De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)


ABOUT US

We Offer Services
It’s a Story About Our Team

Great things are done by a series of small things.


(Ter Correctie)

AAN DE ZEVEN GEMEENTEN

(PICTURE)

Het Breken Van De Zeven Zegels

[p.A]

Kopierecht 1947

Door V.T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

In het belang van het bereiken van naar iedere waarheid zoekende geest die ernaar verlangt om het pad te ontkomen die leidt tot de vernietiging van zowel de lichaam als de ziel, wordt dit traktaat kosteloos verstrekt, zolang deze uitgave beschikbaar is.

TRAKTAAT 15

AAN DE ZEVEN GEMEENTEN

[p.B]

HET BREKEN VAN DE ZEVEN ZEGELS

Door V.T. HOUTEFF

“Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden.” Johannes 12:31.

[p.C]     

INHOUD

De Tekenen Des Tijds…………………………………………………….5

Daniël 7…………………………………………………………………….16

Het Breken van de Zeven Zegels………………………………………35

De Symbolisatie van het Eerste Zegel………………………………….38

De Symbolisatie van het Tweede Zegel……………………………….41

De Symbolisatie van het Derde Zegel………………………………….44

De Symbolisatie van het Vierde Zegel…………………………………49

De Symbolisatie van het Vijfde Zegel………………………………….51

De Symbolisatie van het Zesde Zegel………………………………….53

De Symbolisatie van het Zevende Zegel………………………………63

De Eeuwig Levende Kerk en Haar Vijand……………………………..68

Richtlijn Tot Een Juiste Uitlegging Van De Symbolische Horens en

Koppen………………………………………………………………………72

 

[p.1] WAT BETEKENT DIT VOOR U?

 

Wat voor succes zouden wij hebben bij het colporteren{of grondig onderzoeken} van onze boeken, en wat voor goed zouden zij doen als gegadigde kopers en lezers eerst de predikanten van hun eigen kerkgenootschap zouden raadplegen en hun raad zouden aannemen? Wij kennen allemaal het antwoord – Er zouden geen boeken verkocht en geen boeken gelezen worden.

 

En als wij de predikanten hadden geraadpleegd van onze respectievelijk voormalige kerkgenootschappen en hun raad hadden aangenomen, hoeveel van ons zouden dan Zevende-dags Adventist zijn geworden? Het algemene antwoord luidt: “Niet één van ons.” Dit is het lot geweest van allen die de beslissingen van ongeïnspireerde mensen hebben gevolgd tegenover geïnspireerde mensen van God. Vrome mensen, mensen die diep geworteld zijn in hun godsdienst, zoals de priesters en rabbijnen dat waren in de dagen van Christus, zijn het meest succesvol geweest in het weghouden van het licht van God van God’s volk. Dit is een feit dat niemand zou moeten vergeten of verzuimen het in beschouwing te nemen.

 

Bovendien, aangezien onze persoonlijke rechten van het onderzoeken van waarheden die beweren door God gezonden te zijn, zonder bemoeienis van onze voormalige predikanten, ons uit de kerken hebben gehaald [p.2] die alleen rekening houden met waarheden van het verleden, en ons brachten in de Advent tegenwoordige Waarheid enige jaren geleden, zouden wij dan nu deze rechten overgeven en geestelijk afhankelijk worden van anderen om ons te vertellen wat Waarheid is en wat dwaling? Waarom zouden wij onszelf achten als zijnde geestelijke invaliden in plaats van volgroeide Christenen? Is het niet waar dat indien wij anderen voor ons lieten denken, dat wij bedrogen zouden kunnen worden net zozeer als de Joodse gewone mensen werden bedrogen door de priesters en rabbijnen in de dagen van Christus?

 

Met het oog op de ervaringen van degenen die ons zijn voorgegaan, zijn wij ervan verzekerd, dat u dit boekje zult aannemen dat tot u wordt verzonden, en dat zoveel voor ons betekent en voor duizenden andere Zevende-dag Adventisten over de gehele wereld. Zult u het voor uzelf onderzoeken zoals de edele Bereanen dat deden (Hand.17:10,11), onafhankelijk van de invloed en vooroordelen van anderen? Allen gebed en studie zal [p.3] u behoeden voor dwaling en u inleiden tot God’s wonderbaarlijk licht—

 

“…behoed u voor het verwerpen van datgene wat waarheid is. Het grote gevaar van ons volk is geweest dat zij zich afhankelijk stellen van mensen, en vlees tot hun arm hebben gesteld. Zij die niet de gewoonte hebben beoefend om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen af te wegen, hebben vertrouwen in de leidinggevende mannen, en nemen de besluiten aan die zij nemen; en aldus zullen velen juist de boodschappen verwerpen die God tot Zijn volk zendt, als deze leidinggevende broeders ze niet aannemen.” –Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz.106.

 

“Er zijn nog vele kostbare waarheden om te worden geopenbaard tot het volk in deze tijd van gevaar en duisternis, maar het is Satan’s vastbesloten voornemen om te voorkomen dat het licht der waarheid zal schijnen in de harten der mensen. Als wij het licht zouden willen hebben dat voor ons is voorzien, dan zouden wij onze verlangen ernaar moeten tonen door het woord van God ernstig{of ijverig} te onderzoeken. Kostbare waarheden, die lang verborgen zijn geweest, zullen worden openbaard in een licht dat hun heilige waarde zal aantonen; want God zal Zijn woord verheerlijken, zodat het [p.4] kan verschijnen in een licht zoals wij het nooit tevoren hebben aanschouwd. Maar zij die belijden de waarheid lief te hebben moeten hun krachten aanwenden, zodat zij de diepzinnige dingen van het woord kunnen verstaan, zodat God verheerlijkt kan worden en Zijn volk kan worden gezegend en verlicht. Met nederige harten, onderworpen door de genade van God, zou u tot de plicht moeten komen van het onderzoeken van de Schriften, voorbereid om iedere straal van goddelijk licht aan te nemen, en te wandelen in de weg de heiligheid.”—Counsels on Sabbath School Work{Adviezen over Sabbatschool Werk}, blz. 25.

 

[p.5] DE ZEVEN ZEGELS

— De Tekenen Des Tijds —

 

“De openbaring van Jezus Christus, die God Hem gaf, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die spoedig geschieden moeten; en Hij heeft het gezonden door Zijn engel en te kennen gegeven aan Zijn dienstknecht Johannes; die van het woord Gods heeft getuigd, en van het getuigenis van Jezus Christus, en van al de dingen die hij zag. Zalig is hij, die leest, en zij die horen de woorden van deze profetie, en die bewaren hetgeen daarin geschreven staat; want de tijd is nabij.” Openb.1:1-3{KJV}.

 

Jezus Christus gaf De Openbaring om te tonen aan Zijn dienstknechten “dingen”die spoedig zouden komen (Openb.1:1). Om de weg voor te bereiden voor het gezicht van de “dingen,” introduceerde de Stem het onderwerp met een bijzondere boodschap aan elk van de zeven engelen (leiderschappen) die zorg droegen over zeven kandelaren(gemeenten) respectievelijk. Deze boodschappen staan opgetekend in de hoofdstukken 2 en 3.

 

Vervolgens werd Johannes geleid om te zien de plechtige handelwijzen van de reeks der gebeurtenissen:

 

“Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik hoorde was als het ware van een bazuin , met mij sprekende, zeggende: Komhierop, en Ik zal u tonen, hetgeen hierna geschieden moet. En terstond was ik in de geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon.

“Hij die op de troon zat, was in het aanziende steen jaspis en sardius gelijk; en er was een

 

[p.6] (Picture of the Judgement Scene)

 

regenboog rondom de troon, in het aanzien de steen smaragd gelijk. En rondom de troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met [p.7] witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden.

 

“En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods.

 

“En voor de troon was er en glazen zee, gelijk kristal. En in het midden van de troon, en rondom de troon, waren vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier was een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht van een mens, en het vierde dier was een vliegende arend gelijk.

 

“En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugels rondom, en zij waren vol ogen van binnen; en zij hadden geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig, Here God Almachtig, Die was, en Die is, en Die komen zal.

 

“En wanneer die dieren heerlijkheid en eer en dankzegging gaven aan Hem, Die op de troon zat, Die in alle eeuwigheden leeft; zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende:

 

“Gij zijt waardig, o Here, te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

 

“En ik zag in de rechterhand van Hem, Die op de troon zat, een boek, beschreven van binnen en van buiten, verzegeld en met zeven zegels.

 

“En ik zag een sterke engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegels open te breken? En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch het inzien. En ik weende zeer, omdat niemand [p.8] waardig gevonden was, om het boek te openen, en zijn zegels open te breken.

 

“En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegels open te breken.

 

“En ik zag, en ziet, in het midden van de troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, stond een Lam, als ware Het geslacht, hebbende zeven horens en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde.

 

“En Hij kwam, en nam het boek uit de rechterhand van Hem, Die op de troon zat. En toen Hij het boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neer, hebbende elk citers en gouden schalen vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen.

 

“En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig het boek te nemen, en zij zegels te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, uit elk geslacht, en taal, en volk, en natie; En gij hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen heersen op de aarde.

“En ik zag, en ik hoorde de stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de vier en twintig ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tienduizenden, en duizendmaal duizenden; zeggende met een luide stem: Waardig is het Lam, Dat geslacht is, te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en zegening.

 

“En alle schepsel, dat in de hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat daarin is, hoorde ik zeggen: Gezegend, en eer, en heerlijkheid, en [p.9]kracht, zij tot Hem, Die op de troon zit, en tot het Lam, in alle eeuwigheid.

 

“En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neer en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid.” Openb.4,5{KJV}.

 

De letterlijke vervulling van deze “dingen” zou hierna geschieden—na Johannes’ visioen; dat betekent, dat in Johannes’dagen deze ernstige gebeurtenissen nog niet hadden plaatsgevonden, noch zouden zij toen plaatsvinden, maar zij zouden plaatsvinden enige tijd na het visioen, na de eerste eeuw. Hoe spoedig of hoe lang daarna echter, was niet aan Johannes geopenbaard.

 

Hij werd in visioen gevoerd om te zien en te schrijven die gedenkwaardige “dingen” die zouden plaatsvinden tegen de tijd waarop het gerechtelijk gelijkende menigte van Openbaring 4, 5 zich feitelijk zou vergaderen. Betreffende de andere “dingen,”de dingen die volgen als gevolg van de gebeurtenis, verzekerde Hij die de “sleutels van de hel en van de dood” heeft, dat sommigen waren, en sommigen zouden geschieden (Openb.1:19); dat wil zeggen: wanneer deze goddelijke menigte zich bijeen vergadert, dan behoren sommige van de “dingen”die in zicht worden gebracht als gevolg van de gebeurtenis, reeds tot de geschiedenis, terwijl sommigen van hen nog profetisch zijn—sommigen wijzen terug en sommigen wijzen vooruit.

 

De eerste en meest belangrijke zaak die plaatsvindt in deze plechtige samenkomst, is het openen van het boek. Er zou ook eraan gedacht moeten worden, dat het boek is verzegeld met [p.10] zeven zegels (Openb.5:1). Aangezien het zeven delen heeft, elk deel individueel verzegeld, worden er in totaal zeven zegels achtereenvolgend opengebroken, wat toelaat dat elk deel zijn eigen inhoud ontvouwt; Het eerste zegel, of deel van het boek, onthult de dingen van Openbaring 6:2; het tweede, de dingen van vers 4; het derde, de dingen van verzen 5 en 6; het vierde, de dingen van vers 8; het vijfde, de dingen van verzen 9 tot en met 11; het zesde,  de dingen ban de verzen 12 tot en met 17 en van hoofdstuk 7; het zevende, de dingen van hoofdstukken 8 tot en met 22. Dat het zevende zegel de hoofdstukken 8 tot en met 22 bevat, wordt onmiddellijk gezien uit het feit dat elk hoofdstuk wordt verbonden met het voegwoord “en.” Met andere woorden, De Openbaring is, met uitzondering van de eerste vijf hoofdstukken, slechts een reproductie van de dingen die stonden opgetekend binnen de zegels, en die als gevolg van het openbreken van de zegels geïllustreerd werden weergegeven voor de ogen van Johannes.

 

Nu duidt de Waarheid duidelijk aan dat De Openbaring niet is gevormd uit iets wat zijn oorsprong vindt bij Johannes’visioen, maar dat het is gevormd uit de dingen welke het verzegelde boek bevat en die toen bekend werden gemaakt. Aangezien de geschriften van Johannes de dingen optekende die het verzegelde boek openbaarde op het moment dat zijn zegels werden opengebroken, benoemde Inspiratie hen [p.11]“De Openbaring”—de verzegelde dingen ontzegeld, de verborgen dingen geopenbaard.

De basispunten in de hoofdstukken 4 en 5, de hoofdstukken die hiervoor zijn geciteerd, zijn deze:

 

  • Dat de deur was geopend, niet op aarde, maar in de hemel;
  • Dat toen Johannes inkeek, hij “Een” zag, zittend op een troon;
  • Dat er een boek, verzegeld met zeven zegels in Zijn rechterhand was;
  • Dat het boek toen werd ontzegeld, en als gevolg daarvan werd aan Johannes op panoramische wijze haar inhoud getoond, en dat zijn beschrijving van hen ons De Openbaring gaf;
  • Dat er ook andere boeken waren (Openb.20:12); en dat, hoewel zij niet verzegeld waren, Johannes niet ertoe werd geleid te zien wat in hen stond geschreven;
  • Dat er vier en twintig ouderlingen zaten rond de troon;
  • Dat het Lam( ook genoemd de Leeuw) en tien duizendmaal tienduizenden, en duizendmaal duizenden engelen zich rondom de troon bevonden;
  • Dat er vier dieren waren, zeven lampen van vuur(kandelaren), en de glazen zee;
  • Dat de Stem zeer nadrukkelijk aan Johannes had bekend gemaakt dat hij een korte inzage werd gegeven in een profetische gebeurtenis die op een [p.12]latere tijdstip zou plaatsvinden—“hierna” vanaf zijn tijd, enige tijd na de eerste eeuw.

 

Dat het visioen van Johannes een voorspelling is van dezelfde gebeurtenis als die werd geopenbaard aan Daniël (hoofdstuk 7), wordt al snel gezien uit de volgende vergelijking:

 

Daniël’s visioen (Daniël 7) Johannes’ visioen (De Openbaring)
1. “Ik zag, totdat de tronen gezet werden.” Dan.7:9. 1. “En ik zag tronen.”Openb. 20:4.
2. “En de Oude van Dagen zette Zich.” Dan.7:9. 2. “En er zat Een op de troon.” Openb. 4:2.
3. “Een vurige stroom ging van voor Hem uit.” Dan.7:10. 3. “En ik zag als het ware een glazen zee, met vuur gemengd. Openb.15:2.
4. “Een als de Zoon des mensen kwam…tot de Oude van Dagen, en zij deden Hem voor Hem naderen.” Dan.7:13. 4. “In het midden van de troon en van de vier dieren…stond een Lam.” Openb.5:6.
5. “De boeken werden geopend.” Dan.7:10 5. “En de boeken werden geopend.” Openb.20:12.
6. “Duizendmaal duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem.” Dan.7:10. 6. “Ik hoorde de stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de vier en twintig ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tienduizenden, en duizendmaal duizenden.” Openb.5:11.
[p.13]7. “Het gericht had zich gezet, en de boeken werden geopend.” Dan.7:10{KJV}. 7. “De ure van Zijn oordeel is gekomen.”Openb. 14:7. “En ik zag de doden, klein en groot, staande vóór God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het boek des levens; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.”Openb.20:12

 

 

Beide zieners verklaren duidelijk dat de gebeurtenis die zij zagen, het “Gericht{Oordeel}” was. Het verschil tussen de twee taferelen is dat Daniël werd geleid om in te kijken in het Heiligdom terwijl de voorbereidingen werden gemaakt om  het Gericht bijeen te roepen; terwijl Johannes werd geleid om in het Heiligdom in te kijken nadat het Gericht was opgezet; in feite, zag Johannes het Gericht niet alleen terwijl het aan de gang was, maar hij zag de gehele voortzetting van het begin tot het einde.

 

Bij voorbeeld: Daniël zag de dingen terwijl de tronen werden “{neer}gezet,” en terwijl de Oude van Dagen zich verplaatste van de Regerende troon (de troon waartop Christus zat aan de rechterhand van de vader—Openb.22:1) naar de Gerechtelijke troon (de troon in het heiligdom). Toen gebeurde het dat de “Een als de Zoon des [p.14]mensen kwam,” “en zij deden Hem naderen voor” de Oude van Dagen (Dan.7:13), niet aan Zijn rechterhand. Maar zij die zouden zitten op de andere “tronen,” zetels, die toen werden “{neer}gezet,” opgezet, waren nog niet gekomen. Toen Johannes echter inkeek, zag hij de vier en twintig ouderlingen reeds zitten op de tronen.

 

Daniël zag de “Een als de Zoon des mensen” terwijl Hij werd geleid nader tot de Oude van Dagen. Maar Johannes zag Hem nadat Hij daar was gebracht.

 

Volgens Johannes was Zijn verschijning als een “lam,” en een van de ouderlingen noemden Hem “de leeuw uit de stam Juda.” (Vanzelfsprekend is Hij “de Zoon des mensen.” de Verlosser, de Koning van Israël—Christus, de Heer.) Naast dezen, zag Johannes ook de vier dieren daarin, de kandelaar, en het boek, terwijl het werd geopend. Ter herhaling, Daniël zag slechts een gedeelte van de voorbereidingen, terwijl Johannes de opening van het Gericht zag, en de gehele voortzetting daarna.

 

Het gerechtelijk tribunaal, zoals Inspiratie bekendmaakt, bestaat uit een rechter—de Oude van Dagen; uit getuigen—de engelen; uit een advocaat—het Lam; uit een jury—de ouderlingen; uit gedaagden—de dieren; en hun heerser—“Leeuw uit de stam Juda.” (Dat de vier dieren een symbolische voorstelling zijn van de heiligen, evenals de dieren van Daniël 7 een voorstelling zijn van de natiën, wordt duidelijk gemaakt door de persoonlijke verklaring van de dieren: “…want gij waart geslacht, [p.15]en hebt ons voor God gekocht door Uw bloed uit elk geslacht, en taal, en volk, en natie.” Openb. 5:9.)

 

De student van vooruitgaande Waarheid zal ook opmerken dat Daniël naar slechts één gerechtelijke sessie verwijst, hoewel hij wel tweemaal een vermelding geeft van het Gericht {Oordeel} —ten eerste in vers 10 van hoofdstuk 7, en ten tweede in vers 22. Dit zal worden gezien uit de volgende acht paragraven:

 

In de eerste veertien verzen, beschrijft Daniël alles wat hij zag terwijl in visioen was.  En in Dan. 7:15 legt hij uit hoe bedroefd en verontrust hij werd nadat hij het schadelijk werk in beschouwing nam, welke het vierde dier verrichtte. Daarna, in Dan.7:16. vertelt hij dat hij de engel benaderde die bij hem stond,  en zijn uitlegging verzocht over de dingen die werden gezien.  Ter beantwoording van dit verzoek, antwoordde de engel:

 

“Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen. Maar de heiligen des Allerhoogsten zullen het koninkrijk overnemen en het bezitten tot in eeuwigheid, namelijk tot in alle eeuwigheden. Dan.7:17, 18. {KJV}.

 

Deze uitermate korte uitlegging stelde Daniël niet in tevredenheid. En omdat hij in het bijzonder geïnteresseerd was in de details weten over de dingen beschreven in Dan.7:7-14 –de waarheid betreffende het Oordeel,- evenals betreffende het vierde dier en zijn kleine hoorn, dat ogen had van een mens, en een mond sprekende grootse dingen – vroeg Daniël [p.16] naar verdere opheldering, wederom uit noodzaak vermeldend het Oordeel. Dienovereenkomstig verklaarde de engel bereidwillig, zijn uitlegging strikt beperkend tot het zinnebeeld van het vierde dier en tot het Oordeel.

 

(Picture of Fourth Beast Daniel 7 in two phases)

 

DANIËL 7

 

“Aldus zei hij: het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van alle koninkrijken, en zal de ganse aarde verslinden, en zal het vertreden, en het in stukken verbreken.

 

“En de tien horens uit dit koninkrijk zijn tien koningen die zullen opstaan; en een andere zal na hen opstaan; en hij zal verschillen van de vorige, en hij zal drie koningen onderwerpen.

 

“En hij zal grootse woorden spreken tegen de Allerhoogste, en zal de heiligen des Allerhoogsten vermoeien, en menen tijden en [p.17] wetten te veranderen; en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een halve tijd.

 

“Maar het Gericht zal zitten, en zij zullen zijn heerschappij wegnemen, om het te verteren en te vernietigen tot het einde toe. En het koninkrijk en de heerschappij, en de grootheid van het koninkrijk onder de ganse hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens koninkrijk een eeuwig koninkrijk is, en alle heerschappijen zullen Hem dienen en gehoorzamen.” Dan.7:23-27{KJV}.

 

Het is dan duidelijk, dat Daniël slechts één gerechtelijke zitting zag, maar het tweemaal vermeldde –eerst in verband met wat hij in visioen zag, en de tweede keer in verband met het verkrijgen van de uitlegging van de engel over het visioen.

 

Het Oordeel vindt plaats, zoals de engel verklaarde aan Daniël, nadat de kleine horen opstaat, en voordat de heiligen het koninkrijk in bezit nemen. (Zie Dan.7:8,9,22). {TN15: 17.3}

 

Maar Johannes, aan wie de gehele gerechtelijke voortzetting werd getoond, beschrijft het Oordeel in drie delen, in drie verschillende zittingen; één vóór de stilte van een half uur (Openb.8:1), één daarna, en een derde gedurende de duizend jaren (Openb.20:11,12). Deze waarheid wordt gezien uit de volgende feiten: {TN15: 17.4}

 

Gedurende de periode van de zes zegels, terwijl de eerste sessie van het Oordeel voortgang vindt, rustten de vier dieren dag noch nacht, zeggende: “Heilig, heilig, heilig, Here God Almachtig, Die was, en is, en zal komen.” Openb. 4:8. Maar wanneer het zevende zegel is geopend,

 

[p.18]

 

is er stilte in de hemel (de dieren zwijgen, en ook de “bliksems,”de “donderslagen,”en de “stemmen” houden op –Openb.4:5) “ongeveer een half uur lang.” Openb.8:1. De stilte openbaart duidelijk dat de eerste sessie van de Gerechtelijke voortzettingen ten einde komt, en dat de tweede sessie aanvangt nadat de stilte voorbij is. {TN15: 17.5}

 

De derde sessie, die gedurende de duizend jaren, is bij “de Grote Witte Troon” (Openb.20: 11,12), de troon van Hem voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlieden. Bij deze laatste troon is er geen “glazen zee,” {zijn er} geen “dieren,” geen “Leeuw,” geen “Lam,” en hoewel er kleinere “tronen” zijn (Openb.20:4), zegt Inspiratie niet ronduit wie er op ze zitten. {TN15: 18.1}

 

Nu zal de geaardheid van het Oordeel in elk van de drie gerechtelijke zittingen en de tijd waarop zij werkelijk plaats vinden worden gezien in de volgende ontledende onderzoek:

 

Hoewel de voortzettingen van de eerste twee sessies enigszins verschillen, zijn zij in alle andere opzichten hetzelfde. De derde echter, is geheel anders dan de eerste twee. De verschillen worden hieraan gezien, dat voordat de halfuur stilte plaatsvindt, er bij de troon “een zee van glas, kristal gelijk” (Openb.4:6) is, en niemand staat erop; maar nadat de halfuur stilte voorbij is, verandert het tafereel: De “glazen zee” is “met vuur gemengd; en zij die de overwinning hadden verkregen over het beest, en over [p.19] zijn beeld, en over zijn merkteken, en over het getal van zijn naam, stonden aan de zee van glas, hebbende de citers Gods.”Openb.15:2.{KJV}.

 

Anders gezegd: bij de eerste Gerechtelijke zitting staat er niemand op de zee van glas, en de zee van glas is aan “kristal gelijk”; terwijl bij de tweede zitting de zee gelijkt op een vurige stroom, en de heiligen staan erop.

 

De waarheid dat de eerste twee sessies plaatsvinden voordat de aarde wegvlucht, voordat de huidige staat van het wereldbestaan ten einde komt; en ook de waarheid dat de tweede sessie eindigt met de heiligen die juist in het einde van de tijd leven, de tijd van het beeld van het beest, de tijd vlak voor de aarde weg vlucht;–dat allemaal verschaft onbetwistbaar bewijs dat de eerst twee sessies, die voor het millennium plaatsvinden, de tegenwoordige wereld ten einde brengen; dat het Gericht niets meer of minder is dan het scheiden van het “onkruid” van de “tarwe,” zowel onder de doden als onder de levenden;  dat is het ondervragen van al de gasten, alleen maar om vast te stellen wie wel, en wie niet “het bruiloftskleed” aanheeft – juist dat gene wat bepaalt wie zal achterblijven en wie zal worden weggenomen tot vernietiging wanneer de aarde wegvlucht.

 

Dat de doden worden geoordeeld in de eerste sessie, en de levenden in de tweede, wordt gezien uit de symbolisatie zelf: Zoals tevoren is aangewezen, staat er bij de eerste zitting [p.20] niemand op de zee van glas, en de zee zelf is “helder als kristal.” Maar bij de tweede zitting, staan de heiligen op de zee, en het is gemengd met vuur (een symbool voor leven).

 

Ook nog, wordt de Verlosser bij de eerste twee zittingen voorgesteld als een lam dat geslacht is (Openb.5:6), wat de gebeurtenissen op concrete wijze plaatst gedurende de genadetijd—terwijl het bloed van het Lam ter beschikking is om verzoening te doen voor de zonde van de mens.  En Daniël’s verklaring dat “Gericht werd gegeven aan de heiligen des Allerhoogsten,” waarna “de tijd kwam dat de heiligen het koninkrijk in bezit namen” (Dan.7:22), stelt op solide wijze de tijd van het Oordeel vast voorafgaand op de tijd waarop de heiligen het Koninkrijk ontvangen. Dus, het gewicht der bewijzen komt keer op keer naar voren om aan te tonen dat het Oordeel niets minder of meer is dan een inspectie over de “gasten” die moeten komen tot het huwelijksavondmaal van het Lam, die zich bij de kerk hebben gevoegd. Zij die dan worden gevonden zonder het bruiloftskleed aan, worden uitgeworpen.

 

Ook de waarheden dat uiteindelijk de Tempel is geopend, dat de zeven engelen en de dieren eruit komen, dat het dan vervuld is met rook van de heerlijkheid Gods, zodat niemand in staat is erbinnen te gaan “totdat de zeven plagen van de zeven engelen waren vervuld” (Openb.15:5-8), todat de steden van de natien vallen, totdat iedere eiland wegvliedt, en de bergen verdwijnen (Openb.16:19,20), [p.21] dit alles geven absoluut aan dat bij de tweede zitting de Gerechtelijke samenkomst uiteen gaat, de genadetijd sluit voor allen, de plagen vallen, en de aarde wegvlucht. Dan begint, bij de Grote Witte Troon, het uitvoerende Oordeel van de doden, van degenen die niet opstaan in de eerste opstanding, en van hen die, in plaats van te worden opgenomen, worden gedood bij glans van Zijn komst.

 

Voorafgaand aan deze laatste gebeurtenissen “werd het beest gegrepen, en met hem de valse profeet die de wonderen voor zijn ogen gedaan had, waarmee hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en hen die zijn beeld aanbaden. Deze beiden werden levend geworpen in een poel des vuurs, brandende met zwavel.

 

“En de overigen [ de rest van de goddeloze wereld] werden gedood met het zwaard van hem, Die op het paard zat, Wiens zwaard uit Zijn mond kwam; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees.” Openb.19:20,21. Toen gebeurde het dat de engel de Duivel bindt, de laatste opstandeling, en de aarde vlucht weg.

 

Aldus begint het millennium, en aldus werpt de engel de Duivel in de bodemloze put – in een plaats waar het onmogelijk is voor welk ander wezen om te bestaan –sluit hem op, en plaatst een zegel op hem, “opdat hij de natiën niet meer zou misleiden, totdat de duizend jaren zouden zijn voleindigd [tot aan de tweede opstanding]; en [p.22] daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten. En ik zag tronen, en zij die erop zaten, en het Oordeel werd hun gegeven” gedurende de duizend jaren.

 

“En ik zag een Grote Witte Troon, en Hij die erop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten; en er werd geen plaats voor hen gevonden. En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het boek des levens; en de doden werden geoordeeld naar de dingen die in de boeken geschreven waren, naar hun werken.” Openb.20:1-5,11,12.

 

Johannes zag dat nadat deze dingen plaatsvonden, “de zee zijn doden gaf, die daarin waarin; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een ieder naar hun werken. En de dood en de hel werden geworpen in een poel des vuurs. Dit is de tweede dood. En al wie niet geschreven werd gevonden in het boek des levens, werd geworpen in de poel des vuurs.”Openb.20:13-15. {KJV}(Zie ook The Great Controversy, p.480{De Grote Strijd, blz…}).

 

Het is volstrekt Bijbels dat aan het begin van het millennium al de goddelozen worden “gedood met het zwaard van Hem, Die op het paard zat, Wiens zwaard uit Zijn mond kwam; en al de vogels werden verzadigd van hun vlees” (Openb.19:21), en dat de veroordeelden bij de Grote Witte Troon de doden zijn, en ook dat daaruit volgend [p.23] al de veroordeelden worden opgewekt aan het einde van de duizend jaren; dat betekent, zoals Johannes het zegt, toen “de zee zijn doden gaf, die daarin waarin; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren.” Deze feiten bevestigen in geen onzekere termen dat er geen levenden op de aarde zijn gedurende de “duizend jaren,” en dat zij die opstaan bij de tweede opstanding, allen de onheiligen zijn –al degenen die niet opstaan bij “de eerste opstanding (Openb.20:6), allen die onderworpen zijn aan de tweede dood (Openb.20:14).

 

Bovendien, aangezien er slechts één Gerechtelijke zitting is gedurende het millennium, moeten de “tronen” van Openb.20:4 in sessie zijn gezamenlijk met de Grote Witte troon. Verder nog, is het niet aannemelijk dat “de Grote Witte Troon” alleen op zich in sessie zou zijn.

 

Ook nog, omdat de eerste opstanding, de opstanding aan het begin van het millennium, al de heiligen opbrengt, zij die heilig zijn, en geen anderen, dan brengt de opstanding aan het einde van het millennium, al de onheiligen op, met niet één rechtvaardige onder hen.

 

Al deze laatste incidenten in de afsluitende uren van het evangelie, bewijzen keer op keer dat geen van de goddelozen zullen leven gedurende de duizend jaren, de jaren nadat de aarde is weggevlucht, en voordat het [p.24] opnieuw is gemaakt, en dus is er gedurende al die tijd niemand om te worden gered, en niemand om verloren te gaan.

 

Zoals van tevoren is aangetoond, sterven al de goddelozen aan het begin van het millennium; eerst het beest en de valse profeet, daarna het overblijfsel, de rest van de wereld. (Zie Openb.19:20,21). De heiligen echter, zij die leven en zij die worden opgewekt aan het begin van het millennium, zullen allen leven en heersen duizend jaren met Christus, niet Christus met hen. De overigen van de doden, de gehele wereld, leeft niet weer totdat duizend jaren voleindigd zijn. (Openb.20:4,5).

 

“Ik ga heen,” zei Jezus, “om u plaats te bereiden. En wanneer ik heengegaan ben, en u plaats bereid heb, zal Ik weder komen, en u tot Mij nemen; opdat waar Ik ben, gij ook moogt zijn.” Johannes 14:2,3{KJV} Het is duidelijk, dat zij die leven gedurende het millennium, met Christus leven in de woningen daarboven. Daarna, na de duizend jaren, openbaart Johannes, “gaf de zee zijn doden, die daarin waarin; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden [waren] geoordeeld, een ieder naar hun werken.”

 

Aldus worden de goddelozen opgewekt uit de doden wanneer de duizend jaren zijn verstreken, en als gevolg wordt Satan losgelaten uit zijn gevangenis, wat het wederom voor hem mogelijk maakt om degenen te misleiden wiens namen niet werden gevonden in het boek des levens, “Gog en Magog, [p.25] om hen te vergaderen tot de krijg; het getal van hen is als het zand der zee. En zij gingen op over de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur uit de hemel, en heeft hen verslonden.

 

“En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel des vuurs en des zwavels, waar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid. En de dood en de hel werden geworpen in de poel des vuurs. Dit is de tweede dood.” Openb. 20:7-10,14{KJV}. Dit laatste gebeuren in het laatste drama der zonde, luidt de zondeloze eeuwigheid in tot de aarde.

 

Verder nog, omdat zowel de levende als de opgewekte heiligen zijn opgenomen om te “leven en heersen met Christus,”en omdat al degenen die worden geoordeeld bij de Grote Witte Troon worden geoordeeld terwijl zij dood zijn, komt de waarheid steeds duidelijker naar voren dat er geen goddelozen leven gedurende de duizend jaren. Waarlijk niet, want de aarde en de hemel zijn dan weggevlucht (geweken), verplaatst uit hun sfeer, levenloos geworden en ledig (Jes.24:1-6; Jer.4:23-26), een “bodemloze put”(Openb.20:1 {KJV}) waarin niemand kan bestaan. Noodzakelijkerwijs leven en heersen de heiligen, zij die achterblijven, duizend jaren met Christus in de Hemel der hemelen, waar de “vele woningen” zijn. Bij de voleinding van de duizend jaren, daalt de Heilige Stad neer, de woningen, het [p.26] Nieuwe Jeruzalem, en daarmee de heiligen (Openb.21:2). Vanaf die tijd leven de heiligen niet met Christus, maar Hij leeft met hen. (Openb.21:3).

 

 

Zoals eerder werd aangegeven, werd aan Johannes de tijd van het begin van het Oordeel vaag verklaard te zijn “hierna” vanaf zijn tijd, maar aan Daniël werd het duidelijk getoond te beginnen enige tijd nadat het “kleine horen” van het beest opkwam, en voordat de heiligen het Koninkrijk bezitten (Dan.7:8-11). De exacte datum echter, wordt vastgesteld door Daniël 8:14-“Tot Tweeduizend en drie honderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden,” het onkruid zal eruit weggehaald worden. Tegen die tijd, terwijl de reiniging plaatsvindt, verkondigt de kerk: “Vrees God, en geef Hem heerlijkheid; want de ure van Zijn oordeel is gekomen.” Openb.14:7{KJV}. (Voor een volledige uitlegging van Daniël 8:14, lees Traktaat Nr.3, Het Oordeel En De Oogst{Tract No.3, The Judgemt AndTthe Harvest}.)

 

Wat het boek, verzegeld met zeven zegels, betreft, het enige boek dat “niemand in de hemel, noch op de aarde(…) in staat was te openen(…)noch daarin te kijken,”behalve de Leeuw van de stam Juda, is het ongetwijfeld het boek waarin de daden van de mensheid zijn opgetekend, zoals de zegels zelf dat bekendmaken.

 

Dit feit bevestigt Inspiratie wederom: “Aldus maakten de Joodse leiders hun keuze. Hun beslissing werd opgetekend in het boek, dat Johannes zag in de hand van Hem, die op de troon zat: het boek [p.27] dat niemand kon openen. Deze beslissing zal hun in al haar helderheid voor ogen worden gehouden wanneer dit boek wordt ontsloten door de Leeuw uit de stam van Juda.” –Christ’s Object Lessons, p.294{ Lessen uit het Leven van Alledag, blz.179}.

 

Wat het boek bevat, wordt nu uiterst duidelijk; het bevat de geschiedenis van de wereld en de daden van alle mensen. En natuurlijk vereist de logica dat bij het openen van het boek, het zou moeten beginnen met het gerechtelijke onderzoek van de daden van het belijdende volk van God, zoals De Openbaring dat zelf bekendmaakt. Bovendien, aangezien zowel de bewoording als het symboliek van De Openbaring enige uitlegging tegenspreken dat anders is dan de die hierin wordt gegeven, staat de waarheid van deze dingen nu vast en zeker.

 

Het heiligdom (de kerk), de plaats welke het volk van God herbergt, is daarom datgene dat zal worden gereinigd. Uiteindelijk echter, zoals er eerder is getoond, zal de gehele mensheid, zelfs de heidenen, voor de Rechterstoel van God moeten komen, voor “de Grote Witte Troon.”

 

Aldus zou de gebeurtenis plaatsvinden “hierna,” vanaf de tijd van Johannes, de tijd waarin de dingen zouden worden onderzocht die plaatsvonden vóór de tijd van Johannes, en de dingen die zouden plaatsvinden na zijn tijd (Openb.1:19)—de daden van de gehele mensheid vanaf het begin tot het einde.

 

Profetisch gesproken, had het Oordeel zich gezet en werden de boeken geopend, maar niemand in het ganse grote universum van God was waardig om [p.28] het verzegelde boek te openen, of zelfs daarin te kijken, behalve het Lam—de Verlosser van de wereld, de Koning der koningen, de Leeuw uit de stam van Juda, onze Koning en Voorspraak, De Alfa en Omega der Schepping, het Begin en het Einde. Aldus is het dat, als onze enige Verdediger, Degene Die onder ons geleefd heeft, Hij de enige is die door persoonlijke ervaring op verstandelijke en sympathieke wijze de verborgenheden van het verleden, van het heden, en van de toekomst kan blootleggen—de enige die waardig is om het boek te openen en het gevallen mensdom te verdedigen.

 

De deur die openging aan het begin van Johannes’ visioen, wijst terug naar de Verzoendag, het type, de enige dag door het gehele jaar heen, waarop de deur tussen het Heilige en het Allerheiligste was geopend, waardoor de twee afdelingen één werden, en tegen dezelfde tijd werd de buitenste deur gesloten. Dus, omdat er aan hem werd getoond het begin van de antitypische Verzoening, zag Johannes de binnenste deur geopend, waardoor de twee afdelingen één werden.

 

In de typische Verzoening was een ieder’s bestemming onder het belijdende volk van God voor altijd vast gesteld—zij die in overeenstemming verkeerden met de vereisten van de wet bleven achter om te leven, en zij die dat niet  waren, werden “afgesneden” van tussen het volk. Aldus met het evenzo zijn in de antitypische Verzoening.

 

“Bij de typische dienst, namen alleen zij die voor God’s aangezicht waren gekomen met belijdenis en berouw, en wiens zonden, door het [p.29] bloed van het zonde-offer, waren overgebracht naar het heiligdom, deel aan de dienst van de dag der verzoening. Zo zal er in de grote dag van de uiteindelijke verzoening en onderzoekend oordeel [het oordeel van de eerste twee zittingen, de tijd om het onkruid van het tarwe te scheiden, de slechte vissen van tussen de goeden, van zowel de doden als de levenden—de oogst], de enige gevallen die in beschouwing genomen zullen worden, dat zijn van het belijdend volk van God” (De Grote Strijd, blz…{The Great Controversy, p. 480}), zij die op een bepaalde tijd de oproep hebben aangenomen en het recht hebben om gekleed te worden met het “bruiloftskleed.” Aldus de vraag: Als het Oordeel “eerst begint bij ons, wat zal het einde zijn van hen die niet gehoorzaam zijn aan het evangelie van God?” 1 Petr. 4:17{KJV}.

 

Wanneer de boeken der verslagen worden geopend in het Oordeel, passeren de levens van allen die het “net”(de kerk) der verlossing ooit heeft gevangen, zowel goede als slechte, de revue voor de ogen van God, om daar gescheiden te worden. Daar wordt de geschiktheid van een ieder onderzocht en vastgesteld. Inderdaad, het Oordeel is de oogst. Ja, elk onkruid dat ooit uitgerukt en terzijde gelegd zal worden ter vernietiging, en elk tarwe dat ooit zal worden geplaatst in de “schuur”(het koninkrijk) ten gebruik voor de Meester, wordt gescheiden op de antitypische dag der Verzoening. Beginnend met degenen die het eerst op aarde leefden, presenteert onze Voorspraak {Advocaat} de gevallen van elk opeenvolgende generatie, en sluit het vóór het millennium voortgaande Oordeel met de levende leden van de kerk.

 

[p.30] De heerlijkheid van God wordt voorgesteld met de gelijkenis van kostbare stenen. En de regenboog boven Zijn Gerechtelijke troon openbaart Zijn nooit falende belofte en grote genade. Dit maakte Hij bekend aan Noach toen Hij aankondigde:

 

“Dit is het teken van het verbond, dat Ik maak tussen Mij en u en elk levens schepsel dat bij u is, voor alle volgende geslachten: Ik stel Mijn boog in de wolken, en het zal zijn tot en teken van een verbond tussen Mij en de aarde…En Ik zal Mijn verbond gedenken, welke is tussen Mij en u en elk levend schepsel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer een vloed worden om alle vlees te vernietigen.” Gen.9:12,13,15.{KJV}.

 

De tegenwoordigheid van het Lam voor de troon verzekert ons dat “indien iemand zondigt, hebben wij een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus de rechtvaardige.” 1 Johannes 2:1{KJV}.

 

De zeven horens van het Lam betekenen de volledigheid van macht en gezag, waarvan Christus ter verzekering zegt: “Alle macht is Mij gegeven in de hemel en op aarde.” Matt.28:18{KJV}. Zijn onbegrensde macht komt ons te goede, en tot onze beschikking. Hij verkondigt: “Indien gij geloof hebt als een mosterdzaad, dan zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen; en het zal zich verplaatsen; en niets zal u onmogelijk zijn.” Matt.17:20{KJV}.

 

De zeven ogen van het Lam geven aan dat alle dingen open en blootgelegd zijn voor Hem.

 

[p.31] “Waarheen,” vraagt de Psalmist, “zal ik gaan voor uw Geest? Of waarheen zal ik vlieden voor uw aangezicht? Als ik opsteeg ten hemel,” verklaart hij, “zijt Gij daar; als ik mijn maak in de hel, zie, Gij zijt daar. Als ik de vleugelen neem van de dageraad, en woon aan het uiterste der zee; zelfs daar zal Uw hand mij leiden, en Uw rechterhand zal mij vasthouden. Als ik zeg; Gewis zal de duisternis mij bedekken; zelfs de nacht zal een licht om mij heen zijn. Ja, de duisternis verbergt niet voor U; maar de nacht schijnt als de dag; de duisternis en het licht zijn beiden gelijk voor U.” Ps.139:7-12{KJV}.

 

Ja, de zeven symbolische “horens”, “ogen,” en “lampen van vuur,” zijn waarlijk “de zeven Geesten Gods,” het werk van de Geest in alle fasen, uitgezonden over de gehele aarde, om de heiligen macht te geven tegen de machten van het kwaad, en ook licht over het Evangelie van Christus, een visie over hun huidige staat en van hun toekomstige heerlijkheid, enzovoort. Vandaar de herverzekering van de Verlosser: “Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen; maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.” Johannes 16:7. “Maar de Trooster, welke is de Heilige Geest, Welke de Vader zenden zal in Mijn naam, Hij zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. Johannes 14:26. Het is dan duidelijk, dat welke dingen dan ook, die Inspiratie Zelf niet [p.32] onderwijst en uitlegt, niet waardig zijn om te gedenken, te onderwijzen, of zelfs ernaar te luisteren.

 

DE lampen van vuur zijnde zeven in getal, kunnen zij natuurlijk alleen de eeuwig levende kerk voorstellen (Openb.1:20), gekleed met het licht van de gehele Waarheid Gods –haar onderwijzing van tegenwoordige waarheid aan elke opeenvolgende generatie vanaf het begin der wereld, de waarheid waarnaar de werken van elke {generatie} wordt onderzocht en geoordeeld, waaraan een ieder’s gerechtigheid wordt gemeten.

 

Als iemand dan hetzij de macht, het visioen, of het licht van de Geest verwerpt, betekent dat waarlijk zondigen tegen de Heilige Geest, en “het zal hem niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de toekomende wereld.” Matt.12:32.{KJV}. Bij het oordeel zal zie iemand zeer zeker te licht bevonden worden.

 

Wat de zee van glas betreft, in de woorden van Daniël is het een “vurige stroom, “ terwijl het in de woorden van Johannes is “een zee van glas, gemengd met vuur.” Deze vurige stroom, komende vanuit de tijdelijke gerechtelijke troon, en de Rivier des Levens vanuit de eeuwige regerende troon(Openb.22:1), moet in zeker opzicht iets voorstellen dat gemeenschappelijk is voor beide tronen. En wat zou dat kunnen zijn? –Als de rivier, samen met de Boom des Levens, een voorstelling is van de kern {of het wezen} welke het leven doet voortduren, dan is de zee een voorstelling van het eeuwige bestaan van het leven, want de “zee” is de opslagplaats, de bron van alle wateren—het houdt het stromen van de rivieren in stand.

 

[p.33] “Vuur” is een geschikt symbool voor het leven, en “zee” een geschikt symbool voor de eeuwigheid, aantonend dat deze twee, leven en eeuwigheid, alleen van God’s troon afkomstig zijn.

“Helder als kristal,” geeft natuurlijk vrijheid aan van alle defecten. Deze gaven, zonder welke al het andere verloren is, worden vrijelijk gegeven aan allen wiens zonden zijn gewassen het dierbaar bloed van het Lam, de Verlosser, de Middelaar tussen God en de mens.

 

“En er zal daarin [de stad] niets binnengaan dat verontreinigt, noch iets dat en gruwel doet, of een leugen doet; maar zij die geschreven zijn in het Boek des Levens van het Lam.” Openb.21:27.

 

Vanzelfsprekend, ontvangen allen die de overwinning verkrijgen “over het beest, en over zijn beeld, en over zijn merkteken, en over het getal van zijn naam,” hun loon –“staande op de zee van glas.”

 

Het opeenvolgend openbreken van de zeven zegels en hun individuele inhoud, openbaren respectievelijk dat de geschiedenis van de mensheid is verdeeld in zeven verschillende perioden.

 

Nu openbaart de Waarheid dat met het openbreken van de eerste zegel –bij het openen van de eerste sectie van het boek – het Oordeel begint. Het is ook vanzelfsprekend dat bij het Oordeelstroon van God, in Zijn drie sessies, Apocalyptische (Eindtijd) symbolisme de natiën en volken, heiligen en zondaars, kerken en prelaten, Satan en zijn engelen voorzegt,–het verleden, het heden, en de toekomst. Aldus “ontmoeten en eindigen al de boeken van de Bijbel[p.34] in de Openbaring.” The Acts Of The Apostles, p.585 { Van Jeruzalem Tot Rome, blz…}.

 

En om nu door te gaan met de studie of het onderwerp, zal het goed zijn om in gedachte te houden dat welke uitlegging van de schriften dan ook, welke faalt om op een geschikte wijze een onverwoestbare structuur van waarheid te bouwen en een les te brengen van bijzonder belang voor die tijd, is verkeerde, ongeïnspireerd door de geest der Waarheid—een ijdel ding.

 

Bovendien, aangezien de uitdrukkelijke informatie op deze bladzijden en de redelijke toelichting van de schriftgedeelten die in beschouwing zijn genomen niet genegeerd kunnen worden door allen die eerlijk zijn met zichzelf, dan moet het zijn dat het fundament voor de toepassing van de “dingen” die door Johannes zijn gezien, naar hun tevredenheid, standvastig is vastgesteld.

 

De Schriften, zoals iedere Bijbel student weet, zijn ontworpen om tegenwoordige waarheid te zijn op zekere tijden—“voedsel op zijn tijd,” in het bijzonder aangepast om in de behoeften van de mensen te voorzien. “Al deze dingen nu zijn hen overkomen tot voorbeelden; en zij zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie de einden der wereld is gekomen.” 1 Cor. 10:11. Met andere woorden, de Schriften zijn gelijk aan obligaties of aantekeningen op lange termijn, die vervallen op een gegeven tijd. Het is dan vanzelfsprekend, dat de tijd die is bestemd door Inspiratie, de tijd is waarin men hen moet innen, als het ware.

 

Dit is in het bijzonder waar over De Openbaring en aangezien wij zijn gekomen juist tot [p.35] de tijd waarvoor het was geschreven, kunnen wij nu door ervaring van ganser harte en zonder reserves herhalen: “Zalig is hij, die voorleest, en zij die horen de woorden dezer profetie, en die dingen bewaren, die erin geschreven staan; want de tijd is nabij.” Openb.1:3{KJV}.

 

Deze voorafgaande zaken nu doorgenomen hebbende, zou de student van vooruitgaande Waarheid gereed zijn om op verstandelijke wijze De Openbaring te bestuderen van de dingen die de weg zullen bereiden en hem in staat zullen stellen om van ganser harte te weten dat de tijd nu nabij is, dat een kennis van De Openbaring hem in staat zal stellen om stand te houden op “de grote en vreselijke dag des Heren.” Hij zou in staat moeten zijn om te zien dat het nu de tijd is om gebruik te maken van “de dingen” die niet bekend gemaakt konden worden vóór

 

HET OPENBREKEN VAN DE ZEVEN ZEGELS.

 

“En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als het ware een stem van een donderslag: Kom en zie!  En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem was een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en om te overwinnen.

“En toen Hij het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!  En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven de vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.

“En toen Hij het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die [p.36] daarop zat, had een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet.

“En toen Hij het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!  En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde.” Openb.6:1-8.

 

Met het oog op het feit dat de zegels de geschiedenis van de wereld bevatten, schetsen de verschillende kleuren van de vier paarden—wit, rood, zwart en vaal—absoluut vier verschillende toestanden, de een de ander opvolgend.

Ook nog ontsluieren de kroon van de eerste ruiter, en het zwaard van de tweede ruiter, en ook de weegschaal van de derde, en de naam van de dood op de vierde, –alle vier op een zo eenvoudige manier als het Goddelijke zinnebeeld het kan beschrijven, dat door de daden van de mens, de wereld van goed tot slecht is overgegaan, en dan van kwaad tot erger en dat de mens uit zijn brutaliteit geholpen moet worden, moet opnieuw opgevoed worden naar de wil van zijn Schepper. De openbaring van God’s wil, echter, wordt alleen duidelijk naar de mate van iemands gewilligheid om zijn theorieën en eigen wil los te laten{op te geven}.

 

Mozes ondervond dat het duizendmaal gemakkelijker was om het volk uit Egypte te leiden, dan om Egypte uit hen te leiden. Door voordeel te trekken uit hun struikelblok, door

[p.37] PICTURE OF THE FIRST FOUR SEALS ( WHITE, RED,  BLACK, AND PALE HORSE)

 

[p.38] iedere idee en alle eigen wil meteen te laten varen, niet veertig jaren of zelfs veertig dagen in beslag nemend, zien de Kalebs en Jozua’s van vandaag zonder enige twijfel dat door de paarden iets wordt voorgesteld dat door God is geschapen, maar wordt beheerst (bereden) door de mens. En wat anders kan het zijn dan de aarde, welke het gegeven recht was van de mens om daarover te heersen?

Het is dan duidelijk, dat wat dan ook het symbolisme (paarden en ruiters) nog meer kan voorstellen, het voorzeker openbaart dat de afwijking van de mens van het goede zijn karakter heeft verlaagd, hem heeft veroorzaakt zijn door God gegeven kroon te verliezen en daarmee zijn witte paard—zijn rechtvaardige en vreedzame regering; dat betekent, wat eens rein was, “wit”, vlekkeloos, heeft de mens onrein, tiranniek en twistziek, dominerend en moorddadig doen geworden.

 

Naar gelang de zonde zich vermenigvuldigde, werd vloek na vloek toegevoegd, en dus werd het witte paard opgevolgd door de rode, de rode door de zwarte, en de zwarte door de vale.

Om nu de waarheid van de inhoud van elke zegel te onderzoeken, de dingen welke het verzegelde boek onder aandacht brengt van zowel het Gerechtelijke  samenkomst die de troon omringt van de Oude van Dagen, als van ons met een openheid bij het onderzoeken naar reddende waarheid, beginnen wij met

 

De Symbolisatie van het Eerste Zegel.

“En ik zag, toen het Lam een van de zegels geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als het ware een stem van een donderslag: Kom [p.39] en zie!  En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem was een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en om te overwinnen.” Openb.6:1,2 {KJV}.

 

PICTURE OF THE FIRST SEAL (WHITE HORSE)

 

Vanzelfsprekend, moet het eerste zegel, het zegel waarmee het Oordeel wordt geopend, de dingen bevatten die juist bij de aanvang zijn van het menselijke ras. Het is dan logisch, dat het witte paard, het eerste in het zinnebeeld, de eerste staat van de wereld aanduidt—rein en zondeloos met een Goddelijk gekroonde regeerder (berijder), die aan het begin geen ander doel had dan de aarde te onderwerpen en het te vervullen met eeuwige, op God gelijkende wezens. De aarde zelf was gewikkeld in een kleed van schoonheid en reinheid, met al de wonderen ter land en ter zee. Er was aan niets gebrek.

 

[p.40] In de Hof van Eden “waren er bomen van allerlei soort, waarvan velen beladen waren met welriekende en heerlijke vruchten. Er waren lieflijke wijnstokken. ..die een meest gracieuze verschijning presenteerden, met hun takken buigend onder hun lading van verleidelijke vruchten, van de meest rijke en verscheidene aanblik.” -Patriarchs and Prophets, p.47{Patriarchen en Profeten, blz..}.

 

De aarde in haar jeugd, vervuld met fijne bloemen, en bedekt met een kleed van levend groen, eroverheen gespannen met de blauwe hemelen, betoonde een natuurlijke schoonheid en elegantie welke geen taal kan beschrijven. Een levend wonder zonder fouten, welke alleen een grote Meester Kunstenaar kon voortbrengen.

 

De ruiter en zijn wit paard (God’s gekroonde koning, Adam, en zijn vreedzame regering, zijn wit paard) zijn daarom de eersten die gewogen zullen worden, de eersten die in overzicht worden gebracht voor de Gerechtelijke Troon. Vandaar dat wij wederom eraan worden herinnerd dat dit karakter- onderzoekende gebeurtenis, het Oordeel, juist datgene is dat zou plaatsvinden “hierna” van de tijd van Johannes, jaren na de eerste eeuw van de Christelijke periode.

 

De kroon van de ruiter en zijn boog brengen in gedachte de bevoegdheid die de mens eerst vervulde op het moment dat God zei: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laat hen heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de ganse aarde, en over ieder kruipend gedierte dat kruipt over [p.41] de aarde.” Gen.1:26. En God zegende Adam en Eva, en God zeide tot hen: “Wees vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerp het,” overwin het. Gen.1:28{KJV}.

 

Het is duidelijk dat bij het Troon des Oordeels, het witte paard, de ruiter, en zijn kroon, op figuurlijke wijze Adam kenbaar maken, God’s geschapen koning, en zijn koninkrijk. En als het enige ding welke hij werd opgedragen die te overwinnen de aarde was, door het te vervullen en te onderwerpen, dan wat anders op het gebied van symbolisme kan de “boog,” het werktuig waarmee hij moest overwinnen, logischerwijs voorstellen, dan Eva?

 

De volgende generatie die wordt opgeroepen om rekenschap te geven voor har geloof en getrouwheid, wordt aan het licht gebracht in

 

DE SYMBOLISATIE VAN HET TWEEDE ZEGEL.

 

“En toen Hij het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!  En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven de vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.” Openb.6:3,4{KJV}.

 

Aangezien het witte paard en zijn gekroonde ruiter de eerste periode van de mensheid voorstellen, dan moeten het tweede paard en zijn moorddadige, vredevernietigende ruiter, de volgende periode voorstellen, de periode waarin moord en oorlog voor het eerst uitbraken.

 

Vanzelfsprekend was Abel het eerste slachtoffer. En als gevolg, werd de gehele wereld van Noach [p.42] vernietigd door de Zondvloed, en “een derde vreselijke vloek rustte erop als gevolg van de zonde.” Patriarchs and Prophets, p.107{ Patriarchen en Profeten, blz..}.

 

PICTURE OF SECOND SEAL (THE RED HORSE)

 

Ondanks deze bestraffing en haar aanschouwelijke les, zo gauw als de bewoners van de aarde zich vermenigvuldigden na de vloed, vermenigvuldigde de zonde zich op gelijke wijze. En hoewel de mensen slechts eerbetoon konden geven aan de correcte voorzegging van Noach over de vloed, wantrouwden zij hem bij zijn volgende voorzegging: de voorzegging dat er geen “vloed” meer zou komen “om de aarde te vernietigen.” Gen.9:11 {KJV}. Zelfs de [p.43] regenboog in de wolken, het teken van de Heer Zelf van Zijn verbond dat Hij de aarde niet een tweede keer zal doen overspoelen, faalde om hen ervan te overtuigen.

 

Wat een mysterie inderdaad, is de zonde! Eerst geloofden zij niet eens in de mogelijkheid van een vloed, en vervolgens geloofden zij niet in de onmogelijkheid daarvan! In feite is de redenering van de ongelovigen even dwaas als de redenering van een plattelandse vrouw die, toen zij voor het eerst een trein zag stilstaan op het spoor, nadrukkelijk verklaarde: “Het zal nooit opstarten!” Toen zij het daarna zag opstarten, verklaarde zij, even nadrukkelijk als tevoren: “Het zal nooit stoppen!” Dus terwijl de geest van ongeloof in het Woord altijd het verstand lam heeft gemaakt en het lichaam onderworpen heeft aan zonde en verderf, zelfs in de dagen toen mensen sterk en langlevend waren, heeft dezelfde geest een nog grotere greep op de mensheid vandaag.

 

In plaats van hen te bevrijden van vrees, zette het Woord van God, door Noach gesproken, de post-diluvianen ertoe aan om te gevoelen dat er een onvermijdelijke noodzaak was om de toren van Babel te bouwen als een verdediging tegen een tweede vloed. Hun ongeloof en valse verontrusting echter niet goedkeurend, toonde de Heer zijn ongenoegen door in te grijpen in hun goddeloze en dwaze project; Hij vernietigde hun toren en verwarde hun taal. Aldus gebeurde het dat de verwarring te Babel (Gen. 11:8,9) de bestaande rassen en talen voortbracht.

 

[p.44] Ten laatste, aangezien de verwarde bouwers zich in groepen verdeelden, begonnen, begonnen de buren met elkaar ruzie te maken. En naargelang zij groeiden tot natiën, mondden hun ruzies uit tot oorlogen. Vandaar dat de historische waarheid dat er voor de eerste keer oorlogen uitbraken na de verwarring van tongen, aantoont dat het rode paard, in bijzonderheid zijn ruiter, de periode beschrijft waarin de toren van Babel werd vernietigd, en waarin vrede plaats gaf voor oorlogen.

 

Bovendien is het gedeelte: “de vrede te nemen van de aarde,” want het geeft vanzelfsprekend aan dat er vrede was voor die tijd.

De gevolgen van Adam’s zonde, echter, eindigden niet met zulk een leven en eigendom vernietigende handeling zoals de oorlog dat is. Het leidde zijn afstammelingen tot grotere ontaarding, zelfs tot afgodenaanbidding, tot het vernietigen van zielen door middel van godsdienst, welke, in het drama der zonde, wordt geopenbaard in

 

DE SYMBOLISATIE VAN HET DERDE ZEGEL.

 

“En toen Hij het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die [p.36] daarop zat, had een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en de wijn niet.” Openb.6:5,6{KJV}.

 

Zoals wij hebben gezien, stelt het witte paard, de regering voor van de aarde door de mens, toen het nog rein en vrij was. En nu, omdat zwart [p.45] het tegengestelde is van wit, moet het zwarte paard de regering van de mens vorstellen in geestelijke duisternis en gevangenschap – een toestand tegengesteld tot datgene voorgesteld door het witte paard.

 

PICTURE OF THE THIRD SEAL (THE BLACK HORSE)

 

Dit wordt bevestigd door de geschiedenis: Zelfs ver terug in de tijd van Abraham, slechts ongeveer drie honderd jaren na de vloed, had afgodenaanbidding de inwoners van de wereld overweldigd. Het was toen dat Abaham Haran verliet, zijn vader’s huis en land (Gen.11:31; 12:1). Zijn afstammeling, Israel, werden uiteindelijk slaven voor Farao, en daarna voor Nebukadnezar, koning van Babylon.

 

[p.46] De weegschaal in de hand van de ruiter zou nog duidelijker de periode moeten aangeven waartoe het zwarte paard en zijn ruiter reikt, en welke zij voorstellen. Zoals wij reeds hebben gezien, stelt de boog van de eerste ruiter het middel voor waarmee Adam de aarde onderwierp (want de gehele menselijke ras kwam uit hem); en het zwaard van de tweede ruiter, het middel waarmee Adam’s afstammelingen vrede wegnamen van de aarde. Op dezelfde wijze, moet de weegschaal van de derde ruiter noodzakelijkerwijs datgene voorstellen wat de mensheid vervolgens introduceerde. En wat anders naast een bepaalde vorm van commercie{handel} kan het symbool afbeelden? Een ieder kan erkennen dat een man met een weegschaal iets te maken moet hebben met kopen en verkopen.

 

In de tijd van Abraham was de commerciële handel tussen natiën onbekend. Maar gedurende de volgende periode, de periode die wordt voorgesteld door het zwarte paard, was het idee geboren. Toen gebeurde het dat Tyrus en Sidon de voornaamste commerciële centra werden. En Inspiratie oppert de vraag: “Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, wiens kooplieden vorsten zijn, wiens handelaars de heerlijkste der aarde zijn?”Jes. 23:8{KJV}.

 

Tyrus, de koningin van de Feniciërs, bevond zich slechts op korte afstand van Sidon. “Na verloop van tijd zouden zij hun handelskoloniën over de gehele Middelandse zee verspreiden, en tot [p.47] in andere landen, altijd op zoek naar nieuwe handelsgebieden en commerciële centra. Zij waren de bijen van de vroegere wereld, die het stuifmeel van cultuur overbrachten overal waar zij heengingen. De noodzakelijkheden van het handelen en commercie dreven hen ertoe om een alfabet te volmaken, wat de westerse wereld dus door hun toedoen heeft verkregen. In sommige opzichten waren zij uniek in de vroegere wereld, en dit onderscheid werd met hen begraven. Want zij waren niet geïnteresseerd in veroveringen, behalve die van commerciële aard; zij hadden geen bezwaar tegen het betalen van belastingen aan militaire machten, zo lang die machten niet in de weg stonden van hun recht om te handel te bedrijven. Zij hadden een op de Grieken gelijkende vermogen om tot zich op te nemen al wat Egypte, Babylonië, Assyrië, Perzië, en welke andere fase van beschaving ook te bieden had; maar hun voornaamste kundigheid lag in vindingrijkheid, technische vaardigheden, zakelijke activiteiten, en in het bedrijfsleven{bedrijvigheid, nijverheid}. In het bewerken van ijzer, goud en ivoor, glas, en purperen verfstof, stonden zij in de vroegere wereld zonder een gelijke.

 

“(…)Door hun steden heen stroomde er een hoogst profijtelijke handel uit Arabië en het Oosten: en hun fabrikanten werden bezig gehouden met het bewerken{fabriceren, maken} van hun metalen, glazen en purperen producten. Over zee en ter land reisden zij overal –zendelingen der handel—de meester-onderhandelaars van de Oude Wereld.” –Essentiële Wetenschap, De Feniciërs, Deel 1 {Essential Konwledge, The Phoenicians, Vol.1}, blz. 69,70.

 

Het gebod: “Beschadig de olie en de wijn niet,” kwam uit het midden van de troon, van de Oude van Dagen, niet [p.48] van de ruiter. Vandaar dat de twee (handels)artikelen, olie en wijn, niet alleen iets voorstellen wat God alleen kan scheppen, maar ook datgene waarvan Hij vastbesloten is te bewaren, terwijl goddeloze mensen het zouden willen vernietigen; aldus noodzaakt het Hem ertegen te gebieden dat wie dan ook ze beschadigt. En wat anders zouden zulke geestelijke artikelen zou de olie en de wijn in die tijd in het bijzonder –de tijd van het zwarte paard – voorstellen, dan die producten welke de Bijbel toen voortbracht? Bovendien is het een aangenomen feit door haast alle Bijbelstudenten, dat “olie” symbool staat voor profetische waarheid, waarheid dat licht werpt op de toekomst, dat het pad van de reiziger verlicht (Ps.45:7; Zach.4:12); en dat wijn dat gedeelte van de waarheid voorstelt, wat de ontvanger daarvan blij maakt, hem anders doet handelen dan voorheen (Jes.61:1-3).

 

Samengevat, is het vanzelfsprekend, dat het bevel: “Beschadig de olie en de wijn niet,” de verhindering verbood van het schrijven van de Geschriften, wederom aantonend dat het openbreken van het derde zegel de periode ontsluiert waarin het alfabet werd uitgevonden en waarin commercie{het bedrijfsleven, de handel} was ontstaan; de periode waarin de Bijbel werd geschreven, en waarin de ene natie de ander onderwierp{veroverde}; de periode waarin de Wereldrijken werden geboren{of kwamen te bestaan}.

 

Vandaar dat, terwijl de tijd van het Oude Testament wordt afgesloten met het derde zegel, het begin van het Nieuwe wordt ontvouwd in

[p.49] DE SYMBOLISATIE VAN HET VIERDE ZEGEL.

 

PICTURE OF THE FOURTH SEAL(THE PALE HORSE)

 

“En toen Hij het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!  En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met de dood, en door de wilde beesten der aarde.” Openb.6:7,8.

 

Aangezien het vale paard in dezelfde periode valt als het moeilijk te beschrijven beest van Daniel 7:7,8 dat doet (zie pp.16,17), de periode volgend na het derde zegel, gelijken zij dus op elkaar. Inderdaad, omdat zijn kleur vaag{onduidelijk} is, gebrekkig, niet hebbende een specifieke [p.50] of bepaalde tint of karakter, is het paard, per slot van rekening, ook moeilijk te beschrijven. Het is zeer duidelijk dat de ruiter van het vale paard, synoniem (gelijkgesteld) is aan hij die sprak tegen de Allerhoogste, aan hij die de heiligen zou  vermoeien, “en menen tijden en wetten te veranderen.” Dan.7:25. Hij wordt gezien als voorstellende het hoogtepunt van afgoderij. De vroegere Romeinse regering wordt op gepaste wijze gesymboliseerd door het moeilijk te beschrijven beest, omdat haar bestuur in waarheid een mengsel was van burgerlijke en godsdienstige wetten, van Heidense en Christelijke leerstellingen. Niemand kon feitelijk vaststellen of de Romeinse regering nu Heidens of Christelijk, Joods of Heidens{niet-Joods} was.

 

De naam van de ruiter: “dood,” is op volmaakte wijze van toepassing op de vervolgende geest en wreedheden van die tijd van zowel de Joden als de Romeinen. De geschiedenis en de profetie bevestigen op gelijke wijze dat de onderdrukkende Romeinse macht “verslond, verbrijzelde, en het overblijfsel met zijn voeten vertrad.” Dan. 7:19.

 

De waarheid betreffende “het vierde deel der aarde” waarover hen de macht was gegeven “om te doden met zwaard, en met honger, en met de dood, en door de wilde beesten der aarde,” wordt gemakkelijk achterhaald; Door 6000, de jaren vanaf de schepping tot aan de aanvang van het millennium, te verdelen in vier gelijke delen, levert dat op 1500 jaren (“het vierde deel”), waarbij aan het eind van die tijd de macht zou wegkwijnen {verzwakken}. Wederom, omdat het waar is dat het doden van de heiligen begon bij de kruisiging van Christus, begon dit “vierde deel [p.51]van de aarde” daarom in die tijd en eindigde bij de “Confessie van Ausburg,” een document dat was samengesteld door Luther en gepresenteerd op de Rijksdag{of parlementszitting} te Ausburg aan de Keizer, Karel V, in 1530,– precies 1500 jaren na de opstanding van Christus (in beschouwing nemend dat de Christelijke periode 3½  jaren vroeger gedateerd is), de tijd waarin de Romeinse macht wegkwijnde.

 

Deze gevolgtrekkingen worden nog betwijfelbaar in het licht van het historische feit dat het Protestantse conflict tegen tirannie (alleenheersing}, uiteindelijk veroorzaakte dat de vervolgingen ophielden. Aldus is het dat dit gedeelte van de schriften ter discussie, werd vervuld in 1530 door het verzwakken van de Joods-Heidense en Christelijk-Heidense machten, die doodden met het zwaard, honger, de dood, en wilde beesten.

 

(Dit gedeelte van de profetie werpt overigens de verkeerde gedachte omver, dat de aarde meer dan 6000 jaren heeft bestaan.)

 

Op dit moment is het goed om op te merken, dat terwijl het getal van de paarden, vier, de vier hoeken van het kompas voorstellen, geeft het getal der zegels, zeven, de volledigheid van het evangelie, de verzegeling van de heiligen, aan.

 

Hebbende gezien ontvouwd de waarheid van de eerste vier zegels, zullen wij nu onderzoeken

 

DE SYMBOLISATIE VAN HET VIJFDE ZEGEL.

 

“En toen Hij het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden. En zij riepen met [p.52] grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heer, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? En aan een ieder van hen werden lange witte klederen gegeven; en hun werd gezegd, dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden gelijk als zij, zouden zijn vervuld.” Openb.6:9-11{KJV}.

 

PICTURE OF THE FIFTH SEAL(THE ALTAR)

 

De verzekering dat de zielen riepen van onder het altaar, de plats van waaruit Gods waarheid wordt verstrekt, maakt het duidelijk dat zij werden gedood vanwege hun standvastigheid in het Woord van God, en dat er aan hen, wegens hun trouw, witte klederen werden gegeven –zij werden waardig geacht voor de eeuwigheid. Dat zij de martelaren waren van de voorafgaande periode, de periode van het vierde zegel, is [p.53] duidelijk uit het feit dat zij reeds dood waren toen het vijfde zegel geopend werd.

Bovendien duidt een altaar een vernieuwing van het geloof, een hervorming aan. Dat betekende het voor Noach, Abraham, en Jakob in de gevallen toen zij hun altaren bouwden ( Gen.8:20; 12:8; 26:25; 35:14). De zielen zijnde onder het altaar, geeft aan dat zij hun leven hadden geofferd voor een zaak die gelijksoortig is aan de zaak van de martelaren gedurende de Protestantse Reformatie. En de vraag: “Hoelang, o heilige en waarachtige Heer, oordeelt Gij niet?” en ook het antwoord: “dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden gelijk als zij, zouden zijn vervuld,” bewijst op concrete wijze dat de vervolging en het martelaarschap van het vierde zegel het vijfde zegel zou overlappen, en dat het Oordeel van de doden (de martelaren) niet zou beginnen tot nadat de vervolging was beëindigd, maar dat het daarna zeker zou beginnen.

Deze historische opvolging van gebeurtenissen brengt ons nu tot de tijd van de volgende gebeurtenissen, die zijn onthuld in

 

DE SYMBOLISATIE VAN HET ZESDE ZEGEL.

 

“En ik zag, toen Hij het zesde zegel geopend had, en ziet, er was een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed. En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als zij van een grote wind geschud wordt.”Openb.6:12,13 {KJV}.

 

[p.54]  PICTURE OF THE SIXTH SEAL

 

Het is een van de fundamentele geloofspunten van het Kerkgenootschap dat de profetieën van het zesde zegel begonnen te worden vervuld met de grote aardbeving van Lissabon op 1 november 1755. Vervolgend op de aardbeving, op 19 mei 1780, was de zon verduisterd, en de maan verscheen als bloed op de volgende nacht. Daarna kwam het “vallen van de sterren,” de grote meteorenregen van 3 november 1833 (The Great Controversy, pp.304-309, 333, 334{De Grote Strijd, blz…}).

 

Vooruit blikkend op deze hemelse demonstraties (de tekenen des tijds), waarschuwde Jezus van te voren dat zij zouden verschijnen “onmiddellijk [p.55] nadat de verdrukking” was beëindigd (Matt.24:29). Dus, terwijl vrede, oorlogen, commercie, schrift, en vervolging de tekenen des tijds en het kenmerk zijn van de eerste vijf zegels, zijn op gelijke wijze de aardbeving, de duistere dag, en de meteorenregen de tekenen des tijds en het kenmerk van het zesde zegel.

 

Deze wereldwijde verstoringen en hemelse tentoonstellingen tussen de jaren 1755 en 1833, blijken echter, op zichzelf genomen, voorzeggingen te zijn van de dingen die plaatsvinden gedurende de “grote en vreselijke dag des Heren.” Als dit waar is, dan voorschaduwt de aardbeving de komende schudding, zifting, onder de natiën, zoals wordt voorzegd door de profeten:

 

“Ziet, de Naam des Heren komt van verre, brandende met Zijn toorn, en de last daarvan is zwaar; Zijn lippen zijn vol gramschap, en Zijn tong, als een verterend vuur;  En Zijn adem is als een overlopende beek, die tot aan het midden van de hals toe raakt, om de heidenen te schudden met een schudding der ijdelheid; en er zal een toom zijn in de kinnebakken der volken, die hen doet dwalen.” “En de sparrenbomen zullen vreselijk geschud worden.” Jes.30:27,28; Nah.2:3{KJV}.

 

Het verduisteren van de zon, zou getuigen van de afsluiting van het evangelie, het einde van de genadetijd, de waarin de mens “heen en weer zullen snellen om het Woord des Heren te zoeken, en het niet zullen vinden.” “Want zie, duisternis zal de aarde bedekken, en [p.56] grote duisternis het volk.” Amos 8:12; Jes.60:2{KJV}.

 

De maan, gerelateerd met de zon, maakt een gepast symbool voor de kerk, het werktuig waardoor het Woord van God, het licht der wereld, wordt weerspiegeld. Dat de maan als bloed wordt, onmiddellijk volgend op het verduisteren van de zon, weigerend licht te weerspiegelen, zou een passend voorteken zijn dat de kerk haar verlossingswerk heeft volbracht, {en dus} niet langer het Licht van het evangelie behoeft te weerspiegelen. En de kerk zelf is, natuurlijk, tegen die tijd vervuld met het eeuwige leven, verlost van de vernietiging, zoals de eerstgeborenen dat waren in de woonplaatsen waar de deurposten waren beschilderd met het offerbloed op de avond van het Pascha in het land Egypte.

De vallende sterren suggereren over de grote en vreselijke dag des Heren –de dag waarop “de hemelen…voorbijgaan”(2 Petr.3:10), de dag waarop al hun heer wordt ontbonden, en waarop de Duivel en zijn leger, en ook de goddelozen in de kerk en in de wereld, “zullen neervallen, gelijk een blad valt van de wijnstok, en als een vallende vijg uit de vijgenboom.”Jes.34:4{KJV}.

 

Al deze tekenen staan vast als getrouwe getuigen dat het zesde zegel, de zesde tijdsperiode, de grote dag van God meebrengt, de toorn van het Lam.

 

“En de hemel week weg als een boekrol, dat toegerold wordt; en alle bergen en [p.57]eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen. En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelf in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen; En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht van Hem, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?” Openb.6:14-17{KJV}.

 

In deze verzen worden beschreven het lot, de angst, en het getroffen geweten van allen die niet in staat zijn stand te houden op de dag van het Oordeel van de levenden, de grote en vreselijke dag des Heren –de toorn van het Lam in de grote “tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest is”(Dan.12:1), de dag volgend op de verschijning van de antitypische “profeet Elia” (Mal.4:5) –ja, de dag waarin zij die zich niet gekleed hebben met het bruiloftskleed, worden uitgeworpen in de buitenste duisternis, om daar hun tanden te knarsen(Matt.22:11-13).

 

Ook bevestigt de Geest der Waarheid in dit schriftgedeelte (Openb.6:14-17), dat “er twee partijen in zicht worden gebracht. Een partij liet het toe zich laten misleiden, en partij kozen voor degenen waarmee de Heer een conflict heeft. Zij verklaarden {of begrepen} de boodschappen die tot hen waren gezonden verkeerd, en bekleedden zichzelf met klederen van zelfgerechtigheid.”- Testimonies, Vol.9{Getuigenissen, Deel 9}, blz.268.

 

Aldus gebeurde het dat terwijl de eerste vier zegels ons door de periode heen brengen van de dag waarin de werken van de mens worden geopenbaard, [p.58] brengen de laatste drie zegels ons door de dag van God, de dag waarin Zijn Waarheid en Zijn werken worden geopenbaard.

 

Dat er een hoogtepunt van enige aard zou moeten zijn in het Gerechtelijk werk op dit bijzonder punt van de Schriften (Openb.6:14-17), is geen mysterie. Onmdat he bestempeld is bij de gebeurtenissen die de overheersing van de zonde beëindigen, en dat dit wordt gerealiseerd door zelfs de zondaars, is een zeer goede indicatie dat gedurende jet zesde zegel, het Oordeel van de doden afsluit, en de voorbereiding voor het Oordeel van de levenden begint. Het is de “vreselijke dag” voor de goddelozen.

 

Bovendien, zoals de eerste fase van het Oordeel voorbijgaat met het zesde hoofdstuk van Openbaring, begint de tweede fase met het zevende hoofdstuk; dat wil zeggen: het begint met de verzegeling van de levende heiligen, de eerste vruchten. Het is de “grote dag” voor de rechtvaardigen.

 

“En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enige boom.

 

En ik zag een andere engel opkomen uit het oosten, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welke macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen, zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten van onze God zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden. En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israëls.” Openb.7:1-4{KJV}.

 

[p.59] PICTURE OF THE 144,000

 

Uit de aanduiding dat de vier winden zullen waaien en de vier engelen zullen [p.60] beschadigen zodra de dienstknechten Gods zijn verzegeld, wordt gezien opdoemend de “tijd der benauwdheid” zoals er nooit geweest was(Dan.12:1).

 

Bewegend over de vier hoeken van het kompas, moeten de winden een wereldwijde verstoring van enig soort voorstellen. Het is ook zeer duidelijk, dat het waaien van hen en het beschadigen door de engelen, twee legers in een strijd voorstellen. Het waaien van de winden is natuurlijk, de woede van de natiën tegen de heiligen; en het beschadigen van de engelen is ongetwijfeld het oordeel van de Heer die komt over Zijn vijanden. Met andere woorden, de engelen en de winden samen stellen een benauwdheid voor tussen God en de natiën, waarin zowel de heiligen als de zondaars betrokken zijn. Inderdaad, het is de grote en vreselijke dag des Heren.

 

Het verschil tussen de “grote verdrukking, zoals niet gewest is van het begin de wereld”(Matt.24:21), en de “tijd der benauwdheid, zoals er nooit geweest is sinds er een natie bestond” (Dan.12:1), is dat gedurende de “grote verdrukking” de heiligen worden gedood (Matt.24:21,22), terwijl gedurende de “tijd der benauwdheid,” zij worden verlost (Dan.12:1).

 

Dat het tegenhouden van de winden door de engelen niet aangeeft dat zij de natiën ervan weerhouden om tegen elkaar te strijden, wordt duidelijk gemaakt uit het feit dat de winden niet werden ervan weerhouden om als wind tegen wind te botsen (natie te gen naite0, maar eerder tegen het beschadigen van de aarde, de zee, en de bomen. Bovendien, dat de natiën van het noorden en [p.61] van het zuiden, van het oosten en van het westen betrokken waren in de Eerste Wereldoorlog, en ook in de Tweede Wereldoorlog, hoewel de 144.000 nog niet verzegeld zijn, is een ander onweerlegbaar bewijs dat de benauwdheid die wordt voorzegd door het waaien van de winden en het beschadigen door de engelen, nog in de toekomst ligt. Dat het een wereldwijde verstoring is, wordt wederom gezien uit het feit dat de winden enerzijds, en de engelen anderzijds, zowel de aarde als de zee zullen benauwen.

 

Aangezien het een voorafgaande slotsom is dat Satan tegen de heiligen is, en dat de Heer tegen de waarheid hatende en kwaad bedrijvende menigte is, wordt het onderwerp zo helder als kristal: Wanneer zij worden losgelaten, zullen de winden slaan tegen het getrouwe “overblijfsel,” tegen degenen die achtergebleven zijn nadat de aarde haar mond heeft geopend en de “vloed,” het “onkruid”, heeft verzwolgen (Openb.12:16,17); maar de engelen die klaarstaan om te beschadigen, zullen degenen slaan die strijd voeren tegen het overblijfsel. Degenen wiens namen worden gevonden in het boek, worden “verlost.” Da.12:1. Aangezien de 144.000, de dienstknechten Gods, nog niet verzegeld zijn ( nog niet omsloten, beschermd, bewaakt, en gereed gemaakt om hun standplaats te nemen met het Lam op de berg Zion, maar eerder nog steeds vermengd zijn met het onkruid), worden de engelen opgedragen om de botsing uit te stellen.

 

Dus, wanneer dit verzegelingwerk is voltooid, dan zullen de engelen, die de winden tegenhouden, de winden laten waaien, en de engelen [p.62] die de aarde, de zee en de bomen zullen beschadigen, zullen dan met hun gegeven werk beginnen.  Anders gezegd: Het laten waaien van de winden, betekent het toelaten dat het tweehoornig beest de dekreet uitvaardigt “dat zo velen als hen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden” (Openb.13:15); en het laten beschadigen door de engelen; betekent het toelaten dat het bevel van de Heer zijn beloop laat gaan: “Indien iemand het beeld aanbidt en zijn beeld, en zijn merkteken ontvangt in zijn voorhoofd of in zijn hand, dezelfde zal drinken van de wijn van de toorn Gods, welke ongemengd wordt uitgegoten in de beker van Zijn gramschap; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel in de aanwezigheid van de heilige engelen, en in de aanwezigheid van het Lam.” Openb.14:9,10{KJV}. Deze waarschuwing wordt gevolgd door de voorzegging:

 

“De vier engelen werden losgelaten, welke bereid waren voor een uur, en een dag, en een maand, en een jaar, om het derde deel der mensen te doden.” Openb.9:15{KJV}.

 

Beide decreten zullen van kracht zijn nadat de 144.000 zijn verzegeld.

 

Hier wordt gezien dat er van tussen de eerste vruchten van de oogst de 144.000 voortkomen, de dienstknechten van God, voor het afsluitingswerk van de grote oogst. Dezen zijn de eerste heiligen die ooit zijn verlost geweest van het “onkruid” onder hen.  Maak u gereed, broeder, zuster, want de tijd is nabij.

 

Wij hebben nu gezien dat de eerste zes zegels een fase van waarheid openbaren die de geschiedenis der wereld behelst van Adam’s tijd tot aan [p.63] onze tijd. Deze fase van waarheid openbaart de verzegeling van de eerste en tweede vruchten; Van tussen de eerste vruchten komen de 144.000 voort – 12.000 uit elk van de twaalf stammen van de kinderen Israëls. Door de eeuwen heen zijn zij afstammelingen geweest eerst als Jakobieten, en daarna als Christenen. Na dezen kwamen de tweede vruchten, de grote schare uit “alle natiën.” (Openb.7:9-17).

 

(De bewering dat de levende heiligen bij de komst van de Heer slechts 144.000 in getal zijn, wordt in diskrediet gebracht, door het feit dat het geen kans toelaat dat zelfs één persoon gered kan worden uit een andere natie dan de afstammelingen van Jakob, zelfs niet uit de afstammelingen van Abraham, behalve door middel van Jakob zelf. Bovendien maakt de bewering de term “eerste vruchten” tot een zinloze {of ijdele} zaak, omdat het geen tweede vruchten ondersteunt.)

 

Het overige van de Openbaring, is verwikkeld in

 

DE SYMBOLISATIE VAN DE ZEVENDE ZEGEL.

 

“En toen Hij het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang. En ik zag de zeven engelen, die voor God staan, en hun werden zeven bazuinen gegeven.

“En er kwam een andere engel, die stond bij het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij het zou offeren met de gebeden van alle heiligen, op het gouden altaar, welke was voor de troon. En de rook van het reukwerk, welk kwam met de gebeden der heiligen, steeg uit de hand van de engel voor Gods aangezicht op.

[p.64] “En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur van het altaar, en wierp het op de aarde; en er kwamen stemmen, en donderslagen, en bliksemstralen, en een aardbeving. En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, maakten zich gereed om te bazuinen. “Openb.8:1-6.{KJV}.

Na een tijd hielden de Gerechtelijke demonstraties – de stemmen, “zeggende: Heilig, heilig, heilig, Here God Almachtig,” de donderslagen en de bliksemstralen, — voor ongeveer een half uur op, wat zeer duidelijk aangeeft dat het Gerechtelijke tribunaal van de eerste sessie van het Oordeel uiteengaat. {TN15: 64.2}

Hierop volgend, worden aan de zeven engelen de zeven bazuinen gegeven. In de tussentijd biedt de engel die bij het altaar staat, de gebeden van al de heiligen op, neemt het wierookvat, vult het met vuur van het altaar, en werpt het op de aarde. Dan gebeurt het dat het van de hemel afkomstige vuur, de “donderslagen, en bliksemstralen, en stemmen,” waarmee de eerste sessie van het Oordeel opende in het hemels heiligdom (Openb.4:5), naar de aarde neerdalen in omgekeerde volgorde (stemmen, donderslagen, bliksemstralen—Openb.8:5), waarbij er ter toevoeging een aardbeving is. {TN15: 64.3}

Dan bazuinen de zeven bazuinen, de één volgend op de ander. Bij het bazuinen van de zevende bazuin (niet bij het openbreken van de zevende zegel) zijn er “grote stemmen,” zeggende: “De koninkrijken van deze wereld zijn geworden de koninkrijken van onze Here, en van Zijn Christus; en Hij zal heersen in alle eeuwigheid.” Openb.11:15{KJV}.

 

[p.65] De half uur stilte in de hemel doet de stemmen neerdalen tot de aarde, en bij het bazuinen van de zevende bazuin is de geheimenis van God voleindigd (Openb.10:7).  Dan gebeurt het dat “De koninkrijken van deze wereld zijn geworden de koninkrijken van onze Here.” Wat betekent dit allemaal? –Slechts dit: {TN15: 65.1}

 

Zoals wij hebben gezien, verdeelt de stilte de twee Gerechtelijke sessies voor het millennium, de één voor de doden en de ander voor de levenden, en het vuur van het hemelse altaar, de stemmen, bliksemstralen, en donderslagen, dalen neer tot de aarde. Deze feiten, samen met een aantal schriftgedeelten over het onderwerp, naast het overige van de Openbaring, de hoofdstukken na het openbreken van het zevende zegel, bewijzen dat het Oordeel van de levenden, het reinigen van de aardse tempel, iets is dat plaatsvindt op aarde, niet alleen in de hemel! {TN15: 65.2}

“Zie,” verklaart de Heer, “Ik zal Mijn boodschapper zenden, en hij zal de weg voor Mij berei­den; en de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen, …Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal standhouden, wanneer Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Mal.3:1,2{KJV}.

Ja, het werk van de tweede Gerechtelijke sessie omvat het aardse heiligdom. Tegen die tijd is het “vuur” van de Heer “in Sion, en Zijn oven in Jeruzalem.” Jes.31:9.

[p.66] “En vele natiën zullen komen en zeggen: Kom, en laat ons opgaan naar de berg des Heren, en tot het huis van de God van Jakob; en Hij zal ons leren van Zijn wegen, en wij zullen in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet voortgaan, en het Woord des Heren uit Jeruzalem.

”En Hij zal gericht oefenen onder vele volken, en sterke natiën van ver af bestraffen; en zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen, en hun speren tot snoeimessen; geen natie zal tegen een andere natie het zwaard opheffen, ook zullen zij geen oorlog meer leren. Maar zij zullen allen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en zijn vijgenboom; en niemand zal hen verschrikken; want de mond des Heren heeft het gesproken.” Mich.4:2-4{KJV}.

 

“(…)dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijk­heid. En alle natiën zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder zijn schapen scheidt van de bokken;  en Hij zal de schapen zetten aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linker­hand. Dan zal de Koning tot hen, die aan Zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns vaders, beërft het Koninkrijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af(…)

 

“(…)Dan zal Hij ook tot hen, die aan Zijn linkerhand zijn zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.” Matt.25:31-34, 41.

 

[p.67] “En het koninkrijk en het heerschappij, en de grootheid van het koninkrijk onder de ganse hemel, zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten, Wiens koninkrijk een eeuwig koninkrijk is, en alle heerschappijen zullen Hem dienen gehoorzamen. Hiertoe is het einde der zaak(…)”Dan.7:27,28{KJV}.

 

Al deze dingen geven duidelijk de tijd aan waarin “een ieder zal wegwerpen zijn afgoden van zilver, en zijn afgoden van goud,” juist datgene wat de val van de “Assyriër” veroorzaakt, de macht die over Jeruzalem regeert in de tijd waarop God Zijn volk verlost (Jes.31:7,8).

 

De waarheid is daarom vrij van problemen: Tussen het Oordeel van de doden en het Oordeel van de levenden staat de half uur stilte, de tijd die in beslag wordt genomen om de eerste Gerechtelijke sessie ten afsluiting te brengen en om voor te bereiden voor de tweede sessie. {TN15:67.3}

 

De overige verzen van hoofdstuk 8, en ook hoofdstukken 9-11, geven een beschrijving van de zeven bazuinen, waarvan een volledige beschouwing wordt gevonden in Traktaat Nr.5, “De Laatste Waarschuwing”{Tract No. 5, “The Final Warning”} .

 

Wij zijn nu gebracht naar hoofdstuk 12 van De Openbaring, welke het onderwerp behandelt van

 

[p.68]

DE EEUWIG LEVENDE KERK EN HAAR VIJAND

 

Het eerste van dezen die in overzicht komt bij de Troon des Oordeels, is de eeuwig levende kerk.

 

“En er verscheen een groot teken in de hemel; een vrouw met de zon bekleed, en de maan onder haar voeten, en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd;

 

“En zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren.

 

“En er verscheen een ander teken in de hemel; en zie, een grote rode draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen zeven kronen.

 

“En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden.

 

“En zij baarde een mannelijk kind, die alle natiën zou hoeden met een ijzeren staf; en haar kind werd weggevoerd naar God, en tot Zijn troon.

 

“En de vrouw vluchtte naar de woestijn, waar zij een plaats heeft, door God bereid, opdat zij haar daar twaalfhonderd zestig dagen zouden voeden.” Openb.12:1-6{KJV}.

 

Het is duidelijk dat deze “vrouw” bekleed was met de zon en werd aangevallen door de draak zelfs voordat haar kind, Christus, was geboren; jas, jaren voordat de Christelijke kerk en het evangelie tot stand kwam. Om dan te zeggen, dat zij de Nieuw Testamentische kerk voorstelt met het evangelie van Christus, is inderdaad een even ongegronde en even onlogische theorie als te zeggen dat de kip

 

[p.69] PICTURE OF REVELATION 12, THE WOMAN AND THE DRAGON

 

is uitgebroken voordat het ei is gelegd.

 

“Bekleed met de zon,” is de vrouw, natuurlijk, Gods eeuwig levende kerk, bekleed met het Licht uit de Hemel, de Bijbel. “Uw Woord,”zegt de Psalmist, “is…een licht op mijn pad.” Ps.119:105.

 

De maan is, zoals we weten, het medium waardoor het zonlicht wordt weerspiegeld en de nacht [p.70] verlicht. Zijnde onder de voeten van de vrouw, is het een gepast symbool voor de periode voordat de Bijbel kwam te ontstaan, de periode vanaf de schepping tot Mozes. Deze fase van het symbolisme geeft zeer duidelijk aan dat de vrouw opkwam uit de periode waarin het Woord van God. “de zon,”indirect werd weerspiegeld, werd overgedragen van vader tot zoon, en dat zij binnenging tot de periode waarin zij was gekleed met God’s licht, de Bijbel.

 

Bovendien was zij zwanger{het kind dragende} op de tijd dat zij bekleed was met de zon, en de maan onder haar voeten stond. Dit geeft op zichzelf genomen absoluut weer dat zij vanaf het begin de kerk voorstelt nadat het de belofte had ontvangen de Verlosser der wereld voort te brengen, het “mannelijk kind, Die alle natiën zou hoeden met een ijzeren staf.” Hij “werd weggevoerd naar God, en tot Zijn troon.” Hij is, natuurlijk, Christus, de Heer.

 

De twaalf sterren die de kroon van de vrouw samenstellen, moeten vanzelfsprekend getuigen van God’s bestuur op aarde, het aanvullende gezag van de kerk—dat van de twaalf patriarchen, van de twaalf stammen, van de twaalf apostelen, en van de 12.000 uit elke van de twaalf stammen van Israel (de 144.000).

 

Het zal ook opgemerkt worden dat zij de eeuwig levende kerk van God voorstelt in strijd met de vijand.

 

“En er verscheen een ander teken in de hemel; en zie, een grote rode draak met zeven koppen en tien horens, en op zijn koppen[p.71] zeven kronen. En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden.” Openb.12:3,4.

 

Als de student van door de hemel geïnspireerde Waarheid de aanschouwelijke les zal weten die wordt onderwezen door dit symbolisme, zou hij nu zorgvuldig moeten bemerken de betekenis welke de kroonloze horens van de draak en zijn gekroonde koppen uitdragen. Als de student der Waarheid ook voordeel zal trekken uit wat de Schriften onderwijzen, zou hij zich volledig moeten realiseren dat er aan de voorafgaande, evenals de volgende Bijbelse en logische beschouwingen, gehoor zou moeten worden gegeven.

 

Om te beginnen, aangezien de horens van de draak een groep van tien zijn, moeten zij al de koningen of koninkrijken voorstellen die toentertijd vertegenwoordigd waren, evanals de tien tenen van het groot beeld van Daniel, hoofdstuk 2, en ook de tien horens van het beest van hoofdstuk 7, de koningen en koninkrijken voorstellen die universeel bestonden in hun opeenvolgende perioden.

 

Ook zou het feit niet over het hoofdgezien moeten worden, dat al de horens, koppen, en kronen, daar gezamenlijk gegroepeerd waren toen de draak gereed stond “om het Kind te verslinden.” Op exacte wijze als het symbolisme {zinnebeeld} openbaart, stellen zij een coalitie van twee gescheiden en verschillende partijen voor {horens en koppen}, die beide bestaan op dezelfde tijd, niet de een volgend op de ander. Het is ook goed te gedenken, dat hoewel horen opgroeien en afvallen, de koppen dat nooit doen.

 

[p.72]

RICHTLIJN TOT EEN JUISTE UITLEGGING VAN DE SYMBOLISCHE HORENS EN KOPPEN

 

Aangezien de horens van de draak kroonloos zijn, moeten zij een soort van heersers afbeelden die gelijk zijn aan degenen die gesymboliseerd worden door de kroonloze horens van het vierde beest van Daniel, van zijn geitenbok en ram,  en van het scharlakenrood beest en tweehoornig beest van Johannes;dat betekent, de kroonloze horens van de draak geven kroonloze gezaghebbers van enig soort aan, evenals de kroonloze horens van welk ander der symbolische beesten dan ook. Bijvoorbeeld: de tien kroonloze horens van het vierde beest van Daniel, legde de engel uit, stellen koningen voor die nog moesten opkomen uit het Romeinse Rijk, die nog hun kronen moesten innemen. Later echter, toen de hoorn-kop haar macht had verloren en de in zich gebrachte koningen hun koninkrijken hadden ontvangen, worden zij daarna voorgesteld door gekroonde horens, door de horens van het luipaardachtig beest. (Openb.13), het symbool van de wereld na de val van Rome.

 

Nogmaals: de tien kroonloze horens van het scharlakenrood beest (Openb.17), het beest fat uiteindelijk volgt op het luipaardachtige, schetst koningen die “nog geen koninkrijk hebben ontvangen; maar die macht ontvangen als koningen op één uur samen met het beest.” Openb.17:12. Met andere woorden, omdat zij geen koninkrijk van zichzelf hebben al de tijd dat Babylon rijdt (heerst over) op het beest voor een “uur,” zijn de horens vanzelfsprekend kroonloos.

 

Aangezien deze tien horens als een kwamen te bestaan, stellen zij daarom regeerders voor uit dezelfde tijd. Wanneer horens machten

 

[p.73] PICTURE

 

voorstellen die bestaan, de volgend op de ander, verzuimt Inspiratie niet om alzo aan te geven door te tonen dat sommige horens opkomen en anderen uitvallen. Bijvoorbeeld, drie

 

[p.74] PICTURE

 

van de horens van het vierde beest van Daniel werden “uitgerukt bij de wortels,” en in hun plaats kwam er op een opmerkelijke horenkop . Op gelijke wijze kwamen er, toen de grote horen [p.75] van de geitenbok afbrak, vier op in zijn plaats, en een vijfde, de uiterste grote horen, volgde daarna (Dan.7 en 8). Ook nog kwamen zelfs de beesten, die in hun opeenvolgende perioden de wereld voorschetsen, uit de zee op, de een volgend na de ander. Aldus vertonen alle Goddelijke zinnebeelden de machten precies zoals de tijd en de gebeurtenissen hen doen verschijnen of doen verdwijnen, wat het geval ook mag zijn.

 

Anders gezegd, wanneer een macht verschilt van een ander, en wanneer zij wel of niet tegelijkertijd bestaan, dan ziet Inspiratie het nooit over het hoofd om het verschil duidelijk te maken. Als Het dat wel over het hoofd zag om dat te doen, gedenk dan hoe onlogisch, onverenigbaar, inconsequent, en onbegrijpelijk Haar onderwijzingen inderdaad zouden zijn, en hoe zinloos het zou zijn voor wie dan ook om zelfs te trachten de exacte waarheid te weten te komen! Menselijke wijsheid heeft haar onkundigheid uit zichzelf om de geheimenissen van God’s Woord te bevatten reeds bewezen, zelfs ondanks zij even volmaakt omlijnd zijn als alleen God Zelf ze kan omlijnen. In feite, hoe langer iemand op eigen initiatief probeert de geheimenissen van God uit te leggen, hoe verder hij wegdrijft van de waarheid.

 

Bovendien is het niet mogelijk dat Inspiratie zo onlogisch zou zijn door twee verschillende elementen (zij die worden voorgesteld door de horens en zij die worden voorgesteld door de koppen) een voorstelling te laten zijn van één vorm van bestuur. Het is ook niet aannemelijk dat Het de horens en de koppen gezamenlijk zou groeperen als beiden niet [p.76] letterlijk in dezelfde tijd bestonden. Nee, Inspiratie zou haar termen niet aldus verwarren, en alsnog verwachten dat wij Haar onderwijzing kunnen verstaan, om te weten hoe Haar symbolen te verklaren en wanneer te verwachten dat de werkelijke gebeurtenissen zullen plaatsvinden. En hoe logisch zou het zijn, als de machten die worden voorgesteld door de horens en de machten die worden voorgesteld door de koppen geen verschil hadden in karakter, evenals echte horens en koppen dat doen?

 

Wat de aanduiding van de koppen betreft, gaan wij, omdat Inspiratie Zelf de enige bron der informatie is, nogmaals naar de profetie van Daniël 7. Daar wordt gezien dat de kleine horen van het vierde beest, hebbende ogen en een mond van een “mens,” in feite een horenkop was—een combinatie van twee gescheiden elementen. En omdat het symbool staat voor de Kerk en Staat regering (een combinatie van burgerlijke en godsdienstige machten gedurende de Middeleeuwen), dan staat het zonder twijfel vast dat terwijl het horengedeelte staat voor de burgerlijke fase, het kopgedeelte staat voor de godsdienstige fase—dat is ook logisch, omdat godsdienst het brein zou moeten zijn achter elke regering. Bovendien werden burgerlijke regeringen oorspronkelijk gefundeerd uit kerkelijke regeringen. Het symbolisme geeft aldus duidelijk aan dat een Atheïstische regering nagenoeg even goed is als elke horen, die gescheiden is van haar kop. Zulk een regering kan zelfs vergeleken worden met een kip waarvan de kop eraf is gehaald: In zijn vlucht, springt de koploze kip met grote kracht, maar het weet niet waar het heengaat, en het leeft slechts een paar minuten.

 

[p.77] Verder, wordt de regering die volgt nadat het burgerlijke gezag was weggerukt van de godsdienstig-politieke samenstelling van de Middeleeuwen, in zicht gebracht in het symbolisme van het luipaardachtig beest (hetgeen opeenvolgend volgt in de lijn van het symbolisme der beesten). Daarin wordt het ontbonden zijn van de godsdienstig-politieke regering aangetoond door een eenvoudige gewonde kop, een godsdientsig systeem zonder burgerlijk gezag, een die lijdt onder een dodelijke slag—vanzelfsprekend van de slag die haar burgerlijke gezag van haar wegrukte.

 

Uit deze beschouwingen is het in het bijzonder opmerkelijk, dat in alle gevallen waar symbolische beesten zowel horens als koppen hebben, de koppen in ieder geval kerkelijke lichamen voorstellen, lichamen die te maken hebben met de dingen van God, die geneigd zijn de heilige zaken van God te vermengen met de alledaagse zaken van de wereld. De naam godslastering over de koppen van het luipaardachtig beest, onthult hen als juist die zonde hebben begaan.

 

En nu, het onderwerp van de draak voortzettend, kan het duidelijk worden gezien, dat ten einde de consequentheid te behouden, de Bijbelse uitlegging van de koppen en horens van de draak, moet zijn dat de eerste godsdienstige lichamen zijn, en de laatste, burgerlijke regeringen. En hoeveel van hen beschrijven de koppen en horens van de draak? –Al de burgerlijke regeringen en al de godsdienstige lichamen van die tijd in het bijzonder. Hoe weten wij dat? –Omdat er tien horen zijn [p.78] en zeven gekroonde koppen, en omdat het Bijbelse getal “tien” universiteit aanduidt, en het getal “zeven” volledigheid aangeeft. (Zie Traktaat Nr.3, Het Oordeel en de Oogst{Tract No.3, The Judgment and the Harvest}, blz.94, 1942 editie.)

 

Uit de vooraf vermelde voorbeelden zien wij reeds dat de tijd is gekomen voor alle getrouwe Bijbelstudenten, onderzoekers naar reddende Waarheid, om zich te realiseren dat inspiratie nooit iets zinloos of onzorgvuldig doet. Zijn werk is altijd nauwkeurig geconstrueerd, altijd betrouwbaar bij de eerste indruk, en nadrukkelijk buiten verbetering.

 

Het is ook een erkend feit, dat kronen altijd staan voor koninklijk gezag. En omdat zij verschijnen op de koppen van de draak, niet op zijn horens, is het in het bijzonder opmerkelijk dat terwijl de draak regeerde over zowel de burgerlijke als de godsdienstige werelden, hij toch de godsdienstige werelden kroonde.

 

Anders gezegd: de kerk hield het scepter in de hand; de kerk zat op de troon van de draak. En het feit dat het getal van de horens van de draak universiteit voorstelt, en het getal van zijn gekroonde koppen volledigheid, gekoppeld aan het feit dat zowel de Joodse kerk als de Romeinen de Heer vervolgden, toont aan dat de draak in zijn geheel een complete Satanisch-kerkelijke wereld voorstelt, dat Satan de wereld gevangen had genomen. Als overwinnaar ervan en gewapend met horens en koppen, bewoog hij Herodus ertoe om de pasgeboren kinderen te doden, zo gauw hij het bericht van de geboorte van Christus had vernomen. Dit deed hij in [p.79] de hoop de Verlosser te vernietigen, het kind te verslinden en daardoor zijn eigen koninkrijk voort te laten gaan. Dit was dus de toestand van de wereld bij de eerste komst van Christus, en aldus was de kerk in staat gesteld om de Heer te kruisigen, Stefanus te stenigen, anderen te onthoofden, en toch te ontkomen aan de vonnissen van de burgerlijke gezagsdragers.

 

Juist om deze reden kwam de Zoon des mensen, de Verlosser der wereld, precies op het moment dat Hij kwam. De draak echter, ten einde zijn Satanische heerschappij te verdedigen, wachtte geduldig en keek zorgvuldig uit naar de komst van de beloofde Verlosser der wereld. Zo gebeurde het dat terwijl de eeuwig levende kerk van God zwanger was, en uitschreeuwde om te baren, de draak met zijn zeven gekroonde koppen en tien horens, klaarstond om het kind te verslinden zodra Hij was geboren.

 

Juist zulk een afvalligheid had de wereld in haar greep ook in de dagen van Noach, en maakte het noodzakelijk voor de Heer om iets te doen om de wereld te redden. Ter wille van de mensheid, zond de Schepper de vloed om een einde te maken aan de goddeloosheid. Op gelijke wijze vereiste de vreselijke afvalligheid van de Joden in de dagen van Christus’ eerste komst, een andere ramp die even grondig vernietigend zou zijn als de vreselijke vloed, ten einde de goddeloosheid wederom weg te wissen. Maar God kon, ware het om geen andere reden dan Zijn nooit falende belofte aan Zijn getrouwe dienstknecht Noach te bewaren, niet aldus de wereld ten tweeden male omverwerpen. En dus zond Hij Zijn Zoon om in de [p.80] plaats van de wereld te sterven. In dit licht, hoe veel helderder dan ooit blinkt uit de missie van de Verlosser! Door Zijn dood heeft Hij waarlijk de wereld gered van de ondergang in die tijd, en door Zijn opstanding heeft Hij het mogelijk gemaakt dat het vandaag kan bestaan.

 

 

“En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden….

 

“En er was oorlog in de hemel; Michael en Zijn engelen streden tegen de draak; en de draak streed met zijn engelen, en hebben niet overmocht; ook werd er geen plaats meer voor hen gevonden in de hemel.

 

“En de grote draak werd uitgeworpen, die oude slang, genaamd de Duivel, en Satan, die de gehele wereld misleidt; hij werd uitgeworpen op de aarde, en zijn engelen werden uitgeworpen met hem.

 

“En toen de draak zag, dat hij was uitgeworpen op de aarde, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijk kind had voortgebracht.” Openb.12:4,7-9,13{KJV}.

 

Hier worden er twee “uitwerpingen” beschreven. Merk op dat in het eerste geval, de draak de engelen met zijn staart sleepte. Maar, vraagt u zich af, waarom niet met zijn klauwen? –Eenvoudigweg omdat dat valselijk zou aangeven dat Satan de Heer had verslagen en dus uit de hemel een derde van de engelen had weggesleurd. Maar aangezien hij hen met zijn staart sleepte, is de ware betekenis duidelijk—dat een derde deel van de engelen hem vrijwillig volgden. Zij klampten zich vast aan zijn staart, terwijl hij de weg leidde. “Zij keerden zich af van [p.81]de Vader en van Zijn Zoon, en verenigden zich met de aanstichter van rebellie {opstandigheid}.”—Testimonies Vol.3{Getuigenissen Deel 3}, blz.115. De draak overtuigde de engelen en zij volgden hem van de hemel tot de aarde, alwaar hij trachtte Christus te verslinden.

 

Deze gebeurtenis van Openb.12:4, het neerslepen van de sterren door de draak, ging vooraf aan de gebeurtenis van Openb.12:9, het neerwerpen van de draak door de Heer. De eerste vond plaats voordat de Heer was geboren en de laatste na Zijn opstanding. Dit wordt duidelijk gemaakt in de volgende paragaven:

 

In de dagen van Job had Satan nog steeds toegang tot de hemel, want er wordt ons verteld dat: “(..)er was een dag, toen de zonen Gods kwamen, om zich voor de Here te stellen, en Satan kwam ook in het midden van hen. En de Here zeide tot Satan: Van waar komt gij? Toen antwoordde Satan en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.” Job 1:6,7.

 

Satan dus, was niet onmiddellijk uit de hemel geworpen nadat hij rebelleerde of zelfs toen hij Adam en Eva veroorzaakte te zondigen. Integendeel, moest het hebben plaatsgevonden na de tijd van Job. Maar om vast te stellen precies wanneer, zullen wij lezen Openb.12:13: “En toen de draak zag, dat hij was neergeworpen op de aarde, vervolgde hij de vrouw, die het mannelijk kind had voortgebracht.” Daarom werd hij uitgeworpen voordat hij heenging om de kerk te vervolgen. Dit deed hij in de “tijd” waarin “er een grote vervolging was [p.82] tegen de gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen.” Handelingen 8:1. Dit feit wordt wederom ondersteund door de Geest der Profetie:

 

Zegevierend werd de Heer weggevoerd tot God en Zijn troon. “(…) allen zijn daar om de Verlosser welkom te heten. Zij verlangen vurig zijn triomf te vieren en hun Koning te verheerlijken.(…) Hij houdt God het beweegoffer voor: hen, die met Hem zijn opgestaan als vertegenwoordigers van die grote schare die bij Zijn wederkomst uit de graven zullen opstaan(…)Gods stem wordt wordt gehoord als Hij verkondigt dat het recht is voldaan. Satan is verslagen. De strijdende, zwoegende kinderen van Christus op aarde zijn “begenadigd in de Geliefde.” Ten aanschouwen van de hemelse engelen en de vertegenwoordigers van de ongevallen werelden worden zij rechtvaardig verklaard.

 

“Satan zag dat zijn vermomming was weggerukt. Zijn werk lag open en bloot voor de ongevallen engelen en voor het hemels universum. Hij had zich geopenbaard als een moordenaar. Door het bloed van Gods Zoon te vergieten, had hij zich beroofd van de sympathie van de hemelse wezens. Voortaan was zijn werk beperkt. Welke houding hij ook mocht aannemen, nooit meer zou hij de engelen kunnen opwachten als zij van de hemelse hoven kwamen, en voor hun ogen de broeders van Christus aanklagen voor het feit dat zij bekleed waren met de gewaden van duisternis en [p.83] de verontreiniging der zonde. De laatste schakel van sympathie tussen Satan en de hemel was verbroken.” The Desire of Ages, pp.833, 834, 761{De Wens der Eeuwen, blz.694,695,636,637}.

 

Inderdaad, zich realiserend dat hij een einde had gemaakt aan het ooit weer kunnen aanklagen van de broeders in de hemel, en wetend dat zelfs zijn verblijf op aarde zeer kort zou zijn,

 

STORTTE SATAN NEER MET GROTE TOORN.

 

Nadat de draak was neergeworpen, zag Johannes een luide stem in de hemel, zeggende:

 

Nu is geworden de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk van onze God, en de macht van Zijn Christus; want de aanklager onzer broederen is neergeworpen, die hen aanklaagde voor onzen God dag en nacht. En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot de dood toe. Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont. Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen! Want de duivel is tot u afgekomen, en heeft grote toorn, wetende, dat hij slechts een korte tijd heeft.” Openb.12:10-12{KJV}.`

 

“Satans aanklachten tegen hen die de Here zoeken zijn niet het gevolg van zijn ongenoegen over hun zonden. Hij verheugt zich over de gebreken in hun karakter, want hij weet dat hij alleen macht over hen heeft als ze Gods wet overtreden.” Prophets and Kings, pp.585,586{Profeten en Koningen, blz.358}.

 

Zoals wij zien, bemoedigt Satan de zondaar om onbewust de overtreding te begaan, en aldus zijn veroordeling te verzekeren, niet noodzakelijkerwijs op aarde, maar in de hemel. Voor de rechtvaardige Rechter, beschuldigt Satan de [p.84] overtreder vanzijnde bekleed met de gewaden van duisternis en de verontreiniging der zonde.” Maar wanneer de Geest van God dringt tot berisping, openbaart Het de zonde en bestraft de zondaar door middel van Zijn kerk.

 

Gods volk zou altijd waakzaam moeten zijn voor de stem van de Geest van Christus, evenals behoedzaam zijn om de geest van Satan te onderscheiden. Wanneer de twee tegen elkaar botsen, streeft de ene naar gehoorzaamheid aan Gods Woord, terwijl de ander de zonde verontschuldigt en sympathiseert met de zondaar. Op deze laatste subtiele wijze wint Satan vaak terrein en wint hij de zondaar tot zijn gelederen, want de zondaar heeft van nature zijn zonde lief. De getrouwen echter, overwinnen hem “door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis.” Zij hebben “hun leven niet” lief “tot de dood toe.” Openb.12:11.

 

“En aan de vrouw werden gegeven twee vleugels van een grote arend, opdat zij naar de woestijn zou vliegen, naar haar plaats, waar zij is gevoed voor een tijd, tijden en een halve tijd, buiten het gezicht van de slang.” Openb.12:14{KJV}.

 

Aangezien een woestijn het tegengestelde is van een wijngaard, geeft de verklaring: “opdat zij naar de woestijn zou vliegen” nadrukkelijk aan dat zij de wijngaard moet hebben verlaten. En dat is precies wat zij deed: Kort na de opstanding, verliet de kerk (de vrouw) het heilige land (de wijngaard) en ging naar het land van de Heidenen (de woestijn).

 

Naast deze historische feiten, hebben wij ook de Bijbelse betekenis van de wijngaard:

 

[p.85] PICTURE

 

“De wijngaard van de Here der heerscharen is het huis Israels, en de mannen van Juda zijn de planten waarin Hij vreugde heeft.” Jes.5:7.

 

Ongetwijfeld daarom, is de woestijn, waar de vrouw werd gevoed voor een bepaalde tijd, het land van de Heidenen. En dat de vrouw moest vluchten van het [p.86] aangezicht van de slang in haar thuisland, toont aan dat de draak het heilige land tot zijn hoofdkwartier had gemaakt. Niet tevreden echter daarmee, volgde hij haar zelfs na in de woestijn.

 

“En de slang wierp uit zijn bek water als een vloed achter de vrouw, om haar door de vloed te laten wegvoeren.” Openb.12:15{KJV}.

 

In eerste instantie, in de hoop de vrouw te vernietigen, vervolgde de slang haar. Falend echter in het bereiken van zijn doel, keerde hij plotseling zijn werkwijze om. Hij stopte de vervolging en begon in de plaats vriendschap met haar te sluiten. Maar tegen wat een prijs voor de vrouw! Op een listige wijze wierp hij een vloed achter haar, ogenschijnlijk een machtige poging om haar te verfrissen, terwijl het in feite een machtige poging was om haar daardoor te vernietigen.

 

De figuurlijke woorden van Inspiratie verklaren dat het gedwongen Christelijk maken van de Heidenen en het binnenstromen van hen tot de kerk gedurende de vierde eeuw van de Christelijke periode, in werkelijkheid geen vriendschappelijke handeling was. Het was eerder als een verwoestende stroom om de reddende macht van het Christendom te doen verdrinken. Met andere woorden, Inspiratie voorzegde de periode waarin de draak Heidense politici met een mantel van Christelijkheid bekleedde en hen ertoe leidde om de niet Christelijke heidenen te dwingen zich bij de kerk te voegen, zodat zij aldus haar heidens zouden maken, in plaats van dat zij hen Christelijk maakte.

 

Ter bevestiging, citeren wij een gedeeltelijke beschrijving van het werk van Dhr. Gibbon: “Door het bevelschrift van verdraagzaamheid, verwijderde [p.87] hij [Constantijn] de tijdelijke nadelen welke tot dusver de vooruitgang van het Christendom hadden vertraagd; en haar actieve en talrijke bedienaren ontvingen een vrije toestemming, een liberale bemoediging, om de heilzame waarheden van openbaring aan te bevelen door iedere argument welke de denkwijze of vroomheid van de mensheid zou kunnen beïnvloeden. De exacte balans tussen de twee godsdiensten [Christelijk en Heidens] duurde slechts een moment voort…De steden die een voorwaartse ijver kenbaar maakten door de vrijwillige vernietiging van hun tempels [de Heidense] werden onderscheiden door gemeentelijke voorrechten, en beloond met populaire donaties…de verlossing van het gewone volk werd gekocht tegen een goedkope prijs, als het waar was dat, binnen een jaar, twaalf duizend mensen werden gedoopt te Rome, naast een evenredig aantal vrouwen en kinderen, en dat een wit kleed met twintig stukken goud, werd beloofd door de keizer aan iedere bekeerling.” Dit was “een wet van Constantijn, welke vrijheid gaf aan al de slaven die het Christendom zouden moeten omarmen.” –Gibbon’s Rome, Deel 2, blz.273,274.

 

“En de aarde schoot de vrouw te hulp: en de aarde opende haar mond, en verzwolg de stroom op die de draak uit zijn mond had gespuwd.” Openb.12:16{KJV}.

 

De “aarde,” God’s machtige wapen, zal uiteindelijk de vrouw helpen. Het zal de “vloed” verzwelgen; dat betekent, hetzelfde Goddelijke middel welke, volgens de gelijkenis, het onkruid wegneemt en hen verbrandt, neemt op gelijke wijze allen weg die zich bij de [p.88] kerk hebben gevoegd maar die nog steeds heidens van hart zijn. En wat gebeurt er dan? –de Schriften verschaffen het antwoord:

 

“En de draak was woedend op de vrouw en ging weg om strijd te leveren met het overblijfsel van haar nageslacht, die de geboden Gods bewaren, en het getuigenis van Jezus Christus hebben.” Openb.12:17{KJV}.

 

De term “overblijfsel” onthult dat haar zaad is verdeeld in twee delen: de ene is weggenomen, de ander is achtergebleven. Nehemia  bijvoorbeeld verklaart: “De overgeblevenen, die daar in het gewest uit de gevangenschap zijn overgebleven, verkeren in grote rampspoed en smaad.” Neh.1:3. Een “overblijfsel” stelt altijd een deel voor van het geheel, hetzij klein of groot.

 

En merk op dat de draak strijd voert, niet tegen het overblijfsel van de “vloed,” maar tegen het overblijfsel van haar nageslacht{of zaad}. Daar Christus het enige kind is van de vrouw, zijn haar nageslacht daarom de Christenen, zij die geboren worden tot de kerk door de Geest van Christus. Dienovereenkomstig, brengt de handeling van het brengen van de eerste vruchten naar de Berg Zion (Openb.14:1) een situatie tot stand welke tot het overblijfsel maakt degenen die nog overblijven onder de Heidenen. In dit geval daarom zijn zij, de tweede vruchten, het overblijfsel.

 

Laat eraan gedacht worden, dat het nadat de aarde de vloed verzwelgt gebeurt, dat de draak woedend zal zijn op de vrouw, en “strijd” zal “leveren met het overblijfsel van haar nageslacht [niet met haar persoonlijk], die de geboden Gods bewaren, en het getuigenis van Jezus Christus hebben.” Openb.12:16,17{KJV}. Het is dan duidelijk, dat er is geen ontkomen is aan de slotsom [p.89] dat uit de weg ruimen van Satan’s vloed ongetwijfeld de reiniging van de kerk betekent, het vernietigen van hen die zich bij de kerk hebben gevoegd met behulp van de slang. Deze reiniging is juist datgene wat de kerk in staat stelt om als een lichaam de geboden Gods te bewaren en de getuigenis van Jezus Christus te hebben, de levende Geest der Profetie (Openb.19:10), in haar midden. Dit is haar enige hoop, haar enige kracht, haar enige verlossing. In dit licht, blaast Inspiratie nieuw leven in de woorden:

 

“Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion; trek uw pronkgewaden aan, o Jeruzalem, de heilige stad; want van nu aan zal er niet meer in u komen de onbesnedene en de onreine.” Jes.52:1{KJV}.

 

De reiniging van de kerk zal daarom niet de duizendjarige tijd van vrede met zich brengen. Inderdaad niet, maar het zal een einde brengen van de goddelozen in de kerk, en daarmee Satan’s grootste woede tegen het overblijfsel, tegen degenen die, terwijl zij zich nog onder de Heidenen bevinden, het wagen om daarna hun standpunt in te nemen aan de kant van de Heer. Desondanks zullen zij verlost worden als zij, als het ware, hun leven op het spel zetten – als zij hun standpunt innemen aan de kant van de Heer en daardoor hun namen plaatsen in het “boek.” Dan.12:1.

 

De draak kan geen strijd voeren tegen de vrouw, de kerk is gevormd door de eerste vruchten, omdat zij tegen die tijd met het Lam staat op de Berg Sion(Openb.14:1), buiten het bereik van de draak.

 

[p.90] Voor verdere studie over Openbaring 12, lees Traktaat Nr. 12, De Wereld, Gisteren, Vandaag, en Morgen{ Tract No.12, The World Yesterday, Today, Tomorrow}, 1946 editie, blz.45-48. (Hoewel het onderwerp van De Openbaring slechts gedeeltelijk hierin is behandeld, staat de beperkte ruimte in dit traktaat het mij niet toe om verder te gaan).

 

 

—000—

 

[p.91-94]

Schftuurlijke Index

 

—0—

 

“(…)de Geest der waarheid, zal komen, zal Hij u de weg wijzen tot alle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij zal horen, zal Hij spreken; en Hij zal u de toekomende dingen tonen.” Johannes 16:13{KJV}

 

“ Zalig is hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en die dingen bewaren die daarin geschreven staan; want de tijd is nabij.” Openb.1:3{KJV}

 

—0—

 

“Zie, Ik kom spoedig. Zalig is hij, die de woorden der profetie van dit boek bewaart.” Openb.22:7

 

—000—

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



TER CORRECTIE

OORLOGS NIEUWS VOORSPELLING

Barbaren hebben grote naties vernietigd ! Waarom?

Vandaag, Spreekt Gisteren  over Morgen

 

Voorpagina

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OORLOGS NIEUWS VOORSPELLING

 

SAMENVATTING VAN NAHUM’S VOORSPELLING

 

[ p.3 ]

Wanneer de wagens razen door de wijken, wanneer zij zich haasten ginds en weder op de straten: wanneer hun gedaanten zijn als der fakkelen, zij lopen door elkander henen als de bliksemen, op die dag zal een die aan stukken slaat optrekken tegen uw aangezicht, O, Koning van Assyrië. Hij zal u ledig maken, uitgeledigd en uitgeput. Uw hart zal versmelten en uw knieën zullen schudden. Er zal veel smart zijn in uw lendenen en hun aller aangezichten zal betrekken als een pot. Wee der bloedstad die is als Nineve van de dagen dat ze geweest is! Want het is gans vol leugens en verscheuring , de roof houdt niet op. Er is het geklap van de zweep en het geluid der bulderen der raderen van de stampende paarden stampen en van de wagens die opspringen, zijn in haar midden.

 

Ziet op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die vrede doet horen, die zegt vier uw vierdagen of Juda betaal uw geloften, want de Belials man zal voortaan niet meer door u doorgaan hij is gans uitgeroeid. Maar nu zal de Heere het Assyrische juk van u afbreken en zal uw banden verscheuren en u vrij maken.

 

De Heere is lankmoedig, doch van grote kracht. Des Heeren weg is in de wervelwind [ p.4 ] en in de storm. De wolken zijn het stof Zijner voeten. Een ijverig God en een wreker is de Heere, aan Zijn wederpartijders. Hij is ook ter sterkte in de dagen der benauwdheden en Hij kent hen die op Hem betrouwen. Maar Hij zal met een doorgaanden vloed haar plaats te niet maken en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen. De benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.

 

 *  *  *

 

Nahum ziet twee grote machten in strijd verwikkeld, weergegeven op een dag wanneer alles zich voortbeweegt op wielen als de “bliksem.” Dan richt hij , bij wijze van scherpe tegenstelling zijn aandacht op één die openlijk loopt op de bergen, niet verborgen in de valleien, en die vrede verkondigt in plaats van oorlog. Hij dringt er bij Judah op aan om trouw te zijn om die vrede te bewerkstelligen, haar verzekerend dat de slechten niet langer in haar midden zullen zijn en dat ze bevrijd zal worden van het Assyrische juk. Tegelijkertijd aanschouwd hij God’s grote macht, Zijn jaloersheid omtrent Zijn volk, en Zijn wraak met betrekking tot hun vijanden.

 

Terwijl hij de macht van deze twee oorlogvoerende krachten visualiseert, ziet Nahum tegelijkertijd de bevrijding van de kerk van het Assyrische juk, vastgelegd in hoofdstuk 1, verzen 12-15 en in hoofdstuk 2, vers 2; en ook de wraak van God vastgelegd in hoofdstuk 1, verzen 1-9. Om het bevattingsvermogen van de lezer te vergemakkelijken met betrekking tot deze drie alles bevattende aspecten van deze voorspelling, handelt dit traktaat met elk (aspect) afzonderlijk.[ p.5 ]

Wel nu, wie zijn precies de spelers in deze gedramatiseerde voorspelling? Nog specifieker, wie kunnen deze twee oorlogvoerenden onder de huidige of toekomstige opstelling van naties, mogelijk zijn. En zijn ze reeds aan de macht gekomen? Zo niet, wanneer zijn ze voorbestemd om dat te doen?

 

Als wij met zekerheid, de antwoorden tot deze onvermijdelijke vragen wensen te weten, zullen we ze vinden in

 

DE SAMENVATTING VOOR DE ANALYSE.

 

Twee machten gezien, verrijzend in hun macht tegen elkander. Inderdaad concentreert de alles omvattende bezorgdheid van het complete boek van Nahum, slechts drie korte hoofdstukken in totaal, zich rond de voorbereiding van dit conflict, het conflict zelf en de titels van de desbetreffende machten.

 

De eerste aanwijzing tot deze oplossing is dat de voorbereiding van de oorlog, plaats vind wanneer rijtuigen met vlammende fakkels, “razen in de straten (…) zij lopen ginds en weder op de straten,”en “ zij lopen door elkander heen als de bliksem.” Nah. 2: 3,4. Het bewijst zich zelf dat deze voorbereidingen gedaan worden wanneer de verkeerswegen van steden en platteland verstopt zijn met autoverkeer.

 

De tweede aanwijzing is dat het conflict zelf, plaats vind wanneer de gemechaniseerde macht in zo een mate ontwikkeld is dat voertuigen gereden worden met een snelheid die bliksemachtig lijkt. [ p.6 ] De oorlog zelf, zal derhalve gevochten worden door gemechaniseerde legers.

 

De derde aanwijzing is dat de ene macht, die “Assyrië” genoemd wordt, een erfelijke titel heet, welke openbaart dat het de moderne tegenhanger is van het eens wijd verspreidde rijk van oud Assyrië, net zoals modern Babylon van Openbaring 17, vers 5, de moderne tegenhanger is van Oud Babylon, en net zoals “geestelijk Egypte” van Openbaring 11, vers 8, de moderne tegenhanger is van Oud Egypte. ( Zie The Great Controversy, pp. 269, 270). Al deze tegenhangers, zijn dan slechts een andere Schriftuurlijke aanduiding  en bevestiging van de eeuwen oude waarheid dat de geschiedenis zichzelf herhaalt en op een veel bredere schaal dan in het origineel.

 

“We staan aan de drempel van grote en plechtige gebeurtenissen. Vele van de profetieën staan op het punt om in snelle opeenvolging in vervulling te gaan. Ieder machtig element staat op het punt om aan  het werk gezet te worden. De geschiedenis uit het verleden zal herhaald worden; oude tegenstrijdigheden zullen tot nieuw leven opgewekt worden en gevaren zullen Gods volk aan iedere zijde omringen. De menselijke familie wordt in de greep gehouden door spanning. Het doordringt alles op aarde.”—Testimonies to Ministers, p. 116.

 

De beslissende omstandigheid is dat de andere macht,

“Hij die aan stukken slaat,” een verworven titel heeft verdient door de deugd van zijn heldendaden. Het karakteriseert , daarom duidelijk een volk dat aan het hoofd een leider van geen [p. 7 ] Koninklijke lijn heeft, maar dat van afwijkend karakter is en ongekende macht, wiens militaire genialiteit allen die hem tegenstaan, verstrooit en vernietigd.

 

Ongeacht of deze vierkantige sleutel deze twee kampen onthuld als zijnde de “Axis” en de  “Verenigde Staten”, vandaag, is onze enige veiligheid van vroeg of laat gevangen en vernietigd worden in dit voorspelde gevecht, nauwkeurig het pad te volgen welke God profetisch voor ons in kaart heeft gebracht.

Inderdaad de profetieën zijn gegeven om geen andere reden dan om de reiziger zijn voetstappen te verlichten naar veiligheid. “ (…) door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.” Spreuken 11: 9.

 

Met de sleutel nu in de hand , zullen we in staat zijn het mysterie te ontsluiten, beginnend met

 

HET GEVECHT VAN DE OORLOGVOERENDEN

 

Nahum, Hoofdstuk Een

Verzen 10, 11. “Dewijl zij elkander gevlochten zijn als doornen [verenigd met elkaar om zichzelf te beschermen], en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn[vol theorieën], zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel [ zoals wanneer vuur erdoor heen gaat]. Van u is een uitgegaan[ uit een natie gekarakteriseerd door oud Assyrië] , die kwaad denkt tegen den Heere, een Belialsraadsman.”

 

In het licht van deze passages, wordt het van meet af aan duidelijk, dat hoewel ”Assyrië” bewapend en verenigd is met andere sterke naties (gevlochten zijn als doornen), zal toch noch haar bewapening, [ p.8 ] noch haar bondgenootschap haar redden. Want aangezien ze dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, en daar ze slecht advies heeft ontvangen van een die uit haar is uitgegaan, zal ze volkomen verteerd worden als een dorre stoppel.” “Alzo zegt de Heere: Zijn zij voorspoedig en alzo vele, alzo zullen zij ook geschoren worden, wanneer hij [die aan stukken slaat} zal voorbij gaan.” Vers 12 , eerste gedeelte.

 

Hoofdstuk Twee

 

Vers 1. “Hij die aan stukken slaat trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig de weg, sterk de lenden, versterk de kracht zeer.”

 

Van aangezicht tot aangezicht komend met de macht van hem “die aan stukken slaat” wordt Assyrië onstuimig gedreven om zichzelf te versterken. En hoewel  in navolging  op haar versterking de sterkte van haar bondgenoot in aantal groter is dan van hem “die aan stukken slaat”( als hij inderdaad een bondgenootschap is aangegaan), geeft toch juist zijn titel aan dat tegen zijn macht heel Assyrië “ haar vastigheden als vijgebomen zijn met de eerste rijpe vruchten, indien zij geschud worden zo vallen zij dien op de mond die ze eten wil.” Nahum 3 : 12.

 

Vers 3. “De schilden zijner helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlakenvervig, de wagens zijn in het vuur der fakkelen, ten dage als hij zich bereid  en de spiesen worden geschud.”

 

Erg duidelijk is dat deze aanvallende macht, die “aan stukken slaat” zichzelf omgordt  [ p.9 ] voor oorlog in de dagen wanneer de rijtuigen zulke vlammende lichten hebben (krachtige elektrische koplampen), dat ze gelijken op “vlammende fakkels”! In de dagen van dit fenomeen, zullen de “sparbomen [ de grote regeerders van de aarde- Ezech. 31: 1-14] vreselijk geschud worden.”

 

Vers 4. “De wagens razen door de wijken, zij lopen ginds en weder op de straten: hun gedaanten zijn als de fakkelen, zij lopen door elkander henen als de bliksemen.”

 

Wederom ontkomen we niet aan de conclusie dat deze twee machten zich met elkaar in oorlog storten in een tijd wanneer alles wat rijdend is voortgedreven wordt tot ongekende snelheid, en dat hun koortsachtige voorbereidingen voor de strijd daarom een verhevigde toepassing  van hun gevechtskrachten met snel bewegende ”rijtuigen” moet bevatten. Daniel, werd ook verteld dat in “de tijd van het einde, velen het zullen naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigt worden.”Dan12 : 4.

 

Aangezien het schouwspel van deze dodelijke schermutseling in een dag is van gevorderde mechanisatie, kon het niet de Eerste wereld oorlog zijn, omdat de voorbereidingen voor die vuurzee nog gaande was toen de machinale eeuw nog in haar kinderschoenen was. Zelf toen de oorlog nog gaande was, waren de rijtuigen te weinig, te kwetsbaar en te langzaam om op de wijze voorgesteld door elkander heen te lopen. Om de voorspelling in vervulling te doen gaan, moeten deze twee machten voorbereidingen treffen wanneer de rijtuigen veel en machtig en snel zijn, zoals ze vandaag zijn.

 

[p.10, 11] : foto’s van voertuigen.

 

[p. 12 ]

 

Dit zegt niet dat de vorige Wereld oorlog uitgesloten is van profetie, maar eenvoudigweg dat er een totaal verschillende Schriftuurlijke achtergrond daarvoor gegeven is. De Verlosser Zelf voorspelde met een verschrikkelijke precisie dit angstaanjagende conflict dat haar hoogtepunt  zou bereiken in de  negentiende eeuw van oorlogen en geruchten van oorlogen, toen Hij aankondigde:  “Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentiën en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Doch al die dingen zijn maar een beginsel van smarten.” Matt. 24: 7,8.

 

Inderdaad, dan (1914-`1918) , voor het eerst sinds het aanbreken van de geschiedenis, stonden de natiën en de koninkrijken op tegen elkaar, beslopen hongersnode de door oorlog verwoeste landen, het doodshoofd van pestilentiën volgde daarna en wierpen aardbevingen in snelle opeenvolging overal hun verwoesting  om de rampspoed van de mensheid hoger op te hopen. Al deze calamiteiten leidden slechts naar de Tweede Wereld oorlog, de meest verschrikkelijke aller tijden. Waarlijk, inderdaad de smarten van de Eerste Wereld oorlog, vestigden slechts de aandacht op het begin der smarten!

 

VERZEN 5-8. “Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten [ dat is, hoewel hij hun toejuicht, zullen ook zij niettemin vallen]; zij zullen haasten naar hun muur [ vesting], als het beschutsel [door Assyrië] vaardig zal wezen. De poorten der rivieren [niettemin]zullen geopend worden en het [ Assyrische] paleis zal versmelten.

En Huzab [van Assyrië] zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heten voortgaan: en haar maagden [ naties onder haar bestuur] zullen haar [ p. 13 ] geleiden, als met een stem der duiven , trommelende op haar harten. Maar Ninive [ de hoofdstad ] is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, doch zij [ haar inwoners]  zullen vluchten. Staat, staat! Zal men roepen, maar niemand zal omzien.”

 

In tegenstelling tot stromend of golvend water, staat water in een zwembad stil. Maar in dit geval, vluchten de wateren (mensen) in de hoofdstad van het hedendaagse “Assyrië” in tegenstelling tot alle verwachtingen en hun gevechtstraditie in, weg. En zelf als ze de opdracht horen om te staan, zijn ze nog steeds bezorgd om uit de weg te gaan van hij “die in stukken slaat”, dat ze niet eens durven achterom te kijken.

 

Vandaar, dat aan hem ”die in stukken slaat”, de opdracht gegeven is: Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde des voorraads, der heerlijkheid van allerlei gewenste vaten.” Nah. 2 : 9.

 

Aansluitend aan het geven van deze opdracht tot plundering van Assyrië, keert de Heer zich tot de “bloederige stad” en verkondigt over haar het daaruit voortvloeiende ondergang:

 

VERZEN 10-13. “Ze is geledigd, ja uitgeledigd, uitgeput en haar hart versmelt en de knieën schudden en in al de lenden is smart en hun aller aangezichten betrekken als een pot. Waar is nu de woning der leeuwen [ de paleizen van de koningen], en de weide der jongen leeuwen[het grondgebied van de prinsen],? Alwaar de leeuw de ouden leeuw [ de koning aan het hoofd], en de leeuwenwelp [ de zonen van de koning] wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte. De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen [ p. 14] [ koninginnen], die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen[ schatkamers ] met het geroofde [ rijkdommen ].

 

“Ziet, Ik ben tegen aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal haar wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.”

Hoofdstuk Drie

 

VERZEN 1-19: “Wee der bloedstad, die gans vol leugen, [en] verscheuring is! de roof houdt niet op. Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op. De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen. Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.

Ziet, Ik [wil] aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.
En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken? Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee. Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put [ p. 15] en Lybea waren tot uw hulp. Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.

Ook zult gij [Assyrië] dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand. Al uw vastigheden zijn vijgebomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil. Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren. Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven [ de producerende planten]. Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.
Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen. Uw gekroonden [onder heren] zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn[ zij hebben het gemak en het plezier lief]. Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen. Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?”

 

Niettemin, “ in een  ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een [ p.16] koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken en verdoen. Maar indien datzelve volk over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen.”Jer. 18: 7,8.

 

We zien dat de Heer op het punt staat om “Assyrië”  voor haar eigen bestwil te vernederen, maar dat Hij het zou willen nalaten als ze zich zou willen bekeren zoals Nineveh van oudsher dat gedaan had bij Jonah zijn waarschuwing, hoogstwaarschijnlijk is deze Voorspelling  gepubliceerd om niet alleen de kerk tot voordeel te zijn, maar “Assyrië” en haar bondgenoten, en zelf haar vijanden.

 

Desondanks, als deze oorlogvoerenden niet vrijwillig willen ontwaken tot het feit dat het Noodlot niet in hun eigen handen is maar in de machtige handen van de Oneindige en Almachtige God, dan zal Hij hun onvrijwillig tot dat besef brengen en slechts hun God vrezende inwoners sparen, zoals Hij verkondigt:

 

“Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrië , dat de Assyriërs in Egypte, en de Egyptenaren in Assyrië komen zullen; en de Egyptenaren zullen met de Assyriërs de HEERE dienen. Te dien dage zal Israël de derde wezen met de Egptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land. Want de HEERE der Heirscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriërs, het werk Mijnen handen, en Israel, Mijn erfdeel.” Jes. 19: 23-25.

 

Aldus in Zijn Oneindige genade zal de Heer “ de last van Ninevé”  vandaag net zoals Hij deed in de oude dagen opheffen. Inderdaad zal het “tot een zegen zijn in het midden des lands” zelf voor alle volkeren dat Hij zal bewerkstelligen

 

DE BEVRIJDING VAN DE KERK VAN HET “ASSYRISCHE” JUK

 

HOOFDSTUK 1 VERZEN 12, 13. “Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschorren worden en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken. Maar nu zal Ik mijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.”

 

Deze persoon (“u”) die de Heer reeds gekastijd heeft, kan duidelijk niet de eerder vermeldde Assyrische koning of natie zijn, want de Heer is deze aan het bevrijden, terwijl Hij de Assyriers aan het slaan is tot aan hun knieën door de handen van hem “die verstrooit”. Wie deze derde persoon (“u) hier geïntroduceerd mag zijn, wordt onmiddellijk vastgesteld door Jesaja in zijn gerelateerde profetie betreffende deze zelfde Assyrië:

 

“En het zal geschieden ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uw schouder, en zijn juk van uw hals; en het juk zal verdorven worden, om des Gezalfden wil.” Jes. 10 : 27

 

We zien onmiddellijk dat in het openbarende licht van dit schriftdeel, degene die in beide gevallen bevrijd wordt in de tijd van de ondergang van Assyrië, de kerk (Judah) blijkt te zijn, bevrijd van de overheersing van de Heidenen (Assyriers). Aansluitend, daarom verduidelijkt Jesaja, Nahums profetie als verwijzend naar de bevrijding van de kerk van het Assyrische juk in de laatste dagen. Het feit echter, dat de kerk , zoals Nahum zegt, niet alleen verlicht zal worden van kwelling en bevrijd van slavernij, maar ook veroordeeld zal worden tot de dood (Nah. 1 : 14), schept een tegenstrijdigheid! Inspiratie heldert het echter meteen op wederom door Jesaja. Sprekend over de kerk verklaart hij:

 

“En gijlieden zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten: en de Heere HEERE zal ulieden doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen.” Jes. 65: 15.

 

Het is overduidelijk daarom dat in de tijd wanneer Assyrië ten onder gaat, de Heer een tweevoudig werk zal uitvoeren onder Zijn belijdende volk, waarvan sommigen vrij gemaakt zullen worden vanwege hun getrouwheid en waarvan sommigen geslacht zullen worden vanwege hun slechtheid. De verlosten zullen dan bij een andere naam genoemd worden.

 

De tijd van dit “werk” wordt aangeduid als “oogst.” Matt. 13: 30.

Dus tot aan deze scheiding, maken het onkruid (zij die geslacht gaan worden) en het tarwe (zij die verlost gaan worden) tezamen deel uit van het lidmaatschap van Laodicea (de laatste van de zeven kerken- Openb. 3 : 14-18), de kerk vlak voordat “het onkruid” voor altijd gescheiden wordt van “de tarwe” (Matt. 13 : 30). Heel duidelijk  is dan dat de boetvaardige Laodicensen gescheiden worden van de onboetvaardigen gedurende de val van Assyrië. , en dan bevrijd worden van haar overheersing.

 

VERS 14. “Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.”

 

Aldus vergaat in deze tijd voor altijd de afgodendienaar en zijn afgoden.

 

Een gedetailleerde demonstratie van deze reiniging van de kerk is in Ezechiel’s profetie geprojecteerd. Daar gebied de Heer hem die de geschiedenis van het leven vastlegt, de engel met de schrijvers inktkoker,

om door de stad te gaan en een teken (zegel) te plaatsen op hen die zuchten en weeklagen over de gruwelen die in het midden van dezelve gedaan worden. Dan gaan vijf anderen achter hem aan om te slachten, allen die niet het teken hebben. ( Zie Ezechiel 9: Testimonies to Ministers, p 445; Testimonies, Vol 3, p. 266 en Vol 5, p. 211.)

 

“De stad” is een figuurlijke voorstelling van Judah en Israel, de kerk waarin de 144.000 dienstknechten van God gevonden zullen worden (Testimonies to Ministers, p. 445), zij die genoemd zullen worden bij een andere naam nadat de onwaardige dienstknechten geslacht zijn. En daar de 144.000 de eerste vruchten zijn (Openb. 14: 4) van de oogst, zijn zij de “ontsnapten” van  Jes. 66 : 19 en van Ezechiel 9. Deze scheiding van het tarwe en het onkruid in de kerk is om het begin van de laatste oogst op aarde aan te geven- het einde van de wereld. Dan zal de tijd aangebroken zijn voor het ophouden te bestaan van de naam van de kerkgenootschap, voor al haar afgoden om afgesneden te worden en voor het geven van een nieuwe naam (Jes.  62: 2) aan zij die ontsnappen. Dan zullen deze ontkomenen Gods heerlijkheid en Zijn eer aan de heidenen verkondigen, en zij zullen al uw broeders uit alle heidenen (allen die gered willen worden) tot “het huis des Heren” brengen.” Jes. 66.16, 19, 20.

 

Om zulk een oordeel af te wenden, zal de gehele kerk berouw moeten hebben van haar foute denkwijze, zich ongemakkelijk beginnen te voelen in haar lauwheid, en of koud of heet (ontevreden) worden en geledigd worden van het eigen ik en gevuld worden met de Geest. (Openb. 3 : 14-18).

 

VERS 15.: “ Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen, vier uw vierdagen, o Juda betaal uw geloften; want de Belials man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.”

 

De aanduiding, ”Judah” is verbonden aan de Christelijke kerk niet alleen vanwege haar antitypische betekenis, maar ook vanwege haar erfelijke

factor. Dit zal gezien worden als we de geschiedenis van Judah overzien:

 

De tien stammen (het koninkrijk van Israel) waren door het oude Assyrië verstrooid over de steden van de Meden , en assimileerden zich met de Heidenen van die dag af, maar het was niet tot jaren daarna dat de twee stammen ( het koninkrijk van Judah) in Babylon werden gebracht, daar verblijvend tot de zeventig jaren waren verlopen van Jeremia’s profetie om dan terug te keren naar hun thuisland. Dus waren het alleen de nakomelingen van het Koninkrijk van Judah die zo ontrouw werden dat ze de Heer verwierpen en kruizigden. Maar de getrouwen tussen hen accepteerden Hem en werden Christenen, de stichtende leden  van de Nieuw testamentische kerk. De kerk zelf is de dochter van het Koninkrijk van Judah. Vandaar dat ze toepasselijke wijze Judah genoemd wordt.

 

Terwijl ze krachtens de deugd van afkomst trouw, en reinheid (geen aanwezigheid van onkruid) het recht heeft om “Judah” genoemd te worden, is zij toch vanwege haar lauwheid in de laatste dagen en de daarvan resulterende infiltratie van “onkruid” in haar lidmaatschap, wordt zij bovendien noodzakelijkerwijs aangeduid als “Laodicea.”

 

Als ze de “ogenzalf” toevoegen (Openb. 3 : 18) zullen ze “ de voeten zien op de bergen van hem die het goede boodschapt, die vrede doet horen!” En door Hem te aanschouwen, zullen ze Zijn boodschap aannemen en de waarheid kennen en de waarheid zal hen vrijmaken, en zal ze redden om uit Zijn mond gespuugd te worden (Openb. 3 : 16).

 

Vandaar dat alleen als ze ontwaken en acht slaan op de stem van de Waarachtige Getuige en hun schreden keren naar de poorten van het Koninkrijk zullen ooit mogen open om deel te hebben aan de plechtige gebeurtenis: “ O Juda! Betaal vier uw feestdagen, betaal uw geloften, want de Belials man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.”

 

Hier is in profetische uiting, niet alleen een belofte om de kerk te reinigen wanneer modern Assyrië zal zijn vernietigd, maar ook een suggererende stelling van wat “vlees op zijn tijd” inhoudt, voor de mens heden ten dage en bij welke beweging zij in dienst moeten gaan als ze hun zaligheid zeker willen stellen. Ze worden bevolen om  hun ogen gericht te houden op de voeten van hem die een “goede boodschap” brengt (boodschap van de HEER), die “vrede” (de vrede van het Koninkrijk van Christus) doet horen, en die verkondigt dat terwijl de machten van de aarde betrokken zijn in een gigantische oorlog, de onrechtvaardigen in de kerk afgesneden zullen worden, om niet meer door haar heen te gaan. De profeet vermaand allen specifiek om zich berouwvol te keren naar het huis van Juda ( het Koninkrijk van Juda in de laatste dagen- Micha 4; Ezech. 37: 16-22), de kerk in haar reiniging waarvan verzegeld zullen worden 12.000 uit elk van de 12 stammen, als eerste vruchten.  En hij moedigt de onderdanen van het koninkrijk aan om hun godsdienstige taken uit te voeren en hun beloften aan de Heer te voldoen. In het kort, moedigt hij hen aan om acht te slaan op de boodschap van dit uur – de boodschap die dreiging van de reiniging van de kerk aankondigt, waarna zoals de belofte is, “de onrechtvaardigen niet meer door haar zullen gaan,” want “hij is gans uitgeroeid.” ( Zie ook Matt 13 : 30, 47-50; Jes 66: 16, 19, 20).

 

“Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israël zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn , waarmede men Hem zal noemen: DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID. Daarom ziet de dagen komen spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israëls uit Egypteland heeft opgevoerd. Maar Zo waarachtig als de HEERE leeft Die het zaad van het huis Israëls heeft opgevoerd en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen waarheen Ik ze gedreven had! Want zij zullen wonen in hun land.”Jer. 23 : 5-8.

 

De enige manier voor de “engel” van Laodicea (op wie de veroordeling van ellendig, en jammerlijk en arm en blind en naakt zijn,”is en toch tevreden) om in dit schitterende koninkrijk in te gaan, is om zich zelf vrijwillig te neigen naar de controlerende beteugeling over de kerk, zoals hij de Heer Zelf  hun ziet nemen in Zijn Eigen Handen ( Testimonies to Ministers, p. 300). Waakt op , daarom O “engel” van de Laodicensen, tot de bezielende roep van de Hemel:

 

Waak op, waak op , trek uw sterkte aan, o Zion! Trek uw sierlijke klederen aan o Jeruzalem , gij heilige stad!: want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen. Schud u uit het stof, maak u op , zit neder o Jeruzalem, maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene dochter van Zion. Er is een stem uwer wachters, zij verheffen de stem, zij juichen te zamen want zij zullen oog aan oog zien, als de Heere Zion wederbrengen zal.” Jes. 52: 1,2,8.

 

Als de huidige Wereld Oorlog de ene is die door Nahum voorspelt wordt, en als de verzegeling of van een merkteken voorzien van de “dienstknechten van God” voltooid zal worden zonder dat de engelen hun greep op de winden opnieuw moeten verstevigen (Openb. 7: 1; Early Writings, p. 38) dan is de tijd van het herstel van de verheffing van Jacob en van Israel aangebroken. Ten lange laatste is het uur gekomen van de bevrijding van Zion van de ballingschap van de Heidenen en voor haar kinderen om terug te keren naar het land van hun vaderen (Ezech. 36: 23-38), de wijngaard van de Heer der heerscharen. Dus laat haar gereed en begerig staan, wachtend op de opdracht van de Heeren om derwaarts heen te marcheren.

 

Het is te dien tijde dat Assyrië valt, de reden zijnde:

 

HOOFDSTUK 2, VERS 2  “Want de Heere heeft de hoovaardij Jakobs afgewend, gelijk de hoovaardij Israëls; want de ledigmakers hebben ze ledig gemaakt, en zij hebben hun wijnranken verdorven.”

 

Zijn volk reeds (door de leegmakers) gekastijd hebbende, zal de Heer hun niet meer kastijden, maar zal hun nu vrij maken.

 

Met de natiën de schuld delend van het ontsieren van de ranken van Zijn wijngaard ( Zijn Koninkrijk), moet dit moderne Assyrië nu deel hebben aan deze heilige vergelding, terwijl God Zijn volk terugbrengt naar hun eigen land. Als gevolg daarvan, is de tijd met de val van de “Assyriërs” ( de heidenen in het bezit van het Beloofde Land), “de tijd van de Heidenen” in vervulling gegaan. (Lukas 21 : 24).

 

Vooruitziend naar deze tijd van verlossing, legt de engel uit in Daniël: En te dien tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volk staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal als er niet geweest is. Sinds dat er een volk geweest is tot op dienzelven tijd toe en te dier tijd zal uw volk verlost worden , al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.” Dan 12 : 1.

 

“ En het zal te dien dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen die in het land van Assur verloren zijn , en de heen gedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen de Heere aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem.” Jes. 27: 13

 

Heerlijke belofte! Is uw hart erop gevestigd broeder, zuster ? Geef dan zonder uitstel gehoor aan het heilige gebod: “Bekeert u tot Hem, van welke de kinderen Israëls  diep afgeweken zijn. Want te dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke u uws handen tot zonde gemaakt hadden. En Assur zal vallen door het zwaard niet eens mans, en het zwaard niet eens mens zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden en  zijn jongelingen zullen versmelten. En hij zal van vreeze doorgaan naar zijn rotssteen en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de Heere  die te Zion vuur en te Jeruzalem een oven heeft.”Jes. 31: 6-9.

 

“Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt en gelouterd worden, doch die goddelozen zullen goddelooslijk handelen en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.” Dan 12 : 10.

 

Nahum maakt duidelijk dat in dit conflict God tussen beide komt tegen Assyrië , en dat als gevolg daarvan ze niet bij machte is “hij die aan stukken slaat” te weerstaan. Zichzelf geplaatst om haar te vernederen, versterkt Hij daarom het leger van de vijand. Tengevolge daarvan gaat Assyrië ten onder, niet omdat ze zwak is en klein nog omdat ze talrijker zijn en overtroffen is, maar omdat Gods doel haar ondergang heeft bepaald. Met andere woorden de coalitie die de grotere bronnen en mankrachten heeft  en die uit menselijk oogpunt gezien verzekerd lijkt om te winnen is in dit geval verzekerd van verliezen.

 

Dit is het ironische patroon van de geschiedenis. God bracht altijd het oordeel over verlichte natiën en volken die zo zelfverzekerd en onafhankelijk geworden waren dat hun lichten uitgegaan waren en hun werken slecht en hypocriet. Altijd heeft Hij hun bestraft door het zwaard van de onverlichte en ronduit slechte barbaren. Dit doe Hij om twee redenen: ten eerste, dat ze de dwaasheid mogen inzien van belijden dat ze een rechtvaardig volk zijn terwijl ze in feite slechter dan barbaren zijn en ten tweede dat terwijl deze hypocrieten daardoor geleid worden om zich te bekeren, hun overwinnaars  daardoor geleid mogen worden om te zien dat hun overwinning niet door hun eigen kracht is. Alzo worden beiden de overwinnaar en de overwonnene gebracht naar de plaats waar ze zichzelf aan God overgeven en Hem kunnen verheerlijken.

 

Nadat hij het oude Babylon had overwonnen, ontdekte Cyrus de Barbaar dat zijn overwinning en zelf zijn naam jaren voordat hij geboren in heilige profetieën was vastgelegd. (Jes. 44: 28; 45: 1-4). Waarop “de Heer  de geest van Kores, koning van Perzië verwekte dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk….Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEEre , de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is. Wie is onder ulieden van al zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is en hij bouwe het huis des HEEREN, de God van Israël, Hij is de God , die te Jeruzalem woont. En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, die zullen de lieden zijn plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud en met have en met beesten benevens een vrijwillige gave voor het huis Gods die te Jeruzalem woont….

Ook bracht de koning Kores uit, de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd en had gesteld in het huis zijn god. En Kores, de koning van Perzië , bracht zo uit door de hand van Mithredath  de schatmeester die ze aan Sesbazar de vorst  van Juda toe telde. En dit is hun getal : dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen; dertig gouden bekers, vier honderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten duizend. Alle vaten wan goud en van zilver waren vijf duizend en vier honderd, deze allen voerde Sesbazar op met degenen die van de gevangenis opgevoerd werden van Babel naar Jeruzalem.” Ezra 1: 1-4, 7-11.

Tegelijkertijd , wisten zij die Kores bevrijd had van de Chaldeense ballingschap dat God hun verlossen tot stand had gebracht. Vandaar dat “de kinderen Israëls , de priesters en de Levieten, en de overige kinderen der gevangenis de inwijding deden van dit huis Gods met vreugde. En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, twee honderd rammen, vier honderd lammeren en twaalf  geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israël, naar het getal der stammen Israëls. En zij stelden de priesters in hun onderscheidingen en de Levieten in hun verdeling  tot de dienst Gods, die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes. Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha op de veertiende der eerste maand. Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man, zij waren allen rein; en zij slachten het pascha voor alle kinderen der gevangenis en voor hun broeders, de priesters en voor zich zelfven. Alzo aten de kinderen Israëls die uit de gevangenis wedergekomen waren mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der Heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE ,den God Israëls te zoeken. En zij hielden het feest der ongezuurde broden, zeven dagen met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het werk van het huis Gods, des Gods van Israëls.” Ezra 6 : 16-22.

 

Dat “Assyrië”en haar bondgenoten, zich samenvouwden als doornen, mag vandaag de dag dezelfde les geleerd worden, God staat hen toe beroofd en verdorven te worden. Dan zodat ze genezen mogen worden van hun aandoening, geeft de Heer door Jesaja

 

DE ACHTERGROND VAN HUN TOESTAND,

 

EN

 

HET DIETISCHE KUUR.

 

JESAJA, HOOFDSTUK 7, VERZEN 1-16.

“ En het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotham, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrië en Pekah de zoon van Remalia, de koning van Israël optoog naar Jeruzalem ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar. Als men den huize Davids boodschapte zeggende: De Syriers rusten op Efraïm , zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind….

 

“Omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraïm en de zoon van Remalia, zeggende: Laat ons optrekken tegen Jeda, en haar verdriet aandoen en haar onder ons delen en de zoon van Tabeal koning make in het midden van haar. Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan en het zal niet geschieden. Maar Damaskus [ niet de hemel] zal het hoofd van Syrië zijn , en Rezin [ niet de Heer] het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraïm [ het tien-stammen rijk] verbroken worden dat het geen volk zij. Ondertussen zal Samaria[ niet de hemel]  Efraïms hoofd zijn en de zoon van Remalia [ niet de Heer]  het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.

 

“En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende: Eis u een teken  van den HEERE uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte. Doch Achaz zeide : Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet verzoeke. Toen zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij huis van David! Is het ulieden te weinig dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt? Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden en zij zal een Zoon bare en Zijn naam IMMANUEL heten. Boter en honig zal Hij eten totdat Hij wete te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede. Zekerlijk, eer dit knechtje weet te verwerpen het kwade en te verkiezen het goede zal dat land [ Syrië en Israël]  waarover gij verdrietig zijn verlaten zijn van zijn twee koningen [ Rezin en Pekah].

 

HOOFDSTUK 8, VERZEN 1-8. “Verder zeide de HEERE tot mij; Neem u een grote rol, en schrijf daarop met een mensen griffel: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit! Toen nam ik mijn getrouwe getuigen, Uria, den priester en Zacharia, den zoon van Jeberechja. En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en de HEERE zeide tot mij; Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ. Want eer dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! Of mijn moeder! Zal men den rijkdom van Damaskus, en den buit van Samaria dragen voor het aangezicht van den koning van Assur.

 

En de HEERE sprak nog verder tot mij zeggende: Dewijl dit volk [Israel]  veracht de wateren van Siloa [ de beschermende gastheer van de hemel] , die zachtjes gaan en er vreugde is bij Rezin en den Zoon van Remalia [ heerlijkheid in hun nationale regering] ; Daarom ziet zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, de koning van Assyrië en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen en gaan over al zijn oevers.; En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuel!

 

Dat is, hoewel het oude Judah niet de nederlaag zou lijden door de samenzwering van Israel en Syrië, werd ze niettemin ook gebracht onder het beheer (belasting)  van oud Assyrië. En zoals we zullen zien, eindigde de geest van deze samenzwering niet met dat van oud Israel en Syrië.

 

De hoogte punten van deze bondgenootschap, waarvan sommigen nog steeds in vervulling moeten gaan, vallen aldus in volgorde:

  1. Het omverwerpen van beiden, oud Israel en Syrië door oud Assyrië, als een heilig oordeel specifiek op Israel voor het samen gaan tegen haar eigen broeders, het koninkrijk van Judah (Jes. 7: 2-9).

 

  1. De geboorte van een Zoon (Immanuel) uit een maagd, als een “teken” voor “ het huis van David” ( Jes. 7: 13, 14).

 

  1. De geboorte van een zoon ( Maher-shalal-hash-baz) aan de profeet zelf, “voor tekenen en wonderen” in Israel (Jes. 8: 18).

 

  1. Het omverwerpen van Israel dat zou gebeuren voordat Immanuel het kwade kon leren onderscheiden van het goede, en voordat Maher-shalal-hash-baz zou kunnen zeggen “mijn vader en mijn moeder” (Jes. 7: 16; 8: 4).

 

Ter uitweiding van deze aaneenschakeling van gebeurtenissen, vallen verschillende feiten op in onmiskenbare eigen uitlegging: (1)”Immanuel,”

door de deugd van zijn geboorte uit een maagd en zijn naam, “God met ons” (Matt 1 : 23), kan alleen Christus met ons zijn. (2) Hij was geboren als teken dat de onheilige verbintenis tussen Israel en Syrië op niets zou uitlopen. (3) De landen, Israel en Syrië, welke Judah verafschuwde, zouden verlaten worden door beide hun koningen—overwonnen door de koning van Assyrië—voordat Immanuel in staat was om het slechte te weigeren en het goede te kiezen, en voordat Maher-shalal-hash-baz in staat was om te zeggen “mijn vader en mijn moeder.”

 

Maar het eenvoudige historische feit dat deze twee koninkrijken ten val gebracht werden, eeuwen voordat Immanuel zelf geboren was, geeft een tijdsverschil welke alleen kan worden goed gemaakt door de conclusie dat alle vier naties ( Judah, Israel, Syrië en Assyrië) betrokken bij deze historische handeling, typerend waren voor vier andere die zouden verrijzen een tijd volgend op Immanuel zijn geboorte; want na Zijn geboorte, zouden Israel en Syrië door Assyrië worden overwonnen.

 

Noodzakelijkerwijs, moet er dan in de Christelijke stelsel een afvallige Christelijke macht ( Israel) gevonden worden, die een federatie vormt met een heidense (Syrië), teneinde opgenomen te worden bij of om de orthodoxe Christenen (Judah) te vernietigen. En de enige zo een samenzwering in het Christelijke tijdperk was de onheilige samenvoeging van Kerk en Staat welke regeerde tijdens de Donkere Middeleeuwen, en welke de ondergang  zocht van de “wedergeborenen,” die weigerden om afstand te doen van het Apostolische geloof, en gehoor te geven aan een Christelijke-Heidense ( Israelische-Syrische) federatie.

 

 

Aan Daniel het werk van deze slechte macht voorspellen, verklaarde de engel: “ En het zal woorden spreken tegen de Allerhoogste en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren en het zal menen de tijden en de wet te veranderen en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden en een halve tijd.” Dan. 7 : 25. Als een natuurlijk gevolg, vind het type, het oude Assyrië daarom zijn “dubbele” in de macht die in de Middel Eeuwen de unie tussen kerk en staat verbrak. En aangezien die unie werd ontbonden door de tegenwoordige Protestantse naties, volgt de onvermijdelijke conclusie dat modern Assyrië reikt tot aan onze dagen, zodoende het feit verklarend dat Jesaja’s profetie gerelateerd is aan Nahums profetie.

 

Maar aangezien het oude Assyrië de Israelitisch-Syrische bondgenootschap omver wierp eeuwen voor Immanuël geboren was, en aangezien modern Assyrië de kerk-staat alliantie van de Middel Eeuwen, eeuwen nadat hij geboren was omver wierp, vereist logica dat als Syrië , Judah, Israel en Assyrië typen zijn, evenzo Immanuel dat ook moet zijn. Waardoor de profetie van de geboorte uit een maagd, niet alleen verwijst naar de geboorte van Christus, maar zelf nog belangrijker, naar Zijn volgelingen—de geboorte en ontwikkeling van het Christendom. Aansluitend, moet Maher-shalal-hash-baz symbolisch zijn voor een andere groep in de Christelijke eeuw. En daar hij alleen weet te zeggen “mijn vader en mijn moeder,” terwijl Immanuel (Christus in de persoon van Zijn volk) het kwade weet te weigeren en het goede weet te kiezen, kan Maher-shalal-hash-baz duidelijk niet iemand symboliseren, die leefde voor Immanuel. Verder nog  het feit dat beiden geboren waren in Judah (de kerk) een door de Geest en de ander in het vlees, is afdoende bewijs van hun bestaan, zoals de profeet zegt, voor “wonderen” en als “teken” van twee klassen van kerkleden, levend in dezelfde tijd.

 

In een vorig leven bestaand met Zijn Vader (Heb. 1: 1, 2: John 1: 1, 2) en dan opnieuw geboren zijnde in Bethlehem, vertegenwoordigt Immanuel duidelijk, de “wedergeboren” Christenen (Joh. 3 : 3) ; terwijl nooit vroeger bestaand hebbend, kan Maher-shalal-hash-baz alleen diegene symboliseren die niet “wedergeboren” zijn—dat gedeelte van de kerk lidmaatschap die niet vertegenwoordigt kunnen worden door Immanuel. Een overeenkomst is gevonden in de zinnebeeldige voorstelling van Ishmael en Izaak, de “geborenen naar het vlees” en de “geborenen in de Geest” typeren. – de niet Christelijke Joden en de Christelijke Joden. ( Zie Galaten 4 : 22-31).

 

In een heldere concentratie van deze feiten, komt aan het licht de waarheid dat de “wedergeboren” Christenen die leefden toe Pauselijk Rome viel, en die vertegenwoordigd worden door Immanuel, geestelijk te “jong” waren, niet ver genoeg in de tijd en daarbij behorende Bijbel kennis en geestelijke vooruitgang, om het kwade van het goede te onderscheiden. Dientengevolge, moesten ze deze kennis verkrijgen in de Assyrische (Protestantse) periode, aangezien de bondgenootschap van Israel en Syrië, zoals we ons herinneren, verbroken zou worden door Assyrië nadat Immanuel geboren zou worden, maar voor  Hij “het kwade kon weigeren en het goede kon kiezen” ; en niet slechts nadat Maher-shalal-hash-baz geboren was, maar ook voor hij kon zeggen “mijn vader en mijn moeder.” En het feit de kerk nog steeds onvolmaakt is, toont aan dat zelf de “wedergeboren” Christenen tot aan deze dag niet in staat zijn consequent te kiezen tussen goed en kwaad, en dat die gene die enkel geboren zijn naar het vlees, zo onderontwikkeld zijn om in staat te zijn om zelf een positieve aanspraak te maken op het kennen van hun vader (God) en hun moeder (de kerk).

 

De overduidelijke les is dat tegen de tijd dat iemand bekeerd is (wedergeboren) tot Christus, hij slechts een baby in het Christelijke leven is en heeft de behoefte tot dusver om gevoed te worden, als een nieuw geboren baby met het “zuiver melk van het Woord,” dat hij “daardoor mag groeien.”1 Petr. 2: 2.

 

Door de apostel Paulus, verklaart Inspiratie deze melk te zijn “de eerste principes van de beginselen van God.” Heb. 5 : 12. En door Jesaja, spreekt het: “Wie zou Hij dan de kennis leren, en wie zou Hij het gehoorde te verstaan geven? ” Dan Zijn eigen vragen beantwoordend, verkondigt Het: “Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten.”Jes. 28: 9

 

Maar de belangrijkste lessen van Jesaja, hoofdstukken 7 en 8 , leren dat de gezamenlijke kerk , geboren in de eerste eeuw, A.D heden ten dage op het punt staat over te gaan van haar kinderjaren om gevoed te worden met “ vaste spijze” om haar te versterken om het goede te kiezen en het slechte te weigeren.” Want een ieder, die de melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid, want hij is een kind. Maar de volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.”Hebr. 5 : 13, 14. Klaarblijkelijk, als de tijd vordert, zo ook de Waarheid en de Christenen gaan evenredig daaraan vooruit.

 

Zich gevoed hebbende aan “melk” alleen—op de eenvoudige basis openbaringen van het Woord, door de lange jaren van haar kinderjaren en jeugd, is de kerk uiteindelijk beland in de fase waar ze ook “vaste spijze” moet nemen—de gevorderde, laatste dagen openbaringen van het Woord.

 

Dit  wordt nog duidelijker, wanneer we bedenken dat wanneer “Assyrië” in de Middel eeuwen de dodelijke klap uitdeelde aan de kerk-staat unie van die dag, waren nog Maher-shalal-hash-baz, de vlees geboren Christen, nog Immanuel, de Geest geboren Christen volwassen genoeg, zoals we gezien hebben, om “het kwade te weigeren en het goede te kiezen.” Hoewel ze nu tot volledige volwassenheid moeten komen, want niet alleen zijn er velen jaren voorbij gegaan sinds de Assyriërs de klap uitdeelden aan de kerk-staat unie, maar ook is de tijd aangebroken voor Assyrië zelf, om onder te gaan. Behalve dat, is ook de “vaste spijze” reeds hier.

 

Zondermeer is de tijd gekomen voor alle kerkleden om zich te realiseren dat ze voortgaan, van een Christelijke jeugd naar een Christelijke volwassenheid, en zouden daarom, niet langer de gestalte van de volgroeiden proberen te bereiken, door voort te gaan om zich te voeden met het voedsel van de baby’s.  Vandaar dat een ieder, zelf de jongere leden (de geborenen naar het vlees), nu in staat gesteld kunnen worden om hun geestelijke ouder te herkennen, om zo verstandig te kunnen zeggen, “mijn Vader en mijn Moeder” : want om hun God op de juiste wijze te kennen door de Zoon, en om hun kerk op de juiste wijze te kennen door de tijdige Waarheid, is wat het eeuwige leven brengt. En als een ieder de “vaste spijze”, verwerkt zal hij daardoor wijs en sterk worden “om het kwade te weigeren en het goede te kiezen.”

 

Uit noodzaak, daarom is het “speciale werk” voor de kerk, voorspeld in de Grote Strijd, p. 425 verordineerd, om iedere ernstige lid tot Christelijke volwassenheid te brengen.

 

Dienovereenkomstig, moesten de twee voedselsoorten die Immanuel moest eten om “het kwade te weigeren en het goede te kiezen” symbolisch zijn; want boter en honing op zichzelf bezitten geen deugd of doeltreffendheid om moreel onderscheidingsvermogen door te geven, de wil te activeren en het hart te reinigen. Bovendien, at Hij in het algemeen van alle rechtmatige voeding (Matt. 11 : 19). Deze twee punten zijn daarom getuige ervan dat de “boter en de honing” symbolisch zijn voor de ontvouwing van de Schriften, –“voedsel op zijn tijd,” het enige voedsel dat iemand kennis geeft en de wil om het goede te doen in plaats van het kwade. Aldus zei Christus: ‘Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.” Joh. 4: 32. Vandaar dat de Christen die zijn God waarlijk wil kennen en zijn kerk om geledigd te worden van het kwade en om gevuld te worden met het goede, zich nu moet voeden met de Tegenwoordige Waarheid,–de voortschrijdende Waarheid van het levende Woord, geopenbaard door Inspiratie. (Voor de uitlegging van het restant van Jesaja 7, zie onze traktaat nr. 6)

 

Als men de schacht van de mijn der Waarheid dieper doordringt, vind hij dat wanneer Inspiratie gras figuurlijk maakt voor het volk, het dienovereenkomstig “regen” figuurlijk maakt van haar geestelijke voeding, tijdige Waarheid. Dus wanneer de term gras, tarwe en koren worden toegepast om het volk in het laatste der dagen voor te stellen, dat wordt het geestelijke voedsel dat noodzakelijk is om hen tot hun volledige Christelijke gestalte te brengen gekenmerkt als “late regen” (Zach 10: 1). En om aan te tonen dat het voor de verhoging van de mensheid is, geeft Joel haar verpersoonlijking in de term, “leraar der gerechtigheid” (Joel 2: 23, kantlijn).

 

In dit voortschrijdende licht, zien we dat de late regen (Joel 2 : 23) en de latere Pinksteren (Joel 2: 28) twee, verschillende, gescheiden en succesvolle maar nauw verbonden manifestaties van de Heilige Geest zijn.

 

Het ene geschenk is een speciale waarheid,  een leraar der gerechtigheid,” de kerk verheffend van haar Laodianisme, haar leden geschikt makend voor het slot evangelie werk in de hele wereld. Hun vooraf actief betrokken ziend in dit werk, verkondigt de Geest der Waarheid:  “Alle vrees voor hun familiebetrekkingen was verdwenen, en alleen de waarheid scheen hun verheven toe….. Ik vroeg wat deze grote verandering teweeg had gebracht. Een engel antwoordde, “Het is de spade regen; dit is de verkoeling van het aangezicht des Heren, de luide kreet van de derde engel.”—Eerste Geschriften blz. 326

 

Het andere geschenk is een speciale kracht, die aan iedere ontvanger de  dynamische deugd van een ziener, overdraagt, hun in staat stellend om een speciale waarheid aan de hele wereld te verkondigen. “Ik hoorde degenen die met de wapenrusting bekleed waren, de waarheid met grote kracht verkondigen,” vervolgt de Geest der Profetie. “Het had uitwerking. Velen waren gebonden geweest; sommige vrouwen door hun mans, en kinderen door hun ouders. De oprechten die verhinderd waren geworden van de waarheid te horen, namen die nu begerig aan. “—Ibid.

 

De speciale waarheid, onze kennis van de Schriften, is verkregen als resultaat van gebed, “hongeren en dorsten,” ernaar op de juiste tijd. (Zach. 10: 1). Dan zal “de spade regen,” of verkoeling van het aangezicht des Heren komen om kracht toe te voegen aan de luide kreet van de derde engel.”—Id. p. 86. Dus terwijl de gave van de late regen—de toegevoegde boodschap—kracht en sterkte geeft aan de oude boodschap, geeft de gave van de latere Pinksteren—de toegevoegde kracht van de Geest—dienovereenkomstig kracht  en sterkte aan de boodschappers in de laatste der dagen. Dit wonder werkende kracht, komt bijgevolg niet door het bidden ervoor, maar omdat de boodschappers, door de late regen, aan de voorwaarden hebben voldaan om het te ontvangen.

 

Ongeïnformeerd als wij mensen echter zijn, zijn wij vastbesloten om de speciale kracht te krijgen in plaats van de speciale kennis, welke alleen ons in staat zal stellen om de kracht op de juiste manier te gebruiken. Aldus vinden we mensen on te pas biddend, onwetend en aanmatigend, voor datgene waar ze niet gevraagd zijn om voor te bidden, en niet biddend voor dat wat te pas voor deze tijd is, en waar ze voor vermaand zijn om te bidden!

 

“Licht schijnt voor de rechtvaardigen.” En geen kerk kan vooruitgaan in heiligheid tenzij haar leden ernstig zoeken naar waarheid als naar verborgen schatten.”- De Grote Strijd, p. 522 (eng)

 

Om de Pinkster kracht aan iemand te geven voordat hij tot volledige geestelijke  wasdom is gekomen zou voor God net zo onverstandig als het verlenen van een vergunning aan een arts door een staatsbestuur aan een medische student voordat hij zijn doctorsgraad behaald heeft! En als de Heer ons zou bekleden met de wonder werkende kracht, de ervaring die wij begeren, voordat Hij ons met de wonder werkende kennis van de Schriften begiftigd, die wij nodig hebben, dan zou Hij ons daarmee net zo min een genoegen doen als wanneer een staat aan wie dan ook, alle aanvragers ongeacht hun kwalificaties een rijbewijs zou verstrekken om een auto te besturen. Beiden zijn onverstandige handelingen, en ze zouden vanzelfsprekend, slechts kunnen resulteren in ongevallen bij zichzelf en bij anderen.

 

Dit is  waarom zij die zoeken naar de wonderbaarlijke kracht van de Geest, terwijl zijzelf geen mensen zijn met wonderbaarlijke kennis van de Bijbel, of niets verkrijgen of een fatale vervalsing; terwijl zij die trachten zichzelf te kennen en de Waarheid, vervult worden met kennis boven hun verwachting. En geleerd hebbend, wat zij eigenlijk zijn, en wat ze horen te zijn, zullen ook zij , zoals Jesaja en Paulus ( Jes. 6: 5; Rom. 7: 22, 23), nederig worden in hun eigen schatting, maar krachtige en betrouwbare dienstknechten in de Heer Zijn wijngaard.

 

Vandaar dat met de tijdige ontvouwing van deze eenvoudige doch diepgaande figuren, zou niemand het nu moeten nalaten om de tekenen des tijd te herkennen, en niemand zou zichzelf nu moeten bedriegen van de Waarheid die zij aanbieden. Want, Dat alleen kan de heiligen geschikt maken voor de Pinkster kracht, zoals de Heer zegt: “En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn geest zal uitgieten over alle vlees en uw zonen en dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien,”

 

Wacht niet langer, daarom, maar heden “Begeert van den Heere regen ten tijde des spaden regen, de Heere maakt de weerlichten en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.” Zach. 10 : 1, Joel 2: 28.

 

De dringende les die hier geleerd moet worden is dat zij die steeds vooruitgaan, gelijke tred houden met de mars der Waarheid, de enige echte Christenen zijn. En aangezien zelf van de meest gevorderde van deze, nog niet de hoge standaard hebben bereikt ( de volledige groei) door de Heer voor hun klaargelegd, biedt Inspiratie toch in dit laatste feest van boter en honing (de spade regen), karakter vormend materiaal aan allen aan. Als gevolg hiervan, zullen duizenden getrouwen in het begin (Openb. 7: 3-8; 14: 1,5) en miljoenen ten slotte (Openb.7: 9; Mich. 4: 1-3; Jes. 60: 5,6) uiteindelijk volgroeid voor de oogst, werkelijk de Heer Zijn standaard  bereiken, en komen “tot de eenheid des geloofs en der kennis van de Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.” Efeze 4 : 13. Wat een overvloedige oogst van volledig gegroeide Christenen om binnengehaald te worden!

 

VERZEN 9, 10. “Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij die in verre landen zijt, omgordt u , doch wordt verbroken; ….beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons.”

 

De bewering, “God is met ons,” suggereert dat Hij niet met de andere naties is die zich bij elkaar aansluiten voor gezamenlijke bescherming en zullen daarom verbroken worden, terwijl Zijn volgelingen bevrijd zullen worden. Niettemin, voor God “om met ons” te zijn op deze speciale manier, moeten wij vanzelfsprekend een speciale inspanning doen om met Hem te zijn. En om dit te doen moeten wij op een oprechte wijze Zijn wegen bestuderen en vreugde vol in Zijn statige voetstappen volgen, welke ons zal leiden tot een volledige kennis van de profetische verborgenheden, ons in staat stellend om de valkuilen te vermijden, en te blijven staan hoewel alle anderen vallen. Dus, vervolgend, om te kennen de Weg, de Waarheid en het Leven, gaan wij verder met ons onderzoek in de profetie van Jesaja.

 

VERZEN 11-22. “ Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op en weg dezes volks, zeggende: Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt; Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet en verschrikt niet. Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen en Hij zij uw vreze; En Hij zij uw verschrikking. Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom [ tot de volgelingen van de waarheid] zijn; maar een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem [net zoals Hij was bij Zijn eerste komst]. En velen [daarom) onder hen zullen struikelen en vallen en verbroken worden en zullen verstrikt en gevangen worden.

 

“Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen [volgelingen in waarheid]. Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten. Ziet [het is nu duidelijk te zien], ik en de kinderen, die mij de Heere gegeven heeft , zijn tot tekenen en tot wondere in Israel van den Heere der heirscharen, Die op de berg Sion woont. Wanneer zij dan tot ulieden [ tot de “verzegelden”] zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen en binnensmonds mompelen; zo zegt Zal niet een volk zijn God vragen? Zal men voor de levenden de doden vragen?  Tot de wet [ Exodus 20: 3-17[ en tot de getuigenis [ Openb. 19: 10], zo zij niet spreken naar dit woord het zal zijn dat er geen licht in hen is. En een ieder van hen [ zij die in duisternis zijn] zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn [ door de honger] , dan[ zullen sommigen]  zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij[ sommigen zullen]  opwaarts zal zien. [ en bekeerd worden]. Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij [de verwerpers van de late regen] zal verduisterd zijn door angst en voortgedreven door donkerheid.”in de dagen van

 

DE MACHT DIE DE SLECHTEN VERNIETIGD EN DE RECHTVAARDIGEN BEVRIJD.

 

NAHUM, HOOFDSTUK 1 VERZEN 1-9:  “ De last van Nineve. Het boek des gezicht van Nahum de Elkosiet. Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE en zeer grimmig [ want Zijn vijanden hebben Zijn wijngaard vernietigd] ; een wreker is de HEERE aan zijn wederpartijders en Hij behoudt den toorn zijnen vijanden. De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht en Hij houdt den schuldigen geenszins onschuldig. Des HEREN weg is in wervelwind en in storm [ waar de vliegtuigen van de naties dat niet hebben] en de wolken zijn het stof Zijner voeten. Hij scheidt de zee, en maakt ze droog en Hij verdroogt alle rivieren [maar de mens en haar schepen gaan daarin ten onder om niet meer te verrijzen]; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon. De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht en de wereld en allen die daarin wonen. Wie zal voor Zijn gramschap staan en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld. De HEERE is goed , Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid en Hij ken hen die op Hem betrouwen. En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats[ de plaats van de slechten]  te niet maken en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen.

Wat denkt gijlieden tegen des HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen[ want de slechten zullen afgesneden zijn en Zijn koning zal voor eeuwig staan].”

 

*   *   *

 

Vanuit het glorierijke voorraadshuis waar vandaan Immanuel lang geleden boter en honing ontving, is hiermee de Geest der Waarheid te zien, haar ziel-koesterende voeding overvloedig rond strooiend dan ooit te voren. Moge iedereen die het zo vrijelijk ontvangt, niet alleen zijn hart in dank opheffen tot de Grote Gever van alle goede gaven, “de Vader der lichten,” maar evenzo vrijelijk zijn beste inspanningen geven om samen te werken met de Trooster Die is gekomen, om vrijelijk

 

TE GEVEN AAN ALLEN DIE VRAGEN.

 

Ten slotte, om een grotere eetlust te creëren voor meer ‘boter en honing”

(opdat wij niet tekort schieten om de spade regen te herkennen als het in grote druppels om ons heen valt voor de laatste oogst –Testimonies to Ministers, p. 507), of met andere woorden om een grondige studie van deze alom belangrijke openbaring te verwezenlijken, zullen de uitgevers van dit boekje een geschenkenpakket van Tegenwoordige Waarheid publicaties geven aan een ieder die een idee indient, juist of onjuist over welke van de naties het “Assyrië” heden ten dage is en Wie “hij” is die aan stukken slaat;”  alsook wanneer de botsing van deze twee dodelijke vijanden plaats vind. Het pakket bestaat uit een serie van dertien boekjes, een totaal van 1000 bladzijden, bevattende vele lang-verzegelde profetische verborgenheden, die nu ontvouwd zijn- het “vaste voedsel.” Zij die dit dertiendelige pakket reeds hebben, mogen op verzoek gratis een waardevolle nieuwe driedelige set handboeken met speciale Tegenwoordige Waarheid publicaties ontvangen.  “…want boter en honing zal iedereen eten die overgebleven is in het land.” Jes.7 :22.

 

Nu de hemelse wachter zijn deel heeft gedaan, rest het zij die toegesproken worden slechts hun deel te doen— op zich nemen hun

PERSOONLIJKE VERANTWOORDELIJKHEID.

 

“Mensenkind! Spreek tot de kinderen uws volk, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hen einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen; En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk; En een die het geluid der bazuin, hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.  Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel. Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg, die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal ik van de hand des wachters eisen.

 

“Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen en hen van Mijnentwege waarschuwen. Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen. Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.” Ezech. 33: 2-9

 

“Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zou gij sterven, o huis Israels. Gij dan om mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen  leven door dezelve zijn gerechtigheid ten dage als hij zondigt.  Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, e hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! En hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet: Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde , wandelt hij  in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven. Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.”Ezech. 33 : 11-16.

 

Aan u die acht slaat op deze tijdige waarschuwing, zal de glorierijke  beloning komen: “En het zal geschieden, dat de overgeblevenen in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iegelijk die geschreven is ten leven te Jeruzalem; Als de Here zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden door den Geest des oordeels, en door den Geest der uitbranding. En de Heere zal over alle woning van den berg Sions en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags en een rook en den glans eens vlammenden vuurs des nachts, want over alles wat heerlijk is zal een beschutting wezen. En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht en tot een verberging tegen den vloed en tegen de regen.

 

Maar aan u die geen acht slaat op deze waarschuwing, “uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.”Jes. 3 : 25.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

TIJD EN GELEGENHEID VERKLAREN VERBORGENHEDEN

 

( Onderwerp: NAHUMS OORSLOG PROFETIE)

 

Tijd en gelegenheid zijn nog steeds de meest betrouwbare getuigen, evenals de beste ontknopingen van verborgenheden. Zij geven nu de antwoorden op de vragen: Welk van de naties is “Assyrië” van vandaag?

Wie is “hij die aan stukken slaat”? Wanneer vind de botsing van deze twee dodelijke vijanden plaats (p. 47,)?

 

Nu er een behoorlijke tijd voorbij is gegaan sinds dit traktaat van de pers afkwam (4 jaren), en aangezien er vele belangrijke gebeurtenissen zichzelf vanaf toen tot volwassenheid hebben gevormd, zijn onze lezers van gevorderde Waarheid ongetwijfeld nu in een veel gunstigere positie om de waarheid zelf nog duidelijker en nog realistischer dan tevoren te zien. Vandaar dat wij ten voordelen van allen deze hoofdstukken toevoegen. Ze geven de visie van het traktaat weer op het onderwerp, daar tijd en gebeurtenissen nu in staat zijn ten toon gesteld te worden.

 

De trend van de Tweede Wereld oorlog, laat geen twijfel over dat het die is die voorzegd wordt in de profetie van Nahum. Dit wordt kenbaar gemaakt door verschillende feiten:

 

Inspiratie maakt duidelijk dat Nahum’s oorlog gevochten wordt in de tijd dat rijtuigen razen door de straten, terwijl ze ginds lopen en weder, terwijl ze zijn als der fakkelen en lopen als bliksemen in onze dagen. (Nah. 2 : 4).

 

De profeet, stelt bovendien dat nadat “hij die aan stukken slaat”(Nah 2:1) opkomt voor Assyrië’s aangezicht, dan is het dat Assyrië haar “lenden sterk maakt,”en “haar krachten zeer versterkt”. (Nah. 2 : 1)-welke zoals de wereld weet, precies is wat plaatsvond toen Hitler tegen de geallieerden kwam. De geallieerden, onvoorbereid om te vechten tegen Hitler, toen hij begon te verstrooien, versterkten hun krachten op machtige wijze nadat de oorlog begon. Al deze feiten, bewijzen dat de Tweede Wereld oorlog, de oorlog is die door Nahum geprofeteerd is en dat Hitler degene is die “aan stukken slaat”.

 

Hoewel Nahum de ”val van Assyrië” in verband met “hij die aan stukken slaat, ” voorspelt, zegt het niet dat hij die aan stukken slaat zelf met Assyrië zal afrekenen, zoals men logischerwijs geneigd zou zijn te concluderen. Hoewel het nu te zien is dat hij die aan stukken slaat, zelf alleen ervoor zorgde dat niet alleen de geallieerde naties, maar ook zijn eigen natie in stukken gebroken werd of zorgde dat er gebroken werd.

In feite zegt de profetie dat “zijn voortreffelijken” (de voortreffelijken van die aan stukken slaat) niet zouden winnen, maar dat ze zouden “struikelen in hun tochten,” struikelen op hun weg naar de overwinning ( Nah. 2 : 5). En wat gebeurde er in Hitler zijn leger ? Ze struikelden terwijl ze trachten Rusland te verslaan.

 

Na Nahum 2: 5 is er geen vermelding meer van hij die aan stukken slaat, tonend dat hij uit de weg is geruimd. Voeg hieraan het feit toe de waarheid dat deze oorlog de gehele wereld heet verdeeld- in het bijzonder alle naties en volkeren- in tegen elkaar strijdende schijfjes van allerlei formaten, en we hebben een solide anker tot het bewijs dat de Tweede Wereld oorlog, Nahums oorlog is, en dat Hitler degene is die inspiratie betiteld als “hij die aan stukken slaat.” Inderdaad verdeelde hij de naties en volkeren zo dat tot nu toe niemand in staat is geweest ze weer aan elkaar te smeden.

 

Voorts, heeft Engeland als uitkomst van de oorlog eigenlijk niet gewonnen. Ja, ze heeft daarbuiten meer verloren, dan wat ze zou hebben verloren als ze Hitler had laten hebben wat hij in eerste instantie wilde, slechts een deel van Polen.

 

Dan, heeft ook de nederlaag van Japan en van Duistland op geen enkele wijze de oorlog geëindigd. Het heeft het alleen de internationale dodelijke wonde dieper gemaakt. Zodoende de mogelijkheid van iedere fase vervullend van de waarheid die traktaat 14 inhoud, die nu helderder zijn dan voorheen. Voor zover het Inspiratie betreft is de Tweede Wereld oorlog nog niet geëindigd.

 

Dit op zich zelf is bewijs genoeg, dat de wereld nu gedurende de periode van internationale onrust, zoals het nooit tevoren had—onrust die veroorzaakt is door ieder bestaande element- geboorte gaat geven aan iets. Voor zover we het nu zien, zijn al de dingen waarover we lezen in traktaat nr. 12  en nr. 14 op weg naar een snelle vervulling.

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Ter Correctie

De Groeten Van Christus Aan  U

EEN GESCHENK                                                                                                                            [p.3]

 

 

Wees gegroet, trouwe vrienden van God’s Boek!-U, die uzelf zou willen reinigen van de verderfelijke gebruiken van de heidenen. Voor u zijn hier uitgegoten de reinigende tijdingen van de waarheid betreffende geschenken!

Dat zij plaats mogen maken in uw harten voor de zegeningen, die heden aan uw deur wachten, teneinde uw hart, uw leven en uw huizen te vervullen, zoals het nieuwe jaar wacht om de plaats in te nemen van het ouden.

Moge, inderdaad , elke dag uw leven overvloedig zijn met gezondheid, geluk, voorspoed en alle goede dingen voor u en de uwen, terwijl een ieder zich verheugt in de heerlijke verwachting van het Koninkrijk, dat spoedig komt, en dat u zich voorbereid voor een tehuis daarin.

 

Sommige boeken zijn veel groter

En zeggen meer, dat is waar;

Maar geen enkele zou MEER kunnen WENSEN

Dan dit U TOEWENST—

Stromen van zegen

Meteen en voor langere tijd,

Om u op te wekken en te houden

Wijs , gelukkig en sterk,

Vandaag, morgen—door de eeuwigheid heen!

 

[p.5]

De Groeten van Christus

 

EEN GESCHENK AAN GESCHENKGEVERS EN

GESCHENKONTVANGERS.

 

 

“Iedere gave, die goed  en elk geschenk dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij Wie geen verandering is, of zweem van ommekeer.”  Jakobus 1:17

 

Gedurende meer dan negentien eeuwen, is de instelling van Kerst, de populaire dag van geschenkenuitwisseling, door de gehele Christhenheid toegejuicht als een van Gods goede en volmaakte geschenken. En dit sentimenteel gebeuren is verheerlijkt en vereeuwigd tegen het alom bekendstaand feit in, dat Hij in werkelijkheid helemaal niet in december werd geboren, dat de viering van de dag eenvoudigweg een heidens gebruik is , in stand gehouden in bekoorlijke Christelijke schijn en dat het geen geschenk van God is.

 

“De kerstgedachte werd nagegaan in de geschiedenis,”zegt een daarmee verbandhoudend krantenbericht uit Chicago, gedateerd 23 december 1935”, en geidentificeerd als een ‘publieke vijand’ van de eerste orde.

 

“Gebrandmerkt als een heidense vogelvrij verklaarde werd het verbannen uit New England door de Puriteinen in 1659

[p.6]

“Kerstvrolijkheid en feesten, ergerde de plechtige pijlers van de kerk dusdanig, verklaarde prof”. William Warren Sweet van de Universiteit der kerkgeschiedenis te Chicago, dat zij het Algemene Gerechtshof van de leefgemeenschap van Massachussets een wet uitvaardigde, die als volgt luidde’:

 

“Wie dan ook betrapt wordt op het vieren van Kerst of iets dergelijks, zij het door gedoging of praktisering daarvan, gebras of op welke andere wijze dan ook , als een festifiteit, zal met vijf shilling worden beboet.

 

“Slechts tijdens de laatste helft van de eeuw werd de kerstgedachte in Amerika aanvaard en dt zelfs in de kerk , bevestigde prof. Sweet.

 

Met deze alombekende historische feiten voor ogen, behoeft deze fase van het onderwerp geen verdere behandeling, dan de duidelijke waarschuweing van de Heer betreffende:

 

Kerstviering en Kerstgeschenken.

 

Terwijl voor een menigte van kerstvierders Christus nauwelijks meer betekent, dan elke doorsnee mens van faam, is Hij voor een grotere menigte kerstvierders die helemaal geen Christen zijn, slechts een figuur uit verhalen, door wie op die  vrije dag pretmakerij tevoorschijn getoverd wordt. Hoewel zij zonder betekenis Zijn naam mompelen in vormelijke erkenning van de vermoedelijke oorsprong van de religieuze aangelegenheid van het seizoen! Aldus is het voor velen, als een licht in de duisternis, een vaststaand feit, dat kerst, in wezen

 

7

 

niet onderhouden wordt ter ere van de Verlosser, maar ter verheerlijking van een heidens gebruik en ter bevrediging van het vleselijk gezinde hart. Dus kunnen zij die een “in-elk-opzicht-Christen” zijn, daarom niet consequent deelnemen aan de viering van de kerstmythe. Inderdaad, slaat men, door dat te doen, Gods Woord openlijk in de wind, want:

 

“Zo zegt de HERE : gewen u niet aan de weg der heidenen en schrik niet voor de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor schrikken. Want de handelwijze der volken, die er zijn, zijn ijdel: want men kapt een boom uit het woud, het werk der handen van de werkman, met de bijl.

 

“Zij versieren het met zilver en goud, met spijkers en hamers maken zij het vast, zodat het niet waggeld. Zij staan rechtop als een palm, maar zij spreken niet’’ zij moeten beslist gedragen worden, want zij kunnen geen stap doen. Vreest voor hen niet, want zij kunnen geen kwaad doen, maar ook goeddoen is er bij hen niet. “(Jer. 10: 2-5, K.J.V)

 

En de traditie van het uitwisselen van geschenken welk part en deel uitmaakt van de gedachte van kerstviering, is een jaloersheidopwekkend gebruik, dat maar al te vaak slechts het hart van de ontvanger aantast en de beurs van de koper ledigt. Terwijl het aldus de ene menigte prikkelt tot het aan de dag leggen van trots, ja, het zelf verlokt tot rivaliteit( wedijveren) , losbandigheid, en immoraliteit( verdorvenheid), zet het de andere menigte , de arme massa, aan tot zowel afgunst of ontmoediging, of beiden, zo ook niet  minder vaak tot wanhoop, en soms tot waanzin. -zelfs tot het plegen van moord en zelfmoord.

 

7

 

De gehele kerstinstelling is dus een soort van heidense aanbidding, die natien demoraliseert. De dienstknechten des Heren zullen altijd het uitwisselen van kerstgeschenken schuwen. Schuw de kwade medewerking aan de aanmatigende geest en valse humaniteit (menslievendheid) van deze aangelegenheid. Christenen kunnen inderdaad niet deelnemen aan het onheilige verkeer van geschenkenhandel en gebras en tegelijkertijd in-alle-opzichten-Christenen” zijn. {TN13: 8.1}

 

“Wie zou U niet vrezen, o Koning der volken? Want U komt het toe (…) Nietig zijn zij, en het werk der dwalingen; in de tijd van hun bezoeking zullen zij teniet gedaan worden. Want de herders [ de geestelijke leiders] zijn verdwaasd (wreed, redeloos of beestachtig) geworden, en hebben de HERE niet gezocht; daarom zullen zij niet voorspoedig zijn, en al hun kudden, zullen verstrooit worden.” Jer. 10:7,15, 21{King James vertaling}.  {TN13: 8.2}

 

Het uitwisselen van kerstgeschenken is echter niet het enige kwaaduitbroedend gebruik. Een ander kwaad , dat niet minder is , is het gebruik van uitwisselen van

 

Verjaardagsgeschenken. {TN13: 8.3}

 

Hoewel geboortedaggeschenken ter ere van de pasgeborene in overeenstemming is met de edele impulsen der mensheid, is de gewoonte van het geven van geschenken aan elkaar op verjaardagen, zoals het daaraan verwante gebruik van het uitwisselen van kerstgeschenken, een gebruik dat trots, buitensporigheid, onbillijkheid of ongemak, ontevredenheid, jaloersheid,

 

8

 

zorgen, en een menigte van soortgelijke boosheden verwekt. Als zijnde verplicht, zijn verjaardagsgeschenken, in de laatste analyse, helemaal geen geschenken, maar louter formele uitwisselingen, die, in de meeste gevallen waardeloos (of onbruikbaar), buitensporig en schadelijk zijn. De volgeling van Christus, die met zijn gehele hart Zijn raadgevingen koesterd, zal dit verderfelijk of kwaadaardig gebruik schuwen of de aangelegenheid nu Kerst, Pasen, verjaardagen of wat dan ook is. Kortweg gezegd hij zal alles schuwen behalve het schenken van

 

Liefdesgeschenken. {TN13: 8.4}

 

Als u een liefdesgeschenk wenst te geven, niet een gelegenheidsgeschenk, laat het iets bruikbaars zijn, nooit een luxe of ijdel geschenk, en niet boven uw mogelijkheden(middelen); laat het gedreven zijn door een onzelfzuchtige en grootmoedige geest in plaats van dwangmatigheid of trots, gewoonte of vergoeding (vergelding). Laat het kortom een oprecht liefdesgeschenk zijn tot eer van de ontvanger, niet ten ere van een gelegenheid, welke niet alleen een vergelding aangeeft, maar het zelfs vereist. Christenen moeten gevers zijn, geen handelaren! {TN13:9.1}

 

Ten slotte, moet dezelfde onzelfzuchtige geest, die Maria bewoog om de “alabaster pot” te breken en de kostbare zalf te gieten ter ere van Hem wiens onvergelijkelijke bloed was gevloeid om allen te reinigen, zowel de gever als de ontvanger drijven en het geschenk moet nu dezelfde uitwerking hebben als de zalf had voor de begrafenis en als het bloed had voor de opstanding. {TN13: 9.2}

 

Niet alleen behoren Christenen op het juiste moment wijze en onzelfzuchtige gevers zijn, maar ook

 

9

 

wijze en dankbare ontvangers. Allicht moeten zij zich verblijden in de glorierijke geschenken van God meer dan in de vergankelijke geschenken van mensen. Zulke christenen zijn gelukkig in het geven van liefdesgeschenken, maar hun grootste vreugde en zegening zal zijn in de naleving van de

 

Heilige Herdenkings- en Eeuwige Rust Geschenk

 

Het grootste tastbare geschenk dat ooit verleent is aan de mensheid is de mooie aarde en de “”volheid daarvan””, gekroond met de Eeuwige Rustdag-de Rust die de nalevers bevestigd in de waarheid, dat de Heere alle dingen in zes dagen schiep en “” ruste op de zevende dag””: daarom zegende Heere de Sabbatdag en heiligde die.””. Dienovereenkomstig, van alle dagen van de week, is deze alleen heilig. Daarom, “” Gedenk de Sabbatdag , om het zo te houden. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen,: maar de zevende dag is de Sabbat van de Here uw God: daarop zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, uw dienstknecht, uw dienstmaagd noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw poorten is, want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde, de zee en al wat daarin is gemaakt, en rustte op de zevende dag”” Exodus 20: 8-11.

 

Door een getrouwe Sabbat naleving nu, zal ieder ware christen zijn waardering tonen, voor deze compleet wijze en liefdevolle voorziening voor de fysieke, mentale en geestelijke welzijn van de mensdheid en daarbij zijn geloof in zijn Schpper, zodat hij het voorrecht toegekend mag worden van

 

Het houden van het Sabbat geschenk in eeuwigheid.

 

“” Want ziet , die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal. Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen als mestkalveren. En gij zuld de goddelozen vertreden want zij zullen als worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage dien Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.”” Mal 4 : 1-3

Gedenk [ allen die getuige zullen zijn van de vernietiging van de slechten hierboven beschreven] de wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israel, der inzettinen en rechten. Vers 4

Dit gebod om de wet welke Mozes ontving in Horeb te houden, is volgens de Schriften,voor allen die zullen leven in de groote en geduchte dag des Heren – levend wanneer God naar de wereld Zijn laatste profeet stuurt, de antitypische Eliah: Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia eer dat de grote en die vreselijke dg des HEEREN komen zal.”” Vers 5

 

Duidelijk is het dat wij Zijn Heilige Gave (gift) van de wet van Mozes moeten gedenken, niet alleen voor de beloofde profeet arriveert en terwijl hij de grote en vreselijke dag des HEEREN verkondigt, maar zelf voor eeuwig:

“” Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekde de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan.En het zal geschieden , dat van de ene nieuwe maan ot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, aale vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.En zij zullen henen uitgaan en zij zullen de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden en zij zullen allen vlees een afgrijzing wezen”” . Jes 66: 22-24.

 

Doch bidt , verzoekt de Here, vooruitkijkend naar de tijd van de grote verdrukking,  dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat””. Matt 24:20.

Dus moeten we niet alleen het sabbat geschenk koesteren, maar tevens ernstig bidden dat de omstandigheden zichzelf zo voordoen dat we niet een sabbat-brekende(ontheiligende) toestand over ons halen, waar er geen ontsnapping van is. Want de sabbat  gemaakt zijnde voor de mens en niet de mens voor de sabbat, maakt het klaarblijkelijk (duidelijk)een zegen voor hen , niet hen tot een zegen ervoor.

 

Christenen weten uit ervaring dat Satan harder probeert de mens van het sabbatgeschenk te beroven dan ieder ander geschenk van God, zelf door het beest te inspireren om voor hem te spreken tegen De Almachtige God en te trachten de “”tijden en wetten”” te veranderen. Dan 7 : 25  Wordt dus niet een navolger van het beest, maar weest volgers van Christus en door uw goed gedrag, “”bevestigd de wet””. Romeinen 3 : 31.

En onthou, dit Heilige Geschenk , de sabbat , is een Geschenk, niet alleen voor de kinderen van Jacob, maar

 

Een Geschenk voor “”Alle Vlees””.

 

Welgelukzalig is de mens, die zulks doet en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gijdien niet ontheiligt en die zijn hand bewaart van enig kwaag te doen. En de vreemde, die zich tot den HEERE, gevoegd heeft, spreke niet zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden en de gesnedene zegge niet Ziet ik ben een dorre boom. Want alzo zedt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb en vasthouden aan Mijn verbond; Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen  Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. En de vreemden die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige en die aan Mijn verbond vasthouden; Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam ween oop Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken. Jes 56:2-7

 

Een juiste beoordeling van dit Eeuwige Rust Geschenk, zal  de juiste beoordeling verzekeren van

 

Andere  Kostbare Geschenken.

 

Een ware Sabbat-houder zal geen ondankbare zijn. Hij zal eerder dankbaar zijn in alles, de Heer dank betuigende voor het geschenk vanovervloed, zo ook  voor het geschenk van gebrek; en zij het in voor – of tegenspoed, zal hij vanuit het hart met Paulus zeggen: Niet dat ik zeg, als zou ik gebrek lijden; want ik heb geleerd met de omstandigheden, waarin ik verkeer genoegen te nemen. Ik weet wat armoede is en ik weet wat overvloed is. In elk

Opzicht en in alle dingen ben ik ingewijd, zowel in verzadigd worden als in honger lijden, zowel in overvloed als in gebrek.Fil. 4 : 11,12

 

Aldus zal elke goede Christen, bij slecht of bij goed weer leren om anderen tot  Christus te leiden, in gedachte houdend, dat “”alles zijn bestemde tijd heeft”” en alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd. Er is een tijd om geboren te worden en er is een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien; een tijd om te doden en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken en een tijd om te bouwen; een tijd  om te wenen en een tijd om te lachen een tijd om te kermen en een tijd om op te springen; een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te vergaren; een tijd om te omhelzen en een tijd verre te zijn van omhelzen; een tijd om te zoeken en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen; een tijd om te scheuren en een tijd om te naaien; een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken; een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten; een tijd van oorlog en een tijd van vrede. Pred 3 : 1-8 (SV)

 

Trouw aan zijn geloof, zal de trouwe volgeling van Christus, in eerbiedige waardering en dankbaarheid, dank zeggen voor het geschenk van elke tijd en gelegenheid, voor het geschenk van overvloed en voor het geschenk van gebrek,ook voor het geschenk van een tehuis en voor ;het geschenk van de dierbaren – een echtgenoot, een echtgenote en kinderen; een vader en een moeder, verwanten en vrienden. En hij zal dankbaar het gebod des Heren eren:

 

“” Mannen hebt uw vrouw lief, gelijk ook Christus de gemeente heeft liefgehad, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven; om haar te heiligen, haar  reinigende door eht waterbad door het Woord en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatssen, stralen, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet. Zo zijn de mannen [ook] verplicht hun vrouw lief te hebben als hun eigen lichaam. Wie zijn eigen vrouw lief heeft, heeft zichzelf lief; want niemand haat ooit zijn eigen vlees, maar hij voedt het en koestert het, zoals Christut de gemeente, omdat wij leden zijn van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente. Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich verenigen met zijn vrouw en die twee zulen tot een vlees zijn . Ef. 5 : 25-31 KJV

 

Vrouwen weest aan uw man onderdanig als aan de HERE, want de man is het hoofd van Zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is van de gemeente; Hij is de verlosser van het lichaam. Daarom zoals de gemeente onderworpen is aan Christus, laten ook zo de vrouwen onderworpen zijn aan hun eigen mannen in alles. “” Verzen 22-24.KJV Want de vrouw die een echtgenoot heeft is door de wet gebonden aan haar echtgenoot, zolang  hij leeft; maar als de echtgenoot dood is , is zij ontslagen van de wet van haar man. “” Rom. 7:2 KJV

 

Doch ik zeg den ongetrouwden en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven gelijk als ik. Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.

 

Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide. En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.Maar den anderen zeg ik, niet de Heere:

 

Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft en dezelve tevreden is bij hem te woen, dat hij ze niet verlate

En een vrouw, die een ongelovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate. Went de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; wnat anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig. Maar indien de ongelovige scheidt dat hij scheide. De broeder of zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen. Want wat weet gij, vrouw of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij man of gij de vrouw zult zalig maken?

 

Een iegelijk blijve in die beroeping daar hij in geroepen is. Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever. Want die in den Heere geroepen is , een  dienstknecht zijnde, die is een vrij gelatene des Heeren, desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus. Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten van mensen. Een iegelijk waarin hij geroepen is broeders, die blijve in hetzelfve bij God.

 

Aangaande de magden nu, ;heb ik geen bevel des Heeren, maar ik zeg mijn gevoelen, als de barmhartigheid van den Heere gekregen, heb  om getrouw te zijn. Ik houde dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood, dat het , zeg ik den mens goed is alzo te zijn.

 

Zijn gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding, zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw.

Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden.

 

Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is [het koninkrijk komt spoedig] , opdat ook die [nu] vrouwen hebben zouden zijn als niet hebbende, en die wenen als niet wenende en die blijde zijn als niet blijde zijnde, en die kopen als niet bezittende; en die deze wereld gebruiken als  niet misbruikende, want de gedaante dezer wereld gaat voorbij [ en er komt een Koninkrijk van God, waarin allen gelijk zijn]. En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt, [ laat de dingen dezer wereld u niet bedroeven’;zij zijn slechts voor een seizoen ( van tijdelijke aard) ; terwijl het koninkrijk voor eeuwig is].

 

De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere als behagen; Maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij zijn vrouw zal behagen. Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en geest; maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.: 1 Cor 7 : 8-16, 20-34. Daarom zijn de ongetrouwden minder belemmerd.

 

“” Zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man, wakker,matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leren. Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; maarbescheiden geen vechter, niet geldgierig. Die zijn eigen huis regeert, zijn kenderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid. ( Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente Gods zorg dragen?) Geen nieuweling opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle. En hij moetook een goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn opdat hij niet valle in smaadheid eninden strik des duivels.

 

De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig,niet die zich tot veel wijns begeve, geen vuil-gewinzoekers; houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten. En dat deze ook eerst beproefd wordenen dat zij daarne dienen zo zij onbestraffelijk zijn. De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarster, wakker , getrouw in alles. Dat de diakenen ener vrouwe mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren. Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelven een goeden opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof , hetwelk is in Christus Jezus.

 

Deze dingen schrijf ik u , hopende zeer haast tot u te komen; Maar zo ik vertoef, opdat gij moogt weten hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid. “” 1 Tim3 : 1-15

 

“”Die zegt dat hij in het licht is en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe. Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht en geen ergernis in in hem. Maar die zijn broeder haat  is in de duisternis en wandelt in de duisternis en weet niet waar hij henengaat want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

 

Ik schrijf u kinderkens want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.

 

Ik schrijf u , vaders want gij hebt Hem gekend , Die van den beginne is.

 

Ik schrijf u jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen.

 

Ik schrijf u kinderen want gij hebt den Vader gekend.

 

Ik heb u geschreven vaders! Want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is,

 

Ik heb u geschreven , jongelingen want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u en gij hebt den boze overwonnen. Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is, zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem. Want al wat in de wereld is, namelijkde begeerlijheid des vleses en de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens is niet van den Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid maar die den wil van God doet blijft in der eeuwigheid. Kinderkens, het is de laatste ure en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden, waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is. 1 Joh. 2 : 9-18.

 

“” Ziet hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd worden. Daarom kent ons de wereld niet omdat zij Hem niet kent.Geliefden nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft die reinigt zichzelven gelijk Hij rein is. Een iegelijk die de zonde doet, die doet de ongerechtigheid want de zonde is de ongerechtigheid. En gij weet dat Hij geopenbaard is opdat Hij onze zonden zou wegnemen en geen zonde is in Hem. 1 Joh 3 : 1-5

 

Ten slotte geliefden geef meer ernstige aandacht aan:

 

DE GAVE VAN DE HEILIGE SCHRIFTEN OP TAFELS VAN STEEN

 

I

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

II

Gij zult u geen gesneden beeld , noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemelis, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen want Ik de HEERE, uw God ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kindern , aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten.;en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

III

Gij zult den Naam des HEEREN uws God niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.

IV

Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods, dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de HEERE den ;hemel en de aarde gemaak, de zee en al wat daarin is , en Hij rustte ten zevenden dage ; daarom zegende de HEERE den sabbatdag en heiligde denzelven.

V

Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de HEERE ue God geeft.

VI

Gij zult niet doodslaan

VII

Gij zult niet echtbreken

VIII

Gij zult niet stelen

IX

Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd,noch zijn os, noch zijn ezel noch iets dat uws naasten is. Exodus 20 : 3-17

 

“”En Hij gaf aan Mozes , als Hij met hem op den berg Sinai te spreken geeindigd had de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.”” Exodus 31:18

 

 

Deze ultieme en universele wet, de Decaloog, oorspronkelijk geschreven door God Zelf op twee stenen tafelen, is gegeven aan de gewilligen ter behoud (bewaring)  van hun kostbare geschenken; hun geloof, hun huizen en hun eigen leven, de huizen en levens van hun familie, hun eigendommen, hun steden, hun natien; en vrede en welwillendheid voor de mensheid.

“”En Jezus zeide to hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede daaraan gelijk is : Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Aan deze twee geboden [een op elke tafel van steen] hangt de ganse wet en de profeten.”” Matt 22: 37-40

Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen,die is schuldig geworden aan alle.Want Die gezegd heeft: Gij zult geen onverspel doen, Die heeft ook gezegd Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden. Spreekt alzo en doet alzo als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.”” Jakobus 2: 10-12.”” Die daar zegt; Ik ken Hem , en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet.”” 1 Johannes 2 “:4.

 

“” Geeft  het heilige de honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden en zich omkerende u verscheuren.”” Matt 7:6.En u die geen paarlen hebt om te werpen, tracht niet diegene die wel hebben , hun (paarlen) te doen verliezen, maar koester en behoed juist op afgunstige wijze

 

Het Geschenk van Godsdienst Vrijheid.

 

Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen. Rom 14:1 . Wees menslievend. De een gelooft wel dat men alles eten mag maar die zwak is eet moeskruiden. De daar een, verachte hem niet, die niet eet, oordele hem niet , die daar eet. Want God heeft hem aangenomen. Wie zijt gij die eens anderen  huisknecht oordeelt? Hij staat of hij valt zijn eigen heer’; doch hij zal vastgesteld worden , want God is machtig hem vast te stellen. (Rom 14 :2-4) , maar geen mens kan wie dan ook doen vast stellen.

 

De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd. Die den dag waarneem, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet die eet zulks den HEERE niet ,en hij dankt God.Verzen 5 ,6. Wees voortaan niet bezorgd omtrent deze zaken.

Zowel hij die gelooft en hij die niet gelooft, moeten niet bemoeien in elkanders zaken. Zij moeten hun tongen in bedwang houden en moeten liefdevol zijn naar elkaar toe. Laat een ieder vrede houden met alle mensen. Vooral de gelovigen moeten dit doen ten opzichte van hen die tot het huishouden der geloof behoren.

Verbiedende te huwelijke, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging voor de gelovigen en die de waarheid hebben bekend. Want alle schepsel Gods is goed en er in niets verwerpelijk met dankzegging genomen zijnde; Want het wordt geheiligd door het Woord van God en door het gebed.1 Tim 4:3-5

U die de Waarheid kent mag elke dag van alles eten waarvoor u met een verlicht geweten dank kunt zeggen , want alleen zulke dingen zijn geheiligd door het Woord van God en gebed.

Als gij deze dingen den broederen voorsteld, zo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt. Maar verwerp de ongoddelijke en onwijfse fabelen en oefen uzelven tot godzaligheid. Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens. Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig. Versen 6-9.

Wees niet als Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, ons niet aanneemt….zo verhindert degene die het willen doen en werpt ze uit de Gemeente. “” 3 Joh. 9,10.

Als u eruit geworpen wordt omwille van de Waarheid, wordt niet boos of ontmoedigd, maar verblijd u in de heilige vertroosting: “” Hoort des HEEREN woord, gij die voor Zijn woord beeft! Uw broeders die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.”” Jes 66:5

Dring niets aan iemand op wat hij niet wil, onthoud ook niet van hem iets wat van hem mocht zijn. En sta nooit tussen hem en zijn God, aan Wie allen hij dient te beantwoorden en Welke alleen alle zaken oplost: “”… de HEERE zal met vuur komen en  Zijn wagenen als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden en Zijn schelding met vuurvlammen. Want met vuur en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn. Die zichzelven heiligen en zichzelven reinigen in de hoven achter een in het midden derzelve die zwijnenvlees eten en verfoeisel en muizen; te zamen zullen zij verteerd woren spreekt de HEERE.”” Jes. 66: 15-17

 

Weerhoud en ontmoedig niemand van een onderzoek naar ogenschijnlijke waarheid, maar help hen om “”alle dingen te beproeven”” en om “”het goede te behouden”” 1 Thess 5:21.Probeer geen invalieden van hen te maken of een dwaas van jezelf, door van hun te verwachten dat- wat- jij- zegt te accepteren . Spoor ze aan om voor zichzelf te zien en hun eigen verantwoordelijkheden te dragen.

Want “” kostbaar licht zal voortschijnen van het Woord van God en laat niemand veronderstellen te dicteren wat wel en wat niet gebracht moet worden voor de mensen in de verlichtingsboodschappen die Hij zal zenden. En zodoende de Geest van God blussen. Wat ook zijn positie of gezag mag zijn , niemand heeft het recht om het licht af te scheiden van de mensen. Wanneer een boodschap in de naam van de HEER komt tot Zijn volk, mag niemand zich verontschuldigen van een onderzoek  naar haar beweringen. Niemand kan het zich veroorloven om in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen afstand te houden  en zeggen : Ik weet wat waarheid is. Ik ben tevreden met mijn positie. Ik heb mijn grenzen bepaald en zal niet van mijn positie afgehaald worden. , wat er ook mag komen. Ik wil niet luisteren naar de boodschap van deze boodschapper want ik weet dat het geen waarheid kan zijn.  Het was door het najagen van deze zelfde koers dat de populaire kerken in gedeeltelijke waarheid werden gelaten en dat is waarom de boodschappen van de hemel hun niet hebben bereikt. Test. on Sabbath school work. P.65, Consuls on Sabbath school work p.28.

 

Onthoud, dat iedereen het recht heeft te geloven zoals hij wil en dat hij/zij rekenschap van zichzelf aan de Heer alleen moet geven, niet aan jou. Gun iederen de vrijheid van religie zoals jij wil dat ze jou gunnen. En alhoewel een Christen nooit zijn principes moet opofferen, toch zal hij altijd zo hoffelijk mogelijk zijn tegen diegene die niet met hem instemmen en zij die met hem intstemmen.

 

“Alle dingen dan die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo want dat is de wet en de profeten.” Matt 7:12.  Ja , alzo is de lering van beiden. En zo om al deze heilige geschenken te ontvangen moet u

 

Verzaken Eigenwaan, Zelf vertrouwen, Eigendunk, Vooroordelen.

 

God roept diegenen in verantwoordelijke posities in Sabbatschoolwerk, om alle eigenwaan, alle zelfvertrouwen, en eigendunk aan de kant te zetten. ; als een boodschap gebracht wordt die u niet begrijpt, doe moeite dat u de beredenering mag horen die de boodschapper geeft, schrift met schrift vergelijkende, zodat u kunt weten of het gebaseerd is op het Woord van God of niet. Als u gelooft dat de genomen standpunten niet het Woord van God als hun fundament hebben, als het standpunt dat u inneemt op dit onderwerp niet bestreden kan worden, produceer dan uw strerke beredeneringen; want uw standpunt zal niet aan wankelen gebracht worden door in contact te komen met dwaling. Er is geen deugd of mannelijkheid in het onderhouden van een constante oorlog in de duisternis, uw ogen sluiten voor het geval u zou zien,uw oren sluiten voor het geval u zou horen, uw hart verharden in onwetendheid en ongeloof voor het geval u zichzelf zou moeten vernederen en toegeven dat u licht heeft ontvangen op sommige punten van de waarheid.

Jezelf onverschillig af te houden van een onderzoek van waarheid is niet de manier waarop het uitdrukkelijk bevel van de Verlosser om “”de Schriften te onderzoeken”” wordt uitgevoerd. Is het graven naar verborgen schatten om de resultaten van iemands werk een hoop troep te noemen, en geen kritisch onderzoek te doen om te zien of er wel of niet kostbare juwelen van waarheid in de gedachten collectie welke u veroordeelt voorkomen?

Zullen zij die bijna alles te leren hebben, zichzelf afgescheiden houden van elke bijeenkomst waar er een mogelijkheid is om de boodschap die tot de mensen kwam  te onderzoeken, eenvoudigweg omdat ze zich voorstellen dat de meningen (gezichtspunten) die erop na gehouden worden door de leraren  van de waarheid niet in harmonie zijn met wat zei ontvangen hebben als waarheid. Dat was wat de Joden deden in de dagen van Christus, en wij worden gewaarschuwd niet te doen als zij deden en zodoende geleid worden om duisternis in plaats van licht te kiezen door  afstand te nemen van de levende God en er in hun een boos, ongelovig hart was.

Geen van hen die denken het allemaal te weten is te oud of te intelligent om te leren van de nederigste der boodschappers van de levende God. – Test. on Sabbatschol work pp. 65,66; Counsels on Sabbath school work pp 28-30.

Verder is de Heer alleen verantwoordelijk voor onze verlossing, en aan Hem alleen zijn wij verschuldigd voor onze zonden. Houd u af  hierna van de mens wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten.Jes 2 : 22. Wordt geen invalide door anderen voor u te laten denken, maar

 

Maak Gebruik van het Geschenk van Verstand en  Redenering.

 

Allen moeten voorzichtig zijn met het presenteren van nieuwe gezichtspunten van de Schriften, voordat ze deze punten  aan een grondige studie hebben onderworpen, en tenvolle bereid zijn ze te onderleggen vanuit de Bijbel. Introduceer niets wat een meningsverschil kan veroorzaken, zonder duidelijk bewijs dat God hierin een duidelijke boodschap voor deze tijd geeft.

Maar pas ervoor op  om dat wat waarheid is te verstoten. Het grote gevaar met ons volk is dat van vertrouwen op mensen en vlees tot hun arm stellen. Zij die het niet tot een gewoonte gemaakt hebben , om de Bijbel voor zichzelf te bestuderen, of bewijs te overwegen, hebben vertrouwen in de leiders, en accepteren de beslissingen die zij nemen, en zodoende zullen velen juist de boodschap van God gezonden voor Zijn volken verwerpen als deze leidende broeders het niet accepteren.

Niemand moet  beweren dat hij al het licht heeft voor Gods volk. De Here zal dit niet tolereren. Hij heeft gezegd, Ik heb een openduur voor u gesteld , die niemand kan sluiten. Zelf als al onze leiders het licht en de waarheid zouden verwerpen, zal die door nog steeds open blijven. De Heer zal mannen doen opstaan die de mensen de boodschap voor deze tijd zullen geven. Test. to Min pp 106,107.

Een waarheid zoekende Christen zal niet alleen de vooraf genoemde geschenken van God waarderen, maar tevens evenredig eerbied tonen voor

 

Het Geschenk van Gouvernement (Bestuur)

 

“”Alle ziel zij den machten over haar gesteld onderworpen; want er is geen macht dan van God , en de machten, die er zijn die zijn van God geordineerd.Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan zullen over zichzelven een oordeel halen. “”Rom 13: 1-2

[Aangezien]Gods gezag verheven en absoluut is, zullen ware Christenen de voorkeur geven eerbetoon te geven aan de Koning van de hemenl en aarde, terwijl ze trouw trachten te tonen aan “”den keizer, dat des keizers is, en Gode dat Gods is.Lukas 20:25””

“” Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, die gij de schatting , tot, dien gij den tol, vreze dien gij de vreze , eer, dien gij de eer schuldig zijt.”” Rom 13: 7

Dezulken “” zullen niemand iets schuldig zijn, zolang de eisen en vereisten van hun schuldenaren niet in strijd zijn met Gods wetten en geboden. Als ware Christenen zullen ze zo oprecht zijn naar God en naar de mens als Daniel was en als Jozef.

Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden tegen Daniel vanwege het koninkrijk…zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden. Dan 6 : 5. Aangezien ze geen fouten bij hem konden vinden, beraadslaagden zijn vijanden tezamen om een koninklijk statuut (wet) in te stellen en een streng decreet te maken, dat wie dan ook gedurende 30 dagen een verzoek (gebed) tot welke god of mens zou  (zenden) vragen ,behalve dan aan de koning gegooid zal worden  in de leeuwenkooi. Vers 7.

Door het decreet te verzegelen door de handtekening van de koning, trachten ze een situatie te creeeren, dat onvermijdelijk Daniel zou betrekken in een  opstandige handeling tegen de koning. Ze wisten dat alhoewel hij de intensie had om onwankelbare getrouwheid  te tonen aan de koning, hij dit niet zou doen ten koste van het ontrouw zijn aan zijn God. En aldus als hij doorging met het aanbidden van zijn God zoals hij gewend was te doen, werd hij gegooid in de leeuwenkooi. Maar Diegene tot wie hij bad, redde zijn leven van de uitgehongerde beesten.

En temidden van de slaven van het oude Egypte, doemt het majestueuze gestalte van Jozef op, de grootste bevoorrader die de wereld ooit had gezien.  Aanschouw hem in vastberaden getrouwheid aan zijn bestuur(ders), stijgend in eer tot (het) hem gegeven wordt de zelfde troom van farao zelf te delen.!

Van deze en andere bijbelvoorbeelden, is het duidelijk dat iemands getrouwheid aan zijn bestuur(ders) -een groet aan haar vlag, zijn gelofte van getrouwheid daaraan is.

In alle opzichten, daarom, zien wij dat terwijl enerzijds de ontrouwheid van een mens aan het heilige bestuur een zonde is tegen God, anderzijds de ontrouwheid aan zijn regering een zonde daartegen is, en ook indirect tegen  God, want ontrouwheid aan het bestuur is ongehoorzaamheid aan Gods uitgesproken gebod: Vermaan hen dat zij aan de overheden en machten onderdanig ijzn dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn  Tit 3:1

Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig om des Heeren wil, hetzij den koning als de opperste macht hebbende, hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden woren tot straf wel der kwaaddoenders, maar tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen die goed doen. 1 Pet 2: 13,14

Daar de vlag van een natie niet een afgod is of een fetisj maar een symbool een standaard  evenzo is de groet geen afgodenaanbidding zoals sommigen denken, maar meer een publieke getuigenis van iemands getrouwheid aan het bestuur van die natie, net zoals de doop iemands getuigenis is van getrouwheid aan het bestuur van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

In goddelijke opdracht  maakten de Israelieten , standaarden (vlaggen) naar hun stammen, voor twee doelen , ter herkenning en als embleem voor hun loyaliteit tot datgene waar hun standaard voor stond ( Zie Numerie 2).

Het is dus duidelijk dat het toewijzen van afgoderij aan iemand die de vlag van zijn volk, (natie) groet , zou zijn als het beschuldigen van God van het opdringen van afgoderij niet alleen aan Zijn Oude volk, maar door hun voorbeeld ook aan de getrouwen sinds alle tijden.

Dus iedere Christen die gehoorzaam zou willen zijn aan Gods geboden, moet loyatiteit betonen  aan het land waar hij in woont. Daarom als Christenen in America, gewijd aan God, en dientengevolge getrouw aan het ware pricipe van dit vrij bestuur under God , wijden wij ons hart, ons verstand , onze handen , onze alles , eert aan de vlag van God´s eeuwige koninkrijk en aan het Godsrijk waar het voor staat , een volk samengesteld uit alle naties en verbonden door de koorden van eeuwige liefde, vrijheid , reinheid en gerechtigheid, vrede, vreugde, licht en leven voor een ieder ; en ten tweede  als Amerikanen , aan de Verenigde staten van America en aan de Republiek waar het voor staat, een natie, ondeelbaar, met vrijheid en gerechtigheid voor allen.

En zolang Oude Heerlijkheid zichzelf ontrafeld als het embleem van de ongeschonden principes van de Grondwet van dit land van vrije mensdom, zolang is onze toewijding van trouw eraan een ongeschonden zaak.

En laat ons nu luisteren naar :

 

 

De Conclusie ( de som van het geheel)

 

Aan een ieder die waarlijk deze geschenken waardeerd, die ernstig vasthoud aan dat wat hij heeft, dat niemand zijn kroon afpakt (Openbaring 3 : 11),weerklinken de vrolijke tijden:

En zie , Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn. Openbaring 22: 12

Die overwint,Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.

Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden….Zijt getrouw tot den dood , en Ik zal u geven de kroon des levens.

Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is en Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.

En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen; en hij zal ze hoeden met een ijzeren staf, zij zullen als pottenbakkersvaten vermoarzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb. En ik zal hem de morgenster geven .

Die overwint , die zal bekleed worden met witte klederen, en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempen Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaald en ook Mijn nieuwen Naam.

Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.

Zie Ik sta aan de deur en Ik klop indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij.

Die oren heeft , die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Openbaring 2: 7, 11, 10, 17, 26_28; 3:5, 12, 21, 20, 22.

 

En tenslotte, als u voelt dat u Hem nodig hebt, en gretig bent om al de geschenken door Hem te ontvangen, zelf de gave van de Geest om u te leiden in de volle Waarheid (Johannes 14 : 17; 16: 13), dan mag u  in het besef dat alleen het gebed van een rechtvaardige veel vermag, eerbiedig neerknielen terwijl u leest en de Alom rechtvaardige u te laten brengen naar hemelse zegeningen in

 

Zijn Gebed.

Onze Vader , Die in de hemelen zijn

Uw Naam worde geheiligd

Uw Koninkrijk kome

Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde

Geef ons heden ons dagelijks brood .

En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren

En leid ons niet in verzoeking , maar verlos ons van den boze

Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht en de heerlijkhedi, in der eeuwigheid

Amen.

Matt 6: 9  13

 

 

FEITEN OVER DE BIJBEL

De Bijbel bevat  3566480 letters ,773693 woorden , 31102 verzen, 1189 hoofdstukken en

66 boeken. Het langste hoofdstuk is de 119e Psalm: de kortste en middelste hoofdstuk is de 117e Psalm. Het middelste vers is de 8ste van de 118e Psalm. De langste naam is in het 8ste hoofdstuk van Jesaja. Het woord  `en`  komt  46277 keer voor; het woord `Heer` 7698 keer.

Het 37ste hoofdstuk van Jesaja en het 19e hoofdstuk van 2 Koningen zijn identiek. De langste vers is de 9e van het 8ste hoofdstuk van Ester, en de kortste vers is de 35ste  van  het 11e hoofdstuk van Johannes. Elke letter van het alfabet behalve de ´j´ wordt gevonden in de 21ste vers van Ezra 7. “God”  wordt niet genoemd in het boek Ester.

 

——0–0–0——-

 

“De Bijbel is een aanbeeld dat vele hamers heeft versleten.”

 

DE STAD NEW YORK EN HET NIEUWE JERUZALEM

 

Neem voor een moment de stad New York in ogenschouw, de hoogheid onder de Westelijke wereldsteden!

 

Haar huidige bevolking telt 7454995 en haar totale omtrek is 327.5 vierkante mijlen, inclusief water oppervlakten; terwijl landvlakten alleen 285 vierkante mijlen.

 

Haar hoogste bouwwerk is de Empire State Building, de hoogste van de wereld. Het is ter bewondering voor de oog van de mens, en een uitdaging voor hun ontzag. Haar majestieuze toren rijst in eenvoudige schoonheid tot nooit tevoren bereikte hoogten door sterfelijke bouwers-103 etages, of 1250 voet, ongeveer een kwart mijl in verticale afstand! Deze hoogverhevene boven alle menselijke bouwwerken, is wederom half zo hoog alsde Woolworth Building, en overheerst de top van het Chrysler Building door 204 voet en overschaduwd de Eiffel toren door 266 voet.

 

Maar bekijk de bekroonde horizon van deze stad en de strucurele pracht van haar trotste dwergachtige bouwwerk kwijnt weg, wanneer het oog het Nieuwe Jeruzalem aanschouwt, de stad van God, zich opwaarts en zijwaarts spreidend boven het menselijke denken uit, in on-beschrijfelijk, wonderbaarlijk, verbijsterende proporties en weelde in onuitgesproken heerlijkheid!–

 

“En de stad ligt vierkant , en de lengte is zo groot als de hoogte:…. twaalf duizend stadieën.” Openbaring  21: 16{K.J.V.}.

.

De stad is 375 mijlen aan iedere kant een volmaakte vierkant makend. Haar omtrek daarom is 140.625 vierkante mijlen, of 90.000.000 hectare, of 3.920.400.000.000 vierkante voet- bij benadering 430 maal groter dan de omtrek van de stad New York! 100 vierkante voet toekennend ( aan ruimte ) voor ieder persoon, of een ruimte van 10 vierkante voet. de stad kan 39204.000.000 personen bevatten, of ongeveer 20 maal de bevolking van de aarde.

 

“En de lengte en de breedte en de hoogte ervan zijn gelijk” (Openb. 21 : 16)

–375 mijlen aan elke kant en 375 mijlen hoog, haar verheven majesteit rijzend tot hoogten, nooit van gedroomd door het sterfelijke intellect!

 

En haar muren (“een honderd en vierenveertig cubieten,” of 216 voet hoog) zijn gemaakt van jasper (kwarts) en de stad van “puur goud, gelijkend op helder glas.” Haar twaalf poorten zijn “twaalf paarlen: iedere ander poort …..van een parelsoort.” “En daarop is geschreven de namen van de twaalf stammen van de kinderen Israels. En de straten van de stad zijn van puur goud als ware het helder glas.”

 

Het fundament van de muur van de stad is “versierd met allerlei waardevolle gesteenten.”

 

Waarlijk de taal is te armoedig om de Heilige Stad te beschrijven. Waarlijk, “wat het oog niet heeft gezien, en oren niet hebben gehoord, nog in het mensenhart is opgekomen, de dingen die God heeft voorbereid voor hen die Hem liefhebben.” 1 Kor. 2: 9.

 

 

VOORBEELDIGE HANDELINGEN EN GEBEURTENISSEN IN DE GESCHIEDENIS VAN DE ADVENTBEWEGING.

 

1831 Eerste zondag in augustus, William Miller predikt zijn eerste preek over de komst van Christus.
   
   
1840 maart, William Miller gaf zijn eerste serie lessen in Portland, Maine. Ze werden  bezocht door Ellen G. Harmon, later Mw. E.G. White.
1844 Zevende daagse Sabbat voor het eerst onder de aandacht gebracht van het Advent volk te Washington, New Hampshire, door Mw. Rachel D. Preston, een Zevende daags Baptist, uit de staat New York
   
1845 Ellen  G. Harmon werd haar eerst visioen gegeven over de `Reizen van het Advent volk naar de Heilige Stad`.
   
1846 James White getrouwd met Ellen Gould Harmon,  30 augustus. Een twee pagina lange folder getiteld `Aan het overal verspreidde overblijfsel ` uitgegeven.
   
1848 Eerste algemene vergadering van Sabbathouders, gehouden te Rocky Hill , Connecticut, 20, 21 april. Mw. White had een visioen met betrekking tot het uitgeverswerk.
   
1849 De eerste vier nummers van de publicatie getiteld : Tegenwoordige waarheid, geprint te Middletown, Connecticut, Eerste getuigenis voor de Kerk, geaddresseerd `Aan hen die het Zegel van de Levende God zullen ontvangen`, Getekend E.G. White.
   
1852 Eerste nummer van de Advent Review and Sabbath Herald uitgegeven te Rochester New York. James White voorzag de eerste drukkerij met geld ontvangen uit donaties. Donaties ten bedrage van $ 655.84. De kosten voor benodigdheden bedroegen $ 652.95. De eerste drukmachine was een Washington handdruk. Het eerste nummer van de Youth´s Instructor verscheen in augustus
   
1853 Eerste Algemene Sabbath school georganizeerd in Rochester en Buck´s Bridge NY.
   
1854 Eerste tentlezing gebracht door J.N. Loughborough en M.D. Cornell te Battle Creek Michigan, 10-12 juni
   
1860 Naam Zevende dags Adventisten toegekend aan de denominatie 1 oktober.
   
1861 Zevende dags Adventisten Uitgevers Associatie (nu Review and Herald Publishing Association) NV, 1 mei. Kerken voor het eerst officieel georganiseerd.
   
1863 Generale Conferentie georganiseerd  tijdens een vergadering gehouden in Battle Creek, Michigan, 20-23 mei. John Byington, gekozen tot eerste president van de Generale Conferentie.
   
1865 Eerste publicatie over gezondheid,  `Hoe te leven`uitgegeven. Geschreven en bewerkt door Mw. E. G. White.
   
1866 Gezondheidshervormingsinstituut (Battle Creek Sanitarium) geopend voor patienten, 5 september
   
1872 Eerst gemeenschapsschool geopend, 3 juni te Battle Cree, Michigan. G. H. Bell  als verantwoordelijke
   
1874 Zevende dag adventisten Opvoedingsgemeenschap NV. 11 maart. Eerste nummer van de Signs of the times uitgegeven.  J.N. Andrews, eerste buitenlandse missionaris  zeilde vanaf Boston, 15 september
   
1881 James White overlijd te Battle Creek, Michigan 6 augustus (geboren 4 augustus 1821)
   
1888  De  boodschap van Gerechtigheid door Geloof gebracht aan de Minneapolis Conferentie en verworpen.
   
1889 De Nationale Religieuze Vrijheids Associatie  tot stand gekomen  21 juli
   
1900 De boodschap van Gerechtigheid door het Geloof uiteindelijk verworpen door zowel de leiders als de leken.
   
1903 Het hoofdkwartier van de Generale Conferentie verhuist naar Washington DC , 10 augustus
   
1915 Mw. Ellen G. White overleed 16 juli, te St. Helena, California. (geboren 26 november 1837)

 

 

CHRONOLOGISCHE TABEL VAN DE OPKOMST EN VOORUITGANG VAN DE DAVIDIAN ZEVENDE DAGS ADVENTISTEN.

 

1929 Eerst studie over de tegenwoordige waarheid gegeven (Jes. 54 ) 6 januari
   
1930 De waarheid van de 144.000 geopenbaard. 1 februari. De Sheperd´s Rod Vol 1 manuscript, 33 copieen geleverd aan leidende broeders van de ZDA gemeenschap in juni.  De Sheperd´s Rod Vol 1 , 5000 kopieen gepubliceerd 4 december.
   
1931 De eerste Sheperd´s Rod aanhanger, uitgeschreven uit de ZDA kerk.  Eerste ZDA arts accepteert de boodschap in juli. Eerste tiende toezending ontvangen op 9 september
   
1932 Eerst reis gemaakt in belang van de boodschap , oktober. De Shepherd´s Rod Vol 2 . 5000 kopieen gepubliceerd , 2 oktober Eerste vergadering gehouden in een openbare  hal, 12 november
   
1933 Eerste gelover die de boodschap verraad Eerste arbeider gezonden in het veld, 14 februari Tract no 1 , eerst editie , 3000 kopieen, gepubliceerd 24 augustus Eerste ZDA voorganger, accepteerd boodschap , 15 december Tract no 2, eerste editie, 3000 kopieen , gepubliceerd 29 december
   
1934 Conferentie onderzoekscommittee  ontmoet  V.T. Houteff, 25 februari Eerste bijeenkomst gehouden 25 februari tot 12 maart Tract no 3, eerste editie, 5000 kopieen, gepubliceerd 24 mei. Eerste editie van de Symbolic Code , gepubliceerd 15 juli  Tract no 4. , eerste editie, 6000 kopieen, gepubliceerd 28 augustus
   
1935 Tract no 5, eerste editie, 6000 kopieen gepubliceerd 16 mei Hoofdkantoor geherhuisvest in Waco Texas, 24 mei
   
1936 Waco, Texas, ZDA kerk gelsoten voor Sheperd´s Rod aanhangers in maart Tract no 6 . eerste editie, 6000 kopieen , gepubliceerd 8 juni Tract no 7, eerste editie, 6000 kopieen, gepubliceerd 8 juni
   
1937 Grondwet en Bij regels van de Shepherd´s Rod ZDA geschreven Tract no 8, eerste editie, 6000 kopieen , gepubliceerd  15 november
   
1938 Eerste Europese reis gemaakt, 21 mei
   
1940 Tract no 9, eerste editie, 15000 kopieen, gepubliceerd 31 januari Tract no 10, eerste editie, 6000 kopieen, gepubliceerd 27 augustus. Tract no 11, eerste editie, 6000 kopieen, gepubliceerd 23 augustus
   
1941 Eerste Sabbatschool lessen voor volwassenen gepost.  De vlag van Christus Koninkrijk ontworpen in november Tract no 13, eerste editie, 25.000 kopieen, gepubliceerd 10 december.
   
1942 Correspondentie cursus voor Bijbel leraren begonnen Catalogus-syllabus en handleiding voor regels 5070 kopieen gepubliceerd 28 november
1943 De organisatie  benoemd tot  : De Generale Associatie van Davidian Zevende daags Adventisten De Leviticus ( Grondwet en bij regels) van de Davidian Zevende dags adventisten , 5075 kopieen , gepubliceerd 12 februari. Eerste  Davidian Sabbatschool lessen voor kinderen gepost ( Kleuterschool & lagere en tussen divisie) Fundamentele geloofspunten en richtlijnen van de DSDA , 5100 kopieen, gepubliceerd 4 maart.  Tract no 14, eerste editie, 35.095 kopieen, gepubliceerd 30 april. Eerste geloofscertificaten ontstaan, samen met Ministeriele diploma´s , juni. Voorzien in de eerste Nalatenschapscertificaten , september
   
1944 De Beantwoorder, Boek 1, 29.760 kopieën, gepubliceerd in mei. De  Beantwoorder, Boek 2, 29.564 kopieën, gepubliceerd in juni. De Beantwoorder, Boek 3, 29.815 kopieën, gepubliceerd in juli. De Beantwoorder, Boek 4, 30.000 kopieën, gepubliceerd in augustus. De Beantwoorder, Boek 5, 30.000 kopieën, gepubliceerd in december.

 

 

  1. CARMEL’S ONTWIKKELING

 

1935 Locatie  aangekocht, 15 maart Herhuisvesting van het kantoor van Los Angeles 17 mei Aankomst van eerste nieuwkomers, 24 mei Eerste gebouw bewoond in september Eerste dode , 2 december Eerste kantoorgebouw opgericht. Eerste studentenhuis opgericht ( Gebouw nr . 4)
1936 Internationaal Handelsassociatie, opgericht , Maart Telefoonsysteem geinstalleerd, juni Mt. Carmel Academie geopend, september Dam Nr. 1 gebouwd.
   
1937 Eerste huwelijk ingezegend, 1 januari Fundament gelegd voor het indammen van Meer Meribah ( Dam Nr. 2) , 7 april . Perzik tuin nr 1 geplant, februari en maart Wateropslag tank voltooid, november Waterpomp en windmolen geinstalleerd
   
1938 Bank van Palestina opgericht, 1 januari Stads electriciteitscentrale geleverd, 10 september Mt. Carmel geschriften in de omloop gebracht, februari Eerste dubbele huwelijksceremonie volbracht, 27 mei Kings highway, aangelegd
   
1939 Eerste herdenking van jaarlijkse historische terugblik, 25 oktober- de Dag der Dagen Eerste kind geboren, 26 oktober
   
1940 Administratie gebouw voltooit en kantoor daar verwijdert, 21 januari Geluidssysteem geinstalleerd Kantine service geinstalleerd, 10 april
   
1941 Openbare toiletten en douches aangebracht
   
1942 Wegen door Bergen van Mt. Carmel heen aangelegd.
   
1943 De naam Davidische Levitisch Instituut vastgelegd Huishoudelijk Wetenschappelijk Gebouw begonnen
   
1944 Eerste sanitarium eenheid gebouwd {Tankvul}station geinstalleerd.Eerste editie van interne organen, The Trumpeter, verspreid  7 april

 

 

 

 

TOT MUNT SLAAN VAN DAGLICHT IN DOLLARS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

Bedenk eens wat het betekend om de hand des tijds voor 1 uur vooruit te zetten over een geheel continent! Dat is precies wat Oom Sam deed om 2 uur in de ochtend op de 2e maandag in februari , 1942.  En ziedaar! Als bij toverslag, veranderde onze gehele grote natie van om en bij 132.000000 mensen, de regelmaat van hun leven. Misschien vond u het een beetje zwaar soms om een uur eerder op te staan dan gewoonlijk, maar denk er eens aan om , beginnend op een zekere dag  een groot gedeelte van 132.000000 mensen  1 uur eerder uit bed te krijgen . Dit is precies wat onze regering deed met haar Daglicht besparende Wet in 1918 en opnieuw in 1942. Zonder blikken, zonder de minste verwarring of verstoring, begon het hele mechanisme des leven en ondernemingen te bewegen volgens een nieuw schema, en (begon) letterlijk munt te slaan van daglicht  in dollars. Het was vooraf uitgevonden dat de beperking, in opdracht van de regering, om het gebruik van elektrische reclameborden tot een bepaald aantal uren, leidde tot een besparing van 8000 ton kool per maand of meer dan 400000 ton per jaar. Onder de daglicht besparende wet, betekende het verminderde gebruik van kunstlicht in huizen en openbare gelegenheden een jaarlijkse besparing van slechts kool  alleen van vele miljoenen tonnen , terwijl de economie, inclusief de besparing van olie gebruikt in lampen en de verwerking tot gas in 1918 geschat was door de President van de Amerikaanse Associatie voor de vooruitgang van Wetenschap op $ 25.000.000 . De wet besloeg de 6 maanden van Maart tot Oktober. Tegenstand van de boeren die het onpraktisch vonden in verband met hun boerderijen, hielp mee aan haar herhaling in 1919

_ Overgenomen van `The New student´s Reference Work`-

 

TOT MUNT SLAAN VAN DAGLICHT IN DOLLARS

(voortzetting)

Hier wordt gezien wat nationale organisatie en economie kunnen doen voor het volk collectief en individueel. Op dezelfde voorzichtige wijze kunnen huishoudelijke organisaties en economie hetzelfde doen voor het huisgezin en voor ieder lid daarvan. Organiseren en alle lekgaten dichten.! Verspil Gods geschenken niet- uw tijd , uw energie, uw middelen

Laat ieder onvergeeflijk moment 60 seconden waard geven aan afstanden afgelegd, ieder moment ten volle bereikt, en iedere cent het beste goed.

 

Maak het allerbeste van iedere kans en gelegenheid, en onthoud dat de verspreide kruimels wanneer bijeengebracht een mand vol maken.

`Die zijn land bouwt, zal met brood  verzadigd worden, maar die ijdele mensen volgt zal met armoede verzadigd worden Spreuken 28 -19.

 

Ga tot de mier…. Ziet haar wegen en wordt wijs, Dewelke geen overste, ambtman nog heerser hebbende haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst… een weinig slapen, een weinig sluimeren een weinig handvouwen, al neerliggende, zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar en uw gebrek als een gewapend man.

 

OOM SAM EN ZIJN STANDAARD TIJD

 

 

 

 

 

 

 

 

plaatje

 

 

 

 

 

 

 

De foto laat zien hoe de Regering mensen over geheel het land en op schepen op de zee,  helpt om hun klokken en horloges gelijk te houden .De officiële klokken te Washington worden geregeld door observaties genomen iedere heldere avond , van de positie van bepaalde sterren en op de volgende dag des avonds wordt de tijd door deze klokken uitgezonden.

–     The New Student´s Reference Work.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plaatje

 

 

 

 

 

 

Zoals u kunt zien van het diagram, is  avond of 12 uur , gelijk onder de zon, volgend de Zonnetijd, maar als de tijd van de dag , was overgelaten aan het individueel oordeel van mensen, ten oosten of ten westen van deze punten, zou er heel veel verwarring zijn, welke vaak zou leiden tot rampen zoals het gaan van spoortreinen.  Daarom verdeelt Oom Sam het land in 4 secties en  regelt respectievelijk   hoe ver aan iedere kant van de gegeven meridiaan de gegeven tijd  door de Zon op die betreffende meridiaan zal rijken. Bijvoorbeeld, de sectie aan de Westkust neemt zijn tijd van de 120ste meridiaan, de sectie van de Rocky Mountain Staten, van de 90ste meridiaan , de Oosterse staten van de 75ste meridiaan. Dit wordt genoemd de Standaard tijd en verschilt van de Zonne tijd van alle punten ten oosten en ten westen van deze tot-stand-gebrachte meridianen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kaart

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Plaatje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DINGEN DIE HET WETEN WAARD ZIJN

 

 

De langste rivier in de wereld, de Mississippi -Missouri, is 4200 mijl lang.

De rivier de Nijl is de tweede -4000 mijl lang

Mount Everest, de HOOGSTE PIEK in de wereld, rijst tot een hoogte van 29.000 voet boven de zeespiegel, een afstand van ongeveer 5 en een halve mijl. Het is gelokaliseerd in de Himalaya gebied op de grensovergang van Tibet en Nepal, ten noorden van Brits India.

 

Licht heeft een snelheid van 186.000 mijl per seconde.

 

Geluid, varieert,  is in vloeistof sneller dan in gassen en is nog sneller in vaste stof.

Lucht geleid geluid naar een snelheid van ongeveer 1.100 voet per seconde, maar varieert lichtelijk met de temperatuur van de atmosfeer. Geluid doorgegeven door warm water heeft een snelheid van tussen 4.700 en 4.800 voet per seconde. Door het medium glas, staal of ijzer , is de snelheid van geluid tot ongeveer 16.500 voet per seconde.

 

Bij de evenaar is de omtrek van de aarde 3963399 mijl , bij de polen 3949993 mijl, een verschil van 13407 mijl.

 

De juiste  afstand van de aarde naar de zon is 92.9000000 mijl.

 

De juiste afstand van de aarde naar de maan is 238.854 mijl.

 

Aan het begin van de Tweede wereld oorlog, waren er 30 regeringsleiders, regerend in hun eigen land. In Mei 1944 waren er slechts 18 in hun actueel bestuur over in eigen land, niet verbannen of onder de invloed van andere naties. (Zie tract nr. 12 The world yesterday, today, tomorrow, p. 66)

 

De Eerste Wereld oorlog begon op 28 juli 1914 en eindigde met een wapenstilstand op11 november 1918,  1567 dagen durend.

 

De Tweede Wereld oorlog begon op 1 september 1939, passeerde haar 1567e  dag op 15 december 1943 en begon aan haar 1889e dag op 1 november 1944. Zodoende werd de Tweede Wereld oorlog de langste in de geschiedenis en heeft al meer gekost in bloed en menselijke misère en nationaal welzijn, dat de catastrofe van 1914-1918.

 

 

 

 

ZAKELIJKE WETTEN

 

Directeuren zij verantwoordelijk voor de handelingen van hun agenten.

 

Geschreven contracten met betrekking tot land moeten van een zegel zijn voorzien.

 

Rekeningen zijn niet van belang  tenzij het erop is aangegeven.

 

Als een rekening verloren  of gestolen is, wordt de maker ervan niet vrijgegeven als de

beschikking en bedrag bewezen kunnen worden.

 

Schuld brieven worden betaald wanneer ze getoond worden, zonder genade  en dragen officiële rente na de eis , als niet anders geschreven staat.

 

Die een schuldbrief gireert, kan dat slechts voor een beperkte tijdsperiode, variërend in verschillende staten.

 

Om onderhandelbaar te zijn, moet een rekening of betaalbaar gemaakt worden aan de drager, of op de juiste wijze betaalbaar gemaakt aan de persoon in wiens opdracht het is gemaakt.

 

Als de girant verantwoordelijkheden wenst te voorkomen, kan hij betaling opeisen zonder

Regres(weet niet wat dit betekent hoor).

 

Rekeningen die op zondag betaald moeten zijn  of op een officiële vrije dag zijn naar de regel betaalbaar op de dag daaropvolgend.

 

Als een rekening op wat voor manier dan ook veranderd is door de houder is het niet geldig

 

Een rekening gemaakt door een minderjarige is niet geldig in sommige staten en is geldig bij justitieel besluit in andere staten.

 

Een contract gesloten met een minderjarige of een gek is niet geldig.

 

Als een rekening niet binnen de juiste termijn betaald is, moet de eiser, als die er is officieel op de hoogte gesteld worden.

 

Een rekening verkregen door fraude of gegeven door een verslaafd iemand kan niet geïnd worden.

 

Het is fraude om fraude te bedekken.

 

Handtekeningen met een loden potlood zijn officieel in de wet.

 

De handelingen van een partner binden de andere.

 

Elke individu in een partnerschap is verantwoordelijk voor de schulden van de firma, behalve in een geval van speciaal partnerschap

 

Het woordt Begrensd in verband met firma name geeft een begrenzing van verantwoordelijkheden aan voor ieder lid.

 

Een overeenkomst zonder overweging van de waarde is niet geldig.

 

WAARDE ONTVANGEN  moet geschreven staan in een rekening, maar is niet nodig. Als het er niet staat wordt het aangenomen door de wet of mag aangetoond worden als bewijs.

 

Een observatie is niet genoeg bij de wet als het illegaal is van nature.

 

Een eiser van een rekening is vrijgesteld van verantwoordelijkheid als het niet ingediend worde met een opmerking van oneer binnen 24 uur van niet betaling

 

Een ontvangstbewijs voor geld is niet officieel afdoend.

 

 

DAT UW VREUGDE COMPLEET MAG ZIJN.

 

En nu, als u heeft genoten, gewaardeerd en uw voordeel gehaald heeft uit dit Geschenk, en als uw wens is om gelijke tred te houden met de vooruitgang van de Waarheid, zullen de uitgevers van dit boekje als een Christelijke dienst u toezenden- een serie van Tegenwoordige waarheid publicaties, bestaande uit 21 boekjes en in totaal 1682 pagina’s tellend, helemaal geïllustreerd. Het schrijft slechts een vereiste voor—de verplichting van de ziel om zelf alle dingen te onderzoeken en datgene vast te houden wat goed is.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



    TER CORRECTIE

DE WERELD GISTEREN, VANDAAG, MORGEN

 

 

De Wereld Gisteren, Vandaag, Morgen

Zal Duitsland of Engeland Winnen?

Aangezien wij leven in een tijd waarin we alles kunnen verwachten, maar zeker kunnen zijn van niets, zullen daarom allen gelijk, staatsmannen, diplomaten en militaristen meegerekend, ongetwijfeld verbaasd zijn over wat zal voortvloeien uit het huidige Europese conflict.

 

Op dit moment (1941) vervolgen Hitler’s gevreesde legioenen hun onverbiddelijke aanval op werelds “Meesteres van de Zeeën,”en tot nu toe is niets in staat geweest om de woede van haar hevige aanval te weerstaan, met als gevolg dat Europa in angstaanjagende verwondering staat, en de hele wereld in gealarmeerde verwondering over is over wat hun te wachten staat, gewillig zoals Nebukadnessar in zijn dagen om bijna alles te willen geven om te weten, maar

God Alleen Kent de Toekomst

 

De wijze mannen heden ten dage kunnen nog minder de toekomst voorspellen dan de wijze mannen konden in de tijd van de profeet Daniel (Dan. 2). Als u denkt dat dit een overdreven bewering is, ga dan de uitdaging aan : “Brengt uw twistzaak, zegt de Heer; breng uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob. Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen, verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen en het einde daarvan weten of doet ons de toekomende dingend horen. Verkondigt dingen die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt.” Jes. 41: 21-23.

 

Hij Die de opkomst en de val van Babylon voorzegde en van de naties die haar opvolgden, is de enige die weet wat de uitkomst zal zijn van het huidige “ tegenspoed der naties.” Voor licht, dan op deze gewichtige vraag nu hoogst belangrijk in ieder redelijk verstand, keren we tot de God van de profeten, Die ons gelast om te kijken naar de geschriften van Zijn zieners van ouds. Daar zijn als de gebeurtenissen van de wereld betreffende Zijn “zonen” (Jes.45: 11 )

Voorzegd op Geïllustreerde Wijze.

 

De wereldgeschiedenis in profetie is eerst vastgelegd in letterlijke termen, ten tweede in parabolische termen, ten derde in typische termen; en ten vierde in geïllustreerde termen. Omwille van de beknoptheid en in het belang van het bevorderen van het bevattingsvermogen, de mogelijkheid van zijsporen uitsluitend, presenteert deze stille boodschapper, haar boodschap op de geïllustreerde wijze.

De koninkrijken die neer zijn gegaan, de koninkrijken die nog steeds bestaan en de koninkrijken die nog tot stand moeten komen, wiens wetgeving God’s volk bij betrekt, zijn chronologisch geïllustreerd door beiden, Daniel en Johannes de Openbaarder.

Zodat nu zelf het meest sceptische en ongelovige verstand kan worden overtuigd, wordt het onderwerp van dit traktaat geïntroduceerd met de symbolen waarvan het profetische belang reeds geschiedenis is geworden.

Een Leeuw, Een Beer, Een Luipaard en een Niet te Beschrijven Beest.

 

“Daniel antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.
En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden. Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.


“Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.


“Daarna zag ik, en ziet, er was een ander [dier], gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.


“Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.
Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende. Dan. 7 : 2-8

 

 

 

 

 

 

Deze vier grote dieren, zegt de engel,” zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.” Dan.7: 17.

 

Voorafgaand aan Daniel’s visioen van deze dieren, was aan Nebukadnessar, de koning van het oude Babylon terwijl hij  in onzekerheid was over de duur van zijn koninkrijk, in een droom , een groot beeld getoond bestaande uit vier metalen. Het hoofd was van “goud; haar borst en armen waren van “zilver” ; haar lendenen van “koper”; haar been van “ijzer” en haar voeten van “ijzer gemend met leem.” De droom uitleggend zei Daniel aan de koning:

 

“Gij zijt dat gouden hoofd. En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.
En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; … En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem.


“En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos. En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich [wel] door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.

 

“Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.” Dan. 2 : 38-44.

 

 

Zonder meer symboliseren de vier metalen van het grote beeld, zoals de vier beesten dat doen een opeenvolging van vier koningen in hun respectievelijke perioden. De voeten (rechts en links) van ijzer en klei vertegenwoordigen duidelijk twee afdelingen van koningen (conservatieven en radicalen) in een vijfde periode- de tijd waarin de God van de Hemel “ een koninkrijk zal opzetten die nooit vernietigd zal worden.” De tenen van de voeten, duiden vanzelfsprekend een veelvoud van koningen bij beide partijen, de conservatieven en de radicalen.

 

In een andere symboliek, een ram en een geitenbok in drie-fasen, zag Daniel dat de geitenbok in haar eerste fase ( dat van de ‘grote hoorn”—de koning van “Griekenland”), het ram (“Meden  en Persen”) vertrad, en dat nadat de grote hoorn afbrak (overlijden van Alexander), vier hoorns in haar plaats opkwamen ( het koninkrijk verdeeld in vier delen) en dat uiteindelijk van een van de vier, een vijfde voortkwam, “de uitermate grote hoorn” (Rome). (Zie Daniel 8: 9, 20, 21-23.)

 

Sommigen denken dat de “uitnemend grote hoorn”—het vijfde—Antiochus symboliseert, die een van de vier divisies regeerde, maar dit kan niet zo zijn, want de uitnemend grote hoornen, komend uit een van de vier, symboliseert een vijfde koninkrijk, niet een van de vier uitgebreid. Bovendien verwijst de term “uitnemend groot” in tegenstelling tot de term “groot” naar een groter koninkrijk dan dat van Alexander. En aangezien het koninkrijk van Antiochus in haar grootheid

half niet zo groot was als dat van Alexander is de theorie ongeloofwaardig.

Het Romeinse Keizerrijk is die ene die veel groter was dan dat van Alexander en daarom alleen het antwoord tot deze symboliek. Door tegen het zuiden te gaan, dan tegen het oosten, dan tegen het sierlijke land, het westen (Palestina), ging het per definitie naar de vier winden van de kompas, wat precies is wat Rome deed.

Daniel 8: 9 zegt dat de “uitnemend grote hoorn” kwam uit een van de vier hoornen van de geitenbok, maar zegt niet uit welke. Daniel 11: 5, echter, verklaart dat “een van de vorsten” van het koninkrijk van het zuiden een grote heerschappij zou hebben. Deze vorst, is daarom gesymboliseerd door een uitnemend grote hoorn, en laat zien dat het kwam van de hoorn welke de Ptolomeische dynastie symboliseerde—de zuidelijke divisie. Hier is getoond dat de geschiedenis nalaat de oorsprong van Heidens Rome te boek te stellen .

We zien nu dat hoewel in Daniel 2 en 7 de namen van de koningen niet bekend zijn gemaakt, ze geopenbaard worden in Daniel 8. En daar Daniel 2 en 8, Daniel 7 ondersteunen, volgt het dat de vier metalen van het grote beeld, en de vier grote dieren, symbolisch zijn voor de vier oude keizerrijken; respectievelijk Babylon, Medo-Persië, Griekenland en Heidens Rome.

De volgende vier mappen tonen aan dat de geschiedenis de profetie ondersteunt.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

p.14-17 kaarten

 

p.17 onder  kaart 4

 

De voeten en tenen van het beeld (Dan.2), een mengsel zijnde van ijzer en leem, voorspellen een keizerrijk dat niet samenkleeft. De klei veroorzaakt dat het aan stukken uit elkaar valt—in gescheiden koninkrijken; sommige groter, sommige kleiner, “gedeeltelijk sterk, en gedeeltelijk gebroken.”

 

Dit schriftgedeelte beschrijft duidelijk de tegenwoordige familie koningen in hun onderling getrouwde staat (vermengd “met de zaad van mensen:”). Voortkomend als een resultaat van het afbrokkelen van Heidens Rome, maken zij een vijfde en meerdelig keizerrijk. Aldus voorzegd deze profetische illustratie duidelijk dat de heerser van vandaag, niet in staat zijnde met elkaar aan te kleven (Dan2: 42,43) gedoemd zijn tot continue scheuringen en vijandigheden onder elkaar.

 

Kaart 5 toont de moderne divisies aan, voorafgaand aan de Tweede Wereld oorlog van de oude wereld.

 

  1. 18 helft van de pagina kaart 5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vierde twee fasen beest— één met tien horens, de ander met zeven horens samen met de “kleine hoorn” (Dan.7: 7,8) portretteert  zoals wijd en zijd geaccepteerd is, eerst Heidens Rome en dan Pauselijk Rome , en de “kleine hoorn”( het hoorn hoofd), de kracht die toen regeerde, was religieus politiek.

Deze vier dieren zijn identiek aan respectievelijk het “goud”, “zilver,”koper” en “ijzer” van het “grote beeld.”

In deze profetische vier-dieren symboliek, tezamen met haar historische vervulling, zien we de voorbijgaande politieke gebeurtenissen en de als gevolg daarvan veranderende politieke status van de wereld van de tijd van het oude Babylon door tot de tijd van Christelijk Rome.

Het grote beeld echter brengt ons door naar het heden, de tijd waarin we onszelf geregeerd vinden door haar tenen-koningen. Maar zoals Daniels serie van dieren slechts een deel van de wereld geschiedenis omlijnd, is een andere serie nodig om het compleet te maken. Het enige andere van zulk een serie is in Openbaring, het eerste symbool waarin is

 

HET LUIPAARDACHTIG BEEST.

 

 

 

“En ik zag uit de zee een beest opkomen , hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van Godslastering. En het beest, dat ik zag, was een paard gelijk en zijn voeten als een beers voeten, en zijn mond als de mond van een leeuw, en de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht.

“En ik zal een van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen ; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest. En zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had en zij aanbaden het beest zeggende: Wie is dit beest gelijk? Wie kan krijg voeren tegen het zelve ?

“En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en Godslasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen, twee en veertig maanden. En het opende zijn mond tot lastering tegen God , om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en die in den hemel wonen. En hetzelve werd macht gegeven om de heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en taal en volk. En allen dei op de aarde wonen zullen het aanbidden, welke namen niet zijn geschreven in het boek des levens, van het Lam, dat geslacht is van de grondlegging der wereld.

“Indien iemand oren heeft, die hoore. Indien iemand in de gevangenis leidt die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dode, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.” Openb. 13: 1-10.

 

  1. 21 plaatje

   

  1. 21 de helft van de pagina onder het plaatje.

 

De samengestelde opmaak van dit beest—mond van een leeuw, voeten van een beer, lichaam van een luipaard, en tien hoornen—is een trouwe getuige dat hij een afstammeling van Babylon (leeuw) , Medo-Persië (beer) , Griekenland (luipaard) en Heidens Rome( tien hoornen) is. Vandaar dat dit beest een smeltkroes is van de vier oude wereld-rijken en moet tezamen met haar zeven hoofden en tien gekroonde hoornen, de wereld van vandaag karakteriseren.

De twee en veertig maanden periode van het beest, valt in de tijd van Pauselijk Rome –het keizerrijk na Heidens Rome; terwijl haar gewonde staat ( Openb. 13: 3), de Protestantse periode symboliseert. Bovendien vertegenwoordigt het beest drie perioden—(1) de periode voor haar gewonde staat; (2) de periode gedurende haar gewonde staat; en (3) de periode waarin haar wond is genezen. Veder tonen deze symbolisering dat Inspiratie de Protestantse wereld nog steeds tot een Romeinse wereld toerekent. Dit weten we vanuit verschillende oogpunten, het eerste daarvan is in het feit dat de periode van twee en veertig maanden van het beest gelijk staat aan dat van de “tijd” van de kleine hoorn ( 12 maanden), “tijden,” (24 maanden), “en een halve tijd” ( 6 maanden). Het werk tegen God en Zijn volk in beide verslagen is twee en veertig maanden lang.

 

De hoornen van het niet te beschrijven beest hebbende geen kronen en de hoornen van het luipaardachtige beest hebbende wel kronen, wijzen aan dat de laatste de wereld symboliseert nadat de kroonloze hoornen (koningen die zouden moeten opstaan- Dan7: 24) van het vorige beest gekroond waren.

 

Zoals we nu gezien hebben, is het duidelijk dat Pauselijk Rome (de tweede fase van het niet te beschrijven beest) een gecombineerde kerk en staat macht was (een hoornen-hoofd, hebbende “de ogen van een mens en de mond die grote dingen sprak”–Dan. 7: 8), en dat de Protestantse Reformatie de scheiding van die twee veroorzaakte. Dus terwijl de opkomst en regering van Pauselijk Rome vooraf voorgesteld zijn door een niet te beschrijven beest, zijn hoorn hoofd, wordt haar ondergang afgebeeld door het gewonde gangbare hoofd van het luipaardachtige beest—het hoornen gedeelte (de burgerlijke macht) zijnde weggenomen. De kerk was beroofd van de overheersende kracht waarmee de staat haar had bekleed, met het resultaat dat de overheden onafhankelijk zijn van de kerk en de kerk ondergeschikt is aan de overheden.

 

Als het waar is dat het gewonde hoofd een godsdienstig lichaam symboliseert, en dat er geen onderscheid is in verschijning tussen het gewonde hoofd en de zes niet gewonde hoofden, dan is de fundamentele waarheid dat ze allen voorstellingen zijn van godsdienstige lichamen. Bovendien aangezien deze profetische symbolen betrekking hebben op de Westerse Beschaving, de geboortegrond van de Christenheid, karakteriseren de hoofden beslist de Christelijke genootschapen, evenals de “zeven kerken van Azië, “(Openb. 2, 3) het ene verschil zijnde dat de kerken van Azië waarschijnlijk een langere tijdsperiode beslaan dan de hoofden dat doen.

Verder, terwijl het beest haar dodelijke wonde ontvangen hebbende een voorstelling is van Christelijk Rome vernederd tot de dood (beroofd van burgerlijke macht), is haar herstel van de wonde een voorstelling van haar verhoging tot leven( haar burgerlijke macht weer verkregen hebbende). En daar de wond was toegediend door de hand van de Reformatie, kon het nooit hersteld zijn als de hand doorgegaan was met het scherpe twee snijdende zwaard voor haar te hanteren. Het herstel is daarom een levendige afbeelding van

 

De Val van het Protestantisme

en

de Opkomst van Despotisme (Tirannie).

Hoewel er slechts één ware uitlegging is van elke Bijbel leerstelling, zijn er toch een massa’s van tegenstrijdige uitleggingen in de hedendaagse Christelijke wereld, met het resultaat dat het opgesplitst is en vele sekten en afscheidingen (hoofden), met geen twee die hetzelfde geloven. Daarin ligt beslist bewijs dat deze kerken verstoken zijn van de Heilige Geest en voort rennen in complete duisternis. Omdat zij belijden de Waarheid te onderwijzen, maar in plaats daarvan leren ze leerstellingen en geboden van mensen, ze worden berispt door “de naam godslastering” geschreven te hebben op hun hoofden (Openb. 13 : 1).

Zelf nu, in de afsluitingsuren van de evangelie periode, zegt de kerk: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan geen ding gebrek,”—noch waarheid noch profeten,–hoewel in feite ze ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt is (Openb. 3 : 16, 17) , en op het punt staat uitgespuwd te worden als ze nu tekort schiet haar ogen te zalven met deze frisse extra olie. En zorgeloos zijnde over haar ellendige conditie, is ze nu gereed niet alleen om de laatste boodschap die tot haar komt met waarschuwingen en berispingen, vlak voor de vreselijke ten geduchte dag des Heren komt (Mal. 4: 5) te verwerpen, maar ook om de Verlosser opnieuw te kruisigen, als Hij in persoon zou komen om haar te bestraffen, daarbij haar opstandigheid van oudsher herhalend, als een symbool van Mozes die de “rots” tweemaal sloeg (Num. 20: 11).

Detail na detail, zijn wij tot zo ver instaat gesteld om de zien dat het genezen van de wond, niet alleen beduidend is van het te kort schieten van de kerk om de Protestantse Reformatie te voleindigen, maar ook van het spoedig terugkeren tot de tirannieke principes van de Duistere Middeleeuwen van de wereldse regeringen—tot de regels die geldig waren voordat de wonde werd toegediend. Deze herhaling van het verleden zal tot stand gebracht worden door

 

Het Twee-Hoornig Beest.

 

“En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams [hoornen] gelijk, en het sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve toe doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en [weder] leefde, een beeld zouden maken.

“En hetzelve werd [macht] gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.

“Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.”

Openb. 13: 11-18.

De macht die door dit twee-hoornig beest wordt vertegenwoordigt, zal zichzelf  identificeren met “de valse profeet,” want tezamen worden ze “geworpen in de poel des vuurs.” Openb. 19 : 20.

Hieruit is het duidelijk te zien dat de wonderen welke het beest doet in de tegenwoordigheid van de mensen, en door welke hij hen misleid “die op de aarde wonen”( Openb. 13: 13,14), door de valse profeet gedaan worden (Openb. 19: 20) “in de tegenwoordigheid van het beest.” Openb. 13: 14.

Duidelijk is dan de burgerlijke autoriteit van het beest, gecombineerd met de bovennatuurlijke krachten van de profeet, verwijzen naar een verbond tussen het beest en de profeet—een verwantschap van vertegenwoordigers van staat en van de kerk.

Slechts twee hoornen hebbend, niet tien, beeld het beest daarom een lokale  en niet een universele regering af, desondanks zal hij heel de Christenheid beïnvloeden om “een beeld van het beest te maken, welke de wonde had toegebracht door een zwaard en dat leefde”; dat wil zeggen, hij zal een wereldwijd regeringsstructuur bewerkstelligen, en de principes van de kerk-staat regel van Pauselijk Rome op de troon zetten. De hersteller van deze principes zijnde, samen met de profeet, zal hij de werelds hoofd dictator worden en niet alleen de politieke en religieuze belangen van de regering vorm geven, maar ook de wereld handel. Hij zal een decreet uitvaardigen”dat niemand mag kopen of verkopen, tenzij hij het merkteken of de naam van het beest heeft, of het nummer van zijn naam.” Openb. 13: 17.

 

Dit beest is een vertegenwoordiging van een man die staat aan het hoofd van een natie en wiens invloed ver en wijd gaat onder de koningen van de aarde. Hij wordt verder geïdentificeerd door een nummer—het mystieke nummer “zeshonderd zes en zestig.” Openb. 13: 18.

Het overheersende geloof dat het nummer “666” de numerieke identificatie is van een of andere macht is het broedsel van de Prins der Duisternis en is berekend om waar mogelijk de identiteit van dit twee hoornig beest

geheim te houden. Inspiratie plaats het nummer op het twee hoornig beest en daar moeten we het laten. Wanneer het nummer uiteindelijk is opgemaakt, zullen de dienstknechten des Heren in staat zijn al de “wijzen” te overtuigen van wie precies het beest symboliseert. We zien nu echter, dat niemand wie het woord van God bestudeert, misleid hoeft te worden wanneer deze macht ten tonele zal verschijnen. Toch, ondanks Gods waarschuwingen tegen het geven van loyaliteit aan het beest, faalt de wereld hier acht op te slaan met het resultaat dat zelf nadat zijn nummer is opgemaakt,” het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken wordt gegeven aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden.”Openb. 13: 16.

De passage, “ Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,”geeft aan dat allen die na de waarheid gehoord te hebben door gaan met op godsdienstige of wereldse wijze hulde te brengen aan het beeld, “ zal drinken uit den wijn des toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is, in den drinkbeker Zijns toorn.” Openb. 14: 9, 10.

Een volledig besef van de glorierijke beloning die de mensheid te wachten staat zal ze zelf nu er toe dringen te juichen van vreugde ! En een gelijke besef van de vreselijke straf dat allen te wachten staat die tekort schieten om God tot hun toevlucht te maken, zal hen ertoe brengen zelf nu hun tanden te knarsen. Dat allen zich realiserend deze alternatieve vooruitzichten mogen inzien, en daarbij gedrongen worden tot berouw, de Heer is in opperste kwellingen geweest, niet alleen om een treffende beschrijving vast te leggen van het kwaad dat door de tussenkomst van het beest, Satan heeft bepaald voor de hele wereld, maar ook vooraf van een gelijkvormig kwaad te maken een volmaakt

 

Type van “Het beeld van het Beest.”

 

Dit type schoot wortel toen—

“De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel. En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht…

 

“Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht. En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natien, en tongen! Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht; En wie

niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.” Daniel 3 : 1-6.

 

In de uitwerking van dit drastische en onrechtvaardige decreet, zijn er drie opmerkelijke aspecten: De eerste openbaart waarschuwend de wijze waarop het beest al de naties en volkeren binnen zijn domein zal verplichten, om hem en het beeld dat hij zal maken te aanbidden; de tweede beloofd aanhoudend dat net zoals in de dagen van Nebukadnezar, Michael zij die weigerden het gouden beeld te aanbidden, bevrijde en bevorderde (Dan. 3: 12-30), evenzo zal Hij vandaag bevrijden en bevorderen allen die weigeren het beest en zijn beeld te aanbidden; en de derde openbaard verheerlijkend dat net zoals allen die toen trouw stonden , een menigte van zowel hoog en laag leiden om te Hem te erkennen als de Meest Hoge God, zo zullen allen die gehoor geven aan de waarschuwing, niet het beest en zijn beeld te aanbidden, “ blinken als het helderheid van het uitspansel; en die er velen rechtvaardigen , gelijk als de sterren, altoos een eeuwiglijk.” Dan. 12: 1-3.

Hand in hand met de geschiedenis, het zekere woord der profetie,”ons symbool na symbool geleid hebbend, tot door de keizerrijken beginnend met het oude Babylon, en tot de tegenwoordige door de staat geregeerde sektarisch wereld, zal ons zeker door leiden tot het einde der tijden. Wij zijn daarom geconfronteerd, met de logische noodzaak van een ander beest-symbool, een die de godsdienstige-poitieke wereld van morgen voorspeld.

Zonder een symboliek om ons voorbij de wereld van vandaag te dragen, zou het profetische Woord van God niet compleet zijn. Dus omwille van logica, continuïteit en volledigheid, moet deze opeenvolging van beest-symboliek een ander beest bevatten, een die in het bijzonder De Wereld van Morgen zal ontsluieren. Het enige dergelijke symbool dat overblijft is

 

Het Scharlaken-Rood Beest, Bereden Door Babylon De Grote.

 

 “En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren;  Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.

En hij bracht mij weg in een woestijn, in den geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der [gods] lastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, [namelijk] Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.

En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.

Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.

“ Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.  En het zijn [ook] zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig [tijds] blijven.  En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste [koning], en is uit de zeven en gaat ten verderve.  En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest. Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven. Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.

En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natien, en tongen. En de tien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden. Want God heeft [hun] in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het

 

Plaatje Blz. 32 Babylon de grote en haar domein, moeder der hoeren.

 

 

koninkrijk heeft over de koningen der aarde.” Openb. 17.

Voor de zichtbare overeenkomst tussen het luipaardachtig-beest en het scharlakenrood beest, moet men erkennen dat de laatste het beeld is van de vorige, zijn dodelijke wonde geheeld zijnde en zijn hoornen ontkroond. De kroonloze hoornen van de laatste tonen aan dat hij de wereld vertegenwoordigd in een tijd waarin er geen gekroonde koningen zijn, maar dat in plaats daarvan de wereld geregeerd wordt door een pauselijk hoofd—de vrouw die het beest berijd.

Bovendien, beduid de bewering, “de tien hoornen… zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest” (Openb. 17: 12) bevestigend , dat de gekroonde koninkrijken van vandaag, die voortvloeiden uit het gevallen Rome, en welke vertegenwoordigd worden door de gekroonde hoornen van het luipaardachtige beest, ontkroond zullen worden, van de troon gehaald.

De kroonloze hoornen van het scharlakenrood beest, bovendien “hebben enigerlei mening” en “zullen hun kracht en macht aan het beest overgeven,” (vers 13) terwijl de vrouw koninkrijk heeft over de koningen der aarde,” Vers 18.

Haar zitten op de hoofden (vers 9), geeft aan dat ze de kerken onder haar controle heeft; en haar berijden van het beest geeft aan dat ze de heerser van de wereld is. Dit systeem van aanbidden en regeren is niet een nieuw ding onder de zon, want “in haar  is gevonden het bloed der profeten en der heiligen en al degenen die gedood zijn op de aarde.” Openb. 18 : 24.  Ze wordt daarom terecht genoemd Babylon, de naam van het oudste, het eerste keizerrijk—de type.

Deze antitypische Babylon, waaruit Gods volk in deze tijd zullen worden uitgeroepen, is evenzo de wereld handel monopoliseren, zoals duidelijk is geopenbaard in de voorspelling dat wanneer haar regering eindigt, dan zal—

 

 “… de kooplieden der aarde… wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt; Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen; En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der mensen…

“De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreze van haar pijniging, wenende en rouw makende; En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en [met] kostelijk gesteente, en [met] paarlen;

“Want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.  En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre; 18 En riepen, ziende den rook van haar brand, [en] zeggende: Wat [stad] was deze grote stad gelijk? En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in een ure verwoest geworden.”Openb. 18: 11-13, 15-19.

Aldus, kort nadat het is opgezet, zal deze federatie van kerk en staat hals over kop in vergetelheid duiken, net als een grote “molensteen” dat in de zee wordt gegooid (vers 21). En het gehuil van haar klagers zal zijn: In een ure is zo grote rijkdom verwoest geworden.”Openb. 17: 12;  18: 10, 17. Dit uur dat de doods worsteling brengt van Babylon, kan geen andere zijn dan datgene welke volgens de parabel van Jezus (Matt. 20: 11-16) het laatste parabolische uur (periode) van de dag (genade tijd) is; dat is, dat van de elfde uur roep voor arbeiders (de laatste boodschap aan de wereld- Mal. 4 : 5)tot het twaalfde uur ( zonsondergang, oude tijdsaanduiding), het einde van de dag—het afsluiten van de evangelie periode ( Matt. 24: 14), het afsluiten van de oogst (Jer. 8: 20), het sluiten van de genade (Openb. 22: 11).

 

De “tien hoornen”van het scharlakenrood beest (de leiders die zij een uur overheerst), “ zullen haar” uiteindelijk “ woest maken en naakt  en zui zullen haar vlees eten en zullen haar met vuur verbranden.” Openb. 17 : 16. Dus ten slotte zullen ze haar voor altijd afwerpen en het systeem dat ze symboliseert, het “beeld van het beest” zal  worden vernield. Bij deze weergalmende neerstorting van Babylon, zullen “de koningen der aarde…haar bewenen en rouw over haar bedrijven, … van verre staande uit vrees  van hare pijniging zeggende  Wee, wee de grote stad  Babylon, de sterke stad. Openb. 18 : 9, 10

De klaagliederen van de “koningen” tonen aan dat ze meevoelen met haar , terwijl de hoornen haar haten. De “koningen,” kunnen daarom niet diegene zijn die gesymboliseerd worden door de kroonloze hoornen van het beest, maar eerder zij die  gesymboliseerd worden door de gekroonde hoornen van het luipaardachtige beest.  Zij zijn de gekroonde koningen die verrezen na de val van Heidens Rome, en die nu haastig in ballingschap gaan.

De identiteit van Babylon zijnde een vaak aangesneden onderwerp onder studenten van de Openbaring, doet daarom de noodzaak optreden tot vaststellen:

 

Wie Is de Verpersoonlijking  van Babylon ?

 

Nu het licht volkomen de duisternis verjaagd heeft die lang dit onderwerp heeft omhult, kan de student van profetie duidelijk zien van de symboliek dat in de eerste plaats Babylon het aanstaande pauselijk-politiek-economisch systeem van de naties belichaamd, niet een of ander instituut of organisatie, ten tweede dat de het beest dat ze berijd een voorstelling is van haar grondgebied, en ten derde, dat het zal voorbijgaan van profetie naar geschiedenis–, inderdaad, reeds begonnen is om op te doemen uit nevel, zoals de kust van America voor Christoffer Columbus en zijn kameraden als ze het grote Westerse Continent naderden.

Het beest dat bereden wordt door de vrouw, Babylon, openbaart duidelijk drie belangrijke waarheden: ten eerste, dat de oproep van Gods volk om uit Babylon te komen (Openb. 18: 4) een roep is voor hun om tussen uit de naties te komen die gesymboliseerd worden door het beest dat ze berijd (overheerst); ten tweede dat de geroepenen uit haar met zonden gevulde grondgebied moeten komen, omdat het vernietigd gaat worden door de plagen; en ten derde hun uitgaan maakt het noodzakelijk dat zij ingaan tot een  plaats  waar de zonde niet bestaat en waar er geen gevaar is van het vallen van de plagen. Aldus moet hun uitkomen uit haar grondgebied hun inkomen in Gods Koninkrijk zijn. De waarschuwing voor het ontvangen van het merkteken, dan (Openb. 14 : 9-11) tezamen met de oproep om uit (haar) te komen, zal herhaald worden meteen buitengewone luide roep door Babylons grondgebied heen.

Zowel zij die zich in haar grondgebied bevinden en zij die zich daarbuiten bevinden, moeten dan meteen beslissen om de zegel van God te ontvangen in plaats van het merkteken van het beest, als ze willen ontsnappen aan de toorn van God. Om dit te doen moet de vorige klasse uit haar komen, en de laatste klas moet in haar blijven.  Ondanks de doodstraf voor het inmen van zo een stadpunt (Openb. 13: 15) moet er geen aarzeling of besluiteloosheid zijn aan de kant van welke klasse dan ook.

Zij die in Babylon zijn moeten acht geven op de Stem die zegt: “Gaat uit haar , Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt.” Openb. 18: 4. En zij die uit zijn moeten nauwkeurig acht geven op de waarschuwing: “Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd of aan zijn hand, die zal ook drinken uit den wijn des toorns Gods die ongemend ingeschonken is in de drinkbeker zijn toorn en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.” Openb. 14: 9, 10.

Het licht op dit onderwerp zal zich verspreiden als vuur in stoppels, totdat het uiteindelijk de hele aarde verlicht (Openb. 18 : 1) en allen die in haar felle gloed wandelen, zullen hun namen geplaatst hebben in het Boek des Levens van het Lam. Zij zullen bevrijding vinden van de laatste besliste poging van de Vijand om de wereld te doen duiken in een bodemloze put van eeuwige ondergang. Voor hun zegt de engel, “zal Michael opstaan, de grote Vorst, die voor de kinderen uws volks staat…en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.” Dan. 12 : 1.

De symboliek,leidt nu tot

 

DE EINDFASE VAN DE BEESTEN.

 

PLAATJE : DE GESCHIEDENIS VAN DE WERELD IN PROFETISCHE SYMBOLEN ( de helft van p. 38)

 

 

De beesten van Daniel 7 en het luipaardachtig beest van Openbaring 13, kwamen op uit de zee, maar het twee-hoornig beest kwam op uit de aarde ( vers 11), en het scharlakenrood beest stond in de wildernis (Openb. 17: 3). Om dus de geografische locatie te vinden van elk regerend beest, is het noodzakelijk om eerst de symbolische betekenis van de “zee,” de “aarde,”en de “woestijn” vast te stellen.

 

“De Zee”

 

Lokaliseert het Territorium van de Vijf Beesten.

 

Aangezien in het rijk van de natuur, de zee de voorraadschuur, (thuis) van de wateren is, moet de “zee”,  daarom in het rijk der symbolen, de geboorteplaats zijn van de naties- het Oude Land. De vijf beesten (de leeuw, beer, luipaard, en het niet te beschrijven beest, tezamen met het luipaardachtige beest) komend uit de zee, geeft aan dat ze koninkrijken vertegenwoordigen die verrezen zijn uit het Oude land, precies zoals de geschiedenis bevestigd.

 

Aangezien de zee het grondgebied van deze beesten lokaliseert, lokaliseert vanzelfsprekend, dan

 

“De Aarde”

 

Het Domein van het Twee-Hoornig Beest.

 

Daar de geboorteplaats van de naties is gesymboliseerd door de zee, dan lokaliseert de “aarde” het tegenovergestelde van de “zee” het domein van het twee-hoornig beest, weg van het Oude Land. Maar om precies erachter te komen voor welk van de regeringen van de Nieuwe landen het staat, moeten we de kenmerkende eigenschappen van het beest zelf overwegen.

 

Zijn twee kroonloze hoornen tonen twee niet Koninklijke heersers aan, terwijl hun lam-achtige voorkomen, jeugdige onschuldigheid voorspeld. En zijn hebben van de macht om te commanderen, wie zal kopen en wie niet zal kopen, toont aan dat hij een natie vertegenwoordigt dat voorgaat(leid) in het beheersen van het welzijn en de industrie van de wereld.

 

De Verenigde Staten van America is de enige regering in de wereld dat aan als deze voorwaarden voldoet. Het is ontstaan in een nieuwe wereld ( “de aarde”), niet in de grondgebieden van de oude wereld (“de zee”). Het is de enige regering die lam-achtig is—jeugdig en Christelijk, gevestigd op de onschuldige principes van vrede en vrijheid, hebbend twee niet –Koninklijke regerende partijen (kroonloze hoornen), de Republikeinen en de Democraten.

 

Aangezien de symbolische “zee”en “aarde” gelijk met de kenmerkende eigenschapen van de beesten, perfect het verblijf van elk beest lokaliseren, evenzo lokaliseert

 

“De Woestijn”

Het Domein van het Scharlaken Rood Beest.

 

Tegenover elkaar stellend , is een woestijn het tegenovergestelde van een wijngaard. En aangezien een wijngaard figuurlijk het huis van Gods volk is ( Jes. 5), kan de woestijn alleen het huis van de heidenen vertegenwoordigen. Het zijn van het beest in de woestijn, geeft aan dat tegen de tijd dat het komt te ontstaan, er een wijngaard is. Vanzelfsprekend, zou het overbodig zijn om “een woestijn” aan te geven, als de hele wereld een woestijn is.

 

(Voor volledige details, met betrekking tot deze symbolische beesten, lees De Herderstaf, deel 2.)

 

De zekerheid dat beiden de wijngaard en de woestijn tegelijkertijd bestaan, toont ten eerste aan dat Babylon, rijdend (heersend) op het beest, alleen regeert over de woestijn (Heidense wereld) ; en ten tweede dat van daaruit Gods volk geroepen worden om in de wijngaard te gaan ( het Koninkrijk hersteld), waar er geen zonden zijn en waar er geen angst is voor hun voor het ontvangen van de plagen. Van dit Koninkrijk van veiligheid schrijft de profeet Daniel:

 

“Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, dat in deer eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen en te niet doen maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.” Dan. 2 : 44.

Het onderwerp van de wijngaard, nu maakt de analyse noodzakelijk van

 

DE VROUW GEKROOND MET TWAALF STERREN EN HAAR OVERBLIJFSEL.

 

Plaatje blz. 42 (een ware kerk in alle eeuwen)

 

 

Het bewijst zichzelf dat de vrouw Babylon de vervalsing is van de “vrouw” die de Zoon van God voortbracht (Openb. 12: 1), van wie de Schriften zeggen:

 

“ En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneke gebaard had. En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen van een grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht der slang.” Openb. 12 : 13,14.

Om te beginnen, zien we van dit schriftgedeelte dat de vrouw haar wijngaard verliet (vaderland-Palestina) en de Heidense wereld inging nadat haar kind was geboren; dat is in haar Christelijke periode, toe de draak haar vervolgde door de tussenkomst van de Joden (Hand. 8: 1; 13: 46, 50,51). Vervolgens zien we dat nadat ze voor een tijdje daar was, de omstandigheden zo werden dat ze haar verhinderden om verder zichzelf te voeden, en dat het daardoor nodig was dat ze gevoed werd door iemand “een tijd, tijden en een halve tijd.”

Drie en een half jaar na Christus zijn opstanding, verliet de kerk Palestina ( de wijngaard, en terwijl ze in de heidense wereld (de woestijn) was, “wierp de slang uit haar mond water als een rivier achter de vrouw, (dwong de heiden om gedoopt te worden in de Christelijkheid en zich bij de kerk te voegen),  opdat zij haar door de rivier zou doen wegvoeren (ongelovig maken).” Vers 15.

Terwijl ze overstroomd was, moest ze gevoed (onderhouden) worden door de Heer, want vele van haar volgelingen waren ongelovig gemaakt geworden, en haast allen van hen die dat niet waren, werden ter dood gebracht door de “overstroming.” Dus als Hij haar niet gevoed had (in leven gehouden had), door een wonder, zou de Kerk gedurende deze Duistere eeuwen van godsdienst zijn vergaan. Het is waar, ze is in staat geweest om zichzelf te voeden sinds de Reformatie, maar de onbekeerden (rivier) zij nog steeds in haar midden. Ze heeft echter, de belofte van redding:

 

“En de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.” Vers 16

 

Of letterlijk gesteld, de onbekeerden die nu temidden van de kerk zijn, zullen geslacht en begraven worden. De bekeerden zullen dan gebracht worden in het Koninkrijk. Dan zal de draak “vergrimmen op de vrouw en… krijg voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben.” Vers 17.

 

Aangewakkerd tot razernij over haar zuivering, zal de draak oorlog voeren “met het overblijfsel van haar zaad.” Tegen haar persoonlijk, zal hij echter geen oorlog voeren, want haar zegsmannen, de 144.000 (de eerste vruchten—Openb. 7: 3-8; 14: 4), zij die het eerst in het koninkrijk gaan, staan met het Lam, de Koning, op de berg Zion (Openb. 14 : 1), Zijn Paleis terrein. Omdat zij de heersers van de stammen zijn, worden zij gesymboliseerd door de gekroonde vrouw. En daar ze in hun eigen land zijn, worden ze beschermd tegen de draak die derhalve alleen het “overblijfsel”, vervolgt,  zij die achtergelaten zijn, die nog steeds in Babylon zijn, maar die uiteindelijk uit haar worden geroepen. (Openb. 18: 4) ( Voor meer bijzonderheden over Openbaring 12, lees The Shepherd’s Rod, Vol. 2, pp 64-82.)

 

De eerste vruchten van het koninkrijk komen als resultaat van de schudding, de scheiding in de kerk, zoals is aangetoond door de gelijkenissen van het net en van het veld: De goede vissen worden verwijderd vanuit het net (de kerk), en geplaatst in vaten ( het koninkrijk—Matt. 13 : 48), en het tarwe wordt gehaald tussen het onkruid uit, en wordt geplaatst in de schuur ( het koninkrijk—vers 30). Als slechte vissen worden ze weggegooid; als onkruid, worden ze verbrand. (Voor een gedetailleerde studie over de oogst, lees traktaat no. 3, Het oordeel en de oogst.)

 

De tweede vruchten, echter, zij die nog steeds in Babylon zijn na de zuivering, worden gehaald tussen de slechten, (Openb. 18 : 4), in plaats van de slechten tussen de goeden uit (Matt. 13 : 49).

 

Het oorlog voeren van de draak tegen hen is veroorzaakt doordat zij het Getuigenis van Jezus hebben, de Geest der Profetie ( Openb. 19: 10), door geboden-houders te zijn geworden, in plaats van aanbidders van het beest en zijn beeld. Het doel van de draak is om hem te weerhouden van uit Babylon te komen en dus van in te gaan in het snel groeiende Koninkrijk. Dan is het echter, dat de wereld al Gods volk zal aanschouwen komend

 

Uit Babylons Grondgebied In Haar Eigen Land.

 

 

Nu de waarheid duidelijk vastgesteld is dat het scharlaken rood beest het symbool is van het grondgebied waarover “Babylon de grote, de moeder der hoeren,” regeert volgt het dat haar grenzen zich zo ver zullen uitbreiden als de grenzen van de naties die neerbuigen voor haar macht. Vandaar dat de roep “Komt uit haar Mijn volk, dat u geen geel hebt aan haar zonden en dat u niet ontvangt van haar plagen” (Openb. 18: 4) een roep is voor hen om uit haar grondgebied te gaan, dat ze niet haar zonden delen, noch ontvangen van her plagen. Zij die gehoor geven aan De Heer zijn bevelen, moeten vanzelfsprekend, een zonde vrije plaats hebben om heen te gaan, waar ze “veilig” mogen “verblijven” hoewel er “geen muur noch grendel” eromheen zijn (Ezech. 38: 11). Naar deze haven zullen ze “vergaderd worden uit vele volken en zullen zij allemaal zeker wonen.” Ezech. 38: 8. “En al uw kinderen zullen van den Here geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.”

Jes. 54: 13. Gods volk kan in die tijd de Heer niet meer dienen in “Babylon” en in “Egypte” dan ze konden in de dagen van Ezra of van Mozes, want wanneer de plagen worden uitgegoten op Babylon, zoals het “vuur en zwavel”

werd uitgegoten over Sodom en Gomorrah, als ze nog zouden leven temidden van de wereldlingen, zouden ze niet meer kunnen ontsnappen aan de schade van de plagen dan dat Lot het vuur zou kunnen overleven, als hij was gebleven in Sodom. “En het zal” daarom “geschieden in de laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heren zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen en tot dezelve zullen alle Heidenen toe vloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen; Komt, laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de God van Jakob,opdat Hij ons lere, van zijn wegen, en dat wij wandelen in zijn paden; want uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten onder de heidenen en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.”Jes. 2: 2-4. ( Lees ook Jes.11: 11, 12, 15, 16.)

“…Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te samen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te samen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid” Ezech. 37: 21-28.

Ter bevestiging van de waarheid dat Gods volk weer een koninkrijk gaan worden profeteert Ezechiel van

 

Een Nieuwe Verdeling van het Land.

 De profeet presenteert een verdeling van het land totaal verschillend van dat van de tijd van Josua (Josua 17); Van het oosten tot het westen zal het in stroken. Dan zal het eerste gedeelte hebben in het noorden en Gad het laatste gedeelte in het zuiden. Tussen de grenzen van deze twee zullen de gedeelten van de rest van de stammen zijn Het heiligdom zal zijn in het midden van het land en aangrenzend zal de stad zijn. (Zie Ezech. 48.)

Het feit dat zo een verdeling van het beloofde land nooit gemaakt is geworden, toont aan dat het nog in de toekomst ligt. Ook het feit dat het heiligdom daar zal zijn, terwijl het niet op de nieuwe aarde zal zijn ( Openb. 21: 22) bewijst bevestigend dat deze unieke opstelling voor de duizend jaar is. Het tweevoudige feit, bovendien, dat de naam van de stad “De Heer is daar ,”is en dat haar locatie, volgens de verdeling van het land, noodzakelijkerwijs anders moet zijn als dat van het oude Jeruzalem, toont aan dat het huidige Jeruzalem, niet die stad is. Bovendien wijzen de Schriften duidelijk dat

 

DE HEIDENEN UIT HET HEILIGE LAND ZULLEN WORDEN UITGEDREVEN.

 

“En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen. En ik zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israel en Jeruzalem verstrooid hebben. En de HEERE toonde mij vier smeden. Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien. Zach. 1 : 18-21.

 

Hier zien wij, eerst dat de heidense krachten in hun verstrooiing van Gods oude volk, vertegenwoordigt worden door vier hoornen, en later in hun uitwerping van de heidenen, ze vertegenwoordigt worden door vier timmermannen. Aldus is het ook geïllustreerd voorspeld, “Jeruzalem zal van de heidenen [alleen] vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.” Lukas 21 : 24.

 

(Lees Ezechiel 36 en 37; Jeremiah 30 en 31.)

 

Alhoewel onze eerste vraag zou moeten zijn, “ Wat zullen we doen om het geven van loyaliteit aan de vijanden van God te voorkomen, om zodoende waardig geacht bevonden te worden voor een plaats in Zijn koninkrijk, wanneer deze kwade tijd zal komen?” maakt de meerderheid toch nog tot zijn eerste vraag,

 

Wie is Gog ?

Iemand die probeert op zijn eigen krachten uit te leggen wie Gog is, probeert het onmogelijke te doen.–onderneming die alleen in teleurstelling zal resulteren. Dit wordt gezien in het feit dat alhoewel de Bijbel duidelijk stelt dat de plaats voor dorpen zonder muren in de bergen van Israel is,–het eigen land van Israel (Palestina), waar de vaderen van de Israelitische naties vertoefden, heeft de mens toch gepoogd ons te vertellen dat het in Amerika

is !

 

Daarom is het dat in hun eigen kunstigheid

 

DE HEER DE NATIES ZAL BESCHADIGEN EN OORDELEN.

 

“En de inwoners van de steden van Israel zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren; zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken ; en zij zullen beroven degenen die hun beroofd hadden en plunderen die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere, Heere.

“En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, et dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen, en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte en zullen het noemen; Het dal van Gogs menigte. Het huis Israels nu al hen begraven om het land te reinigen zeven maanden lang. Ja, al het volk des lands zal begraven en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere Heere.

“ Daarom zo zegt de Heere Heere; Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over mijnen heilige naam; Als zij hun schande zullen gedragen hebben en al hun overtreding met welke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was die hun verschrikte. Als Ik hen zal hebben weder gebracht uit de volken en hen vergadert zal hebben uit de landen hunner vijanden en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele Heidenen; dan zullen zij weten dat Ik de Heere hun God ben, terwijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weer verzameld in hun land en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten. En Ik zal mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik min Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere, Heere.” Ezech. 39: 9-13, 25-29.

 

“Want ziet, in die dagen en te dien tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege mijn volk en mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid en mijn land gedeeld.

“Roept dit uit onder de heidenen, heiligt  een krijg wekt de helden op , laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden. Slaat uw spaden tot zwaarden en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held. Rot te hoop, en komt aan alle gij volken van rondom, en vergadert u! O Heere, doe uwe helden derwaarts nederdalen. De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.” Joel 3 : 1, 2, 9-12.

“En voor hem zullen al de volken vergaderd worden en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En hij zal de schapen tot zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot zijn linkerhand. Alsdan zal de Koning zegen tot degene die tot zijn rechterhand zijn Komt ge gezegenden mijns Vaders! Beërft dat koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.” Matt. 25 : 32-34.

 

Maar aan hun die aan Zijn linkerhand zijn zal Hij zeggen: “En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”Matt 25 ; 46.

( Voor een volledige studie van het Koninkrijk lees traktaat nr. 8. De berg Zion omstreeks het elfde uur en traktaat nr. 9. Zie Ik maak alle dingen nieuw. p. 40-64)

Dit zijn een paar van de toekomstige gebeurtenissen die spoedig zullen volgen in een snelle opeenvolging bij het inluiden van het koninkrijk. Dan volgt het sluiten van de genadetijd, en het uitgieten van de zeven laatste plagen, welke zullen vallen op hen die figuurlijk staan aan Zijn linkerhand—zij die buiten Palestina zijn. Dan zal terwijl de plagen vallen, het machtigste van alle gevechten gevochten worden, “ de strijd van de grote dag van de Almachtige God, “—het lang verwachte einde van de wereld, –de Armageddon (Openb. 16 : 12-16).

Terugkerend naar onze tegenwoordige wereldcrisis, aangezien, zoals eerder genoemd, de gekroonde koningen van vandaag (Openb. 13) reeds tot een handje vol zijn afgenomen, en aangezien de kerken in hun roep voor vrede en veiligheid, trachten elkaars handen vast te grijpen, zouden wij er wijs aan doen om nu een onderzoek in te stellen in

 

HUIDIGE GEBEURTENISSEN DIE MOGELIJK PROFETIE IN VERVULLING DOEN GAAN.

Om dat de twistappel onder de kwade naties van vandaag, de wereldmarkt is, en omdat de kerken bedreigd worden door de totalitaire regeringen, en zodoende ertoe gedreven worden om zich bij elkaar te voegen om het Christendom te behouden, is het feit hierbij bewezen, dat de tijd nabij is voor het arriveren van de voorspelde wereldwijde godsdienstig – politiek – commercieel keizerrijk, het veronderstelde remedie voor de ziekten van de wereld.

Nu wordt gezien dat de profetie van Openbaring 17 en 18, de slotscène in het drama gespeeld door de naties, zal worden opgevoerd.

De oorlog voerende naties zijn reeds verdeelt in twee aparte ideologische kampen: Aan de ene kant zijn de democratische regeringen, terwijl aan de andere kant de niet-democraten zijn. Als de laatstgenoemden succesvol voortgaan om hun meedogenloze verovering voor wereld heerschappij en onafhankelijkheid te vervolgen, zal de enige zegevierende uitweg voor de Christelijke naties, als ze menselijkerwijs hun toestand aanschouwen, zijn om hun macht aan de kerk over te geven. Want om katholiek tegen katholiek te plaatsen, en Protestant tegen Protestant, in een dodelijk gevecht, zullen zij in doodsangst geïnspireerd worden om het beest te zadelen, en de kerk als haar berijder te herbevestigen, om zodoende zichzelf te bevrijden van de ketenen van de niet-democraten, en om het Christendom veilig te stellen. Ze zullen de overwinning zien in deze strategie, als het hun in de oorlog niet gegeven is, om de meest duidelijke reden dat vele van de miljoenen communicanten van deze kerken, in ieder leger van de bondgenoten van de totalitaire staten in het conflict, de bevelen van de kerken zullen eren, boven die van hun respectievelijke regeringen.

 

Zulk een combinatie van omstandigheden zal resulteren in een reproductie van de internationale kerk-en-staat regel van de Donkere Middeleeuwen, en zal bijdragen aan de schroot hoop van ’s werelds fijnste instrumenten van menselijke vrijheid- de goddelijke geïnspireerde Grondwet van de Verenigde Staten van Amerika. Aangezien deze ontwikkeling de ziekten van de wereld erger zal maken, zal het opvallen dat de vier engelen, de winden hebben los gelaten, en dat de 144.000 Israelieten verzegeld zijn. (Openb. 7: 3-8).

En meer nog, een systeem dat op straffe van de dood van non conformiteit, een vorm van aanbidding in schending van het geweten zal afdwingen, is alles behalve Democratisch en Christelijk. Opgedrongen godsdienst is niets minder dan een bevel om onderdanen te doen kruipen, in plaats van een bevel tot vrijwillige leerlingen.

De snel vallende gekroonde koningen van de naties (gesymboliseerd door de gekroonde hoornen van het luipaardachtige beest) in tegenstelling tot de stijgende kroonloze leiders van de naties ( gesymboliseerd door de kroonloze hoornen van het scharlaken rood beest) , tonen aan dat de wereld voortgaat uit de periode van de Koninklijk  gezindte regeringen in de periode van de niet Koninklijk gezindte regeringen.

Een ten val brengen van de democraten door de niet-democraten zal de voortzetting van een nationalistische Christendom in gevaar brengen. Om deze storm te weerstaan, zullen de Christelijke regeringen spoedig op het beest zitten, de voorspelde koningin van de wereld—Babylon de Grote. Dan zal ze in haar hart zeggen: “ Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe en zal geen rouw zien.”Openb. 18: 7.

Deze eenheid van kerk en staat zal een “tijd der benauwdheid brengen zoals er nooit een geweest was, sinds er een natie was.” Dan. 12.1  Desondanks, “wie zijn leven zal willen behouden (beschermen)”, door de waarheid op te offeren, “zal het verliezen,”zegt Christus, “en wie zijn leven verliezen zal (riskeren), om Mijnentwil” door standvastig te staan voor de waarheid, “ die zal het vinden.”Matt. 16: 25. En de profeet verklaart dat “Te dien tijd , zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volk staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is , tot op dezelfde tijd toe; en te dien tijd zal uw volk verlost worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek…..Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt  en gelouterd worden, doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.”Dan. 12 1, 10.

 

Zonder Christus kan geen enkel systeem de knoop van de wereld ontraffelen, maar kan de knoop alleen maar erger maken. Babylon de grote, kan het daarom dus slechts een korte tijd volhouden, –een symbolisch “uur”—and dan zal ze weggevaagd worden door de kroonloze hoornen (Openb. 17: 16), de resulterende tijd der benauwdheid uiteindelijk zijn hoogte punt doen bereiken in het beëindigen van de genadetijd en in de overwinning en kroning van de “KONING DER KONINGEN EN DE HEER DER HEREN” (Openb. 19: 16) Wiens recht het is om te regeren.

 

Zo zal het zijn dat “in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden,” maar “het zal in alle eeuwigheid bestaan.”Dan. 2 : 44.

“Voorwaar ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.”Matt 24: 34. Dan en pas dan mag de wereld vrede verwachten.

Aldus verklaart ”het zekere woord der profetie, “ die nooit tekort schiet om de waarheid te vertellen dat noch Engeland, noch Duitsland, maar eerder Babylon de Grote, ( het beeld van het beest) uiteindelijk, voor een korte tijd, voordeel hebben aan de oorlog. Niemand anders dan Gods volk zal echter voor altijd voordeel hieruit halen. Ze zullen vrij gemaakt worden door “een koninkrijk” te worden, welke nooit vernietigd zal worden” of “aan een ander volk overgelaten worden.” Dan 2: 44.

 

Hoe noodzakelijk is het dan dat we het licht dat tot zover in ons verstand is geschenen door het nooit falende Woord der Profetie en haar historische vervulling vast houden, zodat wij niet alleen mogen afwijken van het pad dat tot vernietiging leidt, maar ook mogen wandelen op het pad van eeuwige zekerheid. In het verlengde hiervan, laten wij een hoofdstuk van de Bijbel in beschouwing nemen, welke altijd studenten van de profetie heeft verbijsterd, maar welke nu in het licht van de Tegenwoordige Waarheid, een van de meest eenvoudige en begrijpelijke Bijbelse profetieën, is geworden:

 

DANIEL ELF—DE SAMENVATTING.

“Datgene wat opgetekend staat in de Geschriften.”

 

“En nu, ik zul u de waarheid te kennen geven; ziet er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk Griekenland. Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal en hij zal doen naar zijn welgevallen. En als hij zal staan zal zijn rijk gebroken  en in de vier winden des hemels verdeeld worden maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn  heerschappij, waarmee hij heerste, want zijn rijk zal uitgerukt worden en dat voor anderen dan deze.”Verzen 2-4.

 

Kaart 6 p. 58 in het midden.

 

Het is duidelijk van deze verzen dat het Medo-Perzische Keizerrijk, ondergeschikt was gemaakt aan de “machtige koning” van Griekenland (Alexander de Grote), en aansluitend verdeeld te worden in vier delen (naar het zuiden, naar het noorden, naar het oosten en naar het westen), “uitgerukt , en dat voor anderen.” Zo was het dat na Alexander’s dood, het rijk opgesplitst werd, “en een deel toegewezen werd aan elk van de vier generaals die deel uitmaakten van de divisie. Eerst nam Ptolemy de Koninklijke macht over in Egypte; ten tweede, Selecus in Syrie en Noordelijk Azie; ten derde Lysimachus in Thrace en Klein Azie tot aan Taurus; en ten vierde nam Cassander als zijn deel Macedonie.”—Universal History, p. 100.

 

Het is juist om te gedenken dat naast het vaststellen van de geografische locaties van de vier Griekse divisies, het profetisch verslag van de gehele opeenvolging van gebeurtenissen is toegewijd aan de koning van het Zuiden en de koning van het Noorden. De handelingen van de koning van het Noorden echter, zijn speciaal benadrukt, tonend dat de gehele profetische weergave in het bijzonder is gegeven om het zich inlaten met heilige dingen bloot te leggen. Dientengevolge volgt een opsomming van sommige van

De Identificerende Handelingen van de Koning van het Noorden.

 

  • Hij verslaat de Koning van het Zuiden, en pakt zijn koninkrijk af

      (verzen15, 16), waarna hij staat in het “sieraad land” (vers 16)

 

  • In de heerlijkheid van het koninkrijk, zal een geldeiser opstaan

           (vers 20).

 

  • Zijn koninkrijk is “overstroomd”met een overstroming van voor

      zijn aangezicht (vers 22), en hij raakt Egypte en Palestina kwijt.

 

  • Daarna pleegt hij bedrog en wordt gesterkt met een weinig volk

(vers 23).

 

  • Hij vleit hen die goddeloos handelen voor hun goddeloosheid

( vers 32).

 

  • Hij verdeelt het land voor gewin (vers 39).

 

  • Hij wordt wederom sterk, de tweede keer, doch wordt verslagen door

de Koning van het Zuiden (verzen 25, 29, 30).

 

  • Beide koningen spreken leugens aan een tafel (vers 27)

 

  • Wederom sterk geworden de tweede keer, en verwikkeld geraakt in

oorlogen die niet succesvol waren, met de koning van het Zuiden, richt hij zijn hart nu tegen het heilig verbond (vers 28).

 

  • Hij ontheiligd het heiligdom van sterkte en neemt het gedurige offer

weg (vers 31)

 

  • Hij geeft geen acht op de goden van zijn vaderen (vers 37), erkent een

een vreemde god (vers 39) en geeft geen acht op de begeerte van vrouwen (vers 37).

 

     (12)En op het de tijd van het einde , zal hij de koning van het Zuiden     

           opnieuw verslaan, en in het land gaan, ze overstromen en 

           doortrekken, (vers 40); en wederom staan in het sieraad land. Dit 

           volgend zullen Edom en Moab en de eerstelingen van Ammon uit

           zijn hand ontkomen (ver 41); en Lybie en de Mooren zullen in zijn

           gangen wezen. (vers 43).

 

      (13)Geruchten uit het oosten en uit het Noorden zullen hem

            verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om 

           velen te verdelgen en te verbannen (vers 44).

 

       (14) Hij zal de tenten van zijn paleis, planten tussen de zeeën aan de

              berg der heiligen sieraad; en hij zal tot zijn einde komen  en zal

              geen helper hebben.

Beginnend met het oude Medo-Perzische Rijk (verzen 2, 3), reikt de opeenvolging van deze profetie tot aan de tijd dat de “koning van het Noorden de tenten van zijn paleis plant tussen de zeeën aan de berg der heiligen sieraad” (vers 45), en bereikt zijn hoogtepunt, zoals de engel verklaart met de gebeurtenissen van Daniel 12: “En te dien tijd zal Michael opstaan , die grote vorst die voor de kinderen uws volk staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal als er niet geweest is, tot op deze tijd toe, en te dien tijd zal uw volk verlost worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.” Dan 12: 1

De heerschappij van de koningen wiens geschiedenis te boek is gesteld in deze profetieën, die zo een lange tijdsperiode beslaat, vele eeuwen, is duidelijk voorbij gegaan onder

 

Een Aantal Regimenten.

 

Als we zien dat geen mens voortleeft door de eeuwen heen, is het overduidelijk dat de titels, “koning van het zuiden” en “koning van het noorden,” toepasbaar zijn op twee lijnen van heersers. Als we zien dat ook geen regering of koninkrijk ongeschonden heeft gestaan door de eeuwen heen, is het eveneens duidelijk dat deze twee lijnen vele vervangingen van vorsten hebben ondergaan –vele regimenten. Om deze reden, onderscheid de Bijbel ze door hun lineair – geografische titels. Het is nu duidelijk door de Geschriften, dat de Griekse divisie ten zuiden van de Mediterranen , de Ptolomeïsche eerst de titel, “koning van het zuiden,” ontvangt, terwijl de divisie ten noorden van de Mediterranen, de Lysimachiaanse, eerst de titel “koning van het noorden,” ontvangt. Met betrekking tot de grondgebieden van deze twee lijnen van heersers, wordt de Mediterranen daarom het punt van de kompas waarvan daar ze beschouwd moeten worden.

In 281 BC., voegde Lysimachus, Cassander’s grondgebied tot de zijne; dan in 279 BC., versloeg Seleucus, Lysimachus en pakte zijn koninkrijk af, waarop de oostelijke, de noordelijke en de westerse divisie een werden, terwijl Ptolemy zijn eigen, de zuidelijke divisie behield. De Seleucische dynastie, overheerste daarom in de tweede noordelijke regiment, terwijl de Ptolomeishe dynastie voortging om de eerste zuidelijke regiment te zijn.

Tot dit punt, is het profetische visioen open geweest voor allen, maar van hieruit is het gesloten geweest, hoewel velen getracht hebben het te openen. Om een gesloten deur te openen zonder een sleutel, betekend vanzelfsprekend de deur openbreken. Maar aangezien het onbreekbaar is, is het onmogelijk de gesloten deur der Profetie te openen zonder

 

De Sleutel.

 

De eenvoudige en positieve manier om niet het zicht op de identiteit van deze twee koningen kwijt te raken is, om de pen der Profetie op de kaart van de geschiedenis de opeenvolgende heersers van Egypte en Palestina te traceren. Want de titels van de koningen die deze oude landen overwonnen en kwijtraakten zijn te boek gesteld in dit profetische hoofdstuk om de identiteit te bewaren en de kwade bedoelingen bloot te leggen, van beide, de koning van het zuiden en de koning van het noorden.

Onthoud nu, om te beginnen, dat de koning van het zuiden het “sieraad land”, Palestina regeert, tezamen met Egypte en de koning van het noorden neemt het sieraad land twee keer in bezit (verzen 16, 41). Als hij het twee maal neemt dan moet hij het een keer kwijt zijn geraakt. Derhalve hebben beide koningen het twee maal geregeerd en twee maal kwijtgeraakt. Maar de koning van het noorden, die het het laatst regeerde, regeerde het “in de tijd van het einde,” de tijd dat velen zullen naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigt worden (Dan 12: 4)—onze tijd. Noteer dit nauwkeurig , want deze afwikkelingen van het land bieden de sleutel tot de identiteit van deze koningen van de tijd van Alexander’s dood tot onze tijd.

De engel verklaart nadrukkelijk dat de koningen die Palestina zullen regeren, tezamen met Egypte, als volgt zouden zijn: Eerst de koning van het zuiden (Ptolomy); ten tweede de koning van het noorden ( Heidens Rome); ten derde, de koning van het zuiden (Turkije) en ten vierde de koning van het noorden (Engeland). Hier in de volgende vijf en twintig bladzijden, zijn de details van profetie in verband gebracht met de geschiedenis.

In het licht van deze voorgaande fundamentele feiten, zouden wij nu in staat moeten zijn om op de juiste wijze het uitvouwen van de boekrol te evalueren, en om verstandelijk de bladzijde van profetie te vergelijken met de bladzijde van de geschiedenis als wij voorbij gaan aan de tijd van het eerste noordelijke regiment, dat van de Lysimachianen, en voorbij de tijd van het tweede noordelijke regimenten, dat van de overwinnende Seleucidaeanen, die de Lysimachiaanse dynasty onderwierp en verder tot aan de tijd van het derde noordelijke regiment, dat van Rome de macht die het Seleucidaense koninkrijk omver wierp. En aangezien de profetische beschouwing gegeven was om het werk van de koning van het noorden gedurende het derde regiment bloot te leggen, worden we daarom geleid, om de daarvoor genummerde groep van profetische handelingen zoals aangetoond in bladzijden 59-61 te onderzoeken.

 

                                                          (1)

Noord Verslaat Zuid—Neemt Egypte en Palestina Over.

 

“ En de koning van het Noorden zal komen en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja er zal geen kracht zijn om te bestaan. Maar hij, die tegen hem komt zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.” Verzen 15, 16.

Dit schriftgedeelte brengt ons absoluut naar de tijd van het derde regime in het koninkrijk van het noorden, dat van Heidens Rome, welke het eerste regime van de koning van het zuiden, dat van de Ptlomaische dynasty  totaal omver wierp. Egypte en Palestina gingen toen van de handen van de koning van het zuiden (Ptolomy) in de handen van de koning van het noorden (Rome): “In het jaar 63 B.C. marcheerde de Romeinse generaal Pompey….. tegen Jeruzalem…… Syrië ….was een Romeins ding geworden.”—The Battleground, door Helaire Belloc. En in 31 B. C. “ werd Egypte  een Romeinse Provincie.”—New Student’s Reference Book.

 

Aangezien de macht die de Ptolemaische dynasty omver wierp en Egypte en Palestina nam, door de engel geïdentificeerd is  als de koning van het noorden, en aangezien Heidens Rome die macht was, volgt het dat de titel ,”koning van het noorden,” nadat het van Lysimachus ging (die regeerde over het eerste noordelijke regime), naar Selecus (die regeerde over het tweede noordelijke regime), en viel op de Romeinse keizers ( die regeerden over het derde noordelijke regime). Zie Kaart 4, p. 17.

 

Met deze opeenvolgingen van regimes, worden we teruggebracht naar ongeveer 31 B.C. te welke tijd Rome niet alleen regeerde over het grondgebied van Lysimachus, Selecus en Ptolemy, maar ook over het grondgebied van Cassander—Alexander’s totale keizerrijk.

 

(2)

 

In de Heerlijkheid van het Koninkrijk

 

“En in zijn staat zal er een opstaan doende een geldeiser doortrekken in Koninklijke heerlijkheid.” Vers 20.

Augustus Caesar, de Romeinse keizer, is degene die belasting oplegde aan de wereld:

“En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er geen gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden. Deze eerste beschrijving geschiedde als Cyrenius over Syrië stadhouder was. En zij gingen allen om beschreven te worden een ieder naar zijn eigen stad. En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth naar Judea tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt omdat hij uit het huis en geslacht van David was.” Lukas 2 : 1-4.

Daar deze geldeiser zou staan als het koninkrijk in haar heerlijkheid was, verondersteld de bewering dat haar heerlijkheid zou afnemen.

 

(3)

 

Overstroomd met een overstroming—Raakt Egypte en Palestina Kwijt

 

“En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden en ook de vorst des verbonds.” Vers 22.

Hier wordt het opbreken van het Romeinse rijk getoond, door handen van de barbaarse horden, die het weg vaagden en als een overstroming overvloeiden. Zie kaart 8.

 

(4)

 

Wederom Opstijgen naar de Macht

 

“En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen en hij zal optrekken en hij zal met weinig volks gestrekt worden.” Vers 23

In deze profetische bewering zien wij dat Rome vanuit haar vernietiging

 

Kaart 8 blz. 68.

 

 

 en vernedering zou verrijzen, en opnieuw sterk zou worden, maar deze keer door bedrog en met een “weinig volk.” In deze keten van profetie, wordt Rome dan getoond in twee verschillende fasen, Heidens en Pauselijk, precies zoals

(blz. 69)

het getoond is door het vierde symbolische beest van Daniel 7. Aldus is het dat nadat Heidens Rome zichzelf overheerst en vernederd zag tot aan de grond toe, mislukt, zo gezegd, bedacht het een bedrog waardoor het zichzelf weer aan de macht kon krijgen. Het complot, resulteerde in een pauselijke code van wetten, de naleving welke werd uitgeoefend met een “weinig volk”- de zogenoemde Christenen.

Het riep niet op tot het onttronen van de koningen, maar meer voor het Christelijk maken van hen. Op vredige wijze slaagde aldus de koning van het noorden in het overbrengen van dit complot om te regeren als geestelijke koning der koningen in de naam van de God van de Christenen. Eerst heerste het over naties, ten tweede over de koningen van de naties.

Deze historische en Bijbelse feiten, tonen aan dat de naties die tot het Christendom waren verandert, onder één geestelijk hoofd, Rome’s tweede fase vertegenwoordigde, en Inspiratie gaf hem de titel “koning van het noorden.” Tot deze troon, bogen, koningen en boeren gelijk, binnen de ver-strekkende grenzen van Christelijk Rome, in totale onderdanigheid en aanbidding. Door scherpzinnigheid, werd hij alzo weer sterk, zoals de volgende hoofdstukken van de geschiedenis bevestigen.

 

(5)

Het Historische Verslag van Vleierij en Gedwongen Christelijkheid.

 

“De bisschoppen of toezichthouders van de Christelijke kerken, vernederden zichzelf in het begin in de zachtmoedige geest van de grondlegger van hun godsdienst. Maar tenslotte zochten ze tijdelijke macht en wereldse voordelen.

De bisschoppen van de grote steden wenden hun zeggenschap aan over die van de landen in de omgeving; en Rome, Constantinopel, Alexandrië en Jeruzalem werden de zetelen van pauselijke macht; en van hun bisschoppen,  mag gezegd worden dat ze een oligarchie in de kerk vertegenwoordigden…, Rome werd door de duistere Middeleeuwen heen  een koning der koningen; nee meer dan dat- Hij werd verondersteld om in de plaats van God te staan. “Universal HIstory, blz 198, 199.

 

 “Bij de kroning van Charlemagne, groette Paus Leo III nadat hij de kroon op zijn hoofd had geplaatst hem met de titel van keizer van de Romeinen. Hij had de barbaarse naties van Europa onderworpen, met uitzondering van de Denen, oftewel de Normandieers, en zijn koninkrijk bestond uit Frankrijk, Duitsland, Italië en het noorden van Spanje. Vanuit het oosten, zocht Irene, keizerrin van Constantinopel zijn vriendschap, en zelf de kalief van Bagdad, de prinsgezinde Haroun al Rachid, begon een correspondentie met hem, en stuurde hem de sleutels van de heilige grafkelder van Jeruzalem. Charlemagne echter een barbaar die in eerste instantie zijn eigen naam niet kon schrijven, maar zijn verdragen ondertekende met de handgreep van zijn zwaard, en het bekrachtigde met de punt ervan, had toch groot aanzien bij de geleerde mannen… —-Id,. p 203.

 

“…WITIKIND, de meest heldhaftige en beroemde van hun leiders, omarmde uiteindelijk het Christendom en legde zijn wapenen af. Charlemagne verplichte toen de Saxische bevolking onder de doodstraf om de doop te ontvangen. Hij overviel en overwon de Hunnen en Slovaken.”—Id., p. 202.

“…Charles, niet in staat om de overvallers af te weren, stond de provincie van Nuestria aan hen af, daarna Normandië genoemd, en gaf aan Rollo, zijn dochter om te trouwen. De Normandische leider, echter, moest aan Charles hulde geve, door te knielen en de Koninklijke teen te kussen…Id., p. 202.

“Alfred [koning van Engeland]verleende de Denen toestemming om in Northumberland en Oost Engeland neer te strijken, op voorwaarde dat zij geregeerd zouden worden door zijn wetten en het Christendom zouden omarmen. Ze werden dienovereenkomstig gedoopt; en de koning zelf stond in als peetvader voor GUTHRUM hun leider…..”—Id., p. 209.

“Hij vond een voorwendsel om het koninkrijk van Lombardije binnen te vallen, in de vijandigheden van DESIDERIUS tegen de paus. Charlemagne trok over de grote St. Bernard van Genéve en nam succesvol Pavia en Verona over. Lombardije was gauw tot onderdanigheid gebracht en de koning werd gevangen genomen. Charlemagne’s bezocht vervolgens Rome, waar hij werd ontvangen door paus Adrian I., met alle vreugdevolle demonstratie en onthalingals de bevrijder van de kerk. Hij maakte dat hijzelf werd gekroond als koning van Lombardije.”—Id., p. 201.

Op deze subtiele wijze kwam de koning van het noorden en verkreeg “ het koninkrijk door vleierijen” (vers 21) en door “de god van de machten,”te eren zoals geprofeteerd in verzen 24, 38 en 39.

 

(6)

 

De Geschiedenis Verklaart Zijn Verdeling van het Land voor Gewin.

 

“Het FEODALE SYSTEEM, is een term gebruikt om de manier uit te drukken waarop de leiders, die door de hulp van hun legers overwonnen hadden en zich in de overwonnen landen hadden gevestigd, de landen verdeelden onder hun opvolgers; en de wettelijke verplichtingen en privileges verder strekten dan deze divisies. Toen de hoofdman, of koning het gehele onverdeelde staatsgebied aan de ene kant zag en de kern van zijn volgelingen die het wensten te koloniseren aan de andere kant, rees de vraag vanzelfsprekend, hoe zou hij het moeten verdelen. De ongekoloniseerde staat van de wereld moest overwogen worden. Als hij het verdeelde onder zijn volk, zonder een oorlogachtige houding te bewaren, zouden zij de prooi worden  van sommigen van de bewapende meute, die nog aan het rondzwerven waren, op zoek waren naar vestigingsplaatsen. Daarom dat de leider, nadat hij vastgehouden had wat hij had gekozen, gaf het land uit in grote delen aan zijn hoofd-kapiteinen,–op voorwaarde van hun hulde aan hem, het betalen van een zekere som geld, en in het veld verschijnen met een zeker aantal volgelingen, telkens wanneer hij om hun hulp riep. Deze hoofd officieren, nadat zij behouden hadden wat zij zelf wensten voor hun eigen gebruik, verdeelden het restant van het land dat aan hun toegewezen was aan hun

eigen favorieten; die hun moesten voorzien van geld en soldaten, zoals zij dat moesten doen aan de koning. De veroverde inwoners die achter bleven, werden slaven, en werden verplaatsbaar tussen de landen. Deze koningen verrezen door hun eigen kracht; maar bij het vaststellen van hun natie, werd het koningschap doorgaans eerst gekozen in hun familie, dan erfelijk.” Universal History, p. 200.

 

(7)

Het Tweede Regiment van het Zuiden, Verslaat het Vierde Regiment van het Noorden

 

“ En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote heirkracht, en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. En die de stukken zijner spijze zullen eten , zullen hem breken, en de heirkracht deszelve zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen. En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen en wederkeren in zijn land. Te bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, nog gelijk de laatste reis. Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, doch het zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.” Verzen 25, 26, 28-30.

 

We hebben reeds gezien van de profetie en ook van de geschiedenis, dat het eerste regiment van het zuiden (de Ptolomeaanse) omver werd geworpen door het derde regiment van het noorden (dat van Heidens Rome). En aangezien Heidens Rome nooit oorlog voerde tegen geen enkele andere macht van het zuiden, springen er twee punten duidelijk uit: Ten eerste, als we het Ptolomeaanse regiment volgen, moet een andere koning van het zuiden zijn verrezen; en ten tweede de oorlog tegen deze koning van het zuiden, was gevoerd door het regiment aansluitend op Heidens Rome, dat van het gekerstende Rome, het vierde regiment van het noorden. Het “verwekte zijn kracht op en zijn hart tegen de koning van het zuiden.”

 

Het enige regiment dat uit het zuiden is verrezen vanaf de Ptolomeische dynasty ten onder ging, en dat  Egypte en Palestina geregeerd heeft, is dat van de Moren; “een Mohammedaans, Arabisch sprekend ras van gemengde afkomst, dat een deel van de bevolking vormde van de Barbaren, en die hun naam afleiden van de Mauri, de oude bewoners van Mauretamië, wiens zuivere lineare afstammelingen echter de Amazirgh zijn, een zijtak van de Berbers. De moderne Moren stammen af van een verbond van de oude inwoners van deze regio met hun Arabische overheersers, die verschenen in de 7e eeuw. Aangezien de Mohammedaanse overheersers  van de Visigoths in Spanje (711-713) vanuit Noord-Africa kwamen, werd de naam Moor ook op hen toegepast door de Spaanse kroniekschrijvers en in dat verband is het een synoniem aan Arabier en Saraceen. Deze Moren drongen noordwaarts Frankrijk binnen tot aan hun terugdrijving door Charles Martel tijdens de grote strijd  van Tours in 732, waarna ze zichzelf praktisch beperkten tot Zuid-Spanje aan de Ebro en de Sierra Guadarrama…. De verdreven Moren vestigden zich in het noorden van Africa, stichten steden waar vandaan ze de Spaanse kustvlakten teisterden, en uiteindelijk zich ontwikkelden in de piraten staten van Barbaren, wiens plunderingen een bron van ergernis waren voor de beschaafde Christelijke machten zelf tot aan huidige eeuw.”—Twentieth Century Cyclopaedia, Vol VI, p. 24.

De conflicten tussen het zuiden en het noorden, volgend op de Grieks-Romeinse oorlogen, waren tussen de Mohammedanen en de Christenen. In die tijd, daarom, terwijl de titel, “koning van het noorden,” van toepassing is op de heersers van het Gekerstende Rome, is de titel “koning van het zuiden,” op de Mohammedaanse heersers.

 

Omdat de Saracenen, Moren, Arabieren en Turken—de Moslims—de opvolgers zijn van het Mohammedaanse rijk in verschillende regimenten, zullen we voor de beknoptheid de naam Mohammedanen gebruiken voor allemaal, alsof ze één regiment waren.)

Deze profetische en historisch vastgelegde gebeurtenissen, maken het onmogelijk om de titels verkeerd toe te passen, of om de machten verkeerd te interpreteren.

Bovendien, geven de verzen (verzen 25, 26, 28-30) waar wij ons nu op concentreren de overwinning aan de koning van het zuiden en de geschiedenis toont aan dat, precies op de tijd dat de geschriften uitwijzen, de Mohammedanen verrezen vanuit Africa, en ook de Christelijke naties binnenvielen, ten noorden van het Middelandse Zeegebied. Toen was het dat Rome, Egypte en Palestina verloor. In deze verzen zijn de persoonsvoornaamwoorden van deze twee tegenstanders, “koning van het zuiden,”en “koning van het noorden,” niet terug te voeren door grammaticale wetten, maar alleen door de logische opeenvolging van gebeurtenissen:

“En hij [ de koning van het noorden] zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote heirkracht, en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij [ de koning van het noorden] zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. En die de stukken zijner spijze[ de spijze van de koning van het noorden]  zullen zij eten, zullen hem[ de koning van het noorden] breken, en de heirkracht deszelve[ de koning van het zuiden] zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen….Dan [overwonnen] zal hij [ de koning van het noorden] in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij [de koning van het noorden] zal het doen en wederkeren in zijn land. Te bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, nog gelijk de laatste reis.” Verzen 25, 26, 28 en 29.

Hoewel de “hij” van vers 28 terug keert naar “zijn land met groot goed,” heeft hij ze niet als buit meegenomen van de koning van het zuiden, wiens leger hem overstroomde en maakte dat “vele verslagenen zullen vallen,” om niet weder op te staan (vers 26), maar hij moet ze ontvangen hebben van de vele bekeerden tot zijn geloof. Zij die de stukken zijner spijze aten (vers 26), zijn dienstknechten, en die hem later breken, in het begin, de Protestanten.

De “hij” van vers 29 keert weer te bestemder tijd en komt tegen het zuiden, “hij” is daarom de koning van het noorden die weer opgaat voor een andere strijd. Dit zijn de bijzonderheden die de geschiedenis bevestigd en zodoende is het duidelijk dat de tussen identificatie van het voornaamwoord tussen haakjes juist is.

De westerse invasie van de Mohammedanen begon “in 639 A.D.” toen ze “het land binnenvielen en Egypte een Mohammedaanse provincie werd.”—The New Student’s Reference Book.

Aldus de Ptolomeanen volgend, kwamen de Mohammedanen wiens regering het tweede zuidelijke regiment was aan de titel, “koning van het zuiden.”

Rond 814 A.D. had Rome (de koning van het noorden) reeds Egypte en Palestina aan de Mohammedanen (koning van het zuiden) overgedragen.

Gewetens-overheersende Christenen van het noorden en gewetens-overheersende Mohammedanen van het zuiden zijn sinds dien in territoriale en godsdienstige conflicten geweest. En om het even welke een stuk van de andere zijn grondgebeid nam, dwong op straffe des doods voor non-conformiteit van zijn godsdienstige geloofspunten aan zijn gevangenen.

 

(8)

 

Beiden spraken leugens

 

“En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.” Vers 27.

 

De ene tafel waaraan beide koningen spreken is natuurlijk figuurlijk; dat is Pauselijk Rome verklaarde aan haar gevangenen dat de Romeinse godsdienst een vooraf schaduwing was van de engel Gabriels aankondiging aan Maria dat ze een zoon zou dragen, de Verlosser van de wereld; evenzo verklaarden vervolgens de Mohammedanen, aan hetzelfde volk (aan dezelfde tafel), toen ze hun gevangenen werden, dat de engel Gabriel aan Mohammed was verschenen en hem de godsdienst had gegeven welke alle volkeren van de wereld moesten hebben.

 

Hoewel de verklaring van Rome met betrekking tot wat Gabriel aan Maria zei, gebaseerd is op feiten, was Rome’s ware godsdienst slechts bedekt met een laag Christelijkheid, niet de godsdienst van de Ene Wiens geboorte Gabriel voorsprak. Voor wat betreft Mohammed die de godsdienst ontving van Gabriel, hij heeft het nooit ontvangen. Aldus spraken beiden, de Mohammedaanse officieren en de Christelijke heren, leugens aan een tafel—tot de bevolking.

 

Maar “het zal niet gelukken,” verklaard de engel, “want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd”: dat wil zeggen hun valse godsdienst zal tot een einde komen op de daarvoor bestemde tijd: ze zullen niet altijd bestaan.

 

Kaart 9 toont het uiteindelijke resultaat—de naties die permanent gekerstend zijn en de naties die permanent Mohammedaans zijn.

 

Blz. 79 kaart 9.

 

(9)

 

Tegen het Heilig Verbond

 

De noodzaak ziend van een compromis sluiten met de heidenen om een makkelijke prooi van hen te maken, was daarom de koning van het noorden zijn hart tegen het “heilige verbond” ( verzen 28, 30, 32); hij liet de Sabbat van de schepping ( Ex. 20: 8-11) vallen van de Christelijke geloofsbelijdenis, welke de Heer “gezegend en geheiligd” heeft als een gedenkteken van Zijn werken, “een eeuwig verbond.” Ex. 31: 16, 17.

 

Het hebben van intellectueel contact van de koning van het noorden slechts met hen die “het heilige verbond verzaakten,” verduidelijkt twee punten: ten eerste, dat niet allen de Sabbat verzaakten; ten tweede dat de kleine hulp waarmee hij sterk werd, niet de trouwe volgelingen van Christus waren, maar de ontrouwen.

 

“En die goddelooslijk handelen tegen het verbond zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk die hun God kennen zullen zij grijpen en zullen het doen.” Vers 32

 

Dit vers openbaart het karakter van elke klas: ten eerste van de ontrouwe; en ten tweede van de getrouwen. Met betrekking tot het lot van de getrouwen, lezen wij:

 

“En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis endoor beroving vele dagen.”

 

“Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden, doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.” Verzen 33, 34.

 

Deze verzen, voorspellen naast de vooraf schaduwing van het martelaarsschap van de trouwe volgelingen van Christus, de Reformatie, de “kleine hulp,” en voorzegd dat haar huidige gevallen staat veroorzaakt is door “vleierijen.”

 

(10)

 

Ontheiligt het Heiligdom, Pakt het Dagelijkse Af

 

“En er zullen armen uit hem ontstaan en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterke, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.” Vers 31.

 

Dat deze drie schakels van Waarheden (de ontheiliging van het heiligdom, het wegnemen van het dagelijkse, en het plaatsen van een gruwel) in de profetische keten van gebeurtenissen, ons vele eeuwen brengen in de Christelijke eeuw, wordt concluderend bevestigd door Christus zijn verwijzing naar hen als in de toekomst, vanaf de tijd dat Hij het gebod uitsprak:

 

“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats, ( die het leest, die merke daarop) . Dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen.”Matt. 24 : 15, 16.

 

Een heidens heiligdom is reeds onrein, en kan daarom niet vervuilt worden. Het is daarom overduidelijk dat het heiligdom van kracht ( niet de heidense), ontheiligd werd door het erin brengen van een heidense priesterschap en onbekeerde heidenen. Het “heiligdom” is de Christelijke kerk, want gedurende de tijd dat de ontheiliging plaatsvond, was er geen heiligdom in Jeruzalem. ( Betreffende het “dagelijkse,” lees traktaat nr. 3. Het Oordeel en de Oogst, p. 38, 39)

 

(11)

 

Negeren (Veronachtzamen) van een God en de Begeerte van Vrouwen

 

“En op de goden zijner vaders zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken. En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; degenen die hij kennen zal zal hij de eer vermenigvuldigen,en hij zal ze doen heersen over velen ,hij zal het land uitdelen in prijs.” Verzen 37, 39.

 

Geen enkele natie dan gekerstend Rome vervult deze profetie, want zij is de enige die de god van haar vaderen negeert ( de Heidense god), en een vreemde god ( de God van de Christenen) erkend.

En alhoewel ze beweert de Christelijke God hartgrondig te hebben geaccepteerd, ontmaskerd dit geschrift de valsheid van haar verklaring.

 

“Zal hij ook geen acht geven…de begeerte der vrouwen” Vers 37.

 

De begeerte van een vrouw is een thuis ( Gen. 3 : 16)

–een behoefte die de Heer in haar hart geplaatst heeft. De Romeinse instelling van kloosters, is daarom niet in de wil van God.

 

(12)

 

Het Vijfde Regiment van het Noorden

Verslaat het Tweede Regiment van het Zuiden

“En op de tijd van het einde zal de koning van het zuiden  tegen hem stoten…..de koning van het noorden.” Vers 40.

De engel die Daniels geschriften dicteerde, verklaart dat in de tijd van het einde deze profetieën geopenbaard zouden worden, en dat in die tijd “velen zullen naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.” Dan.12: 4.

Moderne uitvindingen, in het bijzonder in de sfeer van vervoer en communicatie, worden erkend als de vervulling van de voorspelde toename van wetenschap. De huidige toename van wetenschap, laat daarom zien dat we nu leven in de tijd van het einde. Aan het begin ervan verklaart Inspiratie, ( in de achttiende eeuw)zal de koning van het zuiden “stoten tegen” de koning van het noorden—de tijd waarin de koning van het noorden zal—

“….zal tegen hem (tegen de koning van het zuiden) aanstormen, met wagens en met ruiters en met vele schepen; en hij zal in de landen komen en hij zal ze overstromen en doortrekken. En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter neder geworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen. Edom en Moab en de eerstelingen der kinderen Ammons. En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. En hij zal heersen over de verborgen schatten des Gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte en die van Libië en de Moren zullen in zijn gangen wezen.” Verzen 40-43.

 

Voorbijgaand aan de profetische declaraties van de Mohammedaanse overwinningen, en komend aan “de tijd van het einde,” in de negentiende eeuw, bemerken we dat de gekerstende koning van het noorden in zijn vijfde regiment (de Christelijke regeringen onafhankelijk van de kerk) op het punt staat de koning van het zuiden ( het Mohammedaanse rijk) te overschrijden, en uiteindelijk Egypte en Palestina over te nemen en nog vele andere landen naast deze twee die deel uitmaakten van het Mohammedaanse rijk.

 

Kaart 10 benadrukt het Turkse Rijk en haar grootheid en geeft ook de data aan dat de verschillende provincies vielen. Volgens de kaart, volgde de ondergang van het rijk in 1699 (tegen de tijd van het einde—Dan. 12: 4).

Blz. 85 kaart 10

“ Tot 1915, toen Engeland de Turkse overheersing tot een einde verklaarde en een protectoraat instelde, was Egypte bij uitstek een Turks gebiedsdeel. Maar vanaf 1883, Rabiës officieren opstand volgend, is Egypte voornamelijk geregeerd door Groot-Brittannië onder een consulaat-generaal.”—The New Student’s Reference Book.

“Palestina [het sieraad land], lange jaren het tehuis van het Hebreeuwse ras, was onder het bewind van Rome in de tijd van Christus. In de zevende eeuw ging het onder de Moslim macht en vanaf 1516 tot 1919 was het in de handen van de Turken en een deel van het Turkse rijk.”—The World Book.

Edom, Moab en de eerste kinderen van Ammon (die van Jordanië) kwamen dan onder het mandaat van Groot-Brittannië. ( Zie kaart 5, p. 18). Het Woord echter, zegt zij ”zullen uit zijn hand ontsnappen,”tonend dat hoewel hij ze nu heeft, hij ze zal verliezen.

En “de Libiërs en de Ethiopiërs zullen in zijn gangen wezen” ; waarschijnlijk zullen ze hem volgen- hem aanhangen.

Om de waarheid in ons verstand vast te leggen, voordat we gaan van vervulde profetie naar onvervulde profetie is het passend om aandacht te besteden aan de volgende

 

                                      Terugblik:

 

Na de verdeling van Alexander’s grondgebied, werden Egypte en Palestina zoals eerder gezien eerst geregeerd door de Ptolomeën ; ten tweede door Heidens Rome (verzen 15, 16) , ten derde door de Mohammedanen bij de ondergang van gekerstend Rome (vers 22) en ten vierde, opnieuw door de Christenen – in het bijzonder door Groot-Brittannië ( vers 41).

Dit zijn de enige historische en profetisch opgeslagen vervangingen, die betrekking hebben op de oude landen van Egypte en Palestina. De overgave van deze landen door een profetische koning aan de andere, identificeert onmiskenbaar “de koning van het noorden”en “de koning van het zuiden”vanaf de tijd van het verdelen van Alexander’s rijk tot de tegenwoordige tijd en laat geen ruimte voor twijfel en voor discussie.

Het  voor de tweede keer ingaan van Rome( koning van het noorden ) in “het sierraad land” ( vers 41) toont aan dat hoewel , zoals eerder  vermeld het eens het land overnam van de Ptolomeen (vers 16) het later in 633 A.D. verloor aan de Turken en in 1919 – “in de tijd van het einde” – het helemaal  terug won.

Hier is eenvoudig bewijs dat in de moderne tijd de Mohammedaanse heersers in profetie de “koning van het zuiden” genoemd worden, terwijl de koning van Engeland, tezamen met de ontwrichte families van gekerstende koningen, waarvan de profetie zegt dat ze elkaar niet zullen aankleven, ( Dan. 2 : 43) de “koning van het noorden”genoemd wordt.

In haar Heidense periode , wordt Rome door de twee benen van ijzer gesymboliseerd door het grote beeld en in haar gekerstende periode, door haar voeten en tenen van ijzer gemengd met klei.

Dat de “koning van het noorden”( Dan 11: 7) en de kleine-hoorn-macht (ogen hebbend van een man en een mond vol groot spraak—Dan. 7: 25)één en dezelfde macht zijn, wordt wederom getoond door, het feit dat “tijd, tijden en een halve tijd,” de tijd gegeven is in beide gevallen. Zie Daniel 12: 7. ( Het twaalfde hoofdstuk is een voortzetting van het elfde).

Het is nu duidelijk te zien dat het overgaan van Egypte en Palestina van de handen van een volk tot een ander de sleutel is welke het mysterie van Daniel 11 heeft ontsloten. En de waarheid voort schijnend met zulk een schittering maakt het overduidelijk dat de populaire leerstellingen dat Turkije “de koning van het noorden”is , en dat Engeland het te verschijnen koninkrijk van Israel is , worden door de geest  van dwaling gerekend, om zo Gods volk totaal het zicht te laten verliezen van de waarheid en hun standpunt , waar weten ze niet in te nemen.

 

(13)

Verklaart de Oorlog, Maar Niet Tegen de Koning van het Zuiden

 

In deze keten van gebeurtenissen is tot zover iedere schakel profetisch vervult, maar de verzen die wij vervolgens zullen overwegen, bevatten de schakels naar onvervulde profetie. Door het oog van geloof zullen we daarom een blik werpen in de toekomst:

 

“Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.” Vers 44.

De koning zijn laatste verschrikking zal niet opstijgen van het stoten van de koning van het zuiden tegen hem, maar van “geruchten uit het oosten en uit het noorden, “aantonend dat hij getrokken wordt in zijn laatste strijd voor de overheersing, niet door het verklaren van oorlog aan hem door wie dan ook, maar doordat hij oorlog verklaart aan velen, omdat geruchten uit het oosten en uit het noorden hem hebben verschrikt.

Als Duitsland agressieve activiteiten in het noorden van de Middellandse en de Japanners ten oosten daarvan de geruchten zijn die Engeland ertoe geleid hebben oorlog tegen velen te voeren en daar is geen twijfel aan, dan zal deze tweede wereld oorlog leiden tot de vervulling van het complete hoofdstuk onder beschouwing.

 

(14)

Zijn Laatste Handeling

 

“En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan de berg des heiligen sieraad en hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben.” Vers 45.

Het is vanzelfsprekend dat het planten van “de tenten van zijn paleis” niet het planten van zijn capitool kan betekenen. De tenten, kunnen een zijtak van zijn paleis aangeven. En zijn keuze om ze te planten “aan de berg des heiligen sierraad,” geeft aan dat de plaats bedoelt is om zijn tenten te verbinden aan de heiligheid van de God van de Christenen. De tenten van zijn paleis investeren met zo’n heiligheid, kan alleen betekenen dat het het hoofdkwartier zal huisvesten in de spoedig komende Pauselijke Wereld regering, die we reeds in beschouwing hebben genomen. Maar één locatie, waarschijnlijk de Berg Sinaï is “tussen de zeeën”—De Rode Zee en de Middellandse Zee. Dat hij dit kiest in de plaats van Jeruzalem, suggereert, dat het is omdat zowel Palestina, evenals Edom, Moab en Ammon zullen “uit zijn hand ontkomen.”

De verklaring,”hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben” toont aan dat hij daarvoor geholpen werd door een andere macht, en dat hij niet lang daarna zal voortgaan, en hoogstwaarschijnlijk betekend dat zijn pauselijkheid zal worden omver geworpen door de hoornen van het scharlaken rood beest. (Openb. 17: 16)

Het wordt nu duidelijk dat “de tenten van zijn paleis” verondersteld worden om heiligheid voor te stellen, en dat de vrouw rijdend op het beest (Openb. 17: 3), de wereld haar sociaal, economische, politieke en religieuze problemen regelt, de waarheid is duidelijk dat de huidige Christelijke regeringen gereorganiseerd en geregeerd moeten worden door een pauselijk hoofd—niet door Hitler.

Ons gebed is dat allen zich ervan zeker stellen dat hun namen in het Boek des levens van Michael zijn, want zij wiens namen daar niet zijn, zullen uit gesloten worden om voor eeuwig vernietigd te worden.

Als scheidende verzekering dat we nu leven in de tijd van het einde, en aangezien die tijd zal overgaan in de eeuwigheid, citeren we de engel zijn heilige woorden:

“En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dien zelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van die , die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken dezen ter eeuwigen leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzen.” Dan. 12 : 1,2

 

Conclusie

 

Aangezien de profetieën die hierin behandelt zijn, vele eeuwen van de geschiedenis aan een schakelen, zijn we binnen het bestek van deze traktaat maar kort in staat geweest om de betreffende geschiedenis te behandelen, speciale aandacht gevend aan het deel waardoor de Heer de voeten van iedereen gaat leiden die begerig is om het kruis op te nemen en Hem veilig te volgen over de bodemloze put, waarin alle andere levenden spoedig zullen vallen. De waarheid die hier aan het licht is gebracht, schijnend zo helder als het doet, zou al de oprechten moeten overtuigen en bekeren die aan het op handen zijnde noodlot willen ontsnappen. Daarom, mogen allen

 

Het ter harte nemen en voordeel halen.

Als een reddingslijn om de trouwe volgelingen van Christus ervan te beschermen om door de godsdienst van welke macht , heeft God de profetische keten van gebeurtenissen hierin onder de aandacht gebracht.

Zij die verwachten geleid en gered te worden door het Woord der Waarheid, alsook om verlost te worden van de tijd der benauwdheid, het opstaan van Michael ( Dan. 12: 1)welke zorgt voor de tegenwoordige verwarring van de naties met zich zal voortbrengt, zou nu niet moeten aarzelen om nu hun standpunt in te nemen aan de zijde van rechtvaardigheid en waarheid. Om deze reden, broeder, zuster schijnt dit licht nu voort op uw pad.

 

Aan hun die de Heer Zijn waarschuwing ter harte nemen en die aan Zijn zijde staan, is de belofte gedaan: “ De leraars nu zullen blinken, als de glans der uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.” Dan 12 : 3

 

“Velen zullen er gereiningd en wit gemaakt en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen en geen van de goddelozen zullen verstaan , maar de verstandigen zullen het verstaan.” Dan 12 : 10

 

“Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak,: Vrees God en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.” Prediker 12:13. Staat nu op en wordt verlicht, maak dat de Psalmist u zelf prijst: zeggende ,”O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.” O Heer, Gij zijt mijn God; U zal ik verhogen, Uw naam zal ik loven, want U heeft wonderlijke dingen gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.” Psalm 71: 17; Jes. 12: 1.

 

Kaarten

 

Nummers 1-4, 6 en 7 zijn aanpassingen vanuit de mappen in Empires of the bible, door A.T. Jones.

Nummer 5 is aangepast van de mappen die voorkomen in The Dallas morning News gedurende 1941.

Nummer 8 is aangepast van een van de serie mappen in Myers’ Ancient HIstory revised edition.

Nummer 9 en 10 zij een reproductie van de mappen in The New World Problems in Political Geography.

 

 

Illustraties

 

Voorpagina: bovenste door Knott in  The Dallas Morning News; de onderste door Sakren.

 

Al het schuin gedrukte de onze



TER CORRECTIE

 

God’s Titels Niet Beperkt Tot Een Taal

 

[picture]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Titels Niet Beperkt Tot Een Taal

 

VRAAG:

 

Is het geen feit dat de Bijbel vertalers de originele Hebreeuwse namen van de Schepper (Elohim, Jehovah, El, Elahh, Elowahh, Bethel, en Tsur) veranderden in de namen van Baal ( God, Heer, etc)? En als de namen van de Schepper feitelijk Elohim, Yahovah, et.al…zijn, en als God, Heer, etc de namen van heidense goden zijn, waarom noemen we Hem dan bij de laatste?

 

ANTWOORD:

 

Omwille van een juist en consequent begrip ter verwijzing naar de woorden ter discussie, vragen wij de aandacht van de lezer voor het zelf bewijzende feit dat de verschillende Hebreeuwse woorden die aangeduid zijn door de vragensteller als “de originele namen van de Schepper,” die allen karakteristiek zijn voor een bepaald oogpunt of eigenschap van de Heilige natuur of karakter, daarom niet namen zijn, maar titels, van de Schepper. Alleen de naam Jehovah schijnt Zijn Eigenlijke Naam te zijn; daarom zullen we het hierin apart van de titels behandelen.

 

Om de waarheid te vinden achter deze belangrijke tweevoudige vraag, gaan we terug naar niet slechts het begin van de Hebreeuwse natie, maar tot het begin van alle natiën; dat is, tot

 

De Kern van de Zaak.

 

We zien dat toen God de mens schiep en godsdienst aanbidding ontstond, Hij aan zijn schepselen Zijn titels verklaarde, in de taal van Eden. Later toen de zonde zijn intrede deed, en toen de mensen zich vermenigvuldigden en de goddeloosheid toenam, en toen het zich voortzette zelfs na de zondvloed, veroorzaakte Gods wraak tegen hun vanwege het bouwen van de Toren van Babel, Hem om “de taal van de ganse aarde” te verwarren, en om hieruit de talen van de natiën te creëren. Toen werden de originele titels van God aan het volk gegeven in hun respectievelijke talen; omdat de titels van God, in een taal die vreemd is voor de voorstelling {of denkbeeld} van de naties, geen betekenis voor hen zouden hebben.

 

Daar hun zonden zorgden voor een steeds grotere verwijdering van de kloof tussen God en de mensen, maakten zij uit protest, om hun hartenwens voor een zichtbare God te bevredigen, voor zichzelf

 

Afgoden, Vernoemd naar de Heilige Titels.

 

In plaats van de afgoden namen te geven die speciaal voor hun waren voortgebracht, eerden de makers hen met de Heilige titels om het te laten lijken alsof de afgoden afbeeldingen van God waren, een vervalsing die overtuigend bepaald wordt door zulke overduidelijke bewijzen als dat het woord Elah, een Hebreeuwse titel voor de Godheid, wordt gebruikt door de Turken als de naam van hun god [Allah]; dat het woord, Tsur, een andere Hebreeuwse titel van de Godheid, wordt gebruikt door het Russisch-Sloveense volk als de titel voor hun koningen {tsaar}; en dat “Elohim, in vele gevallen gebruikt wordt als de goden van de heidenen, die in dezelfde titel de God van de Hebreeërs meerekenden, en in het algemeen de Godheid aanduidden, als ze spraken over (aldus) een bovennatuurlijk wezen.”—Dictionary of the Bible, Smith, definition “Jehovah.”

 

Vanuit deze bewijzen, zien we duidelijk dat de namen van de afgoden, in feite niet de namen van de afgoden zelf zijn, maar de titels van God. Door daarom onze aanspreektitel tot Hem te beperken tot één taal—de Hebreeuwse—alleen maar omdat Zijn titel in onze taal ooit gebruikt werd ter ere van afgoden, wordt de conclusie bekrachtigd dat de afgoden van de heidenen, God de Schepper hebben overwonnen door Hem te beroven van Zijn titels! Wat een afstotelijke gedachte!

 

Vandaar dat, als wij meer plechtigheid moeten verbinden aan schrijfwijzen die de Godheid uitdrukken, in welke taal dan ook meer dan in de andere, zou het moeten zijn

 

Alleen In De Taal van Eden, of In Allen Gelijk.

 

Als vanaf het begin tot vandaag “de ganse aarde van enerlei spraak was”

(Gen. 11:1), en als de dag maar nooit was aangebroken toen “de Heer de spraak der ganse aarde verstrooide” (Gen. 11:9), dan zouden Gods aanbidders Hem alleen dan aanspreken in de taal van Eden. Maar gezien het feit dat vanaf dat uur tot deze, verscheidenheid en verwarring van tongen het taalkundige lot is geweest van het menselijke ras, heeft de Heer Zijn woord nooit beperkt tot een universeel medium van uitdrukking, maar heeft het eerder aangepast aan al “de volkeren en menigten, en naties, en tongen” van de aarde, zodoende rekenschap gevend aan

 

De Verschillende Titels van de Godheid.

 

De Joden noemden de te verwachten Christus: Messias, maar wij die Engels spreken noemen Hem: de Gezalfde, omdat dat is wat het woord Messias in onze taal betekent. De titel: Gezalfde heeft geen betekenis voor een Hebreeër, evenals Messias voor een Engelsman, tenzij de Engelsman en de Jood, beiden Engels als Hebreeuws spreken, of als het woord uitgelegd wordt aan hen in hun respectievelijke tongen. Op gelijke wijze is dit het geval met de woorden Elohim en God — gelijkwaardigheden in hun respectievelijke tongen. De menigten van gewone mensen die alleen Engels spreken, kunnen niet op een verstandige wijze de Schepper aanspreken met een woord dat vreemd is aan de Engelse taal. Bijvoorbeeld, wanneer (we) spreken van de Ene Die alle dingen schiep, moeten wij Hem noodzakelijkerwijs noemen met het Engelse woord: Schepper, in plaats van het Slavische woord: Sutvaritel, of met het Griekse woord: Plasten. Aldus, zoals het gepast is in het Engels om te zeggen: Schepper of Vader, wanneer we die Ene aanspreken Die alle dingen heeft geschapen, dan moet het, om consequent te zijn, ook gepast zijn om Hem God te noemen in het Engels, in plaats van hem bij de Joodse titel: Elohim te noemen.

 

Voor de Jood betekenen de woorden, Elohim, Elowahh, Elahh, en El: Machtige, Schepper, hetzelfde als wat het woord: God, zoals in algemene aanvaarding, voor de Oud-Engelsen; het woord Otheos, voor de Griek; het woord Bog, voor de Sloveen; Gott voor de Duitser; Gud voor de Scandinaviër; Dios voor de Spanjaard, en Allah voor de Turk betekent.

 

Vandaar dat het woord, Elohim en haar varianten, God, Theos, Bog, Gott, Gud, Dios, Allah, Lord {Heer} en ga zo maar door, losse tegenhangers zijn in hun respectievelijke talen, de algemene betekenis van hun allen is en ruimere zin hetzelfde als dat van de Engelse naam: heer, welke een eerbiedwaardige titel is gegeven aan een echtgenoot, aan een edelman, aan een eigenaar, aan een bezitter, of aan een zekere officiële persoon.

 

Het is vanuit deze algemene acceptatie van de woorden dat God en Heer, beiden worden toegepast op de Godheid, en niet meer van een punt van gepaste naam dan met het woord Vader.

 

Dit is passend geïllustreerd door de voorpagina “gesneden” van Augustus Caesar. Deze grote Romeinse heerser, had als een van zijn verheven titels, de term “Pontifex  Maximus” omdat hij werd aanbeden, in het heidens systeem, als hun zichtbare god op aarde. Later werd deze titel overgenomen door de Paus van Rome. Alzo werd het met Gods titels gedaan door de Baäl aanbidders.

 

Verder is het standbeeld van Augustus niet Augustus zelf. Het is slechts een afgod van hem, aanbeden door de mensen nadat zij niet langer zijn levende aanwezigheid konden aanschouwen.

 

Dus deze mogelijkheid van exclusieve koninklijke, en zelfs heilige titels die gebruikt worden door afgunstige personen of toegepast op afbeeldingen, is een gebruik dat ongelukkigerwijs altijd heeft bestaan, en er is niets dat daaraan gedaan kan worden, zolang de mens voortgaat om het gebod te overtreden dat zegt:

 

“Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is: Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want ik de Heere, uw God, ben een jaloerse God.” Ex. 20:4 {KJV}.

 

Al de algemene termen, in de verschillende talen, karakteriseren eerder wat God is, dan Wie Hij is; met andere woorden, deze termen zijn eerder de titels van Zijn natuur en karakter, dan van Zijn identiteit. Als ze daarom niet vertaald waren in de talen van de natiën, zouden ze zonder betekenis zijn voor de mensen.

 

 

Vanuit de hierin gecombineerde bewijzen van de Geschriften, geschiedenis , filologie {taalkunde} en logica, zien we duidelijk dat de woorden God, Heer enz., niet oorspronkelijk, noch ooit exclusief, de namen waren van Baäl, of van welke andere afgod dan ook. Als gevolg daarvan is er

 

Niets Verkeerds aan Gods Titels in Welke Taal dan ook.

 

Het is dan vanzelfsprekend dat, hoewel de heidenen de term god gebruikten, wanneer ze hun afgoden aanspraken, zoals sommigen de titel vader gebruiken voor een persoon die niet hun vader is, doch door zo te doen, zij daardoor niet meer werkelijk enig afgod tot God maakten, dan dat ze daarmee werkelijk de titels van de echte God, tot de titels van afgoden maakten; niet meer in feite, dan hen die het woord vader misbruiken, het zo verontreinigen, dat we nu genoodzaakt zijn onze aardse ouder met een andere titel aan te spreken.

 

En als er nog steeds wordt geprotesteerd, dat deze verschillende titels van de Godheid worden ontheiligd omdat afgoden-aanbiddende natiën ze gebruikten, dan moet er door dezelfde blijk van logica ook geprotesteerd worden, dat hun Joodse equivalenten zelfs meer ontheiligend zijn, vanwege de nog schandelijkere en verwerpelijke afgoderij van de Joden, die op bespottende wijze deze titels van de ware God mompelden, terwijl zij vreemde goden achterna gingen en Zijn profeten doodden, en die zelfs Zijn enig geboren Zoon niet spaarden.

 

Juist door het feit dat toen de heidenen het Christendom aannamen, de Geest der Waarheid deze misbruikte titels van de Godheid “voor het Christelijk verstand verhief”, toonde Hij daardoor aan dat God niets tevergeefs {of zonder betekenis} geschapen heeft, en dat er geen andere goden voor Hem zijn. Dus in plaats van dat deze titels nu een gruwel voor ons worden, zouden ze een betere status moeten hebben dan daarvoor, net als de Verkwister dat had nadat hij terugkeerde tot zijn vaders huis.

 

De apostel erkende dit, en maakte daarom geen bezwaar toen de discipelen in Antiochië zichzelf Christenen noemden, naar de naam van de Heer in hun inheemse taal (Handelingen 11:26).

 

Het feit dat de apostel Paulus verder onder Inspiratie God aan de heidenen bekendmaakte, niet in de termen van (Jehovah, Elohim, et al..) naar zijn eigen verstandelijk vermogen en medegedeelde geloof, maar in termen ( De Onbekende God) van hun onwetendheid en ongeïnformeerde geloof, toont aan dat God ander aanspreek vormen tot Hemzelf accepteerde dan de Joodse namen.

 

Op dit punt, evenals alle andere punten staan wij met de apostelen en de profeten. En aangezien de apostelen zodoende waardig bevonden waren om hun namen geschreven te hebben op de fundamenten van de Heilige Stad (Openb. 21: 14) zullen wij op gelijke wijze waardig bevonden worden om door de paarlen poorten in te gaan, als ook wij ons onthouden van

 

Het Oneerbiedig Gebruiken van de Heer Zijn Werkelijke Naam

 

Als God zijn werkelijke naam Jehovah is, dan wagen wij, Zijn geschapen wezens, het om zo oneerbiedig informeel te zijn om Hem aan te spreken met Zijn Werkelijke Naam, in plaats van met een van Zijn titels, God, Heer, Vader, Schepper, Verlosser, etc. terwijl wij er niet aan zouden denken om toe te geven aan de minder oneerbiedige gewoonte van het aanspreken van onze aardse ouder met hun gegeven namen—John, George, Bill, Dorothy, Ruth, Maria, etc ., in plaats van hun ouderlijke titels Vader en Moeder?  Zulk een oneerbiedigheid, toegepast door de heidenen, mag te verontschuldigen zijn vanwege hun onwetendheid, maar toegepast door verlichte Christenen, die beter horen te weten, is niet te verontschuldigen. We mogen met eerbied het woord Jehovah gebruiken, alleen als een heiden ons zou vragen Wie is jou God? Dan zouden we met een plechtige correctheid kunnen antwoorden, Jehovah, de enigen ware en levende God. Nooit, echter kunnen we wanneer we God aanspreken Zijn Werkelijke Naam eerbiedig gebruiken.

 

Zoals de Godvrezende Joden vroeger ”de Heilige Naam te heilig achten om het uit te spreken,” evenzo zouden verlichte Christenen vandaag moeten doen.

 

Nochtans, de meest oude en geheiligde Hebreeuwse naam van God was gewoonlijk niet alleen nooit uitgesproken, maar was zelf zo gespeld in een afgekorte vorm dat het niet uitgesproken kon worden; zelf zo dat de originele uitspraak niet bekend is. Wat we zeker weten is de

 

Medeklinkers Vorm, Yhwh, Yvh, of Yhv.

 

De afgekorte vorm van de naam maakte het voor de vertalers moeilijk om een uitspreekbaar woord te spellen. Ze kozen er daarom voor om toe te voegen dat gene wat ze dachten dat de missende klinkers waren. De eerstvolgende lettergreep term waarover ze het algemeen eens waren was Jah. Andere afgeleiden waren verschaft door verschillende vertalers. Yahweh, Yahowah, of Yahovah werden geformuleerd om bepaalde talen te schikken. Daarom elke geïmproviseerd schrijven dat uitgaat om de onuitsprekelijke Naam op te maken, mag feitelijk toch uiteindelijk niet de Hebreeuwse zijn!  (Zie Funk and Wagnall’s Standard Dicitionary, definitie “Jehovah.”)

Als de originele naam theorie juist is bewezen, is er op zekere wijze

 

Niets om de Verandering te Voorkomen.

 

Daar we niet meer dan wat dan ook juist willen zijn in alle dingen, zou het daarom een zonde zijn om de Godheid in elke taal anders dan de Hebreeuwse aan te spreken, zouden wij meteen en zonder aarzelen onze verbale wijze van Hem aanspreken veranderen.

Maar zoals de zaken nu staan, zijn wij niet in staat om enige enthousiasme te delen betreffende zo een oorspronkelijke naam theorie, en het welk van de waarheid en waarde toe te schrijven welke sommige ons willen laten geloven, dat het verstelt, maar ook zijn wij meer dan ooit tevoren overtuigd de Heer niet aan te spreken met Zijn gepaste naam. In feite moet iedere volledig wakkere Christen, die oprecht de Heer dient, duidelijk zien dat om zich te schikken aan zo een theorie is, de heiligen er toe te brengen de Schepper te beledigen door Hem aan te spreken met Zijn Werkelijke Naam in plaats van met Zijn titel, en ook om te lijden onder het onheilspellend resultaat van enthousiastelingen worden over een of ander zo aanlokkelijk theorie dat ze praktisch die waarheden uitsluiten die essentieel zijn voor hun zaligheid.

Laat ons daarom

 

Toegeven:

 

Dat deze feiten voor altijd de beweging krachteloos maken dat nu in aantocht is om zich te ontdoen van het gebruik van de Christen van de titels God, Heer, Christus, etc: want om het op te geven om de Godheid met de titels aan te spreken, welke Hij heeft ingesteld in de verschillende talen, zou een nederlaag voor God betekenen en een overwinning voor de afgoden! Zulke misleidende bewegingen zouden moeten zijn

 

Een les.

 

Alle tegenwoordige waarheid gelovigen zouden nu de noodzaak moeten inzien van het mijden van allerlei winden van leer ongeacht hoe aannemelijk of redelijk het mag schijnen te zijn. Onthoud de woorden ” Zie, deze die uitgegaan zij naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.” (Zie p. 27 van Tract nr. 2, The Warning Paradox,–Zach. 6: 1-8). Haal uw leerstelling Broeder, Zuster alleen van de Gouden Schaal! (zie The Shepherd’s Rod, Vol. 2), en wees niet als de golven van de zee, gedreven en geslingerd door de wind—wordt niet meegevoerd door de vele winden van leer die wild waaien vanuit ieder richting om te veroorzaken dat jij je weg kwijtraakt naar het eeuwige koninkrijk.

 

——————–0—————–

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Het Oordeel En De Oogst

 

Alle Rechten Voorbehouden

V.T.HOUTEFF

Deze traktaat word gratis verspreid met als bedoeling om iedere waarheid-zoekende verstand die ernaar verlangt het pad dat leid naar de vernietiging van zowel lichaam en ziel te ontkomen.

TRAKTAAT NR. 3

Derde Editie

HERDRUK 2009(Engels)

Universal Publishing Association

P.O.Box 7613

Waco, TX 76714

1

—————-

2

Verward vanwege de Essentie

Hoewel het, het kronend werk is van onze verlossing en van het oprichten van het koninkrijk van Christus op aarde, toch is het “onderzoekend oordeel” een van de minst begrepen en de meest raadselachtige en verwarrende Bijbelonderwerpen van de eeuw. Ware het niet van wezenlijk belang voor onze verlossing, dan zou de vijand niet elke mogelijke poging hebben aangewend om het in duisternis te hullen. Noodzakelijk dan, is de aanhoudende noodzaak om de Schriften te onderzoeken “als naar verborgen schatten,” en om God de leiding van Zijn Geest af te smeken ten einde dit allerbelangrijkste onderwerp op de juiste wijze te begrijpen. Welk onderzoek dan ook naar waarheid, tenzij het motief is om de wil van God te leren en te doen, is echter tevergeefs. Vandaar: “indien iemand,” zegt Jezus, ” Zijn wil doen wil, zal hij van de leer weten, of zij uit God is.” Johannes 7:17. {TN3: 3.1}

Aangezien het onderwerp van het oordeel wordt geleerd in typen en gelijkenissen, en aangezien de Heer uitlegt dat Zijn leer door gelijkenissen zodanig is dat alleen Zijn discipelen de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen kunnen kennen (Matt.13:11), is het daarom vanzelfsprekend, dat

Niemand Anders Dan Zijn Volgelingen De Gehele Waarheid Kunnen Verstaan. {TN3: 3.2}

“Het koninkrijk der hemelen,” zegt Hij, “is gelijk aan een schat, verborgen in een akker; welke toen een mens het vond, hij het verborg, en vanwege de vreugde ervan heenging en alles verkocht wat hij had, en de akker kocht. Wederom, is het

3

koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die op zoek naar schone parels; die, toen hij een parel van grote prijs vond, heenging en alles verkocht wat hij had, en het kocht.” Matt.13:44-46. {TN3: 3.3}

In deze gelijkenissen, brengt Christus duidelijk tegenwoordige waarheid naar voren als de onmisbare voorwaarde voor het bevestigen van Zijn koninkrijk, en meest verheven poging  als de onmisbare voorwaarde om erbinnen te gaan. Aldus is het dat “niemand anders,” verklaart de Geest der Profetie, “dan degenen die het verstand versterkt hebben met de waarheden van de Bijbel door de laatste grote strijd heen zullen standhouden. Tot iedere ziel zal komen de onderzoekende toets: Zal ik eerder God dan mensen gehoorzamen? Het beslissende uur is zelfs nu nabij. Zijn onze voeten geplant op de rots van Gods onveranderlijk Woord?” –The Great Controversy, blz.593, 594 {De Grote Strijd, blz…}. {TN3: 4.1}

            Laat ons uit de verdoving komen van de aanmatiging van Gods genade, en Hem toch verantwoordelijk achten voor welke daaruit volgende zaak dan ook van ons leven. Hij heeft op volmaakte wijze Zijn deel gedaan in het volledig in kaart brengen van het smalle pad tot het koninkrijk; laten wij onze eerlijke best doen om daarin te volgen tot het einde van de weg, voor de vreugde die ons daar te wachten staat! Maar nooit zullen wij alzo doen behalve door terug te keren tot de oude grenspalen, door de Duivel te verlaten, die Gods volk heeft gekeerd van “de Weg, de Waarheid, en het leven” (Johannes 14:6), tot  “een weg die een mens recht schijnt,” maar  waarvan het einde “zijn de wegen des doods.” Spr.14:12. {TN3: 4.2}

4

Het Oordeel en de Oogst

in

Getuigenis, Gelijkenis, en Ceremonie en Getal

—————–

In het Licht van de Getuigenissen van de Profeten

Aangezien er door sommigen op krachtige wijze het standpunt wordt volgehouden dat deze allerbelangrijke waarheid niet door de Schriften alleen kan worden vastgesteld, laat  de lezer daarom aandacht schenken aan wat de Bijbel zegt:  {TN3: 5.1}

“Ik zag toe totdat er tronen werden neergezet, en de Oude van dagen gezeten was, Wiens kleed wit was als sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als de zuivere wol; Zijn troon was als de vurige vlam, en Zijn wielen als brandend vuur. Een vurige stroom vloeide, en ging van voor Hem uit; duizend  duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizenden stonden voor Hem; het oordeel was opgesteld, en de boeken werden geopend.”  Dan. 7:9,10{KJV}. {TN3: 5.2}

In dit schriftgedeelte worden vier toepasselijke feiten naar voren gebracht: (1) de tronen waren niet aanwezig voordat de opening van het tafereel in zicht werd gebracht; (2) de Oude van dagen kwam en zat toen de tronen waren opgesteld; (3) toen werden de boeken geopend; (4) dit alles

5

(tronen, de Oude van dagen, en boeken) openbaart een oordeelstafereel. En aangezien de boeken vanzelfsprekend het brandpunt zijn in het tafereel, rijst natuurlijk de vraag op,

Wat Is de Reden van Boeken? {TN3: 5.3}

Van fundamenteel belang voor een juist begrip van het oordeel, is een juiste verstandhouding van de aard ervan en van de reden voor de boeken. Wat het laatste betreft, zegt Johannes de Openbaarder:  {TN3: 6.1}

“En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het Boek des Levens; en de doden werden geoordeeld naar die dingen die in de boeken geschreven waren.” Openb.20:12.  {TN3: 6.2}

Het is daarom onbetwistbaar, dat de boeken zowel de namen als de verslagen bevatten van allen die geoordeeld zullen worden. En natuurlijk werden deze namen en verslagen erin opgetekend toen elk persoon leefde. “Uw ogen,” zegt de Psalmist, ” hebben mijn wezen gezien, nog onvolmaakt zijnde; en in Uw boek waren al mijn leden geschreven, welke in voortgang geformeerd werden, toen er nog geen van hen waren.” Ps.139:16{KJV}. “De Here zal rekenen, wanneer Hij de mensen opschrijft, dat deze mens daar was geboren.” Ps.87:6 {KJV}. {TN3: 6.3}

Aldus openbaart Inspiratie dat de daden van een ieder met ontzettende nauwkeurigheid staan opgetekend in de boeken des hemels, en dat er in de reden voor de boeken bestaat de

6

Reden Voor Het Oordeel. {TN3: 6.4}

Dat niet iedere naam die opgetekend is geweest in de boeken van het Lam daarin zal worden behouden, wordt met treurige beslistheid bevestigd door de volgende schriftgedeelten: {TN3: 7.1}

“En de Here zeide tot Mozes: ‘Wie dan ook tegen Mij gezondigd heeft, hem zal Ik uit Mijn boek delgen.’ Ex.32: 33 {KJV}. ” En indien iemand zal afnemen van de woorden van het boek dezer profetie, dan zal God zijn deel afnemen uit het Boek des Levens, en uit de heilige stad, en van de dingen die in dit boek geschreven zijn.” Openb. 22:19{KJV}. {TN3: 7.2}

Dienovereenkomstig, bevatten de boeken de namen van een gemengde menigte, –zowel  van degenen die standvastig stonden in het geloof en geduldig doorgingen tot het einde toe, als van degenen die dat niet deden.  Christus zei: “Hij die zal volharden tot het einde, dezelfde zal gered worden.” Matt 24:13{KJV}. Maar zij die niet volharden, zullen verloren gaan. {TN3: 7.3}

“En dezen zijn gelijk, diegenen op steenachtige grond gezaaid zijn; die, wanneer zij het Woord gehoord hebben, het terstond met vreugde ontvangen; en hebben geen wortel in zichzelf, en dus volharden {zij} slechts voor een tijd; daarna, wanneer er verdrukking en vervolging opkomt terwille van het Woord, zijn zij meteen geërgerd.” Mark. 4:16,17{KJV}. {TN3: 7.4}

“O Here, de hoop van Israël, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden, en zij die van Mij afwijken zullen in de aarde geschreven

 7

worden; want zij hebben de Here verlaten, de fontein van levende wateren.” Jer.17:13 {KJV}. {TN3: 7.5}

Dus moet er een dag komen van vergelding, een dag waarop de namen van degenen die onwaardig zijn bevonden voor het eeuwig leven uitgewist zullen worden uit het Boek des Levens van het Lam–een gerechtelijke actie waarvoor de enige juiste term kan zijn: “onderzoekend oordeel.”  {TN3: 8.1}

En nu dat de “tijd is gekomen dat het oordeel begint bij het huis Gods (…),” “gij daarom, lijdt verdrukkingen, als een goed soldaat van Jezus Christus” (2 Tim. 2:3), want “indien het [het oordeel] eerst bij ons begint, wat zal dan het einde zijn van hen die het evangelie van God ongehoorzaam zijn?” 1Pet. 4:17{KJV}. {TN3: 8.2}

Aangezien daarom, in de volheid des tijds, het oordeel zal beginnen in het huis van God, de kerk, wordt elk een geconfronteerd met de verplichte noodzaak om te weten

Hoe Namen Worden Behouden In Het Boek.  {TN3: 8.3}

Op het moment dat wij Christus aannemen als onze persoonlijke Verlosser door het Woord der Waarheid,– op dat meest verheven moment vergeeft God ons van onze zonden, en de met bloed bevlekte handen door Golgotha schrijven onze namen op in het Boek des Levens van het Lam. Dan begint tegelijkertijd de pen der engelen in het hemelse register met het  ten leven of ten dood te boek stellen van onze Christelijke ervaring, gescheiden van ons verleden. Zelfs “ de haren van uw hoofd zijn alle geteld.” Matt.10:30. Daarom, “laat uw mond niet toe,uw vlees te laten zondigen; zegt gij ook niet voor het aangezicht van

8

de engel, dat het een fout was.” Pred.5:6 {KJV}. Want in het onderzoekend oordeel worden de boeken geopend en de daden gedaan in het vlees worden aan het licht gebracht voor de laatste vergelding voor de Oude van dagen. Allen die standvastig zijn gebleven tot het einde zullen dan voor eeuwig hun zonden hebben laten uitwissen uit het boek en hun naam daarin behouden; terwijl allen die geen overwinnaars zijn zullen dan voor eeuwig hun zonden hebben behouden in de boeken en hun namen daaruit uitgewist. {TN3: 8.4}

Altijd is de grootste beproeving van de mens, en een die altijd een haast ogenblikkelijke beslissing heeft vereist,  tijdens het ontvouwen van de rol–bij het overschaduwen van een vroegere boodschap door een nieuwe,– tegenwoordige waarheid geweest. Bij elk van dergelijke gelegenheden heeft een ieder moeten kiezen: Zal ik gehoor geven aan de nieuwe en onpopulaire waarheid en in haar licht  wandelen, mij voegend bij degenen die worden veracht door haast iedere godsdienstige leider in het land? of zal ik mijzelf toestaan om afgeschrikt te worden door de beslissing of raad van de geestelijke bediening in mijn kerk? {TN3: 9.1}

Wanneer het oordeel begint en de boeken opengaan en de gevallen van elke generatie opeenvolgend ter inspectie voorbijgaan voor het gerechtelijke tribunaal, lijden sommige generaties aan een haast massale uitwissing van namen in plaats van zonden. Wanneer de generatie van Christus’ eerste komst is gewogen in de weegschaal van het heiligdom, zal een gehele natie te licht bevonden worden en hun namen zullen uit het boek gewist worden. En zo is het in variërende mate geweest bij de introductie van

9

iedere boodschap in iedere eeuw. “Verschillende perioden in de geschiedenis van de kerk zijn elk gekenmerkt geweest door de ontwikkeling van een zekere bijzondere waarheid, aangepast aan de behoeften van Gods volk in die tijd. Iedere nieuwe waarheid heeft haar weg gebaand tegen haat en tegenstand; zij die werden gezegend met haar licht , werden verzocht en beproefd.” –The Great Controversy, p. 609{ De Grote Strijd, blz. ..}. {TN3: 9.2}

Dienovereenkomstig, “wanneer er een boodschap komt in de naam van de Heer tot Gods volk, mag niemand zich ervan verontschuldigen om een onderzoek te plegen naar haar beweringen.” –Testimonies on Sabbat-School Work{ Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, p.65. Leg terzijde alle vooroordelen, eigen meningen, en ideeën van mensen die het kenmerk van Inspiratie niet dragen en die door hun handelingen in feite zeggen: “Ik ben rijk, en met goederen verrijkt, en heb aan niets gebrek” (waarheid noch profeten). Openb.3:17. {KJV}. {TN3: 10.1}

De Bijbel kan alleen op de juiste wijze uitgelegd worden door de Geest Die het gedicteerd heeft. Hij “zal u leiden in alle waarheid; want Hij zal van Zichzelf niet spreken; maar wat Hij ook zal horen, dat zal Hij spreken; en Hij zal u de toekomende dingen tonen” zodat u “bevestigd” kunt “zijn in de tegenwoordige waarheid.” En ” wie dan ook (…) lastert tegen de Heilige Geest [kwaad spreekt tegen de boodschap], het zal” hem “niet vergeven worden”; want het is het enige middel waardoor wij gered kunnen worden (Johannes 16:13; 2 Petr. 1:12; Lukas 12:10). {TN3: 10.2}

Dus, het grootste gevaar van de mensen is niet geweest dat zij luisterden naar dwaling,

10

maar eerder dat zij tegenwoordige waarheid verwierpen. “Als een boodschap komt,” zegt de Heer, ” die u niet begrijpt, neem dan de moeite zodat u de redenen kunt horen die de boodschapper kan geven,(…) breng dan uw sterke redenen naar voren; want uw standpunt zal niet aan het wankelen worden gebracht door in contact te komen met dwaling.”  — Testimonies on Sabbath-School Work{Gertuigenissen over Sabbatschool Werk}, pp. 65,66. Daarom, laat hij die meent te staan, erop toezien dat hij niet valle.” 1 Kor. 10:12. {KJV} {TN3: 10.3}

Het is daarom duidelijk, dat elke houding die iemand  niet beweegt  tot een grondig onderzoek te doen van welke boodschap dan ook die toegevoegde waarheid beweert  te zijn, onvermijdelijk ondergang over zichzelf moet brengen. Terwijl hij die anderzijds de waarheid aanneemt, maar verzuimt om het getrouw uit te leven en te verkondigen, daardoor ook ondergang over zichzelf brengt — datgene  waartegen Ezechiël waarschuwt: “Wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en ongerechtigheid doet, en Ik een struikelblok [een boodschap] voor hem neerleg, dan zal hij sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand afeisen. Als gij de rechtvaardige waarschuwt, dat de rechtvaardige niet zondigt, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker leven, want hij is gewaarschuwd; ook hebt gij uw ziel gered.” Ezech. 3:20, 21. Maar de goddelozen zullen “uitgedelgd worden uit het boek der levenden, en met de rechtvaardigen niet geschreven worden.” Ps. 69:28 {KJV}. {TN3: 11.1}

11

Aldus degelijk vastgesteld, maakt het voorafgaande standpunt over het onderzoekend oordeel alle tegensprekende standpunten tot

Ongegronde Conclusies. {TN3: 12.1}

Vanwege hun dwaal geloof dat Gods troon altijd in het heiligdom is geweest en dat Christus na opgevaren te zijn naar de hemel daar zat aan de rechterhand van Zijn Vader, hebben mensen iedere mogelijke poging aangewend om te bewijzen dat Christus “binnen  het voorhangsel” inging onmiddellijk nadat Hij Zijn discipelen verliet. Maar aangezien al deze pogingen, hoe goed bedoeld zij dan ook zijn in het belang van de waarheid, naar voren zijn gebracht door gedachten die zijn geïnspireerd, niet door de Geest der Waarheid, maar eerder door vooropgezette mening, moeten wij daarom ijverig de Here dringend verzoeken voor de beloofde Trooster om ons te leiden in alle waarheid, en ons te bewaren van aanmatigend te zijn en van het blindelings dingen als vanzelfsprekend aannemen en conclusies te vormen zonder onder de oppervlakte te graven.  {TN3: 12.2}

“Wij hebben ook een vaster staande woord der profetie,” zegt de apostel Petrus, “waaraan gij wel doet, dat gij daarop acht slaat, als op een licht dat schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt, en de dagster opkomt in uw harten; dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift van enige eigen uitlegging is. Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van een mens; maar heilige mensen Gods spraken, zoals zij door de Heilige Geest gedreven waren.” 2 Petr. 1:19-21. {TN3: 12.3}

12

De wijze lezer zal daarom voortaan ophouden om ruimte te geven aan menselijke theorieën en speculaties, die hem tot het uiterste toe verleiden om vlees tot zijn arm te stellen. Hij zal in plaats daarvan ijverig letten op Bijbelse profetie en op geïnspireerde uitleggingen, en zal daarvan leren dat het heiligdom is

Gods Tijdelijke Troonzaal. {TN3: 13.1}

Aangezien aardse wezens, daar zij zelf nooit in de hemel zijn geweest, van nature vreemdelingen zijn voor hemelse werkelijkheden (1 Cor 2:9), dan moet God, ten einde hemelse waarheid aan hen bekend te maken, het openbaren door middel van aardse werkelijkheden waarmee zij vertrouwd zijn. Vandaar dat door middel van het heiligdomswerk op aarde ,het heiligdomswerk in de hemel wordt gezien (Hebr. 9:1-9). Inderdaad, aangezien het heiligdom van boven het voorbeeld is van het heiligdom van beneden, worden daarom de diensten van de eerstgenoemde duidelijk geopenbaard in de diensten van de laatstgenoemde. En het feit dat het aardse heiligdom was aangesteld als een plaats voor belijdenis en voor vergeving van zonden, toont aan dat de troonruimte in het hemels heiligdom slechts tijdelijk is. Van daaruit, terwijl de zonde bestaat, zet de Heer het werk voort van het verwijderen van zonde en zondaars uit het universum. En dit licht op zijn beurt toont duidelijk aan dat pas nadat de zonde zijn intrede deed in het universum, het heiligdom overeenstemmend in de hemel kon hebben bestaan. {TN3: 13.2}

“Ik zag toe,” riep de Openbaarder uit, ongeveer 96 N.Chr., toen hem de troon in het heiligdom werd getoond, “en ziet, een

13

deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, was als het ware van een bazuin, met mij sprekende, zegende: Kom hier op, en Ik zal u dingen tonen, die hierna moeten geschieden. {TN3: 13.3}

“En terstond was ik in de Geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. En Hij die zat was in het aanzien gelijk aan een jaspis en een sardius steen; en er was een regenboog rondom de troon, in het aanzien gelijk aan een smaragd. En rondom de troon waren vier en twintig zetels; en op de zetels zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte gewaden; en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en er waren zeven lampen van vuur brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk; en in het midden van de troon, en rondom de troon, waren vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren. {TN3: 14.1}

“En ik zag, en zie, in het midden van de troon en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, stond een Lam, als Het was geslacht, hebbende zeven hoorns, en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde…En ik zag, en ik hoorde de stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizend,

14

en duizenden van duizenden.” Openb. 4:1-6; 5:6,11. {KJV} {TN3: 14.2}

Hier wordt een tweevoudig tafereel naar voren gebracht. Aan de ene kant, staan voor de troon de “zeven lampen, brandende” en het “Lam, zoals het was geslacht,” aantonend dat de troon daar was “opgesteld” om te dienen in de tijd van genade. Het licht van de kandelaar stelt het licht der waarheid voor in de kerk terwijl het bloed van het Lam verzoening doet voor zondige wezens. Aan de andere kant, zit op de troon de Oude van dagen, de Rechter, omgeven met de jury van vierentwintig oudsten plus de engelen getuigen, “tien duizendmaal tien duizend, en duizenden van duizenden” van hen, plus de vier dieren (die, zijnde “verlost” “uit elk geslacht, en taal, en volk, en natie” –verzen 8,9–daarom het zinnebeeld zijn van de heiligen–al degenen wiens zonden zullen worden uitgewist uit de verslagboeken,–net zoals de dieren van Daniël 7 het zinnebeeld zijn van al de koninkrijken die zullen omkomen in hun zonden), met het Lam, onze Advocaat, in het midden. Dit alles toont een gecombineerde bemiddelend-gerechtelijk werk aan. {TN3: 15.1}

Tot zover zien wij nu, dat toen Johannes in visioen de deur –het voorhangsel– zag, naargelang het  opende tot de Allerheiligste afdeling van het hemelse heiligdom, hij werd toegestaan om naar binnen te kijken,  en dat de dingen die hij zag, “hierna” zouden plaatsvinden vanaf zijn tijd; daarbij aantonend dat op de tijd van zijn visioen (ongeveer 96 N.Chr.), het Aller

15

heiligste afdeling was gesloten. Ter toevoeging hieraan, zullen wij nu zien uit Daniël’s profetie dat de oordeelstroon werd opgesteld in het Allerheiligste afdeling van het hemels heiligdom nadat de “kleine hoorn” van Daniël 7 opkwam. {TN3: 15.2}

“Ik nam acht op de hoorns,” zegt de ziener, ” en ziet, een andere kleine hoorn kwam tussen hen op, waarvoor er drie van de eerste hoorns  bij de wortels werden uitgerukt; en ziet, in deze hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, vol grootspraak. “Ik zag toe totdat er tronen werden neergezet, en de Oude van dagen gezeten was, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar van Zijn hoofd als de zuivere wol; Zijn troon was als een vurige vlam, en Zijn wielen als brandend vuur. Een vurige stroom vloeide, en ging van voor Hem uit; duizend duizenden dienden Hem, en tienduizendmaal tienduizend stonden voor Hem; het gericht {oordeel} was opgesteld, en de boeken werden geopend.” Dan.7:8-10.{KJV}. {TN3: 16.1}

Deze verzen openbaren dat nadat “het oordeel was opgesteld, en de boeken waren geopend,” “de Zoon des mensen,” Christus, toen werd “gebracht” naar een plek, niet aan “de rechterhand van God,” “de Oude van dagen,” maar “dicht voor” Hem (Dan.7:8-10,13{KJV}). {TN3: 16.2}

Zowel Johannes’ als Daniëls visioenen openbaren dat de troon in het heiligdom niet al vanaf het begin van de schepping Gods daar was; of vanaf de dagen van Mozes; of vanaf het uur dat Christus opvoer ten

16

hemel; of zelfs vanaf de dagen van heidens Rome; dat het inderdaad niet was “opgesteld” tot na de val van heidens Rome, toen de “kleine hoorn” van het moeilijk-te-beschrijven beest opkwam — in de dagen van Kerkelijk Rome (Dan.7:7-12,21,22). Daarom bevindt zich, elders dan in het heiligdom,

Gods Eeuwige Troonzaal. {TN3: 16.3}

Omdat het heiligdom niet bestond in de dagen ven de eerste Christengemeente, kon de troon, waarop Stefanus  Christus zag “aan de rechterhand van God”(Hand.7:56), daarom niet in het heiligdom zijn geweest, waarin  de “glazen zee,” is, maar eerder in het Paradijs, van waaruit de ” rivier van het water des levens,” vloeit en waarvan aan beide zijden ‘ de boom des levens” is. Openb. 22:1, 2. Het is daarom zeer vanzelfsprekend, dat de troon die Stefanus zag, “de troon van God en van het Lam” is, de blijvende en eeuwige troon. Rondom deze heerlijkheids-zetel zijn er geen dieren, geen getuigen, geen jury, en ervoor is er “geen kandelaar,” en geen bloed om te worden geofferd. Kortom, het staat niet in het met zonden beladen heiligdom, maar in het Paradijs. Het is de soevereine regeringstroon, van waaruit de Oneindige regeert over Zijn onsterfelijke, zondeloze wezens! {TN3: 17.1}

Naar deze troon dan, die van eeuwigheid tot eeuwigheid is, steeg Christus op, en zat daarop neer aan de rechterhand van Zijn Vader totdat de tijd kwam waarop, ter vervulling van Daniëls profetie en Johannes’ openbaring, enige tijd nadat de kleine hoorn

17

macht tot stand kwam, zowel Hij als Zijn Vader zich naar de heiligdomstroon verplaatsten. Op de laatstgenoemde zit Hij niet als een koning aan de rechterhand van God; maar eerder staat Hij ervoor, zowel als een geofferd lam (Openb. 5:6), en als een bemiddelaar (Dan.7:13) pleitend voor zondige mensen. Vandaar dat Zijn bemiddelend werk begon,

Eerst In Het Heilige,

Daarna In Het Allerheiligste. {TN3: 17.2}

In het aardse heiligdom oefende de hogepriester (Christus typerend) het gehele jaar door zijn functie eerst uit in de heilige afdeling, en dan op de Dag der Verzoening {Grote Verzoendag}, de dag van de reiniging van het heiligdom en het beoordelen van het volk, oefende hij zijn functie uit in de Allerheiligste afdeling voor slechts een dag. Deze tweevoudige dienst geeft aan dat in het hemels heiligdom, Christus, de Hogepriester, noodzakelijkerwijs zijn functie eerst moet beoefenen in de heilige afdeling tot aan de antitypische dag van Verzoening, en dan gedurende die dag, moet Hij zijn functie beoefenen in de Allerheiligste afdeling, voor de troon. Aldus verwerpen ook de aardse diensten het idee, dat Christus de Allerheiligste afdeling van het hemels heiligdom binnenging, meteen na Zijn hemelvaart. {TN3: 18.1}

Het is dan zeer duidelijk, dat het ceremonieel stelsel openbaart dat vanaf de tijd dat Christus ” zat aan de rechterhand van God”(Markus 16:19), waar de “rivier van het water des levens” is, tot aan de tijd dat Hij en de Vader zich verplaatsten naar de troon in het heiligdom, waar “de glazen zee” is (Dan. 7:9; Openb. 4:6), Hij

18

ten behoeve van ons dienst deed als een hogepriester in “de heilige plaats” (Hebr.9:12); en dat tegelijkertijd, gezamenlijk met de Vader, op de eeuwige soevereine regeringstroon (“de troon van God en van het Lam”), Hij regeerde over het zondeloze universum. {TN3: 18.2}

Uit de voorafgaande, heldere en duidelijke feiten, is de enige verdedigbare conclusie die getrokken moet worden, dat Christus, onmiddellijk na Zijn hemelvaart, in plaats van in te gaan binnen het voorhangsel in het heiligdom, neerzat aan de rechterhand van Zijn Vader, in het Paradijs, en van daaruit Zijn werk voortzette in de heilige afdeling van het heiligdom. {TN3: 19.1}

Hoe helder is reeds het licht der waarheid dat uiteindelijk voortschijnt over dit allerbelangrijk onderwerp van verlossing, dat zo lang gehuld is geweest in de dichte mist van menselijke theorieën en speculaties! En hoe solide de daaruit voortvloeiende rechtvaardiging van de herbevestiging van de Geest de Profetie betreffende haar standpunt over het onderwerp: “dat het rond het heiligdom vraagstuk standhoudt in gerechtigheid en waarheid, net zoals wij het gedurende zoveel jaren hebben beschouwd.” — Gospel Workers {Evangeliewerkers}, blz. 303. {TN3: 19.2}

“Werpt daarom uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote loonsvergelding heeft. Want gij hebt lijdzaamheid  nodig, opdat gij, nadat gij de wil van God hebt gedaan, de beloften mag ontvangen. Want nog een korte tijd, en Hij die te komen staat, zal komen, en zal niet vertoeven.” Hebr. 10:35-37{KJV}. {TN3: 19.3}

“De slotsom nu der dingen, die wij besproken hebben, is: Wij hebben zulk een

19

hogepriester, Die gezeten is aan de rechterhand van de troon der Majesteit in de hemelen; een bedienaar van het heiligdom, en van de ware tabernakel, welke de Here heeft opgericht, en niet de mens.” Hebr. 8:1, 2. {KJV}. {TN3: 19.4}

Want Christus is niet binnengegaan in de heilige plaatsen met handen gemaakt, welke een afbeelding zijn van het ware; maar in de hemel zelf, om thans voor het aangezicht van God te verschijnen voor ons.”Hebr. 9:24{KJV}. Inderdaad,”thans eenmaal,  aan het einde der wereld, is Hij verschenen om de zonde weg te doen door het offer van Zichzelf. En zoals het de mens beschikt is, eenmaal te sterven en daarna het oordeel” (Hebr. 9:26,27) – de reiniging van het heiligdom (Dan. 8:14{KJV}). {TN3: 20.1}

Het is daarom duidelijk, dat het oordeel zal beginnen en het heiligdom worden gereinigd, niet voor, maar na de vervulling van de periode voor degenen die bestemd zijn te sterven. Omdat het oordelen in lijn is met de verslagen die worden gevonden in de boeken van de hemel, worden daarom de namen van degenen, die onwaardig zijn bevonden, zonder het “bruiloftskleed”aan, gewist uit de boeken. Aldus wordt het heiligdom gereinigd. Sprekende over de aanvang van dit werk van oordelen en reinigen, zei de engel tot Daniël: “Tot tweeduizend driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden.” Dan. 8:14{KJV}. {TN3: 20.2}

Aangezien de reiniging dienovereenkomstig plaatsvindt aan het einde van de 2300 dagen en aangezien het, zoals wij hebben gezien, het oor-

20

deel is, welke plaatsvindt ” aan het einde der wereld” (Hebr. 9:26), dan volgt daaruit dat het eindigen van de dagen, en het begin van het bemiddelend gerechtelijk werk van Christus, op gezag van Inspiratie zelf vastgesteld zijn, aan het einde der wereld. Vandaar dat concluderend de 2300 dagen niet eindigen in de dagen van Antiochus Epifanes, zoals sommigen leren dat, dat  het geval is. Dit niet te verdedigen standpunt over het onderwerp, samen met andere soortgelijke niet ondersteunbare zienswijzen erover, maakt het daarom noodzakelijk, dat wij, ten einde juist de datum vast te stellen van de reiniging, eerst

De Verwarring Betreffende De 2300 Dagen Verdrijvend. {TN3: 20.3}

Zij die het oneens zijn met de leer dat de 2300 dagen hun einde vinden aan het einde van de  wereld, zijn het zelf sterk oneens onder elkaar over wanneer de dagen wel, zouden moeten eindigen, net zoals zij dat zijn over de waarheid van een hoop van leerstellingen. Het feit is daarom volledig bewezen, dat geen van hen de waarheid bezit over het onderwerp. En toch, ondanks dit feit, falen zij om in te zien, dat de geest die hen geleid heeft  hun huidige staat van versplintering, verschil in leerstellingen, strijd, en verwarring, ongeëvenaard in de geschiedenis, onmogelijk de Geest der Waarheid kan zijn, Die alleen hen kan leiden tot de waarheid van de 2300-dagen profetie. Aldus gaan zij voort met het verduisteren van het Christendom met wat zij zich inbeelden en verkondigen als licht erop te zijn. {TN3: 21.1}

In de poging om hun standpunt te ondersteunen,

21

voeren zij de Septuagenta, het Vulgaat, en de English Revised Version {Engelse Gereviseerde Versie} aan. In de aangegeven volgorde vertolken deze, uiteenlopend het getal in Daniël 8:14  als 2400, 2200, en 2300 “avond morgen.” Dit verschil alleen al is ruimschoots bewijs dat de vertolkingen geen betrouwbare resultaten zijn van een exacte, letterlijke vertaling van het vers; maar zij zijn eerder het product van uitleggende vertalingen daarvan, ontstaan door theologische vooropgezette meningen over het onderwerp. {TN3: 21.2}

Desalniettemin, verlenen zelfs deze vertolkingen, zoals ze weergegeven worden, zo  een zwakke geloofwaardigheid aan de theorieën die in strijd worden gehouden met de leer dat de 2300 dagen eindigen aan het einde van de wereld, dat het de theoriseerders noodzaakt om in Daniël 8:14 het woord “offer” in te lezen om zodoende de “avond morgen” fase van de tekst te lezen als “avond morgen offers.”  Vervolgens, op de gronden dat er twee offers per dag waren, delen zij het getal van hen in tweeën. En als het getal 2400, 2200, of 2300 is, afhankelijk van welke versie zij gebruiken, krijgen zij respectievelijk 1200, 1100, 1150 dagen! Dit toevoegen aan- en afsnijden van, verkondigen zij dan botweg als bewijs van hun theorie.! ondanks dat er geen ontkomen is aan de kristalheldere betekenis van “avond morgen,” wanneer het wordt gezien in het licht van Genesis 1:5, wat zoals iedere Bijbelstudent wel weet, slechts een vierentwintig uren periode kan betekenen (zowel de nacht als de dag), en wat niets te maken heeft met offers. {TN3: 22.1}

22

Het is daarom duidelijk, dat de getallen 2400 en 2200, en de inlassing van het woord “offers,” de vergeefse resultaten zijn van valse uitlegging van Daniël’s profetieën. De afwijking tussen de twee cijfers is te wijten aan het verschil in de data die noodzakelijk zijn om de verschillende ideeën over de tekst uit te werken. Zowel het streven, als het lot blootleggend van degenen die verantwoordelijk zijn voor deze ijdele poging om de vervulling van de profetie te plaatsen, verklaarde de Heer aan Daniël: ” Ook zullen de rovers van uw volk zich verheffen om het gezicht te bevestigen; maar zij zullen vallen.” Dan.11:14 {KJV}  {TN3: 23.1}

Hoewel de poging van deze rovers van Gods volk om het visioen te schikken naar hun ideeën gedoemd is te falen, proberen zij  toch in hun blinde zelfvertrouwen hun best te doen om het vast te stellen, zelfs zo ver gaand in de poging, om de geschriften van Josephus te laten spreken als heilige geschiedenis, ter ondersteuning van hun theorie. {TN3: 23.2}

“En inderdaad gebeurde het zo,” zegt de Joodse geschiedkundige, in een passage die zij meestal gebruiken, “dat onze natie te lijden had onder deze dingen onder Antiochus Epifanes, volgens Daniël’s visioen en wat hij jaren schreef voordat zij plaatsvonden.” –Antiquities, Boek 12, Hoofdstuk 5. {TN3: 23.3}

Hoewel Josephus niet in de verste verte zinspeelt op het aantal dagen die vermeld worden in Daniël 8:14, nemen zij hem echter, omdat hij het visioen toepast op het werk van Antiochus Epifanus,

23

in feite aan als een profeet, geïnspireerd om de Schriften uit te leggen! Aangezien hij echter slechts een geschiedschrijver was, en geen profeet, en dienovereenkomstig bij het opschrijven van de geschiedenis van de Joden slechts een geschiedkundige toepassing van de overeenkomstigheid  maakte, die hij zag tussen Daniël’s voorzegging en Antiochus’ werk . En zulks was niet verkeerd binnen zijn bevoegdheid van een geschiedschrijver. Maar aangezien hij de gave der profetie niet bezat, wordt het Gods volk verboden, om zijn toepassingen van de Schriften aan te nemen als gezaghebbend en betrouwbaar. {TN3: 23.4}

Uit deze manier van verdraaien, goochelen, rationaliseren, en wegredeneren van simpele feiten, zal de grondige lezer zien tot hoever mensen gaan ten einde geopenbaarde waarheden te ontwijken die hen niet aanstaan, en om de handen in elkaar te slaan met eigenmachtige theorieën die hen behagen. Inderdaad is het gezegde waar: “geef een mens een theorie {bewering}, en de feiten zullen zich in menigten aansluiten!”  {TN3: 24.1}

Daar nu de mist der dwaling is verdreven, is onze weg vrijgemaakt om verder te gaan met het vaststellen

Wanneer De 2300 Dagen Beginnen En Eindigen. {TN3: 24.2}

Uit Daniël 7 werd gezien dat de oordeel- of reinigingstroon niet opgericht zou worden tot enige tijd nadat de kleine-hoorn macht kwam te bestaan, terwijl uit Hebr. 9:24-27 werd gezien dat het zou worden opgericht enige tijd voor “het einde der wereld.” Om nu het licht volledig te richten op de feiten die reeds naar voren zijn gebracht, moeten wij gaan naar Daniël 8 en 11, naar de uitdrukkelijke profetie van het onderwerp — de 2300 dagen. {TN3: 24.3}

24

Dan. 8:11,12

Ja, hij maakte zich groot, zelfs tegen de Vorst van het heer, en door hem werd het dagelijkse offer weggenomen, en de plaats van Zijn heiligdom werd neergeworpen. En een heer werd hem gegeven tegen het dagelijkse offer wegens de overtreding, en het wierp de waarheid ter aarde; en het oefende het uit, en was voorspoedig.” {KJV}

Dan 11: 31

“En er zullen wapens staan aan zijn kant, en zij zullen het heiligdom der sterkte ontheiligen, en zullen het dagelijkse offer wegnemen, en zij zullen de gruwel plaatsen, die verwoest maakt.” {KJV} {TN3: 25.1}

Door het naast elkaar plaatsen  van Daniël 8:11.12 en Daniël 11:31, zal de lezer opmerken dat beide schriftgedeelten van dezelfde macht spreken. En Christus, die de tekenen van het einde van de wereld voorzegde, terwijl Hij vooruitkeek langs de tijdstroom, verklaarde: “Wanneer gij [Zijn volgelingen die zouden leven in de tijd dat deze hoorn-macht aan het werk was tegen God, Zijn waarheid, en Zijn volk] daarom de gruwel der verwoesting zult zien, waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, staand in de heilige plaats,(wie het leest, laat hij het verstaan:) laten dan zij, die in Judea zijn, vluchten naar de bergen.” Matt.24:15,16 {KJV}. Deze duidelijk woorden van Christus Zelf, plaatsen het werk van deze macht in de toekomst vanaf Zijn tijd. {TN3: 25.2}

Hier verklaart Christus duidelijk dat in Zijn tijd, de gruwel der verwoesting nog niet was opgestaan “in de heilige plaats,” maar dat

25

enige tijd in de Christelijke overheersing {dispensatie}, het daar staande zou worden gezien. Verder nog, instrueerde de engel Daniël dat het gezicht in de tijd van het einde zal zijn (Dan. 8:13,17). Deze twee feiten dragen overweldigend bewijs dat de 2300-dagen periode niet kon eindigen totdat, volgend na Christus’ tijd, het dagelijkse was uitgeworpen en de gruwel opgericht: want beiden van deze gebeurtenissen zouden plaatsvinden binnen de 2300 dagen. {TN3: 25.3}

Deze verwoestende macht zou, volgens Daniël, door overtreding het aardse heiligdom, of de kerk, ontheiligen. Dit zou volbracht worden door de Waarheid ter aarde te werpen, door het dagelijkse weg te nemen, en door in de heilige plaats in te brengen “de gruwel die woest maakt,” al hetgeen dat zou zijn, zei de engel, “tot tweeduizend en driehonderd dagen,” en “dan zal het heiligdom gereinigd worden.”  {TN3: 26.1}

Uit de gewichtige bewijzen die hier zijn vergaard, is er overduidelijk slechts een conclusie mogelijk: de verontreiniging van de heilige plaats, het beëindigen van de 2300 dagen, en de reiniging van het heiligdom, konden niet hebben plaatsgevonden voor de tijd van Christus. {TN3: 26.2}

De doorslaggevende beslistheid van deze drievoudige slotsom onder ogen ziend, zouden de talrijke stemmen die de gebeurtenissen verbonden met de 2300 dagen, nadrukkelijk plaatsen binnen de Oud Testamentische periode, zichzelf nu volledig en voor altijd  het zwijgen moeten opleggen. Maar als zij dat

26

niet doen, dan weet God alleen, wat zij vervolgens zullen verkondigen! {TN3: 26.3}

U kunt het zich niet veroorloven, broeders en zusters, nu daar het licht is gekomen, om de gelegenheid van u te laten ontglippen om de theorieën van mensen te ontvluchten, die hierin in opspraak worden gebracht door de “Geest der Waarheid,” en om uw voeten standvastig te plaatsen op het vaste fundament dat hier in hun plaats is vastgesteld door de getuigenis van Jezus Christus. {TN3: 27.1}

Op deze vaste rots zal de structuur der waarheid die nu wordt gebouwd, zoals de lezer reeds kan zien, de meest hevige storm van zowel “wind” als “regen” weerstaan. Laat ons dus, bij het vervolgen van het oprichten van haar verheven structuur, vrijmoedig gebruik maken, zonder de kleinste vrees voor de komende storm (welke zal vernietigen en wegvagen alles dat staat op een zanderig fundament), van het materiaal dat zo vrijelijk is gegeven: {TN3: 27.2}

Om het aardse heiligdom te reinigen, moet de gruwel die de goddeloze macht, die hier wordt besproken, inbracht, noodzakelijkerwijs uitgeworpen worden, en dan moet “de waarheid,” en ook “het dagelijkse,” welke dezelfde macht vertrad en uitwierp, hersteld worden. Het is daarom vanzelfsprekend, dat er geen enkele ruimte is voor twijfel over hetzij de manier waarop het heiligdom werd ontheiligd of de manier waarop het gereinigd moet worden. {TN3: 27.3}

Het achtste hoofdstuk van het boek Daniël bevat een levendige profetische symboliek van twee dieren (een ram en een geitenbok),waarover

27

de engel uitlegde: “De ram, die gij zag, hebbende twee hoorns, zijn de koningen der Meden en Perzen. En de ruwe geitenbok is de koning van Griekenland.” Dan. 8:20, 21{KJV}. {TN3: 27.4}

“…de geitenbok maakte zich zeer groot; en toen hij sterk was, was de grote hoorn afgebroken; en er kwamen daarvoor in de plaats vier aanzienlijke hoorns op, naar de vier winden des hemels. En uit een van hen kwam voort en kleine hoorn, welke uitermate groot werd, tegen het zuiden, en tegen het noorden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijk land.” Dan. 8: 8, 9. “…De grote hoorn, die tussen zijn ogen is, ” legde de engel uit, “is de eerste koning”–Alexander. “Dat  er nu, toen het verbroken was, vier in zijn plaats opstonden, vier koninkrijken zullen uit de natie opkomen, doch niet met zijn macht”– niet met Alexander’s macht; dat wil zeggen, niet  “aan zijn nageslacht.” Dan. 8:21, 22; 11:4. {TN3: 28.1}

” En in de latere tijd van hun koninkrijk, wanneer de overtreders [de Joden] tot volheid gekomen zijn, zal er een koning, wreed van aangezicht, en duistere uitspraken verstaand, opstaan. En zijn kracht zal machtig zijn, doch niet door zijn eigen kracht [want “wapens zullen staan aan zijn kant” (Dan. 11:31) –de legers van de burgerlijke machten]: en hij zal wonderlijk vernietigen, en zal voorspoedig zijn, en ten uitvoer brengen, en zal de machtige en het heilige volk vernietigen.” Dan. 8:23,24{KJV}. {TN3: 28.2}

Het is dan vanzelfsprekend, dat Daniël 8:22-24 parallel loopt met Daniël 7:25: “En hij zal

28

grote woorden spreken tegen de Allerhoogste, en zal de heiligen van de Allerhoogste uitputten, en menen tijden en wetten te veranderen; en zij zullen in zijn hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte van een tijd. ”  {TN3: 28.3}

shepherds-rod-tract-3-exceeding-great-horn

29

Daniël had het visioen in Babylon, wat ten noordoosten ligt van “het plezierig land”– Palestina. Babylon de uiterst grote hoorn ging eerst naar het “zuiden,” vervolgens naar het “oosten,dan naar het noorden, ” ten einde een draai te maken westwaarts –“naar het plezierig land.” Aldus ging het naar alle vier richtingen, aangevend dat het een wereldmacht werd. Bovendien stelt, ook het “koper” van het grote beeld van Daniël 2, waarvan Daniël uitlegt dat het zal “heersen over de gehele aarde,” Griekenland voor. Maar aangezien noch de grote hoorn van de geitenbok, noch zijn daarop volgende vier hoorns universeel regeerden, dan moet zijn uiterst grote hoorn, ten einde de profetie van het koperen koninkrijk te vervullen, degenen zijn die zou “heersen over de gehele aarde.”  Dan. 2:39. {TN3: 30.1}

Hoewel het vierde beest van Daniël 7 aantoont dat deze verwoestende macht afkomstig is uit Rome, gaat het zinnebeeld van de geitenbok, verder terug om aan te geven dat deze wereldmacht oorspronkelijk afkomstig was van een van de Griekse divisies (Dan.11:5), en later het kleed van het Christendom aandeed– de godsdienst van “een god, die zijn vaders niet gekend hebben.” Dan. 11:38. {TN3: 30.2}

Door geleidelijk de versiersels van het heiligdom aan te nemen, maakte hij zich weldra groot tegen de Vorst (Christus) van het heer (de Christenen). En “de god van zijn vaders” veronachtzamend, werd hij ogenschijnlijk Christen, maar tegen wat een prijs voor het Christendom!-Niet alleen werd het “dagelijkse” “weggenomen,”maar ook werd “de plaats van Zijn

30

heiligdom neergeworpen.” Met andere woorden, hij “wierp neer”de “plaats”van de Heer en stelde daar zijn eigen plaats voor in -verhoogde zichzelf tot de plaats van Christus. {TN3: 30.3}

 Daar het woord “offer” is aangevoerd in verband met het woord “dagelijkse,” behoort het klaarblijkelijk niet bij de tekst. Aangezien, echter, de Engelse taal geen exacte equivalent {gelijkwaardigheid} heeft voor het Hebreeuwse woord “dagelijkse,” welke verschillend wordt vertaald als “gedurig”,“bestendig”,“eeuwigdurend,”en omdat geen van deze termen synoniem zijn, maar individuele bijbetekenissen hebben, is het dientengevolge noodzakelijk om hen allen gezamenlijk als een samengesteld woord te nemen, om zodoende te komen tot de exacte waarheid. Met het oog daarom op dit feit, en ook het feit dat de Sabbatsleer de enige Bijbelse leer is in de Christelijke periode die mogelijkerwijs kan worden aangewezen als “dagelijks”(aangaande het aanbidden met betrekking tot een dag), en ook als “gedurig”,“bestendig”,“eeuwigdurend,” -vanaf onheuglijke tijden tot eeuwige tijden,– is het vandaar duidelijk dat al deze verschillende vertolkingen op geen andere leer van toepassing kunnen zijn dan de Sabbat – de eeuwige rustdag. En als goddelijke verklaring van de voortdurendheid ervan, weerklinken door de eeuwen heen vanuit de Sinaï de onveranderlijke woorden:  {TN3: 31.1}

“Daarom zullen de kinderen Israëls de Sabbat onderhouden, om de Sabbat te vieren door al hun geslachten heen, tot een gedurig verbond. Het is een teken tussen Mij en de kinderen Israëls voor eeuwig: want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, en

31

op de zevende dag rustte Hij, en was verkwikt.” Ex.31:16,17{KJV}. {TN3: 31.2}

Het wegnemen van het “dagelijkse” door de hoorn, was daarom niets anders dan het door hem wegnemen van de Sabbat van de Heer van de Christelijke kerk en in  de plaats daarvoor de Zondagaanbidding instellen, een heidense sabbat,–“gruwel die woest maakt,”-een ontheiliging die Gods aanwezigheid van de Kerk weg griefde. {TN3: 32.1}

De ram en de geitenbok werden aan Daniël in visioen getoond, “in het derde jaar van de regering van koning Belsazar.” Dan.8:1. Daniël was “ontzet over het gezicht, maar niemand verstond het.” Dan. 8:27. De tijd was bovendien verstreken, en Jeruzalem was nog steeds een woestenij. Dus later, “in het eerste jaar van Darius,”die “koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën, (Dan.9:1), werd Daniël getoond “door de boeken het getal der jaren, waarvan het woord des Heren kwam tot de profeet Jeremia, dat Hij zeventig jaren zou volbrengen in de verwoestingen van Jeruzalem.” Dan.9:2. Jeruzalem was echter nog steeds een verwoesting, ondanks dat de tijd van de gevangenschap van het volk volgens de profetieën was vervuld, en het visioen nog steeds {door} “niemand [niet] {werd} verstaan,” zoals duidelijk wordt gezien uit Daniël’s gebed:  {TN3: 32.2}

“(…) ik stelde mijn aangezicht tot de Here God, om {Hem} te zoeken door gebed en smekingen, met vasten, en zak, en as; en ik bad tot de Here, mijn God (…) O Here, [p.32]

naar al Uw gerechtigheid smeek ik U, laat toch uw toorn en uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heilige berg: want om onze zonden en om de ongerechtigheden van onze vaderen, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid geworden bij allen, die rondom ons zijn. Daarom nu, O onze God, hoor naar het gebed van Uw knecht, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is, om des Heren wil (…){TN3: 32.3}

“Ja, terwijl ik sprak in gebed, zo kwam de man Gabriël, die ik in het begin van het gezicht gezien had [in het achtste hoofdstuk], die veroorzaakt was snel te vliegen, en raakte mij aan tegen de tijd van het avondoffer (…) en zei: (…) Zeventig weken zijn vastgesteld over uw volk en over uw heilige stad, om de overtreding te beëindigen, en een einde te maken aan de zonden, en om in eeuwige gerechtigheid te brengen de ongerechtigheid te verzoenen, en om het gezicht en de profetie te verzegelen, en om de Allerheiligste te zalven. {TN3: 33.1}

“Weet daarom en versta, dat vanaf het uitgaan van het gebod om Jeruzalem te herstellen en te bouwen, tot de Messias toe, de Vorst, zullen zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straat zal herbouwd zijn, en de muur, zelfs in benauwdheid der tijden. En na twee en zestig weken zal de Messias afgesneden worden, doch niet voor Zichzelf; en het volk van de vorst, die komen zal, zal de stad vernietigen en het heiligdom,; en het einde daarvan zal

33

zijn met een vloed, en tot het einde toe van de oorlog zijn verwoestingen vast besloten. En Hij zal het verbond bevestigen met velen voor een week; en in het midden der week zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden, en voor de verspreiding van de gruwelen zal Hij het doen verwoesten, zelf tot de voleinding toe, en datgene wat is vastbesloten, zal  uitgestort worden over het verwoeste. ” Dan.9:3-27{KJV}. {TN3: 33.2}

De engel verdeelde de zeventig weken in drie perioden: “zeven weken, en twee en zestig weken,” en “een week.” En hoewel hij in zijn woorden tot Daniël, die boven zijn geciteerd, de geprofeteerde tijd uitlegde, toch begreep Daniël het gezicht niet volledig. Aangezien hij echter wel met zekerheid de uitlegging van de engel begreep van de “ram” en de “geitenbok,” als zinnebeeldig te zijn voor respectievelijk “Perzië” en “Griekenland,” was daarom het werk van “de uiterst grote hoorn” datgene wat hij niet begreep. En dus geschiedde het dat hij later “in die dagen” weer “treurde”; dit keer, “drie volle weken.” Waarover hij zegt: {TN3: 34.1}

Ik zag “een zekere man met linnen bekleed, wiens lendenen waren omgord met fijn goud van Ufaz (…) Toen zeide hij tot mij: (…) Nu ben ik gekomen om u te doen verstaan wat uw volk zal overkomen in de laatste dagen: want het gezicht is nog voor vele dagen.” “Want tegen de tijd van het einde zal het gezicht zijn .” Dan.10:5,12,14; 8:17{KJV} {TN3: 34.2}

34

Dat de hoofdstukken 11 en 12  de uitlegging bevatten van het visioen zoals beloofd door de engel in hoofdstuk 10, kan gelijk herkend worden, niet alleen aan de voortzetting van de rede van de engel, maar ook uit het feit dat deze hoofdstukken een uitlegging zijn van het gezicht in het achtste hoofdstuk. Voor het gemak van de lezer, citeren wij de laatste twee verzen van hoofdstuk 10, en een deel van de uitlegging van de engel, opgetekend in hoofdstuk 11: {TN3: 35.1}

“Toen zeide hij: Weet gij, waarom ik tot u gekomen ben? En nu zal ik weerkeren om te strijden tegen de vorst der Perzen: en wanneer ik ben uitgegaan, ziet,  dan zal de vorst van Griekenland komen. Maar ik zal u tonen datgene wat getekend is in het Schrift der Waarheid: en er is niemand, die het mij houdt in deze dingen, dan Michaël, uw Vorst.”  {TN3: 35.2}

“In het eerste jaar ook van Darius, de Meder, stond ik, ja ik, om hem te versterken en te bekrachtigen. En nu zal ik u de waarheid tonen. Ziet, er zullen nog drie koningen opstaan in Perzië; en de vierde zal veel rijker zijn dan hen allen; en door zijn sterkte door middel van zijn rijkdom, zal hij allen opwekken tegen het koninkrijk van Griekenland. En een machtige koning zal opstaan, die met grote heerschappij zal heersen, en zal doen naar zijn wil. En wanneer hij zal opstaan, zal zijn koninkrijk verbroken worden, en zal verdeeld worden naar de vier winden des hemels; en niet aan zijn nageslacht, noch naar zijn heerschappij waarover hij regeerde;

35

want zijn koninkrijk zal worden uitgerukt, zelfs voor anderen, dan die. “Dan. 10:20,21; 11:1-4. {TN3: 35.3}

Het is duidelijk dat de engel in dit hoofdstuk in detail “het gezicht” uitlegt welke was getoond aan Daniël in het achtste hoofdstuk, en dat Daniël 8: 11,12 parallel {evenredig} loopt in tijd met Daniël 11:31. Een vergelijking van beide schriftgedeelten, zoals wordt gevonden op bladzijde 25, maakt duidelijk dat het elfde hoofdstuk een verklaring is in het bijzonder van de macht die wordt geprojecteerd door de uiterst grote hoorn van het achtste hoofdstuk. {TN3: 36.1}

Ook maakt het duidelijk dat het heiligdom waarvan wordt gesproken in Daniël 8:11 niets anders kan zijn dan Gods heiligdom; want enerzijds kan een heidense structuur nooit van sterkte zijn of anderzijds verontreinigd worden als het nooit schoon is geweest. En bovendien, nooit noemt de Bijbel het een heiligdom. {TN3: 36.2}

En als laatste, juist het feit dat het heiligdom in Jeruzalem noch verontreinigd noch gereinigd was op de manier waarop wordt beschreven door de engel, maar woest was achtergelaten en uiteindelijk werd vernietigd (Dan. 9:26), plaatst het onomstotelijk bewijsstuk voor het bewijs dat noch de verontreiniging, noch de reiniging plaatsvond in de periode van het Oude Testament. {TN3: 36.3}

Deze solide conclusie wordt dubbel vastgesteld door de verdienste van Christus’ verklaring (bladzijde 25), wat het werk van de verwoestende macht in de Christelijke dispensatie {periode} plaatst. {TN3: 36.4}

36

Er is geen andere tijd dan de “tweeduizend en driehonderd dagen” (Dan.8:14) en de “zeventig weken” (Dan.9:24),

shepherds-rod-tract-3-2300-days

37

waarop de verklaring kan worden toegepast: “de vastgestelde tijd was lang.” Dan.10:1. Maar aangezien de eerstgenoemde periode te lang was voor het herstellen en reinigen van het heiligdom in Jeruzalem, en dat  de laatstgenoemde periode te lang was voor het herbouwen van de stad (want de zeventig jaren waarover wordt gesproken door Jeremia waren reeds vervuld), was Daniël genoodzaakt om tot de Here uit te roepen voor verstand. {TN3: 37.1}

“Toen,” zegt hij, vervolgens, “Hoorde ik een heilige spreken, en een andere heilige zeide tot die ene heilige die sprak: Tot hoe lang zal het gezicht zijn betreffende het dagelijkse (…), en de overtreding der verwoesting, om zowel het heiligdom als het heer over te geven om onder de voet vertreden te worden?  En hij zeide tot mij: Tot tweeduizend en driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden.” Dan. 8:13,14{KJV}. {TN3: 38.1}

In moderne taal uitgedrukt, zou het antwoord van de engel op Daniël’s vraag zijn dat er 2300 dagen zouden zijn vereist voor “zowel het heiligdom als het heer om onder de voet vertreden te worden,” en ook voor het dagelijkse om neergeworpen te worden en voor de overtreding der verwoesting om ingesteld te worden, en dat daarna het heiligdom gereinigd zal worden.” {TN3: 38.2}

In dit licht wordt gezien dat de 2300-dagen periode moet eindigen nadat “het dagelijkse” is weggenomen en “de overtreding der verwoesting” is volbracht. Aldus zal het wegnemen van “het dagelijkse” en het inbrengen van de gruwel die woest maakt [p.38]

”door de overtreding der verwoesting, “zowel het heiligdom als het heer overgeven om onder de voet vertreden te worden.” {TN3: 38.3}

Het vertreden van het heer is het uitmoorden van de Christenen die niet wilden aanbidden volgens de bevelen van de hoorn- macht. Het vertreden van het heiligdom, de kerk, veroorzaakte de oprichting van een aardse priesterschap in de plaats van Christus, Die bediening doet van binnen in het hemelse heiligdom. {TN3: 39.1}

En aangezien de grote hoorn van de geitenbok een voorstelling is van de Romeinse (ijzer- Dan. 2:40) wereld in haar drie perioden- heidens, kerkelijk, en protestants – en aangezien ook in haar tweede periode, zij de waarheid en het “heer” onder de voet vertrad, en het heiligdom verontreinigde door de gruwelen in te brengen terwijl “het beoefende, en voorspoedig was” (Dan.8:12), dan reikt de 2300-dagen periode, dienovereenkomstig, verder dan de val van het Kerkelijk Rome en strekt het zich uit tot in de Protestantse periode. {TN3: 39.2}

Aangezien, verder, het bevel om Jeruzalem te herbouwen uitging in 457 V.Chr. (Ezra 7:21-27), blijkt het beginpunt van de zeventig weken één te zijn met dat van de 2300 dagen. {TN3: 39.3}

En Christus’ bediening binnen deze periode lokaliserend, zei de engel: “(…) Hij [Christus] zal het verbond bevestigen met velen voor één week; en in het midden der week zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden.” Dan.9:27. {TN3: 39.4}

39

Aangezien het bevestigen van het verbond met de velen (de Joden) was volbracht gedurende de zeven jaren vanaf het begin van Christus’ bediening, de tijd van Zijn doop, tot de tijd dat Petrus werd opgedragen het evangelie tot de Heidenen te brengen (Handelingen 10:28; lees het gehele hoofdstuk), en aangezien Christus in het midden van deze periode werd gekruisigd, bewijst het dat “de week” zeven letterlijke jaren zijn, en openbaart {het} dat de 2300-dagen periode moet worden gehanteerd met de regel van Ezechiel 4, een dag berekenend voor een jaar, aldus:  {TN3: 40.1}

“(…) vanaf het uitgaan van het gebod [gevonden in Ezra 7:21-27] om Jeruzalem te herstellen en te bouwen [het begin van de 2300 dagen], tot de Messias toe, de Vorst [Christus bij Zijn doop], zullen zijn zeven weken [49 jaren], en twee en zestig weken [434 jaren],” komende tot 483 jaren in totaal, met de eerste zeven weken of negen-en-veertig jaren, die bestemd zijn voor het herbouwen van de stad. {TN3: 40.2}

Daarna, na “zeven weken” plus “twee-en-zestig weken [483 jaren] zal de Messias afgesneden worden,(…) en het volk van de vorst [de Romeinen] die komen zal, zal de stad vernietigen en het heiligdom [vervuld door Titus rond 70 N.Chr.]; en het einde daarvan zal zijn met een vloed, en tot het einde toe van de oorlog zijn verwoestingen vast besloten. En Hij [Christus] zal het verbond bevestigen met velen voor een week [zeven jaren, beginnend bij Zijn doop];

40

en in het midden der week [in het midden van de zeven jaren] zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden [door het offeren van Zichzelf en door het overbrengen ervan tot het hemels heiligdom; Zijn offer, de plaats innemend van het aardse offer, en aldus het hemels heiligdom de plaats innemend van het aardse heiligdom, met Christus Zelf als de hogepriester], en voor de verspreiding van de gruwelen zal Hij het [de tempel in Jeruzalem] doen verwoesten [Zijn aanwezigheid volledig verwijderd], zelf tot de voleinding toe, en datgene wat is vastbesloten, zal  uitgestort worden over het verwoeste. ” Dan.9:3-27{KJV}. {TN3: 40.3}

Het restant van de 2300 dagen, of jaren, reiken tot de tijd van de reiniging van het heiligdom. (Zie afbeelding op bladzijde 37.) {TN3: 41.1}

Door 2300 jaren vooruit te tellen vanaf Oktober 457 N.Chr., wordt het eindpunt Oktober 1844 N.Chr. En aangezien de engel zei: “Tot tweeduizend en driehonderd dagen; dan zal het heiligdom gereinigd worden,” dan moet de reiniging hebben aangevangen in 1844, precies het jaar waarin, voor de eerste keer in de geschiedenis, de boodschap van de eerste engel de verkondiging deed weerklinken: “Vrees God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen” (Openb.14:7; Dan. 7:9,10) — de tijd waarin de Grote Rechter en het hemels tribunaal  in oordeel zitten om de slechten van de goeden te scheiden; dat wil zeggen, om uit het Boek des Levens de namen

41

uit te wissen van degenen die tot de dienst van Christus zijn ingegaan, maar die niet tot het einde toe hebben standgehouden. {TN3: 41.2}

Aangezien deze ontzaglijke waarheid, zoals hier is geopenbaard, haar tegenhanger vindt in Christus’ gelijkenis van de tarwe en het onkruid, moeten de gelijkenissen noodzakelijkerwijs daarom onderwijzen het onderzoekend

Oordeel Onder De Levenden. {TN3: 42.1}

“Laat beiden tezamen groeien,” gebiedt Christus, betreffende de vermenging van de tarwe en het onkruid, “tot de oogst; en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert gij eerst het onkruid, en bindt ze in bossen, om ze te verbranden; maar brengt de tarwe samen in Mijn schuur.” Matt.13:30. {TN3: 42.2}

Hier leert de Heer op parabolische wijze dat er een tijd van onderzoek zal komen, en dat dan de engelen de zondaars zullen verwijderen van “de vergadering der rechtvaardigen.” Ps.1:5. {TN3: 42.3}

“Wederom, is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, die was geworpen in de zee, en  allerlei soort bijeen bracht; welke, toen het vol was, zij aan de oever trokken, en neerzaten, en het goede verzamelden in vaten, maar het kwade wegwierpen. Alzo zal het zijn bij in voleinding der wereld; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden van de rechtvaardigen afscheiden.” Matt. 13:47-49. {TN3: 42.4}

In beide van deze gelijkenissen luidt Christus de voorwaarschuwing dat het onderzoekend

42

oordeel zal plaatsvinden in de tijd genaamd “oogst,” welke is de voleinding der wereld–de tijd waarin de 2300 dagen op het toppunt zijn, net zoals de engel verklaarde: “Versta, o zoon des mensen; want tegen de tijd van het einde zal het gezicht zijn.” Dan. 8:17. ” (…) sluit het gezicht toe; want het zal zijn voor vele dagen.” Dan.8:26. “(…)want het gezicht is nog voor vele dagen.” Dan.10:14. {TN3: 42.5}

Direct verwijzend naar de tijd waarin het onderzoekend oordeel onder de levenden zal plaatsvinden, stelt Maleachi beide gelijkenissen op een lijn in zijn profetie: {TN3: 43.1}

” (…) de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen, (…) Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen? en wie zal standhouden, als Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter en het loog van de blekers; en Hij zal zitten als een smelter en reiniger van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reinigen, en hen louteren als goud en zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid een offer kunnen brengen.” Mal.3:1-3{KJV}. {TN3: 43.2}

Aangezien de reinigingen, waartoe er in de gelijkenissen en de profetie van Maleachi wordt opgeroepen, nooit hebben plaatsgevonden, dan ligt het onderzoekend oordeel van de levenden, vanzelfsprekend, nog in de toekomst. Dit onderzoekend werk wordt daarom veroorzaakt door het  scheidingswerk in het aardse heiligdom (kerk), zoals het ook in zicht wordt gebracht in Ezechiel 9: {TN3: 43.3}

43

” En zie, zes mannen kwamen van de weg van de Bovenpoort, die ligt naar het noorden, ieder met zijn vernietigingswapen in de hand; en één man onder hen was in linnen gekleed met een schrijfkoker aan zijn zijde en zij gingen naar binnen en gingen staan naast het koperen altaar. En de heerlijkheid van de God van Israël nu had zich opgeheven van de cherub waarop Hij rustte naar de dorpel van de thuis, en Hij riep de man die in linnen gekleed was die schrijfkoker aan zijn zijde had;  En de HERE zeide tot hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en plaats een teken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en die uitroepen over al de gruwelen die in het midden daarvan bedreven worden.  {TN3: 44.1}

” En tot de anderen zeide Hij te mijnen aanhoren: Trekt achter hem aan door de stad en slaat neer. Ontziet niet en hebt geen medelijden: Slaat volkomen, oud en jong, zowel maagden en kleine kinderen, vrouwen, maar nader geen mens waarop het teken is, En begin bij Mijn Heiligdom. Toen begonnen zij bij de  oudste mannen,  die voor het huis waren.” Ezech. 9:2-6. {TN3: 44.2}

Hier worden de mensen aangetoond als zijnde in een gemengde staat (onkruid en tarwe vermengd), met de tijd net voor hen waarin enerzijds degenen die hebben gezucht en uitgeroepen over de gruwelen in hun midden, het merkteken van verlossing zullen ontvangen, terwijl anderzijds degenen die

44

niet  hebben gezucht en uitgeroepen, zonder het merkteken achtergelaten zullen worden, om om te komen (in hun zonden) onder de vernietigingswapens van de engelen. {TN3: 44.3}

Uit deze scheiding –de ene in de kerk– komen de eerste vruchten voort. {TN3: 45.1}

Dan volgt de scheiding van onder de natiën, zoals wordt gezien in de gelijkenis van Mattheus 25, die op profetische wijze de komst van Christus beschrijft, echter niet die {komst} in zicht gebracht in 1 Thessalonicenzen 4:16,17, want tegen de tijd van de laatstgenoemde, “zullen de doden in Christus eerst opstaan; dan zullen wij, die in leven en overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, om de Here in de lucht te ontmoeten”; terwijl tegen de tijd van de eerstgenoemde, “wanneer de Zoon des mensen zal komen in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid [de koninkrijk-kerk, welke op dit moment alleen bestaat uit de eerste vruchten]. {TN3: 45.2}

“En voor Zijn aangezicht zullen alle natiën vergaderd worden; en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk een herder zijn schapen scheidt van de bokken; en Hij zal de schapen stellen aan Zijn rechterhand, maar de bokken aan de linker{hand}. Dan zal de Koning zeggen tot hen die aan Zijn rechterhand [dezen, die de tweede vruchten zijn]: Komt, gij gezegenden van Mijn Vader, beërft het koninkrijk dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld (…) Dan zal Hij ook zeggen tot hen die aan de linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, tot het

45

eeuwige vuur, dat bereid is voor de duivel en zijn engelen.” Matt.25:31-34,41. {TN3: 45.3}

Uit deze scheiding –die onder de natiën — komen de tweede vruchten voort. {TN3: 46:1}

De engelen die rondom de troon zijn in het hemels heiligdom gedurende het oordeel van Daniël 7:9, 10 en van Openbaring 5:11, zullen, zoals de gelijkenis verklaart, neerdalen met “de Zoon des mensen” wanneer Hij komt “tot Zijn tempel” (Zijn kerk) om door het oordeel “de goddeloze ” te scheiden ” van onder de rechtvaardigen,” en als goud en zilver te louteren degenen “die de dag van Zijn komst kunnen verdragen(…) opdat zij de Here in gerechtigheid een offer kunnen brengen.” Mal. 3:2, 3. {TN3: 46:2}

In een grafische demonstratie dat Hij op aarde zal komen met al Zijn engelen om het oordeel uit te voeren over de levenden, openbaarde de Heer Zichzelf op profetische wijze aan Ezechiel als Hij tot de aarde gebracht werd zittend op een troon door vier levende schepselen net voordat de slachting van de huichelaars in de kerk plaatsvind.  En aangezien elk van de levende schepselen het gezicht heeft van een leeuw, het gezicht van een kalf, het gezicht van een mens, en het gezicht van een arend (Ezech.1:10),– dezelfde onderscheidingstekenen als de dieren hebben die zich voor de troon in het hemels heiligdom bevinden (Openb. 4:7) in de tijd van het oordeel van de doden,– en aangezien zij neerdalen tot de aarde, tonen zij daarmee symbolisch aan dat het werk van de bemiddelend-gerechtelijke troon welke dagvaart en

46

de leiding heeft over het oordeel van de doden, is uitgebreid naar de aarde. {TN3: 46:2}

Deze uitbreiding moet, voor zover wij nu in staat zijn te weten, plaatsvinden bij het openen van de zevende zegel (Openb. 8:1), want tegen die tijd houden de hemelse stemmen op, die het oordeel van de doden openden, in het hemels heiligdom, en {zij} beginnen, na de half uur stilte, te klinken op de aarde. Met andere woorden, net zoals in de hemel bij de opening van het oordeel van de doden, er “bliksemen, en donderslagen, en stemmen” waren (Openb. 4:5), evenzo zijn er op aarde, bij de opening van het “oordeel van de levenden,” “stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en een aardbeving.” Openb.8:5. {TN3: 47:1}

Bij het oordeel van de doden, echter, vindt het scheidingswerk plaats in de boeken in het hemels heiligdom; terwijl bij het oordeel van de levenden, de scheiding plaatsvindt onder de mensen in de kerk evenals onder hun namen in de boeken in het hemels heiligdom, aldus aantonend dat beide heiligdommen uiteindelijk gereinigd zullen worden. {TN3: 47:2}

Het is daarom onontkoombaar, dat de komst van de Heer tot Zijn tempel (Mal. 3:1-3), Zijn komst met al Zijn engelen (Matt. 25), en Zijn komst zittend op Zijn troon boven de levende schepselen (Ezech.1),– die alle drie dezelfde gebeurtenis voorstellen, zoals is aangetoond,– plaatsvindt aan het begin van het oordeel van de levenden: de tijd waarin de gerechtelijke activiteiten van het hemels heiligdom

47

zich uitbreiden tot het aardse heiligdom –de kerk. {TN3: 47:3}

“En ik zag, en ziet, een witte wolk, ” hief Johannes de Openbaarder aan, dezelfde komst beschouwend, op verscheidene wijzen beschreven door Maleachi, Mattheus en Ezechiel, “en op de wolk was Een gezeten, de Zoon des mensen gelijk,  hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon, en in Zijn hand een scherpe sikkel. En een andere engel kwam uit de tempel, roepende met en luide stem tot Hem, die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de tijd om te oogsten is voor U gekomen; want de oogst der aarde is rijp. En Hij, Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.” Openb. 14:14-16{KJV}. {TN3: 48:1}

Deze komst van de Zoon des mensen is, daarom, duidelijk niet wanneer de verrezen en de levende rechtvaardigen tezamen opgenomen worden om Hem in de lucht te ontmoeten; want de verzen 17-20, volgend op die in de bovenste alinea zijn geciteerd, openbaren dat nadat Hij kwam en de aarde maaide, “een andere engel (…) hebbende een scherpe sikkel,”  kwam en een tweede oogst maaide voordat de toorn Gods — de zeven laatste plagen (Openb. 15:1) –werd uitgegoten op de goddelozen. {TN3: 48:2}

Aldus wordt er nogmaals en voor de vierde keer gezien, dat er twee verschillende komsten zijn van de Zoon des mensen; de ene om “de goddelozen van onder de rechtvaardigen te scheiden” in de kerk (Matt.13:49), en daarna onmiddellijk de rechtvaardigen te roepen van onder de goddelozen in

48

Babylon (Openb. 18:4); de ander om de heiligen , zowel de verrezenen als de levenden, te brengen naar de woningen welke Hij voor hen heeft bereid (1 Thess. 4:16; Johannes 14:1-3). {TN3: 48:3}

Bij de eerstgenoemde komst van de zoon des mensen, werd de steen die het grote beeld sloeg zonder handen (zonder menselijke hulp, en door de Heer Zelf) uitgesneden, omdat, zoals de Heer zegt: “er was niemand die hielp; en Ik verwonderde Mij dat er niemand was, om te ondersteunen; daarom bracht Mijn arm Mij heil toe; en Mijn grimmigheid, die ondersteunde Mij. En Ik zal het volk vertreden in Mijn toorn en hen dronken voeren in Mijn grimmigheid, en Ik zal hun kracht doen neerdalen tot de aarde.” Jes. 63:5,6{KJV}. {TN3: 49:1}

Dit werk van scheiding, of reiniging, in zicht gebracht in de gelijkenis van Mattheus 13: 30 en nogmaals in die van Mattheus 13:47-49, ook in de profetie van Maleachi 3:1-3 en in die van Ezechiel 9, evenals in Openbaring 14, is direct van toepassing op het oordeelsdag voor de levenden; maar de reiniging van het heiligdom aan het einde van de 2300 dagen, volgens Daniël 8:14 en Daniël 7:9,10, is direct van toepassing op het

Oordeel Onder de Doden. {TN3: 49:1}

Hoewel de reiniging van het heiligdom, zoals reeds is gezien uit Daniëls profetieën, zou plaatsvinden na 1844 N.Chr., toch heeft, zijn visioen van het oordeel vanzelfsprekend betrekking op de doden, aangezien de levende rechtvaardigen nog steeds vermengd zijn met de zondaars in de kerk, en aangezien Daniël de Oude

49

van Dagen zag zitten in oordeel, niet om degenen te doden die “het merkteken” hadden, maar om te beoordelen vanuit “de boeken” welke “werden geopend.” {TN3: 49:2}

Wat de reiniging van de kerk op aarde betreft, het zal volbracht worden door ten eerste de gruwel uit te werpen, ten tweede de waarheid te herstellen, en ten derde door het onkruid weg te nemen. Maar wat de reiniging van het heiligdom van boven betreft, wordt het nu volbracht door uit het Boek des Levens te verwijderen de namen van degenen die in gebreke zijn bevonden; daarna door hen te plaatsen in het boek welke de namen bevat van degenen die zullen opkomen bij de opstanding van de goddelozen na de duizend jaren (Openb. 20:5); daardoor in het Boek des Levens achterlatend alleen de namen van degenen die overwinning over de zonde hebben verkregen, en die aldus wachten om op te komen bij de opstanding van de rechtvaardigen (Openb. 20:6). Johannes “zag,” dienovereenkomstig, “de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, welke is het Boek des Levens; en de doden werden geoordeeld uit die dingen die geschreven waren in de boeken, naar hun werken.” Vers 12. {TN3: 50:1}

Naast de redenen die reeds zijn aangevoerd, zijn er nog

Verdere Redenen voor Beide Oordelen. {TN3: 50:2}

Aangezien de reiniging van het hemelse heiligdom een werk is van reinigen  van de boeken door

50

het uitwissen uit hen de namen van zowel de afvalligen als het onkruid, en aangezien tegen de “tijd der benauwdheid, zoals er nooit was geweest sinds er een natie bestond,” degenen  die “verlost zullen worden,” alleen degenen zijn wiens namen geschreven worden bevonden in het boek, is het daarom vanzelfsprekend, dat de reiniging van de boeken plaatsvindt voor de opstanding, en voor de tijd der benauwdheid zoals er nooit geweest is. Aldus zullen ontrouwe doden in hun graven gelaten worden bij de eerste opstanding, en de ontrouwe levenden zullen worden achtergelaten zonder verlossing van de komende benauwdheid.  Maar waren hun namen toegelaten om te blijven in de boeken, dan zouden volgens de verslagen óf de goddeloze doden verrezen moeten worden met de rechtvaardigen, en de levende goddelozen verlost worden met de levende rechtvaardigen, óf zouden anderszins zowel de rechtvaardige doden als de rechtvaardige levenden met hen verlaten moeten worden- alternatieven die beiden, natuurlijk, onmogelijk zijn; aldus wederom een absolute scheiding verplicht makend, zoals als voorbeeld aangehaald in type in Jozua’s tijd:  {TN3: 50:3}

“Er is een vervloekt ding,” zei de Heer, “in uw midden, O Israël; gij kunt niet standhouden voor uw vijanden, totdat gij het vervloekte ding wegneemt van onder u (…) En Jozua, en het ganse Israël met hem, nam Achan (…) en al wat hij had; …en het ganse Israël stenigden hem.”Joz. 7: 13, 24, 25 {KJV}. {TN3: 51:1}

Uit dit bolwerk van bewijzen ten bewijsvoering van de reiniging van de kerk op aarde

51

en van de boeken in de hemel, torent de ondoordringbare waarheid voort ,dat de levenden die, getrouw zijn doorgegaan tot het einde, hun namen behouden in het Boek des Levens, zullen in deze tijd van scheiding, Gods merkteken, of zegel, van verlossing ontvangen, terwijl degenen die dat niet ontvangen, zonder zullen worden achtergelaten, om om te komen in hun zonden. En, dienovereenkomstig, zullen de doden, wiens namen worden behouden na het oordeel, in het boek der doden, voortkomen in de eerste opstanding (Openb.20:6), terwijl degenen die ontrouw waren in het leven, wachten tot na de duizend jaren, om voort te komen  met al de goddelozen in de tweede opstanding (vers 5). {TN3: 51:2}

Terwijl het dus noodzakelijk is in de vergadering van de doden om de goddelozen te scheiden van de rechtvaardigen, die nu de opstandingmorgen afwachten, is het net zo noodzakelijk in de vergadering van de levenden om de goddelozen te scheiden van de rechtvaardigen, die zich nu voorbereiden op de verlossing  van de komende benauwdheid, en de tweede komst van Christus afwachten-Zijn zichtbare komst om de dode heiligen te doen ontwaken en zowel hen als de levenden op te nemen. {TN3: 52:1}

Er zijn daarom twee scheidingen, één onder de rechtvaardige doden en de andere onder de rechtvaardige levenden, de doden bestemd zijnde  voor opstanding en de levenden voor opname {of verandering}. {TN3: 52:2}

Anderzijds, zij, wiens namen worden uitgewist uit de boeken, degenen zijn die verzuimd zullen hebben  om het “bruilofts

52

kleed” aan te doen. Matt. 22:11. Op bevel van de Meester (vers 13), zullen zij worden uitgeworpen, om zich nooit meer onder de bruiloftsgasten te bevinden. Deze reiniging van het Boek des Levens wordt verder gezien als het zijn van  een noodzakelijkheid ten einde de engelen in staat te stellen op rechtmatige wijze de heiligen te selecteren, want wanneer de Zoon des mensen komt met al Zijn engelen, zal Hij hen zenden “met een groot geluid van een bazuin, en zij zullen zijn uitverkorenen [de verrezenen] bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste daarvan” (Matt. 24:31), en hen nemen om zich te voegen bij de levenden. {TN3: 52:3}

Het geconcentreerde licht dat nu doorschijnt vanuit de profetieën die hierin worden gezien in hun wederzijds betrekkelijke samenhang, toont aan dat zowel het heiligdom in de hemel als de ene op aarde verontreinigd was, niet door de politieke en militaire veroveringen van heidense machten, maar eerder, ten eerste, doordat sommigen van haar bekeerlingen niet standhouden (Matt.10:22); ten tweede, doordat Satan het onkruid inbrengt terwijl de mensen sliepen (Matt. 13:25); en ten derde, door het uitwerpen van het “dagelijkse” door de uiterst grote hoorn, het vertreden van de waarheid, en het inbrengen van de gruwel die woest maakt; aldus zowel de aardse als de hemelse heiligdommen betrekkend. {TN3: 53:1}

Deze ontstellende openbaring toont overtuigend aan dat de reiniging volgens Daniël ten eerste is van het heiligdom in de hemel, en ten tweede van het heiligdom op aarde. {TN3: 53:2}

53

Zo belangrijk is het, dat een ieder die zou verzuimen een ijverig en zorgvuldig onderzoek te doen naar de aard en de betekenis van dit groot werk van Gods onderzoeken van de gasten die zijn ingekomen voor de bruiloft, eenvoudigweg onverschillig over de verwachtingen zijn van het eeuwig leven-“zulk een grote verlossing.” Want wanneer iemands oordeel inbehandeling is, en hij is zich niet bewust van het feit, dan zal hij onvoorbereid zijn en niet in staat om stand te houden wanneer zijn zaak onderzocht wordt. Aan dit allerbelangrijke onderwerp “behoren wij daarom des te meer ernstig gehoor te geven.” Hebr. 2:1. En door dit te doen, moeten wij het oordeel benaderen

In Het Licht Van De Gelijkenissen. {TN3: 54:1}

De zaadzaaier, het zaad, de akker, het seizoen van bebouwen en groeien, en het seizoen van de oogst, moeten samen op volmaakte wijze uitgerekend zijn om het geestelijk koninkrijk af te beelden; anders kan de voorstelling alleen maar leiden tot dwaling in plaats van tot waarheid. {TN3: 54:2}

Aangezien de vier seizoenen van het jaar allemaal vereist zijn om het proces van beplanten, kweken, en oogsten van de jaarlijkse gewassen, en herfst zijnde het begin van het landbouw jaar (net zoals de afsluiting van het zomer seizoen ” de feest der inzameling ” is, ” welke is aan het einde van het jaar, wanneer gij uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben”–Ex.23:16), illustreert deze gelijkenis daarom met de twaalf maanden van het jaar een periode van evangelische geschiedenis, waarvan er bij de afsluiting er van het koninkrijk van Christus zal worden opgericht, en waarvan het begin is

54

De Zaaitijd. {TN3: 54:3}

Daar er een periode van kerkelijke geschiedenis wordt geïllustreerd door deze twaalf maanden oogst

Matt-13

55

periode, moeten wij daarom achterhalen de tijd van haar begin –de tijd van het zaaien van het zaad, en de tijd van de afsluiting ervan–de tijd van het oogsten. {TN3: 55:1}

“Hij die het goede zaad zaaide,” zegt Christus, “is de Zoon des mensen,” en de vijand die het onkruid zaaide “is de duivel.” Matt. 13:37,39. {TN3: 56:1}

“De Zoon des mensen,” Hij die “het goede zaad zaaide,” is natuurlijk niemand anders dan Christus. Maar aangezien Hij niet de “Zoon des mensen” genoemd kon worden voordat Hij uit een vrouw werd geboren, kon Hij dienovereenkomstig niet “het goede zaad” hebben gezaaid van de geestelijke oogst tot na Zijn geboorte in Bethlehem, Judea. {TN3: 56:2}

Aangezien Zijn bediening–Zijn zaaien van “het goede zaad,” de waarheid–gelijk begon na Zijn doop (Matt.4:17), moeten wij daarom, om het begin van de parabolische {vergelijkende} oogstperiode te bewijzen, de datum vaststellen waarop Hij werd gedoopt. {TN3: 56:3}

“En na twee en zestig weken,” profeteerde Daniël, betreffende Christus’ bediening en Zijn dood, “zal de Messias afgesneden worden, doch niet voor Zichzelf; …en Hij zal het verbond bevestigen met velen voor een week; en in het midden der week zal Hij het slachtoffer en de offerande doen ophouden.” Dan. 9:26,27{KJV}. {TN3: 56:4}

Dat dit profetische tijd is, berekend door de jaar-dag regel van Ezechiel 4:6, wordt gezien uit het feit dat er zeven jaren waren

56

vanaf de tijd dat Christus was gedoopt tot de tijd dat de apostelen werden toegestaan om het evangelie te brengen tot de Heidenen. Gedurende deze periode, bevestigde of vervulde Christus het verbond. “In het midden der week,” of aan het einde van drie en een halve jaar, zou Hij gekruisigd worden, aldus het aardse offer veroorzakend op te houden. {TN3: 56:5}

Het feit nu hebbende vastgesteld (zie  afbeelding op blz.55) dat de drie en een half jaar van Christus’ bediening eindigde op de 16de dag van de eerste maand, dan ondervinden wij, door drie en een half jaar te tellen (volg de afbeelding op blz.55), dat Zijn doop plaatsvond op de 16de dag van de zevende maand, welke was in de Week der Loofhutten, en de viering daarvan was het einde van het landbouw jaar, de afsluiting van de oogst (Lev.23:39). {TN3: 57:1}

Aldus zien wij dat de gelijkenis in volmaakte getrouwheid is aan de natuur, en dat “de Zoon des mensen” juist op tijd aanving met het zaaien van het geestelijk zaad –aan het einde van het oude en aan het begin van de nieuw jaarse oogst–in precies het juiste seizoen van het jaar. Met het zaaien van het zaad beginnend met Christus’ doop, en de oogst komend aan het “einde der wereld,” behelst de periode van de gelijkenis vanzelfsprekend de gehele evangelie dispensatie–vanaf het begin van Christus’ bediening tot aan de afsluiting van de genadetijd. Tussen die twee bevindt zich de

57

Tarwe-groeitijd. {TN3: 57:2}

De drie en een half jaar vanaf het begin van Christus’ bediening tot aan Zijn kruisiging zijnde de zaaitijd, en de oogsttijd zijnde het einde der wereld, dan is de tussenliggende periode de tijd voor het groeien en rijp worden van het graan, alsmede het

Onkruid-zaaitijd.  {TN3: 58:1}

Bij het afronden van Zijn zaaien van het goede zaad, “verliet….de Zoon des mensen…Zijn huis, en gaf Zijn dienstknechten macht, en elk zijn werk, en gebood de deurwachter om te waken.” Markus 13:34. Maar daar Hij er niet was, “sliepen de mensen,” zoals mensen gewoonlijk doen wanneer hun werkgever niet aanwezig is. Aldus, enige tijd nadat Christus opvoer ten hemel, “kwam Zijn vijand en zaaide onkruid onder het tarwe, en ging zijns weegs.” Matt.13:25. Maar Zijn dienstknechten, daar slapende, wisten het niet! Wat een tragische ironische voorstelling! Sions wachters in slaap gevallen zelfs aan haar muren, terwijl de vijand ongezien en  ongehinderd voorbij glipt! O, wat een vreselijke schuld van groffe plichtsverzuim rust op de wachters sinds de apostolische dagen! {TN3: 58:2}

Degenen aanklagend die vandaag verantwoordelijk zijn voor dit falen om  de kerk te beschermen van het lidmaatschap toe te zeggen aan feitelijk iedereen die belangstelling belijdt te hebben en een wens aantoont om lid te worden, hoewel zo iemand noch gegrond is in de waarheid noch “vruchten” voortbrengt “die aan de bekering beantwoordt,”

58

verklaart de Geest der Profetie: “Er wordt teveel haastig werk besteed aan het toevoegen van namen in het kerkregister. Ernstige gebreken worden gezien in het karakter van sommigen die zich bij de kerk voegen. Zij die hen toelaten, zeggen: Wij zullen ze eerst de kerk inbrengen, en daarna hen hervormen. Maar dit is een dwaling. {TN3: 58:3}

Het allereerste werk dat gedaan moet worden, is het werk van hervorming…Sta hen niet toe om zich te verenigen met Gods volk in kerkelijk verband, totdat zij besliste bewijzen hebben dat de Geest van God in hun harten aan het werken is. Velen, wiens namen staan geregistreerd in de kerkelijke boeken, zijn geen Christenen.” –The Review and Herald, 21 Mei, 1901. {TN3: 59:1}

Welk sterker bewijs is nodig voor iemand om zich te overtuigen dat de wachters het geestelijk inzicht hebben verloren welke Johannes de Doper en de apostelen hadden? Tragisch waar, is inderdaad de scherpe aanklacht: “Slapende predikanten, predikend tot een slapend volk.” –Testimonies, Vol.2 {Getuigenissen, Deel 2}, blz.337. {TN3: 59:2}

Waarnemend, “toen hij velen van de Farizeeers en Sadduceeers zag komen tot zijn doop,” dat zij later zijn Heer zouden kruisigen, zie Johannes tot hen: ” O, adderengebroed, wie heeft u een gewaarschuwd om te vluchten van de komende toorn? Brengt daarom vrucht voort dat aan de bekering beantwoordt.” Matt.3:7,8. Aldus onthulde en dwarsboomde hij het plan van de duivel om het onkruid in te brengen in die tijd. Want hij wist maar al te goed, dat als het onkruid eenmaal binnenkwam en hij dan zou trachten hen uit te wieden, hij het tarwe met hen zou uitrukken.  {TN3: 59:3}

59

En daarna , gedurende de tijd van de apostelen, zei Petrus, als een getrouwe wachter van de kerk,  het opnieuw pogen van de duivel bespeurend om binnen te komen met zijn kwade zaad, tot de schuldige: “Ananias, waarom heeft Satan uw hart vervuld, om tegen de Heilige Geest te liegen, en een deel van de prijs van het land achter te houden? …En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest; en er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden…En het omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw …inkwam. En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gij het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: JA, voor zoveel…Toen viel zij terstond neer voor zijn voeten, en gaf de geest.” Hand. 5:3,5,7,8,10. {TN3: 60:1}

Het feit dat ook de gemeente gefaald heeft om waar te nemen dat de duivel zijn zaad onder hen zaait, rechtvaardigt ten tweede male de aanklacht: “Slapende predikanten, predikend tot een slapend volk” (Testimonies, Vol.2 {Getuigenissen, Deel 2}, blz.337), en bewijst fat de gehele kerk, zowel de leiding als de leken, in dieope slaap is ter vervulling van de worden van Christus: “Dan zal hert koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden…en vijf van hen waren wijs, en vijf waren dwaas…Doch…terwijl de bruidegom vertoefde, sluimerden zij allen en sliepen.” Matt.25:1-5{KJV}. {TN3: 60:2}

Het onheil van het toelaten van de duivel om vrijelijk het onkruid onder het tarwe te zaaien, heeft in de Christelijke kerk bestaan vanaf het heengaan van de apostelen, met als gevolg dat wanneer

60

de Heer een boodschap heeft gezonden tot Zijn volk, het onkruid onder hen onmiddellijk (onder onderwijzing van de leiders) hun handen hebben opgeheven en wie dan ook  uit stemden die zou luisteren naar de boodschapper en de boodschap zou gehoorzamen. Door aldus keer op keer hun geboorterecht te veerkopen voor minder dan een pot voedsel, heeft het belijdend volk van God verlies geleden, en nochtans heeft de kerk nooit geleerd van de tragische les!  {TN3: 60:3}

“O, gij huis Israëls,” waarschuwt de Heer, “laat het u genoeg zijn vanwege al uw gruwelen, dat gij  in Mijn heiligdom heeft gebracht vreemdelingen, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om het te verontreinigen, namelijk Mijn huis.” Ezech. 44:6,7{KJV}. {TN3: 61:1}

Maar tot de getrouwen, aangezien het onkruid hen uit hun midden heeft verdrongen, is altijd de vertroostende verzekering van de Heer geweest: “Zalig zijt gij, wanneer mensen u zullen haten, en wanneer zij u zullen afscheiden van hun gezelschap, en u zullen smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om de Zoon des mensens’ wil. Verblijdt u in die dag, en spring op van vreugde; want ziet, uw loon is groot in de hemel; want op gelijke wijze deden hun vaders aan de profeten.” Lukas 6:22,23{KJV}. {TN3: 61:2}

Aangezien de periode vanaf het heengaan van de apostelen de groeitijd van het tarwe en het onkruid is geweest, en aangezien, bovendien, de Laodiceese gemeente de laatste is van de zeven afdelingen van de Christelijke kerk waarin het tarwe en het onkruid vermengd zijn, moeten wij het antwoord leren op de vraag:

61

Welke {Gemeente} Is De Laodiceese Gemeente? {TN3: 61:3}

Laodicea kan onfeilbaar herkend worden temidden van de vele “ismen” der Christendom aan het werk dat zij doet–het oordeel verkondigen. Inderdaad, dit merkteken van herkenning wordt aangewezen juist door de naam Laodicea, dat is samengesteld door de twee Griekse woorden lao en dekei, de ene betekenend “volk{of mensen},” en ook “spreek,” de ander betekenend “oordeel,” de twee in een betekenend het volk dat oordeel verkondigt. De kerk, daarom, die verkondigt: “Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid; want de ure van Zijn oordeel is gekomen” (Openb. 14:7), is klaarblijkelijk die ene, genaamd Laodicea. En het is haast even wel bekend buiten de Adsventistische kringen als van binnen, dat de Zevende-dags Adventisten gemeente de oordeelsboodschap van Openbaring 14:7 tracht over te brengen, en is daarom onbetwistbaar in haar opeising van de titel Laodicea.  {TN3: 62:1}

Het is dan duidelijk, dat de namen van “de zeven gemeenten” (de opeenvolgende afdelingen van de Christelijke kerk voorstellend, waarvan de Laodiceese de laatste is) niet “slechts namen” zijn. Neem als een ander voorbeeld de naam van de zesde, “Filadelfia.” Haar betekenis, “broederlijke liefde,” zijnde een verkeerde benaming voor de geestelijke toestand van welke andere gemeente dan ook in de gehele Christelijke periode, past onvoorwaardelijk echter, bij de staat van liefdadigheid die gewoonlijk en enkelvoudig bekend was van de zesde–de Millerieten gemeente. {TN3: 62:2}

Zijnde het ene schijnende voorbeeld van een gemeente die zich nooit schuldig maakte aan het dwarsbomen of trachten op welke manier dan ook haar leden te dwarsbomen in

62

hun beoefening van hun onvervreemdbare recht om voor zichzelf te onderzoeken en te aanvaarden wat dan ook hun geweten hen verzoekt te onderzoeken en te aanvaarden, is zij de enige die niets bijdroeg tot de ernstige toestand, die te voorschijn roept het schriftgedeelte: “Hoort het Woord des Heren, gij die voor Zijn woord beeft; uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijnentwil, zeiden: Laat de Here verheerlijkt worden; maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden” (Jes.66:5{KJV}) in de

Scheiding Van Het Onkruid Van Onder Het Tarwe. {TN3: 63:1}

Het einde van de periode waarin het tarwe en het onkruid vermengd zijn is de tijd van het afsluitingswerk voor de Laodiceese gemeente (de laatste van de zeven gemeenten). Dit werk wordt geïdentificeerd door de grondlegger van de gemeente als het merken in Ezechiël 9, de verzegeling van het geestelijk Israël, de 144.000. (Zie Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz.445 en Testimonies, Vol.3{Getuigenissen, Deel 3}, blz. 266; Vol.5, blz. 211{Deel 5, blz…}) En deze identificatie wordt beslissend ondersteund door het feit, zoals hierin wordt gezien, dat Ezechiël’s profetie een scheiding is van twee groepen–zij die “zuchten en uitroepen voor al de gruwelen die worden bedreven in het midden daarvan” (de kerk) en zij die

63

dat niet doen. En aangezien de eerstgenoemden worden verlost terwijl de laatstgenoemden vallen onder de slachtwapens van de engelen, is er duidelijk een volledige scheiding van het onkruid van onder het tarwe in de

Tijd Van De Oogst. {TN3: 63:2}

Hoewel de ware betekenis en tijd van de oogst grootschalig door sommigen in verwarring wordt gebracht en verwarrend is voor velen, zal een nadere studie van het Woord opheldering erin brengen op net zo een simpele wijze als het opheldering bracht in zowel de tijd van het zaad zaaien en de periode van het tarwe en het onkruid. {TN3: 64:1}

Met Zijn ogen de nevel der eeuwen doorsnijdend, voorzag Christus de nalatigheid van Zijn wachters en het kwaad welke zou opkomen in Zijn kerk. Desondanks, nadat Hem werd gevraagd door Zijn dienstknechten: ” Hebt Gij geen goede zaad gezaaid in Uw akker? van waar heeft het dan dit onkruid? …Wilt Gij dan, dat wij heengaan en het vergaderen?…zeide Hij: Neen, opdat gij niet, terwijl gij het onkruid vergadert, ook het tarwe met hen uittrekt. Laat beiden samen opgroeien tot de oogst; en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert gij eerst het onkruid, en bindt het in bossen, om het te verbranden; maar verzamelt het tarwe in Mijn schuur.” Matt. 13:27-30{KJV}. {TN3: 64:2}

Een oogst betekent het “resultaat van poging {inspanning},” of zware arbeid, “het inzamelen van een gewas,”–het oogsten{maaien} van het resultaat der arbeid en het vullen van de schuren met graan. Dus, in plaats van dat de arbeid van het jaar

64

is voleindigd aan het begin van de oogst, begint, juist dan, de zwaarste arbeid van het jaar. En hoewel de oogsttijd de kortste tijd is van het oogstjaar, wordt het werk van het maaien niet in een ogenblik gedaan; het neemt tijd in beslag. De opbrengst wordt niet bijeen vergaderd door de akker gelijk te veranderen in de schuur; neen, dat zou een grote opeengepakte hoop zijn in plaats van een oogst. Eerst wordt de sikkel aan het graan geslagen, en vervolgens wordt het graan gebonden tot schoven{garven}, daarna gedorst, waarna het wordt geplaatst in de schuur; en daarna wordt het kaf en het onkruid vernietigd. Dit werk zijnde voltooid gedurende de herfst, toont het aan dat de oogst een seizoen des tijds is nadat “de zomer voorbij is,” en dat het wordt gevolgd door de onvruchtbare winterperiode. {TN3: 64:3}

Alzo moet het zijn met de geestelijke oogst, welke anders niet kon worden geïllustreerd door de letterlijke. Acht niet lichtvaardig de wijsheid van God; Zijn illustraties zijn volmaakt. {TN3: 65:1}

Beschouw nu, met welk een exacte getrouwheid tot de natuurlijke oogst de Meester de waarheden heeft verklaard van de geestelijke oogst: “Laat beiden samen opgroeien tot de oogst,” zegt Hij: “en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert gij eerst het onkruid, en bindt het in bossen, om het te verbranden; maar verzamelt het tarwe in Mijn schuur.” Matt. 13:30{KJV}. {TN3: 65:2}

In deze parabolische woorden heeft Christus de geestelijke wijze van oogsten

65

evenredig {parallel} is aan de natuurlijke wijze. Ware de ene niet precies zoals de ander, dan zou Hij het verschil onderscheiden hebben. Wees daarom gewaarschuwd, om geen ijdele verbeeldingen in het verstand te laten komen, maar sta vierkant op de Schriften, want zij zijn vol van betekenis van onbegrensde waarde–zijn waarlijk, zelfs uw leven. {TN3: 65:3}

Aangezien het woord “tot” betekent “tot aan,” zal het onkruid  daarom eruit verzameld worden, niet voor of na de oogst, maar aan het begin ervan. En “de tijd van de oogst” zijnde “het einde van de genadetijd” (Christ’s Object Lessons, p.72{Lessen uit het Leven van Alledag, blz..}), dan gaat het oogsten op zichzelf genomen vooraf aan de afsluiting van de genadetijd—de onvruchtbare winterseizoen. Dus, het onkruid wordt gescheiden van het tarwe voor, niet na, het einde van de genadetijd. {TN3: 66:1}

Het tarwe, “de kinderen van het koninkrijk” (vers 38), wordt bijeen vergaderd in de schuur, het koninkrijk;  het onkruid, “de kinderen van de boze” (vers 38)–louter belijders, zij die geen daders van het Woord zijn, en die het lidmaatschap werden toegezegd “terwijl de mensen sliepen”–“worden vergaderd en in het vuur verbrand” (vers 40), nadat het onkruid is gebonden tot schoven{garven}. Maar

Wie Zijn De Maaiers? {TN3: 66:2}

“De maaiers zijn de engelen” die “zullen voort komen, en de goddelozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden.” Matt. 13:39,49{KJV}. Deze engelen zijn niet degenen die zullen “komen”

66

met Christus bij Zijn tweede komst, maar eerder degenen die Hij “zal uitzenden.” Zij zijn gelijk de drie engelen van Openbaring 14:6-11. Inderdaad, de derde engel “zal het tarwe uit het onkruid selecteren, en het tarwe verzegelen, of binden, voor de hemels graanschuur.”– Early Writings, p.118{Eerste Geschriften, blz…}. Daarom omvatten de engelen, de maaiers, die Christus uitzendt, zowel hij die verzegelt, of bindt, als degenen die navolgen om te vernietigen (Ezech. 9:2,5,6). Aldus geschiedt de

Scheiding in Twee Delen. {TN3: 66:3}

Het bevel: “Verzamelen uit Zijn koninkrijk alle dingen die ergeren, en zij die ongerechtigheid doen,” betekent niet het verzamelen van Zijn heiligen uit de aarde tot in de hemel; noch betekent het het vernietigen van de goddelozen van de aarde; want de eerstgenoemden zullen worden vergaderd, niet direct tot de hemel, maar eerst in “de schuur,” het koninkrijk op aarde; en de laatstgenoemden zullen niet onmiddellijk worden vernietigd “in de tijd van de oogst,” maar zullen eerst worden  bijeenvergaderd in bundels, en dan vernietigd, zoals verder wordt geïllustreerd in de gelijkenis van het net: {TN3: 67:1}

“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, dat in de zee was geworpen, en van iedere soort bijeenbracht; welke, toen het vol was, zij op de oever trokken en neerzaten, en het goede in vaten verzamelden, maar het slechte wegwierpen.” Matt.13:47.48{KJV}.{TN3: 67:2}

67

Deze gelijkenis toont ook aan de scheiding van de goddelozen uit het midden van Gods volk in de kerk (“het net”), dit zijnde het eerste gedeelte van het werk van scheiding, het begin van de oogst. Het opvolgende gedeelte vervolgt in de wereld, als de aarde wordt verlicht met de heerlijkheid van de “Luide Roep” engel, en als “een andere stem uit de hemel” zegt:”Komt uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt aan haar zonden, en dat gij niet ontvangt van haar plagen.” Openb.18:4{KJV}. {TN3: 68:1}

Merk op dat in het eerste gedeelte van de scheiding, die ene in de kerk, de goddelozen worden weggenomen van onder de rechtvaardigen, terwijl in het tweede, de ene in Babylon, de rechtvaardigen worden geroepen, van onder de goddelozen. {TN3: 68:2}

Aangezien de akker “de wereld” is (Matt.13:38), behelst de gelijkenis beide afdelingen van de oogst. Aangezien het “net,” in tegenstelling, de “vissen” binnensleept, de bekeerlingen gemaakt door de evengeliekerk, is de gelijkenis van het net daarom beperkt tot de scheiding in de kerk. Samen onderscheiden zij de

Relatie van de Eerste Vruchten tot de Tweede. {TN3: 68:3}

Aan Jesaja werd ook een inzage gegeven tot deze tweevoudige oogst. “Want met vuur, en met Zijn zwaard,” profeteert hij, “zal de Here pleiten met alle vlees; en de verslagenen des Heren zullen velen zijn. Zij die zichzelf heiligen, en zich reinigen in de

68

hoven achter een boom in het midden, zwijnenvlees etende, en de gruwel, en de muis, zullen tezamen verteerd worden, zegt de Here.” Jes. 66:16,17{KJV}. {TN3: 68:3}

De verslagenen des Heren, in dit schriftgedeelte, zijn degenen die belijden in het geloof te zijn, die heiligmaking en reiniging beweren {of opeisen}, maar die dat doen vanwege de verdiensten van hun eigen gerechtigheid,–van “zichzelf,”–niet vanwege de verdiensten van Christus’ gerechtigheid. Dat betekent, zij wandelen in hun eigen wegen, niet in gehoorzaamheid tot de waarheid. Om zich heen getrokken met deze valse gewaden van heiligmaking en reiniging, doen zij zich voor als hervormers, terwijl zij al de tijd toegeven aan de gruwelen van de heiden; dit doende in het geheim–“achter een boom,” of, zoals de kantregel {margin} zegt, in de leiding volgend “de een na de ander.” En het voedsel (zwijnenvlees, de muis, en de gruwel,–wat dat ook mag zijn, waar dan ook deze heidensgezinde Christenen mogen zijn,– voedsel dat respectievelijk alleen in bepaalde delen van de wereld wordt gebruikt, onder verscheidene klassen en rassen) waarmee zij hun eetlust bevredigen, toont aan dat de daaruit volgende vernietiging onder deze zelf-heiligenden en zelf-reinigenden plaatsvindt in de kerk wereldwijd. {TN3: 69:1}

Dat het niet was onder de heidenen, die niets wisten van de waarheid van God en van Zijn grote macht, wordt duidelijk getoond door de woorden van de Heer: “Ik zal degenen, die van hen ontkomen, zenden tot de natiën, tot Tarsis, Pul, en Lud, die de boog spannen, tot Tubal, en

69

Javan [de heidense natiën van vandaag zoals zij worden genoemd bij hun vroegere namen], tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord hebben, noch Mijn heerlijkheid hebben gezien; en zij zullen Mijn heerlijkheid aan de heidenen verkondigen.” Jes.66:19{KJV}. {TN3: 69:2}

Aangezien deze ontkomenen (de eerste vruchten, de 144.000 dienstknechten Gods–Openb.7:3) “al uw broeders zullen brengen” (de tweede vruchten, de grote schare–Openb.7:9) “tot een offer brengen…uit alle natiën”  (Jes.66:20, eerste deel), is deze grote inzameling daarom, noodzakelijkerwijs, het afsluitingswerk van het evangelie–de tweede afdeling van de oogst. {TN3: 70:1}

En aangezien verder, deze ontkomenen al hun broeders zullen brengen “naar Mijn heilige berg Jeruzalem, zegt de Here,” “in een rein vat in het huis des Heren” (vers 20, laatste deel), is het feit ten volle duidelijk dat de vernietiging van de goddelozen, resulteert in de reiniging van de kerk. Het “reine vat” is daarom de gereinigde kerk,, samengesteld door de ontkomenen–de eerste vruchten, de 144.000–die dan, vrij van de goddelozen (het onkruid), als “de dienstknechten van onze God,” de tweede vruchten zullen inbrengen, de grote schare die niemand tellen kan, uit alle natiën. {TN3: 70:2}

Deze tweede afdeling van de scheiding aldus zijnde volbracht, is de genadetijd gesloten. Waarbij er van de goddelozen zal worden gehoord de afgrijselijke weeklacht van ondergang:”De oogst is voorbij, de zomer is ten einde, en wij zijn niet gered.” Jer.8:20{KJV}. {TN3: 70:13

70

Dit zijnde de vreselijke ervaring van het onkruid in Babylon, in de tweede afdeling van de oogst, dan moet er, als een type, een soortgelijke en voorafgaande ervaring zijn voor het onkruid in de Laodiceese kerk, in het eerste afdeling van de oogst, een parallel die beslissend aantoont dat

De Kerk Geen Babylon Is. {TN3: 71:1}

De reden waarom de kerk figuurlijk gesproken geen “Babylon” is, is omdat het wordt genoemd Jeruzalem ( Ezech. 9:4,8), en van onder de goeden daarin, worden de goddelozen (het onkruid) vernietigd, eruit genomen, door de zes mannen met de verdeligingswapen (Ezech.9:6-9), en dan, daarna, worden de goeden (het tarwe) bijeen vergarderd in de “schuur;” terwijl van onder de goddelozen in Babylon, worden de rechtvaardigen (“Mijn volk”)  uitgeroepen en bijeen vergaderd in de schuur, en dan gieten de zeven engelen de zeven laatste plagen uit, en de overgebleven goddelozen worden vernietigd. {TN3: 71:2}

Aldus worden in het eerste gedeelte van de oogst, de scheiding in de kerk, de goddelozen vernietigd door zes mannen met verdelgingswapens, voordat de goeden eruit worden genomen; en in de tweede afdeling, de scheiding onder de kerken in Babylon, worden de goddelozen vernietigd door zeven engelen met de zeven laatste plagen, nadat de goeden eruit zijn genomen. Er zijn daarom twee scheidingen en twee vruchten; de eerste geeft de eerste vruchten, de 144.000, die niet bevlekt zijn met vrouwen (Openb.14:4). Dat wil zeggen, zij zijn degenen die de verzegelingsboodschap vindt

71

in de kerk van God, niet in de heidense kerken. En de tweede geeft de tweede vruchten, de grote schare uit alle natiën, waarvan sommigen ook onbevlekt kunnen zijn met vrouwen–heidense kerken. {TN3: 71:3}

Hebbende tot dusver bestudeerd het oordeel, de oogst, in het licht van de getuigenissen der profeten en de gelijkenissen van Christus, zullen wij het nu onderzoeken

In het Licht van de Ceremoniële Dienst. {TN3: 72:1}

Net zoals de Geest der Profetie verklaart dat “het gehele systeem van typen en symbolen was een samengestelde{beknopte} profetie van het evangelie, een presentatie waarin waren omsloten de beloften der verlossing” (The Acts of the Apostles, p.14{Van Jeruzalem tot Rome, blz.12}), zo ook is het plan der verlossing ontvouwd niet alleen in de getuigenissen van de profeten en in de gelijkenissen van Christus, maar ook in de typen en symbolen van het aardse heiligdom. Ter toevoeging hieraan, “zijn” de ervaringen van het volk in de typische periode “hen overkomen,” wordt ons verteld, “tot voorbeelden; en zij zijn beschreven tot waarschuwing van ons, over wie de einden der wereld gekomen zijn.” 1 Kor.10:11. Dus zijn wij logischerwijs vanaf het prille begin verplicht om aandacht te schenken aan Gods onderricht tot Mozes: {TN3: 72:2}

“Op de tiende dag van de zevende maand zal er een dag van verzoening zijn:…verzoening te doen voor het

72

aangezicht van de Here uw God. Want welke ziel dan ook, die op diezelfde dag niet verootmoedigd zal zijn, die zal worden afgesneden van onder zijn volk. “Doe een verzoening voor de kinderen Israëls…eenmaal in het jaar.” Lev. 23:27029; 16:34.{KJV} {TN3: 72:3}

Wanneer iemand is “afgesneden van onder zijn volk” op grond van zonde, dan moet zijn naam ook worden “uitgedelgd uit het boek der levenden.” Ps. 69:28. Dus was de dag er verzoening een dag van oordeel, zoals het nog steeds gewoonlijk wordt genoemd door de Joden, en op grond daarvan was het gegrondvest als het type van de grote antitypische dag der verzoening (het onderzoekend oordeel) -de dag waarin de Heer zal uitwissen van Zijn boek de namen van alle zondaars , en “afsnijden” van de vergadering van Zijn volk al degenen wiens namen niet in het boek staan. {TN3: 73:1}

Betreffende de typische dag van verzoening was het bevel van de Heer door middel van Mozes: “Op die dag zal de priester verzoening doen voor u, om u te reinigen, opdat gij rein moogt zijn van al uw zonden voor het aangezicht des Heren…en hij zal verzoening doen voor het heilige heiligdom, en hij zal verzoening doen voor de tabernakel der samenkomst, en voor het altaar.” Lev. 16:30,33{KJV}. {TN3: 73:2}

Zijnde de dag van verzoening in type voor zowel de doden als de levenden, projecteert deze dienst van de aardse tabernakel daarom de dag van verzoening in haar antitype de reiniging van het heiligdom in de hemel van

73

onwaardige namen in de boeken, en de reiniging van de kerk op aarde van haar onbekeerde en onstabiele leden, –aldus te weeg brengend de tijd van reine boeken, {een} reine kerk, en reine mensen. {TN3: 73:3}

Vooruit blikkend op deze dag van reiniging, profeteert Zacharia: “Te dien dage zal er op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEREN; en de potten in het huis des Heren zullen zijn als de bekkens voor het altaar.Ja, iedere pot in Jeruzalem en in Juda zal heilig zijn voor de Here der heerscharen; …en te dien dage zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de Here der heerscharen.” Zach.14:20,21{KJV}. {TN3: 74:1}

Hetzelfde tafereel in zicht brengend, verklaart de profeet Jesaja: “En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en al de koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwe naam genoemd worden, welke de mond des Heren zal zal noemen. Gij zult ook een kroon der heerlijkheid zijn in de hand des Heren, en een koninklijke hoed in de hand van uw God. Gij zult niet meer genoemd worden: Verlaten; …gij zult  worden genoemd: Hephzibah…het heilige volk.” Jes. 62:2-4,12{KJV}. {TN3: 74:2}

“Maar gij…die de Here verlaat, die Mijn heilige berg vergeet,…gij zult uw naam  tot een vervloeking laten voor Mijn uitverkorenen; want de Here God zal u doden, en Zijn knechten met een andere naam noemen.” Jes. 65:11,15{KJV}. {TN3: 74:3}

“Het volk, dat geen verstand heeft, zal vallen.” Hos.4:14{KJV}. “Velen zullen

74

gereinigd, en wit gemaakt , en beproefd worden; maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen van de goddelozen zullen het verstaan; doch de verstandigen zullen het verstaan.” Dan. 12:10 {KJV}. {TN3: 74:4}

Degenen, wiens inzicht helder is over de waarheid van de oogst zoals onderwezen in de getuigenissen van de profeten en in de gelijkenissen zullen een nog heldere inzicht hebben naar gelang wij bestuderen de betekenis van

De Beweegschoof, Beweegbroden, En Het Loofhuttenfeest. {TN3: 75:1}

In volledigheid onze verlossing illustrerend, moeten de oogst riten van het ceremonieel systeem daarom overeenkomen met beide de getuigenissen der profeten en de gelijkenissen betreffende de oogst, want allen zijn onlosmakelijk gezamenlijk verbonden. De ceremonieën van de eerste en de tweede vruchten van het graan moeten dienovereenkomstig de waarheid ontvouwen betreffende de eerste en tweede vruchten van het mensdom. In de Levitische wet lezen wij: {TN3: 75:2}

“Gij zult een schoof van de eerste vruchten van uw oogst tot de priester brengen; en hij zal die schoof voor het aangezicht des Heren bewegen, om voor u aangenomen zij; de volgende dag na de sabbat zal de priester het bewegen….En gij zult noch brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op diezelfde dag, dat gij een offerande tot uw God heeft gebracht; …en gij zult voor u tellen van de volgende dag na de sabbat, van de dag dat gij de schoof van het beweegoffer bracht; zeven Sabbatten zullen volkomen zijn;

75

tot de volgende dag na de zevende Sabbat zult gij vijftig dagen tellen; en gij zult een nieuwe spijsoffer aan de Here offeren. Gij zult uit uw woningen twee beweegbroden van twee tienden  brengen; zij zullen van meelbloem zijn; zij zullen met zuurdesem gebakken worden; het zijn de eerste vruchten voor de Here….Ook op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de vrucht van het land hebt ingezameld, zult gij een feest tot de Here vieren, zeven dagen; op de eerste dag zal een sabbat zijn, en op de achtste dag zal een sabbat zijn.” “Lev.23:10.11,14-17,39{KJV}.  {TN3: 75:3}

Hier zien wij opgedragen de onderhoud van drie oogst riten: (1) de ceremonie van de beweegschoof, aan het begin van de eerste oogst; (2) de ceremonie van de beweegbroden, bij de afsluiting van de eerste oogst; (3) het loofhuttenfeest bij de afsluiting van de tweede oogst. Zijnde een typische voorstelling, voorschaduwen deze twee graanoogsten met hun drie letterlijke sacramenten, dienovereenkomstig twee zeilenoogsten met drie geestelijke riten, waarvan de eerste is de

Eerste Vruchten Met Beweeg-Schoof En Beweeg-Broden. {TN3: 76:1}

Bestaande uit een gesneden graanbundel, betekende de beweegschoof vruchten om geoogst te worden. En aangezien de schoof zou worden geofferd voordat de sikkel werd geslagen aan het graan en de schoven bijeen vergaderd, dan wees het vanzelfsprekend vooruit naar de geestelijke oogst van de eerste vruchten om bijeen vergaderd te worden.

76

Op de Pinksterdag, vijftig dagen nadat de typishe schoof werd geofferd, zou geheel Israël “een nieuwe spijsoffer aan de Here” offeren “…

Cerem-harvest

77

[twee beweegbroden “met zuurdesem gebakken”] de eerste vruchten voor de Here.” Lev. 23:16,17{K.J.V}. {TN3: 77:1}

Beide de beweegschoof en de beweegbroden waren dankoffers voor de eerste vruchten. De een werd opgedragen aan het begin van de oogst; de ander aan de voleinding ervan. In tegenstelling tot de beweegschoof van gesneden bundels graan, een zinnebeeld vooraf van vruchten die ingezameld zullen worden nadat de schoof was geofferd, betekenen de beweegbroden, zijnde een eindproduct, vruchten die vooraf zijn ingezameld. (De lezer die het beste de betekenis van deze drie ceremoniële feesten, zo allerbelangrijk zijnde voor onze verlossing, zou willen begrijpen, zal de kaart volgen op bladzijde 77, naar gelang wij doorgaan.) {TN3: 78:1}

Het zal opgemerkt worden dat het gebod betreffende het onderhouden van de zevende-daagse Sabbat, evenals die betreffende het onderhouden van de jaarlijkse ceremoniele feesten, is opgetekend in het drie-en-twintigste hoofdstuk van Leviticus, vers 3. Daarom zou er zorgvuldigheid beoefend moeten worden om om de ene waarheid niet met de andere te verwarren. {TN3: 78:2}

De beweegschoof zou geofferd worden “de volgende dag na de Sabbat” –dat wil zeggen, op de eerste dag van de week, nu gewoonlijk genoemd Zondag. Deze offerande zou worden gepresenteerd, niet op een speciale dag van de maand, maar eerder op een speciale dag van de week, voordat de sikkel werd geslagen aan het graan en verzameld in schoven (Lev.23:11,14). Komende precies op de juiste tijd, in het seizoen van de eerste vruchten, was het Pascha

78

week de periode waarin de beweegschoof gewoonlijk werd geofferd voor de Heer, haar ritueel profetisch projecterend

Christus, Het Antitype Van De Beweeg-Schoof. {TN3: 78:3}

Voor meer dan duizend jaren wees het jaarlijks bewegen van de schoof vooruit naar haar antiypische gebeurtenis, de opstanding van Christus. En aangezien Christus opstond juist op de dag dat de beweegschoof zou worden geofferd, de dag “na de Sabbat,” laat dan niemand de eenvoudige samenloop van deze twee gebeurtenissen op die dag toeschrijven aan slechts toevalligheid of aan welke andere zaak dan ook dan aan goddelijke bedoeling. “Hij was het antitype van de beweegschoof” verklaart de Geest der Profetie “en Zijn opstanding vond plaats juist op de dag toen de beweegschoof zou worden gepresenteerd voor het aangezicht van de Heer.” –Desire of Ages, p.785{Wens der Eeuwen, blz..}. {TN3: 79:1}

Dus waren Christus, de eerste vruchten, en zij die met Hem voortkwamen uit het graf bij Zijn opstanding, opgestaan tot eeuwig leven, de antitypische beweegschoof der doden. En aangezien de beweegschoof van graan vooruit wees naar de inzameling van de eerste vruchten van het veld, dan verwezen evenzo zij die opstonden met Christus, zijnde de eerste vruchten der doden, vooruit naar de inzameling van de eerste vruchten van het evangelie–de 120 discipelen. Maar aangezien zij die met Christus opstonden met Hem opstegen als trofeeën van Zijn overwinning over de dood en het graf, werden zij daardoor een levende type, en aldus

79

De Beweeg-Schoof Van De Levenden. {TN3: 79:2}

Gelijk Christus opstond juist op de dag dat de schoof zou worden geofferd, evenzo viel de Heilige Geest op de 120 discipelen juist op de dag dat de beweegbroden zouden worden gepresenteerd voor de Here. De apostolische Pinksterdag was dienovereenkomstig het prototype van het ceremoniële Pinksteren (de dag waarop de beweegbroden werden geofferd). En aangezien  de beweegschoof een voorstelling was van Christus en van degenen die met Hem opstonden als eersten van de eerste vruchten der doden, waren de beweegbroden daaruit volgend een voorstelling van de 120 met de Geest vervulde discipelen, die de volledige aanvulling{of afronding, bekroning} waren van de eerste vruchten der doden, en die waren ingezameld na de opstanding. {TN3: 80:1}

Uit deze feiten kan het nog duidelijker worden gezien dat degenen die Christus met Zich meenam, de levende beweegschoof waren en de enige die was geofferd in het hemelse heiligdom, en dat als degenen die herrezen zijn uit de dood, zij de eerste vruchten der doden zijn, terwijl als degenen die altijd leven voor het aangezicht van de Vader, zij de levende beweegschoof zijn van de eerste vruchten der levenden, de 144.000 dienstknechten Gods, die vervolgens vooraf gaan aan

De Tweede Vruchten En Het Feest Der Loofhutten. {TN3: 80:2}

De 120 discipelen op de dag van Pinksteren zijnde de eerste vruchten der doden van het evangelie, dan is het gevolg dat de grote schare die daarna dagelijks werd toegevoegd aan de kerk, natuurlijk de tweede vruchten der doden waren van het evangelie. {TN3: 80:3}

80

“….Ook op de vijftiende dag van de zevende maand,” vervolgt het Levitisch verslag van de geboden van de Heer betreffende de oogst riten,”  wanneer gij de vrucht van het land hebt ingezameld, zult gij een feest tot de Here vieren, zeven dagen; …en op de eerste dag  zult gij u nemen  takken van schoon geboomte, palmtakken, en de twijgen van dichte bomen, en beekwilgen; en gij zult u verblijden voor het aangezicht van de Here uw God, zeven dagen; Gij zult zeven dagen in loofhutten wonen; alle ingeborenen in Israël zullen in loofhutten wonen.” Lev. 23:39,40,42. {TN3: 81:1}

Aangezien de beweegschoof en de beweegbroden typisch {zinnebeeldig} zijn, dan moet de Feest der Loofhutten ook typisch zijn. Anders zou de ceremonie niet zijn onderhouden als een deel van de oogst riten. En aangezien in het type het feest moest worden gevierd bij de afsluiting van de laatste inzameling van de oogst van het jaar, dan moet het overeenkomstig in het antitype gevierd worden bij de afsluiting van de laatste inzameling van de oogst van de aarde, welke zijn vervulling nadert. Dus is de tijd die wordt verbruikt aan het produceren en aan het offeren van de beweegschoof en de beweegbroden, en ook aan het onderhouden van het Loofhuttenfeest, een voorstelling van de gehele geestelijke oogsttijd van de levenden en van de doden. {TN3: 81:2}

Dit feit ondersteunend, zegt de Geest der Profetie:  {TN3: 81:3}

“Het Loofhutten Feest was niet alleen ter herdenking, maar ook typisch… Het vierde

81

de inzameling van de vruchten der aarde, en wees vooruit naar de grote dag van de laatste inzameling, wanneer de Heer van de oogst Zijn maaiers zal zenden om het onkruid samen bijeen te vergaderen in bossen voor het vuur, en om het tarwe te verzamelen in Zijn graanschuur. Tegen die tijd zullen al de goddelozen vernietigd worden.” –Patriarchs and Prophets, p.541{Patriarchen en Profeten, blz..}. {TN3: 81:4}

Het is daarom duidelijk, dat omdat de eerste en de tweede vruchten van de letterlijke oogst en haar bijkomende plechtigheden een geestelijke  oogst van eerste en tweede vruchten voorafschaduwden, moet hun hoogtepunt bereikt hebben door het Loofhuttenfeest.  {TN3: 82:1}

“Ik zag de heiligen,” zegt de dienstknecht des Heren bij het beschrijven van deze viering, “de steden en dorpen verlaten, en zich met elkander verenigend in gezelschappen, en levende in de meest eenzame plaatsen. Engelen voorzagen hen van voedsel en water, terwijl de goddelozen honger en dorst leden.” —Early Writings, p. 282{Eerste Geschriften, blz…}. {TN3: 82:2}

Aldus typeerde het wonen van het vroegere Israël in loofhutten, het uiteindelijk wonen van het moderne Israel in de bossen. Het is daarom onweerlegbaar, dat de oogst van Mattheus 13 vooraf gaat aan de afsluiting van de genadetijd, en zich bevindt in de tijd van de inzameling van de eerste en tweede vruchten–de 144.000 en de “grote schare,”– al de heiligen die zullen worden opgenomen {veranderd}. {TN3: 82:3}

Aangezien het licht dat zich richt op dit punt duidelijk openbaart dat het Pinksteren na de opstanding {bestemd}

82

was voor de inzameling van degenen die zouden sterven, dan moet er, dienovereenkomstig, een Pinksteren zijn voor het inzamelen van degenen die opgenomen zullen worden. En door hetzelfde bewijs van logica, moeten de beweegschoof e nde beweegbroden, een dubbele toepassing hebben, elk op de doden en op de levenden, gezamenlijk vormend de totale vruchten van de antitypische oogst. {TN3: 82:4}

Het apostolische Pinksteren, door het voorzien in de kracht voor het inzamelen van de tweede vruchten tot aan het begin van het oordeel van degnene die nu dood zijn, voorspelde het laatste Pinksteren, welke nog in de toekomst ligt, en welke zal brengen de kracht voor het inzamelen van de twede vruchten van de levenden, zij die nooit zullen sterven. Met andere woorden, degenen die stierven voor het laatste Pinksteren zullen geoordeeld worden naar het licht der waarheid dat werd weerspiegeld door middel van de kracht van het apostolische Pinksteren.  {TN3: 83:1}

(Vanaf Zijn doop tot aan Zijn hemelvaart, onderwees Christus alom de waarheid die degenen die het aanvaardden zou voorbereiden, om het mede te delen. Daarna, op de Pinksterdag, voorzag Hij hen van Zijn Geest om het met kracht te verkondigen.) {TN3: 83:2}

Betreffende het oordeel, de oogst, verklaart de dienstknecht des Heren: {TN3: 83:3}

“Toen zag ik de derde engel. Mijn begeleidende engel zei: “Vreselijk is zijn werk. Ontzagwekkend is zijn zending. Hij is de engel die het tarwe van het onkruid zal uitlezen, en het tarwe en

83

verzegelen, of binden, voor de hemelse graanschuur.” —Early Writings, p. 118{Eerste Geschriften, blz..}. {TN3: 83:4}

“Wees gij daarom geen spotters, opdat uw banden niet sterk gemaakt worden; want Ik heb van de Here God der heerscharen gehoord een verdelging, namelijk die vast besloten is over de gehele aarde. Neemt ter ore, en hoort  Mijne stem; merkt op en hoort Mijn rede.” Jes. 28:22,23{KJV}.  {TN3: 84:1}

En opdat nu een ieder die oprecht tracht te horen naar en aandacht te schenken aan de stem der Waarheid, de duidelijkst mogelijke begrip kan hebben van de verscheidene aspecten van het onderwerp van het oordeel, de oogst, worden zij hierbij gebracht tot een hechtere scherpstelling: {TN3: 84:2}

De lezer zal gedenken dat degenen die met Christus opstonden op de achttiende dag van de eerste maand (volg de kaart op bladzijde 55), onsterfelijk werden gemaakt, en in de hemel werden ontvangen als de antitypische schoof, wijzend naar de inzameling van de vruchten die nooit zullen sterven. Hun opstanding uit de dood betekende het begin van de oogst der eerste vruchten van de 120 discipelen die zouden sterven en worden opgewekt. Het feit dat de volgelingen van Christus niet eensgezind waren voor de opstanding, is zeer duidelijke getuigenis dat de eerste vruchten (de 120) van hen die slapen niet rijp waren geworden( niet volledig bekeerd zijn geworden) tot na de opstanding. {TN3: 84:3}

De 40 dagen van Christus’ persoonlijke aanwezigheid op aarde na Zijn opstanding was

84

de tijd waarin  de eerste vruchten werden ingezameld, want na Zijn hemelvaart sloten de Christenen zich in in de bovenkamer en stonden niet op om de waarheid te prediken tot aan het Pinksteren. de 120, die de kracht van de Geest ontvingen juist op de dag dat de beweegbroden werden geofferd, waren daarom de antitypische beweegbroden, aangevend de volledigheid vam de oogst der eerste vruchten.  Daaropvolgend kwamen de tweede vruchten van de doden, in de periode waarin het onkruid was vermengd met het tarwe. {TN3: 84:4}

Wonderbaarlijk is inderdaad de wijze waarop God het plan der verlossing heeft uitgewerkt en het stap voor stap heeft geopenbaard naar gelang het noodzakelijk is. Toen in 1844 het onderzoekend oordeel van de doden en de inzameling van eerste vruchten der levenden begon, heeft Hij Zijn volk niet in duisternis gelaten betreffende deze gebeurtenissen. Het allereerste visioen welke Zuster White ontving in 1844 was van de 144.000 eerste vruchten, de dienstknechten van onze God,” die de dood nooit zullen smaken. (Zie Early Writings, p.13,15{Eerste Geschriften, blz…). {TN3: 85:1}

Net zoals Christus en degenen die Hij opwekte en met Zich meenam de prototypische schoof werden, voortekenend de inzameling van de eerste vruchten  (de 120) van hen die zullen worden opgewekt, zo ook toen Hij inging tot Zijn priesterlijke bediening in het eerste afdeling van het hemels heiligdom, en zichzelf en Zijn trofeeën voor Zijn Vader, werden zij de antitypische schoof, voortekenend de inzameling

85

van de eerste vruchten van degenen die zullen worden opgenomen (de 144.000 levende heiligen). In het licht van deze evenredigheid, wordt de geestelijke toestand van de 120 voor het apostolische Pinksteren duidelijk gezien als typerende de geestelijke toestand van de 144.000 voor het toekomstige Pinksteren. {TN3: 85:2}

De 40 dagen (Handelingen 1:3,9) van de opstanding tot de hemelvaart zijn dus typisch voor de periode van 1844 tot de vervulling van het merken en doden zoals is opgetekend in Ezechiël 9 en Openbaring 7:3-8; 14:1-5 respectievelijk, en in Testimonies to Ministers, blz.445, Testimonies, Vol.3,blz. 266, en ook Early Writings, blz. 270-273 {Eerste Geschriften, blz..}. {TN3: 86:1}

Nadat de eerste vruchten zijn verzegeld en het onkruid is verwijderd onder hen, dan zullen zij, zijnde gescheiden van de invloed van de wereld, zoals de 120 dat waren op de dag van het Pinksteren, ontvangen de uitstorting van “de Heilige Geest in en veel grotere mate, aangezien de toename van goddeloosheid een meer vastbesloten oproep tot bekering vereist.” –Testimonies, Vol. 7{Getuigenmissen, Deel 7}, blz.33. {TN3: 86:2}

De eerste vruchten der doden (120) zijnde een telbare gezelschap, en de tweede vruchten der doden (de menigte bijeen vergaderd na het Pinksteren) zijnde een ontelbare gezelschap, dan moet het dienovereenkomstig ook zo zijn met de eerste en tweede vruchten van de levenden. Vandaar de verzegeling van de 144.000 eerste vruchten; en vandaar “na dezen,” zegt Johannes, zag ik, en ziet, een grote schare,

86

die niemand tellen kon, uit alle natien, en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon, en voor het Lam, bekleed met witte klederen, en palmtakken in hun handen…en al de engelen stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren.” Openb.7:9,11{KJV}. {TN3: 86:3}

Merkt zorgvuldig op, dat deze grote schare voor de troon stond, niet lichamelijk, maar figuurlijk, zoals wordt gezien in Early Writings, p. 55{Eerste Geschriften, blz…}, en zoals wordt bewezen uit het tweevoudige feit dat (1) de engelen “stonden rondom de troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren,” aantonend dat de grote schare zich buiten de engelenkring bevond; en dat (2) de aanwezigheid van de engelen, de ouderlingen, en de vier dieren rondom de troon aantoont dat het oordeel (Openb. 4:2-6) nog steeds gaande was, en dat daarom de genadetijd niet was gesloten. {TN3: 87:1}

De palmtakken in de handen van de grote schare (Openb.7:9,11) en de “overwinningspalm ” geplaatst ” in iedere hand” van “het ontelbare heerleger der verlosten” (The Great Controversy, p.646{De Grote Schare, blz..}), voorspellen twee totaal verschillende gebeurtenissen; want de laatstgenoemden ontvingen beiden een “overwinnings palmtak en [een] schitterende harp,” terwijl de eerstgenoemden geen harpen hadden maar alleen palmtakken. “De ontelbare schare van de verlosten ontving hun palmtakken en harpen in de hemel, bij het opstijgen van de “wolken strijdwagen”, en net voor het binnengaan van de heilige stad. De grote schare, daarentegen

87

had hun palmtakken op aarde want zoals wij eerder zagen hadden zij ze tijdens het onderzoekend oordeel in het hemelse heiligdom—voor de afsluiting van de genadetijd. (Zie Openbaring 4 en 5; De Herder’s Staf, Deel 2, p.  – {Eng 194-197} {TN3: 87:2}

Het is dan duidelijk, dat terwijl de palmtakken en de harpen van de verloste heerlegers in de hemel werkelijke bewijstekens zijn van overwinning,  de palmtakken van de grote schare op aarde figuurlijke overwinningspalmen zijn. {TN3: 88:1}

Na tot dusver de oogst bestudeerd te hebben in het licht van de getuigenissen van de profeten, de gelijkenissen, en de ceremoniële typen, worden wij nu geleid om het te beschouwen

In het Licht van het Getal. {TN3: 88:2}

Hoewel de goddelozen mee gesleept worden door een stroom waaruit zij niet meer kunnen ontkomen nog het kunnen indammen of weerstaan, toch kunnen zij het noch zien noch begrijpen, want het Woord alleen verlicht en versterkt de ziel zo (Ps. 119:105). Broeder, Zuster, is Het in donkere gelijkenissen voor jou? Uw antwoord zal u laten weten (zeggen) of u van degene bent die in het licht lopen of van degenen die in de duisternis struikelen, en alleen een juiste relatie met God kan u geborgen houden tot  de ene klasse u uit de andere houden. {TN3: 88:3}

Als u denkt dat Christus niet met opzet(bewust) 40 dagen bleef na de opstanding of

88

dat de Heilige Geest gewoon op de 120 viel omdat er toevallig zoveel waren; of dat zuiver per ongeluk 12.000 uit elk van de stammen zullen worden verzegeld; dan mag evenzo denken dat het feit dat 12 maal 12.000 gelijk is aan 144.000 een wiskundig toeval! Precies hetgene wat u denkt zal u de mate van licht geven wat er in u is. {TN3: 88:2}

“De woorden die Ik tot u spreek …zij zijn leven.” Joh. 6:63 {TN3: 89:1}

De mens zal niet  alleen van brood leven, maar van ieder woord van God. ”Lucas 4:4. {TN3: 89:2}

Aangezien getal het natuurlijke gebruik voor tijdsvergelijkingen (optelsommen) is, gebruiken de Schriften het daarom vaak om de lengte van tijd van één Bijbelse gebeurtenis naar een andere te onthullen. Zo is het tijdstip van het bewegen van de schoof van de eerste vruchten tot Pinksteren gelijkgesteld door het aantal dagen (7) te vermenigvuldigen toegewezen aan de eerste van de oogst ceremoniën, het feest van ongezuurde broden door het aantal weken naar Pinksteren, hetgeen 7×7, of 49 dagen is. Gelijkerwijs wordt de duur van één Jubeljaar naar een andere gevonden door het aantal jaren dat een sabbatjaar maakt (7) te vermenigvuldigen met 7 sabbatsjaren, wat 7×7, of 49 oplevert. Het is heel duidelijk dan, dat de Schriften gewoon het proces van vermenigvuldigen gebruikt in Hun onthulling van de waarheid. {TN3: 89:3}

Ongetwijfeld zullen bij sommigen deze numerieke vergelijkingen vreemd lijken—zo vreemd als de gedachte was dat de aarde om zijn as

89

draaide voor de wereld van de Donkere Eeuwen! Het zijn echter de ongeloofwaardigheden van vandaag die de vanzelfsprekende werkelijkheden van morgen zijn. Dus hoewel wij in de tegenwoordige tijd weinig weten van de vele Bijbel nu-merieken en hun omsluierde (verborgen) codering van waarheid, dit is niet altijd bestemd om zo te zijn, want God heeft ze geplaatst langs Bijbels hoofdwegen en zijwegen van Waarheid, als wegwijzers berekend om te wijzen naar en te verlichten de Koninklijke Weg naar het Koninkrijk. Dus mag iedere reiziger hierop zich verheugen in diepe dankbaarheid voor iedere straal van waarheid dat zijn pad verlicht. Moge de Heer verbieden dat iemand de minste kans in het duisternis neemt. En mag iedere ongeveinsde lip naar de Hemel uitroepen: “O stuur Uw licht en Uw waarheid: laat hen mij leiden; laat hen mij brengen op Uw heilige berg, en naar Uw tempels” (Ps. 43:3), dat ik “gevuld mag worden met kennis van de glorie van de Heer” (Hab. 2:14), ja zelfs tot de kennis van

Het Nummer van de Verlosser. {TN3: 89:4}

Het feit dat Christus na de opstanding slechts 40 dagen met Zijn discipelen is gebleven, niet meer of minder, is niet min of meer, is geen toevallige(loutere) gebeurtenis dat lichtelijk (lichtjes) afgewimpeld wordt. Duidelijk een ongeschonden deel van het algehele patroon van onthulde waarheid moet het als zo danig beschouwd worden. En aangezien haar wijze(modaliteit) numeriek is, moet het totale betreffende onderwerp in getal(cijfer) onderzocht  moet worden, en de resultaten gelijkgesteld in numerieke waarden. {TN3: 90:1}

De Heer die de zichtbare vertegenwoordiger

90

van de Vader, Zoon, en Heilige Geest, dan moet het getal van Zijn persoonlijk bestuur (3) en het getal van de dagen (40) van Zijn persoonlijke supervisie in de inzameling van Zijn volk in juiste overeenkomst (vergelijking)  Hem als de Verlosser van Zijn volk in zowel de Oude Testament periode als de Nieuwe laten zien. {TN3: 90:2}

Als de inzameling (40)  door Zijn persoonlijke aanwezigheid (3) resulteerde in de uitstorting van de Heilige Geest, moeten de twee in de juiste relatie (het juiste verband) onthullen

Het getal van de Heiligen op de Pinksterdag. {TN3: 91:1}

Het product van Christus’ inzameling dat door Zijn persoonlijke aanwezigheid de eerste vruchten tot de Pinksterdag was, maakt het een logische opeenvolging dat het product van het getal van de inzamelingstijd (40) en het getal van Zijn persoon (3), het werkelijk getal van de heiligen die er op de Pinksterdag waren. De vergelijking, 40×3, gelijk aan 120, geeft het juiste aantal eerste vruchten aan die de Heilige Geest in die tijd ontvingen! {TN3: 91:2}

Aangezien zij zoals zij het product waren van de almachtige macht van de drie personen van de Godheid (de Vader, de Zoon, en de Heilige Geest) aan het werk voor 40 dagen door het persoonlijke dienst van hun drie-eenheid vertegenwoordiger bewaarde en vervolgde deze bovennatuurlijke kleine groep de lijn van de kerk. {TN3: 91:3}

Wanneer zij teruggebracht wordt tot haar basis (primaire) betekenis

91

leid deze opeenvolging van numerieke feiten tot de conclusie dat 3, het getal van de Vader, Zoon, en de Heilige Geest numeriek figuurlijk is voor de Drie-eenheid, en dat 120, het getal van de Vader, Zoon, Heilige Geest maal het getal van de heiligen, numeriek figuurlijk is voor het getal van Pinksteren- een basis factor bij het gelijkstellen van verlossing, en één die onlosmakelijk verbonden is aan de openbaring van

Christus en de Bijbel {TN3: 91:4}

Het was Christus in beide gedaantes waar Johannes op doelde in zijn uitspraak : “Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens.”1 Johannes. 1:1. “En het Woord was vlees geworden, ”hij verklaart verder “en heeft onder ons gewoond, (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Enig-geborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.” Johannes 1:14. {TN3: 92:1}

Christus is het vlees geworden Woord; de Bijbel, het geschreven Woord; of, om het nog specifieker te stellen, de Bijbel is Christus in de vorm van woorden, en Christus is de Bijbel in de vorm van de mens. Vandaar dat als wij concluderen dat Christus in het vlees geïdentificeerd word door een getal, Christus in het Woord ook zo moet worden (geïdentificeerd). En wat derhalve vervolgens vastgesteld moet worden is het

Getal van de Bijbel {TN3: 92:2}

De gelijkenis de oproep van het elfde-uur (Matthéüs 20) laat zien dat de Bijbel

92

slecht 5 tijds-boodschappen bevat; de eerste “vroeg in de morgen” de tweede op “het derde uur”, de derde op “het zesde en negende uur”, en de vijfde op “het elfde uur, vijf in totaal, in deze s 5 parabolische oproepen zijn al de tijdsboodschappen te vinden vereist in de Bijbel vanaf de tijd dat Het (het Licht de wereld) begon op te komen (wordt geschreven), vroeg in de morgen van de parabolische periode, tot zijn einde— het twaalfde uur. In andere woorden, wanneer deze 5 boodschappen aan de wereld verkondigd zijn, zal de Bijbel een uitgewerkt boek voor wat betreft Het verder nog aanbieden van verlossing. (Voor volledige behandeling van Matthéüs 20, zie De Herdersstaf, Deel 2, pp. 222-238.) {TN3: 92:3}

Daar er dan slechts 5 boodschappen van verlossing in de Bijbel zijn, kan het getal van de Bijbel slechts 5 zijn, met als volgende stap het vinden van het

Getal van de Bijbel Inzameling Tijd. {TN3: 93:1}

Aangezien dit getal de tijd van de inzameling van de heiligen aanduidt, moeten wij daarom het getal van de heiligen op de Pinksterdag (120) vermenigvuldigen met het getal van de Bijbel (5), waarvan het  resultaat (de opbrengst) 600 is. Zodoende is 600 het getal van de Bijbelse inzamelingstijd—een periode welke als een factor in onze vergelijking opeenvolgend leid naar het

Getal van de Jaren waarin Christus een Verlosser is. {TN3: 93:2}

Laten wij het feit goed in gedachten houden dat wij

93

op dit moment het getal voor de waarheid dat Christus de Verlosser van de wereld is voor en tijdens de Bijbel tijd. Dus het is duidelijk is ons doel niet het getal van de heiligen die Christus moet redden maar het getal van de jaren dat Hij Redder zal zijn. Vandaar dat we de lezer hier de parabolische oproepen, of boodschappen van Mattheus 20 slechts een deel van de kerkgeschiedenis omvatten; met name dat gedeelte van de tijd dat Mozes de Bijbel begon te schrijven, van de tijd van de “Exodus,” tot de genade tijd sluiting. Maar daar Christus de Verlosser de wereld zowel voor als na de komst van de Bijbel, moet de vergelijking onder discussie derhalve de volledige tijdspanne van de genade tijd, 600, de vermenigvuldigde die vermenigvuldigd wordt door een vermenigvuldiger die universele waarde heeft, om te tonen dat Christus de enige Redder in alle eeuwen is. {TN3: 93:3}

Nummer 10 is algemeen erkend als Bijbels getal van universele waarde. In het grote beeld van Daniël 2, symboliseren de 10 tenen de wereld bij de tweede komst van Christus. Vervolgens in het  zogenoemde niet-te-beschrijven beest (Daniël 7), het luipaardachtig (Openb. 13:1-10) en het scharlakenrood beest (Openb. 17:1-3), stellen de 10 horens werelds koninkrijken voor op verschillende tijden. Terwijl aan de andere kant van het beeld, de 10 maagden de gehele lidmaatschap van de kerk wereldwijd vertegenwoordigt (Voor verdere behandeling van deze waarden, zie

94

De Herder’s Staf Deel 2, pp. 84-125.). {TN3: 94:1}

Het is dan duidelijk dat het universele getal waarmee we het nummer van de genade tijd (600) moeten vermenigvuldigen 10 is en 600×10 levert 6000 op. Hier is ten lange laatste de vervolmaking tot het rechtvaardigen (rehabiliteren) van het geloof van de Christen dat de jaren van genade voor de mens 6000 jaren zijn! Dan volgt het millennium, de 1000 jaren waarin Satan gebonden en de goddelozen berecht worden. (Openb. 20:3,12) {TN3: 95:1}

Derhalve duurt de eeuwige drama, het vreemde tussenspel van zonde en verlossing 7000 jaren (perfecte volledigheid), of slechts een week tekort van de eeuwigheid, zoals het met de Heer was, 1000 jaren die als 1 jaar bij Hem zijn (2 Petr. 3:8). Inderdaad, vreemde onderbreking. Het mysterie van Goddelijkheid in mysterieuze dragen(lijden)  van het lijden ongerechtigheid! Mysterie der Mysteries! Wonderlijke ondoorgrondelijke liefde van God voor de mens! {TN3: 95:2}

Wat een ontzettende plechtigheid bekleed dit zwaarwegende wiskundige bewijs van de grote evangelie waarheden! Aantonend zoals het doet dat Christus de enige Verlosser van de wereld en in alle eeuwen is, bekrachtigd haar waarheid perfect de schriften: “… er is geen andere naam onder de hemel, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.” {TN3: 95:3}

95

Handelingen 4:12. En op dezelfde tijd dient het als waarschuwing dat wij leven in de laatste dagen van genade, “de tijd van het einde, ”de tijd van de oogst. Daar wij gebracht zijn naar de laatste dagen van de 6000 jaren van genade van de mensheid, moet de vergelijking ,om het compleet te maken, het getal van behelzen (bevatten).

De Getelde Levende Heiligen {TN3: 96:1}

Het apostolische Pinksterfeest, moet opgemerkt worden, heeft niet helemaal het profetische Pinksterfeest van Joël 2:28,32, vervuld, een profetie specifiek van de laatste dagen hoewel Petrus wel naar het schriftwoord in zijn Pinksterpreek verwees (Handelingen 2:14-21). En het vaststaand bewijs dat de profetie nog vervuld moet worden is dat het apostolische Pinksterfeest het prototype van de laatste dagen is, het anti-typische Pinksterfeest—dat wat net voor ons is. {TN3: 96:2}

Aangezien de kerk op aarde drie dispensaties heeft gehad, de Noatische, de Abrahamische en de Christelijke en aangezien zowel de Abramische als de Christelijke dispensaties met een Pinksterfeest afsloten zoals eerder vermeld, is het dan onvermijdelijk dat de Noatische dispensatie alzo ook op gelijke wijze moet zijn afgesloten. Anders zou Noach’s boodschap kracht en licht hebben ontbreken om de Weg van het Leven aan dat “kwade en overspelige generatie” te wijzen en als gevolg daarvan zou God hen niet met recht kunnen verwoesten door de vloed. {TN3: 96:3}

Petrus zelf begreep dat er een

96

antedeluviaanse Pinksterfeest was. Hierover(Dit) getuigd hij heel onherroepelijk(definitief) in de uitspraak: ”Want Christus…Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest: Door dewelken Hij ook, heengegaan zijnde en gepredikt heeft tot de geesten in de gevangenis; die somtijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd…”1Petr. 3:18-20.  {TN3: 96:4}

In Petrus’ verklaring, verslaat (meld Inspiratie dat dezelfde Geest Die Christus verkwikte tot de antedeluvianen predikte toen ze in de gevangenis waren—in kettingen(banden) van omstandigheden welke in hun verdorvenheid en verwerping van waarheid zij blindelings over zichzelf tot stand gebracht hebben en op zichzelf gebonden hebben, en waarvan zij geen ontsnapping konden vinden uitgezonderd dan door de ark die “toebereid werd.” En de ark wilden zij niet binnengaan. Derhalve bleven zij zonder hoop en zonder excuus. {TN3: 97:1}

Het is dan duidelijk dat er rekening gehouden moet worden met drie Pinksterfeesten in het gelijkstellen van verlossing: twee in het verleden en één in de toekomst, de eerste het type, de tweede het prototype, de derde het antitype. Of, met andere woorden, de eerste bracht de ernst van de instelling van de kerk, de tweede het fundament van de kerk (Openb. 21:14), en de derde zal haar afronding en verheerlijking brengen. De tweede, het apostolisch Pinksterfeest, die het fundament is, ook de enige die is historisch is opgetekend (verslagen), is daarom de lichtdrager bij dit onderwerp tonend dat indien

97

de antedeluviaanse wereld baat kan vinden bij verlossing, het Noatische Pinksterfeest onontbeerlijk was, en daarom daarmee rekening gehouden moet worden in deze numerieke (rekenkundige) studie. {TN3: 97:2}

Het getal van de heiligen van de ene die opgetekend is dat 120 is, hieruit volgt dat het samengevoegd getal van de twee 120 plus 120 moet zijn oftewel 240, zoals geïllustreerd op pagina 77. {TN3: 98:1}

Onthoudt dat deze getallen niet definiëren hoeveel er gered worden in elke (type) maar hoeveel de kracht van Pinksteren ontvangen. {TN3: 98:2}

Nu rest ons nog vast te stellen het getal van de heiligen die de derde en laatste Pinksteren ontvangen, en om dat te doen moet het getal van de twee Pinksteren(Pinksterfeesten) (240) slechts vermenigvuldigd worden met het getal van de Bijbel inzamelingstijd (600), wat (600×240) wordt, wat 144.000 oplevert, hetzelfde getal dat geprofeteerd is! {TN3: 98:3}

Zodoende voor eeuwig geslagen in de rots der waarheid is het getal van de ontvangers van het grote Pinksterfeest dat vlak voor ons ligt, het getal van de eerste vruchten van hen die opgenomen gaan worden, de 144.000 zonder bedrog(bedrogvrije) (Openb. 14:5) “dienstknechten van onze God.” Openb. 7:3. In de pure en volle kracht van de Geest, verkondigend de pure en het volle evangelie aan al de naties, “gaan zij voort overwinnend en om te overwinnen” (Profeten en Koningen 445, Prophets and King 725) en brengen al [hun] broeders ten spijsoffer voor de Heer uit alle naties op paarden en in wagenen en op rosbaren, en op muildieren en op snelle dieren, naar Mijn Heilige berg Jeruzalem,

98

zegt de Heer gelijk de kinderen Israëls een offer brengen in een rein vat in het huis van de Heer” Jes. 66:20. “En dan zal het einde komen.” Matt. 24:14. {TN3: 98:4}

Aldus huiveringwekkend geopenbaard in getal, is de absolute modus van waarheid, de vergelijking van verlossing, van waaruit, om even kort samen te vatten, komt naar voren het getal van Christus als vertegenwoordiger van de Godheid op aarde, 3; het getal van de inzameling tijd, 40; het getal van de heiligen in het apostolisch Pinksteren, 120; het samengevoegd getal van de heiligen in de Noatische en de apostolisch Pinksterfeesten, 240; het getal van de Bijbel, 5; het getal van de bijbel inzameling tijd, 600; het getal van de ontvangers van de laatste Pinksteren, 144.000; het getal van de hele periode van genade van de mensheid, 6000; en tenslotte het getal van(alle) tijd (in zijn algemeenheid) van zonde en verlossing, 7000. Wat een onschatbare goddelijke gift! En O dat dit besef het hart van iedere oprechte lezer mag beroeren, zoals het hart van David beroerd heeft om lof en dankzegging te geven aan

God voor zijn onuitsprekelijke liefde voor de mens: “Oh HEERE” zingt de profeet, “Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw naam zal ik loven, want Gij hebt wonderbare dingen gedaan; Uw raadslagen van ouds (van verre) zijn getrouw en waarheid. Jes. 25:1 {TN3: 99:1}

Dus door de getuigenis van de profeten, door de ceremoniële typen en door getallen heeft God het verheven structuur van feiten tot stand gebracht, dat (1) het oordeel de oogst is,–de

99

scheiding van het onkruid onder het tarwe –het einde van de wereld; dat (2) het oordeel, de oogst, twee fasen bevat, twee perioden: de eerste voor de doden, de laatste voor de levenden; dat (3) de een plaatsvindt volgens de verslagen in de boeken in het hemels heiligdom, terwijl de ander plaatsvindt gelijktijdig in de kerk op aarde en in de boeken in de hemel; en dat (4) juist het feit dat het onderwerp nu wordt geopenbaard in zijn volledigheid, getuigt dat wij juist op het punt staan om over te gaan van de eerste, naar de laatste fase en periode, en dat wij daarom leven in de laatste dagen van de aardse geschiedenis. {TN3: 99:2}

Dit viervoudig inzicht van het oordeel, de oogst, verheft aldus de waarheid ervan, als een parel van grote prijs, en openbaart dat de diepten van Gods Woord niet te peilen zijn; Haar wijsheid ondoorgrondelijk en oneindig–zonder begin en zonder einde; Haar voorraad van kennis een gedurige fontein van waarheid; Haar aanwezigheid altijd blijvend; en Haar schoonheid onuitsprekelijk! {TN3: 100:1}

Opdat de lezer nu versterkt moge zijn om vast te houden aan deze fundamentele en allerbelangrijke waarheid, evenals aan alle andere waarheden, dringen wij bij hem erop aan om Gods methode (Inspiratie) te volgen bij het bestuderen van de Schriften, opdat hij daardoor kan

Vermijden de Vele Valstrikken. {TN3: 100:2}

Wellicht, zijn de meest voorname onder de menigten die worden gestrikt terwijl zij alles doen wat zij kunnen

100

om weg te vlieden van geïnspireerde uitlegging van de Schriften, de extremisten, waarvan er tenminste twee klassen zijn: een met de neiging om te verletterlijken, de ander met de neiging om te vergeestelijken. {TN3: 100:3}

Neem bijvoorbeeld de verklaring van de Openbaarder: “…Ik zag onder het alder de zielen van hen die gedood waren om het Woord van God,…en zij riepen met een luide stem, zeggende: Hoe lang, o Here, heilig en waarachtig, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet? Openb. 6:9,10{KJV}. {TN3: 101:1}

Die verletterlijkt zou enerzijds uitleggen dat dit schriftgedeelte betekent dat de zielen zich bewust waren en werkelijk uitriepen, ondanks dat de Bijbel zeer uitdrukkelijk aangeeft dat “de doden wat dan ook niet weten.” Pred. 9:5{KJV}. En ook, ware het zo dat de zielen onder het altaar letterlijk uitriepen voor vergelding aan hun moordenaars, dan moeten, om consequent te zijn, de verklaring van de Heer: “de stem van het bloed van uw broeder dat tot Mij roept van de aardbodem” (Gen 4:10), ook de verklaring: “al de bomen des velds zullen hun handen samenklappen” (Jes. 55:12), op gelijke wijze letterlijk uitgelegd worden, ondanks het feit dat het fysiek onmogelijk is voor bloed om uit te roepen en voor bomen om handen te klappen. {TN3: 101:2}

Als allen echter verplicht zijn toe te geven dat Abels bloed niet letterlijk kon uitroepen,

101

 en dat bomen alleen figuurlijk handen kunnen klappen, dan zou, nogmaals om consequent te zijn,  de persoon die geneigd is tot extreme verletterlijking gemakkelijk de werkelijkheid moeten aangrijpen dat “de doden wat dan ook niet weten,” en dat zij “slapende” zijn–onbewust. Hij behoort ook gemakkelijk waar te nemen dat de zielen van de martelaren, roepende om vergelding aan hun moordenaars, en dat het het bloed van Abel roepende om vergelding aan zijn zijn moordenaar, feitelijk identieke gevallen zijn betreffende omstandigheid en toestand.  Beiden van dezen vinden aangewezen illustratie in de dichterlijke uitspraak: ” Ik hoor een stem, uitroepende, de stem van het verwelkende veld; O Here, hebt medelijden met mij. Laten regens vallen van de hemel. Blust Gij mijn brandende ziel.” {TN3: 101:3}

Dat iemands ziel in bewuste staat gevangen zit onder iets voor honderden jaren, met niets te doen dan kermend weg te kwijnen in afwachting op de opstandingsmorgen, en intussen uitroepend voor vergelding aan hen die zijn bloed hebben vergoten–wat een onuitsprekelijke ondraaglijke staat voor iemands ziel om daarin te verkeren! {TN3: 102:1}

De leer echter, van de onbewuste staat van de doden, brengt niet alleen het bezorgde menselijke verstand tot rust, maar schrijft ook Gods genade en liefde toe aan hulpeloze mensen, aldus zijnde het enige standpunt over het onderwerp dat de zondaar op rationele wijze ertoe kan leiden God lief te hebben en in Hem te vertrouwen. {TN3: 102:2}

Aan de een echter die anderzijds, in tegenstelling, geneigd is

102

de zielen, de slachting, de hemelen, de nieuwe aarde, enz. te vergeestelijken,–voor hem hebben dezen noch individualiteit noch werkellijkheid. En wanneer, betreffende de leer van de slachting, hem de eenvoudige vraag wordt gesteld: Wat voor soort salchting zou een geestelijke {slachting} zijn? is hij ten einde raad om te beantwoorden! {TN3: 102:3}

Voor allen bestaat er in dit verband een grote behoefte: de Geest der Waarheid, Wiens recht alleen het is om de Schriften uit te leggen. {TN3: 103:1}

De meest voorkomende oorzaak van leerstellende verwarring onder Bijbel studenten ligt in hun zo vaak falen om een onderwerp in een volledig perspectief te zien van het gezichtspunt van de schrijver,– een falen dat tot gevolg heeft dat zij het zien vanuit enige vreemde standpunt, dat hun inzicht zo bekrompen maakt, dat in plaats van het idee van de schrijver te verkrijgen over het onderwerp, zij een vals idee krijgen erover. En als het idee naar hun welbehagen is, verheffen en bevorderen zij het als zijnde waarheid, terwijl als het niet naar hun welbehagen is, zij het krachtig tegenstaan, en dan leggen zij de verantwoordelijkheid bij de schrijver! {TN3: 103:2}

Ter illustratie van het aldus een verkeerd idee van iets krijgen door een verkeerd inzicht ervan: en kind die zijn moeder vergezelt naar een dierentuin, en die nog nooit een pauw heeft gezien, ziet plotseling een met volledig gespreide staart van hem weglopend, en schept voor zijn oningewijde ogen de illusie van een grote wandelende waaier! {TN3: 103:3}

103

shepherds-rod-tract-3-peacock-mother

Aangegrepen door het bedrieglijke wonder dat voor hem is, roept hij opgewonden het schouwspel uit, alleen maar om door zijn moeder te worden ontgoocheld met de ontgoochelende verzekering dat het slechts een pauw is! Bij een andere gelegenheid echter, wanneer hij zijn vader vergezelt naar de dierentuin, ziet het kind de pauw weer, maar ditmaal in volledig vooraanzicht, een schouwspel presenterend dat schijnbaar geheel en al nieuw en anders is. Haastig keert hij zich met opgewonden vragen tot zijn vader, die hem vertelt dat het een pauw is! {TN3: 104:1}

104

shepherds-rod-tract-3-peacock-father

Waarbij het argument begint, met de zoon protesterend dat de pauw die hij en zijn moeder had gezien, in niets op deze leek. En niet in staat zijnde het te verenigen, als eenvoudigweg grote en kleine aspecten van hetzelfde ding, datgene wat hij nu ziet van voren, of de hoofdzakelijke gezichtspunt, en datgene wat hij tevoren van achteren zag, of de vreemde gezichtspunt, tast zijn verstand rond in verwarring, zich afvragend of hij nu

105

Zo is het met de Bijbel wanneer men een onderwerp bekijkt vanuit een standpunt dat vreemd is van dat van de schrijver. Hij ondervindt tegenstrijdigheden in de stelling die wordt gehouden door degene die het onderwerp ziet door de ogen van de schrijver. Ten einde dus het valse idee te onderhouden als gevolg van zijn vreemde gezichtspunt, wordt hij geleid om zijn toevlucht te nemen tot buitenstaande bronnen; tot de ene verklaarder of de andere; tot deze versie of tot de ander; tot technische details en afleidingen van talen; in het Grieks, in het Hebreeuws, in dit in dat, of in de andere (talen, waarvan het vermoedelijk is dat hijzelf die noch leest noch schrijft); of tot het verwijzen naar dit of dat zogenaamde oorspronkelijke manuscript (welke hij hoogst waarschijnlijkheid nog nooit heeft gezien). {TN3: 106:1}

Aan het einde van deze lange moeizame weg, is hij er alleen in geslaagd om een passage van een schriftgedeelte van een mierennest tot een berg te vergroten, en om een berg te verkleinen tot een mierennest, of om  een andere passage van een schriftgedeelte in het geheel terzijde te leggen, dit allemaal doordat de Bijbel, welke de Heer in zijn handen heeft geplaatst, zijn idee niet ondersteunt. Deze aanmatigende procedures zijn berekend om zijn geleerde verworvenheden te tonen in de hoop om aan zijn valse idee zulk een verschijnsel van gezag te verlenen om zodoende hun aanvaarding erop aan te dringen bij allen die in contact komen met zijn theorie. {TN3: 106:2}

Concreet gesproken: Het is nooit eerlijk om, wanneer het onderwerp van het oordeel wordt besproken, als eerste en voornaamste, welk geschrift dan ook in beschouwing te nemen, welke direct het onderwerp

106

der verlossing behandelt, terwijl het slechts terloops verwijst naar het onderwerp van het oordeel. Neem bijvoorbeeld Paulus’ verklaring: {TN3: 106:3}

“Welke hoop wij hebben als een anker der ziel, zowel zeker als standvastig, en welke ingaat in het binnenste van het voorhangsel; waar de voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus Christus, geworden zijnde een hogepriester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchisedek.” Hebr. 6:19,20 {KJV}. {TN3: 107:1}

In plaats van de inhoud van deze verzen te zien in het licht van alles wat is geopenbaard over het onderwerp, een procedure welke het weerspiegelen van de schrijver’s gedachte door de verzen zou zekerstellen, vergroten sommige Bijbelstudenten, door Paulus’ zienswijze uit het oog te verliezen, buiten alle verhoudingen het belang van de verklaring van deze verzen, aldus constructies erop plaatsend die, hoewel aannemelijk genoeg wanneer zij alleen worden genomen, duidelijk verdraaid, verwrongen, en onhoudbaar zijn wanneer zij worden gezien in het licht van alle andere schriftgedeelten die betrekking hebben op het onderwerp. Zulk een vervorming is, overbodig te zeggen, oneerlijk naar de schrijver toe, gevaarlijk voor degene die het aantast, en gewelddadig van de vervormer. {TN3: 107:2}

Om de zaak nog verder en uitgebreider te illustreren: Rondom een tafel zijn er zes Bijbelstudenten, en een ongelovige. Aan de ene kant bevinden zich Peter, James en John; aan de andere kant, Black, Brown en Green; terwijl aan en uiteinde zich bevindt de ongelovige. Hij luistert aandachtig naar de zes, die Christus’ bediening

107

na Zijn hemelvaart bespreken, in het licht van Hebreeën 6:19,20; 9:12, 26 — {TN3: 107:3}

“Welke hoop wij hebben als een anker der ziel, zowel zeker als standvastig, en welke ingaat in het binnenste van het voorhangsel; waar de voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus Christus, geworden zijnde een hogepriester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchisedek.” Hebr. 6:19,20 {KJV}.

“Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed ging Hij eenmaal binnen in de heilige plaats, hebbende verkregen {een} eeuwige verlossing voor ons.” Hebr. 9:12{KJV}.

“Want dan moet Hij dikwijls hebben geleden  van de grondlegging der wereld af; maar nu eenmaal, in het einde der wereld, is Hij verschenen om de zonde weg te doen door de offerande van Zichzelf.” Hebr. 9:26 {KJV}.

Peter, James en John die het vooruitzicht van de schrijver delen, zijn volledig in overeenstemming dat men niet uit een schriftgedeelte dat spreekt van de verlossing, en slechts terloops verwijst naar Christus’ bediening, een juiste basis begrip kan opbouwen van die bediening, maar eerder dat men de geschriften van de profeten erbij moet nemen die direct het heiligdom en haar dienst behandelen, en dan Paulus’ geschriften in overeenstemming brengen met die van de profeten, niet die van de profeten met die van Paulus. {TN3: 108:1}

Voor zover het Peter, James, en John aangaat, resulteert de bespreking tot hun

108

 komen tot het slotsom dat Paulus, ten einde in overeenstemming te zijn met zowel zichzelf als met de profeten, moet worden begrepen als sprekende in Hebreeën 6:19 in profetische verleden tijd (dat wil in feite zeggen, in de toekomst, hoewel in tegenwoordige of verleden tijd gesproken), en dat hij daarom verwijst naar de tijd dat zijn bekeerlingen, met Christus, “eenmaal, in het einde der wereld” (Hebr.9:26), zullen ingaan “binnen het voorhangsel,” “waar de voorloper [Christus] voor ons is ingegaan.” Hebr. 6:20. Wanneer? –niet in Paulus’ tijd, maar nu, “in het einde der wereld,” zijnde eerst “eenmaal ingegaan binnen in de heilige plaats.” Hebr. 9:12. {TN3: 108:2}

Black, Brown en Green echter, zijn vanuit hun vreemde zienswijze aangaande deze verzen, in onenigheid zelfs onder elkaar; Black, de nadruk leggend op Hebreeën 6:19, 20, is ervan overtuigd dat Paulus leert dat Christus het Allerheiligste afdeling binnenging onmiddellijk na Zijn hemelvaart; Brown, vasthoudend aan Hebreeën 9:12, is ervan verzekerd dat Christus niet het Allerheiligste, maar de heilige afdeling binnenging; en Green, ter gewicht van vers 26, staat erop dat Christus het heiligdom zal ingaan “eenmaal in het einde der wereld,” na Zijn tweede komst. {TN3: 109:1}

Nog steeds ziende vanuit hun vreemde zienswijze, beargumenteert Black verder dat met de term:”de heilige,” Paulus bedoelt het “Allerheiligste,” terwijl Brown betwist, dat als Paulus onnauwkeurig de term “heilige” gebruikt voor de “Allerheiligste,” hoe kan men dan mogelijkerwijs weten dat wanneer hij zegt: het “Allerheiligste,”  hij niet het “heilige” bedoelt? {TN3: 109:2}

109

Dan, met de bekrachtiging van Mozes’ verklaring: “Spreek tot uw broeder Aäron, dat hij niet te allen tijde ga in de heilige plaats, binnen de voorhang, voor de genadezetel, welke op de ark is” (Lev.16:2, {KJV}), houdt Black verder aan dat Paulus met de woorden : “Maar door Zijn eigen bloed ging Hij…in de heilige plaats” (Hebr.9:12), verwijst naar “het Allerheiligste.” Hebr.9:3{KJV}. Maar Peter staat erop dat het afleiden uit Paulus’ gebruik van de term “heilige plaats” als betekenend het “Allerheiligste,” zowel onredelijk als oneerlijk is, want geen enkele schrijver met een gezond verstand zal, sprekende van beide afdelingen, in het wilde weg de termen uitwisselen, en alsnog verwachten dat zijn lezers nauwkeurig het idee zullen begrijpen dat hij naar voren brengt. Black echter, geeft als weerwoord dat Mozes de term “heilige plaats” (Lev.16:2{KJV}) gebruikt, wanneer hij spreekt van de tweede afdeling. {TN3: 110:1}

Ter beantwoording hierop, protesteert Peter dat Mozes dit doet omdat, waar hij de tweede afdeling noemt:”de heilige plaats binnen de voorhang,” hij de eerste afdeling noemt: “de tent der samenkomst” (vers 16), terwijl Paulus verkiest om de eerste afdeling te noemen “de heilige plaats,” en de tweede afdeling: “het Allerheiligste.” {TN3: 110:2}

Nogmaals: Peter staat erop, dat indien in Paulus’ geschriften, waar beide afdelingen worden besproken, men wordt gerechtvaardigd om uit te leggen dat “het heilige” betekent “Allerheiligste,” dan is een ander, door dezelfde manier van logisch denken, op gelijke wijze gerechtvaardigd om te verklaren dat het “Allerheiligste,” het “heilige” betekent. {TN3: 110:3}

110

Hoewel Peter’s duidelijk doorsnijdende logica de kracht van Black’s geschil volledig verdrijft, is toch, vanwege de brede verschillen van mening onder een groep Christelijke gelovigen, het eindresultaat van het gesprek dat, wat de harmonie onder Peter, James en John deed om de ongelovige te bekeren tot het Christendom, deed het oneens zijn met elkaar van Black, Brown en Green, en ook het oneens zijn van Black met Peter, tegenwerken. Deze wanklank versterkte de ongelovige in zijn ongelovigheid, hem volledig overtuigd latend dat het Christendom slechts een enorme gesputter is; waardoor Satan in duivelse vrolijkheid, aan Black, Brown en Green “zijn zetel, en groot gezag” geeft. En het Christendom, dat reeds vol is van leerstellende verwarring, gaat door met het wemelen van scheuring makende strijd, ongelovigen voedend in hun vijandelijkheid tegen het Christendom, in plaats van hen ertoe te bekeren! {TN3: 111:1}

Als Christus een wee verklaart tot degenen die weigeren een glas koud water te geven aan de minste van Zijn volgelingen, wat zal dan de veroordeling en het einde zijn van dezulken als Black, Brown en Green, die, door hun geest van zelfvergroting, van Christus af verstrooien, terwijl zij belijden met Hem te vergaderen! {TN3: 111:2}

Het is nooit goed om welk schriftgedeelte dan ook uit te leggen afgezonderd van zijn context {zinsverband}, want om zo te doen betekent automatisch om de betekenis ervan geweld aan te doen. {TN3: 111:3}

Bijvoorbeeld, het schriftgedeelte: “Doch geliefden, wees niet onwetend van deze ene zaak,

111

dat een dag bij de Here is als duizend jaren, en duizend jaren als dag” (2 Petr.3:8), op zichzelf genomen, heeft onder verscheidene uitleggingen geleden, alleen maar toevoegend aan de verwarring en twijfels die de Christelijke wereld reeds doordringen. Maar slechts een uitlegging zal het toelaten wanneer het wordt genomen in zijn context{zinsverband}: “Dit eerst wetende, dat in de laatste dagen er spotters zullen komen, wandelend naar hun eigen begeerlijkheden, en zeggende: Waar is de belofte van Zijn komst? Want vanaf de vaders ontsliepen, blijven alle dingen zoals zij waren van het begin der schepping.” 2 Petr.3:3,4 {KJV}.{TN3: 111:4}

Vanuit dit contextuele {zinsverbandhebbende} uitgangspunt, zien wij dat in de aangewezen verzen de apostel door figuurlijke taal tracht aan te tonen dat de spotters die hij zag opkomen in onze dagen, hoewel zij proberen het geloof van degenen, die geloven in Mozes’ verslag van de vloed en de terugkeer van de Heer afwachten, omver te werpen, onwetend hun eigen blindheid aan het bespotten zijn. Want zij kunnen niet inzien dat datgene wat hen toeschijnt, naar de standaard van hun eigen kort geleefde dagen, als een altijd tegenwoordige vertraging van de tweede komst van de Heer, is voor de Eeuwige slechts een vluchtig moment van wachten, en dat hun eindige wijsheid dus slechts dwaasheid is. En op tegenstellende wijze, wat zij achten als te korte tijd en waardeloos voor praktisch gebruik, acht de Heer als zeer lang en zeer kostbaar in onze korte levens. {TN3: 112:1}

Het is daarom duidelijk, dat wanneer dit schriftgedeelte wordt uitgelegd volgens zijn context, wordt van menselijke

112

 metingen van tijd gezien dat zij niet Gods metingen zijn, net zoals menselijke gedachten niet Zijn gedachten zijn (Jes.55:7, 8). {TN3: 112:2}

Het licht van dit voorbeeld maakt duidelijk dat net zoals een veiligheidsklep noodzakelijk is om een (stoom)ketel ervan te weerhouden te exploderen met overmatige druk, alzo is het dat alleen een getrouwe achting voor de context van een schriftgedeelte de uitlegger ervan kan weerhouden te exploderen met theorieën en ideeën die vreemd zijn voor de Schriften. {TN3: 113:1}

Wanneer degenen die de waarheid liefhebben welke leerstellende onderwerp dan ook bestuderen, laten zij nooit, door te proberen hun eigenmachtige meningen te harmoniseren met een aangewezen schriftgedeelte, het schriftgedeelte zodanig uitgelegd achter dat het in tegenstrijd is met andere gedeelten van de Bijbel of met het standpunt van het ingestelde gezag, maar verzaken zij eerder hun meningen. {TN3: 113:2}

Een verkeerde zienswijze aangenomen hebbende over het onderwerp van het oordeel, hebben sommigen, hoewel onwetend, in werkelijkheid geprobeerd haar juiste tijd en ware aard te veranderen, in plaats van hen aan te houden. Deze onwetende poging heeft op zijn beurt hen ertoe geleid om verkeerde zienswijze aan te nemen over vele andere Bijbelse waarheden. Het feit echter, dat deze centrumleerstelling nog steeds in tact en solide blijft, is beschuldigbaar bewijs dat alle spaakleerstellingen op gelijke wijze alzo doen. {TN3: 113:3}

Zij die het ondernomen hebben om de Schriften uit te leggen onafhankelijk van Inspiratie, een eigenmachtige beoefening welke in tegenstelling is

113

met het gebod gegeven in 2 Petrus1:20, 21, en zij die zulke zienswijzen hebben aanvaard, zullen, tenzij zij nu hun dwalingen verzaken voor de waarheid, op een dag zichzelf ondervinden als slachtoffers van de rampzalige omstandigheden waarmee zij zich hebben gebonden, en zullen vreselijk verbijsterd zijn wanneer zij de verschrikkelijke verklaring horen: “Ik heb niet tot hen gesproken, toch profeteerden zij”; “gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid.”Jer.3:21; Matt.7:23. {TN3: 113:4}

Mogen zij daarom, terwijl de genadetijd zich nog voortsleept en het bloed van Christus nog beschikbaar is om boete te doen voor de zonden van allen, “ernstiger aandacht besteden” aan de plechtige uitspraak van de

Eerste Engel Boodschap. {TN3: 114:1}

“Vrees God, en geeft Hem heerlijkheid want de ure van Zijn oordeel is gekomen,” Openbaring 14:7. {TN3: 114:2}

Om de benoemde tijd van deze boodschap vast te stellen moeten wij in beschouwing nemen dat vanaf het vierde tot het tweeëntwintigste hoofdstuk van De Openbaring, het onderwerp onafgebroken is. Dit wordt gezien door het voegwoord “en”, welke beginnend met elke hoofdstuk  toont dat deze openbaringen aan Johannes waren gegeven op het tijdstip toen de “Stem” tot hem zei: “Kom hier op en Ik zal U tonen, hetgeen na dezen geschieden moet”(Openb. 4:1)—dingen die eens gebeuren moesten nadat hij het visioen over hen had gehad. En daar Johannes die dit visioen had gehad ongeveer 96

114

A.D.( voor Christus), kon de eerste engel boodschap daarom onmogelijk gepredikt zijn voor die tijd, zoals sommigen denken dat het was; om te herhalen hij heeft niet de dingen van het verleden gezien maar van de toekomst. {TN3: 114:3}

Wederom: het feit dat hij zegt, “Ik zag een andere [de eerste] engel…die het eeuwige evangelie had om te verkondigen,” toont verder aan dat de boodschap van deze engel niet verkondigd was voor hij het visioen had, maar dat het verkondigd moest worden in de toekomst vanaf die tijd. {TN3: 115:1}

Bovendien is er nog een Bijbeltekst (schriftuurplaats)  of kerkgeschiedenis dat toont dat het oordeel begon in of voor de tijd van Johannes. En verder nog, aangezien de eerste engel boodschap nooit verkondigd was voor 1844, toen het oordeelsuur dan kwam, ging de boodschap van deze engel—de boodschap aangaande het oordeel—voort. {TN3: 115:2}

Daar het onderzoekend oordeel in twee fasen is (de eerste, besteed aan de doden; de tweede aan de levenden), is het feit het bewijs dat hoewel de eerste, de tweede en de derde engel boodschap (Openb. 14:6-12) direct toegepast worden op de periode van het oordeel voor de levenden, zij ook , hoewel indirect, toegepast moeten worden op de periode van het oordeel van de doden. In dit verband alleen, behalve als een waarschuwing van toekomstige gebeurtenissen, zijn zij verkondigd sinds 1844. Wanneer daarom het oordeel van de levenden aanvangt en het beeld van het beest volledig is gevestigd, dan worden deze boodschappen , met een

115

luide roep, herhaald als tegenwoordige waarheid aangaande de levenden in plaats van de doden. {TN3: 115:3}

Aldus(derhalve) gekenmerkt door sterke concentratie rechtvaardigen het feit betreffende de eeuwige (de administratieve troon), de tijdelijke (bemiddelende-gerechtelijke) troon, en het oordeel afdoend  het standpunt vastgelegd door het boek welk was gebruikt in de verkondiging van de eerste, tweede en derde engel toepassing, en welke door de stem van de schrijver verklaart: {TN3: 116:1}

“Ik zag de Vader van de troon opstaan, en in een vurige wagen het heilige der heiligen binnen het voorhangels binnengaan en Zich nederzetten. Toen stond Jezus op van de troon, en de meesten van degenen, die zich neergebogen hadden, stonden met Hem op. Ik zag geen enkele straal van licht van Jezus uitgaan naar de onverschillige menigte, nadat Hij opgestaan was, en zijn werden in volslagen duisternis gelaten. Degenen, die opgestaan warenwaren, toen Jezus het deed, hielden hun ogen op Hem gevestigd, terwijl Hij de troon verliet en heb een kleine afstand voort leidde. Toen hief Hij Zijn rechterarm omhoog, en wij hoorden Zijn lieflijke stem zeggen: “Wacht hier; Ik ga naar Mijn Vader om het koninkrijk te ontvangen; houdt uw klederen vlekkeloos, en binnen korte tijd zal Ik van de bruiloft wederkeren en u tot Mij nemen. ”Toen kwam er een wolkenwagen met wielen als vlammen vuurs, door engelen omringd, tot waar Jezus was. Hij stapte in de wagen , en werd naar het allerheilige gevoerd, waar de Vader zat. Toen aanschouwde ik Jezus, een grote Hogepriester

116

voor de Vader staan.” {TN3: 116:2}

Deze verplaatsing van de administratieve troon naar de bemiddelende-gerechtelijke troon, dat gedaan word om die huwelijksgasten te onderzoeken die nu overleden zijn, leid naar de volgende

Vragen en Antwoorden. {TN3: 117:1}

1. Predikte Christus aan de Doden?

1Petr. 3:18-20

“Want Christus ook,” antwoord Petrus in dezelfde Bijbeltekst naar aanleiding van de vraag, “heeft eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees maar levend gemaakt door de Geest; In Denwelken Hij ook henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft, Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water. 1 Petr. 3:18-20. {TN3: 117:2}

Klaarblijkelijk genoeg, zegt Petrus hier niet dat Christus toen Hij lijfelijk in het graf lag tot de geesten in de gevangenis predikte, zoals door sommigen wordt begrepen; maar eerder dat Hij eenvoudig door het medium van de Heilige Geest door Wie Hij herrezen was tot hen predikte “in de dagen van Noach, terwijl de ark aan het k voorbereiden was.” Ook zegt het niet dat Christus aan de doden predikte, maar eerder

117

“aan de geesten in de gevangenis.”  De bezorgdheid daarom of “de geesten in de gevangenis” de doden of de levenden betekent is een kwestie van interpretatie en een dergelijke interpretatie moet afkomstig zijn van een goddelijke autoriteit. {TN3: 117:3}

Als er over de doden gesproken wordt, noemt de Bijbel hen nooit geesten. Zo benoemd het echter wel de levenden. Het zegt bovendien duidelijk, dat “de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer; want hun gedachtenis is vergeten. Ook is hun liefde, en hun haat, en hun afgunst, nu vergaan; ook hebben zij geen enkel deel meer voor eeuwig in alle dingen die onder de zon worden gedaan. Pred. 9:5,6. {TN3: 118:1}

Verder nog in de gelijkenis van de rijke man (jongeling) en Lazarus, maakt de Heer met klem duidelijk dat na de dood de zondaar geen enkele kans heeft om gered te worden; nee, zelfs niet op een druppel koud water op zijn tong, zoals gedenkwaardig wordt getuigd door de weigering van verzoek van de rijke jongeling in de dood: “Zoon, gedenk dat gij in uw leven goed ontvangen hebt, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten. En boven dit alles tussen ons en ulieden is een grote klove gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.” Lukas 16:25,26. {TN3: 118:2}

Hier worden wij onvergetelijk getoond dat de enige manier waarop één van ons gered kan worden van de marteling in de hel is door te horen  …Mozes en

118

de profeten” terwijl wij nog leven, en dat als wij hen niet horen, dan kan de Heer ons na de dood niet helpen; ook dat als wij niet door hen overtuigd door hen kunnen worden, wij ook niet “overtuigd worden” zullen zo iemand uit de dood op stond. Lukas 16:29-31. Aangezien er geen kans is om gered te worden na de dood, dan als iemand terwijl hij leeft  gefaald heeft te horen naar “Mozes en de profeten,” waarom zou Christus tot hen preken nadat zij gestorven zijn? “God is niet de God van de doden, maar van de levenden.” Matt. 22:32 {TN3: 118:3}

De “geesten in de gevangenis” kunnen bijgevolg geen anderen zijn dan de antedeluvianen, aan wie Christus  in de persoon van de Heilige Geest, Die Hem opgevoed heeft, voorheen door Noach gepredikt heeft, en aan wie de waarschuwing van de Geest niet van een moment was, met het gevreesde resultaat dat door hun weigering om Zijn pleiten te horen, zij figuurlijk in de gevangenis belandden in de omstandigheden van de op komst zijnde vloed, van de bepaalde gevolgen waaraan zij niet aan konden ontkomen. {TN3: 119:1}

De uitspraak bovendien, “waarin weinigen, met name, acht zielen gered waren door water,” toont verder dat het door Zijn Geest in Noach’s predeking dat Christus voor de vloed de geesten in de gevangenis bezocht heeft en acht zielen gered heeft—Noach en zijn familie. Dus “de Geest van Christus die in” ”de profeten” was, “beduidde” ook toen het daarvoor getuigde, het lijden van Christus en de heerlijkheid die daarna zou volgen.” 1 Petr. 1:11.

119

Maar als het waar is vraag iemand, dat Christus niet aan de doden gepredikt heeft, wat is er dan met

2. Zij die zonder Kans over overblijven? {TN3: 119:2}

De wet van de dood kan niet terug gedraaid worden door de onwetendheid van God van wie dan ook. En verder, “Wanneer Ik tot de goddeloze zeg,” zegt de Heer tegen Zijn profeet, “Gij zult zeker sterven, en gij waarschuwt hem niet , en spreekt niet, om de goddeloze van zijn goddeloze weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.” Ezech. 3:18. {TN3: 120:1}

Deze Bijbeltekst leert duidelijk dat  zij die gestorven zijn in  hun zonden, door veronachtzaming (verwaarlozing) van de wachter, niet gered kan worden en dat hun bloed vereist zal worden van de handen  van de wachter die verantwoordelijk is voor hun lot d, oor niet gered te zijn en zonder mogelijkheid gelaten daartoe. {TN3: 120:2}

Om dan consequent te blijven, zijn zij die in hun zonden gestorven zijn door hun eigen verzuim, onwetend of moedwillig(opzettelijk) zoals de antedeluviaanse wereld deed, eerder dan door nalatigheid van de wachter, nog minder dan de vorige klasse en zelf minder recht hebben dan zij (die helemaal geen recht hebben) om aan gepredikt te worden na hun dood, zelfs indien het mogelijk was. {TN3: 120:3}

En zij die nooit een mogelijkheid hebben gehad om de profeet te horen, aan hen, “verklaren de hemelen

120

de heerlijkheid van God (Gods eer); en het uitspansel

Toont het werk Zijner handen. De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan de nacht toont wetenschap. Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.” Ps. 19:2-4. {TN3: 120:4}

De hele mensheid zal daarom geoordeeld worden aan de hand van de mate van licht die God op hun weg gekeerd heeft, en aan de hand van hun verlangen om in dat licht te wandelen. En zij (degenen) die jammer genoeg(helaas) gefaald hebben om van Hem te leren en de juiste (exacte)waarheid te weten, zullen niet verworpen(veroordeeld) worden omdat zij een dwaling geloofd hebben dat terwijl zij in duisternis waren, maar “dit is het oordeel” zegt de Heer, “dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, want hun werken waren slecht.” Joh. 3:19. {TN3: 121:1}

In het volle licht van de samengevoegde feiten van dit onderwerp, is de zekerheid heel vanzelfsprekend dat de Bijbelteksten een leerstelling van een 2e kans niet garanderen(bevestigen). Maar in een poging om te bewijzen dat zij dat doen, stellen zij die de leerstelling bepleiten (opkomen voor) uitdagend de vraag van de apostel: “Wat zullen zij doen die

3. “Gedoopt zijn voor de Doden?” {TN3: 121:2}

1 Cor. 15:29.

Sprekend tot de Corinthiërs maakt de apostel Paulus duidelijk dat als er geen opstanding is van de doden, dan is er ook geen verlossing in Christus: {TN3: 121:3}

121

 “En als Christus niet herrezen is , dan is onze prediking tevergeefs, en uw geloof is ook tevergeefs. Ja en wij worden valse getuigen van God; omdat wij getuigd hebben van God dat Hij Christus heeft opgewekt; Die Hij niet opgewekt heeft als het zo is dat de doden niet herrijzen. Want als de doden niet herrijzen dan is Christus niet herrezen; en als Christus niet is herrezen is uw geloof tevergeefs; u bent dan nog in uw zonden. Dan zijn ook zij die in Christus gestorven (te ruste gelegd ) zijn vergaan. Als in dit leven wij alleen hoop hebben in Christus zijn wij van alle mensen de meest ellendige(het ellendigste). Maar nu is Christus herrezen uit de doden en de eerste vruchten geworden van de gestorven mens. Want aangezien door de mens de dood gekomen is, is ook de opstanding uit de dood door de mens gekomen. Want zoals in Adam allen sterven, zullen evenzo in Christus allen in leven geroepen worden. Maar ieder mens in zijn eigen rangorder(volgorde): Christus de eerste vruchten; daarna zij die van Christus zijn bij Zijn komst…Anders wat zullen zij doen die gedoopt zijn voor de doden, als de doden helemaal niet opstaan(herrijzen)? Waarom zijn zij dan gedoopt voor de doden?” 1 Cor. 15:14-23,29. {TN3: 122:1}

Deze Bijbeltekst leert niet dat de levenden gedoopt moeten zijn voor de doden: want Paulus roept het effect van de doop op de doden zal hebben niet in twijfel, maar eerder het effect dat het zal hebben op de levenden:  “Wat”, vraagt hij, “zullen zij (de levenden) doen die gedoopt zijn voor de dood?” Niet: Wat zal de dood doen, waarvoor wij, de levenden, zijn gedoopt. {TN3: 122:2}

Derhalve leert de verklaring(mededeling,) dat dopen

122

voor de dood alleen ten gunst is van zij die zelf gedoopt zijn tijdens hun leven. Met andere woorden zij zijn gedoopt niet in de hoop om te leven tot de Heer komt om hen naar de eeuwige herenhuizen daarboven (omhoog) mee te nemen, maar in de hoop van opstanding uit de dood op de opstandingsdag. Vandaar de vraag: “als de doden helemaal niet opstaan… waarom zijn zij dan gedoopt?” {TN3: 122:3}

Uit deze verduidelijking(opheldering) van het onderwerp zijn de heiligen die gedoopt zijn voor de dood duidelijk zij die door de staat van de doden ondergaan . en, concluderend, zij die gedoopt zullen worden rond de tijd van Christus’ komst, om dat onsterfelijk gezelschap van levende heiligen te formeren die zijn triomfantelijke terugkeer zullen afwachten met zijn Heilige engelen, worden als gelijkwaardig en gelijk gezien, om en gedoopt te worden voor de levenden—nooit de staat van de dood te ondergaan! {TN3: 123:1}

En tenslotte, als de vroege Christenen zichzelf moesten dopen voor anderen die gestorven waren zonder doop, zou een dergelijk bevel gegeven zijn in de Geschriften, en zouden dergelijke doopdiensten verslagen opgetekend zijn; de Bijbel daarentegen gebied de doop alleen voor de levenden, tegen wie het zegt: “Bekeert u, en wordt gedoopt.” Handelingen 2:38. {TN3: 123:2}

Dat de oprechte Bijbel student de reddende waarheid voor deze tijd mag kennen; dat doordat hij het kent, hij het mag volgen waar het ook heenleid; dat als hij gedoopt is voor de dood, hij onder de herrezen

123

rechtvaardigen mag zijn, of als hij voor de levenden gedoopt is hij onder de zij die weggenomen waren mag zijn; in beide gevallen in een moment, in een oogwenk” worden veranderd (1 Kor. 15:52) om eeuwig onder de verloste onsterfelijken te zijn, verlost van pijn en verdriet, ingegaan zijnde in een leven van eeuwigdurende blijdschap,–dit, dierbare lezer, is het enige doel van het publiceren en het in uw handen hebben van dit waarheid-beladen boekje. Als u vastbesloten bent om de heerlijkheid in te gaan die het openbaar, zal u dankbaar haar duidelijk klinkende lessen in acht nemen om

Uw Geloof Nu Praktisch Te Laten Zijn, Niet Alleen Theoretisch. {TN3: 123:3}

Aangezien een geloof (godsdienst) dat haar doden zonder opstanding en de levenden zonder opneming laat net zo goed als niets is, net zo is de leer van de Bijbel wanneer het gescheiden is van het uitoefenen. Hoewel theoretische lezingen(voordrachten) essentieel zijn, zodat iedereen de soort leer mag kennen, en de aaneenschakeling van waarheid mag zien, schakel na schakel, verenigd  in een perfect geheel…geen lezing mag ooit gegeven worden zonder Christus en Zijn Kruisiging als het fundament van het evangelie te presenteren, door een wezenlijke toepassing  van waarheden uiteengezet, en bij het volk de nadruk te leggen over het feit dat de leer van Christus geen ja of nee is, maar ja en amen in Christus Jezus.”—Getuigenissen deel 4, p. 394,395. {TN3: 124:1}

 “Satan biedt aan de mens de koninkrijken van deze wereld aan als zij hem de oppermacht afstaan. Velen doen dit, en offeren

124

de Hemel. Het is beter te sterven dan te zondigen; beter te verlangen(willen, wensen, behoefte hebben) dan te frauderen (belazeren); beter te hongeren dan te liegen. Laat een ieder die in verzoeking komt Satan met deze woorden tegemoet treden: ‘Gezegend (Welgelukzalig) is een iegelijk die de Heer vreest, die in Zijn wegen wandelt. Want gij zult eten de arbeid uwer handen. Welgelukzalig zult gij zijn en het zal u welgaan.’ Hier is een voorwaarde en een belofte die ongetwijfeld verwezenlijkt zal worden. Blijdschap en voorspoed zullen het resultaat zijn van de Heer dienen.”—Id., p. 495. {TN3: 124:2}

“Daarom nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvarend; niet wederom leggende het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God” (Hebr. 6:1), of vergetend dat “Al de Schrift van God is ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.” 2 Tim. 3:16,17.   {TN3: 125:1}

(Alle schuingedrukte tekst door ons)

ONDERWERP INDEX

HET OORDEEL EN DE OOGST

VERWARD VANWEGE DE ESSENTIE

Traktaat 3 Derde editie

125

—–00—–

—–0—–

Schriftuurlijke Index


ewedge-1200x675.jpg

God’s Titels Niet Beperkt Tot Een Taal

VRAAG:

Is het geen feit dat de Bijbel vertalers de originele Hebreeuwse namen van de Schepper (Elohim, Jehovah, El, Elahh, Elowahh, Bethel, en Tsur) veranderden in de namen van Baal ( God, Heer, etc)? En als de namen van de Schepper feitelijk Elohim, Yahovah, et.al…zijn, en als God, Heer, etc de namen van heidense goden zijn, waarom noemen we Hem dan bij de laatste? {TN11: 2.1}

ANTWOORD:

Omwille van een juist en consequent begrip ter verwijzing naar de woorden ter discussie, vragen wij de aandacht van de lezer voor het zelf bewijzende feit dat de verschillende Hebreeuwse woorden die aangeduid zijn door de vragensteller als “de originele namen van de Schepper,” die allen karakteristiek zijn voor een bepaald oogpunt of eigenschap van de Heilige natuur of karakter, daarom niet namen zijn, maar titels, van de Schepper. Alleen de naam Jehovah schijnt Zijn Eigenlijke Naam te zijn; daarom zullen we het hierin apart van de titels behandelen. {TN11: 2.2}

 Om de waarheid te vinden achter deze belangrijke tweevoudige vraag, gaan we terug naar niet slechts het begin van de Hebreeuwse natie, maar tot het begin van alle natiën; dat is, tot

2

De Kern van de Zaak. {TN11: 2.3}

We zien dat toen God de mens schiep en godsdienst aanbidding ontstond, Hij aan zijn schepselen Zijn titels verklaarde, in de taal van Eden. Later toen de zonde zijn intrede deed, en toen de mensen zich vermenigvuldigden en de goddeloosheid toenam, en toen het zich voortzette zelfs na de zondvloed, veroorzaakte Gods wraak tegen hun vanwege het bouwen van de Toren van Babel, Hem om “de taal van de ganse aarde” te verwarren, en om hieruit de talen van de natiën te creëren. Toen werden de originele titels van God aan het volk gegeven in hun respectievelijke talen; omdat de titels van God, in een taal die vreemd is voor de voorstelling {of denkbeeld} van de naties, geen betekenis voor hen zouden hebben. {TN11: 3.1}

Daar hun zonden zorgden voor een steeds grotere verwijdering van de kloof tussen God en de mensen, maakten zij uit protest, om hun hartenwens voor een zichtbare God te bevredigen, voor zichzelf

Afgoden, Vernoemd naar de Heilige Titels. {TN11: 3.2}

In plaats van de afgoden namen te geven die speciaal voor hun waren voortgebracht, eerden de makers hen met de Heilige titels om het te laten lijken alsof de afgoden afbeeldingen van God waren, een vervalsing die overtuigend bepaald wordt door zulke overduidelijke bewijzen als dat het woord Elah, een Hebreeuwse titel voor de Godheid, wordt gebruikt door de Turken als de naam van hun god [Allah]; dat het woord, Tsur, een andere Hebreeuwse titel van de

3

 Godheid, wordt gebruikt door het Russisch-Sloveense volk als de titel voor hun koningen {tsaar}; en dat “Elohim, in vele gevallen gebruikt wordt als de goden van de heidenen, die in dezelfde titel de God van de Hebreeërs meerekenden, en in het algemeen de Godheid aanduidden, als ze spraken over (aldus) een bovennatuurlijk wezen.”—Dictionary of the Bible, Smith, definition “Jehovah.” {TN11: 3.3}

Vanuit deze bewijzen, zien we duidelijk dat de namen van de afgoden, in feite niet de namen van de afgoden zelf zijn, maar de titels van God. Door daarom onze aanspreektitel tot Hem te beperken tot één taal—de Hebreeuwse—alleen maar omdat Zijn titel in onze taal ooit gebruikt werd ter ere van afgoden, wordt de conclusie bekrachtigd dat de afgoden van de heidenen, God de Schepper hebben overwonnen door Hem te beroven van Zijn titels! Wat een afstotelijke gedachte! {TN11: 4.1}

Vandaar dat, als wij meer plechtigheid moeten verbinden aan schrijfwijzen die de Godheid uitdrukken, in welke taal dan ook meer dan in de andere, zou het moeten zijn

Alleen In De Taal van Eden, of In Allen Gelijk. {TN11: 4.2}

Als vanaf het begin tot vandaag “de ganse aarde van enerlei spraak was”

(Gen. 11:1), en als de dag maar nooit was aangebroken toen “de Heer de spraak der ganse aarde verstrooide” (Gen. 11:9), dan zouden Gods aanbidders Hem alleen dan aanspreken in de taal van Eden. Maar gezien het feit dat vanaf dat uur tot deze, verscheidenheid en verwarring van tongen het

4

taalkundige lot is geweest van het menselijke ras, heeft de Heer Zijn woord nooit beperkt tot een universeel medium van uitdrukking, maar heeft het eerder aangepast aan al “de volkeren en menigten, en naties, en tongen” van de aarde, zodoende rekenschap gevend aan

De Verschillende Titels van de Godheid. {TN11: 4.3}

De Joden noemden de te verwachten Christus: Messias, maar wij die Engels spreken noemen Hem: de Gezalfde, omdat dat is wat het woord Messias in onze taal betekent. De titel: Gezalfde heeft geen betekenis voor een Hebreeër, evenals Messias voor een Engelsman, tenzij de Engelsman en de Jood, beiden Engels als Hebreeuws spreken, of als het woord uitgelegd wordt aan hen in hun respectievelijke tongen. Op gelijke wijze is dit het geval met de woorden Elohim en God — gelijkwaardigheden in hun respectievelijke tongen. De menigten van gewone mensen die alleen Engels spreken, kunnen niet op een verstandige wijze de Schepper aanspreken met een woord dat vreemd is aan de Engelse taal. Bijvoorbeeld, wanneer (we) spreken van de Ene Die alle dingen schiep, moeten wij Hem noodzakelijkerwijs noemen met het Engelse woord: Schepper, in plaats van het Slavische woord: Sutvaritel, of met het Griekse woord: Plasten. Aldus, zoals het gepast is in het Engels om te zeggen: Schepper of Vader, wanneer we die Ene aanspreken Die alle dingen heeft geschapen, dan moet het, om consequent te zijn, ook gepast zijn om Hem God te noemen in het Engels, in plaats van hem bij de Joodse titel: Elohim te noemen. {TN11: 5.1}

Voor de Jood betekenen de woorden, Elohim, Elowahh,

5

Elahh, en El: Machtige, Schepper, hetzelfde als wat het woord: God, zoals in algemene aanvaarding, voor de Oud-Engelsen; het woord Otheos, voor de Griek; het woord Bog, voor de Sloveen; Gott voor de Duitser; Gud voor de Scandinaviër; Dios voor de Spanjaard, en Allah voor de Turk betekent. {TN11: 5.2}

Vandaar dat het woord, Elohim en haar varianten, God, Theos, Bog, Gott, Gud, Dios, Allah, Lord {Heer} en ga zo maar door, losse tegenhangers zijn in hun respectievelijke talen, de algemene betekenis van hun allen is en ruimere zin hetzelfde als dat van de Engelse naam: heer, welke een eerbiedwaardige titel is gegeven aan een echtgenoot, aan een edelman, aan een eigenaar, aan een bezitter, of aan een zekere officiële persoon. {TN11: 6.1}

Het is vanuit deze algemene acceptatie van de woorden dat God en Heer, beiden worden toegepast op de Godheid, en niet meer van een punt van gepaste naam dan met het woord Vader. {TN11: 6.2}

Dit is passend geïllustreerd door de voorpagina “gesneden” van Augustus Caesar. Deze grote Romeinse heerser, had als een van zijn verheven titels, de term “Pontifex  Maximus” omdat hij werd aanbeden, in het heidens systeem, als hun zichtbare god op aarde. Later werd deze titel overgenomen door de Paus van Rome. Alzo werd het met Gods titels gedaan door de Baäl aanbidders. {TN11: 6.3}

Verder is het standbeeld van Augustus niet Augustus zelf. Het is slechts een afgod van hem, aanbeden door de mensen nadat zij niet langer zijn levende aanwezigheid konden aanschouwen. {TN11: 6.4}

 6

Dus deze mogelijkheid van exclusieve koninklijke, en zelfs heilige titels die gebruikt worden door afgunstige personen of toegepast op afbeeldingen, is een gebruik dat ongelukkigerwijs altijd heeft bestaan, en er is niets dat daaraan gedaan kan worden, zolang de mens voortgaat om het gebod te overtreden dat zegt: {TN11: 7.1}

“Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is: Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want ik de Heere, uw God, ben een jaloerse God.” Ex. 20:4 {KJV}. {TN11: 7.2}

Al de algemene termen, in de verschillende talen, karakteriseren eerder wat God is, dan Wie Hij is; met andere woorden, deze termen zijn eerder de titels van Zijn natuur en karakter, dan van Zijn identiteit. Als ze daarom niet vertaald waren in de talen van de natiën, zouden ze zonder betekenis zijn voor de mensen. {TN11: 7.3}

Vanuit de hierin gecombineerde bewijzen van de Geschriften, geschiedenis , filologie {taalkunde} en logica, zien we duidelijk dat de woorden God, Heer enz., niet oorspronkelijk, noch ooit exclusief, de namen waren van Baäl, of van welke andere afgod dan ook. Als gevolg daarvan is er

Niets Verkeerds aan Gods Titels in Welke Taal dan ook. {TN11: 7.4}

Het is dan vanzelfsprekend dat, hoewel de heidenen de term god gebruikten, wanneer ze hun afgoden aanspraken, zoals sommigen de titel vader gebruiken voor een

7

persoon die niet hun vader is, doch door zo te doen, zij daardoor niet meer werkelijk enig afgod tot God maakten, dan dat ze daarmee werkelijk de titels van de echte God, tot de titels van afgoden maakten; niet meer in feite, dan hen die het woord vader misbruiken, het zo verontreinigen, dat we nu genoodzaakt zijn onze aardse ouder met een andere titel aan te spreken. {TN11: 7.5}

En als er nog steeds wordt geprotesteerd, dat deze verschillende titels van de Godheid worden ontheiligd omdat afgoden-aanbiddende natiën ze gebruikten, dan moet er door dezelfde blijk van logica ook geprotesteerd worden, dat hun Joodse equivalenten zelfs meer ontheiligend zijn, vanwege de nog schandelijkere en verwerpelijke afgoderij van de Joden, die op bespottende wijze deze titels van de ware God mompelden, terwijl zij vreemde goden achterna gingen en Zijn profeten doodden, en die zelfs Zijn enig geboren Zoon niet spaarden. {TN11: 8.1}

Juist door het feit dat toen de heidenen het Christendom aannamen, de Geest der Waarheid deze misbruikte titels van de Godheid “voor het Christelijk verstand verhief”, toonde Hij daardoor aan dat God niets tevergeefs {of zonder betekenis} geschapen heeft, en dat er geen andere goden voor Hem zijn. Dus in plaats van dat deze titels nu een gruwel voor ons worden, zouden ze een betere status moeten hebben dan daarvoor, net als de Verkwister dat had nadat hij terugkeerde tot zijn vaders huis. {TN11: 8.2}

De apostel erkende dit, en maakte daarom geen bezwaar toen de discipelen in Antiochië zichzelf Christenen noemden, naar de naam van de Heer in hun inheemse taal (Handelingen 11:26). {TN11: 8.3}

8

Het feit dat de apostel Paulus verder onder Inspiratie God aan de heidenen bekendmaakte, niet in de termen van (Jehovah, Elohim, et al..) naar zijn eigen verstandelijk vermogen en medegedeelde geloof, maar in termen ( De Onbekende God) van hun onwetendheid en ongeïnformeerde geloof, toont aan dat God ander aanspreek vormen tot Hemzelf accepteerde dan de Joodse namen. {TN11: 9.1}

Op dit punt, evenals alle andere punten staan wij met de apostelen en de profeten. En aangezien de apostelen zodoende waardig bevonden waren om hun namen geschreven te hebben op de fundamenten van de Heilige Stad (Openb. 21: 14) zullen wij op gelijke wijze waardig bevonden worden om door de paarlen poorten in te gaan, als ook wij ons onthouden van

Het Oneerbiedig Gebruiken van de Heer Zijn Werkelijke Naam {TN11: 9.2}

Als God zijn werkelijke naam Jehovah is, dan wagen wij, Zijn geschapen wezens, het om zo oneerbiedig informeel te zijn om Hem aan te spreken met Zijn Werkelijke Naam, in plaats van met een van Zijn titels, God, Heer, Vader, Schepper, Verlosser, etc. terwijl wij er niet aan zouden denken om toe te geven aan de minder oneerbiedige gewoonte van het aanspreken van onze aardse ouder met hun gegeven namen—John, George, Bill, Dorothy, Ruth, Maria, etc ., in plaats van hun ouderlijke titels Vader en Moeder?  Zulk een oneerbiedigheid, toegepast door de heidenen, mag te verontschuldigen zijn vanwege hun onwetendheid, maar toegepast door verlichte Christenen,

9

 die beter horen te weten, is niet te verontschuldigen. We mogen met eerbied het woord Jehovah gebruiken, alleen als een heiden ons zou vragen Wie is jou God? Dan zouden we met een plechtige correctheid kunnen antwoorden, Jehovah, de enigen ware en levende God. Nooit, echter kunnen we wanneer we God aanspreken Zijn Werkelijke Naam eerbiedig gebruiken. {TN11: 9.3}

Zoals de Godvrezende Joden vroeger ”de Heilige Naam te heilig achten om het uit te spreken,” evenzo zouden verlichte Christenen vandaag moeten doen. {TN11: 10.1}

Nochtans, de meest oude en geheiligde Hebreeuwse naam van God was gewoonlijk niet alleen nooit uitgesproken, maar was zelf zo gespeld in een afgekorte vorm dat het niet uitgesproken kon worden; zelf zo dat de originele uitspraak niet bekend is. Wat we zeker weten is de

Medeklinkers Vorm, Yhwh, Yvh, of Yhv. {TN11: 10.2}

De afgekorte vorm van de naam maakte het voor de vertalers moeilijk om een uitspreekbaar woord te spellen. Ze kozen er daarom voor om toe te voegen dat gene wat ze dachten dat de missende klinkers waren. De eerstvolgende lettergreep term waarover ze het algemeen eens waren was Jah. Andere afgeleiden waren verschaft door verschillende vertalers. Yahweh, Yahowah, of Yahovah werden geformuleerd om bepaalde talen te schikken. Daarom elke geïmproviseerd schrijven dat uitgaat om de onuitsprekelijke Naam op te maken, mag feitelijk toch uiteindelijk niet de

10

Hebreeuwse zijn!  (Zie Funk and Wagnall’s Standard Dicitionary, definitie “Jehovah.”) {TN11: 10.3}

Als de originele naam theorie juist is bewezen, is er op zekere wijze

Niets om de Verandering te Voorkomen. {TN11: 11.1}

Daar we niet meer dan wat dan ook juist willen zijn in alle dingen, zou het daarom een zonde zijn om de Godheid in elke taal anders dan de Hebreeuwse aan te spreken, zouden wij meteen en zonder aarzelen onze verbale wijze van Hem aanspreken veranderen. {TN11: 11.2}

Maar zoals de zaken nu staan, zijn wij niet in staat om enige enthousiasme te delen betreffende zo een oorspronkelijke naam theorie, en het welk van de waarheid en waarde toe te schrijven welke sommige ons willen laten geloven, dat het verstelt, maar ook zijn wij meer dan ooit tevoren overtuigd de Heer niet aan te spreken met Zijn gepaste naam. In feite moet iedere volledig wakkere Christen, die oprecht de Heer dient, duidelijk zien dat om zich te schikken aan zo een theorie is, de heiligen er toe te brengen de Schepper te beledigen door Hem aan te spreken met Zijn Werkelijke Naam in plaats van met Zijn titel, en ook om te lijden onder het onheilspellend resultaat van enthousiastelingen worden over een of ander zo aanlokkelijk theorie dat ze praktisch die waarheden uitsluiten die essentieel zijn voor hun zaligheid.

Laat ons daarom

Toegeven: {TN11: 11.3}

Dat deze feiten voor altijd de beweging krachteloos maken dat nu in aantocht is om zich te ontdoen van het gebruik van de Christen van de titels God, Heer,

11

Christus, etc: want om het op te geven om de Godheid met de titels aan te spreken, welke Hij heeft ingesteld in de verschillende talen, zou een nederlaag voor God betekenen en een overwinning voor de afgoden! Zulke misleidende bewegingen zouden moeten zijn

Een les. {TN11: 11.4}

Alle tegenwoordige waarheid gelovigen zouden nu de noodzaak moeten inzien van het mijden van allerlei winden van leer ongeacht hoe aannemelijk of redelijk het mag schijnen te zijn. Onthoud de woorden ” Zie, deze die uitgegaan zij naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.” (Zie p. 27 van Tract nr. 2, The Warning Paradox,–Zach. 6: 1-8). Haal uw leerstelling Broeder, Zuster alleen van de Gouden Schaal! (zie The Shepherd’s Rod, Vol. 2), en wees niet als de golven van de zee, gedreven en geslingerd door de wind—wordt niet meegevoerd door de vele winden van leer die wild waaien vanuit ieder richting om te veroorzaken dat jij je weg kwijtraakt naar het eeuwige koninkrijk. {TN11: 12.1}

12

——————–0—————–



TER CORRECTIE

DE WERELD GISTEREN, VANDAAG, MORGEN

[PICTURE]

De Wereld Gisteren, Vandaag, Morgen

Zal Duitsland of Engeland Winnen?

Aangezien wij leven in een tijd waarin we alles kunnen verwachten, maar zeker kunnen zijn van niets, zullen daarom allen gelijk, staatsmannen, diplomaten en militaristen meegerekend, ongetwijfeld verbaasd zijn over wat zal voortvloeien uit het huidige Europese conflict. {TN12: 5.1}

Op dit moment (1941) vervolgen Hitler’s gevreesde legioenen hun onverbiddelijke aanval op werelds “Meesteres van de Zeeën,”en tot nu toe is niets in staat geweest om de woede van haar hevige aanval te weerstaan, met als gevolg dat Europa in angstaanjagende verwondering staat, en de hele wereld in gealarmeerde verwondering over is over wat hun te wachten staat, gewillig zoals Nebukadnessar in zijn dagen om bijna alles te willen geven om te weten, maar

God Alleen Kent de Toekomst {TN12: 5.2}

De wijze mannen heden ten dage kunnen nog minder de toekomst voorspellen dan de wijze mannen konden in de tijd van de profeet Daniel (Dan. 2). Als u denkt dat dit een overdreven bewering is, ga dan de uitdaging aan : “Brengt uw twistzaak, zegt de Heer; breng uw vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning van Jakob. Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen,

5

verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen en het einde daarvan weten of doet ons de toekomende dingend horen. Verkondigt dingen die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt.” Jes. 41: 21-23. {TN12: 5.3}

Hij Die de opkomst en de val van Babylon voorzegde en van de naties die haar opvolgden, is de enige die weet wat de uitkomst zal zijn van het huidige “ tegenspoed der naties.” Voor licht, dan op deze gewichtige vraag nu hoogst belangrijk in ieder redelijk verstand, keren we tot de God van de profeten, Die ons gelast om te kijken naar de geschriften van Zijn zieners van ouds. Daar zijn als de gebeurtenissen van de wereld betreffende Zijn “zonen” (Jes.45: 11 )

Voorzegd op Geïllustreerde Wijze. {TN12: 6.1}

De wereldgeschiedenis in profetie is eerst vastgelegd in letterlijke termen, ten tweede in parabolische termen, ten derde in typische termen; en ten vierde in geïllustreerde termen. Omwille van de beknoptheid en in het belang van het bevorderen van het bevattingsvermogen, de mogelijkheid van zijsporen uitsluitend, presenteert deze stille boodschapper, haar boodschap op de geïllustreerde wijze. {TN12: 6.2}

De koninkrijken die neer zijn gegaan, de koninkrijken die nog steeds bestaan en de koninkrijken die nog tot stand moeten komen, wiens wetgeving God’s volk bij betrekt, zijn chronologisch geïllustreerd door beiden, Daniel en Johannes de Openbaarder. {TN12: 6.3}

6

Zodat nu zelf het meest sceptische en ongelovige verstand kan worden overtuigd, wordt het onderwerp van dit traktaat geïntroduceerd met de symbolen waarvan het profetische belang reeds geschiedenis is geworden.

Een Leeuw, Een Beer, Een Luipaard en een Niet te beschrijven Beest.{TN12: 7.1}

“Daniel antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.
En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden. Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.
{TN12: 7.2}


“Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.
{TN12: 7.3}


“Daarna zag ik, en ziet, er was een ander [dier], gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.
{TN12: 7.4}


“Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen. Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende. Dan. 7 : 2-8
{TN12: 7.5}

7

Pagina 8 : plaatjes van de dieren.

8

Deze vier grote dieren, zegt de engel,” zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.” Dan.7: 17. {TN12: 9.1}

Voorafgaand aan Daniel’s visioen van deze dieren, was aan Nebukadnessar, de koning van het oude Babylon terwijl hij  in onzekerheid was over de duur van zijn koninkrijk, in een droom , een groot beeld getoond bestaande uit vier metalen. Het hoofd was van “goud; haar borst en armen waren van “zilver” ; haar lendenen van “koper”; haar been van “ijzer” en haar voeten van “ijzer gemend met leem.” De droom uitleggend zei Daniel aan de koning: {TN12: 9.2}

“Gij zijt dat gouden hoofd. En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde. En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; … En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem.

“En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos. En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich [wel] door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.“Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.” Dan. 2 : 38-44. {TN12: 9.3}

9

10

Zonder meer symboliseren de vier metalen van het grote beeld, zoals de vier beesten dat doen een opeenvolging van vier koningen in hun respectievelijke perioden. De voeten (rechts en links) van ijzer en klei vertegenwoordigen duidelijk twee afdelingen van koningen (conservatieven en radicalen) in een vijfde periode- de tijd waarin de God van de Hemel “ een koninkrijk zal opzetten die nooit vernietigd zal worden.” De tenen van de voeten, duiden vanzelfsprekend een veelvoud van koningen bij beide partijen, de conservatieven en de radicalen. {TN12: 11.1}

In een andere symboliek, een ram en een geitenbok in drie-fasen, zag Daniel dat de geitenbok in haar eerste fase ( dat van de ‘grote hoorn”—de koning van “Griekenland”), het ram (“Meden  en Persen”) vertrad, en dat nadat de grote hoorn afbrak (overlijden van Alexander), vier hoorns in haar plaats opkwamen ( het koninkrijk verdeeld in vier delen) en dat uiteindelijk van een van de vier, een vijfde voortkwam, “de uitermate grote hoorn” (Rome). (Zie Daniel 8: 9, 20, 21-23.) {TN12: 11.2}

Sommigen denken dat de “uitnemend grote hoorn”—het vijfde—Antiochus symboliseert, die een van de vier divisies regeerde, maar dit kan niet zo zijn, want de uitnemend grote hoornen, komend uit een van de vier, symboliseert een vijfde koninkrijk, niet een van de vier uitgebreid. Bovendien verwijst de term “uitnemend groot” in tegenstelling tot de term “groot” naar een groter koninkrijk dan dat van Alexander. En aangezien het koninkrijk van Antiochus in haar grootheid

11

half niet zo groot was als dat van Alexander is de theorie ongeloofwaardig. {TN12: 11.3}

Het Romeinse Keizerrijk is die ene die veel groter was dan dat van Alexander en daarom

12

alleen het antwoord tot deze symboliek. Door tegen het zuiden te gaan, dan tegen het oosten, dan tegen het sierlijke land, het westen (Palestina), ging het per definitie naar de vier winden van de kompas, wat precies is wat Rome deed. {TN12: 12.1}

Daniel 8: 9 zegt dat de “uitnemend grote hoorn” kwam uit een van de vier hoornen van de geitenbok, maar zegt niet uit welke. Daniel 11: 5, echter, verklaart dat “een van de vorsten” van het koninkrijk van het zuiden een grote heerschappij zou hebben. Deze vorst, is daarom gesymboliseerd door een uitnemend grote hoorn, en laat zien dat het kwam van de hoorn welke de Ptolomeische dynastie symboliseerde—de zuidelijke divisie. Hier is getoond dat de geschiedenis nalaat de oorsprong van Heidens Rome te boek te stellen. {TN12: 13.1}

We zien nu dat hoewel in Daniel 2 en 7 de namen van de koningen niet bekend zijn gemaakt, ze geopenbaard worden in Daniel 8. En daar Daniel 2 en 8, Daniel 7 ondersteunen, volgt het dat de vier metalen van het grote beeld, en de vier grote dieren, symbolisch zijn voor de vier oude keizerrijken; respectievelijk Babylon, Medo-Persië, Griekenland en Heidens Rome. {TN12: 13.2}

De volgende vier mappen tonen aan dat de geschiedenis de profetie ondersteund. {TN12: 13.3}

13

14

`15

De voeten en tenen van het beeld (Dan.2), een mengsel zijnde van ijzer en leem, voorspellen een keizerrijk dat niet samenkleeft. De klei veroorzaakt dat het aan stukken uit elkaar valt—in gescheiden koninkrijken; sommige groter, sommige kleiner, “gedeeltelijk sterk, en gedeeltelijk gebroken.” {TN12: 17.1}

17

Dit schriftgedeelte beschrijft duidelijk de tegenwoordige familie koningen in hun onderling getrouwde staat (vermengd “met de zaad van mensen:”). Voortkomend als een resultaat van het afbrokkelen van Heidens Rome, maken zij een vijfde en meerdelig keizerrijk. Aldus voorzegd deze profetische illustratie duidelijk dat de heerser van vandaag, niet in staat zijnde met elkaar aan te kleven (Dan2: 42,43) gedoemd zijn tot continue scheuringen en vijandigheden onder elkaar. {TN12: 18.1}

Kaart 5 toont de moderne divisies aan, voorafgaand aan de Tweede Wereld oorlog van de oude wereld. {TN12: 18.2}

helft van de pagina kaart 5

18

Het vierde twee fasen beest— één met tien horens, de ander met zeven horens samen met de “kleine hoorn” (Dan.7: 7,8) portretteert  zoals wijd en zijd geaccepteerd is, eerst Heidens Rome en dan Pauselijk Rome , en de “kleine hoorn”( het hoorn hoofd), de kracht die toen regeerde, was religieus politiek. {TN12: 19.1}

Deze vier dieren zijn identiek aan respectievelijk het “goud”, “zilver,”koper” en “ijzer” van het “grote beeld.” {TN12: 19.2}

In deze profetische vier-dieren symboliek, tezamen met haar historische vervulling, zien we de voorbijgaande politieke gebeurtenissen en de als gevolg daarvan veranderende politieke status van de wereld van de tijd van het oude Babylon door tot de tijd van Christelijk Rome.

Het grote beeld echter brengt ons door naar het heden, de tijd waarin we onszelf geregeerd vinden door haar tenen-koningen. Maar zoals Daniels serie van dieren slechts een deel van de wereld geschiedenis omlijnd, is een andere serie nodig om het compleet te maken. Het enige andere van zulk een serie is in Openbaring, het eerste symbool waarin is

HET LUIPAARD ACHTIG BEEST. {TN12: 19.3}

“En ik zag uit de zee een beest opkomen , hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden,

19

en op zijn hoofden was een naam van Godslastering. En het beest, dat ik zag, was een paard gelijk en zijn voeten als een beers voeten, en zijn mond als de mond van een leeuw, en de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht. {TN12: 19.4}

“En ik zal een van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen ; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest. En zij aanbaden de draak, die het beest macht gegeven had en zij aanbaden het beest zeggende: Wie is dit beest gelijk? Wie kan krijg voeren tegen het zelve ? {TN12: 20.1}

“En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en Godslasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen, twee en veertig maanden. En het opende zijn mond tot lastering tegen God , om zijn naam te lasteren en zijn tabernakel en die in den hemel wonen. En hetzelve werd macht gegeven om de heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en taal en volk. En allen dei op de aarde wonen zullen het aanbidden, welke namen niet zijn geschreven in het boek des levens, van het Lam, dat geslacht is van de grondlegging der wereld. {TN12: 20.2}

“Indien iemand oren heeft, die hoore. Indien iemand in de gevangenis leidt die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dode, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.” Openb. 13: 1-10. {TN12: 20.3}

20

De samengestelde opmaak van dit beest—mond van een leeuw, voeten van een beer, lichaam van een luipaard, en tien hoornen—is een trouwe getuige dat hij een afstammeling van Babylon (leeuw) , Medo-Persië (beer) , Griekenland (luipaard) en Heidens Rome( tien hoornen) is. Vandaar dat dit beest een smeltkroes is van de vier oude wereld-rijken en moet tezamen met haar zeven hoofden en tien gekroonde hoornen, de wereld van vandaag karakteriseren. {TN12: 21.1}

De twee en veertig maanden periode van het beest, valt in de tijd van Pauselijk Rome –het keizerrijk na Heidens Rome; terwijl

21

haar gewonde staat ( Openb. 13: 3), de Protestantse periode symboliseert. Bovendien vertegenwoordigt het beest drie perioden—(1) de periode voor haar gewonde staat; (2) de periode gedurende haar gewonde staat; en (3) de periode waarin haar wond is genezen.

      Veder tonen deze symbolisering dat Inspiratie de Protestantse wereld nog steeds tot een Romeinse wereld toerekent. Dit weten we vanuit verschillende oogpunten, het eerste daarvan is in het feit dat de periode van twee en veertig maanden van het beest gelijk staat aan dat van de “tijd” van de kleine hoorn ( 12 maanden), “tijden,” (24 maanden), “en een halve tijd” ( 6 maanden). Het werk tegen God en Zijn volk in beide verslagen is twee en veertig maanden lang. {TN12: 22.1}

De hoornen van het niet te beschrijven beest hebbende geen kronen en de hoornen van het luipaardachtige beest hebbende wel kronen, wijzen aan dat de laatste de wereld symboliseert nadat de kroonloze hoornen (koningen die zouden moeten opstaan- Dan7: 24) van het vorige beest gekroond waren. {TN12: 22.2}

Zoals we nu gezien hebben, is het duidelijk dat Pauselijk Rome (de tweede fase van het niet te beschrijven beest) een gecombineerde kerk en staat macht was (een hoornen-hoofd, hebbende “de ogen van een mens en de mond die grote dingen sprak”–Dan. 7: 8), en dat de Protestantse Reformatie de scheiding van die twee veroorzaakte. Dus terwijl de opkomst en regering van Pauselijk Rome vooraf voorgesteld zijn door een niet te beschrijven beest, zijn hoorn hoofd, wordt haar ondergang afgebeeld door het gewonde gangbare hoofd van het luipaardachtige

22

beest—het hoornen gedeelte (de burgerlijke macht) zijnde weggenomen. De kerk was beroofd van de overheersende kracht waarmee de staat haar had bekleed, met het resultaat dat de overheden onafhankelijk zijn van de kerk en de kerk ondergeschikt is aan de overheden. {TN12: 22.3}

Als het waar is dat het gewonde hoofd een godsdienstig lichaam symboliseert, en dat er geen onderscheid is in verschijning tussen het gewonde hoofd en de zes niet gewonde hoofden, dan is de fundamentele waarheid dat ze allen voorstellingen zijn van godsdienstige lichamen. Bovendien aangezien deze profetische symbolen betrekking hebben op de Westerse Beschaving, de geboortegrond van de Christenheid, karakteriseren de hoofden beslist de Christelijke genootschapen, evenals de “zeven kerken van Azië, “(Openb. 2, 3) het ene verschil zijnde dat de kerken van Azië waarschijnlijk een langere tijdsperiode beslaan dan de hoofden dat doen. {TN12: 23.1}

Verder, terwijl het beest haar dodelijke wonde ontvangen hebbende een voorstelling is van Christelijk Rome vernederd tot de dood (beroofd van burgerlijke macht), is haar herstel van de wonde een voorstelling van haar verhoging tot leven( haar burgerlijke macht weer verkregen hebbende). En daar de wond was toegediend door de hand van de Reformatie, kon het nooit hersteld zijn als de hand doorgegaan was met het scherpe twee snijdende zwaard voor haar te hanteren. Het herstel is daarom een levendige afbeelding van

23

De Val van het Protestantisme en de Opkomst van Despotisme (Tirannie). {TN12: 23.2}

Hoewel er slechts één ware uitlegging is van elke Bijbel leerstelling, zijn er toch een massa’s van tegenstrijdige uitleggingen in de hedendaagse Christelijke wereld, met het resultaat dat het opgesplitst is en vele sekten en afscheidingen (hoofden), met geen twee die hetzelfde geloven. Daarin ligt beslist bewijs dat deze kerken verstoken zijn van de Heilige Geest en voort rennen in complete duisternis. Omdat zij belijden de Waarheid te onderwijzen, maar in plaats daarvan leren ze leerstellingen en geboden van mensen, ze worden berispt door “de naam godslastering” geschreven te hebben op hun hoofden (Openb. 13 : 1). {TN12: 24.1}

Zelf nu, in de afsluitingsuren van de evangelie periode, zegt de kerk: Ik ben rijk en verrijkt geworden en heb aan geen ding gebrek,”—noch waarheid noch profeten,–hoewel in feite ze ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt is (Openb. 3 : 16, 17) , en op het punt staat uitgespuwd te worden als ze nu tekort schiet haar ogen te zalven met deze frisse extra olie. En zorgeloos zijnde over haar ellendige conditie, is ze nu gereed niet alleen om de laatste boodschap die tot haar komt met waarschuwingen en berispingen, vlak voor de vreselijke ten geduchte dag des Heren komt (Mal. 4: 5) te verwerpen, maar ook om de Verlosser opnieuw te kruisigen, als Hij in persoon zou komen om haar te bestraffen, daarbij haar opstandigheid van oudsher herhalend, als een symbool van Mozes

24

die de “rots” tweemaal sloeg (Num. 20: 11). {TN12: 24.2}

Detail na detail, zijn wij tot zo ver instaat gesteld om de zien dat het genezen van de wond, niet alleen beduidend is van het te kort schieten van de kerk om de Protestantse Reformatie te voleindigen, maar ook van het spoedig terugkeren tot de tirannieke principes van de Duistere Middeleeuwen van de wereldse regeringen—tot de regels die geldig waren voordat de wonde werd toegediend. Deze herhaling van het verleden zal tot stand gebracht worden door

Het Twee-Hoornig Beest. {TN12: 25.1}

En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams [hoornen] gelijk, en het sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was. En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve toe doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en [weder] leefde, een beeld zouden maken. “En hetzelve werd [macht] gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden. En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden; En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams. “Hier is de wijsheid: die het

25

verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.” Openb. 13: 11-18. {TN12: 25.2}

De macht die door dit twee-hoornig beest wordt vertegenwoordigt, zal zichzelf  identificeren met “de valse profeet,” want tezamen worden ze “geworpen in de poel des vuurs.” Openb. 19 : 20.Hieruit is het duidelijk te zien dat de wonderen welke het beest doet in de tegenwoordigheid van de mensen, en door welke hij hen misleid “die op de aarde wonen”( Openb. 13: 13,14), door de valse profeet gedaan worden (Openb. 19: 20) “in de tegenwoordigheid van het beest.” Openb. 13: 14. Duidelijk is dan de burgerlijke autoriteit van het beest, gecombineerd met de bovennatuurlijke krachten van de profeet, verwijzen naar een verbond tussen het beest en de profeet—een verwantschap van vertegenwoordigers van staat en van de kerk. {TN12: 26.1}

Slechts twee hoornen hebbend, niet tien, beeld het beest daarom een lokale  en niet een universele regering af, desondanks zal hij heel de Christenheid beïnvloeden om “een beeld van het beest te maken, welke de wonde had toegebracht door een zwaard en dat leefde”; dat wil zeggen, hij zal een wereldwijd regeringsstructuur bewerkstelligen, en de principes van de

26

 kerk-staat regel van Pauselijk Rome op de troon zetten. De hersteller van deze principes zijnde, samen met de profeet, zal hij de werelds hoofd dictator worden en niet alleen de politieke en religieuze belangen van de regering vorm geven, maar ook de wereld handel. Hij zal een decreet uitvaardigen”dat niemand mag kopen of verkopen, tenzij hij het merkteken of de naam van het beest heeft, of het nummer van zijn naam.” Openb. 13: 17. {TN12: 26.2}

Dit beest is een vertegenwoordiging van een man die staat aan het hoofd van een natie en wiens invloed ver en wijd gaat onder de koningen van de aarde. Hij wordt verder geïdentificeerd door een nummer—het mystieke nummer “zeshonderd zes en zestig.” Openb. 13: 18. {TN12: 27.1}

Het overheersende geloof dat het nummer “666” de numerieke identificatie is van een of andere macht is het broedsel van de Prins der Duisternis en is berekend om waar mogelijk de identiteit van dit twee hoornig beest

geheim te houden. Inspiratie plaats het nummer op het twee hoornig beest en daar moeten we het laten. Wanneer het nummer uiteindelijk is opgemaakt, zullen de dienstknechten des Heren in staat zijn al de “wijzen” te overtuigen van wie precies het beest symboliseert. We zien nu echter, dat niemand wie het woord van God bestudeert, misleid hoeft te worden wanneer deze macht ten tonele zal verschijnen. Toch, ondanks Gods waarschuwingen tegen het geven van loyaliteit aan het beest, faalt de wereld hier acht op te slaan met het resultaat dat zelf nadat zijn nummer is opgemaakt,” het maakt,

27

dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken wordt gegeven aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden.”Openb. 13: 16. {TN12: 27.2}

De passage, “ Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,”geeft aan dat allen die na de waarheid gehoord te hebben door gaan met op godsdienstige of wereldse wijze hulde te brengen aan het beeld, “ zal drinken uit den wijn des toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is, in den drinkbeker Zijns toorn.” Openb. 14: 9, 10. {TN12: 28.1}

Een volledig besef van de glorierijke beloning die de mensheid te wachten staat zal ze zelf nu er toe dringen te juichen van vreugde ! En een gelijke besef van de vreselijke straf dat allen te wachten staat die tekort schieten om God tot hun toevlucht te maken, zal hen ertoe brengen zelf nu hun tanden te knarsen. Dat allen zich realiserend deze alternatieve vooruitzichten mogen inzien, en daarbij gedrongen worden tot berouw, de Heer is in opperste kwellingen geweest, niet alleen om een treffende beschrijving vast te leggen van het kwaad dat door de tussenkomst van het beest, Satan heeft bepaald voor de hele wereld, maar ook vooraf van een gelijkvormig kwaad te maken een volmaakt

Type van “Het beeld van het Beest.” {TN12: 28.2}

Dit type schoot wortel toen— {TN12: 28.3}

De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel. En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren,

28

de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht… {TN12: 28.4}

“Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht. En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natien, en tongen! Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht; En wie

niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.” Daniel 3 : 1-6. {TN12: 29.1}

In de uitwerking van dit drastische en onrechtvaardige decreet, zijn er drie opmerkelijke aspecten: De eerste openbaart waarschuwend de wijze waarop het beest al de naties en volkeren binnen zijn domein zal verplichten, om hem en het beeld dat hij zal maken te aanbidden; de tweede beloofd aanhoudend dat net zoals in de dagen van Nebukadnezar, Michael zij die weigerden het gouden beeld te aanbidden, bevrijde en bevorderde (Dan. 3: 12-30), evenzo zal Hij vandaag bevrijden en bevorderen allen die weigeren het beest en zijn beeld te aanbidden; en de derde openbaard verheerlijkend dat net zoals allen die toen trouw stonden , een menigte van zowel hoog en laag leiden om te Hem te erkennen als de Meest Hoge God, zo zullen allen die gehoor geven aan de waarschuwing, niet het beest en zijn beeld te aanbidden, “ blinken als het helderheid van het uitspansel; en die er velen rechtvaardigen , gelijk als de sterren, altoos een eeuwiglijk.” Dan. 12: 1-3. {TN12: 29.2}

29

Hand in hand met de geschiedenis, het zekere woord der profetie,”ons symbool na symbool geleid hebbend, tot door de keizerrijken beginnend met het oude Babylon, en tot de tegenwoordige door de staat geregeerde sektarisch wereld, zal ons zeker door leiden tot het einde der tijden. Wij zijn daarom geconfronteerd, met de logische noodzaak van een ander beest-symbool, een die de godsdienstige-poitieke wereld van morgen voorspeld.

Zonder een symboliek om ons voorbij de wereld van vandaag te dragen, zou het profetische Woord van God niet compleet zijn. Dus omwille van logica, continuïteit en volledigheid, moet deze opeenvolging van beest-symboliek een ander beest bevatten, een die in het bijzonder De Wereld van Morgen zal ontsluieren. Het enige dergelijke symbool dat overblijft is

HET SCHARLAKEN-ROOD BEEST, BEREDEN DOOR BABYLON DE GROTE. {TN12: 30.1}

 “En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren;  Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.

En hij bracht mij weg in een woestijn, in den geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der [gods] lastering, en had zeven hoofden en tien hoornen. En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij. En op haar voorhoofd was een naam geschreven, [namelijk] Verborgenheid; het grote Babylon, de

30

 moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.

En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.

Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.

“ Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.  En het zijn [ook] zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig [tijds] blijven.  En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste [koning], en is uit de zeven en gaat ten verderve.  En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest. Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven. Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.

En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natien, en tongen. En de tien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden. Want God heeft [hun] in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn. En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het

31

Plaatje Blz. 32 Babylon de grote en haar domein, moeder der hoeren.

koninkrijk heeft over de koningen der aarde.” Openb. 17. {TN12: 30.2}

Voor de zichtbare overeenkomst tussen het luipaardachtig-beest en het scharlakenrood beest, moet men erkennen dat de laatste het beeld is van de vorige, zijn dodelijke wonde geheeld zijnde en zijn hoornen ontkroond. De kroonloze hoornen van de laatste tonen aan dat hij de wereld vertegenwoordigd in een tijd waarin er geen gekroonde koningen zijn, maar dat in plaats daarvan de wereld geregeerd wordt door een pauselijk hoofd—de vrouw die het beest berijd. {TN12: 32.1}

32

Bovendien, beduid de bewering, “de tien hoornen… zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest” (Openb. 17: 12) bevestigend , dat de gekroonde koninkrijken van vandaag, die voortvloeiden uit het gevallen Rome, en welke vertegenwoordigd worden door de gekroonde hoornen van het luipaardachtige beest, ontkroond zullen worden, van de troon gehaald. {TN12: 33.1}

De kroonloze hoornen van het scharlakenrood beest, bovendien “hebben enigerlei mening” en “zullen hun kracht en macht aan het beest overgeven,” (vers 13) terwijl de vrouw koninkrijk heeft over de koningen der aarde,” Vers 18. {TN12: 33.2}

Haar zitten op de hoofden (vers 9), geeft aan dat ze de kerken onder haar controle heeft; en haar berijden van het beest geeft aan dat ze de heerser van de wereld is. Dit systeem van aanbidden en regeren is niet een nieuw ding onder de zon, want “in haar  is gevonden het bloed der profeten en der heiligen en al degenen die gedood zijn op de aarde.” Openb. 18 : 24.  Ze wordt daarom terecht genoemd Babylon, de naam van het oudste, het eerste keizerrijk—de type. {TN12: 33.3}

Deze antitypische Babylon, waaruit Gods volk in deze tijd zullen worden uitgeroepen, is evenzo de wereld handel monopoliseren, zoals duidelijk is geopenbaard in de voorspelling dat wanneer haar regering eindigt, dan zal—{TN12: 33.4}

 “… de kooplieden der aarde… wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt; Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van

33

paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen; En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der mensen…

“De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreze van haar pijniging, wenende en rouw makende; En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en [met] kostelijk gesteente, en [met] paarlen;

“Want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.  En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre; 18 En riepen, ziende den rook van haar brand, [en] zeggende: Wat [stad] was deze grote stad gelijk? En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in een ure verwoest geworden.”Openb. 18: 11-13, 15-19. {TN12: 33.5}

Aldus, kort nadat het is opgezet, zal deze federatie van kerk en staat hals over kop in vergetelheid duiken, net als een grote “molensteen” dat in de zee wordt gegooid (vers 21). En het gehuil van haar klagers zal zijn: In een ure is zo grote rijkdom verwoest geworden.”Openb. 17: 12;  18: 10, 17. Dit uur dat de doods worsteling brengt van Babylon, kan geen andere zijn dan datgene welke volgens de parabel van Jezus (Matt. 20: 11-16) het laatste parabolische uur (periode) van de dag (genade tijd) is; dat is, dat van de elfde uur roep voor arbeiders (de laatste

34

boodschap aan de wereld- Mal. 4 : 5)tot het twaalfde uur ( zonsondergang, oude tijdsaanduiding), het einde van de dag—het afsluiten van de evangelie periode ( Matt. 24: 14), het afsluiten van de oogst (Jer. 8: 20), het sluiten van de genade (Openb. 22: 11). {TN12: 34.1}

De “tien hoornen”van het scharlakenrood beest (de leiders die zij een uur overheerst), “ zullen haar” uiteindelijk “ woest maken en naakt  en zui zullen haar vlees eten en zullen haar met vuur verbranden.” Openb. 17 : 16. Dus ten slotte zullen ze haar voor altijd afwerpen en het systeem dat ze symboliseert, het “beeld van het beest” zal  worden vernield. Bij deze weergalmende neerstorting van Babylon, zullen “de koningen der aarde…haar bewenen en rouw over haar bedrijven, … van verre staande uit vrees  van hare pijniging zeggende  Wee, wee de grote stad  Babylon, de sterke stad. Openb. 18 : 9, 10 {TN12: 35.1}

De klaagliederen van de “koningen” tonen aan dat ze meevoelen met haar , terwijl de hoornen haar haten. De “koningen,” kunnen daarom niet diegene zijn die gesymboliseerd worden door de kroonloze hoornen van het beest, maar eerder zij die  gesymboliseerd worden door de gekroonde hoornen van het luipaardachtige beest.  Zij zijn de gekroonde koningen die verrezen na de val van Heidens Rome, en die nu haastig in ballingschap gaan. {TN12: 35.2}

De identiteit van Babylon zijnde een vaak aangesneden onderwerp onder studenten van de Openbaring, doet daarom de noodzaak optreden tot vaststellen:

35

Wie Is de Verpersoonlijking  van Babylon ? {TN12: 35.3}

 Nu het licht volkomen de duisternis verjaagd heeft die lang dit onderwerp heeft omhult, kan de student van profetie duidelijk zien van de symboliek dat in de eerste plaats Babylon het aanstaande pauselijk-politiek-economisch systeem van de naties belichaamd, niet een of ander instituut of organisatie, ten tweede dat de het beest dat ze berijd een voorstelling is van haar grondgebied, en ten derde, dat het zal voorbijgaan van profetie naar geschiedenis–, inderdaad, reeds begonnen is om op te doemen uit nevel, zoals de kust van America voor Christoffer Columbus en zijn kameraden als ze het grote Westerse Continent naderden. {TN12: 36.1}

Het beest dat bereden wordt door de vrouw, Babylon, openbaart duidelijk drie belangrijke waarheden: ten eerste, dat de oproep van Gods volk om uit Babylon te komen (Openb. 18: 4) een roep is voor hun om tussen uit de naties te komen die gesymboliseerd worden door het beest dat ze berijd (overheerst); ten tweede dat de geroepenen uit haar met zonden gevulde grondgebied moeten komen, omdat het vernietigd gaat worden door de plagen; en ten derde hun uitgaan maakt het noodzakelijk dat zij ingaan tot een  plaats  waar de zonde niet bestaat en waar er geen gevaar is van het vallen van de plagen. Aldus moet hun uitkomen uit haar grondgebied hun inkomen in Gods Koninkrijk zijn. {TN12: 36.2}

     De waarschuwing voor het ontvangen van het merkteken, dan (Openb. 14 : 9-11) tezamen met de oproep om uit (haar) te komen, zal herhaald worden meteen buitengewone

36

luide roep door Babylons grondgebied heen. {TN12: 36.3}

       Zowel zij die zich in haar grondgebied bevinden en zij die zich daarbuiten bevinden, moeten dan meteen beslissen om de zegel van God te ontvangen in plaats van het merkteken van het beest, als ze willen ontsnappen aan de toorn van God. Om dit te doen moet de vorige klasse uit haar komen, en de laatste klas moet in haar blijven.  Ondanks de doodstraf voor het inmen van zo een stadpunt (Openb. 13: 15) moet er geen aarzeling of besluiteloosheid zijn aan de kant van welke klasse dan ook. {TN12: 37.1}

Zij die in Babylon zijn moeten acht geven op de Stem die zegt: “Gaat uit haar , Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt.” Openb. 18: 4. En zij die uit zijn moeten nauwkeurig acht geven op de waarschuwing: “Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd of aan zijn hand, die zal ook drinken uit den wijn des toorns Gods die ongemend ingeschonken is in de drinkbeker zijn toorn en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.” Openb. 14: 9, 10. {TN12: 37.2}

Het licht op dit onderwerp zal zich verspreiden als vuur in stoppels, totdat het uiteindelijk de hele aarde verlicht (Openb. 18 : 1) en allen die in haar felle gloed wandelen, zullen hun namen geplaatst hebben in het Boek des Levens van het Lam. Zij zullen bevrijding vinden van de laatste besliste poging van de Vijand om de wereld te doen duiken in

37

 een bodemloze put van eeuwige ondergang. Voor hun zegt de engel, “zal Michael opstaan, de grote Vorst, die voor de kinderen uws volks staat…en in die tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.” Dan. 12 : 1. {TN12: 37.3}

De symboliek,leidt nu tot

DE EINDFASE VAN DE BEESTEN. {TN12: 38.1}

PLAATJE : DE GESCHIEDENIS VAN DE WERELD IN PROFETISCHE SYMBOLEN

De beesten van Daniel 7 en het luipaardachtig beest van Openbaring 13, kwamen op uit

38

de zee, maar het twee-hoornig beest kwam op uit de aarde ( vers 11), en het scharlakenrood beest stond in de wildernis (Openb. 17: 3). Om dus de geografische locatie te vinden van elk regerend beest, is het noodzakelijk om eerst de symbolische betekenis van de “zee,” de “aarde,”en de “woestijn” vast te stellen. {TN12: 38.2}

“De Zee”

Lokaliseert het Territorium van de Vijf Beesten.

Aangezien in het rijk van de natuur, de zee de voorraadschuur, (thuis) van de wateren is, moet de “zee”,  daarom in het rijk der symbolen, de geboorteplaats zijn van de naties- het Oude Land. De vijf beesten (de leeuw, beer, luipaard, en het niet te beschrijven beest, tezamen met het luipaardachtige beest) komend uit de zee, geeft aan dat ze koninkrijken vertegenwoordigen die verrezen zijn uit het Oude land, precies zoals de geschiedenis bevestigd. {TN12: 39.1}

Aangezien de zee het grondgebied van deze beesten lokaliseert, lokaliseert vanzelfsprekend, dan

“De Aarde”

Het Domein van het Twee-Hoornig Beest. {TN12: 39.2}

Daar de geboorteplaats van de naties is gesymboliseerd door de zee, dan lokaliseert de “aarde” het tegenovergestelde van de “zee” het domein van het twee-hoornig beest, weg van het Oude Land. Maar om precies erachter te komen voor welk van de regeringen van de Nieuwe landen het

39

staat, moeten we de kenmerkende eigenschappen van het beest zelf overwegen. {TN12: 39.3}

Zijn twee kroonloze hoornen tonen twee niet Koninklijke heersers aan, terwijl hun lam-achtige voorkomen, jeugdige onschuldigheid voorspeld. En zijn hebben van de macht om te commanderen, wie zal kopen en wie niet zal kopen, toont aan dat hij een natie vertegenwoordigt dat voorgaat(leid) in het beheersen van het welzijn en de industrie van de wereld. {TN12: 40.1}

De Verenigde Staten van America is de enige regering in de wereld dat aan als deze voorwaarden voldoet. Het is ontstaan in een nieuwe wereld ( “de aarde”), niet in de grondgebieden van de oude wereld (“de zee”). Het is de enige regering die lam-achtig is—jeugdig en Christelijk, gevestigd op de onschuldige principes van vrede en vrijheid, hebbend twee niet –Koninklijke regerende partijen (kroonloze hoornen), de Republikeinen en de Democraten. {TN12: 40.2}

Aangezien de symbolische “zee”en “aarde” gelijk met de kenmerkende eigenschapen van de beesten, perfect het verblijf van elk beest lokaliseren, evenzo lokaliseert

“De Woestijn”

Het Domein van het Scharlaken Rood Beest. {TN12: 40.3}

Tegenover elkaar stellend , is een woestijn het tegenovergestelde van een wijngaard. En aangezien een wijngaard figuurlijk het huis van Gods volk is ( Jes. 5), kan de woestijn alleen het

40

 huis van de heidenen vertegenwoordigen. Het zijn van het beest in de woestijn, geeft aan dat tegen de tijd dat het komt te ontstaan, er een wijngaard is. Vanzelfsprekend, zou het overbodig zijn om “een woestijn” aan te geven, als de hele wereld een woestijn is. {TN12: 40.4}

(Voor volledige details, met betrekking tot deze symbolische beesten, lees De Herderstaf, deel 2.) {TN12: 41.1}

De zekerheid dat beiden de wijngaard en de woestijn tegelijkertijd bestaan, toont ten eerste aan dat Babylon, rijdend (heersend) op het beest, alleen regeert over de woestijn (Heidense wereld) ; en ten tweede dat van daaruit Gods volk geroepen worden om in de wijngaard te gaan ( het Koninkrijk hersteld), waar er geen zonden zijn en waar er geen angst is voor hun voor het ontvangen van de plagen. Van dit Koninkrijk van veiligheid schrijft de profeet Daniel: {TN12: 41.2}

“Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken, dat in deer eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen en te niet doen maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.” Dan. 2 : 44. {TN12: 41.3}

Het onderwerp van de wijngaard, nu maakt de analyse noodzakelijk van

41

DE VROUW GEKROOND MET TWAALF STERREN EN HAAR OVERBLIJFSEL. {TN12: 41.4}

 (een ware kerk in alle eeuwen)

Het bewijst zichzelf dat de vrouw Babylon de vervalsing is van de “vrouw” die de Zoon van God voortbracht (Openb. 12: 1), van wie de Schriften zeggen: {TN12: 42.1}

En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd,

42

 die het manneke gebaard had. En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen van een grote arend, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd en tijden en een halve tijd, buiten het gezicht der slang.” Openb. 12 : 13,14. {TN12: 42.2}

Om te beginnen, zien we van dit schriftgedeelte dat de vrouw haar wijngaard verliet (vaderland-Palestina) en de Heidense wereld inging nadat haar kind was geboren; dat is in haar Christelijke periode, toe de draak haar vervolgde door de tussenkomst van de Joden (Hand. 8: 1; 13: 46, 50,51). Vervolgens zien we dat nadat ze voor een tijdje daar was, de omstandigheden zo werden dat ze haar verhinderden om verder zichzelf te voeden, en dat het daardoor nodig was dat ze gevoed werd door iemand “een tijd, tijden en een halve tijd.” {TN12: 43.1}

Drie en een half jaar na Christus zijn opstanding, verliet de kerk Palestina ( de wijngaard, en terwijl ze in de heidense wereld (de woestijn) was, “wierp de slang uit haar mond water als een rivier achter de vrouw, (dwong de heiden om gedoopt te worden in de Christelijkheid en zich bij de kerk te voegen),  opdat zij haar door de rivier zou doen wegvoeren (ongelovig maken).” Vers 15.

Terwijl ze overstroomd was, moest ze gevoed (onderhouden) worden door de Heer, want vele van haar volgelingen waren ongelovig gemaakt geworden, en haast allen van hen die dat niet waren, werden ter dood gebracht door de “overstroming.” Dus als Hij haar niet gevoed had (in leven gehouden had), door een wonder, zou de Kerk gedurende deze Duistere eeuwen van godsdienst zijn

43

vergaan. Het is waar, ze is in staat geweest om zichzelf te voeden sinds de Reformatie, maar de onbekeerden (rivier) zij nog steeds in haar midden. Ze heeft echter, de belofte van redding: {TN12: 43.2}

“En de aarde kwam de vrouw te hulp en de aarde opende haar mond en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.” Vers 16 {TN12: 44.1}

Of letterlijk gesteld, de onbekeerden die nu temidden van de kerk zijn, zullen geslacht en begraven worden. De bekeerden zullen dan gebracht worden in het Koninkrijk. Dan zal de draak “vergrimmen op de vrouw en… krijg voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben.” Vers 17. {TN12: 44.2}

Aangewakkerd tot razernij over haar zuivering, zal de draak oorlog voeren “met het overblijfsel van haar zaad.” Tegen haar persoonlijk, zal hij echter geen oorlog voeren, want haar zegsmannen, de 144.000 (de eerste vruchten—Openb. 7: 3-8; 14: 4), zij die het eerst in het koninkrijk gaan, staan met het Lam, de Koning, op de berg Zion (Openb. 14 : 1), Zijn Paleis terrein. Omdat zij de heersers van de stammen zijn, worden zij gesymboliseerd door de gekroonde vrouw. En daar ze in hun eigen land zijn, worden ze beschermd tegen de draak die derhalve alleen het “overblijfsel”, vervolgt,  zij die achtergelaten zijn, die nog steeds in Babylon zijn, maar die uiteindelijk uit haar worden geroepen. (Openb. 18: 4) {TN12: 44.3}

44

   ( Voor meer bijzonderheden over Openbaring 12, lees The Shepherd’s Rod, Vol. 2, pp 64-82.) {TN12: 45.1}

De eerste vruchten van het koninkrijk komen als resultaat van de schudding, de scheiding in de kerk, zoals is aangetoond door de gelijkenissen van het net en van het veld: De goede vissen worden verwijderd vanuit het net (de kerk), en geplaatst in vaten ( het koninkrijk—Matt. 13 : 48), en het tarwe wordt gehaald tussen het onkruid uit, en wordt geplaatst in de schuur ( het koninkrijk—vers 30). Als slechte vissen worden ze weggegooid; als onkruid, worden ze verbrand. (Voor een gedetailleerde studie over de oogst, lees traktaat no. 3, Het oordeel en de oogst.) {TN12: 45.2}

De tweede vruchten, echter, zij die nog steeds in Babylon zijn na de zuivering, worden gehaald tussen de slechten, (Openb. 18 : 4), in plaats van de slechten tussen de goeden uit (Matt. 13 : 49). {TN12: 45.3}

Het oorlog voeren van de draak tegen hen is veroorzaakt doordat zij het Getuigenis van Jezus hebben, de Geest der Profetie ( Openb. 19: 10), door geboden-houders te zijn geworden, in plaats van aanbidders van het beest en zijn beeld. Het doel van de draak is om hem te weerhouden van uit Babylon te komen en dus van in te gaan in het snel groeiende Koninkrijk. Dan is het echter, dat de wereld al Gods volk zal aanschouwen komend

45

      Uit Babylons Grondgebied In Haar Eigen Land. {TN12: 45.4}

Nu de waarheid duidelijk vastgesteld is dat het scharlaken rood beest het symbool is van het grondgebied waarover “Babylon de grote, de moeder der hoeren,” regeert volgt het dat haar grenzen zich zo ver zullen uitbreiden als de grenzen van de naties die neerbuigen voor haar macht. Vandaar dat de roep “Komt uit haar Mijn volk, dat u geen geel hebt aan haar zonden en dat u niet ontvangt van haar plagen” (Openb. 18: 4) een roep is voor hen om uit haar grondgebied te gaan, dat ze niet haar zonden delen, noch ontvangen van her plagen. Zij die gehoor geven aan De Heer zijn bevelen, moeten vanzelfsprekend, een zonde vrije plaats hebben om heen te gaan, waar ze “veilig” mogen “verblijven” hoewel er “geen muur noch grendel” eromheen zijn (Ezech. 38: 11). Naar deze haven zullen ze “vergaderd worden uit vele volken en zullen zij allemaal zeker wonen.” Ezech. 38: 8. “En al uw kinderen zullen van den Here geleerd zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.”

Jes. 54: 13. {TN12: 46.1}

    Gods volk kan in die tijd de Heer niet meer dienen in “Babylon” en in “Egypte” dan ze konden in de dagen van Ezra of van Mozes, want wanneer de plagen worden uitgegoten op Babylon, zoals het “vuur en zwavel”

werd uitgegoten over Sodom en Gomorrah, als ze nog zouden leven temidden van de wereldlingen, zouden ze niet meer kunnen ontsnappen aan de schade van de plagen dan dat Lot het vuur

46

zou kunnen overleven, als hij was gebleven in Sodom.

 “En het zal” daarom “geschieden in de laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heren zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen en tot dezelve zullen alle Heidenen toe vloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen; Komt, laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de God van Jakob,opdat Hij ons lere, van zijn wegen, en dat wij wandelen in zijn paden; want uit Zion zal de wet uitgaan, en des Heren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten onder de heidenen en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.”Jes. 2: 2-4. ( Lees ook Jes.11: 11, 12, 15, 16.) {TN12: 47.1}

“…Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land; En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te samen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. En zij zullen zich niet meer verontreinigen

47

met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. {TN12: 47.2}

En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te samen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. {TN12: 48.1}

En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid” Ezech. 37: 21-28. {TN12: 48.2}

Ter bevestiging van de waarheid dat Gods volk weer een koninkrijk gaan worden profeteert Ezechiel van

Een Nieuwe Verdeling van het Land. {TN12: 48.3}

 De profeet presenteert een verdeling van het land totaal verschillend van dat van de tijd van

48

Josua (Josua 17); Van het oosten tot het westen zal het in stroken. Dan zal het eerste gedeelte hebben in het noorden en Gad het laatste gedeelte in het zuiden. Tussen de grenzen van deze twee zullen de gedeelten van de rest van de stammen zijn Het heiligdom zal zijn in het midden van het land en aangrenzend zal de stad zijn. (Zie Ezech. 48.) {TN12: 48.4}

Het feit dat zo een verdeling van het beloofde land nooit gemaakt is geworden, toont aan dat het nog in de toekomst ligt. Ook het feit dat het heiligdom daar zal zijn, terwijl het niet op de nieuwe aarde zal zijn ( Openb. 21: 22) bewijst bevestigend dat deze unieke opstelling voor de duizend jaar is. Het tweevoudige feit, bovendien, dat de naam van de stad “De Heer is daar ,”is en dat haar locatie, volgens de verdeling van het land, noodzakelijkerwijs anders moet zijn als dat van het oude Jeruzalem, toont aan dat het huidige Jeruzalem, niet die stad is. {TN12: 49.1}

Bovendien wijzen de Schriften duidelijk dat

DE HEIDENEN UIT HET HEILIGE LAND ZULLEN WORDEN UITGEDREVEN. {TN12: 49.2}

En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen. En ik zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israel en Jeruzalem verstrooid hebben. En de HEERE toonde mij vier smeden. Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te

49

werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien. Zach. 1 : 18-21. {TN12: 49.3}

Hier zien wij, eerst dat de heidense krachten in hun verstrooiing van Gods oude volk, vertegenwoordigt worden door vier hoornen, en later in hun uitwerping van de heidenen, ze vertegenwoordigt worden door vier timmermannen. Aldus is het ook geïllustreerd voorspeld, “Jeruzalem zal van de heidenen [alleen] vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.” Lukas 21 : 24. {TN12: 50.1}

(Lees Ezechiel 36 en 37; Jeremiah 30 en 31.) {TN12: 50.2}

Alhoewel onze eerste vraag zou moeten zijn, “ Wat zullen we doen om het geven van loyaliteit aan de vijanden van God te voorkomen, om zodoende waardig geacht bevonden te worden voor een plaats in Zijn koninkrijk, wanneer deze kwade tijd zal komen?” maakt de meerderheid toch nog tot zijn eerste vraag,

Wie is Gog ? {TN12: 50.3}

Iemand die probeert op zijn eigen krachten uit te leggen wie Gog is, probeert het onmogelijke te doen.–onderneming die alleen in teleurstelling zal resulteren. Dit wordt gezien in het feit dat alhoewel de Bijbel duidelijk stelt dat de plaats voor dorpen zonder muren in de bergen van Israel is,–het eigen land van Israel (Palestina), waar de vaderen van de Israelitische naties vertoefden, heeft de mens toch gepoogd ons te vertellen dat het in Amerika

is ! {TN12: 50.4}

Daarom is het dat in hun eigen kunstigheid

50

DE HEER DE NATIES ZAL BESCHADIGEN EN OORDELEN. {TN12: 50.5}

“En de inwoners van de steden van Israel zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren; zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken ; en zij zullen beroven degenen die hun beroofd hadden en plunderen die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere, Heere.

“En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, et dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen, en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte en zullen het noemen; Het dal van Gogs menigte. Het huis Israels nu al hen begraven om het land te reinigen zeven maanden lang. Ja, al het volk des lands zal begraven en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere Heere.

“ Daarom zo zegt de Heere Heere; Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over mijnen heilige naam; Als zij hun schande zullen gedragen hebben en al hun overtreding met welke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was die hun verschrikte. Als Ik hen zal hebben weder gebracht uit de volken en hen vergadert zal hebben uit de landen hunner vijanden en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele Heidenen; dan zullen zij weten dat Ik de Heere hun God ben, terwijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weer verzameld in hun land en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten. En Ik zal mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik min Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere, Heere.” Ezech. 39: 9-13, 25-29.

51

“Want ziet, in die dagen en te dien tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege mijn volk en mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid en mijn land gedeeld.

“Roept dit uit onder de heidenen, heiligt  een krijg wekt de helden op , laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden. Slaat uw spaden tot zwaarden en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held. Rot te hoop, en komt aan alle gij volken van rondom, en vergadert u! O Heere, doe uwe helden derwaarts nederdalen. De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.” Joel 3 : 1, 2, 9-12. {TN12: 52.1}

“En voor hem zullen al de volken vergaderd worden en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En hij zal de schapen tot zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot zijn linkerhand. Alsdan zal de Koning zegen tot degene die tot zijn rechterhand zijn Komt ge gezegenden mijns Vaders! Beërft dat koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.” Matt. 25 : 32-34. {TN12: 52.2}

Maar aan hun die aan Zijn linkerhand zijn zal Hij zeggen: “En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”Matt 25 ; 46. {TN12: 52.3}

( Voor een volledige studie van het Koninkrijk lees traktaat nr. 8. De berg Zion omstreeks het elfde uur en traktaat nr. 9. Zie Ik maak alle dingen nieuw. p. 40-64) {TN12: 52.4}

Dit zijn een paar van de toekomstige gebeurtenissen die spoedig zullen volgen in een snelle opeenvolging bij het inluiden van het koninkrijk. Dan volgt

52

 het sluiten van de genadetijd, en het uitgieten van de zeven laatste plagen, welke zullen vallen op hen die figuurlijk staan aan Zijn linkerhand—zij die buiten Palestina zijn. Dan zal terwijl de plagen vallen, het machtigste van alle gevechten gevochten worden, “ de strijd van de grote dag van de Almachtige God, “—het lang verwachte einde van de wereld, –de Armageddon (Openb. 16 : 12-16). {TN12: 52.5}

Terugkerend naar onze tegenwoordige wereldcrisis, aangezien, zoals eerder genoemd, de gekroonde koningen van vandaag (Openb. 13) reeds tot een handje vol zijn afgenomen, en aangezien de kerken in hun roep voor vrede en veiligheid, trachten elkaars handen vast te grijpen, zouden wij er wijs aan doen om nu een onderzoek in te stellen in

HUIDIGE GEBEURTENISSEN DIE MOGELIJK PROFETIE IN VERVULLING DOEN GAAN. {TN12: 53.1}

Om dat de twistappel onder de kwade naties van vandaag, de wereldmarkt is, en omdat de kerken bedreigd worden door de totalitaire regeringen, en zodoende ertoe gedreven worden om zich bij elkaar te voegen om het Christendom te behouden, is het feit hierbij bewezen, dat de tijd nabij is voor het arriveren van de voorspelde wereldwijde godsdienstig – politiek – commercieel keizerrijk, het veronderstelde remedie voor de ziekten van de wereld. {TN12: 53.2}

Nu wordt gezien dat de profetie van Openbaring 17 en 18, de slotscène in het drama gespeeld door de naties, zal worden opgevoerd. {TN12: 53.3}

53

De oorlog voerende naties zijn reeds verdeelt in twee aparte ideologische kampen: Aan de ene kant zijn de democratische regeringen, terwijl aan de andere kant de niet-democraten zijn. Als de laatstgenoemden succesvol voortgaan om hun meedogenloze verovering voor wereld heerschappij en onafhankelijkheid te vervolgen, zal de enige zegevierende uitweg voor de Christelijke naties, als ze menselijkerwijs hun toestand aanschouwen, zijn om hun macht aan de kerk over te geven. Want om katholiek tegen katholiek te plaatsen, en Protestant tegen Protestant, in een dodelijk gevecht, zullen zij in doodsangst geïnspireerd worden om het beest te zadelen, en de kerk als haar berijder te herbevestigen, om zodoende zichzelf te bevrijden van de ketenen van de niet-democraten, en om het Christendom veilig te stellen. Ze zullen de overwinning zien in deze strategie, als het hun in de oorlog niet gegeven is, om de meest duidelijke reden dat vele van de miljoenen communicanten van deze kerken, in ieder leger van de bondgenoten van de totalitaire staten in het conflict, de bevelen van de kerken zullen eren, boven die van hun respectievelijke regeringen. {TN12: 54.1}

Zulk een combinatie van omstandigheden zal resulteren in een reproductie van de internationale kerk-en-staat regel van de Donkere Middeleeuwen, en zal bijdragen aan de schroot hoop van ’s werelds fijnste instrumenten van menselijke vrijheid- de goddelijke geïnspireerde Grondwet van de Verenigde Staten van Amerika. Aangezien deze ontwikkeling de ziekten van de wereld erger zal maken, zal het opvallen dat de vier engelen,

54

de winden hebben los gelaten, en dat de 144.000 Israelieten verzegeld zijn. (Openb. 7: 3-8). {TN12: 54.2}

En meer nog, een systeem dat op straffe van de dood van non conformiteit, een vorm van aanbidding in schending van het geweten zal afdwingen, is alles behalve Democratisch en Christelijk. Opgedrongen godsdienst is niets minder dan een bevel om onderdanen te doen kruipen, in plaats van een bevel tot vrijwillige leerlingen. {TN12: 55.1}

De snel vallende gekroonde koningen van de naties (gesymboliseerd door de gekroonde hoornen van het luipaardachtige beest) in tegenstelling tot de stijgende kroonloze leiders van de naties ( gesymboliseerd door de kroonloze hoornen van het scharlaken rood beest) , tonen aan dat de wereld voortgaat uit de periode van de Koninklijk  gezindte regeringen in de periode van de niet Koninklijk gezindte regeringen. {TN12: 55.2}

Een ten val brengen van de democraten door de niet-democraten zal de voortzetting van een nationalistische Christendom in gevaar brengen. Om deze storm te weerstaan, zullen de Christelijke regeringen spoedig op het beest zitten, de voorspelde koningin van de wereld—Babylon de Grote. Dan zal ze in haar hart zeggen: “ Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe en zal geen rouw zien.”Openb. 18: 7. {TN12: 55.3}

Deze eenheid van kerk en staat zal een “tijd der benauwdheid brengen zoals er nooit een geweest was, sinds er een natie was.” Dan. 12.1  Desondanks, “wie zijn leven zal willen behouden (beschermen)”, door de waarheid op te offeren, “zal het verliezen,”zegt Christus, “en wie zijn leven verliezen zal (riskeren), om Mijnentwil” door standvastig

55

 te staan voor de waarheid, “ die zal het vinden.”Matt. 16: 25. En de profeet verklaart dat “Te dien tijd , zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volk staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is , tot op dezelfde tijd toe; en te dien tijd zal uw volk verlost worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek…..Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt  en gelouterd worden, doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.”Dan. 12 1, 10. {TN12: 55.4}

Zonder Christus kan geen enkel systeem de knoop van de wereld ontraffelen, maar kan de knoop alleen maar erger maken. Babylon de grote, kan het daarom dus slechts een korte tijd volhouden, –een symbolisch “uur”—and dan zal ze weggevaagd worden door de kroonloze hoornen (Openb. 17: 16), de resulterende tijd der benauwdheid uiteindelijk zijn hoogte punt doen bereiken in het beëindigen van de genadetijd en in de overwinning en kroning van de “KONING DER KONINGEN EN DE HEER DER HEREN” (Openb. 19: 16) Wiens recht het is om te regeren. {TN12: 56.1}

Zo zal het zijn dat “in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden,” maar “het zal in alle eeuwigheid bestaan.”Dan. 2 : 44.

“Voorwaar ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.”Matt 24: 34. Dan en pas dan mag de wereld vrede verwachten. {TN12: 56.2}

56

Aldus verklaart ”het zekere woord der profetie, “ die nooit tekort schiet om de waarheid te vertellen dat noch Engeland, noch Duitsland, maar eerder Babylon de Grote, ( het beeld van het beest) uiteindelijk, voor een korte tijd, voordeel hebben aan de oorlog. Niemand anders dan Gods volk zal echter voor altijd voordeel hieruit halen. Ze zullen vrij gemaakt worden door “een koninkrijk” te worden, welke nooit vernietigd zal worden” of “aan een ander volk overgelaten worden.” Dan 2: 44. {TN12: 57.1}

Hoe noodzakelijk is het dan dat we het licht dat tot zover in ons verstand is geschenen door het nooit falende Woord der Profetie en haar historische vervulling vast houden, zodat wij niet alleen mogen afwijken van het pad dat tot vernietiging leidt, maar ook mogen wandelen op het pad van eeuwige zekerheid. In het verlengde hiervan, laten wij een hoofdstuk van de Bijbel in beschouwing nemen, welke altijd studenten van de profetie heeft verbijsterd, maar welke nu in het licht van de Tegenwoordige Waarheid, een van de meest eenvoudige en begrijpelijke Bijbelse profetieën, is geworden: {TN12: 57.2}

DANIEL ELF—DE SAMENVATTING.

“Datgene wat opgetekend staat in de Geschriften.”

“En nu, ik zul u de waarheid te kennen geven; ziet er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk Griekenland. Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal en hij zal doen naar zijn welgevallen. En als hij zal staan zal zijn rijk gebroken  en in de vier winden des hemels verdeeld worden maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn  heerschappij, waarmee hij heerste,

57

want zijn rijk zal uitgerukt worden en dat voor anderen dan deze.”Verzen 2-4. {TN12: 57.3}

Het is duidelijk van deze verzen dat het Medo-Perzische Keizerrijk, ondergeschikt was gemaakt aan de “machtige koning” van Griekenland (Alexander

58

 de Grote), en aansluitend verdeeld te worden in vier delen (naar het zuiden, naar het noorden, naar het oosten en naar het westen), “uitgerukt , en dat voor anderen.” Zo was het dat na Alexander’s dood, het rijk opgesplitst werd, “en een deel toegewezen werd aan elk van de vier generaals die deel uitmaakten van de divisie. Eerst nam Ptolemy de Koninklijke macht over in Egypte; ten tweede, Selecus in Syrie en Noordelijk Azie; ten derde Lysimachus in Thrace en Klein Azie tot aan Taurus; en ten vierde nam Cassander als zijn deel Macedonie.”—Universal History, p. 100. {TN12: 58.1}

Het is juist om te gedenken dat naast het vaststellen van de geografische locaties van de vier Griekse divisies, het profetisch verslag van de gehele opeenvolging van gebeurtenissen is toegewijd aan de koning van het Zuiden en de koning van het Noorden. De handelingen van de koning van het Noorden echter, zijn speciaal benadrukt, tonend dat de gehele profetische weergave in het bijzonder is gegeven om het zich inlaten met heilige dingen bloot te leggen. Dientengevolge volgt een opsomming van sommige van

De Identificerende Handelingen van de Koning van het Noorden. {TN12: 59.1}

  • Hij verslaat de Koning van het Zuiden, en pakt zijn koninkrijk af

      (verzen15, 16), waarna hij staat in het “sieraad land” (vers 16)

  • {TN12: 59.2}
  • In de heerlijkheid van het koninkrijk, zal een geldeiser opstaan

           (vers 20). {TN12: 59.3}

59

  • Zijn koninkrijk is “overstroomd”met een overstroming van voor

      zijn aangezicht (vers 22), en hij raakt Egypte en Palestina kwijt. {TN12: 60.1}

  • Daarna pleegt hij bedrog en wordt gesterkt met een weinig volk

(vers 23). {TN12: 60.2}

  • Hij vleit hen die goddeloos handelen voor hun goddeloosheid

( vers 32). {TN12: 60.3}

  • Hij verdeelt het land voor gewin (vers 39). {TN12: 60.4}
  • Hij wordt wederom sterk, de tweede keer, doch wordt verslagen door

de Koning van het Zuiden (verzen 25, 29, 30). {TN12: 60.5}

  • Beide koningen spreken leugens aan een tafel (vers 27) {TN12: 60.6}
  • Wederom sterk geworden de tweede keer, en verwikkeld geraakt in

oorlogen die niet succesvol waren, met de koning van het Zuiden, richt hij zijn hart nu tegen het heilig verbond (vers 28). {TN12: 60.7}

  • Hij ontheiligd het heiligdom van sterkte en neemt het gedurige offer

weg (vers 31) {TN12: 60.8}

  • Hij geeft geen acht op de goden van zijn vaderen (vers 37), erkent een

een vreemde god (vers 39) en geeft geen acht op de begeerte van vrouwen (vers 37). {TN12: 60.9}

     (12)En op het de tijd van het einde , zal hij de koning van het Zuiden

           opnieuw verslaan, en in het land gaan, ze overstromen en

           doortrekken, (vers 40); en wederom staan in het sieraad land. Dit

           volgend zullen Edom en Moab en de eerstelingen van Ammon uit

           zijn hand ontkomen (ver 41); en

60

           Lybie en de Mooren zullen in zijn

           gangen wezen. (vers 43). {TN12: 60.10}

      (13)Geruchten uit het oosten en uit het Noorden zullen hem

            verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om

           velen te verdelgen en te verbannen (vers 44). {TN12: 61.1}

       (14) Hij zal de tenten van zijn paleis, planten tussen de zeeën aan de

              berg der heiligen sieraad; en hij zal tot zijn einde komen  en zal

              geen helper hebben. {TN12: 61.2}

Beginnend met het oude Medo-Perzische Rijk (verzen 2, 3), reikt de opeenvolging van deze profetie tot aan de tijd dat de “koning van het Noorden de tenten van zijn paleis plant tussen de zeeën aan de berg der heiligen sieraad” (vers 45), en bereikt zijn hoogtepunt, zoals de engel verklaart met de gebeurtenissen van Daniel 12: “En te dien tijd zal Michael opstaan , die grote vorst die voor de kinderen uws volk staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal als er niet geweest is, tot op deze tijd toe, en te dien tijd zal uw volk verlost worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.” Dan 12: 1 {TN12: 61.3}

De heerschappij van de koningen wiens geschiedenis te boek is gesteld in deze profetieën, die zo een lange tijdsperiode beslaat, vele eeuwen, is duidelijk voorbij gegaan onder

Een Aantal Regimenten. {TN12: 61.4}

Als we zien dat geen mens voortleeft door de eeuwen heen, is het

61

 overduidelijk dat de titels, “koning van het zuiden” en “koning van het noorden,” toepasbaar zijn op twee lijnen van heersers. Als we zien dat ook geen regering of koninkrijk ongeschonden heeft gestaan door de eeuwen heen, is het eveneens duidelijk dat deze twee lijnen vele vervangingen van

62

vorsten hebben ondergaan –vele regimenten. Om deze reden, onderscheid de Bijbel ze door hun lineair – geografische titels. {TN12: 61.5}

Het is nu duidelijk door de Geschriften, dat de Griekse divisie ten zuiden van de Mediterranen , de Ptolomeïsche eerst de titel, “koning van het zuiden,” ontvangt, terwijl de divisie ten noorden van de Mediterranen, de Lysimachiaanse, eerst de titel “koning van het noorden,” ontvangt. Met betrekking tot de grondgebieden van deze twee lijnen van heersers, wordt de Mediterranen daarom het punt van de kompas waarvan daar ze beschouwd moeten worden. {TN12: 63.1}

In 281 BC., voegde Lysimachus, Cassander’s grondgebied tot de zijne; dan in 279 BC., versloeg Seleucus, Lysimachus en pakte zijn koninkrijk af, waarop de oostelijke, de noordelijke en de westerse divisie een werden, terwijl Ptolemy zijn eigen, de zuidelijke divisie behield. De Seleucische dynastie, overheerste daarom in de tweede noordelijke regiment, terwijl de Ptolomeishe dynastie voortging om de eerste zuidelijke regiment te zijn. {TN12: 63.2}

Tot dit punt, is het profetische visioen open geweest voor allen, maar van hieruit is het gesloten geweest, hoewel velen getracht hebben het te openen. Om een gesloten deur te openen zonder een sleutel, betekend vanzelfsprekend de deur openbreken. Maar aangezien het onbreekbaar is, is het onmogelijk de gesloten deur der Profetie te openen zonder

De Sleutel. {TN12: 63.3}

De eenvoudige en positieve manier om niet het zicht op de identiteit van deze twee koningen kwijt te raken is,

63

 om de pen der Profetie op de kaart van de geschiedenis de opeenvolgende heersers van Egypte en Palestina te traceren. Want de titels van de koningen die deze oude landen overwonnen en kwijtraakten zijn te boek gesteld in dit profetische hoofdstuk om de identiteit te bewaren en de kwade bedoelingen bloot te leggen, van beide, de koning van het zuiden en de koning van het noorden. {TN12: 63.4}

Onthoud nu, om te beginnen, dat de koning van het zuiden het “sieraad land”, Palestina regeert, tezamen met Egypte en de koning van het noorden neemt het sieraad land twee keer in bezit (verzen 16, 41). Als hij het twee maal neemt dan moet hij het een keer kwijt zijn geraakt. Derhalve hebben beide koningen het twee maal geregeerd en twee maal kwijtgeraakt. Maar de koning van het noorden, die het het laatst regeerde, regeerde het “in de tijd van het einde,” de tijd dat velen zullen naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigt worden (Dan 12: 4)—onze tijd. Noteer dit nauwkeurig , want deze afwikkelingen van het land bieden de sleutel tot de identiteit van deze koningen van de tijd van Alexander’s dood tot onze tijd. {TN12: 64.1}

De engel verklaart nadrukkelijk dat de koningen die Palestina zullen regeren, tezamen met Egypte, als volgt zouden zijn: Eerst de koning van het zuiden (Ptolomy); ten tweede de koning van het noorden ( Heidens Rome); ten derde, de koning van het zuiden (Turkije) en ten vierde de koning van het noorden (Engeland). Hier in de volgende vijf en twintig bladzijden, zijn de details van profetie in verband gebracht met de geschiedenis. {TN12: 64.2}

In het licht van deze voorgaande fundamentele feiten, zouden wij nu in staat

64

moeten zijn om op de juiste wijze het uitvouwen van de boekrol te evalueren, en om verstandelijk de bladzijde van profetie te vergelijken met de bladzijde van de geschiedenis als wij voorbij gaan aan de tijd van het eerste noordelijke regiment, dat van de Lysimachianen, en voorbij de tijd van het tweede noordelijke regimenten, dat van de overwinnende Seleucidaeanen, die de Lysimachiaanse dynasty onderwierp en verder tot aan de tijd van het derde noordelijke regiment, dat van Rome de macht die het Seleucidaense koninkrijk omver wierp. En aangezien de profetische beschouwing gegeven was om het werk van de koning van het noorden gedurende het derde regiment bloot te leggen, worden we daarom geleid, om de daarvoor genummerde groep van profetische handelingen zoals aangetoond in bladzijden 59-61 te onderzoeken. {TN12: 64.3}

(1)

Noord Verslaat Zuid—Neemt Egypte en Palestina Over.

En de koning van het Noorden zal komen en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja er zal geen kracht zijn om te bestaan. Maar hij, die tegen hem komt zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.” Verzen 15, 16. {TN12: 65.1}

Dit schriftgedeelte brengt ons absoluut naar de tijd van het derde regime in het koninkrijk van het noorden, dat van Heidens Rome, welke het eerste regime van de koning van het zuiden, dat van de Ptlomaische dynasty  totaal omver wierp. Egypte en Palestina gingen toen

65

van de handen van de koning van het zuiden (Ptolomy) in de handen van de koning van het noorden (Rome): “In het jaar 63 B.C. marcheerde de Romeinse generaal Pompey….. tegen Jeruzalem…… Syrië ….was een Romeins ding geworden.”—The Battleground, door Helaire Belloc. En in 31 B. C. “ werd Egypte  een Romeinse Provincie.”—New Student’s Reference Book. {TN12: 65.2}

Aangezien de macht die de Ptolemaische dynasty omver wierp en Egypte en Palestina nam, door de engel geïdentificeerd is  als de koning van het noorden, en aangezien Heidens Rome die macht was, volgt het dat de titel ,”koning van het noorden,” nadat het van Lysimachus ging (die regeerde over het eerste noordelijke regime), naar Selecus (die regeerde over het tweede noordelijke regime), en viel op de Romeinse keizers ( die regeerden over het derde noordelijke regime). Zie Kaart 4, p. 17. {TN12: 66.1}

Met deze opeenvolgingen van regimes, worden we teruggebracht naar ongeveer 31 B.C. te welke tijd Rome niet alleen regeerde over het grondgebied van Lysimachus, Selecus en Ptolemy, maar ook over het grondgebied van Cassander—Alexander’s totale keizerrijk. {TN12: 66.2}

(2)

In de Heerlijkheid van het Koninkrijk

En in zijn staat zal er een opstaan doende een geldeiser doortrekken in Koninklijke heerlijkheid.” Vers 20. {TN12: 66.3}

Augustus Caesar, de Romeinse keizer, is degene die belasting oplegde aan de wereld:

66

“En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er geen gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden. Deze eerste beschrijving geschiedde als Cyrenius over Syrië stadhouder was. En zij gingen allen om beschreven te worden een ieder naar zijn eigen stad. En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth naar Judea tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt omdat hij uit het huis en geslacht van David was.” Lukas 2 : 1-4. {TN12: 66.4}

Daar deze geldeiser zou staan als het koninkrijk in haar heerlijkheid was, verondersteld de bewering dat haar heerlijkheid zou afnemen. {TN12: 67.1}

(3)

Overstroomd met een overstroming—Raakt Egypte en Palestina Kwijt

En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden en ook de vorst des verbonds.” Vers 22. {TN12: 67.2}

Hier wordt het opbreken van het Romeinse rijk getoond, door handen van de barbaarse horden, die het weg vaagden en als een overstroming overvloeiden. Zie kaart 8. {TN12: 67.3}

(4)

Wederom Opstijgen naar de Macht

“En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen en hij zal optrekken en hij zal met weinig volks gestrekt worden.” Vers 23{TN12: 67.4}

In deze profetische bewering zien wij dat Rome vanuit haar vernietiging

67

 en vernedering zou verrijzen, en opnieuw sterk zou worden, maar deze keer door bedrog en met een “weinig volk.” In deze keten van profetie, wordt Rome dan getoond in twee verschillende fasen, Heidens en Pauselijk, precies zoals

68

het getoond is door het vierde symbolische beest van Daniel 7. Aldus is het dat nadat Heidens Rome zichzelf overheerst en vernederd zag tot aan de grond toe, mislukt, zo gezegd, bedacht het een bedrog waardoor het zichzelf weer aan de macht kon krijgen. Het complot, resulteerde in een pauselijke code van wetten, de naleving welke werd uitgeoefend met een “weinig volk”- de zogenoemde Christenen. {TN12: 67.5}

Het riep niet op tot het onttronen van de koningen, maar meer voor het Christelijk maken van hen. Op vredige wijze slaagde aldus de koning van het noorden in het overbrengen van dit complot om te regeren als geestelijke koning der koningen in de naam van de God van de Christenen. Eerst heerste het over naties, ten tweede over de koningen van de naties. {TN12: 69.1}

Deze historische en Bijbelse feiten, tonen aan dat de naties die tot het Christendom waren verandert, onder één geestelijk hoofd, Rome’s tweede fase vertegenwoordigde, en Inspiratie gaf hem de titel “koning van het noorden.” Tot deze troon, bogen, koningen en boeren gelijk, binnen de ver-strekkende grenzen van Christelijk Rome, in totale onderdanigheid en aanbidding. Door scherpzinnigheid, werd hij alzo weer sterk, zoals de volgende hoofdstukken van de geschiedenis bevestigen. {TN12: 69.2}

(5)

Het Historische Verslag van Vleierij en Gedwongen Christelijkheid.

“De bisschoppen of toezichthouders van de Christelijke kerken, vernederden zichzelf in het begin

69

in de zachtmoedige geest van de grondlegger van hun godsdienst. Maar tenslotte zochten ze tijdelijke macht en wereldse voordelen.

De bisschoppen van de grote steden wenden hun zeggenschap aan over die van de landen in de omgeving; en Rome, Constantinopel, Alexandrië en Jeruzalem werden de zetelen van pauselijke macht; en van hun bisschoppen,  mag gezegd worden dat ze een oligarchie in de kerk vertegenwoordigden…, Rome werd door de duistere Middeleeuwen heen  een koning der koningen; nee meer dan dat- Hij werd verondersteld om in de plaats van God te staan. “Universal HIstory, blz 198, 199. {TN12: 69.3}

 “Bij de kroning van Charlemagne, groette Paus Leo III nadat hij de kroon op zijn hoofd had geplaatst hem met de titel van keizer van de Romeinen. Hij had de barbaarse naties van Europa onderworpen, met uitzondering van de Denen, oftewel de Normandieers, en zijn koninkrijk bestond uit Frankrijk, Duitsland, Italië en het noorden van Spanje. Vanuit het oosten, zocht Irene, keizerrin van Constantinopel zijn vriendschap, en zelf de kalief van Bagdad, de prinsgezinde Haroun al Rachid, begon een correspondentie met hem, en stuurde hem de sleutels van de heilige grafkelder van Jeruzalem. Charlemagne echter een barbaar die in eerste instantie zijn eigen naam niet kon schrijven, maar zijn verdragen ondertekende met de handgreep van zijn zwaard, en het bekrachtigde met de punt ervan, had toch groot aanzien bij de geleerde mannen… —-Id,. p 203. {TN12: 70.1}

“…WITIKIND, de meest heldhaftige en beroemde van hun leiders, omarmde uiteindelijk het

70

Christendom en legde zijn wapenen af. Charlemagne verplichte toen de Saxische bevolking onder de doodstraf om de doop te ontvangen. Hij overviel en overwon de Hunnen en Slovaken.”—Id., p. 202. {TN12: 70.2}

“…Charles, niet in staat om de overvallers af te weren, stond de provincie van Nuestria aan hen af, daarna Normandië genoemd, en gaf aan Rollo, zijn dochter om te trouwen. De Normandische leider, echter, moest aan Charles hulde geve, door te knielen en de Koninklijke teen te kussen…Id., p. 202. {TN12: 71.1}

“Alfred [koning van Engeland]verleende de Denen toestemming om in Northumberland en Oost Engeland neer te strijken, op voorwaarde dat zij geregeerd zouden worden door zijn wetten en het Christendom zouden omarmen. Ze werden dienovereenkomstig gedoopt; en de koning zelf stond in als peetvader voor GUTHRUM hun leider…..”—Id., p. 209. {TN12: 71.2}

“Hij vond een voorwendsel om het koninkrijk van Lombardije binnen te vallen, in de vijandigheden van DESIDERIUS tegen de paus. Charlemagne trok over de grote St. Bernard van Genéve en nam succesvol Pavia en Verona over. Lombardije was gauw tot onderdanigheid gebracht en de koning werd gevangen genomen. Charlemagne’s bezocht vervolgens Rome, waar hij werd ontvangen door paus Adrian I., met alle vreugdevolle demonstratie en onthalingals de bevrijder van de kerk. Hij maakte dat hijzelf werd gekroond als koning van Lombardije.”—Id., p. 201. {TN12: 71.3}

Op deze subtiele wijze kwam de koning van het noorden en verkreeg “ het koninkrijk door

71

 vleierijen” (vers 21) en door “de god van de machten,”te eren zoals geprofeteerd in verzen 24, 38 en 39. {TN12: 71.4}

(6)

De Geschiedenis Verklaart Zijn Verdeling van het Land voor Gewin.

“Het FEODALE SYSTEEM, is een term gebruikt om de manier uit te drukken waarop de leiders, die door de hulp van hun legers overwonnen hadden en zich in de overwonnen landen hadden gevestigd, de landen verdeelden onder hun opvolgers; en de wettelijke verplichtingen en privileges verder strekten dan deze divisies. Toen de hoofdman, of koning het gehele onverdeelde staatsgebied aan de ene kant zag en de kern van zijn volgelingen die het wensten te koloniseren aan de andere kant, rees de vraag vanzelfsprekend, hoe zou hij het moeten verdelen. De ongekoloniseerde staat van de wereld moest overwogen worden. Als hij het verdeelde onder zijn volk, zonder een oorlogachtige houding te bewaren, zouden zij de prooi worden  van sommigen van de bewapende meute, die nog aan het rondzwerven waren, op zoek waren naar vestigingsplaatsen. Daarom dat de leider, nadat hij vastgehouden had wat hij had gekozen, gaf het land uit in grote delen aan zijn hoofd-kapiteinen,–op voorwaarde van hun hulde aan hem, het betalen van een zekere som geld, en in het veld verschijnen met een zeker aantal volgelingen, telkens wanneer hij om hun hulp riep. Deze hoofd officieren, nadat zij behouden hadden wat zij zelf wensten voor hun eigen gebruik, verdeelden het restant van het land dat aan hun toegewezen was aan hun

eigen favorieten;

72

die hun moesten voorzien van geld en soldaten, zoals zij dat moesten doen aan de koning. De veroverde inwoners die achter bleven, werden slaven, en werden verplaatsbaar tussen de landen. Deze koningen verrezen door hun eigen kracht; maar bij het vaststellen van hun natie, werd het koningschap doorgaans eerst gekozen in hun familie, dan erfelijk.” Universal History, p. 200. {TN12: 72.1}

(7)

Het Tweede Regiment van het Zuiden, Verslaat het Vierde Regiment van het Noorden

“ En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote heirkracht, en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. En die de stukken zijner spijze zullen eten , zullen hem breken, en de heirkracht deszelve zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen. En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen en wederkeren in zijn land. Te bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, nog gelijk de laatste reis. Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, doch het zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.” Verzen 25, 26, 28-30. {TN12: 73.1}

We hebben reeds gezien van de profetie en ook van de geschiedenis, dat het eerste regiment van het zuiden (de Ptolomeaanse) omver werd geworpen door het derde regiment van het noorden (dat van

73

 Heidens Rome). En aangezien Heidens Rome nooit oorlog voerde tegen geen enkele andere macht van het zuiden, springen er twee punten duidelijk uit: Ten eerste, als we het Ptolomeaanse regiment volgen, moet een andere koning van het zuiden zijn verrezen; en ten tweede de oorlog tegen deze koning van het zuiden, was gevoerd door het regiment aansluitend op Heidens Rome, dat van het gekerstende Rome, het vierde regiment van het noorden. Het “verwekte zijn kracht op en zijn hart tegen de koning van het zuiden.” {TN12: 73.2}

Het enige regiment dat uit het zuiden is verrezen vanaf de Ptolomeische dynasty ten onder ging, en dat  Egypte en Palestina geregeerd heeft, is dat van de Moren; “een Mohammedaans, Arabisch sprekend ras van gemengde afkomst, dat een deel van de bevolking vormde van de Barbaren, en die hun naam afleiden van de Mauri, de oude bewoners van Mauretamië, wiens zuivere lineare afstammelingen echter de Amazirgh zijn, een zijtak van de Berbers. De moderne Moren stammen af van een verbond van de oude inwoners van deze regio met hun Arabische overheersers, die verschenen in de 7e eeuw. Aangezien de Mohammedaanse overheersers  van de Visigoths in Spanje (711-713) vanuit Noord-Africa kwamen, werd de naam Moor ook op hen toegepast door de Spaanse kroniekschrijvers en in dat verband is het een synoniem aan Arabier en Saraceen. Deze Moren drongen noordwaarts Frankrijk binnen tot aan hun terugdrijving door Charles Martel tijdens de grote strijd  van Tours in 732, waarna ze zichzelf praktisch beperkten

74

 tot Zuid-Spanje aan de Ebro en de Sierra Guadarrama…. De verdreven Moren vestigden zich in het noorden van Africa, stichten steden waar vandaan ze de Spaanse kustvlakten teisterden, en uiteindelijk zich ontwikkelden in de piraten staten van Barbaren, wiens plunderingen een bron van ergernis waren voor de beschaafde Christelijke machten zelf tot aan huidige eeuw.”—Twentieth Century Cyclopaedia, Vol VI, p. 24. {TN12: 74.1}

De conflicten tussen het zuiden en het noorden, volgend op de Grieks-Romeinse oorlogen, waren tussen de Mohammedanen en de Christenen. In die tijd, daarom, terwijl de titel, “koning van het noorden,” van toepassing is op de heersers van het Gekerstende Rome, is de titel “koning van het zuiden,” op de Mohammedaanse heersers. {TN12: 75.1}

Omdat de Saracenen, Moren, Arabieren en Turken—de Moslims—de opvolgers zijn van het Mohammedaanse rijk in verschillende regimenten, zullen we voor de beknoptheid de naam Mohammedanen gebruiken voor allemaal, alsof ze één regiment waren.) {TN12: 75.2}

Deze profetische en historisch vastgelegde gebeurtenissen, maken het onmogelijk om de titels verkeerd toe te passen, of om de machten verkeerd te interpreteren. {TN12: 75.3}

Bovendien, geven de verzen (verzen 25, 26, 28-30) waar wij ons nu op concentreren de overwinning aan de koning van het zuiden en de geschiedenis toont aan dat, precies op de tijd dat de geschriften uitwijzen, de Mohammedanen verrezen vanuit Africa, en ook de

75

Christelijke naties binnenvielen, ten noorden van het Middelandse Zeegebied. Toen was het dat Rome, Egypte en Palestina verloor. {TN12: 75.5}

In deze verzen zijn de persoonsvoornaamwoorden van deze twee tegenstanders, “koning van het zuiden,”en “koning van het noorden,” niet terug te voeren door grammaticale wetten, maar alleen door de logische opeenvolging van gebeurtenissen: {TN12: 76.1}

“En hij [ de koning van het noorden] zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen de koning van het Zuiden, met een grote heirkracht, en de koning van het Zuiden zal zich in de strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij [ de koning van het noorden] zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken. En die de stukken zijner spijze[ de spijze van de koning van het noorden]  zullen zij eten, zullen hem[ de koning van het noorden] breken, en de heirkracht deszelve[ de koning van het zuiden] zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen….Dan [overwonnen] zal hij [ de koning van het noorden] in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij [de koning van het noorden] zal het doen en wederkeren in zijn land. Te bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, nog gelijk de laatste reis.” Verzen 25, 26, 28 en 29. {TN12: 76.2}

Hoewel de “hij” van vers 28 terug keert naar “zijn land met groot goed,” heeft hij ze niet als buit meegenomen van de koning van het zuiden, wiens leger hem overstroomde en maakte dat “vele verslagenen zullen vallen,” om niet weder op te staan (vers 26), maar hij moet ze ontvangen hebben van de vele bekeerden tot zijn geloof. Zij die de stukken zijner spijze aten (vers 26), zijn dienstknechten, en die hem later breken, in het begin, de Protestanten. {TN12: 76.3}

76

De “hij” van vers 29 keert weer te bestemder tijd en komt tegen het zuiden, “hij” is daarom de koning van het noorden die weer opgaat voor een andere strijd. Dit zijn de bijzonderheden die de geschiedenis bevestigd en zodoende is het duidelijk dat de tussen identificatie van het voornaamwoord tussen haakjes juist is. {TN12: 77.1}

De westerse invasie van de Mohammedanen begon “in 639 A.D.” toen ze “het land binnenvielen en Egypte een Mohammedaanse provincie werd.”—The New Student’s Reference Book. {TN12: 77.2}

Aldus de Ptolomeanen volgend, kwamen de Mohammedanen wiens regering het tweede zuidelijke regiment was aan de titel, “koning van het zuiden.” {TN12: 77.3}

Rond 814 A.D. had Rome (de koning van het noorden) reeds Egypte en Palestina aan de Mohammedanen (koning van het zuiden) overgedragen. {TN12: 77.4}

Gewetens-overheersende Christenen van het noorden en gewetens-overheersende Mohammedanen van het zuiden zijn sinds dien in territoriale en godsdienstige conflicten geweest. En om het even welke een stuk van de andere zijn grondgebeid nam, dwong op straffe des doods voor non-conformiteit van zijn godsdienstige geloofspunten aan zijn gevangenen. {TN12: 77.5}

(8)

Beiden spraken leugens

“En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen

77

spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.” Vers 27. {TN12: 77.6}

De ene tafel waaraan beide koningen spreken is natuurlijk figuurlijk; dat is Pauselijk Rome verklaarde aan haar gevangenen dat de Romeinse godsdienst een vooraf schaduwing was van de engel Gabriels aankondiging aan Maria dat ze een zoon zou dragen, de Verlosser van de wereld; evenzo verklaarden vervolgens de Mohammedanen, aan hetzelfde volk (aan dezelfde tafel), toen ze hun gevangenen werden, dat de engel Gabriel aan Mohammed was verschenen en hem de godsdienst had gegeven welke alle volkeren van de wereld moesten hebben. {TN12: 78.1}

Hoewel de verklaring van Rome met betrekking tot wat Gabriel aan Maria zei, gebaseerd is op feiten, was Rome’s ware godsdienst slechts bedekt met een laag Christelijkheid, niet de godsdienst van de Ene Wiens geboorte Gabriel voorsprak. Voor wat betreft Mohammed die de godsdienst ontving van Gabriel, hij heeft het nooit ontvangen. Aldus spraken beiden, de Mohammedaanse officieren en de Christelijke heren, leugens aan een tafel—tot de bevolking. Maar “het zal niet gelukken,” verklaard de engel, “want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd”: dat wil zeggen hun valse godsdienst zal tot een einde komen op de daarvoor bestemde tijd: ze zullen niet altijd bestaan. {TN12: 78.2}

Kaart 9 toont het uiteindelijke resultaat—de naties die permanent gekerstend zijn en de naties die permanent Mohammedaans zijn. {TN12: 78.3}

78

(9)

Tegen het Heilig Verbond

De noodzaak ziend van een compromis sluiten met de heidenen om een makkelijke prooi van hen te maken, was daarom de koning van het noorden zijn hart tegen het “heilige verbond”

79

( verzen 28, 30, 32); hij liet de Sabbat van de schepping ( Ex. 20: 8-11) vallen van de Christelijke geloofsbelijdenis, welke de Heer “gezegend en geheiligd” heeft als een gedenkteken van Zijn werken, “een eeuwig verbond.” Ex. 31: 16, 17. {TN12: 79.1}

Het hebben van intellectueel contact van de koning van het noorden slechts met hen die “het heilige verbond verzaakten,” verduidelijkt twee punten: ten eerste, dat niet allen de Sabbat verzaakten; ten tweede dat de kleine hulp waarmee hij sterk werd, niet de trouwe volgelingen van Christus waren, maar de ontrouwen. {TN12: 80.1}

“En die goddelooslijk handelen tegen het verbond zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk die hun God kennen zullen zij grijpen en zullen het doen.” Vers 32 {TN12: 80.2}

Dit vers openbaart het karakter van elke klas: ten eerste van de ontrouwe; en ten tweede van de getrouwen. Met betrekking tot het lot van de getrouwen, lezen wij: {TN12: 80.3}

“En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis endoor beroving vele dagen.” {TN12: 80.4}

“Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden, doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.” Verzen 33, 34. {TN12: 80.5}

Deze verzen, voorspellen naast de vooraf schaduwing van het martelaarsschap van de trouwe volgelingen van Christus, de Reformatie, de “kleine hulp,” en voorzegd dat haar huidige gevallen staat veroorzaakt is door “vleierijen.” {TN12: 80.6}

80

(10)

Ontheiligt het Heiligdom, Pakt het Dagelijkse Af

“En er zullen armen uit hem ontstaan en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterke, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.” Vers 31. {TN12: 81.1}

Dat deze drie schakels van Waarheden (de ontheiliging van het heiligdom, het wegnemen van het dagelijkse, en het plaatsen van een gruwel) in de profetische keten van gebeurtenissen, ons vele eeuwen brengen in de Christelijke eeuw, wordt concluderend bevestigd door Christus zijn verwijzing naar hen als in de toekomst, vanaf de tijd dat Hij het gebod uitsprak: {TN12: 81.2}

“Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats, ( die het leest, die merke daarop) . Dat alsdan die in Judea zijn, vlieden op de bergen.”Matt. 24 : 15, 16. {TN12: 81.3}

Een heidens heiligdom is reeds onrein, en kan daarom niet vervuilt worden. Het is daarom overduidelijk dat het heiligdom van kracht ( niet de heidense), ontheiligd werd door het erin brengen van een heidense priesterschap en onbekeerde

81

 heidenen. Het “heiligdom” is de Christelijke kerk, want gedurende de tijd dat de ontheiliging plaatsvond, was er geen heiligdom in Jeruzalem. ( Betreffende het “dagelijkse,” lees traktaat nr. 3. Het Oordeel en de Oogst, p. 38, 39) {TN12: 81.4}

(11)

Negeren (Veronachtzamen) van een God en de Begeerte van Vrouwen

“En op de goden zijner vaders zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen god acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken. En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; degenen die hij kennen zal zal hij de eer vermenigvuldigen,en hij zal ze doen heersen over velen ,hij zal het land uitdelen in prijs.” Verzen 37, 39. {TN12: 82.1}

Geen enkele natie dan gekerstend Rome vervult deze profetie, want zij is de enige die de god van haar vaderen negeert ( de Heidense god), en een vreemde god ( de God van de Christenen) erkend. {TN12: 82.2}

En alhoewel ze beweert de Christelijke God hartgrondig te hebben geaccepteerd, ontmaskerd dit geschrift de valsheid van haar verklaring. {TN12: 82.3}

“Zal hij ook geen acht geven…de begeerte der vrouwen” Vers 37.

82

De begeerte van een vrouw is een thuis ( Gen. 3 : 16)

–een behoefte die de Heer in haar hart geplaatst heeft. De Romeinse instelling van kloosters, is daarom niet in de wil van God. {TN12: 82.4}

(12)

Het Vijfde Regiment van het Noorden

Verslaat het Tweede Regiment van het Zuiden

“En op de tijd van het einde zal de koning van het zuiden  tegen hem stoten…..de koning van het noorden.” Vers 40. {TN12: 83.1}

De engel die Daniels geschriften dicteerde, verklaart dat in de tijd van het einde deze profetieën geopenbaard zouden worden, en dat in die tijd “velen zullen naspeuren en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.” Dan.12: 4. {TN12: 83.2}

Moderne uitvindingen, in het bijzonder in de sfeer van vervoer en communicatie, worden erkend als de vervulling van de voorspelde toename van wetenschap. De huidige toename van wetenschap, laat daarom zien dat we nu leven in de tijd van het einde. Aan het begin ervan verklaart Inspiratie, ( in de achttiende eeuw)zal de koning van het zuiden “stoten tegen” de koning van het noorden—de tijd waarin de koning van het noorden zal—

“….zal tegen hem (tegen de koning van het zuiden) aanstormen, met wagens en met ruiters

83

en met vele schepen; en hij zal in de landen komen en hij zal ze overstromen en doortrekken. En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter neder geworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen. Edom en Moab en de eerstelingen der kinderen Ammons. En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen. En hij zal heersen over de verborgen schatten des Gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte en die van Libië en de Moren zullen in zijn gangen wezen.” Verzen 40-43. {TN12: 83.1}

Voorbijgaand aan de profetische declaraties van de Mohammedaanse overwinningen, en komend aan “de tijd van het einde,” in de negentiende eeuw, bemerken we dat de gekerstende koning van het noorden in zijn vijfde regiment (de Christelijke regeringen onafhankelijk van de kerk) op het punt staat de koning van het zuiden ( het Mohammedaanse rijk) te overschrijden, en uiteindelijk Egypte en Palestina over te nemen en nog vele andere landen naast deze twee die deel uitmaakten van het Mohammedaanse rijk. {TN12: 84.1}

Kaart 10 benadrukt het Turkse Rijk en haar grootheid en geeft ook de data aan dat de verschillende provincies vielen. Volgens de kaart, volgde de ondergang van het rijk in 1699 (tegen de tijd van het einde—Dan. 12: 4). {TN12: 84.2}

84

“ Tot 1915, toen Engeland de Turkse overheersing tot een einde verklaarde en een protectoraat instelde, was Egypte bij uitstek een Turks gebiedsdeel. Maar vanaf 1883,

85

Rabiës officieren opstand volgend, is Egypte voornamelijk geregeerd door Groot-Brittannië onder een consulaat-generaal.”—The New Student’s Reference Book. {TN12: 85.1}

“Palestina [het sieraad land], lange jaren het tehuis van het Hebreeuwse ras, was onder het bewind van Rome in de tijd van Christus. In de zevende eeuw ging het onder de Moslim macht en vanaf 1516 tot 1919 was het in de handen van de Turken en een deel van het Turkse rijk.”—The World Book. {TN12: 86.1}

Edom, Moab en de eerste kinderen van Ammon (die van Jordanië) kwamen dan onder het mandaat van Groot-Brittannië. ( Zie kaart 5, p. 18). Het Woord echter, zegt zij ”zullen uit zijn hand ontsnappen,”tonend dat hoewel hij ze nu heeft, hij ze zal verliezen. {TN12: 86.2}

En “de Libiërs en de Ethiopiërs zullen in zijn gangen wezen” ; waarschijnlijk zullen ze hem volgen- hem aanhangen. {TN12: 86.3}

Om de waarheid in ons verstand vast te leggen, voordat we gaan van vervulde profetie naar onvervulde profetie is het passend om aandacht te besteden aan de volgende

                                      Terugblik: {TN12: 86.4}

Na de verdeling van Alexander’s grondgebied, werden Egypte en Palestina zoals eerder gezien eerst geregeerd door de Ptolomeën ; ten tweede door Heidens Rome (verzen 15, 16) , ten derde door de Mohammedanen bij de ondergang van gekerstend Rome (vers 22)

86

en ten vierde, opnieuw door de Christenen – in het bijzonder door Groot-Brittannië ( vers 41). {TN12: 86.5}

Dit zijn de enige historische en profetisch opgeslagen vervangingen, die betrekking hebben op de oude landen van Egypte en Palestina. De overgave van deze landen door een profetische koning aan de andere, identificeert onmiskenbaar “de koning van het noorden”en “de koning van het zuiden”vanaf de tijd van het verdelen van Alexander’s rijk tot de tegenwoordige tijd en laat geen ruimte voor twijfel en voor discussie. {TN12: 87.1}

Het  voor de tweede keer ingaan van Rome( koning van het noorden ) in “het sierraad land” ( vers 41) toont aan dat hoewel , zoals eerder  vermeld het eens het land overnam van de Ptolomeen (vers 16) het later in 633 A.D. verloor aan de Turken en in 1919 – “in de tijd van het einde” – het helemaal  terug won. {TN12: 87.2}

Hier is eenvoudig bewijs dat in de moderne tijd de Mohammedaanse heersers in profetie de “koning van het zuiden” genoemd worden, terwijl de koning van Engeland, tezamen met de ontwrichte families van gekerstende koningen, waarvan de profetie zegt dat ze elkaar niet zullen aankleven, ( Dan. 2 : 43) de “koning van het noorden”genoemd wordt. {TN12: 87.3}

In haar Heidense periode , wordt Rome door de twee benen van ijzer gesymboliseerd door het grote beeld en in haar gekerstende periode, door haar voeten en tenen van ijzer gemengd met klei. {TN12: 87.4}

Dat de “koning van het noorden”( Dan 11: 7) en de kleine-hoorn-macht (ogen hebbend van een man en een mond vol groot

87

spraak—Dan. 7: 25)één en dezelfde macht zijn, wordt wederom getoond door, het feit dat “tijd, tijden en een halve tijd,” de tijd gegeven is in beide gevallen. Zie Daniel 12: 7. ( Het twaalfde hoofdstuk is een voortzetting van het elfde). {TN12: 87.5}

Het is nu duidelijk te zien dat het overgaan van Egypte en Palestina van de handen van een volk tot een ander de sleutel is welke het mysterie van Daniel 11 heeft ontsloten. En de waarheid voort schijnend met zulk een schittering maakt het overduidelijk dat de populaire leerstellingen dat Turkije “de koning van het noorden”is , en dat Engeland het te verschijnen koninkrijk van Israel is , worden door de geest  van dwaling gerekend, om zo Gods volk totaal het zicht te laten verliezen van de waarheid en hun standpunt , waar weten ze niet in te nemen. {TN12: 88.1}

(13)

Verklaart de Oorlog, Maar Niet Tegen de Koning van het Zuiden

In deze keten van gebeurtenissen is tot zover iedere schakel profetisch vervult, maar de verzen die wij vervolgens zullen overwegen, bevatten de schakels naar onvervulde profetie. Door het oog van geloof zullen we daarom een blik werpen in de toekomst: {TN12: 88.2}

“Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.” Vers 44. {TN12: 88.3}

De koning zijn laatste verschrikking zal niet opstijgen van het stoten van de koning van het zuiden tegen

88

hem, maar van “geruchten uit het oosten en uit het noorden, “aantonend dat hij getrokken wordt in zijn laatste strijd voor de overheersing, niet door het verklaren van oorlog aan hem door wie dan ook, maar doordat hij oorlog verklaart aan velen, omdat geruchten uit het oosten en uit het noorden hem hebben verschrikt. {TN12: 88.4}

Als Duitsland agressieve activiteiten in het noorden van de Middellandse en de Japanners ten oosten daarvan de geruchten zijn die Engeland ertoe geleid hebben oorlog tegen velen te voeren en daar is geen twijfel aan, dan zal deze tweede wereld oorlog leiden tot de vervulling van het complete hoofdstuk onder beschouwing. {TN12: 89.1}

(14)

Zijn Laatste Handeling

“En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan de berg des heiligen sieraad en hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben.” Vers 45. {TN12: 89.2}

Het is vanzelfsprekend dat het planten van “de tenten van zijn paleis” niet het planten van zijn capitool kan betekenen. De tenten, kunnen een zijtak van zijn paleis aangeven. En zijn keuze om ze te planten “aan de berg des heiligen sierraad,” geeft aan dat de plaats bedoelt is om zijn tenten te verbinden aan de heiligheid van de God van de Christenen. De tenten van zijn paleis investeren met zo’n heiligheid, kan alleen betekenen dat het het hoofdkwartier zal huisvesten in de spoedig komende Pauselijke Wereld regering, die we reeds in beschouwing hebben genomen. {TN12: 89.3}

89

Maar één locatie, waarschijnlijk de Berg Sinaï is “tussen de zeeën”—De Rode Zee en de Middellandse Zee. Dat hij dit kiest in de plaats van Jeruzalem, suggereert, dat het is omdat zowel Palestina, evenals Edom, Moab en Ammon zullen “uit zijn hand ontkomen.” {TN12: 90.1}

De verklaring,”hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben” toont aan dat hij daarvoor geholpen werd door een andere macht, en dat hij niet lang daarna zal voortgaan, en hoogstwaarschijnlijk betekend dat zijn pauselijkheid zal worden omver geworpen door de hoornen van het scharlaken rood beest. (Openb. 17: 16) {TN12: 90.2}

Het wordt nu duidelijk dat “de tenten van zijn paleis” verondersteld worden om heiligheid voor te stellen, en dat de vrouw rijdend op het beest (Openb. 17: 3), de wereld haar sociaal, economische, politieke en religieuze problemen regelt, de waarheid is duidelijk dat de huidige Christelijke regeringen gereorganiseerd en geregeerd moeten worden door een pauselijk hoofd—niet door Hitler. {TN12: 90.3}

Ons gebed is dat allen zich ervan zeker stellen dat hun namen in het Boek des levens van Michael zijn, want zij wiens namen daar niet zijn, zullen uit gesloten worden om voor eeuwig vernietigd te worden. {TN12: 90.4}

Als scheidende verzekering dat we nu leven in de tijd van het einde, en aangezien die tijd zal overgaan in de eeuwigheid, citeren we de engel zijn heilige woorden: {TN12: 90.5}

“En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst die voor de

90

kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dien zelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek. En velen van die , die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken dezen ter eeuwigen leven en genen tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzen.” Dan. 12 : 1,2 {TN12: 90.6}

Conclusie

Aangezien de profetieën die hierin behandelt zijn, vele eeuwen van de geschiedenis aan een schakelen, zijn we binnen het bestek van deze traktaat maar kort in staat geweest om de betreffende geschiedenis te behandelen, speciale aandacht gevend aan het deel waardoor de Heer de voeten van iedereen gaat leiden die begerig is om het kruis op te nemen en Hem veilig te volgen over de bodemloze put, waarin alle andere levenden spoedig zullen vallen. De waarheid die hier aan het licht is gebracht, schijnend zo helder als het doet, zou al de oprechten moeten overtuigen en bekeren die aan het op handen zijnde noodlot willen ontsnappen. Daarom, mogen allen

Het ter harte nemen en voordeel halen. {TN12: 91.1}

Als een reddingslijn om de trouwe volgelingen van Christus ervan te beschermen om door de godsdienst van welke macht , heeft God de profetische keten van gebeurtenissen hierin onder de aandacht gebracht. {TN12: 91.2}

Zij die verwachten geleid en gered te worden door het Woord der Waarheid, alsook

91

 om verlost te worden van de tijd der benauwdheid, het opstaan van Michael ( Dan. 12: 1)welke zorgt voor de tegenwoordige verwarring van de naties met zich zal voortbrengt, zou nu niet moeten aarzelen om nu hun standpunt in te nemen aan de zijde van rechtvaardigheid en waarheid. Om deze reden, broeder, zuster schijnt dit licht nu voort op uw pad. {TN12: 91.3}

Aan hun die de Heer Zijn waarschuwing ter harte nemen en die aan Zijn zijde staan, is de belofte gedaan: “ De leraars nu zullen blinken, als de glans der uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.” Dan 12 : 3 {TN12: 92.1}

“Velen zullen er gereiningd en wit gemaakt en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen en geen van de goddelozen zullen verstaan , maar de verstandigen zullen het verstaan.” Dan 12 : 10 {TN12: 92.2}

“Van alles wat gehoord is, is het einde van de zaak,: Vrees God en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.” Prediker 12:13. Staat nu op en wordt verlicht, maak dat de Psalmist u zelf prijst: zeggende ,”O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.” O Heer, Gij zijt mijn God; U zal ik verhogen, Uw naam zal ik loven, want U heeft wonderlijke dingen gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.” Psalm 71: 17; Jes. 12: 1. {TN12: 92.3}

Kaarten

Nummers 1-4, 6 en 7 zijn aanpassingen vanuit de mappen in Empires of the bible, door A.T. Jones. {TN12: 93.1}

Nummer 5 is aangepast van de mappen die voorkomen in The Dallas morning News gedurende 1941. {TN12: 93.2}

Nummer 8 is aangepast van een van de serie mappen in Myers’ Ancient HIstory revised edition. {TN12: 93.3}

Nummer 9 en 10 zij een reproductie van de mappen in The New World Problems in Political Geography. {TN12: 93.4}

Illustraties

Voorpagina: bovenste door Knott in  The Dallas Morning News; de onderste door Sakren. {TN12: 93.5}

93

94

95

Al het schuin gedrukte de onze

 


TN2-1200x675.jpg

 Een Tijdige Openbaring

1

Kopierecht, 1937,1941

Alle Rechten Voorbehouden

V.T.HOUTEFF

In het belang van het bereiken van iedere naar waarheid zoekende verstand die ernaar verlangt om aan het pad te ontkomen, dat tot vernietiging leidt van zowel het lichaam als de ziel, wordt dit traktaat kosteloos uitgegeven zolang de uitgave beschikbaar is.

TRAKTAAT NR. 2

1948 Herdruk

2

INLEIDING

De Noodzaak Van Onderzoek


“God heeft kostbaar licht dat tot Zijn volk zal komen(¼)Wanneer er nieuw licht aan de kerk wordt aangeboden, is het gevaarlijk om uzelf ervan af te sluiten(¼) Door datgene te veroordelen wat u niet heeft gehoord en niet begrijpt zal uw wijsheid niet verheven worden in de ogen van degenen die nauwkeurig zijn in hun onderzoekingen naar waarheid. En met minachting spreken over degenen die God heeft gezonden met een boodschap van waarheid, is dwaasheid en waanzin(¼) {TN2: 3.1}

“(¼)want God zal Zijn Woord verheerlijken, dat het kan verschijnen in een licht waarin wij het nooit tevoren hebben aanschouwd(¼) Licht zal komen tot iedere ernstige zoeker naar waarheid, zoals het kwam tot Nathanaël(¼)Er zou vrijheid gegeven moeten worden voor een openhartig onderzoek van de waarheid, opdat een ieder voor zichzelf kan weten wat de waarheid is. {TN2: 3.2}

“(¼)Als er een boodschap  komt die u niet begrijpt, neem de moeite om de redenen te horen die de boodschapper kan geven,(¼) want uw standpunt zal niet aan het wankelen gebracht worden door in contact te komen met dwaling(¼)Geen van degenen die zich inbeelden dat zij het allemaal weten is te oud of te intelligent om te leren van de nederigste der boodschappers van de levende God.” –Testimonies on Sabbath School Work{Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, blz.60-66. {TN2: 3.3}

Aangezien iedere gebeurtenis, in verband met de kerk, wordt vooraf gegaan door een boodschap, en aangezien elk

3

van dergelijke gebeurtenissen is voorzegd geweest door de profeten, dan is het belangrijk dat een ieder zich realiseert:

De Noodzaak Van Profetie. {TN2: 3.4}

Er is nog nooit in de geschiedenisboeken van de Christelijke kerk een dergelijke schudding geweest zoals die welke snel toeneemt als gevolg van de verspreiding van De Herdersstaf {The Shepherd’s Rod}series van boeken en traktaten door rij en gelid van het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten. Het presenteert een zeldzame en verwarrende probleem waarbij menselijke wijsheid volkomen onmachtig is die op te lossen. In deze buitensprigheid, moeten wij ons dan keren tot goddelijke wijsheid. Zowel de strijd als het geneesmiddel ervan moeten gevonden worden in profetie. Daarom nemen wij blijmoedig de uitdaging aan: “Vraag Mij naar toekomstige dingen betreffende Mijn zonen, en betreffende het werk Mijner handen geeft gij Mij bevel.” Jes.45:11{KJV} {TN2: 4.1}

Alleen wanneer de kerk tot de ontdekking komt dat zij gestrand is op een klip van haar eigen dwaasheid, met de hevige golven van goddelijke vergelding die haar zijden slaan, is zij in een toestand om zich het vreselijke gevaar en haar behoefte aan van alles te realiseren. En alleen wanneer zij aldus in gevaar is gebracht en gealarmeerd is, kan zij mogelijkerwijs opgewekt worden tot de absolute noodzaak  voor het hebben van de gave van profetie–haar meest belangrijke behoefte in haar huidige hachelijke situatie. “Zeker, de Here God zal geen ding doen, maar Hij openbaart Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten.” Amos 3:7.{KJV} “Verlangt naar geestelijke gaven, maar eerder dat gij moogt profeteren(¼)Hij die profeteert, sticht de

4

gemeente.” 1Kor.14:1,4. “Want het getuigenis van Jezus is de Geest der Profetie.” Openb.19:10. Dus, als zij niet nu ontwaakt tot het feit dat “waar er geen gezicht is, het volk omkomt”(Spr. 29.18{K.J.V.}), dan zal zij nooit ontwaken. {TN2: 4.2}

 De belangrijkheid van de gaven van de Geest benadrukkend, zegt Paulus: “ En Hij gaf sommigen, apostelen; en sommigen, profeten; en sommigen, evangelisten; en sommigen, herders en leraars, voor de vervolmaking der heiligen, voor het werk der bediening, voor de opbouw van het lichaam van Christus.” Ef.4;11,12.{KJV} “Daarna wonderen, dan gaven der genezingen, helpers, besturen, verscheidenheid van tongen.”  1Kor.12:28{KJV} {TN2: 5.1}

Maar terwijl de meeste van deze gaven, in het bijzonder die van tongen en van besturen, ijverig worden nagejaagd door de kerken, is hetgeen dat werd veracht door de Joden-de gave van “profeten”- in het geheel verworpen door bijna het gehele Christendom. Daarom is de geest, die het doden van de vroegere zieners door de hand van de Joodse leiders aanstichtte, in feite vandaag hetzelfde soort vernietigend werk door middel van de georganiseerde godsdienst aan het doen. {TN2: 5.2}

Terwijl de Joden lof en eer toeschreven aan de dode profeten die waren gedood door de voorvaders, verwierpen zij de levende profeten, aldus over zich brengend de betreurenswaardige aankondiging van de Meester: {TN2: 5.3}

“Wee u, gij schriftgeleerden en Farizeeën, gij geveinsden{huichelaars}! Want gij bouwt de graftomben der

5

profeten, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen; en zegt: indien wij in de dagen onzer vaderen waren geweest, zouden wij geen deelhebbers met hen zijn geweest aan het bloed der profeten.” Matt. 23:29,30.{KJV} {TN2: 5.4}

De hedendaagse Christenen die de gave van profetie verachten en het gezag van de Oud-Testamentische Geschriften over het evangelie dispensatie ontkennen, verwerpen daardoor al de profeten, hoewel zij hen tegelijkertijd de lippendienst bewijzen door hen te erkennen als de dienstknechten van God. Door zo een dienst te verlenen, bouwen en versieren zij slechts de graftomben van de profeten, zoals de Joden dat deden, maar wanneer op de proef gesteld, zullen ook zij leugenaars bevonden worden. Louter lipbelijdenissen van te geloven in de gehele Bijbel, zijn erger dan helemaal geen belijdenis, en dubbel zo erg wanneer de belijders tegelijkertijd onderwijzen dat al de wetten en verordeningen, al de waarschuwingen en veroordelingen, alleen van toepassing zijn op de vroegere Joden, terwijl al de genadegaven de Christelijke kerk toebehoren! {TN2: 6.1}

Door deze koers te volgen, zijn zij zo ver ertoe geleid tot het verderven van de gaven, dat hun zogenaamde gave van tongen niets anders is dan wartaal, en niet meer de Bijbelse gave is dan dat Zondag de “geheiligde” Sabbatdag is! Ook verdorven is de gave van besturen, welke is verlaagd tot een instelling van voorrechten, formaliteiten, doelen, en dergelijke, welke, als zij ooit heilzame uitvindingen waren, zeker in hun huidige lage staat, niets anders zijn dan werktuigen die in feite strijden tegen de Waarheid,

6

en de vroomheid van de kerk te niet doen. Schijnen de besten van deze belijdende Christenen van vandaag, met deze stand van zaken, beter te zijn dan de slechtste der Joden van gisteren? Daarom, O gemeente van God, “Ontwaakt, ontwaakt”! “Dooft de Geest niet uit. Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; houdt vast aan datgene wat goed is.” 1 Thess.5:19,21.{KJV} “Maak u los van de [door mensen gemaakte] banden van uw hals, o gevangen dochter van Sion.” Jes.52:2.{KJV} {TN2: 6.2}

Aangezien de gave van profetie, volgens de Schriften, de tweede is in rangorde van de gaven tot de kerk, en de gave van besturen en dat van verscheidenheid van tongen de laatste zijn, dan is het vanzelfsprekend, dat degenen die de gave van profetie verachten maar de gave van besturen en de gave van tongen verheffen, de wagen aan de achterkant ervan aan het trekken zijn, en de verkeerde richting inslaan. Tot dezulken is Christus aan het zeggen: “Weet niet,  dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.” Openb.3:17.{KJV} {TN2: 7.1}

“Komt dan, en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al zijn uw zonden als scharlaken, zij zullen wit zijn als sneeuw; al zijn zij rood als karmozijn, zij zullen zijn als wol.” Jes.1:18.{KJV} {TN2: 7.2}

Deze toestand ligt ten grondslag aan het huidige probleem van de kerk, welke samen met de uitkomst ervan figuurlijk wordt voorgesteld in de profetische symbolisatie van Zacharia:

7

shepherds-rod-tract-2-zechariah-4

8

DE PARADOX. {TN2: 7.3}


 “En ik keerde mij om, en hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, vier wagens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren van koper. Aan de eerste wagen waren rode paarden; en aan de tweede wagen waren zwarte paarden. En aan de derde wagen witte paarden; en aan de vierde wagen gevlekte en voskleurige {sterke} paarden. Toen antwoordde ik en zeide tot de engel, die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn heer? En de engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier geesten des hemels, die voortgaan van waar zij stonden voor de Here der ganse aarde. De zwarte paarden die daaraan zijn gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, hen achterna; en de gevlekte paarden gaan uit naar het Zuiderland. En de voskleurige {sterke} paarden gingen uit, en trachtten te gaan opdat zij de aarde konden doorwandelen; en hij zeide: Gaat heen, doorwandelt de aarde. Toen doorwandelden zij de aarde. Toen riep hij mij toe, en sprak tot mij, zeggende: Zie, dezen die uitgaan naar het Noorderland, hebben Mijn geest tot rust gebracht in het Noorderland.”-Zach.6:1-8{K.J.V.}. {TN2: 9.1}

Deze verzen bevatten één van de meest opmerkelijke en belangrijke afgebeelde profetieën die staan opgetekend in het Heilige Schrift, en hun ware uitlegging brengt aan zielenaangrijpende openbaring van gedenkwaardige kerkelijke geschiedenis. Het eerste symbool dat in beschouwing zal worden genomen zijn

9

De “Bergen van Koper.”

Samengesteld zijnde uit koper, kunnen de bergen nooit, zelfs niet voor het kleinste deel, weggevoerd worden door wind of vloed. Het maakt niet uit wat hen overkomt, zijn staan onbeweegbaar. En aangezien zij voorstellingen zijn van Gods heilige kerk (zoals wordt gezien uit het schriftgedeelte: “Zo zegt de Here: Jeruzalem zal worden genoemd een stad der waarheid; en de berg van de Here der heerscharen de heilige berg”-Zach.8:3), moeten zij daarom haar voorstellen op een tijd waarin zij in staat is de storm te doorstaan–wanneer zij reine en geschikte plaats is voor het vertoeven van Zijn Heilige Aanwezigheid, welke, zoals de bergen aanduiden, voor Zijn heiligen is een machtige vesting en “een schuilplaats tegen de wind, en een toevlucht tegen de storm; als waterstromen in een droge plaats, als de schaduw van een grote rots in een dorstig land.” Jes.32.2. Maar “hij die bedrog pleegt,” zegt de Heer, “zal binnen Mijn huis niet blijven; hij die leugens spreekt, zal niet vertoeven voor mijn ogen.”PS.101:7.{K.J.V.} {TN2: 9.2}

De feiten die tot dusver zijn vastgesteld tonen Gods Woonplaats aan in twee gescheiden afdelingen, want Hij heeft slechts één kerkelijke organisatie in elke tijd. Het dal dat tussen de twee bergen ligt (de ruimte van waaruit de wagens voortkomen), geeft daarom de periode aan tussen de twee heilige kerkelijke organisaties die bergen voorstellen. {TN2: 10.1}

Dit solide fundament belooft een vaststaande structuur van waarheid welke een kerkelijke

10

geschiedenis behelst dat zijn hoogtepunt bereikt in een les van tegenwoordige waarheid welke gedenkwaardige gevolgen heeft voor iedereen. Alleen als het zulk een waarheid openbaart kunnen wij weten dat onze uitlegging goddelijk geïnspireerd is, niet “eigenmachtig,” en dat het iedere Bijbelse test zal doorstaan. In navolging van dit doel, komen wij nu tot de beschouwing van

De Tijd van het Feitelijk Bestaan van de Bergen. {TN2: 10.2}


Toen het vroegere Israël aanrukte uit Egypte, “toog de Here voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, om hen op de weg te leiden; en des nachts in een vuurkolom, om hen licht te geven, om voort te gaan dag en nacht.” ”En in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israëls.” Ex.13:21; Num.9:17. Maar enige jaren nadat de Israëlitische beweging was aangerukt tot “het beloofde land,” onttrok God Zijn persoonlijke aanwezigheid van onder hen, vanwege hun grote zonde waarvan zij zich weigerden te bekeren. {TN2: 11.1}

“Daarom deed Hij tegen hen opkomen de koning der Chaldeeën, die ¼het huis Gods verbrandden en zij braken de muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten daarvan. En zij die ontkomen waren aan het zwaard, voerde hij weg naar Babylon, waar zij hem en zijn zonen tot dienstknechten waren, tot het regeren van het koninkrijk van Perzië.” 2 Kron.36:17,19,20. {TN2: 11.2}

11

Ware het niet voor het feit dat een soortgelijk incident plaatsvindt in de Christelijke periode, dan zouden wij mogelijkerwijs moeten concluderen zonder verder te gaan dat de “twee bergen” van “koper” symbolisch staan voor de twee afdelingen van de kerk in de tijd van het Oude Testament. Maar in zoverre de Duistere Middeleeuwen, van 538 N.Chr. tot 12798 N.Chr. (Dan.7:25; Openb.12:6,14), de Heilige Berg van God in twee gescheiden afdelingen deelt, zijn wij gedwongen om vanuit een andere invalshoek te bewijzen de tijd waarop deze twee figuurlijke “bergen van koper” van toepassing zijn. {TN2: 12.1}

Nooit is deze symbolische profetie begrepen door welk volk dan ook; en nooit kon het vervuld zijn geweest en niet zijn geopenbaard (want dan zou de waarheid ervan ontoegankelijk zijn geweest voor het volk in het verleden en slechts half doeltreffend zijn nu voor ons). De vervulling ervan, is dan noodzakelijkerwijs nog in de toekomst, enige tijd in het laatste gedeelte van de Christelijke periode. {TN2: 12.2}

Het metaal dat de “bergen” samenstelt moet datgene voorstellen wat samenstelt waarvoor zij staan. Nadrukkelijk, moet het “koper” de mensen vrijgeven die twee heilige afdelingen van de Christelijke kerk zullen vormen. {TN2: 12.3}

In het tweede hoofdstuk van Daniël, worden vier wereldrijken gesymboliseerd door een groot metalen beeld van goud, zilver, koper, en ijzer–een wel begrepen profetie van Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome. {TN2: 12.4}

12

Goud, zijnde de eerste in waarde onder de orde van metalen, is in het bijzonder toegepast bij het symboliseren van het eerste wereldrijk na de zondvloed. Zilver, zijnde het tweede na goud, is metaal nummer twee, en symboliseert precies het tweede wereldrijk– Medo-Perzië. Terwijl koper, zijnde het derde na goud, precies toepasselijk is voor het derde wereldrijk (Griekenland), en dus de cijferwaarde heeft van drie. {TN2: 13.1}

De “bergen,” zijnde van koper, geven dus aan dat de kerk welke zij voorstellen, zich bevindt in periode nummer drie. En het feit dat er een derde periode is, stelt voorop twee voorafgaande perioden, wat in het geheel drie grote afdelingen van tijd veroorzaakt–de eerste, vanaf de schepping tot de zondvloed; de tweede, vanaf de zondvloed tot de kruisiging van Christus; en de derde, vanaf de kruisiging tot aan Zijn tweede komst. De Christelijke periode is daarom díe periode waarop de symbolische “bergen van koper” van toepassing zijn. {TN2: 13.2}

Het is dan noodzakelijk, dat de eerste van de twee “bergen” symbolisch staat voor de met-de-geest vervulde eerste Christelijke kerk vóór 538 N.Chr., en de laatste, voor de Christelijke kerk enige tijd na 1798 N.Chr., wanneer het, zoals het was met de eerste Christelijke kerk, geschikt is als Gods Heilige Woonplaats, zoals wordt beschreven in de volgende schriftgedeelten: “O, gij verdrukte, door de storm geworpen, en ongetrooste, zie, Ik..zal uw vensters van agaat maken, en uw poorten van karbonkels¼en al uw kinderen zullen van de Here geleerd zijn, en groot zal de vrede uwer kinderen zijn.” Jes. 54:11-13{K.J.V.}. {TN2: 13.3}

13

Dit kan niet, zoals sommigen kunnen denken, een symbool zijn van de Heilige Stad, welke neer”daalt van God uit de hemel” (Openb.21:2), want de hemelse stad heeft poorten van “één parel” (Openb.21:21), terwijl de poorten welke Jesaja beschrijft zijn gemaakt van “karbonkels.” Deze symbolische taal kan daarom alleen een beschrijving zijn van de mensen die het geestelijke huis van God zullen vormen. (Zie Efeziërs 2:20-22.) Al haar “stenen” zijn van “schone kleuren“: zij zijn allen kostbare juwelen. Geen puin, geen “onkruid,” geen “lauwe” belijders bevinden zich onder haar heerscharen, noch kunnen die er werkelijk ooit zijn, want er wordt, zoals het zeer gemakkelijk wordt gezien, door de “grondvesten” van tevoren voorgesteld de grondleggers; door de “vensters,” waar het licht doorheen schijnt, haar levende profeten of zieners; en door de “poorten van karbonkels” haar “wachter,” die alleen degenen zullen inlaten die het recht hebben om binnen te gaan, en alle anderen erbuiten zullen houden. En de “grenzen van aangename stenen” zijn de leden die het huis mooi maken. Het is dan duidelijk, dat alleen “degenen die gered zouden worden” ervan deel zullen worden. {TN2: 14.1}

“In gerechtigheid zult gij bevestigd worden; gij zult verre zijn van verdrukking; want gij zult niet vrezen: en van verschrikking; want het zal tot u niet naderen. Ziet, zij zullen voorzeker zich vergaderen, door niet door Mij: wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen¼en iedere tong die tegen u in het gericht zal opstaan, zult gij veroordelen.” Jes. 54:14, 15,17.{K.J.V.} {TN2: 14.2}

14

Deze symbolisch voorzegde kerk kan niet het Koninkrijk in de “Nieuwe Aarde” zijn, want dan zal er geen goddeloze zijn om zich ertegen te vergaderen, terwijl tegen deze kerk zich vergaderen de goddelozen, welke zij zal “veroordelen.” En als zij ze zal veroordelen, dan zijn ze niet veroordeeld voordat zij zich tegen haar verzamelen. {TN2: 15.1}

“Gekleed met het harnas van Christus’ gerechtigheid, zal de kerk ingaan tot haar laatste strijd. ‘Schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren, ‘ zal zij voortgaan over de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.”-Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz. 445}.{TN2: 15.2}

“Gekleed in het volledige harnas van licht en gerechtigheid, nadert zij tot haar laatste strijd. Het afval, het waardeloze materiaal, zal verteerd worden, en de invloed van de waarheid getuigt tot de wereld van haar reinigende, veredelende karakter.”-Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten},blz.17. {TN2: 15.3}

“Daarom zullen uw poorten gedurig open zijn; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; opdat  men tot u kan brengen de vermogens van de Heidenen en dat hun koningen kunnen worden gebracht. Want de natie en het koninkrijk dat u niet zal dienen zal vergaan: ja, die natiën zullen volkomen verwoest worden.” Jes. 60:11,12{K.J.V.} {TN2: 15.4}

De kerk die hier wordt beschreven in deze paragraven is vanzelfsprekend niet de kerk in haar Laodiceese staat – “noch koud noch heet,”en

15

op het punt staande uitgespuwd te worden(Openb.3:16). En aangezien de symbolische bergen van koper gelijk zijn, daar er geen verschil tussen hen is, zal de tweede “berg”daarom niet minder zijn in macht en reinheid dan datgene wat de eerste “berg”kenmerkte, de eerste Christelijke kerk, waarvan er een glimp zal worden opgevangen van uit de volgende schriftgedeelten: {TN2: 15.5}

“En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind in één plaats. En zij waren vervuld met de Heilige Geest¼en diezelfde dag werden er aan hen toegevoegd ongeveer drieduizend zielen. En de Here voegde dagelijks aan de kerk toe degenen, die gered zouden worden.”De Handelingen 2: 1,4,41,47{K.J.V.}. {TN2: 16.1}

Maar een zekere man genaamd Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een bezit, en hield een deel van de prijs achter¼Maar Petrus zeide: Ananias, waarom heeft Satan uw hart vervuld om te liegen tegen de Heilige Geest, en een deel van de prijs van het land achter te houden?…En Ananias, deze woorden horende, viel neer en gaf de geest. ¼En het was na verloop van ongeveer drie uren daarna, dat zijn vrouw,¼.inkwam. Toen zeide Petrus tot haar: Hoe hebt gij samen kunnen overeenkomen om de Geest des Heren te verzoeken?…En zij viel terstond neer voor zijn voeten, en gaf de geest.”De Handelingen 5:1-3,5,7,9,10. {TN2: 16.2}

16

Is er enige vergelijking tussen de kerk die wordt beschreven in de Handelingen en die van de tegenwoordige tijd? Waar is de kracht van de Heilige Geest in de kerk van vandaag? In de vroegere kerk was iedereen Ermee vervuld! Waar lezen wij dat de apostelen ooit trachtten financiële doelen te bereiken? Maar hoe vaak horen wij dat velen van degenen die vandaag tot de kerk worden binnengebracht, eruit gaan. En hoe weinigen van zij die achterblijven zijn werkelijk bekeerd tot de Waarheid. En waarom zulk een treurige verkwisting, zulk een armzielig verlies? En waarom zoveel onkruid dat de tarwe verstikt? Jezus zegt: “Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide het onkruid temidden van de tarwe, en ging zijns weegs.”Matt. 13:25. Waarom? – klaarblijkelijk omdat de wachters op de muren van Sion slapen. (Zie Testimonies, Vol. 5, blz.235{Getuigenissen, Deel 5, blz. 191}.) {TN2: 17.1}

Het licht werpend op deze toestand, zegt de Geest der Profetie: “Welke grotere misleiding kan het verstand der mensen bevangen dan een zekerheid dat zij allen gelijk hebben, terwijl zij allen het verkeerd hebben! De boodschap van de Waarachtige Getuige vindt het volk van God in een beklagenswaardige misleiding, doch oprecht in die misleiding. Zij weten niet dat hun toestand betreurenswaardig is in Gods ogen. Terwijl de geadresseerden zichzelf vleien dat zij in een verheven geestelijke toestand verkeren, verbreekt de boodschap van de Waarachtige Getuige hun zekerheid door de alarmerende veroordeling van hun ware toestand van geestelijke blindheid, armoede, en ellendigheid. Het getuigenis, die zo doorsnijdend en scherp is, kan geen vergissing zijn, want het is de Waarachtige Getuige

17

die spreekt, en Zijn getuigenis moet correct zijn.”-Testimonies, Vol.3{ Getuigenissen, Deel 3},blz.252,253. {TN2: 17.2}

Met bazuinklank maken deze al te duidelijke feiten bekend dat de kerk, die in haar huidige toestand zo anders is dan de eerste Christelijke kerk, daarom niet geïllustreerd kan worden door hetzelfde symbool als zij dat werd. Aangezien dus de kerk zo ver af is van het gelijken op de eerste kerk zoals de duisternis dat is van het licht, dan moet de heilige kerk van God, gesymboliseerd door de tweede berg van koper, nog in de toekomst zijn. Laat ons daarom God prijzen, dat wij nu binnen ons bereik hebben de heerlijkheid van

De Zegevierende Kerk! {TN2: 18.1}

Wanneer zal de kerk werkelijk Gods Woonplaats worden? Door menselijk pogen is het net zo onmogelijk om een verandering tot stand te brengen als het is om de oceaan droog te leggen. Alleen God kan dit doen. Maar wanneer Hij dat doet, dan zal Hij zeker een schoon werk ervan maken: {TN2: 18.2}

“En Ik zal, “zegt Hij, “hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik zal hen van kinderen beroven, Ik zal Mijn volk verdelgen, omdat zij zich niet afkeren van hun wegen.” Jer.15:7. {TN2: 18.3}

Zijn “wan is in Zijn hand, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn tarwe in de schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur.” Matt.3:12. {TN2: 18.4}

“Ik zag dat de Heer Zijn zwaard aan het wetten{scherpen} was in de hemel, om hen ten onder te snijden. Och,

18

dat iedere lauwe belijder zich kon realiseren het reinigingswerk dat God op het punt staat te doen onder Zijn belijdend volk.” -Testimonies, Vol.1{Getuigenissen, Deel 1}, blz.190. {TN2: 18.5}

“De Heer zal werken om Zijn kerk te reinigen. Ik vertel u in waarheid, dat de Heer op het punt staat de instellingen die naar Zijn naam zijn genoemd, te keren en om te keren. Hoe spoedig dit zuiveringsproces zal beginnen, kan ik niet zeggen, maar het zal niet lang uitgesteld worden. Hij, wiens wan in Zijn hand is, zal Zijn tempel reinigen van haar zedelijke vervuiling. Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.” Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz. 373. {TN2: 19.1}

“De tijd is aangebroken voor ernstige en krachtige pogingen om de kerk te ontdoen van het slijk en vuiligheid welke haar reinheid bezoedelt.” -Idem, blz. 450. {TN2: 19.2}

Zeg niet, mijn broeders en zusters: “Het gezicht, dat hij ziet, is voor vele komende dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.” Want “de dagen zijn nabij, en de werking van ieder gezicht.” Ezech.12:27,23{K.J.V.}. “Om Sions wil zal Ik niet stil zijn, en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat de gerechtigheid daarvan zal voortgaan als een glans, en de verlossing daarvan als een lamp, die brandt.” Jes.62:1{K.J.V.}. {TN2: 19.3}

“Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal een zuiver en waarachtig volk hebben. In de grote zifting die spoedig zal plaatsvinden, zullen wij beter

19

in staat zijn de sterkte van Israël te meten¼.Zij die vertrouwd hebben op intellect, genie en talent, zullen niet¼aan het hoofd staan van rang en gelid” (Testimonies, Vol.5, blz.80{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}),

Wanneer De Kerk Op Gepaste Wijze Wordt Voorgesteld Door De Bergen. {TN2: 19.4}

Hoewel de tijd van dit ernstig werk -een onderwerp van voornaamst belang voor de kerk van God op dit kritisch moment -duidelijk wordt voortgezet in de Bijbel en de Geest der Profetie, toch is het, ironisch genoeg, een zaak waaraan er weinig gedacht en weinig begrepen wordt door de mensen in de desbetreffende kerk. Daarom zullen wij op dit moment verder onderzoek erover doen. {TN2: 20.1}

Onder de bevoegdheid van Inspiratie, schreef de profeet Jesaja: “Want door vuur en door Zijn zwaard zal de Here pleiten met alle vlees: en de verslagenen des Heren zullen velen zijn¼En Ik zal hen, die van hen ontkomen zijn, zenden tot de natiën,¼en zij zullen al uw broeders brengen¼in een rein vat tot het huis des Heren.” Jes.66:16,19,20{K.J.V.}. {TN2: 20.2}

Merk op dat deze profetische woorden zeggen dat zij die “ontkomen” zijn onder “de verslagenen des Heren” zullen worden gezonden “tot de natiën,” en dat zij “zullen [Zijn]heerlijkheid onder de heidenen verkondigen. En¼ zullen al [hun] broeders brengen¼uit alle natiën.” {TN2: 20.3}

20

Aangezien dit wereldwijde werk van verzameling niet gedaan kan worden nadat de genadetijd is gesloten, moet u de vijand u niet laten misleiden “met goede woorden en mooie preken.” Toon hem dat hij deze geïnspireerde passages niet op een andere manier kan uitleggen, en toch zijn uitlegging in overeenstemming te laten zijn met wat de Heer heeft gezegd in het voorafgaande schriftgedeelte evenals in de volgende verklaring van de Geest der Profetie: {TN2: 21.1}

“Terwijl het onderzoekend oordeel voortgaat in de hemel¼zal er een bijzonder werk van reiniging zijn¼onder Gods volk op aarde¼Dan zal de gemeente, welke de Heer tot Zich zal nemen bij Zijn komst, zijn ‘een heerlijke gemeente, hebbende geen vlek, of rimpel, of iets dergelijks.’ Dan zal zij voortkomen ‘als de morgen, schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijsbanieren.’” -The Great Controversy, blz.725{De Grote Strijd, blz.445}.{TN2: 21.2}

Deze verklaring van de Geest der Profetie geeft ook duidelijk aan dat de reiniging plaatsvindt voordat de genadetijd afsluit, of “terwijl het onderzoekend oordeel voortgaat in de hemel, “ en dat de kerk dan, schoon en vlekkeloos, zal uitgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen. (Prophets and Kings, blz.725 {Profeten en Koningen, blz. 445}). {TN2: 21.3}

Broeder, zuster, staat niet op tegen deze boodschap van uitredding, en door zo te doen u te voegen bij de gelederen van de vijand, die het onkruid zaaide in de kerk, en die vastbesloten is om hen daarin te houden, want hij weet

21

dat met een gereinigde kerk, zijn macht zal worden verbrijzeld, en de barrières die hij ertegen heeft opgericht aan stukken vergruisd zullen worden! Inderdaad, “wij hoeven nooit te verwachten dat wanneer de Heer licht heeft voor Zijn volk, Satan er rustig bij zal staan, en geen poging zal doen om te voorkomen dat zij het zullen ontvangen. Hij zal op het verstand werken om wantrouwen en jaloezie en ongeloof op te wekken.” -Testimonies, Vol. 5, blz.728{Getuigenissen, Deel 5, blz. 592}. {TN2: 21.4}

Uit de bewijzen die zijn aangehaald, torenen de feiten zich uit dat  de reiniging plaatsvindt voordat het werk van het evangelie is volbracht in welk deel dan ook van de wereld: want zij die de slachting “ontkomen” worden gezonden  om “al [hun] broeders {te} brengen tot een offer voor de Here uit alle natiën.” Het is dan noodzakelijk, dat de vervulling van dit “bijzonder werk van reiniging” voorafgaat aan de aanvang van “De Luide Roep.” Het dubbele afdoende bewijs hiervan is dat de Geest der Profetie verklaart dat “het ware volk van God, dat de geest en het werk van de Heer(..)heeft, zal altijd aan de kant staan van een getrouwe en eenvoudige afhandeling met zonden¼In het bijzonder in het afsluitingswerk voor de kerk, in de verzegelingtijd van de honderd vierenveertig duizend¼” Dit bijzonder werk van reiniging en “verzegeling van de dienstknechten Gods is dezelfde die aan Ezechiël in een visioen werd getoond.” -Testimonies, Vol.3{Getuigenissen, Deel 3}, blz.266;Testimonies to Ministers{Getuigenissen voor Predikanten}, blz.445. {TN2: 22.1}

Het visioen van Ezechiël openbaart dat zij die “zuchten en uitroepen voor al de gruwelen die

22

bedreven worden in het midden daarvan”(de kerk) worden gemerkt, of verzegeld, en dat de mannen met “slachtwapens” dan “doden volkomen oud en jong, beide maagden en kleine kinderen en vrouwen” die het merkteken niet hebben. De reiniging van de kerk, is daarom een scheiding van de zondaars van het ware volk van God.Tegen de tijd van de vervulling ervan, in de ogenblikkelijke toekomst, ontvangen de 144.000 het zegel, of teken, ontkomen van de slachting, worden de “dienstknechten van God,” en gaan voort tot de natiën om het werk te volbrengen. Dit maakt hun tot de “eerste vruchten” van de levenden die opgenomen zullen worden, en “al hun broeders” die zij binnenbrengen (de “grote schare” van Openbaring 7, vers 9), de tweede vruchten van de levenden die opgenomen zullen worden: want waar er geen tweede vruchten zijn, kunnen er ook geen eerste zijn. (Voor meer licht over dit onderwerp, lees Traktaat Nr.1, Hetgeen Extra Vooraf Gaat aan het Elfde Uur {Tract No.1, Pre-“Eleventh Hour” Exrta!}) {TN2: 22.2}

Broeders en zusters, wij moeten “zuchten en uitroepen” tegen de zonden in de kerk; niet tegen de boodschap die ons zal verzegelen voor opname en ons tot een volk zal maken, die op passende wijze wordt gesymboliseerd door de bergen van koper. Uw zuchten en uitroepen voor de gruwelen bedreven in haar “midden”, maakt u geschikt voor het “teken”; maar als u zou trachten de gruwelen te bedekken, dan zult u vallen onder de slachtwapens van de engelen. De kerk zal gereinigd en schoon en geschikt gemaakt worden, om Gods Woonplaats te zijn. Zij kan op geen andere manier geïdentificeerd worden als de

23

“berg van koper,” het symbool van standvastigheid{duurzaamheid}. Dit is de kerk die zal “ingaan tot haar laatste strijd,” en de ene waarop de draak “toornig” zal zijn: want de symbolische “vrouw” en “haar zaad,” bewaren als een lichaam de geboden van God en hebben de “getuigenis van Jezus Christus.” Openb.12:17{K.J.V.} {TN2: 23.1}

Hebbende volledig opgehelderd het eerste gedeelte van Zacharia’s symbolisme, richten wij nu aandacht tot

Het Vallei Tussen De Twee Bergen. {TN2: 24.1}

De waarheid stevig vastgesteld hebbende, dat de eerste Christelijke kerk wordt voorgesteld door één van de “koperen bergen,” en de kerk die het evangeliewerk afsluit door de andere, dan volgt het als een logische aaneenschakeling dat het vallei{dal} dat er tussen ligt, van waaruit de vier wagens komen, een voorstelling moet zijn van de periode vanaf de ene kerk tot de ander. Het volgende symbolisme om dan in beschouwing te nemen, zijn

De Vier Wagens. {TN2: 24.2}

De profeet Zacharia zegt: “Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: DE HEILIGHEID DES HEREN.” Zach.14:20. Als symbolen die verscheidene lessen illustreren, worden paarden op een zeer uitstekende wijze in de Schriften gebruikt, zijnde natuurlijk, in elk geval uitstekend aangepast op de omstandigheid of situatie. In dit verband, stellen zij mensen voor, want de klank van hun “bellen” is “DE HEILIGHEID

24

DES HEREN”; terwijl “de krampachtige, onregelmatige bewegingen van sommigen die beweren Christenen te zijn, wordt op herkenbare wijze voorgesteld door het werk van sterke, maar ongeoefende paarden. Wanneer de één naar voren trekt, trekt een ander naar achteren.” -Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz. 489, 490. {TN2: 24.3}

Deze symbolische “paarden” beschrijven daarom elk een zekere klasse mensen, in verband staande met de kerk. En wegens het feit dat elke groep een wagen leidt, kunnen zij alleen een klasse kerkleiders aanduiden. De wagens moeten dus op enige wijze beschrijven de kerklidmaatschap welke de symbolische paarden leiden. Bovendien, op Zacharia’s vraag: “Wat zijn deze, mijn heer?…antwoordde de engel, en zeide: ¼Deze zijn de vier geesten des hemels, welke voortgaan van waar zij  stonden voor de Here van de ganse aarde.” Zach. 6: 4,5. Vandaar dat deze symbolisme staat voor door de hemel geschapen boodschappen die worden gedragen door de kerk op aarde. En aangezien de boodschap zelfuitleggend is, dan beantwoordt het de vraag:

Waarom een Wagen als Symbool voor een Kerk? {TN2: 25.1}

De Schriften symboliseren Gods kerk met verscheidene aardse voorwerpen. Ter illustratie: “Te dien dage,” zegt de Heer, “zal Ik Jeruzalem maken tot een laststeen voor alle volken: allen die zichzelf ermee belasten zullen aan stukken gesneden worden.” Zach,12:3{K.J.V.}. “Gij zult ook een kroon der heerlijkheid zijn in de hand des Heren.” Jes. 62:3. “En

25

 de zeven kandelaren die gij zag, zijn de zeven gemeenten.” Openb.1:20. {TN2: 25.2}

Hetzelfde voorwerp kan niet op volmaakte wijze de kerk beschrijven onder verscheidene situaties en omstandigheden en verhoudingen. Bijvoorbeeld, de kerk die Christus baarde (Openb.12:1,2) kan enerzijds niet op gepaste wijze worden gesymboliseerd door een wagen, maar eerder alleen door een vrouw, terwijl anderzijds de kerk, waarmee God de natiën zal breken, niet op gepaste wijze kan worden vergeleken met een vrouw, maar eerder met een “steen”(Dan.2:45), of een “bijl.” Jer.51:20. Voor een kerk in haar werk van het vergaderen van zielen, is het meest passende symbool een “wagen,” en voor haar leiding, vanzelfsprekend “paarden.” {TN2: 26.1}

Aangezien er, in de symbolisatie die vóór ons is, vier wagens zijn om geïdentificeerd te worden, moeten wij daarom elk één apart in beschouwing nemen, beginnend met

De Eerste Wagen. {TN2: 26.2}

De ononderbroken volgorde van de wagens toont aan een reeks van evangelische gebeurtenissen. “Aan de eerste wagen waren rode paarden.” Dat de kleur rood staat voor bloedvergieten, bevestigt de Geest der Profetie: “Terwijl wij doorreisden, ontmoetten wij een gezelschap¼Ik bemerkte als een rode zoom aan hun klederen¼Ik vroeg Jezus wie zij waren. Hij zei dat zij martelaren waren die voor Hem waren gedood.”– Early Writings, blz. 18,19{Eerste Geschriften, blz.10,11}. De rode zoom aan de klederen van dit gezelschap

26

 zijnde symbolisch voor marteling, dan geeft de rode kleur van de “paarden” klaarblijkelijk aan de gemartelde leiders van de kerk vóór 538 N.Chr. {TN2: 26.3}

Ter beantwoording op de vraag van Zacharia betreffende wie de paarden waren en waar zij heengingen, antwoordde de engel: “De zwarte paarden die daaraan zijn gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, hen achterna; en de gevlekte paarden gaan uit naar het Zuiderland. En de voskleurige {sterke} paarden gingen uit, en trachtten te gaan opdat zij de aarde konden doorwandelen.” Zach. 6:6,7. Hoewel  het antwoord van de engel de respectievelijke richtingen vrijgeeft waarheen de zwarte, witte, gevlekte, en voskleurige paarden gingen, verzuimt het de geringste opmerking te maken over de rode paarden, aldus richtend op de slotsom dat de rode paarden waren gemarteld en nergens heengingen in zoverre het hun uiteindelijke bestemming betreft. Daar dit duidelijk is, is onze volgende stap logischerwijs, om te identificeren

De Tweede Wagen. {TN2: 27.1}

“En aan de tweede wagen {waren} zwarte paarden.” Over het algemeen gesproken, is de figuurlijke betekenis van “zwart” slavernij. Aangezien dus de marteling van de eerste Christelijke kerk  werd gevolgd door de Duistere Middeleeuwen van godsdienst, van 538 N.Chr. tot 1798 N.Chr., dan is het duidelijk, dat de wagen met de zwarte paarden de kerk en haar leiding voorstelt gedurende deze lange profetische periode in de Kerkelijke Romeinse slavernij. Dit feit wordt bevestigd door de uitlegging van de engel van de

27

 bestemming van de paarden: “De zwarte paarden,” zei hij, “¼gaan uit naar het Noorderland.”  En “het Noorderland” is de Bijbelse term voor het vroegere Babylon, zoals er snel wordt gezien uit de volgende schriftgedeelten: {TN2: 27.2}

“¼zegt de Here God; ¼Ik zal Nebukadnezzar, de koning van Babylon, ¼van het noorden¼brengen.” Ezech.26:7.” Nogmaals: Toen de Joden terugkeerden van Babylon naar Jeruzalem, sprak God door Zijn profeet Zacharia, zeggende: “Oh, Oh, komt voort, en vlucht uit het land van het noorden” (Zach.2:6), aldus Babylon identificerend als “ het Noorderland.” Maar aangezien wij te maken hebben met de vervulling van profetie in de periode van het Nieuwe Testament, dan moet het Noorderland in dit verband het antitypische Babylon zijn -het Christelijk gemaakte Rome -waarheen Gods volk gedurende de periode van het Nieuwe Testament is gegaan. Deze scherp omlijnde waarheid betreffende de tweede wagen, leidt ons tot de uiteenzetting van

De Derde Wagen. {TN2: 28.1}

En er waren “aan de derde wagen witte paarden.” Aangezien zwart slavernij betekent, dan moet wit, zijnde het tegenovergestelde van zwart, vrijheid aanduiden. Daarom, moeten de witte paarden met hun wagen een voorstelling zijn van de kerk die volgt na haar 1260 jaren periode van Romeinse slavernij. De engel zei tot Zacharia: “De witte gaan uit achter” de zwarte paarden, naar het Noorderland. De witte wagen stelt daarom

28

 een vrije kerk voor, die een van de hemel gezonden boodschap uitdroeg tot het Noorderland, kort na 1798 N.Chr., in een tijd van vrijheid. De enige soortgelijke boodschap die opgetekend wordt gevonden, is dat van de Millerieten beweging, waarvan wij lezen: {TN2: 28.2}

“Aan William Miller en zijn medearbeiders was het gegeven om de waarschuwing te verkondigen in Amerika. Dit land werd het middelpunt van de grote Advent Beweging¼De geschriften van Miller en zijn medewerkers werden vervoerd naar verre landen. over de gehele wereld, waar dan ook de zendelingen hadden binnengedrongen, werd het goede nieuws van Christus’ spoedige wederkomst verzonden.” -The Great Controversy, blz.368{De Grote Strijd, blz.343}. {TN2: 29.1}

Maar hoewel “de witte paarden” naar het “Noorderland” gingen, waren de Millerieten, of “Eerste Advent Beweging,” niet in antwoord op de roeping, “kom uit van haar, Mijn volk.”  Dit wordt duidelijk gemaakt door de eigen woorden van Miller: “Tijdens al mijn werk¼had ik nooit ernaar verlangd of eraan gedacht om enige apart belang te vestigen van die van de bestaande kerkgenootschappen, of om één te bevoordelen ten koste van een andere. Mijn gedachte was om voor allen nuttig te zijn.”The Great Controversy, blz.375{De Grote Strijd, blz.351}. {TN2: 29.2}

De beëindigende openbaring is:”Zie, dezen die uitgaan naar het Noorderland, hebben Mijn Geest tot rust gebracht in het Noorderland.” Zach.6:8. Nadat de waarschuwende boodschap door de Millerieten beweging werd verworpen door de kerken, ter vervulling van de woorden,”hebben Mijn Geest tot rust gebracht in het

29

 Noorderland,” onttrok God Zijn Geest van hen. Als bewijs hiervan, kondigde “de Tweede Engel” aan: “Babylon is gevallen.” Openb.14:8. {TN2: 29.3}

De voorafgaande keten van feiten die de eerste drie symbolische “wagens” omgeven, toont aan dat de reeks van evangelische gebeurtenissen die zij omvatten, eindigden met de Millerieten beweging in 1844 N.Chr. En het toegevoegde feit dat de “witte” kleur van de “paarden “ ook reinheid aangeeft, toont aan dat de “derde wagen” een voorstelling is van de kerk die van al de zeven kerken de enige is die wit is, zonder veroordeling-de gemeente Filadelfia (Openb. 3:7). {TN2: 30.1}

Het Woord van God is vol betekenis; de diepte ervan is ondoorgrondelijk; en de waarheid ervan, is als de golven die altijd de kuststrook verbreken, de kust des levens bespoelend met nooit ophoudende golven, waarvan één het feit inbrengt dat de Millerieten gemeente “Filadelfia” wordt genoemd, niet slechts bijkomstig was. De naam, wat “broederlijke liefde” betekent, was goddelijk ontworpen, en zal, in de gehele Christelijke tijdperk, op geen andere kerkelijke organisatie toepasselijk zijn dan de die van de Millerieten-de enige {kerk} die zich niet schuldig heeft gemaakt aan het uitwerpen van haar broeders en zusters voor het horen naar een boodschap van God, of aan het beperken van hun godsdienstige vrijheid om voor zichzelf welke beweerde waarheid dan ook te onderzoeken!  Zij alleen, staat daarom vrij van de schuld en veroordeling die wordt benadrukt in de aanklacht van de Heer: {TN2: 30.2}

30

“Hoort het woord des Heren, gij die voor Zijn woord beeft; Uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijn Naams wil, zeiden: Laat de Here verheerlijkt worden: maar Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd zijn.” Jes. 66:5{K.J.V.}. Deze door de hemel veroordeelde, omdat zij zichzelf aangesteld hebben, rechters, gingen zelf niet binnen, en zij die binnengingen, hielden zij tegen (Lukas 11:52). Ter herhaling: De Millerieten, of “Eerste Advent Beweging,”  zijnde de enige die nooit welke broeder dan ook van hen heeft uitgeworpen, is dus de enige kerk die voorgesteld kan worden door de witte wagen, en de enige die waardig is tot de naam “Filadelfia”– “broederlijke liefde.” {TN2: 31.1}

Alle zeven van deze antitypische kerken (Openb. 2 en 3) begonnen goed, mar vroeg of laat slaagde Satan erin om in elke van hen opeenvolgend een vloed van satanische werktuigen (figuurlijk gesproken, het “onkruid”) binnen te brengen in een kleed van belijdende gelovigen van de Waarheid. In het bijzonder is dit het geval geweest met de geestelijke leiding, door wie hij in staat is geweest om gehele kerken op een dwaalspoor te leiden. En altijd zijn sommigen van de leden die hebben geweigerd de leiding van mensen te volgen in plaats van dat van Christus, eruit geworpen. Inderdaad, wanneer dan ook God een boodschap zendt naar Zijn kerk, heeft de geestelijke leiding, in plaats van de boodschappers bij te staan en te helpen de boodschap tot het volk te brengen, ertegen gestreden, haast als een eenheid in de weg staande ervan, zodat het de mensen niet bereikt! Aantonend hoe de geestelijke leiding probeerde de “Eerste Advent Boodschap”

31

 uit te blussen, en hoe zij de leken vervolgden die het waagden de preken van Miller bij te wonen, zegt de kerkelijke geschiedenis: {TN2: 31.2}

“Maar toen bedienaren en godsdienstige leiders een besluit namen tegen de adventleer, ernaar verlangden alle opschudding rond het onderwerp te onderdrukken, stonden zij het niet alleen tegen vanaf het kansel, maar ontzegden hun leden ook het voorrecht om predikaties over de tweede advent  bij te wonen, of zelfs te spreken over hun hoop in de sociale bijeenkomsten van de kerk.” “¼Daarom werd het grotendeels toevertrouwd aan nederige leken. Boeren verlieten hun velden, monteurs hun werktuigen, handelaren hun handelswaar, vaklieden hun beroep; en toch was het aantal werkers klein in vergelijking met het werk dat moest worden volbracht.” – The Great Controversy, blz. 376,368{De Grote Strijd, blz.351,352, 344}. {TN2: 32.1}

“Het werk was niet gegrondvest op de wijsheid van geleerde mensen, maar op de kracht Gods. Het waren niet de meest getalenteerde mensen, maar de meest nederige en toegewijde mensen, die het eerst de oproep hoorden en gehoorzaamden¼zij die voorheen leidden in de zaak behoorden tot de laatsten die zich bij de beweging aansloten.”-The Great Controversy, blz. 402{De Grote Strijd, blz. 375,376}.

“Het feit dat de boodschap voor een groot deel werd gepredikt door leken werd aangemoedigd als een argument ten ongunste ervan. Zoals van ouds, werd de duidelijke getuigenis van Gods Woord ontmoet met de ondervraging: ‘Hebben enigen van de regeerders of  van de Farizeeërs het geloofd?’…Menigten, die zonder bezwaren vertrouwden op hun predikanten,  weigerden te luisteren naar de waarschuwing;

32

en anderen, hoewel zij overtuigd waren van de waarheid, waagden niet het te belijden, opdat zij niet “uit de synagoge gezet” zouden worden.”-The Great Controversy, blz. 380{De Grote Strijd, blz.355}. {TN2: 32.2}

“De ware volgelingen van Christus¼wachten niet totdat de waarheid populair wordt. Overtuigd zijnde van hun plicht, aanvaarden zij moedwillig het kruis.” – The Great Controversy, blz. 460{De Grote Strijd, blz.426}. “De halfhartigen en oppervlakkigen konden niet langer steunen op het geloof van hun broeders.” — The Great Controversy, blz. 395{De Grote Strijd, blz.370}. “In plaats van hetgeen zij niet begrijpen in twijfel te trekken en te bekritiseren, laten zij gehoor geven aan het licht dat reeds op hen schijnt, dan zullen zij groter licht ontvangen.” — The Great Controversy, blz. 528{De Grote Strijd, blz.485}. {TN2: 33.1}

“Er is altijd een groep mensen geweest die belijden godsvruchtig te zijn, die, in plaats van na te volgen om de waarheid te weten, het tot hun religie maken om enige karakterfout of dwaling in het geloof te vinden bij degenen waarmee zij het niet eens zijn. Dezulken zijn helpers van Satan, die aan zijn rechterhand staan.” — The Great Controversy, blz. 519{De Grote Strijd, blz.478}.{TN2: 33.2}

“Allen die naar haken zoeken om hun twijfels daaraan op te hangen, zullen die vinden. En zij die weigeren Gods woord  aan te nemen en te gehoorzamen totdat elk bezwaar is weggenomen, en er niet langer een mogelijkheid is voor twijfel, zullen nooit tot het licht komen.”– The Great Controversy, blz. 527{De Grote Strijd, blz.485}.{TN2: 33.3}

Van al “de zeven gemeenten” (Openb. 2 en 3), is alleen de gemeente Filadelfia (de Millerieten) niet in de problemen geraakt door deze zelfde satanische praktijken. Altijd getrouw zijnde aan God, sloot het haar korte maar vlekkeloze loopbaan af in 1844, haar

33

aangewezen bestemming. Door haar gehele leven te hebben geleefd onder het persoonlijke toezicht van haar oprichter, werd het nooit opnieuw gevormd. Aldus zijnde zonder veroordeling, zoals op volmaakte wijze wordt geïllustreerd door de derde “wagen”, en zijn “witte paarden,” steekt zij in stoutmoedig reliëf uit tegen de opvolgende beweging, voorgesteld door

De Vierde Wagen. {TN2: 33.4}

Aangezien de eerste drie “wagens” de geschiedenis van de kerk behelzen tot aan 1844 N.Chr., dan moet de vierde een daarna volgende kerkelijke organisatie voorstellen – een opvolger  van de Millerieten, of Filadelfia gemeente. De laatste van “de zeven gemeenten,” de gemeente der “Laodiceeërs,” is daarom noodzakelijkerwijs de ene die wordt gesymboliseerd door de vierde “wagen.” {TN2: 34.1}

Temidden van de multi-sektarische verwarring dat zich te ver spreidt over het gehele Christendom in de tegenwoordige tijd, kan het moeilijk toeschijnen om de Laodiceeërs  te onderscheid en van de rest. Maar de grote Ontwerper van typen en symbolen, de Ene Die, het einde vanaf het begin ziende, aldus voorzag wat de toestand en het werk van de laatste van “de zeven gemeenten” zou zijn, moet daarom door Zijn Woord in staat zijn om deze kerk uit de menigte van kerken uit te zoeken, en het te plaatsen als een vuurtoren, doorschijnend in het donkerste uur van de nacht. {TN2: 34.2}

Maar zelfs zoals Satan vastbesloten pogingen deed om de naam  “Filadelfia” verkeerd te gebruiken, en aldus het uit het gezicht weg te benevelen

34

en maken dat het onopgemerkt {voorbij}ging, alzo heeft hij in verwarring gebracht

De Naam van de Laatste Wagen. {TN2: 34.3}

Net zoals de naam “Filadelfia” past op slechts één kerkelijke organisatie, en op slechts één van de wagens, alzo kan de naam “Laodiceeërs” logischerwijs op slechts één van de wagens en slechts één kerkgenootschap passen. Het woord zelf, is afgeleid van het Griekse woord: Lego-dikean, wat betekent: “verkondigende oordeel.” Na het voorval van de gemeente Filadelfia, moet er daarom een gemeente zijn die oordeel verkondigt. En het is een historisch feit dat in 1844 N.Chr., juist in het jaar dat de Millerieten beweging aan het einde kwam van haar toegewezen koers, er een nieuwe beweging opkwam, het Zevende-dags Adventistische kerkgenootschap, verkondigend: “Vrees God, en geef Hem eer; want de ure van Zijn oordeel is gekomen.” Openb. 14:7. {TN2: 35.1}

Ondanks het onbenijdenswaardig verslag van de Laodiceese gemeente, verklaart de grondlegger van haar beweging, anders dan de grondleggers van andere bewegingen, eerlijk in Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, blz.252: “De boodschap aan de gemeente van de Laodiceeërs is een opzienbarende berisping, en is van toepassing op het volk van God in de huidige tijd” – de Zevende-dags Adventisten. Het oordeel verkondigend, evenals zich bevindend in de ongedane toestand zoals is beschreven, is de Z.D.A. gemeente de enige die rechtmatig kan worden genoemd “Laodiceeër,“-Verkondigend Oordeel. Wat een absolute gelijke tussen beschrijving en toestand{conditie,situatie}!

35

O, maak met mij de Here groot, en laat ons tezamen Zijn naam verheffen,” want Hij heeft “[Zijn] Woord grootgemaakt boven gans [Zijn] naam.” Ps. 34:2;138:2{K.J.V.}. {TN2: 35.2}

Aangezien zowel de derde als de Filadelfia gemeente zijn geïdentificeerd als voorstellende de Millerieten beweging, en ook aangezien de Laodiceese gemeente is geïdentificeerd als voorstellende de Zevende-dags Adventistische beweging, dan is het onbetwistbaar gevolg dat de “vierde wagen,” de laatste van de wagens, een voorstelling is van de Z.D.A. kerk – de Laodiceese. {TN2: 36.1}

Als deze toepassing nu van “de wagen” verkeerd is, dan is vanzelfsprekend het eenvoudige en duidelijke bewijs, dat het niet passend kan worden gemaakt om te passen bij de Z.D.A gemeente, maar als het juist is, dan kan het, op dezelfde manier, niet passend gemaakt worden om bij welke andere gemeente dan ook te passen dan bij de Adventisten gemeente: want de goddelijke symbolen zijn op volmaakte wijze ontworpen om bij slechts één voorwerp te passen. De laatste test van de uitlegging die hier wordt gegeven, is daarom de overtuigendheid van het tegenstrijdige gedeelte van het symbolisme-

De Gevlekte en de Voskleurige – Dubbele Leiderschap. {TN2: 36.2}

En aan de “vierde wagen” waren “gevlekte en voskleurige paarden.” Het afwijkende {abnormale}gedeelte van deze symbolische profetie is, duidelijk gezien, dat de vierde wagen, anders dan de andere drie, een dubbele span paarden heeft. Maar

36

het meest fascinerende betreffende het gehele symbolisme, is het tegenstrijdige feit dat de gevlekte “naar het Zuiderland” gingen, en de voskleurige gingen uit, en “..doorwandelden de aarde”! Zach.6:6,7. De gevlekte gaan één kant op, en de voskleurige een andere kant, en toch trekken zij beiden aan dezelfde wagen! {TN2: 36.3}

Het is dan duidelijk, dat deze vreemde omstandigheid een speciale les van tegenwoordige waarheid moet inhouden die van groot belang is voor de kerk van God op het huidige uur, wanneer het visioen is opengelegd en de waarheid ontvouwd, de tijd waarin de kerke wordt geconfronteerd met een vreemd en verwarrend probleem, welke menselijke wijsheid niet in staat is op te lossen. {TN2: 37.1}

De verschillende spannen die gekoppeld zijn aan de vierde wagen, elk trekkend naar een andere richting dan van de ander, tonen niet alleen aan dat er en dubbele leiderschap is in de Laodiceese kerk, maar ook dat de ene weerstand biedt tegen de ander in karakter evenals in doel. Aangezien deze situatie vreemd is, zullen de wijzen het goed in beschouwing nemen. Gezien hebbende dat het Woord van God het heeft gesproken, en dat het symbolisme op volmaakte wijze de wedstrijd beschrijft welke juist voor hun ogen plaatsvindt, zullen zij vasthoudend de waarheid aangrijpen. {TN2: 37.2}

Voor de verklaring nu van het hoogtepunt bereikende en raadselachtige gedeelte van deze symbolisatie, moeten wij gaan naar het verslag van het verleden en heden van de Laodiceese gemeente. Aangezien de

37

 boodschap aan iedere kerk is gericht tot de “engel” die verantwoording heeft  de kandelaar (de kerk, Openb.1:20), werd Johannes geïnstrueerd: “En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodiceeërs.” Openb.3:14{K.J.V.}. Maar deze engel kan geen hemelse engel zijn, want hij is schuldig: “Noch koud, noch heet,” maar “jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt” “en weet niet.” Openb.3:16,17. Wat anders zou deze engel kunnen zijn dan een aardse, die verantwoordelijkheid is gegeven over de “kandelaar”? Het is daarom duidelijk, dat hij en de dienstknecht “die de Here als heerser over zijn huishouden heeft gesteld, om hen voedsel op zijn tijd te geven” (Matt. 24:45) identiek zijn, waarvan beiden de leiding van de kerk voorstellen, niet het lidmaatschap. {TN2: 37.3}

Een ieder die een redelijke kennis heeft van de Schriften, zou moeten weten dat God Zijn werk op aarde niet kan afronden met een “jammerlijke, en ellendige, en arme, en blinde, en naakte” leiding; en wat erger is, één die zelfs haar conditie {situatie} niet kent. Zij die de overweldigende goddeloosheid overal verontschuldigen, zijn niet Gods ware volk; zij zijn het “onkruid,” het zaad van de Boze. {TN2: 38.1}

“De boodschap die God zendt door middel van Zijn dienstknechten,”zegt de Geest der Profetie, “zal veracht en bespot worden door ontrouwe herders, die met hun voeten het voedsel van de weiden vertreden, de kudde als voedsel gevende datgene wat zij verontreinigd hebben. ‘Wee

38

de Herders die de schapen van Mijn weide vernietigen en verstrooien! Zegt de Here.’” –Review and Herald, 25 juni, 1901. {TN2: 38.2}

Met het oog op dit droevige feit, moet God een tweede leiding hebben om Zijn grootste werk sinds de wereld begon af te ronden. Van deze tweede set dienstknechten lezen wij:”En ik zag een andere engel roepen met luide stem tot de vier engelen,¼,zeggende: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, totdat wij de dienstknechten van onze God aan hun voorhoofden verzegeld hebben.” “En in hun mond werd geen bedrog gevonden: want zij zijn onberispelijk{zonder schuld} voor de troon van God.” Openb.7:2,3;14:5{K.J.V.}. {TN2: 39.1}

Aldus brengt het Woord van God, door getuigenis en door symbool, twee verschillende klassen “dienstknechten” in zicht -de ene “lauw,” de ander “zonder schuld.” {TN2: 39.2}

Zo belangrijk is dit onderwerp dat de Geest der Profetie het licht werpt op nog een ander aspect ervan: {TN2: 39.3}

“Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal een zuiver en waarachtig volk hebben¼Zij die vertrouwd hebben op intellect, genie of talent, zullen dan niet aan het hoofd staan van rang en rij.” – Testimonies, Vol. 5,blz.80{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}. {TN2: 39.4}

Het feit dat onze conferenties alleen ambtelijke vergunningen verlenen aan afgestudeerden van de hoge school, toont aan dat zij vertrouwen op menselijke

39

wijsheid–wijsheid die God nú niet méér kan gebruiken dan Hij dat kon toen Mozes het ten toon spreidde. En het feit dat zij jarenlang deze dwaze koers hebben nagevolgd, is een andere onbetwistbare aanduiding in het bewijs dat de geestelijke leiding in de huidige tijd is samengesteld uit mensen die God niet kan gebruiken, niet alleen omdat zij onafhankelijk zijn van Hem, maar ook omdat zij tegen Zijn wil in uit het werk hebben buitengesloten degenen die Hij kan gebruiken: {TN2: 39.5}

“Nu wil ik zeggen, dat God geen koninklijke macht in onze gelederen heeft geplaatst om deze of die vertakking het werk te beheren. Het werk is grotendeels beperkt geweest door de pogingen om het op elk gebied te beheersen. Hier is een wijngaard die haar dorre plaatsen presenteert die geen arbeid hebben ontvangen. En als iemand deze plaatsen zou beginnen te bewerken in de naam van de Heer, dan zou hij, tenzij hij de toestemming zou krijgen van de mensen in een kleine gezagskring, geen hulp ontvangen. God bedoelt dat Zijn werkers hulp zullen ontvangen. Als er honderd een zending zouden beginnen naar behoeftige gebieden, roepende tot God, zou Hij de weg voor hen bereiden. {TN2: 40.1}

“Laat mij u vertellen, dat als uw hart in het werk is, en u geloof heeft in God, dan hoeft u zich niet afhankelijk te stellen van de toestemming van welke predikant of welke mensen dan ook: als u juist te werk gaat in de naam van de Heer, door op een nederige manier te doen wat u kan om de waarheid te onderwijzen, dan zal God u rechtvaardigen. {TN2: 40.2}

“Als het werk niet zo beperkt was geweest

40

 door een beletsel hier, en een beletsel daar, en een beletsel aan de andere kant, dan zou het voort zijn gegaan in haar majesteit. Het zou in de eerste plaats in zwakheid zijn voortgegaan; maar de God des hemels leeft.” -Review and Herald, 16 April, 1901. {TN2: 40.3}

Pas toen Paulus alle vertrouwen op menselijke wijsheid had verzaakt, het tot verlies rekenend voor Christus, was God in staat om hem te verheffen in Zijn machtige hand. “En ik, broeders,” zegt de grote apostel, “¼kwam niet met voortreffelijkheid van spraak of van wijsheid, u de getuigenis van God verkondigend.” 1 Kor.2:1. Maar anders dan de vernederde Paulus, “zijn” de voorname mensen in de kerk van vandaag “zelfverzorgend, onafhankelijk van God, en Hij kan ze niet gebruiken¼De oproep tot dit grote en ernstig werk werd,” sinds 1844, “gepresenteerd aan de mannen van leer en positie; als deze mannen klein waren geweest in hun eigen ogen, en volledig vertrouwd hadden op de Heer, dan zou Hij hen geëerd hebben met het uitdragen van Zijn standaard  in zegeviering tot de overwinning. Maar zij scheidden zich van God, gaven zich over aan de invloed van de wereld, en de Heer verwierp hen.” -Testimonies, Vol.5, blz.80,82 {Getuigenissen, Deel 5, blz.71,72}. {TN2: 41.1}

Maar “de Heer heeft getrouwe dienstknechten, die in de tijd van schudding en beproeving zichtbaar bekend gemaakt zullen worden. Er zijn kostbaren nu verborgen die hun knie niet voor Baäl hebben gebogen. Zij hebben het licht niet gehad dat in een geconcentreerde vlammenzee op u heeft geschenen. Maar het kan zijn dat onder een ruwe en onaantrekkelijk uiterlijk, de zuivere helderheid

41

 van een oprechte Christelijk karakter zal worden geopenbaard.” -Testimonies, Vol.5, blz.80, 81{Getuigenissen, Deel 5, blz.70}. {TN2: 41.2}

Aldus verheffen de Bijbel en de Geest der Profetie, in hun volmaakte wederzijdse harmonie, andermaal elkaar, en verhelderen de tegenstrijdigheid van de vierde wagen – haar dubbele span paarden waarvan elk, zoals geopenbaard door hun kleuren en doelen, vijandig is in karakter, beginsel, en doelstelling; elk vechtend voor het recht op de wagen. Zich inspannend om het in het Zuiderland (Egypte) te houden, waar zij blindelings zijn “dik geworden op hun droesem,” ”zeggen” de gevlekte, de leiding die juist aan het hoofd staat van de wagen, “in hun hart, De Here zal geen goed doen, noch zal Hij kwaad doen. Daarom zullen hun goederen een buit worden, en hun huizen een verwoesting.” Zef. 1:12.13. Terwijl de voskleurige, de leiding achter de gevlekte, trachten de aarde te doorwandelen. {TN2: 42.1}

De eersten zeggen: “Hij is te genadig om Zijn volk met een oordeel te bezoeken” bij het vervullen van Ezechiël 9 over hen, terwijl de laatsten zuchten en uitroepen vanwege de gruwelen in het midden daarvan. Aldus, terwijl er achter de gevlekte paarden een geroep is van Gods bezoeking, is er voorop van de voskleurige, een geroep van “vrede en veiligheid¼van mannen die nooit meer hun zullen verheffen als een bazuin om Gods volk hun overtredingen te tonen en het Huis van Jakob hun zonden. Deze stomme honden, die niet wilden blaffen,” zegt de stichtster van de kerk, “zijn

42

degenen die de rechtvaardige vergelding voelen van een beledigde God. Mannen, jonge meisjes, en kleine kinderen, allen komen tezamen om.“ -Testimonies, Vol. 5, blz. 211{Getuigenissen, Deel 5, blz.173}. {TN2: 42.2}

Terwijl wij daarom op profetische wijze de mislukking van de gevlekte paarden aanschouwen om het beheer over de wagen (de kerk) te behouden vanwege hun nalatigheid van plicht, zien wij anderzijds de voskleurige paarden zowel profetisch als feitelijk zich gereedmakend om de wagen over te nemen op de aangewezen tijd; of, zoals de engel, sprekende in profetisch verleden, uitlegde: zij “trachtten te gaan opdat zij de aarde konden doorwandelen.” Zach. 6:7. {TN2: 43.1}

In kleur verschillend, zijn de twee teams een figuurlijke voorstelling van twee klassen dienstknechten die van karakter verschillen. De eerste klasse (de gevlekte) zijn “mannen van leer en positie,” maar “zelfverzorgend, onafhankelijk van God en Hij kan ze niet gebruiken.”  De laatste (de voskleurige), zij die “Hij zal oprichten en onder ons verheffen,” zijn “degenen die eerder worden onderricht door de zalving van de heilige Geest, dan door de uiterlijke opleiding van wetenschappelijke instellingen¼God zal openbaren dat Hij niet afhankelijk is van geleerde, zelfingenomen stervelingen.” -Testimonies, Vol. 5, blz.82 {Getuigenissen, Deel 5, blz.72} {TN2: 43.2}

De laatste klasse heeft ,bovendien, de “zuivere helderheid van een oprechte Christelijk karakter,” “maar het kan zijn onder een ruwe en onaantrekkelijk uiterlijk”-onaangetast door zogenaamde “hogere opleiding.” “Hij zal mensen gebruiken voor het volbrengen van Zijn doel,

43

 die sommigen van de broeders zouden verwerpen als ongeschikt om betrokken te zijn in het werk.” -Review and Herald, 9 Feb., 1885. “En Ik zal het overblijfsel van Mijn kudde vergaderen uit alle landen waartoe Ik hen verdreven heb, en zal hen weder brengen tot hun kooien; en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen. En Ik zal herders aanstellen over hen, die hen zullen voeden: en zij zullen niet meer vrezen, noch verontrust zijn, noch zullen zij gebrek hebben, zegt de Here.” Je. 23:3,4{K.J.V.}. {TN2: 43.3}

Hoewel deze dienstknechten Gods, die gedurende de reiniging van de kerk bekend gemaakt zullen worden, “niet het licht hebben gehad dat in een geconcentreerde vlammenzee heeft geschenen” op de anderen, toch wordt er van hen verklaard: “De meest zwakke en aarzelende in de kerk zal zijn als David – bereid zijnde te handelen en te wagen¼Dan zal de kerk  van Christus toeschijnen “‘schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren.’” “Zij zal voortgaan over de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.”- Testimonies, Vol. 5, blz.81,82 {Getuigenissen, Deel 5, blz.70,71};Prophets and Kings, blz.725{Profeten en Koningen, blz. 445}. {TN2: 44.1}

Waar anders in het gehele Christendom, dan in de Z.D.A. Kerkgenootschap (de kerk der Laodiceeërs), zal de vervulling van de profetische kerkelijke geschiedenis, ontvouwd in deze studie, worden gevonden? Als deze opzienbarende openbaring van tegenwoordige waarheid, zo duidelijk en zeker als het persoonlijk conflict tussen Goed en Kwaad, niet het Laodiceese hart bereikt,

44

dan kan niets het ooit bereiken. O broeder, zuster, laat uzelf niet voor dwaas houden; als dit uw hart nu niet op tijd bereikt om u te redden van het komende kwaad, dan zal het u zeker uiteindelijk overvallen, maar dan alleen om u te vernietigen, niet om te redden. Verblijf dus niet langer met de gevlekte paarden in Egypte, want door zo te doen zal het alleen zijn om daar met hen om te komen, terwijl

De Voskleurige Paarden De Wagen Brengen Naar Het Beloofde Land. {TN2: 44.2}

Aangezien de wagen wordt getrokken door beide ploegen, elk trekkend in een andere richten van de ander, is het vanzelfsprekend dat beiden niet kunnen winnen zonder het in tweeën te breken, en aldus het vernietigd en onbruikbaar achterlatend. Eén paar of de ander moet daarom van het tuig afgesneden worden. En het feit dat de voskleurige (de “sterke paarden,” Zach. 6:3, kantlijn) degenen zijn die “de aarde doorwandelen” terwijl de gevlekte paarden in Egypte blijven, toont aan dat de voskleurige alleen de wagen zullen bezitten en het zullen brengen van Egypte naar het beloofde land. {TN2: 45.1}

Hoewel deze opmerkelijke profetische symbolisatie, nu volledig geopend, simpelweg een andere gesloten profetie was toen de Herdersstaf, Deel 1 {The Shepherd’s Rod, Vol.1} werd gepubliceerd en door het gehele Z.D.A. kerkgenootschap werd gezonden in 1930, werd toch, in de gewichtige boodschap ervan aan Laodicea (verkondigend dat de profetie van het negende hoofdstuk van Ezechiël nabij is om in vervulling te gaan, en dat zij die aan de “slachting” ontkomen de toekomstige leiding van de kerk zullen samenstellen), de waarschuwende

45

 tragedie in de ongewone tegenstrijdigheid, hier geopenbaard, voorzien. Aldus zien wij dat de Herdersstaf van het begin aan, bij het projecteren{weergeven} van een voorvertoning van hetzelfde kritieke probleem, tegenkomend in de waarschuwende tegenstrijdigheid die hier wordt geopenbaard, was gepubliceerd om van tevoren uitlegging te geven van Zacharia’s profetie! En wederkerig, doet deze opmerkelijke voorzegging het Woord van God niet alleen nog wonderbaarlijker toeschijnen dan ooit tevoren, maar het ondersteunt ook de boodschap in de Herdersstaf, en ontsluiert de uitkomst van de verbijsterende moeilijkheid die voor ons ligt, welke desgelijks nooit heeft plaatsgevonden in de geschiedenis van de kerk. {TN2: 45.2}

Hoewel de leiders van het Z.D.A. kerkgenootschap vastbesloten zijn om uit de kerk te verdrijven allen die geloven in de boodschap van de Herdersstaf, proberen zij het te doen voorkomen alsof de aanhangers van de Staf zich vanzelf terugtrekken. De tegenstrijdige waarheid echter, toont aan dat zij “de wagen” zullen bezitten, en het weigeren van hen om de kerk te verlaten toont in feite de verzekering aan dat alleen de voskleurige paarden de paarden naar haar bestemming brengen-“doorheen de gehele aarde.” {TN2: 46.1}

De openbaring van deze waarschuwende tegenstrijdigheid toont ook aan dat God de Schriften beheerst en hen aan het licht brengt juist op de tijd waarin Zijn volk moet weten welke weg zij moeten inslaan! En nu, de weg gevonden hebbende, laat ons, zoals de apostelen dat deden, verblijven in de kerk met de boodschap, totdat wij worden verteld:

46

“Gaat gij heen, doorwandelt de aarde.” Aldus ons deel gedaan hebbend, zal er van ons gezegd worden: Koningen van legerscharen vluchtten haastig weg; en zij, die thuis (de kerk) bleef, deelde de roof uit. Al lag gij onder de potten, toch zult gij zijn gelijk de vleugels van een duif, overdekt met zilver, en haar veren met geel goud.” Ps.68:12,13{KJV–NBG,SV:vs 13,14}. {TN2: 46.2}

Terwijl dus de voskleurige paarden zich nu laten verzorgen om “heen en weer door de aarde” te gaan, trachten de gevlekte paarden de voskleurige weg te schoppen van de wagen en het te houden in

Het Zuiderland. {TN2: 47.1}

Om de antitypische betekenis vast te stellen van het “Zuiderland,” raadplegen wij de Openbaring: “En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd en zestig dagen, met zakken bekleed. En als Zij Hun getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest, dat uit de bodemloze put opkomt, krijg voeren tegen Hen, en zal Hen overwinnen en Hen doden. En Hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, welke geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Here gekruisigd was.” Openb.11:3,7,8{KJV}. {TN2: 47.2}

“De twee Getuigen,” zegt de Geest der Profetie, “stellen de Schriften van het Oude en het Nieuwe Testament voor¼Zij zetten hun getuigenis voort over de

47

gehele periode van 1260 jaren¼ De periode waarin de twee Getuigen met zakken bekleed zouden profeteren, eindigde in 1798¼Het geschiedde in 1793, dat de decreten welke de Christelijke godsdienst afschaften en de Bijbel terzijde legden{veronachtzaamden}[ of de ‘twee Getuigen’ doodden], door het Franse Congres werd goedgekeurd.”-The Great Controversy. blz.267,268,287{De Grote Strijd, blz.253,254,255, 270}. {TN2: 47.3}

Aangezien de atheïstische regering daarom in 1793 door de Schriften wordt genoemd “Sodom en Egypte, alwaar ook onze Here gekruisigd was,”-het vroegere Egypte -“het Zuiderland”-symbool staat voor onze tegenwoordige wereld in het algemeen, waar “onze Here was gekruisigd.” Dus, hoewel “de zwarte”en “de witte paarden” “tot het Noorderland”(Christendom) gingen, gingen “de gevlekte paarden” naar “het Zuiderland” (de wereld). {TN2: 48.1}

In opmerkelijke bevestiging van deze bijzondere fase van de profetie ging de Zevende-dag Adventistische kerkgenootschap voort, na de teleurstelling in 1844, ter vervulling van de goddelijke opdracht: “Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natiën, en tongen, en koningen.” Openb.10:11. Aldus bevestigt “het vaster staande woord der profetie,” uitvoerig uitgedragen door de kerkelijke geschiedenis, het feit dat de boodschap van de Z.D.A. kerkgenootschap naar de wereld is gegaan –Egypte. Vandaar, dat het gevaar van de “vierde wagen” (de Z.D.A.) niet het ingaan is tot Babylon, maar eerder tot Egypte. {TN2: 48.2}

48

Tot verdere bevestiging van dit duidelijke en alarmerende profetische feit, zegt de Geest der profetie: “Ik ben met droefheid vervuld wanneer ik denk aan onze toestand als een volk¼De kerk heeft zich teruggekeerd van het volgen van Christus als haar Leider, en gaat gestadig terug naar Egypte. Toch zijn er weinigen ontsteld of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht.”-Testimonies, Vol.5, blz.217{Getuigenissen, Deel 5, blz.178}. {TN2: 49.1}

Maar sommigen, met de fabelachtige struisvogel gewoonte van het hoofd begraven voor gevaar, roepen uit, als het ware, van onder het zand:”er is geen gevaar. Deze beweging zal zegevieren.” Maar het allerbeste bewijs dat het grote doel van de Z.D.A. beweging zich in groot gevaar bevindt te falen, is de diepe bezorgdheid betoond door de president van de Generale Conferentie, in een adressering gepubliceerd in de Review and Herald, 14 October, 1937, welke wij gedeeltelijk als volgt citeren: {TN2: 49.2}

“Ik vertel u ernstig dat er machten en invloeden werkzaam zijn die, indien zij ongehinderd worden, ons even onvoorbereid zullen doen zijn voor de tweede komst van Christus als Israël dat was voor Zijn eerste komst. Maakt u geen vergissing daarover. Ik zie dat die invloeden in werking zijn. De geest van Sadducee_sme is aan het werk als zuurdesem, en ik wil mijn stem verheffen in oprechte smeking dat u erop toeziet dat de deur gesloten is tegen alle dergelijke inbreuken… Ik schrijf het u allen aan om u bezig te houden met de strijd tegen de geest van Sadducee_sme, de geest van wereldse gelijkvormigheid, de geest

49

die, indien het wordt toegelaten om ongehinderd door te gaan, de gehele geest en het doel van deze beweging zal ondermijnen en veranderen¼Deze vraag kwam ook in mij op: Zijn wij, in onze verdediging van deze grote beginselen van waarheid die God ons heeft toevertrouwd, aan het toelaten dat de mantel van onze schouders valt op de schouders van anderen? Gaan wij anderen toestaan om onze plaats in te nemen en de wereld op te roepen tot een hervorming volgens enigen van deze regels? {TN2: 49.3}

De Doelstelling van de Beweging In de Weegschaal {Gewogen}”

“Ik geloof dat wij onszelf op machtige wijze in beroering behoren te brengen. Dit is geen gewone tijd. De tijden vereisen iets ongewoons. Ik wil vandaag hier voor u staan als een die gelooft, en diep, ernstig, en oprecht gelooft, dat het gehele doel en doelstelling van deze beweging vandaag in de weegschaal is. Het ligt aan ons om de gewichten aan de kant van het goede te plaatsen… {TN2: 50.1}

” Ik zeg u, mijn vrienden, in alle ernst, dat velen van onze jonge mensen vandaag de dag in de war zijn en hun geloof wordt neergehaald door wat zij zien en horen. Weet u dit niet? Is het niet de waarheid? Het kan een onfeilbare waarheid zijn, maar velen van onze jonge mensen van vandaag geloven niet in de Geest der Profetie vanwege de inconsequentie {wisselvalligheid, tegenstrijdigheid} die zij zien in de levens van degenen die hun leiders behoren te zijn. Als wij willen dat de jonge mensen geloven, moeten wij hen een voorbeeld geven in geloof en beoefening {praktijk}. {TN2: 50.2}

50

“Ik denk dat de tijd is gekomen waarin het geven van een goed voorbeeld een uitdaging zou moeten zijn voor al onze mensen. Het heeft geen nut als wij de wereld een zeker licht voortzetten, en dan onze gehele koers en doel vormen volgens een ander beleid. O, moge God ons helpen om terug te keren tot eenvoud en geloof, tot gehoorzaamheid en de juiste beoefening. De meeste van onze mensen kennen de maatstaven zoals zij worden geleerd in de Geest der Profetie, en wanneer zij zien dat wij ze overtreden in onze beoefening, verliezen zij het geloof {vertrouwen}, niet alleen in de Getuigenissen, maar in onze leiding. Laten wij consequente {standvastige} leiders zijn. Laten wij in praktijk brengen wat wij prediken… {TN2: 51.1}

“Het zijn niet de aanvallen van onze vijanden die mij doen vrezen. Neen,…waarvoor ik vrees, is ons eigen afwijken{verlaten} van de ware koers. Dat is het moeilijkste om ermee om te gaan… {TN2: 51.2}

“Wij zijn de meest behoeftige mensen op aarde. Mijn vrienden, wij hebben het nodig dat er iets buitengewoons voor ons wordt gedaan. Een grote processie {beweging} beweegt zich naar het koninkrijk. Zijn wij de gelederen van God in de juiste richting aan het leiden? {TN2: 51.3}

“Bedreigd Door Wereldse Gelijkvormigheid”

“Ik geloof dat de geest van {hogere} kringen, de geest van de wereld, in vele gevallen onder ons is binnen gekomen. Ik zou niet willen dat u denkt dat ik ontmoedigd ben over het vooruitzicht. Neen, God zij dank, weet ik dat deze beweging zegevierend en overwinnend zal voortgaan. Niettemin gevoel ik

51

dat ik nalatig zou zijn als ik verzuimde om aan te geven enige gevaartekens die gaandeweg staan, en aan welke ik geloof wij gehoor behoren te geven. {TN2: 51.4}

“Ik wens te herhalen dat velen van onze ouders verontrust zijn over het proberen om het geloof van hun zonen en dochters te behouden vanwege sommige dingen die worden onderwezen in sommigen van onze klaslokalen. Zij komen en vertellen ons dat sommige Bijbelleraren weigeren om hun leerlingen toe te staan om uit ‘De Wens der Eeuwen’ te lezen in een klas over het leven van Christus. Sommigen komen en zeggen dat de Geest der Profetie in diskrediet is gebracht in het verstand en geloof van hun zonen en dochters door middel van uitleggingen van geschiedenis die zij ontvangen, dat die interpretaties vaak worden gemaakt om de duidelijke verklaringen van de Geest der Profetie in diskrediet te brengen. {TN2: 52.1}

” Er is een ander ding waarvan ik geloof dat het aandacht nodig heeft. Het heeft te maken met het sociale leven en de activiteiten in onze opleidende instellingen. De faciliteiten moeten meer zorgdragen voor en aandacht besteden aan sommigen van deze zaken. Ik geloof dat wij in sommige van onze opleidende centra een kledingsaristocratie aan het ontwikkelen zijn die de ouders van sommige kinderen beschamen. Faciliteiten staan de jongeren toe een stijl van kleding aan te nemen die de standaard vaststelt voor al de leerlingen, en als zij zich daaraan niet schikken, worden ouders en leerlingen beschaamd. Vaak resulteert het in slechts een optocht van wereldse mode en wereldse gelijkvormigheid. Ik wil vandaag mijn

52

 stem ertegen verheffen, en ik roep u op die richting stop te zetten. {TN2: 52.2}

* * *

“Te veel van onze jongeren worden vandaag geleid tot wereldse gelijkvormigheid door sommige leiders die zelf deelnemen aan vormen van wereldse amusement en plezier. Mijn vrienden, ik wens dat onze jongeren konden worden weggehouden van alle strandfeesten en naaktheidparades en filmtentoonstellingen en andere twijfelachtige plaatsen waarnaar zij niet behoren te gaan, maar waartoe zij soms worden geleid door hun leiders. Ik geloof dat het de taak is van iedere schoolbestuur en iedere schoolfaciliteit om stappen te ondernemen om de dingen te veranderen. Hoe ver kunnen wij eigenlijk gaan in deze zaak van wereldse gelijkvormigheid? Laat ons ophouden met de geest van compromis stellen. Laat ons niet zijn als die mensen van vroeger die toelieten dat hun godsdienstige geloofspunten zo vergiftigd werden door contacten met de wereld, dat zij niet in staat waren om hun eigen Messias te herkennen toen Hij verscheen. {TN2: 53.1}

“Zouden de pioniers deze beweging vandaag kennen als zij zouden ontwaken? Zouden zij de beweging erkennen die zij in deze wereld aanvingen en overdroegen aan hun opvolgers? Zouden zij het waarlijk herkennen? Dat is voor mij een zeer beroep doende en belangrijke vraag. ‘Ach,’ kunnen sommigen zeggen, ‘zij waren een aantal oude versleten kerels! Zij waren ouderwets. Zij waren totaal achterhaald in tijd. Vandaag zijn de standaards veranderd.’ Dat is een favoriete uitspraak

53

 bij sommigen, maar ik geloof het niet. Ik houd vol dat iedere goede en ware en juiste standaard die ooit heeft overheerst en die is voorgeschreven in Gods werk, even vitaal is vandaag als het dat ooit was. Ik ben niet iemand die graag toegeeft dat de standaards zijn veranderd. Dat argument{of die bewering} suggereert dat wij vandaag lagere standaards hebben, en het wordt alleen gebruikt door degenen die de standaards willen verlagen. Hoe dichterbij wij komen tot het koninkrijk Gods, hoe hoger de standaards die wij zouden moeten hebben. {TN2: 53.2}

* * *

“Als Jezus vandaag hier was, zou Hij ons herkennen? Inderdaad kan ik zeggen, zouden wij Hem herkennen? Och, ik vertrouw erop dat de inbreuken van wereldse corruptie en vergiftiging niet dusdanig hebben overheerst dat zelfs Jezus ons niet zou kunnen herkennen! I gevoel mij zeer plechtig en zeer ernstig wanneer ik aan deze dingen denk. {TN2: 54.1}

* * *

“Mijn vrienden, waarlijk, ik maak mij zorgen om de richtingen en de neigingen. Ik geef toe een grote bezorgdheid over hen te hebben. Hier zijn wij vandaag, een groep leiders, en wanneer wij deze plaats verlaten, waartoe keren wij terug? Wij keren terug om duizenden van onze jonge mensen onder ogen te zien. Wij keren terug om door te gaan met het beïnvloeden en vormen van de levens van duizenden jongeren, en hen te leiden — maar hoe leiden wij hen? Waartoe leiden wij hen? {TN2: 54.2}

54

“Een Herleving Nodig

“Wat zou Jezus vandaag tot ons zeggen als Hij hier was? Zou Hij het willen ondernemen om de tempels van onze harten te reinigen en de geest van Sadduceëisme, van materialisme, van wereldse gelijkvormigheid uit te drijven? Ik geloof dat Hij dat zou willen. Wat ik geloof dat wij vandaag, als een groep opvoeders en leiders, meer dan wat dan ook nodig hebben, is iets dat niet tot ons kan komen van enig bestuur voor oplossingen, en dat is een herleving van de vroegere godsvrucht. Zou God willen dat deze vergadering niet kan sluiten totdat er iets tot ons komt– niet een herleving van louter lippendienst. Maar een herleving van het hart en van het leven, een verandering van praktijken, een verandering die ons zal helpen om onze doelstellingen waar te maken in deze grote beweging. Vandaag pleit ik met u allen om uw ogen van de wereld af te wenden, en hen te richten op het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt.  Laat ons meer spreken over wat Hij voor deze beweging betekent, dan wij dat doen over sommige andere dingen die zoveel aandacht van onze tijd en gesprekken opeisen…” –Review en Herald, Deel.114, Nr. 41, 14 Oktober, 1937, blz. 4-6. {TN2: 55.1}

O, hoe vreselijk duidelijk is het vanuit ieder invalshoek te zien dat de gevlekte paarden de kerk hebben ingeleid tot de wereld in plaats van eruit! Zelfs de Voorzitter van de Generale Conferentie pleit met deze wereldliefhebbende leiders om hun wijzen en hun handelingen te veranderen (Jer. 7:3). Maar ondanks dat zij hun achterwaartse koers niet stopzetten, worden zij toch behouden door

55

 het kerkgenootschap, ofschoon zij voortgaan met het volk weg te leiden van God en van de Geest der Profetie, en dichterbij tot de wereld en haar verdervende invloed. En aangezien zij degenen uitwerpen die ernaar streven om de Laodiceeërs te doen ontwaken, wilt de Voorzitter van de Generale Conferentie dan, in zijn poging om te doen ontwaken, ook opwekken tot de huidige situatie, en in plaats van  deze eigenzinnige leiders nog langer te ondersteunen, hen ontslaan, en de “zuchtenden, uitroependen” (Testimonies, Vol.5, p.210{Getuigenissen, Deel5, blz..}) die zij hebben uitgeworpen, het lidmaatschap weer toezeggen? {TN2: 55.2}

En terwijl de gevlekte paarden de tragedie over zich brengen door in “het Zuiderland”  te kwijnen, lauw en tevreden met hun verworvenheden, hebben de voskleurige paarden “gezocht te gaan opdat zij de aarde kunnen doorwandelen”; dat wil zeggen, zij hebben zich gereed gemaakt om te gaan, maar konden niet gaan totdat hen is verteld: ” Gaat gij heen, doorwandelt de aarde.” Ten slotte, echter, wandelen zij, aangevend dat zij geëerd zijn door God door Zijn vaandel te dragen in zegetocht tot de overwinning! {TN2: 56.1}

In deze beperkte omstandigheid, wordt weer het bewijs gevonden van de onfeilbaarheid van de Staf {the Rod}, want vanaf het begin heeft het verkondigd dat de boodschappen van de drie engelen niet tot de einden der aarde kunnen gaan tot na de vervulling van Eziechiël 9, en na de uitstorting van de Heilige Geest zoals het is beschreven in Joel 2:28 — de tijd waarin de Heer profetisch zei: “Ga.” {TN2: 56.2}

56

Hadden de huidige leiders, zij die worden voorgesteld door “de gevlekte paarden,” gehoor gegeven aan de “Oproep tot Hervorming,” en waren dezen klein geweest in hun eigen ogen,” zegt de geest der Profetie, en “volledig op de Heer vertrouwd, dan zou Hij hen hebben vereerd met het dragen van Zijn vaandel in zegetocht tot de overwinning. Maar zij zonderden zich af van God, gaven zich over aan de invloed van de wereld, en de Heer verwierp hen.” –Idem, blz.82. “Omdat gij dus lauw zijt en noch koud noch heet, zo zal Ik u uit Mijn mond spuwen,” zegt de Here. Openb. 3:16. {TN2: 57.1}

Zij zullen zoeken naar deze “extra olie,” maar helaas te laat om baat te hebben aan welk antwoord dan ook op hun bevreesde vragen: “Zijn wij… aan het toelaten dat de mantel van onze schouders valt op de schouders van anderen? Gaan wij anderen toestaan om onze plaats in te nemen en de wereld op te roepen tot een hervorming …?” {TN2: 57.2}

Weliswaar, “deze beweging” (wagen) is bestemd om zegevierend en overwinnend voort te gaan, maar alleen achter de leiderschap van de voskleurige paarden. {TN2: 57.3}

De keten van feiten die hierin geschakeld zijn betreffende de toestand van de kerk is zo stevig gesmeden door de profetie en de geschiedenis dat niemand het kan verbreken. Inderdaad, iedere profetische schakel is zo duidelijk dat zelfs de Voorzitter van de Generale Conferentie verontrust is. Toch, ondanks deze feiten, voorzegt de dienstknecht van de Heer dat ” het licht dat de aarde met haar heerlijkheid zal verlichten, zal een vals licht genoemd worden

57

 door degenen die weigeren te wandelen in haar vooruitgaande heerlijkheid.” –Review and Herald, 27 Mei, 1890. {TN2: 57.4}

“In de manifestatie van de macht die de aarde met haar heerlijkheid verlicht, zullen zij alleen iets zien waarvan zij in hun blindheid denken dat het gevaarlijk is, iets dat hun vrees zal opwekken, en zij zullen zich schrap zetten om het te weerstaan. Omdat de Heer niet werkt volgens hun verwachtingen en idealen, zullen zij het werk tegenstaan. Waarom, zeggen zij, zouden wij niet de Geest van God kennen, terwijl wij zo veel jaren in het werk betrokken zijn geweest?” –Bible Training School{Bijbel Training School}, 1907(Herdrukt in Review and Herald, 7 Nov., 1918). {TN2: 58.1}

“Wij hoeven niet te verwachten dat wanneer de Heer licht heeft voor Zijn volk, dat Satan er rustig bij zal staan, en geen poging zal maken om te voorkomen dat zij het ontvangen. Hij zal op het verstand werken om wantrouwen en ongeloof op te wekken. Laten wij op onze hoede zijn dat wij het licht dat God zendt niet verwerpen, omdat het niet op een manier komt dat ons behaagt. Laat Gods zegen niet van ons afgekeerd zijn omdat wij de tijd van onze bezoeking niet kennen. Als er enigen zijn die het licht niet voor zichzelf zien en aannemen, laten zij niet in de weg staan van anderen. Laat het niet gezegd worden van dit hoog begunstigde volk, zoals van de Joden toen het goede nieuws van het koninkrijk aan hen werd gepredikt: “Zelf gingen zij niet binnen, en zij die binnengingen, hebben zij verhinderd.’ ” –Testimonies, Vol. 5, p.728{Getuigenissen, Deel 5, blz.592,593}. {TN2: 58.2}

58

Juist dit soort ding, waaraan wij onze leidinggevende broeders herinneren, was precies wat plaatsvond in de goddeloze behandeling die werd verleend aan de boodschap van 1888, toen het werd “gekleineerd, tegengesproken, belachelijk gemaakt,…verworpen,” en “aangeklaagd als leidende tot enthousiasme{of geestdrift} en fanaticisme.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, p. 468. Ware het maar zo dat die ervaring nooit herhaald wordt. Jammerlijk, echter, zegt de Geest der Profetie: {TN2: 59.1}

“Het licht dat de aarde met haar heerlijkheid zal verlichten, zal een vals licht genoemd worden…Wij verzoeken u die het licht der waarheid tegenstaan dringend, om uit de weg te staan van Gods volk. Laat het door de Hemel gezonden licht op hen voortschijnen in heldere gestadige stralen. God houdt u, tot wie dit licht is gekomen, verantwoordelijk voor het gebruik dat u ervan maakt. Zij die niet willen horen zullen verantwoordelijk worden gesteld; want de waarheid binnen hun bereik gebracht, maar zij verachtten hun gelegenheden en voorrechten.” — Review and Herald, 27 Mei, 1890. {TN2: 59.2}

Opdat niets ongedaan moge worden gelaten om hen te waarschuwen voor deze vreselijke teleurstelling die op het punt staat hen te overkomen, richten wij nog een ander verzoek

            Tot De Leidinggevende Broeders. {TN2: 59.2}

Geliefde Broeders:

Nogmaals pleiten wij met u, dat u , ondanks dat u de bron van het pleidooi veracht, een grondig onderzoek verricht over de

59

boodschap die tot u is gekomen in de naam van de Heer, opdat u de geschiedenis van de Joden niet zult herhalen.  Want van alle mensen, zou u het meest nauwkeurig moeten beseffen het vreselijke gevaar van het sluiten van uw ogen en het dichtstoppen van uw oren, al zou het zelfs de woorden zijn van slechts enige arme “vissers.” {TN2: 59.3}

Tenzij u zich bekeert van uw huidige houding naar de boodschap toe, “en bidt tot God, of de gedachten van uw hart u misschien wordt vergeven ,” dan zal uw verkeerde koers (handelwijze}, net zo zeker als uw ogen nu deze woorden lezen, over u brengen, en dat op zeer korte termijn, de vervulling van die vreselijke aankondiging van de Ware Getuige: “Omdat gij zegt, Ik ben rijk, en met goederen verrijkt, en heb aan niets [waarheid of profeten] gebrek, ” “zal Ik u uit Mijn mond spuwen.” {TN2: 60.1}

Broeders, gedenk dat “er geen trots is die zo gevaarlijk is als geestelijke trots.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, p.109. {TN2: 60.2}

Vooruitziende dat de boodschap u zou vinden vol van zelfgenoegzaamheid over uw geestelijke verworvenheden, waarschuwde de Heer u op genadige wijze van tevoren:  “Gij zijt noch koud, noch heet,” dat wil zeggen, gij zijt lauw, tevreden. “Ik wenste dat gij maar koud of heet waart,” –ontevreden, — gebrek hebbend aan alles in plaats van te gevoelen dat u aan niets gebrek hebt. Dan zou u niet door uw handelingen zeggen: ” Ik ben rijk, en met goederen verrijkt en heb aan niets gebrek,” –noch aan waarheid, noch aan profeten,– maar weten,

60

dat “gij zijt jammerlijk, en ellendig, en arm, en blind, en naakt.” {TN2: 60.3}

Broeders, moge deze ontgoochelende woorden uw ogen openen opdat u uzelf kunt zien zoals u bent, zodat “de schande uwer naaktheid niet zichtbaar wordt.”  De belofte is nooit falend: “Zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.” Ons gebed is dat u {hierin} niet faalt, want wij hebben u lief. {TN2: 61.1}

Gedenkt u, dat ondanks de Heer in Zijn grote genade u heeft geroepen uit de duisternis om te wandelen in Zijn wonderbaarlijk licht, toch zal, als u daarin niet wandelt, uw licht duisternis worden en uw goederen een buit. {TN2: 61.2}

De Heer zegt: ” Ik heb u doen vermenigvuldigen als het gewas des velds, en gij geroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot uitstekende sierlijkheden: uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is geroeid, terwijl gij toch naakt en bloot waart.” Ezech. 16;7{K.J.V.}. Maar “Zo velen als Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees daarom ijverig, en bekeert u.” Openb.3:19{K.J.V.}. Anders, “daarom zal Ik terugkeren, en wegnemen Mijn koren op zijn tijd, en Mijn wijn {most} in haar seizoen, en zal Mijn wol en Mijn vlas terugtrekken, die waren gegeven om haar naaktheid te bedekken.” Hos.2:9 {K.J.V.}. {TN2: 61.3}

Let op, Broeders, opdat u niet door uw opzettelijke koers Gods misnoegen aandoet en(sprekende volgens de gemengde symbolen van deze wederzijds betrekkelijke profetieën) Hij in Zijn ontzagwekkende toorn, u totaal blootlegt, en “u uit

61

[Zijn] mond spuwt.” Dan zult u “heet” zijn, maar dan nutteloos, want het het zal voor altijd te laat zijn om te veranderen en hoewel u net als Ezau bitter zult huilen, zal de Heer naar u niet horen. {TN2: 61.4}

Niet meer oprecht in hun misleiding dan u dat bent in de uwe, gaven de Joden ten laatste toch gehoor aan Christus, terwijl u daarentegen niet zo eerlijk bent geweest. Ondanks dat Inspiratie u kenmerkt als “blind” en in een “vreselijke misleiding,” (Testimonies Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 254), stelt u zich op als wijze geestelijke gidsen, zelfs vereisend dat Inspiratie zich neerbuigt voor uw beslissing betreffende wat wel of wat niet voor Gods volk gebracht zal worden! Uw gedrag is even onredelijk als het kritiek van de vroegere schriftgeleerden en Farizeeën dat was tegen de leringen van Christus! {TN2: 62.1}

Op toenemende wijze roept uw uitdagende houding naar de tegenwoordige openbaringen van Gods Woord uit: “Wie is de Here, dat ik Zijn stem zou gehoorzamen om Israël te laten gaan? Ik ken de Here niet en ook zal ik Israël niet laten gaan.” Ex.5:2. {K.J.V.} {TN2: 62.2}

De raadgeving van de Heer is: “Kostbaar zal voortschijnen van het het Woord van God, en laat niemand zich aanmatigen om voor te schrijven wat wel of wat niet zal worden gebracht voor het volk in de boodschappen van verlichting die Hij zal zenden, en zo de Geest van God uitdoven. Wat zijn positie van bevoegdheid dan ook mag zijn, niemand heeft recht om het licht weg te houden van Gods volk.” — Testimonies on Sabbat School Work {Getuigenissen over Sabbatschool Werk}, blz. 65. {TN2: 62.3}

62

“God meent wat Hij zegt.” –Testimonies, Vol. 5, p. 365 {Getuigenissen, Deel 5, blz.298}. {TN2: 63.1}

“Mensen…door zelfzucht…verdringen juist degenen neer die God gebruikt om het licht dat Hij hen heeft gegeven te verspreiden…Satans vaardigheid wordt uitgeoefend…Hij werkt om godsdienstige vrijheid te beperken…Organisaties …zullen onder Satans leiding werken om mensen onder beheersing van mensen te brengen; en diefstal en bedrog zullen de schijn dragen van ijver voor waarheid en voor de bevordering van het koninkrijk van God…zulke mannen veronderstellen de voorrechten van God uit te oefenen–zij matigen zich datgene aan te doen wat God Zelf niet zal doen in het trachten het verstand van mensen te beheersen. Aldus volgen zij in het spoor van het Romanisme…Bij zulke regelingen is de mens die zijn verstand toelaat om beheerst te worden door het verstand van een ander, aldus afgezonderd van God en blootgesteld aan verleiding…maar God heeft het duidelijk voor ons opgesteld. Hij zegt: “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt.” ‘ –Testimonies Vol. 7, {Getuigenissen Deel 7},blz. 179, 180,181, 178. {TN2: 63.2}

Uzelf mannen van “ervaring” noemend, zegt u: “Als een broeder enig licht heeft over de Schriften, laat hij het aan ons overleggen, en als wij geen licht erin zien, laat hij ermee stoppen.” Maar, Broeders, hoe kunt u licht zien in wat dan ook zonder het in te kijken {onderzoeken}? En hoe kunt u geestelijk dingen onderscheiden tenzij u “uw ogen zalft met ogenzalf [‘geopenbaarde waarheid’] opdat gij moogt zien?” Door te weigeren dit te doen, hoe zult u dan ooit waarheid onderscheiden? {TN2: 63.3}

63

Waarom zouden wij afzien van de boodschap in de Staf {the Rod} terwijl u zo volkomen heeft gefaald te bewijzen dat het dwaling is? Waarom kostbare juwelen van waarheid terzijde werpen eenvoudigweg omdat de meerderheid hen niet kan onderscheiden van namaak -juwelen? U heeft lang openlijk dappere woorden gesproken tegen de tirannie van anderen, maar hoe zit het nu met het uwe! U brengt de beschuldiging aan dat onze standpunt ons “in slecht gezelschap plaats.” Maar u beseft niet wat u zegt, en dat wij ons identiek vandaag in dezelfde positie bevinden als Johannes de Doper, Christus, de apostelen, Luther, en Miller zich bevonden in de vroegere dagen, en als de oprichters van het Z.D.A. kerkgenootschap; niet in de positie dat u ons probeert te doen blijken ons daarin te bevinden — welke de tegenstanders der waarheid altijd hebben bezeten, en waardoor duizenden verstoken zijn geweest van de hemelse zegening! Broeders, bewijs dat wij waarlijk het verkeerd hebben, en u zult zien hoe snel wij onze standpunt zullen veranderen! {TN2: 64.1}

Onze onfeilbare bezorgdheid is dat u gehoor zult geven aan de raadgeving van de Ware Getuige, en uw armoede in geestelijke dingen zult belijden, opdat Hij over u niet de vreselijke wee uitspreekt: “Huilt, gij herders, en roept uit; en wentelt uzelf in de as, gij hoofdman van de kudde; want de dagen van uw slachting en van uw verstrooiing zijn vervuld; en gij zult vallen als een behaaglijk vat”(Jer.25:34{K.J.V.}), en aldus er niet zijn wanneer “het daarna zal geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten over alle vlees; en uw zonen en uw dochters

64

zullen profeteren, uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien; en ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.” Joel 2:28,29.Sprekende van deze tijd, verklaart de Geest der Profetie: Machtige wonderen werden tot stand gebracht, de zieken werden genezen, en tekenen en wonderen volgden de gelovigen.” –Early Writings, p.279{Eerste Geschriften, blz.333}. {TN2: 64.2}

O, wat een onbegrensde dwaasheid en verlies om een verkeerde koers na te volgen, en verlies te lijden in een tijd als deze, waarin het voorrecht u wordt verleend eerder te kiezen om “aan te zitten met Abraham, en Izaak, en Jakob, in het Koninkrijk der hemelen”! Matt. 8:11. Moge het zijn dat u niet faalt. {TN2: 65.1}

Met vriendelijke groeten en voor en nederige

geest en de gelukzalige keuze,

Uw vriend en dienstknecht.

Hoewel wij uitermate bedrukt zijn over onze leidinggevende broeders dat zij ter harte nemen de raadgeving van de Heer die zojuist is aangeboden, zijn wij op gelijke wijze bedrukt dat de leken ook goed ter harte nemen de raadgeving van de Heer tot hen. Aldus richten wij nu, onpartijdig,

Een Woord tot De Uitverkorenen van God, De 144.000! {TN2: 65.2}

Geliefde Broeders:

Aan u die de stem van de Goede Herder hoort, en die niet bij name bekend is bij ons, maar alleen door een gegadigde nummer

65

 (144.000) en functie (Gods zondeloze dienstknechten, koningen en priesters), — tot elk van u komt de plechtige zekerheid dat de verzegelingstijd zeer kort is, het einde ervan zeer nabij. Daarom, Broeder, Zuster, ziet erop toe dat u het zegel van God op tijd ontvangt; vertraag de terugkeer tot onze Edense thuis niet. “Heden, indien gij Zijn stem zult horen, verhardt uw harten niet.” Hebr. 4:7. Hij die aan de kant van de Heer staat, laat hem niet langer vertoeven. De tijd is ten volle aangekomen voor de 144.000 om overeen te stemmen met Gods programma voor het voleinding van Zijn werk en de voorbereiding van hen voor de opname. Dus, zegt de Heer:”Gelijk een herder zijn kudde uitzoekt op de dag dat hij zich onder zijn schapen bevindt die zijn verstrooid;alzo zal Ik Mijn schapen uitzoeken, en zal hen uitredden uit al de plaatsen waarheen zij verstrooid zijn geweest op de bewolkte en duistere dag.” Ezech. 34:12. ” En de Here, hun God, zal hen te dien dage redden als de kudde van Zijn volk: want zij zullen zijn als de stenen van een kroon, opgericht als een banier in Zijn land.” Zach.9:16{K.J.V.}. {TN2: 65.3}

Haast u, Broeder, Zuster; neem onmiddellijk uw plaats in aan de kant van de Heer, zodat Hij, vanwege uw “zuchten” (bekeren) en “uitroepen” (de verzegelende boodschap verkondigend), zonder vertraging “zichtbaar” bekend kan maken als de “dienstknechten van onze God,” u, die zal ontkomen aan het zich bevinden onder de “verslagenen des Heren,” die wordt verzonden tot de Heidenen, en “al uw broeders brengen…uit alle natiën.” Jes. 66:16,19,20. {TN2: 66.1}

66

Bestudeer de boodschap voor uzelf, en laat geen enkel vlees toe zich te bemoeien met uw zaligheid. Neem uw eigen beslissing onafhankelijk van welk mens dan ook, en weet  voor uzelf dat God u leidt zoals Hij dat deed toen u een Z.D.A. zou worden. Neem noch priester noch prelaat aan als uw God. “Wees niet gelijk een paard, of gelijk een muilezel, welke geen verstand heeft; welks muil moet worden ingehouden met bit en toom, opdat zij tot u niet naderen.” Ps.32:9 {K.J.V.}. Waarom zou u struikelen en vallen over dezelfde struikelblok welke miljoenen onbesuisd in de hel heeft gestort? Kijk op, Broeder, Zuster, en vermijd de vooruitziende rampspoed, en help anderen om het ook te vermijden. {TN2: 67.1}

En wat betreft degenen die doof zijn voor de stem van de Goede Herder, “mijn ziel zal  in verborgen plaatsen wenen vanwege uw hoogmoed; en mijn ogen zullen bitter wenen, en van tranen neerdalen, omdat de kudde des Heren gevankelijk is weggevoerd.” Jer.13:17{K.J.V.}. “Daarom hoort de raadslag des Heren, die Hij tegen Edom heeft beraadslaagd; en Zijn voornemens, die Hij zich heeft voorgenomen tegen de inwoners.” Jer. 49:20{K.J.V.}. “En de herders zullen geen weg hebben om te vluchten, noch de hoofdman van de kudde om te ontkomen.” Jer. 25:35{K.J.V.}. {TN2: 67.2}

Nu, onze grote wens en hoop is dat elk van u zonder vertraging contact met ons zal opnemen, zodat wij in overeenstemming met Gods Woord samen een programma kunnen lanceren{of aanvangen} voor de “belegering,” en op zulk een manier

67

dat wij aan de vijand een verenigde voorlinie kunnen presenteren. Dan zal God werken; dan zullen de hinderpalen die zijn opgericht tegen de Waarheid en tegen Zijn dienstknechten die “zichtbaar bekend gemaakt” zullen worden, neervallen als de muren van Jericho! ” Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.” Openb. 3:22. {TN2: 67.3}

Het is het uwe “om te verbinden de gebrokenen van hart, om aan de gevangenen vrijheid te verkondigen, en aan hen die gebonden zijn, de opening der gevangenis; om te verkondigen het aangename jaar des Heren, en de dag der wraak van onze God; om allen die treuren te troosten.” Jes. 61:1,2 {K.J.V.}. Wat een ongeëvenaarde voorrecht! God behoede het dat wie dan ook het verbeurt. {TN2: 68.1}

Met vriendelijke groeten voor onvoorwaardelijk vertrouwen in

God en voor groene weiden voor Zijn kudde,

Uw vriend en dienstknecht.

P.S.: Maakt u gebruik van de publicaties die Tegenwoordige Waarheid bevatten, en maak u gereed voor het werk. Wees een van de “wijzen,” en vult uw vaten met de “extra olie” voor uw “lampen.” Onze lectuur zal volledig openbaren dat “de dagen nabij zijn, en de uitwerking van ieder gezicht.” Ezech. 12:23. Dat wil zeggen, de visioenen van de profeten, die vol verborgenheden schenen te zijn, zijn nu duidelijke feiten geworden. {TN2: 68.2}

Twaalf traktaten, tegenwoordig, verzameld in 898 bladzijden, zullen kosteloos en gefrankeerd verzonden worden aan wie dan ook, op verzoek. Aan degenen

68

die pas nieuw de lectuur aanvragen, zullen de series een nummer per keer doorgestuurd worden, met een tussenruimte van twee weken. Zij die hun aanvragen vergezellen met  namen van Z.D. Adventisten, kunnen, indien zij het alzo specificeren, al de twaalf traktaten tezamen verkrijgen. {TN2: 68.3}

“Neemt Mijn onderricht aan, en geen zilver; en kennis in plaats van uitgelezen goud.” –Spr. 8:10{K.J.V.}. “Heden, indien gij Zijn stem zult hoen, verhardt uw harten niet.” Bestel nu. {TN2: 69.1}

——0——

69

SCHRIFTUURLIJKE INDEX

70

 

 


TN8-1200x675.jpg

1

Copyrecht 1937, 1941

door V. T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

In het belang van het bereiken van iedere naar waarheid zoekende verstand die er naar verlangd om te ontkomen aan het pad dat leidt naar vernietiging van zowel lichaam en ziel, zo als deze uitgave voorradig is, zal deze traktaat kosteloos worden verspreid.

Traktaat Nr. 8

2

DE BERG ZION NABIJ “HET ELFDE UUR”

  “Om Sions wil zal Ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat de gerechtigheid ervan uitgaat  als helderheid, en de verlossing ervan als een lamp die brandt. En de Heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid. En gij  zult genoemd worden met een nieuwe naam, die de mond des Heren zal noemen. Gij zult ook een kroon der heerlijkheid in de hand des Heren zijn, en een koninklijke diadeem in de hand van uw God.” Jes. 62:1-3; {KJV}. {TN8: 3.1}

 

  Wonder van goddelijke liefde! Verwezenlijking van de “uiterst kostbare belofte” dat God zal voortgaan met tot haar te spreken, totdat zij een grote en krachtige en schitterend licht wordt in de gehele wereld en “een kroon der heerlijkheid in de hand des Heren” — wordt de kerk gezien:

Staande Met het Lam op de Berg Zion! {TN8: 3.2}

  “De openbaring van Jezus Chrisus, welke God aan Hem gaf, om aan Zijn dienstkechten dingen te tonen die spoedig in vervulling moeten gaan; en Hij heeft het gezonden en medegedeeld door Zijn engel aan Zijn dienstknecht Johannes.” Openb. 1:1; {KJV}. {TN8: 3.3}

 

  Deze bevestiging dat de profetische gebeurtenissen waarvan Johannes bevoorrecht was verslag van te doen, niet voor maar kort nadat hij de openbaring van hen ontvangen had, in vervulling zouden gaan, toont aan dat de profetieën van de Openba

3

ring in vervulling zouden gaan ergens tijdens de Niewe Testamentische periode. {TN8: 3.4}

   “En ik keek, en zie, een Lam stond op de Berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, hebbende Zijns Vaders naam op hun voorhoofden geschreven. En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren, en als de stem van zware donder: en ik hoorde de stem van harpspelers spelende op hun harpen; en zij zongen als het ware een nieuw lied voor de troon, en voor de vier dieren, en de oudsten; en niemand kon dat lied leren behalve de honderdvierenveertigduizend, die losgekocht waren van de aarde.” Openb. 14:1-3; {KJV}. {TN8: 4.1}

  Voorafgaand aan deze profetische gebeurtenis (het staan van de 144.000 op de Berg Sion) “was een deur geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik hoorde” zegt Johannes, “was alsof een bazuin met mij sprak, die zeide: Klim hierheen op, en ik zal u dingen tonen die hierna moeten geschieden. En terstond kwam ik in vervoering des Geestes en zie, er stond een troon in de hemel, en iemand was op die troon gezeten. En Hij die erop gezeten was, was van aanzien de diamant en sardiussteen gelijk; en een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk. En rondom de troon waren vierentwintig zetels; en op de zetels zag ik vierentwintig oudsten zitten, in witte klederen gekleed; en zij hadden op hun hoofden kronen van goud. En voor de troon

4

was een glazen zee, gelijkend op kristal; en midden in de troon, en rondom de troon waren vier dieren, vol ogen van voren en van achteren.” Openb. 4:1-4, 6 {KJV}. {TN8: 4.2}

      En toen Hij de boekrol nam, wierpen de vier dieren en de vierentwintig oudsten zich voor het Lam neder, hebbende elk harpen, en gouden schalen vol reukwerk, welke de gebeden der heiligen zijn. En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon en de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizend maal tienduizend en duizenden duizendtallen; zeggende met luider stem: Waardig is het Lam dat geslacht was om macht te ontvangen, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en zegen.” Openb. 5:8, 11, 12 {KJV}. {TN8: 5.1}

 

Het Lam, Die eerst voor de troon staat in de hemel, staat later met de 144.000 op de Berg Sion, op aarde, hoewel de Oudsten en de Dieren rondom de troon in de hemel blijven. Om dus de profetische gebeurtenis in haar geheel te begrijpen, moeten wij zorgvuldig het deel dat plaatsvindt in de hemel onderscheiden van het deel dat op de aarde plaatsvindt. {TN8: 5.2}

  De zeven lampen (Openb. 4:5) die deel uitmaken van de onderdelen van het heiligdom, geven overtuigend bewijs dat het hemelse troonschouwspel in het heiligdom plaatsvindt, terwijl het Sionschouwspel dat daarna komt op de Berg Sion plaatsvindt, het aardse paleis grondgebied van de Koning, niet op de Berg Moria, het grondgebied van het heiligdom,

5

waar het noodzakelijkerwijs zou hebben moeten plaatsvinden als het betekenen moest dat de gebeurtenis in het heiligdom plaatsvindt. Daarom zijn deze taferelen van twee verschillende gebeurtenissen, op twee verschillende locaties — het opstellen van de troon in de hemel, en het staan van de verlosten met het Lam op aarde terwijl de activiteiten die besloten zijn in het troonschouwspel nog steeds aan de gang zijn. {TN8: 5.3}

  Voorts, plaatst de verklaring: “Ik zal u dingen tonen die hierna moeten geschieden,” de gebeurtenis in de Christentijdperk. En de verklaring: “stond een Lam zoals het geslacht was” (bloedende ten behoeve van de zondaar), plaatst hen en de genadetijd. {TN8: 6.1}

  Dan van de vergelijking van Daniel 7:9, 10, 13, met Openbaring 4:2 en 5:1, 11 (reeds geciteerd), is het feit duidelijk dat beide visioenen van dezelfde gebeurtenis zijn – het oordeel. De een openbaart het gebeuren ervan in de periode van het moeilijk-te-beschrijven beest in zijn tweede fase, nadat zijn horen die de ogen van een mens en een mond vol grootspraak had, had gelasterd (na de regering van Kerkelijk Rome), en voordat het beest werd gedood en zijn lichaam gegeven werd aan de brandende flammen (Dan. 7:11) voor ver verwoesting van Rome. En het andere visioen openbaart het plaatsvinden ervan enige tijd in de Christentijdperk, en binnen de genadetijd. {TN8: 6.2}

 Daniël zag tronen opgesteld, en de “Oude van dagen,” de Rechter, zitten, aantonende dat noch Hij, noch de tronen voorheen daar waren. Ongetwijfeld zaten op de overige

6

tronen, “zetels,” de vierentwintig oudsten. En uiteindelijk zag hij dat de “Zoon des mensen,” Christus, de Advocaat, voor de “Oude van dagen” gebracht werd. Dus, zagen zowel Daniël als Johannes “het oordeel (…) opgesteld, en de boeken (…) geopend. {TN8: 6.3}

En aangezien Johannes de 144.000 zag staan op de Berg Sion met het Lam nadat het oordeel werd opgesteld en voordat het werd afgesloten, vindt het gebeuren noch voor het oordeel, noch na het oordeel, maar tijdens dit plaats. {TN8: 7.1}

 En houdt nu in gedachte dat het visioen van het  “Lam staande op de Berg Sion” (Openb. 14:1) Christus als een Verlosser openbaart, terwijl zijn visioen van “de Leeuw uit de stam van Juda” staande voor het oordeel, Hem als een Koning openbaart. Met elkaar vergeleken, tonen zij aan dat terwijl Hij dan de Verlosser is, Hij tegelijkertijd de Koning der koningen is. {TN8: 7.2}

 Daar het nu duidelijk is wanneer de 144.000 te voorschijn komen, volgt toegenomen belangstelling op de voet met de vraag wie zij zijn. Aangezien zij volgelingen van het Lam (Christenen) zijn, zo ook “zonen van Jakob,” zijn zij daarom:

Israëlieten Inderdaad – Geen Heidenen. {TN8: 7.3}

Wie dan ook zich bekeerd heeft tot het christendom, door Christus te aanvaarden als zijn persoonlijke Verlosser, heeft een ervaring gehad die volledig zijn vroegere plannen en hoopvolle verwachtingen, zijn gehele levenswijze, heeft omvergeworpen en omgewenteld. Hij heeft de wereld verzaakt en al haar “begeerlijkheden van zonde voor een tijd” (Heb.

7

11:25), en is een nieuwe schepping in Christus geworden, wedergeboren, erfgenaam van het koninkrijk overeenkomstig de belofte! Dit is wat Jezus bedoelde toen Hij aan Nicodemus verklaarde: “Gij moet wederom geboren worden.” En Paulus die deze ervaring in gedachte had, zegt: “Indien gij Christus toebehoort, dan zijt gij Abrahams zaad, en erfgenamen overeenkomstig de belofte.” Gal. 3:29. {TN8: 7.4}

  Ongeacht daarom, als men nu Jood of Heiden is, hij kan geen deelhebben in het koninkrijk van Christus, behalve dan door de tweede geboorte, waardoor hij een van de zaden van Abraham wordt. Deze geestelijke transformatie, daarentegen, bepaalt niemands raciale identiteit and stamafkomst. Het kan, met andere woorden, geen Judeër maken van iemand die geen afstammeling van Juda is, of van hem een Efraïmiet maken als hij geen afstammeling van Efraïm is. Dus kunnen de 144.000, die de zonen van Jakob zijn, niet uit de heidense naties zijn. Zij zijn daarom, in de eerste plaats, Rechtstreekse afstammelingen van Jakob, hoewel:

Niet Noodzakelijk van de Tegenwoordige Te Identificeren Joodse Ras {TN8: 8.1}

  De tien stammen (het koninkrijk van Israël) werden weggevoerd, verstrooid over de steden der Meden (2 Kon. 17:6), en aldus volledig weggezonken in de zee van het leven der omringende naties, en opgenomen, dat zij volledig uit het oog werden verloren, raciaal, naar menselijke berekening. {TN8: 8.2}

  Evenzo, toen de twee stammen (het koninkrijk van Juda) werden weggevoerd naar Babylon,

8

met slechts weinigen die terugkeerden naar Jeruzalem nadat de zeventig jaren van hun ballingschap waren beëindigd, verloor een menigte van hen ook hun identiteit. {TN8: 8.3}

   De vroege Christen Gemeente bestond, ook toen, slechts uit Joden, slechts de apostelen, de 120 in de bovenzaal (Hand. 1:15), en de 3000 die bekeerd werden op de pinksterdag (Hand. 2:41) waren allen Joden, zoals feitelijk allen die “dagelijks werden toegevoegd” dat waren gedurende de eerste drie en een half jaar na de kruisiging (Dan. 9:26, 27; Hand. 2:47). En zelfs zelfs nadat de periode voorbij was, en aan de apostelen werd opgedragen om het evangelie naar de Heidenen te brengen (Hand. 13:46) werden veel meer Joden Christenen, en werden zij vervolgens, eerder als Christenen dan als Joden, onder de naties verstrooid. {TN8: 9.1}

Het is daarom in iedere instantie duidelijk, dat de meesten der zonen van Jakob hun raciale kenmerken verloren hebben. Aangezien de Heer echter altijd een geslachtsregister van alle naties heeft bijgehouden, in het bijzonder van de zonen van Jakob, zal Hij, zoals Hij beloofd heeft, “melding maken van Rahab en Babylon als degenen die Mij kennen; zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië: deze man werd daar geboren. En van Sion zal worden gezegd: deze en die man werd hier geboren; en de Allerhoogste Zelf zal haar bevestigen. De HERE zal tellen,  wanneer Hij het volk opschrijft, dat deze man daar geboren werd Selah.” Ps. 87:4-6 {KJV}.{TN8: 9.2}

 Dus net zo duidelijk als vreemd is het feit dat niemand vandaag aan de dag, behalve de herkenbare Joden,

9

zijn afkomst kan bewijzen, met als resultaat dat de 144.000 vergaderd kunnen worden van elke natie, verwantschap, tong, en volk, en toch deel uitmaken van zonen van Jakob! {TN8: 9.3}

“En het zal te dien dage geschieden,” zegt het Woord der profetie in dit verband, “dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om te heroveren de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopië, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde. En het zal te dien dage geschieden, dat de HERE zal afslaan van de Rivier af tot de Beek van Egypte toe, en gij zult ingezameld worden één voor één, kinderen Israëls. Isa. 11:11, 12; 27:12 {KJV}. {TN8: 10.1}

Aangezien daarom de geschiedenis, logica, en de Schrift, hun bewijzen combineren om onvoorwaardelijk te bewijzen dat God de stamboom van de uitverkoren tak van het menselijk geslacht heeft uitverkoren, voorwaarts van Adam tot Noach (Matt. 1:1-17), en achterwaarts van Jezus tot Adam (Luk. 3:23-38), Hij moet dan, om een samenhangende reden, ook de identiteit van de uitverkorenen vandaag hebben bewaard. En wij zien, dat dit precies datgene is wat Hij gedaan heeft in Zijn bestemmen van de afstamming van de 144.000, als “uit al de stammen van de kinderen

10

Israëls.” Openb. 7:4. En hoewel wij niet weten wat wij zijn, en dat nooit van onszelf kunnen zeggen, kent Degene Die alles van ons weet, zelfs tot de laatste haar van elk hoofd, onze juiste afkomst, ofschoon degenen van ons die zullen worden vergaderd van het zaad van Jakob als, zegt de profeet, “als het zand der zee zijn,” terwijl, ter vergelijking sprekend, het identiviseerbare Joodse ras van vandaag, slechts een handvol is ten opzichte van de naties, en daarom vandaag niet degenen kunnen zijn op wie van toepassing zijn:

De Termen Israël, Efraïm, Jozef. {TN8: 10.2}

   Voor een ogenblik teruggaand naar de historische benadering van ons onderwerp, memoreren wij dat na Salomo’s dood, de natie Israël (de twaalf stammen) werd verdeeld in twee gescheiden koninkrijken (1 Kon. 11:11, 12; 12:19, 27). Het tien-stammen rijk, die het noordelijk deel van het beloofde land in beslag nam, werd “Israël” genoemd, zo ook Efraïm, en van tijd tot tijd het huis van Jozef: “Israël,” vanwege de meerderheid der stammen ervan, Efraïm (Jes. 11:13), omdat de koningen ervan uit Ephraim kwamen; en Jozef (Eze. 37:16), omdat hij de vader van Efraïm was. Maar het twee-stammen rijk, die het zuidelijk deel in beslag nam, werd “Juda” genoemd, omdat haar koningen uit de stam van Juda waren, en daarom worden haar nakomelingen “Joden” genoemd. De term “Israël,” is dus vaak alleen van toepassing op de tien stammen. Dus wanneer voortaan in deze pagina’s de lezer de termen, “Judah,” “Israël,” “Ephraïm,” en

 11

“Joseph” tegenkomt, zal hij precies weten wie zij aanduiden, en zal {hij} precies begrijpen wie zij uitbeelden, en zal, naargelang wij voortgaan, beter Gods plan begrijpen voor het bijeenbrengen van de twaalf stammen van Israël, en voor de hereniging van hen in:

Een Groot Koninkrijk. {TN8: 11.1}

  “Het koninkrijk der hemelen,” zegt Christus, “is gelijk aan een mosterdzaad, welke een mens nam, en in zijn veld zaaide: die inderdaad het kleinste van alle zaden is; maar wanneer het Volgroeid is, is het de grootste onder de kruiden, en wordt een boom, zodat de vogelen des hemels komen en nestelen in haar takken,” Matt. 13:31, 32 {KJV}. “Nochthans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden,  dat in plaats waar tot hen gezegd was: gij zijt Mijn volk niet, daar zal er gezegd worden: gij zijt de zonen van de levende God.” Hos. 1:10 {KJV}. {TN8: 12.1}

  Door het verwerpen van Christus’  leringen, na ze gehoord, en Hem gedood te hebben, haalde de Joodse natie de vloek over zich die God over hen uitsprak toen Hij door Zijn profeten verklaarde: “Gij zijt niet Mijn volk, en Ik zal uw God niet zijn,” hoewel tegelijkertijd, in Zijn grote genade, Hij de belofte liet optekenen: “ter plaatse, waar tot hen [Israël van vroeger]gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zul tot hen [Israël van vroeger] gezegd worden: gij zijt zonen van de levende God.” (Zie Rom. 9:24-26 {KJV}).{TN8: 12.2}

12

Aldus, zal gelukkig hetzelfde, Israël en Juda, die terzijde waren gelegd en verstrooid, “te dien dage” (onze tijd) opnieuw worden aanvaard en “worden bijeengebracht, en één hoofd over zich stellen, en zij zullen optrekken uit het land. Hos. 1:11 {KJV}.{TN8: 13.1}

  Na “vele dagen zonder een koning” te zijn verbleven (hun lot vanaf de dagen van hun ballingschap in Babylon zelfs tot op de huidige dag), “Zullen de kinderen Israëls (…) daarna” (ergens in de toekomst), zegt het shriftgedeelte, “Terugkeren, en de Here hun God zoeken, en David hun koning; en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid in de laatste dagen.” Hos. 3:4, 5 {KJV}. {TN8: 13.2}

 Maar aangezien David,  de koning van het oude Israël, gedurende vele jaren reeds dood was toen deze profetie totstand kwam, en aangezien het nooit vervuld is, was hij het type van de David die komen moet. {TN8: 13.3}

 Dus, zijn zij het die “de Here vrezen en Zijn goedheid [de Christen Israëlieten] in de laatste dagen” (onze tijd), die één “hoofd” of “koning,” — de antitypishe David, zullen aanstellen. {TN8: 13.4}

 (Voor volledige studie over Hosea 1 en 2, lees onze Traktaat Nr. 4, Het Laatste Nieuws Voor Moeder {Tract No. 4, The Latest News For Mother.). {TN8: 13.5}

 Uit deze scherpomlijnde feiten in de voorafgegane alinea’s, maken wij op dat de kinderen Israëls, verstrooid en zonder een koning {gedurende} deze “vele dagen,” zullen “terugkeren,” niet als Joden, maar als Christenen. Deze consolidatie* {*hechtmaking of versterking} van de

13

twee koninkrijken van vroeger, Juda en Israël, wordt voortgezet in de zinnebeeldige voorstelling:

De Twee Samengevoegde Stokken. {TN8: 13.6}

 “Gij mensenzoon,” zegt de Here, “neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef – het stuk hout van Efraïm – en het gehele huis Israëls dat daarbij behoort; voeg ze dan aan elkander tot één stuk hout, zodat zij in uw hand tot één worden. {TN8: 14.1}

“Wanneer nu uw volksgenoten u vragen: Wilt gij ons niet meedelen, wat gij daarmee bedoelt? zeg

shepherds-rod-tract-8-two-sticks

14

 shepherds-rod-tract-8-joined-sticks

dan tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie, Ik neem het stuk hout van Jozef – dat aan Efraïm toebehoort – en van de stammen Israëls die daarbij behoren, en Ik voeg het bij het stuk van Juda en maak ze tot één stuk hout, zodat zij één zijn in Mijn hand. {TN8: 14.2}

“Terwijl de stukken hout die gij beschreven hebt, voor hun ogen in uw hand zijn,

15

zeg dan tot hen: Zo zegt de Here God: zie, Ik haal de Israëlieten weg uit de volken naar wier gebied zij gegaan zijn; Ik zal hen van alle kanten bijeenverzamelen en hen naar hun land brengen. En Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen Israëls, en één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken. Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn. En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn.” Eze. 37:16-25. {TN8: 15.1}

Deze geïllustreerde profetie behoeft nauwelijks uitgelegd te worden, aangezien het in feite zichzelf uitlegt: aantonend dat de twee koninkrijken van ouds, Juda and Israël, zullen worden vergaderd van onder de “heidenen,” onder wie zij lang verstrooid zijn geweest en dat zij weer één grote

16

 natie zullen worden — “Een koninkrijk die nooit vernietigd zal worden.” Dan. 2:44 {KJV}. {TN8: 16.1}

 “Bovendien,” zegt de Here, “zal Ik met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en Mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben Die Israël heilig, doordat Mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen zal staan.” Ezek. 37:26-28 {KJV}. {TN8: 17.1}

 Aangezien God zegt dat Hij “hen vermenigvuldigen” zal wanneer zij weer een koninkrijk worden, en dat “de heidenen zullen weten, dat Ik, de HERE, het ben Die Israël heilig, en aangezien Hij kan “vermenigvuldigen” noch “heiligen” de afsluiting van de genadetijd, moeten de twee koninkrijken van vroeger noodzakelijkerwijs, dan, worden  hersteld en versterkt tijdens de genadetijd —

“De Tijd van Herstel.” {TN8: 17.2}

  Indien de 144.000 de “eerste vruchten” zijn, dan moeten er daarom ook tweede vruchten zijn, want daar waar er een eerste is, moet er ook een tweede zijn. En aangezien de eerste vruchten de “dienstknechten Gods” zijn, moeten zij naderhand naar alle naties gezonden worden om de tweede vruchten (Jes. 66:19, 20) te vergaderen — de grote schare (Openb. 7:9) die Johannes zag, nadat hij de verzegeling van de 144.000 had beschouwd. (Voor een gedetaïlleerde studie van dit onderwerp, — de 144.000 en de

17

grote