48.1}

“De hersens en de spieren moeten evenredig belast worden, als de gezondheid en vitaliteit behouden moeten worden. Dan kan de jeugd een gezonde gewaarwording en in-goede- evenwicht-zijnde zenuwen brengen tot de studie van het Woord van God. Zij zullen volwaardige gedachten hebben, en kunnen de kostbare dingen die uit het Woord worden voortgebracht, vasthouden. Zij zullen de waarheden ervan opnemen,

48

en als resultaat zullen zij het intellectueel vermogen hebben om te onderscheiden wat waarheid is. Dan kunnen zij, naar gelang de gelegenheid dat vereist, aan ieder mens die vraagt de reden geven voor de hoop die in hen is, met zachtmoedigheid en vreze.”—Testimonies, Vol.6 {Getuigenissen, Deel 6}, blz.179,180. {LDSDA: 48.2}

De Bijbel en de Natuur als Handboeken

“Als een opvoedende macht, staat de Bijbel zonder een tegenpartij. In het Woord  van God vindt het verstand een onderwerp voor de diepste gedachte, het meest verheven verlangen. De Bijbel is de meest instruerende geschiedenis die mensen bezitten. Het kwam vers vanuit de fontein van eeuwige waarheid, en een goddelijke hand heeft de reinheid ervan door alle eeuwen heen bewaard. Het verlicht het van verre afstand zijnde verleden, welke menselijk onderzoek tevergeefs tracht te doordringen. In Gods Woord aanschouwen wij de macht die het fundament legde van de aarde en die de hemelen heeft uitgespand. Alleen hier kunnen wij een geschiedenis vinden van onze ras, onbezoedeld door menselijk vooroordeel en menselijke trots.Hier staan opgetekend de worstelingen, de nederlagen, en de overwinningen van de voornaamste mannen {mensen} die de wereld ooit heeft gekend. Hier worden de grote problemen van plicht en bestemming ontvouwd. Het gordijn dat de zichtbare wereld van de onzichbare scheidt wordt opgetrokken, en wij aanschouwen de strijd van de tegenoverstaande machten van goed en kwaad, vanaf de eerste intrede van de zonde, tot de laatste overwinning van gerechtigheid en waarheid; en alles i slechts een openbaring van het karakter van God. In de eerbiedige overdenking van de waarhedendie worden gepresenteerd in Zijn Woord, wordt het

49

verstand van de student in gemeenschap gebracht met het oneindig verstand. Zulk een studie zal het karakter niet alleen verfijnen en veredelen, maar het kan niet falen om de mentale vermogens uit te breiden en te versterken. {LDSDA: 49.1}

“Het onderricht van de Bijbel heeft een vitale invloed op de voorspoed van de mens in alle opzichten van dit leven. Hierdoor worden de beginselen ontvouwd die de hoeksteen vormen  van de voorspoed van een volk—beginselen die nauw verbonden zijn met de welvaart van de maatschappij en die de beveiliging vormen van het gezin—beginselen zonder welke niemand gelukkig, bruikbaar en geëerd kan zijn in dit leven, of hoop kan koesteren op het eeuwige leven. In het leven is geen enkel voorval, geen enkele menselijke ervaring waarvoor de leer van de Bijbel geen belangrijke voorziening getroffen heeft. Als Gods Woord bestudeerd en gehoorzaamd wordt, zal het aan de wereld mannen geven die een beter en actiever verstand hebben dan alles wat menselijke bespiegelingen kunnen geven. Het zal mensen kracht en standvastigheid van karakter geven, een scherp begrip en gezond oordeel—mensen die een eer voor God en een zegen voor de wereld zullen zijn. {LDSDA: 50.1}

“Ook in het bestuderen van de wetenschap, moeten wij een kennis verkrijgen van de Schepper. Alle ware wetenschap is slechts een verklaring van Gods handschrift in de stoffelijke wereld. Wetenschap levert door haar onderzoekingen alleen maar nieuwe bewijzen van Gods wijsheid en macht. Als ze op de juiste wijze worden verstaan, maken

50

 het boek der natuur en het geschreven Woord ons bekend met God door ons iets te leren van de verstandige en weldadige wetten waardoor Hij werkt. {LDSDA: 50.2}

“De leerling moet God leren zien in alle werken der schepping. Leraren moeten het voorbeeld  van de grote Leraar navolgen, die uit de bekende tonelen der natuur lessen nam, waardoor Zijn onderricht werd vereenvoudigd en een diepe indruk werd gemaakt op de geest van Zijn toehoorders. De volges in de bomen, de bloemen in het dal, de statige bomen, de vruchtbare landerijen, het opkomende graan, de woeste grond, de ondergaande zon, die met haar gouden stralen de hemelen verlicht,– alles diende als een middel tot onderricht. Hij verbond de zichtbare werken van de Schepper met de woorden des levens die Hij sprak, opdat elke keer als zijn toehoorders deze voorwerpen zouden zien, hun gedachten gericht zouden worden op de lessen vol waarheid die Hij eraan had verbonden.”—Patriarchs and Prophets, pp.596,599{Patriarchen en Profeten, blz.548,549}. {LDSDA: 51.1}

“De Heer verwacht van onze leraars dat zij die boeken uit onze scholen verbannen, die niet in overeenstemming zijn met Zijn Woord, en plaats te maken voor die boeken die van de hoogste waarde zijn.”—Fundametals of Christian Education{Grondbeginselen van Christgelijke Opvoeding}, p.517. {LDSDA: 51.2}

KWALIFICATIES EN TAKEN VAN LERAARS

“Bij het verkiezen van leraars zouden wij van elke zorgvuldigheid gebruik moeten maken, wetende dat dit een even

51

plechtige zaak is als het verkiezen van personen voor de bediening. Wijze mensen, die een onderscheid in het karakter kunnen maken, zouden de selectie moeten samenstellen; want het allerbeste talent dat verzekerd kan worden is nodig om het verstand van de jongeren op te voeden en te vormen, en om op succesvolle wijze de vele afdelingen van het werk voort te zetten, die uitgevoerd zullen moeten worden door de leraar in onze kerkelijke scholen.Er zou geen persoon met een minderwaardige of bekrompen verstand tot verantwoordelijke geplaatst moeten worden over een van deze scholen. Stelt over de kinderen geen jonge en onervaren leraren aan, die geen beherende bekwaamheid hebben; want hun pogingen zullen neigen tot een slechte organisatie. Orde is de eerste wet van de hemel, en iedere school zou in dit aspect een model van de hemel moeten zijn.”—Testimonies, Vol.6{Getuigenissen, Deel 6}, blz.200,201. {LDSDA: 51.3}

“De beste bedienende talent zou gebruikt moeten worden bij het onderwijzen van de Bijbel in onze scholen. Zij die verkozen zijn voor dit werk moeten grondige Bijbelonderzoekers zijn, en een diepgegronde Christelijke ervaring hebben; en hun inkomen zou betaald moeten worden uit de tiende.”–Idem,blz.134,135. {LDSDA: 52.1}

“Voordat een persoon voorbereid is om een leraar van de waarheid te worden tot degenen die in duisternis zijn,  moet hij een leerling worden. Hij moet gewillig zijn om raad gegeven te worden. Hij kan zijn voet niet plaatsen op de derde, vierde, of vijfde trede van de ladder van vooruitgang, voordat hij is begonnen bij de eerste trede. Velen gevoelen dat zij geschikt zijn voor het werk, terwijl zij amper iets ervan afweten. Als

52

dezulken worden toegestaan om met zeglfverzekerdheid de arbeid aan te vangen, zullen zij falen om die kennis te ontvangen welke voor hen een voorrecht is om die te verwerven, en zullen gedoemd zijn om te wordtelen met vele moeilijkheden waarvoor zij in het geheel niet zijn voorbereid.”–Grondbeginselen van de Christelijke Opvoeding, blz.107. {LDSDA: 52.2}

“De gewoonten en beginselen van een leraar zouden met nog grotere belangrijkheid in beschouwing genomen moeten worden dan zijn letterkundige kwalificaties. Als hij een oprechte Christen is, zal hij de noodzaak gevoelen om een gelijkwaardige belangstelling te hebben in de fysieke, mentale, zedelijke, en geestelijke opvoeding van zijn studenten.  Ten einde de juiste invloed uit te oefenen, zou hij een volkomen beheersing over zichzelf moeten hebben, en zijn eigen hart zou rijkelijk bezield moeten zijn met liefde voor zijn leerlingen, wat zichtbaar zal zijn in zijn aanzien, woorden en handelingen. Hij zou stanvastigheid van karakter moeyten hebben, en dan kan hij de gedachten van zijn leerlingen vormen, evenals hij hen kan onderrichten in de wetenschappen. De vroege opvoeding van de jeugd vormt over het algemeen hun levenslange karakters. Zij die met de jongeren te maken hebben zouden zeer zorgvuldig moeten zijn om de kwalitieten van het verstand op te roepen, opdat zij beter kunnen weten haar vermogens te leiden zodat zij beoefend mogen zijn tot het allerbeste rekenschap.”—Idem, blz.19. {LDSDA: 53.1}

“Iemand kan wel voldoende scholing en kennis hebben in de wetenschap om te onderwijzen; maar is het vastgesteld dat hij takt en wijsheid heeft om met het menselijk verstand om te gaan? Als onderwijzers niet de liefde

53

van Christus verblijvend hebben in hun hart, zijn zij niet geschikt om in verbinding gebracht te worden met kinderen, en de ernstige verantwoordelijkheden te dragen die op hen is geplaatst, om deze kinderen en de jeugd te onderrichten. Zij hebben gebrek aan de hogere onderricht en training in zichzelf, en zij weten niet hoe zij om moeten gaan met het menselijk verstand. Daar is de geest van hun eigen niet-ondergeschikte, natuurlijke harten, die strijdt voor de overheersing, en door het ontvankelijk verstand en de karakters van kinderen aan zulk een discipline te onderwerpen, worden  er littekens en kneuzingen op het verstand achtergelaten, die nooit uitgewist zullen worden.”—Idem, 260,261. {LDSDA: 53.2}

“Het aanstellen van leraren die trots en niet liefdevol zijn over jonge kinderen, is goddeloos. Een leraar van deze stempel zal grote schade aanrichten bij degenen die snel het karakter aan het ontwikkelen zijn. Als leraren niet onderwerpelijk zijn aan God, als zij geen liefde hebben voor de kinderen over welke zij de leiding hebben, of als zij partijdigheid tonen voor hen die hun voorkeur behagen,  en onverschilligheid tonen aan hen die minder aantrekkelijk zijn, of aan degenen die rusteloos en nerveus zijn, zouden zij niet tewerkgesteld moeten worden; want het resultaat van hun werk zal een verlies van zielen voor Christus zijn. {LDSDA: 54.1}

 “Er zijn leraren nodig, vooral voor de kinderen, die kalm en vriendelijk zijn, verdraagzaamheid en liefde betonend aan juist degenen die het het meest nodig hebben. Jezus hield van de kinderen; Hij beschouwde hen als jongere leden van het gezin van de Heer. Hij behandelde hen altijd met vriendelijkheid en respekt, en leraren zullen

54

Zijn voorbeeld volgen. Zij zouden de ware zendingsgeest moeten hebben; want de kinderen moeten getraind zijn om zendelingen te worden. Zij zouden moeten gevoelen dat de Heer aan hen als een plechtige verantwoordelijkheid, de zielen van de kinderen en de jeugd heeft opgerdragen. Onze kerkscholen  hebben behoefte aan leraren die hoge morele {zedelijke} kwaliteiten hebben; zij die vertouwd kunnen worden; zij die gegrond zijn in het geloof, en die tact en geduld hebben; zij die met God wandelen, en zich onthouden van de alleereerste schijn van kwaad. In hun werk zullen zij wolken vinden. Er zullen wolken en duisternis zijn, noodweer en stormen,  vooroordelen te ondergaan van ouders die onjuiste ideëen hebben over de karaktertrekken die hun kinderen zouden moeten ontwikkelen; want er zijn velen die beweren dat zij in de Bijbel geloven, terwijl zij falen om de beginselen ervan  in het gezinsleven toe te passen. Maar als de leraren voortdurende leerlingen zijn in de school van Christus, zullen deze omstandigheden hen nooit overwinnen.”—Testimonies, Vol.6{Getuigenissen, Deel 6}, blz.200,201. {LDSDA: 54.2}

“De verplichtingen van de leraar zijn gewichtig en heilig, maar geen deel van het werk is belangrijker dan het zorgdragen over de jeugd met tedere, liefdevolle aandacht, opdat zij kunnen gevoelen dat wij in hen een vriend hebben. Gewin eenmaal hun vertrouwen, en u kunt hen leiden, hen beheersen, en hen gemakkelijk trainen. De heilige motieven van onze Christelijke beginselen moeten in ons leven toegepast worden. De zaligheid van onze leerlingen is het hoogste belang dat is toevertrouwd aan de Godvrezende leraar. Hij

55

 de werker van Christus, en zijn bijzondere en vastbesloten poging zou moeten zijn om zielen te redden van de ondergang en hen te winnen voor Jezus Christus. God zal dit van de handen van leraars vereisen. Een ieder zou een leven van vroomheid, van reinheid, van nauwgezette pogingen in de vervulling van iedere taak. Als het hart gloeit met de liefde van God, zal eer reine genegenheid zijn, wat essentiëel {belangrijk} is; gebeden zullen vurig zijn, en getrouwe waarschuwingen zullen gegeven worden. Laat dezen na, en de zielen die onder uw leiding staan zijn in gevaar gebracht. Het is beter minder tijd te besteden aan lange redevoeringen, of aan absorberende studie, en aandacht te besteden aan deze verwaarloosde plichten.”—Fundamentals of Christian Education{Grondbeginselen van Chirstelijke Opvoeding},blz.116,117. {LDSDA: 55.1}

God verlangt van de leraren in onze scholen dat zij doeltreffend {bekwaam} zijn. Indien zij gevorderd zijn in geestelijke verstandhouding, zullen zij gevoelen dat het belangrijk is dat zij niet tekort zouden moeten schieten in de kennis der wetenschap. Vroomheid en godsdienstige ervaring liggen aan het allereerste grondbeginsel van ware opvoeding. Maar laat niemand gevoelen dat het hebben van een oprechtheid in godsdienstige zaken alles is dat van belang is ten  einde om opvoeders te worden. Terwijl zij niet minder behoefte hebben aan vroomheid, hebben zij ook behoefte aan een grondige kennis van de wetenschap. Dit zal hen niet alleen tot goede, praktische Christenen maken, maar zal hen in staat stellen om de jeugd te onderrichten, en tegelijkertijd zullen zij hemelse wijsheid hebben om hen te leiden tot de fontein van levende wateren. Hij is een Christen die ernaar streeft  om de hoogste verworvenheid

56

te bereiken met als doel  goed te doen aan anderen. Kennis dat harmonieus samengaat met een op-Christus-gelijkend karakter, zal van een mens waarlijk een licht tot de wereld maken.”-Fundamentals of Christian Education{Grondbeginselen van Christelijke Opvoeding}, blz.119. {LDSDA: 56.1}

“Allen, die in onze scholen onderwijs geven, zouden een nauw verband met God moeten hebben, en een grondig begrip van Zijn Woord, opdat zij  in staat kunnen zijn om goddelijke wijsheid en kennis in te brengen in het werk van het opvoeden van de jeugd voor bruikbaarheid in dit leven, en voor het toekomstig, onsterfelijk leven. Zij zouden mannen en vrouwen moeten zijn die niet alleen een kennis van de waarheid hebben, maar die  die daders zijn  van het woord van God. “Er staat geschreven” zou uitgedrukt  moeten zijn in hun woorden en door hun leven. Door hun eigen beoefening zouden zij in alles eenvoud en correcte gewoonten moeten leren. Geen man of vrouw zou verbonden moeten zijn met de onze scholen als een opvoeder, die niet een ervaring heeft gehad in het gehoorzamen van het woord van de Heer.” –Testimonies, Vol.6{Getuigenissen, Deel 6}, blz.153. {LDSDA: 57.1}

“De leraren in onze scholen  heben een zware verantwoordelijkheid te dragen. Zij moeten in woorden en karakter datgene zijn wat zij wensen dat hun leerlingen zullen zijn,–mannen en vrouwen dei God vrezen en gerechtigheid werken. Als zij zelf met de weg vertrouwd zijn, kunnen zij de jeugd trainen om erop te wandelen. Zij zullen hen niet alleen opvoeden in de wetenschappen, maar hen trainen om morele zelfstandigheid te hebben, om voor Jezus te werken, en de lasten in Zijn zaak op te nemen.”–Fundamentals of Christian Education{Grondbeginselen van Christelijke Opvoeding}, blz.190. {LDSDA: 57.2}

57

Zij die van nature verdrietig, makkelijk geergerd zijn, en de gewoonte hebben gekoesterd van kritiekvoering, van kwaaddenken, zouden een ander soort werk moeten vinden, dat geen van hun onlieflijke karaktertrekken zal reproduceren in de kinderen en de jeugd, want zij hebben te veel gekost. De hemel ziet in het kind de niet ontwikkelde man of vrouw, met bekwaamheden en vermogens die, indien zij op de juiste wijze worden geleid en ontwikkeld met de hemelse wijsheid, het menselijke werktuig zal worden door wie de goddelijke invloeden kan samenwerken om arbeiders samen met God te zijn. Scherpe woorden, en voortdurende censuur verwilderen het kind, maar hervormen hem/haar nooit. Houd dat lichtgeraakt woord achter: houd uw eigen geest onder de discipline van Jezus Christus; dan zult u leren hoe u medelijden kunt hebben en kunt meevoelen met degenen die onder uw invloed zijn gebracht. Leg geen ongeduld en hard heid aan de dag, want indien deze kinderen geen opvoeding nodig hadden, zouden zij de voordelen van de school niet nodig hebben. Zij moeten geduldig, vriendelijk, en in liefde opgericht worden op de ladder van vooruitgang, stap voor stap klimmend in het verkrijgen van kennis.” –Idem, blz. 263. {LDSDA: 58.1}

Er is behoefte aan leraars die bedachtzaam, aanmerkend zijn over hun eigen zwakheid en tekortkomingen en zonden, en die niet onderdrukkend zullen zijn en de kinderen en de jeugd zullen ontmoedigen. Er is behoefte aan veel bidden, veel geloof, veel verdraagzaamheid en moed, welke de Heer bereid is om te geven. Want God ziet iedere beproeving, en een

58

 wonderlijke invloed kan uitgeoefend worden door leraren, indien zij de lessen in praktijk zullen brengen die Christus hen heeft gegeven. Maar zullen deze leraren hun eigen onberekenbare weg in beschouwing nemen, dat zij zeer zwakke pogingen maken om in de scholen van Christus te leren en op-Christus-gelijkende ootmoedigheid en nederigheid van het hart te beoefenen? De leraren zouden zelf in gehoorzaamheid tot Jezus Christus moeten zijn, en altijd Zijn woordenaan het beoefenen zijn, zodat zij het karakter van Jezus Christus als voorbeeld kunnen tonen aan de leerlingen. Laat uw licht schijnen in goede werken, in getrouw waken en zorgdragen over de lammeren van de kudden, met geduld, met tederheid, en de liefde van Jezus in hun eigen harten”–Idem, blz.269. {LDSDA: 58.2}

“Laat iedere leraar, die de verantwoordelijkheid van het opvoeden van de kinderen en de jeugd aanneemt, zichzelf onderzoeken, en op kritieke wijze van oorzaak tot gevolg onderzoeken. Heeft de waarheid van God mijn ziel in bezit genomen? Heeft de wijsheid welke van Jezus Christus komt, welke eerst ‘zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd’ is, ingebracht in mijn karakter? Terwijl ik sta in de verantoowordelijke positie van een opvoeder, koester ik het beginsel, dat ‘de vrucht der gerechtigheid wordt gezaaid in vrede van hen die vrede maken’? De waarheid moet niet onderhouden en beoefend worden alleen wanneer wij er wat voor voelen, maar te allen tijde en op alle plaatsen. {LDSDA: 59.1}

59

“Een evenwichtig verstand en evenredige karakters worden vereist van leraren op elk terrein. Geef dit werk niet in de handen van jonge vrouwen en jonge mannen die niet weten hoe zij om moeten gaan met het menselijk verstand.—Idem, blz.266. {LDSDA: 59.2}

Geen enkele leraar kan acceptabel werk verrichten die zijn eigen tekortkomingen niet in gedachten houdt en die niet  buiten beschouwing laat alle plannen die zijn geestelijk leven zullen verzwakken. Wanneer leraars gewillig zijn om uit hun werk alles weg te laten dat niet van belang is voor het eeuwig leven, dan kan er waarlijk van hen gezegd worden dat zij hun zaligheid bewerken met vrees en beven, en op verstandige wijze aan het bouwen zijn voor de eeuwigheid. {LDSDA: 60.1}

“Ik ben opgedragen om te zeggen dat sommigen van onze leraars ver achtergeraakt zijn in het verstaan van het soort onderricht die nodig is voor deze periode van de geschiedenis der aarde. Dit is niet een tijd voor leerlingen om een hoop kennis te vergaren die zij niet met zich kunnen meenemen naar de school van boven. Laat ons zorgvuldig uit onze studiekoers alles uitwieden wat bespaard kan worden, zodat wij ruimte kunnen hebben in het verstand van de leerlingen om daarin de zaden van gerechtigheid te planten. Dit onderricht zal vrucht dragen tot het eeuwig leven. {LDSDA: 60.2}

 “Iedere leraar zou een dagelijkse leerling moeten zijn in de school van Christus, opdat hij het besef niet verliest van wat ware lichamelijke, geestelijke, en morele uitnemendheid inhoudt. Niemand zou zich als een leraar moeten aanstellen over anderen,

60

die niet voortdurend zijn eigen zaligheid bewerkt door een allesomvattende onderricht te ontvangen en mee te delen.De ware leraar zal zichzelf onderrichten in zedelijke uitnemendheid, opdat hij door voorschrift en voorbeeld zielen ertoe kan leiden om de lessen van de Grote Leraar te verstaan. Niemand zou zou aangemoedigd worden om het werk van onderrichten te doen, die tevreden xal zijn met een lage standaard. Niemand is geschikt om de verheven  verborgenheden der goddelijkheid te onderrichten, totdat Christus binnenin is gevormd, de hoop der heerlijkheid. {LDSDA: 60.3}

“Iedere leraar moet de waarheid ontvangen in de liefde van haar heilige beginselen; dan kan hij niet falen om een invloed uit te oefenen dat reinigend en verheffend is. De leraar wiens ziel blijvend in Christus is, zal als een Christen spreken en handelen. Zulk iemand zal niet tevreden zijn totdat de waarheid zijn leven reinigt van ieder onbelangrijk ding. Hij zal niet tevreden zijn tenzij zijn verstand dag aan dag wordt gevormd door de heilige invloeden van de Geest van God. Dan kan Christus tot het hart spreken, en Zijn stem, zeggende: ‘Dit is de weg; wandelt gij daarin,’ zal gehoord en gehoorzaamd worden. {LDSDA: 61.1}

“De leraar, die een juiste begrip heeft van het werk van ware opvoeding, zal niet denken dat het genoeg is om zo nu en dan een terloopse verwijzing naar Christus. Met zijn eigen hart warm met de liefde van God, zal hij voortdurend de Man van Calvarie verheffen. Zijn eigen ziel bezield zijnde met de Geest van God, zal hij trachten om de aandacht van de

61

leerlingen te vestigen op het voorbeeld, Jezus Christus, de voornaamste onder tienduizend, Die volkomen liefelijk is. {LDSDA: 61.2}

*  *  *

“Houdt in gedachte dat de Heer alleen degenen als leraars zal aannemen die evangelieleraars zullen zijn. Een grote verantwoordelijkheid rust op degenen die pogen de laatste evangelieboodschap te onderwijzen. Zij zullen arbeiders tezamen met God zijn in het trainen van menselijke gedachten. De leraar die faalt om de Bijbelse standaard altijd voor zich te houden, mist de gelegenheid om een arbeider samen met God te zijn in het geven aan het verstand de vorm die van belang is voor een plaats in de hemelse hoven.”—Idem, blz.525,526,527. {LDSDA: 62.1}

Degene die aan het hoofd staat van een school moet zijn onverdeelde belangstelling leggen in het werk van het maken van de school precies wat de Heer bedoelde dat het zal zijn. Als hij ambitieus is om hoger en nog hoger te klimmen, als hij boven de ware deugeden van zijn werk gaat staan, en boven de eenvoud ervan, en de heilige beginselen van de hemel veronachtzaamt, laat hij dan leren van de ervaring van Mozes dat de Heer zeker Zijn misnoegen zal openbaren vanwege zijn falen om de standaard te bereiken die voor hem is gesteld. {LDSDA: 62.2}

“In het bijzonder zou de directeur {voorzitter} van een school zorgvuldig toezien op de financiën van de instelling. Hij zou de onderliggende beginselen van boekhouden moeten verstaan. Hij is getrouw in een verslag uitbrengen van het gebruik van alle

62

gelden die door zijn hand gaan voor het gebruik van de school. De fondsen van de school moeten niet overgedisponeerd worden, maar iedere poging moet gedaan worden om de bruikbaarheid van de instelling te doen toenemen. Zij die vertrouwd zijn gesteld met de finaciele behering van onze opvoedkundige instellingen, moeten zorgeloosheid toestaan in de uitgaven van de middelen. Alles wat verbonden is met de financien van onze scholen zou volkomen rechtmatig moeten zijn. De manier van de Heer moet strikt opgevolgd worden, ondanks dit niet in overeenstemming kan zijn met de manieren van de mens. {LDSDA: 62.3}

“Tot degenen die verantwoording hebben over onze scholen, zou ik willen zeggen: Maakt u God en Zijn wet tot uw verlustiging? Zijn de beginselen die u opvolgt, gegrond en zuiver en onvervalst? Houdt u zich, in het levenspraktijk, onder de beheersing van God? Ziet u de noodzaak {in} van Hem te gehoorzamen in elke bijzonderheid? Als u verzocht bent om het geld dat de school binnenkomt op manieren te gebruiken die geen bijzondere profijt zal geven aan de school, dan moet uw maatstaf van beginsel zorgvuldig bekritiseerd worden, opdat de tijd niet zal komen wanneer u bekritiseerd zal worden en in gebreke blijkt te zijn. Wie is uw boekhouder? Wie is uw penningmeester? Wie is uw zakenbeheerder? Zijn zij zorgvuldig en bekwaam? Ziet hierop toe. Het is mogelijk dat er geld misbruikt wordt zonder dat er iemand duidelijk begrijpt hoe dat tot stand is gekomen; en het is mogelijk dat een school voortdurensd verlies lijdt vanwege onverstandige uitgaven. Zij

63

die de leiding hebben kunnen dit verlies op intense wijze gevoelen, en toch veronderstellen dat zij hun best hebben gedaan. Maar waarom staan zij toe dat de schulden oplopen? Laten degenen die de leiding hebben over een school voor iedere maand de ware financiele toestand van de school onderzoeken.”—Idem, blz.510,511. {LDSDA: 63.1}

“God heeft ons een genadetijd gegeven waarin wij ons kunnen voorbereiden op de hogere school. Voor deze school moet de jeugd onderricht, gediscipineerd, en getraind worden, door dergelijke karakters, zedelijk en verstandelijk, te vormen, die God zal goedkeuren. Zij moeten een training ontvangen, niet naar de gewoonten en vermaken en spelen van deze door de wereld verdorven gemeenschap, maar naar de {richt}lijnen van Christus, een training die hen geschikt zal maken om mede-arbeiders te zijn met de hemelse gemeenschap. Maar wat een schijnvertoning is die opvoeding verkregen op letterkundige basis, als het ontdaan moet worden van de leerling, als hij waardig wordt geacht om dat leven in te gaan welke te meten is met het leven van God, hijzelf gered zijnde als door vuur”—Idem,blz.397. {LDSDA: 64.1}

“Het karakter van het werk dat gedaan wordt in onze scholen zou van de zeer hoogste orde moeten zijn. Jezus Chruistus, de Hersteller, is het enige Geneesmiddel voor een verkeerde opvoeding, en de lessen die worden geleerd in Zijn Woord zouden de jeugd altijd in de meest aantrekkelijke vorm voorgehouden worden. De schooldiscipline zou de gezinstraining moeten aanvullen, en zowel thuis als op school zou er eenvoud en goddelijkheid onderhouden moeten worden. Mannen en vrouwen zullen gevonden worden die talent hebben om in deze kleine scholen te werken, maar die niet

64

 kunnen werken  ter bevoordeling in de grotere {scholen}. Naargelang zij de Bijbellessen beoefenen, zullen zijzelf een onderricht ontvangen van de hoogste waarde.”–Testimonies, Vol.6{Getuigenissen, Deel 6}, blz.200. {LDSDA: 64.2}

SAMENWERKING VAN OUDERS

“Laten ouders de Heer zoeken met intense oprechtheid, zodat zij geen struikelblokken kunnen zijn op de weg van hun kinderen. Laat afgunst en jaloezie verbannen zijn uit het hart, en laat de vrede van Christus binnenkomen om de leden van de kerk in ware Christelijke broederschap te verenigen. Laten de vensters van de ziel gesloten zijn tegen de giftige malaria van de aarde, en laten zij hemelwaarts geopend zijn om de genezende stralen van de zonneschijn van Christus’gerechtigheid te ontvangen. Totdat de geest van kritiek en achterdocht is verbannen uit het hart, kan de Heer niet datgene voor de kerk doen waar Hij naar verlangt te doen in het openen van de weg voor de vestiging van  scholen; totdat er eenheid is, zal Hij degenen niet bewegen die Hij de middelen en bekwaamheid heeft toevertrouwd voor het vooruitbrengen van dit werk. Ouders moete neen hoger standaard bereiken, de weg van de Heer bewarend en gerechtigheid beoefenend, zodat zij lichtdragers kunnen zijn. Er moet een volledige verandering van verstand en karakter zijn. Een geest van onenigheid, dat gekoesterd wordt in de harten van enkelen, zal zichzelf aan anderen overbrengen, en de invloed te n goede ongfedaan maken die door de school zou worden uitgeoefend. Tenzij de ouders bereid zijn en

65

 ernaar verlangen om samen te werken met de leraars voor de zaligheid van hun kinderen, zijn zij niet voorbereid om een school gevestigd te hebben onder hen.”–Idem, blz.202. {LDSDA: 65.1}

Op de vaders, evenals op de moeders, rust een verantwoordelijkheid voor zowel de vroegere als de latere training van het kind, en voor beide ouders is de eis voor zorgvuldige en grondige voorbereiding het meest urgent.  Voordat zij op zich de verantwoordwelijkheid van vaderschap en moederschap nemen, moeten mannen en vrouwen vertrouwd geraken met de wetten van de  lichamelijke ontwikkeling,–met fysiologie en hygiene, met het dragen van prenatale invloeden, met de wetten van erfelijkheid, {volks}gezondheid, kleding, lichaamsoefening, en de behandeling van ziekten; zij  zouden ook de wetten moeten verstaan van geestelijke ontwikkeling en morele {zedelijke} training. {LDSDA: 66.1}

“Dit werk van opvoeding heeft de Oneindige zo belangrijk geacht, dat er boodschappers van Zijn troon zijn gezonden tot een aanstaande moeder, om antwoord te geven op de vraag: ‘Hoe zullen wij het kind bevelen, en hoe zullen wij aan hem doen?’ en om een vader te onderrichten betreffende de opvoeding van een beloofde zoon. {LDSDA: 66.2}

“Nooit zal een onderrichting alles volbrengen wat het kan en zou moeten volbrengen totdat de belangrijkheid van het werk van de ouders ten volle is erkend, en zij een training ontvangen voor haar heilige verantwoordelijkheden.”–Education, blz.276{Karaktervorming, blz.277,278}. {LDSDA: 66.3}

66

KWALIFICATIES VOOR ARTSEN

“De arts die ernaar verlangt een aanvaardbare medewerker van Christus te zijn, zal ernaar strefen in ieder opzicht efficient te worden. Hij zal ijverig studeren, opdat hij de verantwoordelijkheden van zijn beroep aankan. Hij zal voortdurend trachten een hoger peil te bereiken, zoekend naar meer kennis, grotere bekwaamheid en dieper onderscheidingsvermogen. Iedere atrs zou moeten beseffen dat degene, die niet efficient werkt, niet alleen schade berokkent aan de ziek, maar ook onrecht doet aan zijn collega-artsen. De arts die zich tevreden stelt met een laag peil van bekaamheid en kennis, verlaagt niet alleen het medisch beroep, maar doet ook Christus, de Grote Heelmeester, oneer aan. {LDSDA: 67.1}

“Wie vindt, dat hij ongeschikt is voor medisch werk, zou een andere betrekking moeten keizen. Zij, die wel geschikt zijn voor ziekenverzorging, maar van wie de opleiding en medische bekwaamheid te kort schieten, zouden er goed aan doen, eenvoudiger werk voor hun rekening te nemen door plichtsgetrouw verpleegkundig werk te verrichten. Door volhardende dienst onder vaardige artsen kunnen zij voortdurend leren en kunnen zij tenslotte volledig bevoegd worden voor het werk van arts. Laat de jongere artsen ‘ als werkers tezamen met Hem (de Chef-Arts)…de genade Gods niet tevergeefs ontvangen…in geen enkel opzicht

67

 aanstoot gevend, opdat onze bediening niet gesmaad worde: maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods.’ {LDSDA: 67.2}

“Gods doel met ons is, dat wij steeds in opwaartse richting gaan. De ware medische zendingsarts zal een steeds bekwamer geneesheer worden. Getalenteerde Christelijke artsen, die een superieure beroepsvaardigheid hebben verkregen, zouden uitgekozen en aangemoedigd moeten worden om in de dienst van God te gaan op plaatsen, waar zij anderen kunnen opleiden en trainen om medisch zendeling te worden. {LDSDA: 68.1}

“De arts zou in zijn hart het licht van Gods woord moeten vergaren. Hij zou voortdurend in genade moeten groeien. Bij hem zou de godsdienst centraal moeten staan. Het moet een invloed zijn die alle andere domineert. Hij moet handelen uit hoge, heilige motieven–motieven die krachtig zijn, omdat zij van God uitgaan, de Ene, die Zijn leven gegeven heeft om ons te voorzien van krachten, die het kwade overwinnen. {LDSDA: 68.2}

“Als de arts getrouw en ijverig ernaar streeft zich in zijn beroep te bekwamen, als hij zichzelf wijdt aan de dienst van Christus en tijd neemt om zijn eigen hart te onderzoeken, zal hij begrijpen hoe hij de geheimen van zijn heilig beroep meester wordt. Hij kan zichzelf zodanig ontwikkelen, dat allen binnen zijn invloedssfeer de uitnemendheid van de opleiding en wijsheid, verkregen door degene die verbonden is met de God van wijsheid en macht, zullen zien. {LDSDA: 68.3}

68

“Een Goddelijke Helper in de Ziekenkamer”

“Nergens is een nauwere gemeenschap met Chtistus nodig dan in  het werk van een arts.Degene die de plichten van een een geneesheer op de juiste wijze wil vervullen, moet ieder uur van de dag een Christelijk leven leiden. Het leven van een patient is in de handen van de arts. Een zorgeloze diagnose, een verkeerd voorschrift in een kritiek geval, of een zorgeloze beweging van de hand tijdens de operatie–zelf maar een haarbreedte–en een leven kan eraan opgeofferd zijn, en een ziel kan de eeuwigheid ingestuurd worden. Wat een ernstige gedachte! Hoe belangrijk is het, dat artsen altijd onder toezicht van de goddelijke Geneesheer staan! {LDSDA: 69.1}

“De Verlosser is bereid om allen te helpen, die een beroep op Hem doen om wijsheid en helderheid van gedachte. En wie behoeft wijsheid en helderheid van gedachte meer dan een geneesheer van wiens beslissing zoveel afhangt?Laat hem, die tracht levens te verlengen, in geloof op Christus zien om ieder van zijn bewegingen te leiden. De Verlosser wil hem tact en bekwaamheid geven in de behandeling van moeilijke gevallen. {LDSDA: 69.2}

“Wonderbaarlijk zijn de gelegenheden,  gegeven aan verzorgers van zieken. Laat in alles wat gedaan wordt voor het herstel van zieken, hen begrijpen dat de arts een weg zoekt om met God samen te werken teneinde de ziekte te overwinnen. Leidt hen ertoe te voelen, dat bij iedere maatregel, genomen in harmonie met

69

 Gods wetten, zij de hulp van goddelijke kracht mogen verwachten. {LDSDA: 69.3}

“De zieken en lijdenden zullen veel meer vertrouwen hebben in de arts van wie zij overtuigd zijn, dat hij God lief heeft en vreest. Zij verlaten zich op zijn woord. Zij hebben het gevoel van zekerheid in de aanwezigheid en leiding van die arts. {LDSDA: 70.1}

” De Here Jezus kennende, is het een voorrecht van de Christenarts om door middel van gebed Zijn aanwezigheid in de ziekenkamer te vragen. Laat de chrirurg, voor het uitvoeren van een ernstige operatie, de hulp van de Grote Heelmeester inroepen. Laat hij de zieke verzekeren dat God hem veilig door de beproeving heen kan helpen en dat Hij in alle tijden van tegenspoed een veilige schuilplaats is voor allen die op Hem vertrouwen.  De arts die dit niet kan doen, verliest geval na geval, dat anderszins gered had kunnen worden. Als hij woorden kan spreken,die tot geloof inspireren in de meevoelende Verlosser, die iedere snik van angst vo elt, en de nood van de ziel tot Hem kan brengen, zou de crisis vaker veilig zijn voorbijgegaan. {LDSDA: 70.2}

“Alleen Hij, die het hart leest, kan weten met hoeveel angst en beven menig patient toestemt in een operatie door de hand van een chirurg.Zij beseffen het gevaar. Hoewel zij vertrouwen kunnen hebben in de bekwaamheid van de arts, weten zij, dat hij niet onfeilbaar is. Maar als zij zien, dat de arts het hoofd buigt en God om hulp vraagt, worden zij met vertrouwen vervuld. Dankbaarheid

70

 en vertrouwen openen het hart voor de helende macht van God, de levenskrachten worden opgewekt en zullen overwinnen. {LDSDA: 70.3}

“Ook voor de arts is de aanwezigheid van Christus een bron van kracht. Dijkwijls drukken de verantwoordelijkheden en de mogelijkheden zwaar op hem. De koortsachtige onzekerheid van vrees zouden zijn hand de vaardigheid kunnen doen verliezen. Maar de zekerheid dat de goddelijke Raadsman naast hem staat om hem te versterken, geeft hem rust en moed. De aanraking van Christus op de hand van de arts brengt vitaliteit, rust, vertrouwen en kracht. {LDSDA: 71.1}

“Wanneer d crisis veilig is doorstaan, en de behandeling geslaagd, besteedt dan enkele momenten aan gebed met de patient. Geef uitdrukking van uw dankbaarheid voor het leven dat gespaard is. Als de patient woorden van dank uitspreekt tegen de arts, laat de lof en dank tot God gericht worden. Vertel de patient dat zijn leven gespaard is, omdat hij onder bescherming stond van de hemelse Geneesheer. {LDSDA: 71.2}

“De arts, die deze weg volgt, leidt de patient naar de Ene, van wie zijn leven afhangt, de Ene, die allen die tot Hem komen volkomen kan redden.

“Werk aan de Ziel

“Het medisch zendingswerk zou een diepe bewogenheid met zich moeten

71

brengen. Aan de arts, evenals de evangeliedienaar is het meest verantwoordelijke werk, ooit aan mensen opgedragen, toevertrouwd. Of hij het beseft of niet, aan iedere arts wordt de genezing van zielen toevertrouwd. {LDSDA: 71.3}

“In zijn werk, waar hij te maken heeft met ziekte en dood, verliest de arts vaak de ernstige werkelijkheid van het toekomstige leven uit het oog. In hun ernstige poging om het gevaar voor het lichaam af te wenden, vergeten zij het levensgevaar voor de ziel. De persoon die zij behandelen, kan zijn greep op het leven verliezen. De laatste mogelijkheden kunnen hem uit de vingers glippen. Deze ziel zal de arts voor de rechterstoel van Christus weer moeten ontmoeten. {LDSDA: 72.1}

“Dikwijls lopen wij de kostbaarste zegeningen mis door te verzuimen een woord op het juiste moment te spreken. Wanneer de gouden gelegenheid niet afgewacht wordt, gaat die verloren. aan het ziekbned moet geen woord van belijdenis of strijdpunt gesproken worden. Laat de lijder gewezen worden op Hem, die bereid is allen die in geloof tot Hem komen te redden. Ernstig en teder moet gestreefd worden de ziel, die tussen leven en dood zweeft, te helpen. {LDSDA: 72.2}

“De arts die weet, dat Christus zijn persoonlijke Verlosser is, omdat hijzelf tot de Toevlucht geleid is, weet hoe hij moet handelen met  de bevende, schuldige, met zonden beladen ziel, die zich tot hem om hulp keert. Hij kan antwoorden op de vraag: ‘Wat moet ik doen om gered te worden?’ Hij kan het verhaal van de liefde van de Verlosser vertellen. Hij kan uit ervaring spreken over de kracht van berouw en

72

geloof. Ineenvoudige, ernstige woorden kan hij de nood van de ziel in gebed aan God voorleggen en hij kan de zieke aanmoedigen ook genade te vragen en te aanvaarden van de medelijdende Heiland. Als hij zo de zieke bijstaat aan het bed, ernaar strevend woorden van hulp en troost te spreken, werkt de Here met en door hem. Als de geest van de lijder op de Zaligmaker wordt gericht, vervult de vrede van Christus zijn hart en geestelijke gezondheid, die over hem komt, wordt gebruikt als de helpende hand van God in het herstel van de lichamelijke genezing. {LDSDA: 72.3}

“Op ziekenbezoek zal de arts dikwijls gelegenheid hebben om een woord van waarheid tot de vrienden te spreken. Als zij aan het bed waken en zich machteloos voelen om een vlaag van angst te voorkomen, worden hun harten verzacht. Dikwijls wordt verdriet, dat voor anderen wordt verborgen, aan de arts verteld. Dat is de gelegenheid om deze bedroefden te wijzen op Hem, die de vermoeiden en belasten heeft uitgenodigd om tot Hem te komen. Dikwijls kan voor hen en met hen een gebed worden opgezonden, waarin hun nood aan de Heelmeester van alle kwalen, de Verzachter van alle smart kan worden voorgelegd. {LDSDA: 73.1}

“Gods Beloften

“De geneesheer heeft kostbare gelegenheden om zijn patienten op de beloften van Gods woord te wijzen. Hij moet uit het schathuis nieuwe en oude dingen te voorschijn halen, hier en daar een woord van troost brengen

73

 en  aanwijzingen geven waarnaar verlangd wordt. Laat de arts zijn geest een schatkamer maken van frisse gedachten.  Laat hen het woord van God ijverig bestuderen, opdat hij bekend mag worden met de gegeven beloften. Laat hem leren te herhalen de woorden van troost, die Christus heeft gesproken tijdens Zijn aardse dienstwerk toen Hij Zijn lessen gaf en de zieken genas. Hij zou moeten praten over de werken van genezing die Jezus verrichtte, van Zijn tederheid en liefde.Noit zou hij moeten verzuien de geest van zijn patienten te richten op Christus, de Grote Heelmeester. {LDSDA: 73.2}

“Dezelfde macht die Christus uitoefende tone Hij zichtbaar onder de mensen wandelde, is in Zijn woord te vinden. Het was door Zijn woord dat Jezus zieken genas en duivelen uitwierp; door Zijn woord stilde Hij de storm, bracht Hij de doden tot leven; en het volk getuigde dat Zijn woord met macht was. Hij sprak het woord van God, zoals Hij gesproken had tot alle profeten en leraars van het Oude Testament. De gehele Bijbel is een openbaring van Christus. {LDSDA: 74.1}

“De Schriften moeten ontvangen worden als Gods woord tot ons, niet louter geschreven, maar gesproken. Toen de gekwelden tot Christus kwamen, zag Hij niet slechts hen, die om hulp vroegen, maar allen die door de eeuwen heen ingelijke nood tot Hem zouden komen met hetzelfde geloof. Toen Hij tot de verlamde zei: ‘Zoon, houdt moed; uw zonden worden u vergeven,’ toen Hij tegen de vrouw te Kapernaum zei: ‘Dochter, weest welgemoed,uw geloof heeft u

74

 behouden; ga in vrede,’ sprak Hij tot andere ellendige, met zonden belden mensen die Zijn hulp zouden zoeken. {LDSDA: 74.2}

“Zo is het met alle beloften in Gods woord. Daarin spreekt Hij tot ons persoonlijk, spreekt Hij direct, alsof wij naar Zijn stem konden luisteren. Het zijn deze beloften waarin Christus Zich met ons verbindt in genade en kracht. Zij zijn de bladeren van die boom, die ‘voor genezing der volkeren’ is. (Openb.22:2) Ontvangen, opgenomen, moeten zij de sterkte van het karakter, de inspiratie en onderhoud van het leven zijn. Niets anders kan zo’n helende kracht hebben. Niets daarnaast kan moed en geloof geven, wat vitale kracht meedeelt aan het gehele wezen. {LDSDA: 75.1}

“Tot degene, die trillend van angst aan de rand van van het graf staat, tot de ziel, vermoeid door de last van lijden en zonde, kan de arts, als zich de gelegnheid voordoet, de woorden van de Heiland herhalen–want al de woorden in de Heilige Schrift zijn de Zijne: {LDSDA: 75.2}

“Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen; ald gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden. Want Ik de Heer ben uw God, de Heilige Israels, uw Verlosser…Omdat gij kostbaar zijt in Mijn ogen en hooggeschat en

75

Ik u liefheb.” “Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet.’ ‘Vrees niet, want Ik ben met u.'”–Ministry of Healing, blz.116-123{De Weg tot Gezondheid, blz.86-93}. {LDSDA: 75.3}

KWALIFICATIES VOOR VERPLEGERS

“In ziekenhuizen en sanatoria, waar verpleegsters voortdurend in aanraking komen met grote aantallen zieke mensen, vraagt het grote inspanning om altijd plezierig en opgewekt te zijn en belangstellende aandacht in ieder woord en daad te tonen. In deze instellingen is het van het grootste belang dat de zusters er naar streven hun werk verstandig en goed te doen. Zij moeten altijd bedenken dat in de uitvoering van hun dagelijkse plichten, zij Christus de Here dienen. {LDSDA: 76.1}

“Een Bereidwillige Geest

“De zieken hebben behoefte aan verstandige woorden, die tot hen worden gesproken. Verplegend personeel moet de Bijbel dagelijks bestuderen, zodat zij in staat zijn woorden te spreken die lijdende kunnen verlichten en helpen. Gods engelen zijn in de kamer waar deze lijders verzorgd worden en de atmosfeer rondom de ziel van de verzorgde moet rein en welriekend zijn. Artsen en verplegend personeel moeten de beginselen van Christus aanhangen. In hun leven moeten Zijn eigenschappen zichtbaar zijn. Dan zullen zij in alles wat zij doen en zeggen, de zieken tot de Verlosser trekken. {LDSDA: 76.2}

“De verpleegkundige, die een Christen is, zal terwijl zij behandelingen toepast tot herstel van het lichaam,

76

plezierig en succesvol de geest van de patient tot Christus trekken, de Genezer van zowel geest als lichaam. De gedachten, die hier een weinig en daar een weinig aangereikt worden, zullen hun invloed hebben. De oudere verpleegsters zouden geen gelegenheid voorbij mogen laten gaan om de aandacht van de patient op Christus te vestigen. Zij zouden altijd klaar moeten staan om geestelijke en lichamelijke genezing samen te laten gaan. {LDSDA: 76.3}

“Op de vriendelijkste en tederste manier zouden verpleegsters degenen, die genezing zoeken erop moeten wijzen, dat zij in het vervolg de wetten van God niet weer overtreden. Zij moeten ophouden een leven van zonde te verkiezen. God kan iemand niet zegenen die voortgaat ziekte op zichzelf te brengen door wilens en wetens de wetten des hemels te overtreden. Maar Christus komt door de Heilige Geest als een helende kracht tot hen, die ophouden met kwaad doen en leren goed te doen.” –Ministry of Healing, blz.222-224{De Weg tot Gezondheid, blz. 185,186}. {LDSDA: 77.1}

“Efficientie Hangt Af Van Kracht

“Het goede functioneren van de verpleegster hangt voor een groot deel af van haar lichamelijke kracht. Hoe gezonder zij is, hoe beter zij in staat is de spanning in de verzorging van zieken te verdragen en met hoe meer succes zij haar plichten kan vervullen. Zij die voor zieken zorgen, moeten veel aandacht besteden aan het dieet, hygiene, frisse lucht en beweging. Dezelfde zorgvuldigheid van de kant van de familie zal hen in staat stellen de extra lasten, die op hen gebracht zijn, te dragen en

77

 zal hen helpen voorkomen dat zij ook ziek worden… {LDSDA: 77.2}

“Verplegers, en allen die te maken hebben met de ziekenkamer, zouden opgewekt, kalm, en zelfbeheerst moeten zijn. Alle haast, opwinding en verwarring zou vermeden moeten worden. Deuren zouden met zorgvuldigheid gesopend en gesloten moetn worden, en het gehele huishouden zou in stilte gedaan moeten worden. In gevallen van koorts, is er bijzondere zorg nodig wanneer de crisis komt en de koorts voorbijgaat. Dan is voortdurende waakzaamheid noodzakelijk. Onwetendheid, vergeetachtigheid, en roekeloosheid hebben de dood veroorzaakt van velen, die in leven hadden kunen zijn als zij de juiste zorg hadden ontvangen van verstandige, bedachtzame verplegers.”–Counsels on Health{Raadgevingen over Gezondheid}, blz.406,407. {LDSDA: 78.1}

“Er zijn ernstige, toegewijde jonge mensen nodig om het werk binnen te gaan als verplegers.  Naargelang deze jonge mannen en vrouwen op gewetensvolle wijze de kennis die die zij verkrijgen gebruiken, zullen zij toenemen in bekwaamheid, steeds beter bevoegd wordende om de helpende hand van de Heer te zijn. {LDSDA: 78.2}

“De Heer wil wijze mannen en vrouwen, die in de bevoegdheid van verplegers kunnen handelen, om de zieken en lijdenden te troosten en te helpen. O, dat allen die gekweld zijn gediend kunnen worden door Christelijke artsen en verplegers die hen konden helpen om hun vermoeide, door-pijn-gemergelde lichamen in de zorg van de Grote Genezerte plaatsen, in het geloof nar Hem opziend voor herstelling! Als de patient door verstandige bediening wordt geleid om zijn ziel te geven

78

aan Christus en om zijn gedachten in gehoorzaamheid aan de wil van God te brengen, is er een grote overwinning verkregen… {LDSDA: 78.3}

“Er zijn vele terreinen van werk om voortgebracht te worden  door de zendelingsverpleger. Er zijn gelegenheden voor goed-opgeleide verplegers om in huizen te gaan en daar te pogen een belangstelling op te wekken in de waarheid.  In haast iedere gemeenschap zijn er grote aantallen  die niet zullen luisteren naar de leringen van Gods Woord of enige godsdienstige dienst bezoeken. Als dezen bereikt {moeten}worden door het evangelie, dan moet het naar hun huizen gebracht worden. Vaak is de verlichting van hun lichamelijke behoeften de enige ingang waardoor zij benaderd kunnen worden. {LDSDA: 79.1}

“Zendelingsverplegers die voor de zieken zorgen en de verontrusting van de armen verlichten zullen vele gelegenheden ondervinden om met hen te bidden, om hen uit Gods Woord  voor te lezen, en van de Verlosser te spreken. Zij kunnen bidden met en voor de hulpelozen, die de wilskracht niet hebben om de begeerten te beheersen die de hartstochten hebben verlaagd. Zij kunnen een stral van hoop in de levens brengen van de verslagenen en de ontmoedigden. De openbaring van onzelfzuchtige liefde, geopenbaard in handelingen van belangeloze vriendelijkheid, zal het gemakkelijker maken voor deze lijdenden om in de liefde van Christus te geloven.”–Counsels on Health{Raadgevingen van Gezondheid}, blz.387,388. {LDSDA: 79.2}

“God heeft een werk voor iedere gelovige die in het Sanatorium werkt. Iedere verpleger moet een kanaal van zegen zijn, licht ontvangend

79

van boven, en zijn het laten voortschijnen tot anderen,. De werkers zullen niet overeenkomen met de modegrillige vertoning van degenen die naar het SAnatorium komen voor een behandeling, maar zullen zich toewijden tot God. De atmosfeer die hun zielen omringt zal een een geur van leven ten leven zijn. Verzoekingen zullen hen van alle kanten , maar laat hen God vragen voor Zijn aanwezigheid en leiding. De Heer zei tot Mozes: ‘Voorzeker zal  Ik met u zijn;’ en aan iedere getrouwe, toegewijde werker is dezelfde verzekering gegeven.”–Testimonies, Vol.8{Getuigenissen, Deel 8}, blz.144. {LDSDA: 79.3}

Kwalificaties (eigenschappen voor allen)

In Zijn Woord somt de Heer de gaven en deugden (gedragingen)op,  die  onmisbaar zijn  voor allen die met Zijn werk in verbinding staan. Hij leert ons niet om onderwijs te negeren of opvoeding te verachten: want wanneer gecontrolleerd door de liefde en de vrees voor God, is verstandelijke cultuur een zegen, hoewel dit niet gepresenteerd wordt als de meest belangrijke kwalificatie voor het dienen van God. Jezus ging de wijze mannen van Zijn tijd voorbij, de geschoolde mannen die positie hadden omdat ze zo trots waren en zelfgenoegzaam in hun opschepperige superioriteit dat ze niet konden sympatiseren met de lijdende mensheid en medewerkers met de Man van Nazareth konden worden.In hun dweperij minachten ze het om geleerd te worden door Christus. De Here Jezus wil mensen in verbinding hebben met zijn werk, die het werk als heilig waarderen (achten), dan kunnen ze samenwerken met God. Zij  zullen onbelemmerde kanalen zijn

80

waardoor Zijn genade kan vloeien. De kenmerken van het karakter van Christus kan alleen aan diegenen deelachtig worden die zichzelf wantrouwen.De hoogste wetenschappelijke opleiding kan in zichzelf niet een Christelijk karakter ontwikkelen.De vruchten van ware wijsheid komen alleen van Christus af. {LDSDA: 80.1}

Elke werker moet zijn eigen geschiktheid testen door het Woord van God. Hebben de mannen die heilige dingen behandelen een helder begrip, een juiste waarneming van dingen van eeuwige belang? Zullen ze toestemmen om te neigen tot de werking van de Heilige Geest of zullen zij zichzelf toestaan om beinvloed te worden door hun eigen overgeerfde en ontwikkelde neigingen? Het betaamd een ieder zichzelf te onderzoeken, of zij in het geloof staan. {LDSDA: 81.1}

Positie en Verantwoordelijkheid

Zij die vertrouwelijke posities (functies) bekleden in het werk van God, zullen altijd in gedachten moeten houden, dat deze posities grote verantwoordelijkheden met zich meebrengen. De juiste voorstelling van het heilige werk van deze tijd en het redden van de zielen die met ons verbonden zijn in wat voor manier dan ook, hangt voor een groot deel af van onze eigen geestelijke conditie. Allen zouden een levendig verantwoordelijkheidsgevoel moeten ontwikkelen, voor hun eigen huidige welzijn en hun eeuwige bestemming zal besloten worden door de geest die ze koesteren. Als het eigen ik in verwoven in het werk is het als het offeren van vreemd vuur in plaats van het heilige.

81

Zulke werkers halen zich de afkeuring van de Heer op de hals. {LDSDA: 81.2}

Broeders en Zusters,  haal uw hand af van het werk  tenzij u het heilige van het gewone vuur kunt onderscheiden. Zij die hebben gestaan als representabele mannen zijn niet allen Christelijke heren. Er is een overheersende gees dat controle over anderen wil nemen. Mensen achtten zichzelf als deskundig (gezaghebbend), zij drukken hun meningen uit en laten besluiten nemen over zaken waar ze geen geoefende kennis (ervaring) mee hebben. Sommigen die verbonden zijn met de uitgeverij te………………….. gaan door het kantoor, pratend met verschillende mensen, instructies gevend waarvan ze denken dat ze die horen te geven, terwijl ze niet begrijpen waar ze het over hebben. {LDSDA: 81.3}

Gerechtigheid en Eerlijkheid

Groot onrecht en zelf oneerlijkheid is gepleegd in de bestuursvergaderingen, door zaken naar voren te brengen voor diegenen die niet de ervaring hebben die hun de mogelijkheid zal geven om bekwame rechters te zijn. Documenten worden in de handen van mensen gelegd om kritiek te leveren, toen hun verstandelijke ogen zo verblind waren dat ze het geestelijk belang van het onderwerp waar ze mee te maken hadden niet konden onderscheiden. Nog erger dan dat, ze hadden geen echte kennis van boekenmaken.Ze hadden noch de studie noch de praktijk overeenkomstig met literaire producties. Mensen hebben in oordeel gestaan over boeken en manuscripten die onwijzelijk geplaatst zijn in hun handen, terwijl ze hadden

82

moeten weigeren om te dienen in zulk een hoedanigheid .Het zou slechts eerlijk van hen om te zeggen: Ik heb geen ervaring gehad in dit soort werk en zou zeker onrecht aan mijzelf en anderen aandoen om mijn mening te geven. Verontschuldig mij broeders en zusters, maar in plaats van anderen te instrueren heb ik zelf nodig dat iemand mij leert. Maar dit was verre van hun gedachten. Zij uitten zichzelf vrijelijk over onderwerpen waar ze niets van afweten. Conclusies zijn geaccepteerd als de meningen van wijze mannen, terwijl zij eenvoudigweg de meningen waren van beginnelingen. {LDSDA: 82.1}

De tijd is gekomen wanneer in de naam en de kracht van God, de kerk moet handelen ten goede van zielen en voor de eer van God. En tekort aan onwankelbaar geloof en van onderscheiding van heilige dingen zou moeten worden geacht als voldoende om iedere mens uit te sluiten van in verbinding staan met het werk van God. Zo ook een toegeven aan een opvliegend karakter, een ruwe dwingende geest, openbaart dat haar /zijn eigenaar niet geplaatst zou moeten worden waar hij geroepen zal worden om te beslissen over gewichtige vraagstukken die Gods erfenis beinvloeden. Een emotioneel (heftig)iemand moet geen rol hebben om te spelen in het omgaan met  het menselijk verstand. Hij kan niet vertrouwd worden om zaken vorm te gevendei een verband hebben met zij die Christus heeft gekocht met een oneindige prijs. Als hij onderneemt om mensen te leiden, zal hij hun zielen kwetsen en verwonden; want hij heeft niet de verfijnde aanpak, de verfijnde gevoeligheid , welke de genade van Christus verschaft.

83

Zijn eigen hart dient verzacht te woren, ondergeschikt gesteld aan de Geest van God; het hart van steen is nog geen hart van vlees geworden. {LDSDA: 83.1}

Christus representeren

Zij die alzo een verkeerde representatie geven van Christus, plaatsen een verkeerde indruk op het werk; want zij bemoedigen allen die in contact met hun staan te doen zoals zij doen.In het belang van hun zielen , in het belang van zij die in gevaar zijn door hun invloeden, moeten zij hun positie neerleggen, want het verslag zal in de hemel opgetekend worden, dat degene die onrecht doet het bloed van vele zielen op zijn kleed heeft. Hij heeft ervoor gezorgd dat sommigen geirriteerd raakten, zodat ze het geloof hebben opgegeven; anderen zijn besmet met zijn eigen satanische eigenschappen en het kwaad dat gedaan is is onmogelijk in te schatten. Diegenen alleen die het zichtbaar (kenbaar) maken dat  hun harten worden geheiligd door de waarheid, moeten in vertrouwelijke posities in het werk van de Heer gehandhaafd worden. {LDSDA: 84.1}

Laat een ieder in overweging nemen dat wat hun arbeid ook mag zijn , ze Christus moeten vertegenwoordigen. Met een standvastig doel moet ieder mens (ernaar streven)trachten het verstand (hart )van Christus te hebben. Vooral zij die de positie van leider of advieseur hebben geaccepteerd, zouden moeten voelen dat van ze wordt geeist dat ze in alle opzichten Christelijke heren moeten zijn. Terwijl wij in de omgang met anderen altijd trouw moeten zijn en niet grof. De zielen waar wij mee te maken hebben zijn de Here

84

 zijn verworven eigendommen en wij mogen geen haastige dwingende uitdrukkingen aan onze lippen laten ontsnappen . {LDSDA: 84.2}

Broeders en Zusters, behandel mensen als mensen , niet als dienstknechten die maar naar uw plezier opgedragen (beveeld) moeten worden. Hij die neigt naar een ruwe dwingende geest, kan beter een schaapherder worden zoals Mozes dat deed en zodoende leren wat het betekent om een echte herder te zijn. Mozes gewon in Egypte een ervaring als een machtige staatsman en als een leider van de legers, maar het is niet daar dat hij de belangrijke lessen leerde van ware grootheid. Hij had een ervaring nodig in wat meer nederige taken, zodat hij een verzorger kon worden, teder tegen ieder levend ding. In het onderhouden van de kudde van Jetro, ging zijn medeleven uit naar de schapen en de lammeren en hijleerde deze schepselen van God te bewaken met de meest liefdevolle zorg. Alhoewel hun stem  nooit kon klagen over mishandeling, kon hun houding al veel laten zien. God geeft om al de schepselen die Hij gemaakt heeft. In het werken voor God in deze lage station (plek,positie), leerde Mozes om een tedere herder voor Israel te worden. {LDSDA: 84.3}

Afhankelijk zijn van God

De Heer wil ons ook een les leren uit de ervaringen van Daniel. Er zijn velen die machtige mannen kunnen worden , als ze zoals deze trouwe Hebreeer afhankelijk zouden zijn van God voor genade om overwinnaars te zijn en voor kracht en doeltreffendheid in hun werken. Daniel gaf uiting  van de meest

85

perfecte hoffelijkheid zowel naar zijn meerderen als tegenover de jeugd. Hij stond als een getuige voor God en  streefde ernaar zo een koers te nemen dat hij zich niet hoefde te schamen voor de Hemel om zijn woorden te horen of zijn werken te aanschouwen. Toen van Daniel werd gevraagd om deel te nemen aan de weelderigheid van de tafel van de koning, vervloog hij niet in harstocht noch gaf hij de indruk de aandrang te hebben om te eten en te drinken waar hij zin in had. Zonder een uitdagend woord uittespreken, bracht hij de zaak voor God. Hij en zijn kameraden zochten wijsheid van de Heer en toen ze terugkwamen van oprechte gebeden, stond hun beslissing vast. Met ware moed en Christelijke hoffelijkheid bracht Daniel de zaak voor de officier die over hen de leiding had hem vragend of het ze toegestaan werd slechts een eenvoudig dieet te hebben. Deze jongeren voelden dat hun religieuze principes in het gedrang waren en zij vertrouwden op God van wie ze hielden en die ze dienden. Hun verzoek werd ingewilligd want zij vonden genade bij God en bij mensen {LDSDA: 85.1}

Mensen in ieder vertrouwelijke positie moeten hun plaats innemen in de school van Christus en acht geven op het bevel van de Grote Leraar: Leert van Mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart : en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht. Wij hebben geen excuus om een verkeerde karaktertrek ten toon te spreiden. Niet door kracht noch door geweld maar door Mijn Geest zegt de Here der heerscharen. In uw omgang met anderen ,wat u ook ziet of hoort dat gecorrigeerd dient te worden, zoek eerst de Heer voor wijsheid en genade, dat in het trachten om trouw te zijn u niet grof bent. Vraag hem om u de vriendelijkheid van Christus te geven; dan zal u trouw zijn aan uw taak, trouw aan uw vertrouwelijke positie en trouw aan God, een trouwe dienstknecht die natuurlijke en verworven eigenschappen tot het kwade overwint. {LDSDA: 86.1}

Niemand dan een hartgrondig Christen kan een volmaakte heer zijn; maar als Christus verblijft in de ziel, zal Zijn Geest geopenbaard worden in de manieren, de woorden en de handelingen. Vriendelijkheid en liefde gekoesterd in het hart zullen tot uiting komen in zelfverloochening ,in ware hoffelijkheid. Zulke werkers zullen het licht der wereld zijn.–Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Bedienaars}pp 259-264. {LDSDA: 87.1}

Kwaliteiten voor kerkleden

De toelating van leden die niet vernieuwd zijn van hart en veranderd in het leven , is een bron van zwakheid voor de kerk. Dit feit wordt vaak genegeerd. Sommige predikanten en kerken zijn zo begerig om het toenemen van cijfers te verzekeren, dat ze geen trouwe getuigenis uitdragen tegen on-Christelijke gewoonten en praktijken. Zij die de waarheid aannemen, worden niet geleerd dat ze niet veilig wereldlingen kunnen zijn in gedrag terwijl ze Christenen in naam zijn. Voorheen waren ze Satans onderdanen; van nu af aan moeten ze onderdanen van Christus zijn. Het leven moet getuigen van de verandering van leiders. Publieke

87

 opinie begunstigt een belijdenis van Christelijkheid. Weinig zelfverloochening of zelfopoffering wordt vereist om een vorm van goddelijkheid aan te doen en om iemands naam in het kerkboek ingeschreven te krijgen. Zodoende voegen velen zich toe aan de kerk zonder eerst verenigd te worden met Christus. Hierin zegeviert Satan. Zulke bekeerlingen zijn zijn meest  doeltreffende agenten {werktuigen}. Zij dienen als lokazen voor andere zielen. Zij zijn valse lichten, die de onoplettende naar de ondergang toe verleiden. Het is tervergeefs, dat de mens het pad van de Christen breed en aangenaam probeert te maken voor wereldlingen. God heeft de ruwe, smalle weg niet geplaveid of breed gemaakt. Als we  tot het leven willen ingaan, moeten wij hetzelfde pad volgen dat Jezus en zijn discipelen hebben bewandeld,- het pad van nederigheid, zelfverloochening en opoffering.- Testimonies, Vol 5 blz. 172. {LDSDA: 87.2}

Christelijkheid{of Christendom}-hoe velen zijn er die niet weten wat het is! Het is niet iets wat je aan de buitenkant aandoet. Het is een leven verwoven met het leven van Jezus.Het betekent dat we het kleed van Christus Zijn gerechtigheid aan hebben. Met betrekking tot de wereld zullen Christenen zeggen: Wij zullen niet bemoeien met politiek. Ze zullen vastbesloten zeggen: Wij zijn pelgrims en vreemdelingen; onze burgerschap is boven. Ze zullen niet gezien worden in het kiezen gezelschap voor vermaak. Ze zullen zeggen: We zijn opgehouden om ons te laten beinvloeden door kinderachtige dingen. We zijn vreemdelingen en pelgrims, uitkijkend naar een stad met funderingen, waarvan de bouwer en maker God is.” Testimonies To Ministers {Getuigenissen voor Bedienaars,}blz. 131 {LDSDA: 88.1}

88

“Eén onbehoedzame stap, één ondoordachte handeling, kan de kerk  in moeilijkheden en beproevingen storten, waarvan het jarenlang niet kan herstellen.Eén lid van de kerk vervuld van ongeloof, kan een voordeel geven aan de grote  vijand waardoor de voorspoed van de totale kerk wordt beinvloed, en vele zielen kunnen als resultaat daarvan verloren gaan. Testimonies, Vol. 3, blz. 446. {LDSDA: 89.1}

Als de kerken kracht verwachten, moeten ze de waarheid de God hen gegeven heeft naleven. Als de leden van onze kerken het licht op dit onderwerp minachten, zullen ze het zekere resultaat hiervan oogsten in zowel geestelijke als fysieke {lichamelijk} verval.En de invloed van deze oudere kerkleden zal degenen die nieuw tot het geloof komen doordringen. De Heer werkt nu niet om vele zielen tot de waarheid te brengen, vanwege de kerkleden die nooit bekeerd zijn en zij die eens bekeerd waren, maar afgevallen zijn. Welke invloed zouden deze niet toegewijde leden hebben op nieuwe bekeerlingen? Zouden zij niet de door God gegeven boodschap welke Zijn volk moeten uitdragen, krachteloos maken?–Test. Vol 6 p.371. {LDSDA: 89.2}

De doop—- Een teken

De verordeningen van de doop en het Avondmaal, zijn twee monumentale pilaren, één buiten en één binnen de kerk.Op deze verordeningen heeft Christus de naam van de ware God gegraveerd.

89

“Christus heeft de doop tot het teken gemaakt om Zijn geestelijk Koninkrijk in te gaan. Hij heeft dit een absolute voorwaarde gemaakt waar allen aan moeten voldoen die wensen herkend te worden als zijnde onder het gezag van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest.Voordat de mens een tehuis kan vinden in de kerk, voordat hij de drempel voorbijgaat van Gods geestelijke koninkrijk, moet hij de afdruk van de heilige naam “De Here onze gerechtigheid”ontvangen. Jer.23 :6. {LDSDA: 89.3}

De doop is een meest heilige {plechtige}verzaking van de wereld. Zij die gedoopt zijn in de drievoudige naam van de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest, verklaren  juist aan de ingang van hun Christelijke leven in het openbaar, dat ze de dienst van Satan achterwege hebben laten en leden zijn geworden van de koninklijke familie, kinderen van de hemelse Koning. Zij hebben het gebod gehoorzaamd, “Daarom gaat weg uit hun midden en scheidt u af….en houdt niet vast aan het onreine.” En tot hen is vervuld de belofte: “Ik zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn en gij zult Mijn zonen en dochters zijn, zegt de Here, de Almachtige.” 2Kor.6:17,18. {LDSDA: 90.1}

Voorbereiding tot de doop

Er is behoefte aan een nog grondigere voorbereiding, aan de kant van de doopkandidaten. Zij hebben behoefte aan getrouwere onderricht dan die hun gewoonlijk wordt gegeven. De principes van het Christelijke leven moet duidelijk gemaakt worden aan zij die nieuw in de waarheid zijn binnen gekomen.Niemand kan zich

90

verlaten op zijn eigen geloofsbeleving als bewijs dat ze een reddende verbintenis hebben met Christus. We kunnen niet alleen zeggen, “ik geloof” maar moeten de waarheid ook in praktijk brengen. Het is door de bevestiging aan de wil van God in onze woorden, ons gedrag, ons karakter, dat we onze verbintenis met Hem bewijzen. Zodra iemand zich van de zonde afdoet, welke de overtreding is van de wet, zal zijn leven in overeenstemming met de wet gebracht worden, tot volmaakte gehoorzaamheid. Dit is het werk van de Heilige Geest. Het licht van het Woord, nauwkeurig onderzocht, de stem van het geweten, de strijd van de Geest, produceren in het hart ware liefde voor Christus, die Zichzelf tot een totaal offer gaf om de gehele persoon, lichaam, ziel en geest, te verlossen. En de liefde wordt zichtbaar gemaakt in gehoorzaamheid. De scheidingslijn zal duidelijk en  te onderscheiden zijn tussen zij die God liefhebben en Zijn geboden bewaren, en zij die Hem niet liefhebben en Zijn voorschriften verachten. {LDSDA: 90.2}

Trouwe Christelijke mannen en vrouwen zouden een intens verlangen moeten hebben om de aangeklaagde ziel tot een correcte kennis van de gerechtigheid in Christus Jezus te brengen. Als enigen de begeerte naar zelfzuchtige toegeeflijkheid toegestaan hebben om overheerzend te worden in hun leven, moeten de getrouwe gelovigen waken over deze zielen als diegenen die rekenschap daarvan moeten geven. Ze moeten de getrouwe, tedere , liefdevolle onderrichting, die zo belangrijk is voor de jong bekeerden, niet verwaarlozen, zodat er geen halfslachtig werk gedaan wordt. De allereerste ervaring zou de juiste moeten zijn. {LDSDA: 91.1}

91

“Satan wil niet dat wie dan ook het belang ziet van een totale overgave aan God. Wanneer de ziel faalt in het maken/doen van deze overgave, wordt de zonde niet achterwege gelaten; de begeerten en hartstochten strijden om de overhand te krijgen; verzoekingen verwarren het bewustzijn, zodat er geen ware bekering plaatsvindt. Als allen een begrip hadden van het conflict dat elke ziel moet ondergaan met Satan’s handlangers, die proberen te strikken, te verlokken en te misleiden, zou er veel ijveriger ge-arbeid worden voor degenen die jong zijn in het geloof. {LDSDA: 92.1}

Deze zielen, overgelaten aan zichzelf, worden vaak verzocht en onderscheiden het kwaad van de verzoeking niet. Laat ze voelen dat het hun voorrecht is om advies in te winnen. Laat hun gemeenschap zoeken met zij die kunnen helpen. Door omgang met hen die God liefhebben en vrezen zullen ze kracht ontvangen. Test. Vol 6 p 91-93. {LDSDA: 92.2}

De toets van discipelschap wordt niet zo nauw gebracht als het gekoesterd zou moeten aan hen die zich aanmelden voor de doop .Het zou begrepen moeten worden of zij slechts de naam van Zevende dags adventist aannemen of als ze hun plaats innemen aan de kant van de Heer om uit de wereld te komen en zich aftescheiden en niet vast te houden aan het onreine. Voor de doop zou er een grondig onderzoek moeten zijn naar de ervaringen van de kandidaten. Laat dit onderzoek niet gedaan worden op een koude afstandelijke wijze, maar vriendelijk, teder de nieuwe bekeerlingen wijzend op het Lam van God dat

92

de zonden der wereld wegneemt. Brengt de vereisten van het evangelie die gekoesterd moeten worden door de doopkandidaten. {LDSDA: 92.3}

“Een van de punten waarop zij die nieuw zijn in het geloof instructies zullen moeten ontvangen is het onderwerp kleding. Laat er getrouw omgesprongen worden met de nieuw bekeerden. Zijn ze ijdel in het kleden? Koesteren zij een trots hart? De afgoderij van kleding is een morele ziekte. Het moet niet overgenomen worden in het nieuwe leven. In de meeste gevallen  zal onderwerping aan de evangelie eisen een besliste verandering van kleding vereisen. {LDSDA: 93.1}

De woorden van de Schrift met betrekking tot kleding moeten nauwkeurig overwogen worden. Wij moeten datgene begrijpen wat de Heer van de hemel waardeerd in zelf het kleden van het lichaam.Allen die ernst maken met het zoeken van de genade van Christus, zullen luisteren naar de waardevolle woorden van instructie geinspireerd door God. Zelf de stijl van de kleding zal de waarheid van het evangelie uitdrukken.—pp 95,96. {LDSDA: 93.2}

En zoals de discipelen verkondigden dat er geen verlossing is in een andere naam onder de hemel gegeven aan de mens, zo ook moeten de dienstknechten van God trouw en zonder vrees diegene waarschuwen die slechts een gedeelte van de waarheden verbonden met de 3e engel boodschap wensen te omarmen, dat ze blijmoedig al de boodschappen van God aan hen gegeven moeten ontvangen of geen deel hebben aan de zaak. Eerste geschriften p 188,189. {LDSDA: 93.3}

93

In iedere kerk moet er in doopgewaden voorzien zijn voor de kandidaten. Dit moet niet geacht worden ale een nodeloze uitgave van de middelen. Het is een van de dingen vereist in gehoorzaamheid aan het gebod. “Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden”. 1 Cor 14:40. {LDSDA: 94.1}

Het is niet goed voor de ene kerk om erop te vertrouwen om gewaden te lenen van de ander. Vaak wanneer de gewaden nodig zijn, kunnen ze niet gevonden worden; een lener heeft het niet teruggegeven. Elke kerk moet voorzien in hun eigen benodigdheden in deze zaak. Laat een fonds opgericht worden voor dit doel. Als de gehele kerk hierin een eenheid vormt, zal het geen zware last zijn. {LDSDA: 94.1}

De gewaden moeten gemaakt worden van een stevig materiaal, van een donkere kleur welke het water niet zal beschadigen, en ze moeten verzwaard worden aan de onderkant. Laat het nette, goed gevormde kledingstukken zijn gemaakt volgens een goedgekeurd patroon. Er moet geen poging tot versiering zijn, geen rimpels en franjes. Alle vertoning, van versiering of opsmuk in totaal misplaatst.  Als de kandidaten een besef hebben van de betekenis van de verordening, zullen ze geen verlangen hebben naar persoonlijke versiering. Toch mag er niets armoedig en versleten zijn, want dit is een belediging voor God. Alles gerelateerd aan deze heilige verordening moet een zo volmaakt mogelijke voorbereiding weergeven. Test. Vol 6 pp 97,98 {LDSDA: 94.3}

94

Waar mogelijk laat de doop plaats hebben in een heldere meer of stromende kreek.  En geef aan de gebeurtenis al het belangrijkheid  en heiligheid die eraan gebracht kan worden. Bij zulk een dienst zijn engelen van God altijd aanwezig. {LDSDA: 95.1}

Degene die de verordening der doop toedient, moet trachten het een heilige gebeurtenis te maken , die geheiligde invloeden heeft op alle toeschouwers.

Elke verordening van de kerk moet zodanig toegepast worden dat haar invloed verhogend is. Niets moet simpel of goedkoop, of op een niveau van simpele dingen geplaatst worden. Onze kerken moeten opgevoed worden tot groter respect en eerbied voor de heilige diensten van God. Wanneer predikanten de diensten opdragen in relatie met God’s aanbidding, trainen ze en voeden ze het volk op. Kleine handelingen die opvoeden , trainen en de ziel voor eeuwig leren zijn van vaste invloed in de verhoging en heiliging van de kerk. {LDSDA: 95.2}

Verplichtingen na de doop

De geloften die we op ons zelf nemen in de doop behelzen veel. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, worden we begraven in de gelijkenis van Christus zijn dood en opgewekt in de gelijkenis van Zijn opstanding en wij worden geacht een nieuw leven te leven.

Ons leven is verbonden met het leven van Christus. Dientengevolge moet de gelovige in de gedachten koesteren, dat hij is toegewijd aan God , aan

95

Christus en aan de Heilige Geest.Hij moet alle wereldse overwegingen secundair maken aan deze nieuwe relatie. In het openbaar heeft hij verklaard dat hij niet langer een leven van trots en zelfgenoegzaamheid wil leven. Hij gaat niet meer een roekeloos en onbekommerd leven lijden. Hij heeft een verbond gesloten met God. Hij is dood voor de wereld. Hij moet leven voor de Heer, om te gebruiken voor Hem al zijn toevertrouwde talenten, nooit het besef verliezend dat hij Gods teken draagt, dat hij een onderdaan is van Christus’ koninkrijk, een deelnemer van het heilige natuur.Hij moet overgeven aan God alles wat hij is en alles wat hij heeft, al zijn talenten werkende aan Zijn naams glorie. {LDSDA: 95.3}

De verplichtingen in de geestelijke overeenkomst ingegaan bij de doop zijn tweezijdig. Terwijl mensen hun deel doen met hartgrondige gehoorzaamheid hebben ze het recht om te bidden. “Laat het bekend zijn Heer dat Gij de God in Israels zijt”. Het feit dat je in de naam van de Vader , de Zoon en de Heilige Geest bent gedoopt, is een verzekering dat wanneer je hun hulp zal opeisen, deze krachten je zullen helpen in iedere benauwdheid. De Heer zal horen en antwoorden de gebeden van Zijn trouwe volgelingen welke het juk van Christus dragen en in Zijn school Zijn nederigheid en zijn zachtmoedigheid leren. {LDSDA: 96.1}

“‘Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen die boven zijn niet de dingen die op aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.’—Kol. 3:1-3.

96

“‘Doet dan aan , als door God uitverkoren heiligen en geliefden, innerlijke ontferming goedheid, en geduld. Verdraagt elkander en vergeeft elkander, indien de een tegen de ander een grief heeft, gelijk ook de Here u vergeven heeft doet ook gij evenzo. En doet bij dit alles de liefde aan, als de band der volmaaktheid. En de vrede van Christus tot welke gij immers ineen lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar (…)En al wat gij doet met woord of werk, doet het alles in de naam des Heren Jezus, God de Vader dankende door Hem.’ Kol. 3:12-17”—Testimonies , Vol. 6{Getuigenissen, Deel 6}, p. 98, 99. {LDSDA: 96.2}

Gezond leven

  “De opvoeding van de Israelieten behelste al hun levensgewoonten. Alles wat te maken had met hun welzijn was het onderwerp van heilige bezorgdheid (aandacht) en kwam  binnen de invloedsfeer van de heilige wet. Zelf in het verzorgen van hun voedsel zocht God naar het hoogste goed. De manna waarmede Hij hun in de woestijn voedde was van een samenstelling om fysieke, geestelijke en morele kracht te bevorderen. Hoewel zovelen van hen in opstand kwamen tegen de begrenzing van hun dieet en verlangden terug te keren naar de dagen waarvan ze zeiden: ‘We zaten bij de vleespotten en we aten volop brood’(Ex. 16:3), toch werd de wijsheid van God’s keuze voor hen gerechtvaardigd op een manier die ze niet konden tegespreken. Niettegenstaande de ontberingen van hun woestijnleven,

97

 was er niet een zwakkeling in al hun stammen.”–Education{Karaktervorming}, p. 38. {LDSDA: 97.1}

Velen hebben verwacht dat God hun van ziekte zou behouden slechts omdat ze Hem gevraagd hebben om zo te doen. Maar God verhoorde hun gebeden niet, omdat hun geloof niet volmaakt gemaakt werd door werken. God zal geen wonder doen om diegene van ziekte te behoeden die niet zorgen voor zichzelf, maar regelmatig de gezondheidswetten overtreden en geen poging wagen om ziekte te voorkomen. Wanneer we alles wat wij kunnen wat ons deel betreft om gezondheid te hebben, dan mogen we verwachten dat gezegende resultaten zullen volgen en kunnen we God in geloof vragen om onze pogingen voor het behouden van gezondheid te zegenen. Hij zal dan onze gebeden beantwoorden (verhoren) als Zijn naam daardoor verheerlijkt kan worden. Maar laat allen begrijpen dat ze een werk te doen hebben. God zal niet op een wonderbaarlijke manier werken om de gezondheid van personen te behouden die door hun zorgeloze onbedachtzaamheid aan de gezondheidswetten een zekere koers varen omzichzelf ziek te maken.”–Counsels on Health p. 59. {LDSDA: 98.1}

Volksgezondheid

  “In Israel waren diepgaande gezondheidsregels afgedwongen. Deze werden opgelegd aan het volk niet alleen als noodzakelijk voor de gezondheid, maar als de voorwaarde voor het onder hen vasthouden  van de aanwezigheid van De Heilige. Door goddelijke gezag verklaarde Mozes aan hen: ‘De Here uw God wandelt in het midden van uw kamp , om u te verlossen;(…)

98

daarom zal uw kamp heilig zijn.’” –Education, p. 38{Karaktervorming, blz. 37, 38}. {LDSDA: 98.2}

  “Gewetensvolle reinheid alsook strikte orderlijkheid door het kamp en haar omgeving was

vereist. Grondige gezondheidsregels waren afgedwongen. Iedere persoon die om welke reden dan ook onrein was, was verboden het kamp te betreden. Deze maatstaven waren onontbeerlijk voor het behoud van gezondheid onder zo’n enorme menigte; en het was ook noodzakelijk dat volmaakte orde en reinheid werd gehandhaafd, zodat  Israel genieten kon van de aanwezigheid van de Heilige God. Aldus verklaarde Hij: ‘ De Here Uw God wandelt in het midden van uw kamp, om u te verlossen en uw vijanden aan u over te geven; daarom zal uw kamp heilig zijn.”—Patriarchs and Prophets, p. 375{Patriachen en Profeten, blz…}. {LDSDA: 99.1}

“ Wanneer ernstige ziekte een familie binnenkomt, is het hoog nodig dat elk lid strikte aandacht vestigd aan persoonlijke verzorging en dieet, om zichzelf in een gezonde staat te behouden, aldus zichzelf versterkend tegen ziekte. Het is verder van groot belang dat de ziekenkamer van begin af aan grondig geventileerd wordt. Dit is bevorderlijk voor de gekwelde en hoogst noodzakelijk om zij die gedwongen zijn voor langere tijd in de ziekenkamer te vertoeven, gezond te houden… {LDSDA: 99.2}

 “Een heleboel lijden kan voorkomen worden als allen zouden werken om ziekte te bestrijden, door de gezondheidswetten strikt te gehoorzamen. Nauwgezette verzorgingsgewoonten zouden nagevolgd moeten worden.

99

Velen, terwijl ze gezond zijn, willen niet de moeite nemen om in een gezonde staat te blijven. Ze negeren persoonlijke verzorging en zijn niet voorzichtig om hun kleding rein te houden. Onreinheden passeren constant en onopmerkzaam van het lichaam door de porieen doorgegeven en als de oppervlakte van de huid niet in een gezonde staat gehouden wordt, wordt het systeem belast met onreine materie. Als de kleding die gedragen wordt niet vaak gewassen en regelmatig gelucht wordt, wordt het vuil (smerig) met de onreinheden die door het lichaam uitgestoten worden door zichtbare (waarneembare) en onzichtbare transpiratie. En als de gedragen kledingstukken niet regelmatig worden schoongemaakt van deze onreinheden, absorberen de porieen en de huid opnieuw dit  afgestoten afval materieaal. De onreinheden (afvalstoffen) van het lichaam , als ze niet toegestaan worden te ontsnappen, worden weer opgenomen in het bloed en worden opgedrongen aan de interne organen.  De Natuur, zal om zichzelf te verlossen van vergiftigde afvalstoffen, een poging doen om het systeem vrij te maken. Deze poging veroorzaakt  koortsen en wat gekarakteriseerd wordt als ziekte. Maar zelfs dan, als zij die getroffen zijn de Natuur in haar pogingen zouden helpen, door het gebruik van schoon, zacht water, zou veel lijden voorkomen worden. Maar velen, in plaats van dit te doen en trachten de vergiftigde materie van het systeem te verwijderen, nemen een nog dodelijkere vergif in het systeem om een vergif dat reeds daar is te verwijderen. {LDSDA: 99.3}

  “Als iedere familie zich de heilzame resultaten van grondige verzorging realiseerde, zouden zij speciale moeite doen om iedere onreinheid van hun mensen te verwijderen, en van hun

100

 huizen, en ze zouden hun pogingen uitbreiden tot hun erfen (omgeving). Velen staan toe dat bedorven groenteresten op hun erfen blijven. Zij zijn niet alert op de invloed van deze dingen. Er stijgt constant van deze rottende substanties een damp (uitwaseming), welke de lucht vergiftigt. Door de onzuivere lucht in te ademen, wordt het bloed vergiftigt, de longen raken aangetast en het hele systeem wordt ziek. Ziekte van bijna elke beschrijving is veroorzaakt geworden door het inademen van de omgeving(atmosfeer), aangetast door deze verrotte substanties. {LDSDA: 100.1}

“ Families zijn gekweld geworden door koortsen, sommige van hun leden zijn dood gegaan en het resterende deel van de familiecirkel heeft bijna gemurmureerd (gemopperd) tegen hun Maker, om hun frustrerende sterfgevallen, terwijl de enige reden van hun ziekte en dood het resultaat van hun onverschilligheid is geweest. De onreinheden rondom hun eigen omgeving (erfen), hebben besmettelijke ziekten en droevige kwellingen over hen gebracht, waar ze God de schuld van geven. Elke familie die gezondheid waardeert,zou hun huis en hun omgeving moeten verschonen van alle rottende substanties. {LDSDA: 101.1}

  “God gebood dat de kinderen van Israel in geen enkel geval onreinheden van hun personen (mensen) en hun kleding zouden moeten toestaan. Diegene die een persoonlijke onreinheid hadden, werden van het kamp verstoten tot de avond en werden gevraagd zichzelf en hun kleding te reinigen voordat zij het kamp konden

101

 betreden. Ook werden ze door God geboden om geen onreinheden op hun erfen en de weide omgeving rond het kamp te hebben, daar de Heere zou kunnen langsgaan en hun onreinheid zou kunnen zien. {LDSDA: 101.2}

 “Wat verzorging betreft, verwacht God niet minder van Zijn volk nu, dan Hij deed met Israel van ouds. Een negeren van verzorging zal ziekte teweegbrengen. Ziekte en voortijdige dood komen niet zonder oorzaak. Hardnekkige koortsen en wrede ziekten hebben  geheerst in buurten en steden die in het verleden gezond werden geacht en sommigen mensen zijn doodgegaan, terwijl anderen achtergelaten werden met gebroken gestel, om door ziekte kreupel te zijn voor het leven. . In veel gevallen bevatte hun eigen tuin de vernietigende agent, welke dodelijke vergiften de omgeving in stuurde om geinhaleerd te worden door de familie en buurtbewoners. De roekeloosheid en nalatigheid soms tentoongespreid is beestelijk en de onwetendheid van de resultaten van zulke dingen op de gezondheid is verbazingwekkend. Zulke plaatsen moeten gereinigd worden vooral in de zomer, door lemmetje en as of door een dagelijkse bedekking door aarde.” Counsels on Health{Adviezen over Gezondheid}, pp. 61-63. {LDSDA: 102.1}

“Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden. Maar allermeest degenen die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen en de heerschappij verachten.”–2 Petr 2 :9-10. {LDSDA: 102.2}

“Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.”–1 Cor 14:40. {LDSDA: 102.3}

102