De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)


ABOUT US

We Offer Services
It’s a Story About Our Team

Great things are done by a series of small things.


De Symbolische Code 

Nieuws Artikel 

                                                                                           Deel Een

  Nr. 10 

                                                                                        15 april 1935 

                                                                                    Los Angeles, Calif. 

    

In Het Belang Van De Z.D.A. Kerkgenootschap 

“AAN DE TWAALF STAMMEN DIE OVERAL VERSPREID ZIJN” 

Al onze broeders en zusters verlangen ongetwijfeld te horen wat bereikt is met de reis naar Texas. We zijn nu gereed te rapporteren. {1SC10:1.1} 

De verantwoordelijkheid die God in deze tijd op ons heeft geplaatst, is zo groot dat geen menselijke verstand het volledig kan bevatten of het te serieus kan nemen; dat is, God heeft ons de “woorden des levens,”gegeven  om tot Zijn dwalende kerk, te brengen, aldus het licht voor dit volk in onze handen plaatsend! Met andere woorden, we staan als het ware, aan het roer van het grote schip, waarvan aan boord Gods volk is, en als wij het schipbreuk doen lijden, zal iedereen overboord vallen. Vandaar dat als wij konden realiseren hoe groot de val zal zijn, ook wij “grote druppels bloed,” zouden zweten. Het kan zijn dat Hij Die de woeste wateren heeft gekalmeerd, met de woorden, “Wees stil,” de zee zal scheiden, en aldus, zonder de hulp van het schip, diegenen die niet verantwoordelijk is voor haar val, aan wal zal leiden. Maar wee over ons, als we of door een onbezorgde halfslachtige poging, of door een ijver die niet geïnformeerd is door goddelijke kracht, zo een angstaanjagende catastrofe te weeg zouden brengen. {1SC10:1.2} 

Op dit moment gaan wij, vanaf de boodschap ons vond, de meest belangrijke stappen ondernemen. We smeken daarom ernstig de gebeden, van iedere Tegenwoordige Waarheid gelovige, zodat er niets gedaan kan worden, hetgeen God niet kan zegenen. {1SC10:1.3} 

Het Woord van de Heer, klinkt in onze oren, zeggende: “En gij mensenkind, neem u een tichelsteen , en leg die voor u, en teken daarop een stad, Jeruzalem . En breng haar in staat van belegering; bouw een schans tegen haar, werp een wal op tegen haar, sla legerkampen tegen haar op breng aan alle kanten stormrammen tegen haar in stelling.” Ezech. 4: 1-2. {1SC10:1.4} 

Vandaar dat we acht moeten slaan op de oproep, want anders zouden we het zwaar beladen schip op haar eeuwige vernietiging aansturen. {1SC10:1.5} 

Om tegen “schansen” te bouwen en tegen haar een “wal” op te werpen, en “legerkampen” tegen haar op te brengen en “stormrammen”, zal een onbevreesde groep van Gideonnieten vereisen, die hun knie niet zullen buigen voor een slok. (Jud. &; 2-7). Gods volk uit oude tijden, reageerde terwijl ze de tabernakel bouwden, de twee tempels, en in de dagen van de apostelen, heel getrouw op hun roeping. Maar zullen wij nu aan het einde van deze wereld, terwijl we geschiedenis maken dat voor de eeuwigheid zal bestaan, ons terugtrekken of minder doen? God heeft ons grotere zegeningen verleend, dan Hij ooit op welk ander volk in welke tijd dan ook heeft verleend. Zullen we daarom door onze daden falen om Hem te laten zien dat wij Zijn grote gaven waarderen, net zoals zij deden? Laat iedere lezer van de Code deze vraag voor zichzelf beantwoorden. {1SC10:1.6} 

Om de oproep te vervullen, moeten wij een “schans bouwen,” een wal opwerpen” en een legerkamp” en stormrammen  rondom opstellen”—Dit zal voor het huis Israels een teken zijn.” (Ezech. 4: 3) Vandaar dat de eerste vraag die gesteld moet worden is: “Waar zullen we bouwen? Het antwoord komt van Hem Die” het bestuur in Zijn eigen handen neemt (Testimonies to Mininsters, 300): “Te dien dag zal Israel….een zegen zijn in het midden van het land (Jes. 19: 24). {1SC10:1.7} 

Aangezien niemand een lamp in een hoek zet, maar eerder in het midden van de kamer, zo bouwde ook de wijze “landman,””een toren in het midden van” Zijn “wijngaard.” We leven in die profetische tijd, waar mannen heen en weer snellen” (Dan. 12:4) en waarin de Heer een snel werk doet.” (Rom. 9: 28). {1SC10:1.8} 

Als gevolg daarvan, is de Lone Star Staat, die in het midden van het land is voor beide America’s : Noord en Zuid, de plaats waar we het “kamp” moeten opzetten, zodat het licht gelijk verdeeld wordt naar het oosten en naar het westen, noorden en zuiden. Bovendien moet het “kamp,”waar vandaan de “stormrammen” uitgestuurd moeten worden, centraal gesitueerd zijn, zodat de afstand tussen de “rammen,”en het “kamp,” tot de helft gesneden is , zodoende de tijd en de kosten voor transport en voorzieningen evenals de post te reduceren. Wij danken God voor zo een wijs plan als deze. {1SC10:1.9} 

Daarom heeft Hij ons een van Zijn prachtige heuvelachtige meerover, grenzend aan Waco, Texas, een stad van ongeveer 60.000, maar toch ver genoeg ervan om weg van de wereld te zijn en haar kwade omgeving—ongeveer 5 mijlen van het centrum van de stad, en ongeveer 2 en een halve mijl van de stadsgrenzen. Daar ligt 189 hectare land voor ons “kamp.” [p.2] {1SC10:1.10} 

“Aldus zegt de HEERE God aan de herders: Wee de herders van Israel, die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? Het vet eet gij, met de wol kleedt gij u, het gemeste slacht gij, maar de schapen weidt gij niet; zwakke versterkt gij niet, zieke geneest gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij. Zij raken verstrooid, omdat er geen herder is, en worden tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij verstrooid.” (Ezech. 34: 2-5). {1SC10:2.1} 

Vanaf toen de apostelen  stierven, hebben Gods schapen hun herders overvloedig voorzien van wol en vet, maar de herders, van die dagen tot aan deze hebben weinig tot niets gedaan voor de schapen. “Daarom gij herders, hoort het woord des Heren, Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, omdat mijn schapen tot een prooi geworden zijn, omdat mijn schapen tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds, doordat er geen herder is- want mijn herders vragen niet naar mijn schapen; de herders weiden zichzelf, maar mijn schapen weiden zij niet—daarom gij herders, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Here Here: Zie Ik ben tegen die herders!Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen; de herders zullen niet langer zichzelf weiden, Ik zal mijn schapen uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel worden.”( Ezech. 34: 7-10) {1SC10:2.2} 

Glory aan God , want Hij “heeft beloofd, dat waar de herders ontrouw zijn,Hijzelf, de leiding zal nemen over de kudde.” (5 T. 80). {1SC10:2.3} 

“Jubelt, gij hemelen, want de Here heeft het gedaan; juicht gij diepten der aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, gij woud met alle geboomte daarin, want de Here heeft Jakob verlost en Hij verheerlijkt Zichzelf in Israel.” (Jes. 44: 23). {1SC10:2.4} 

“Jubel en verheug u, gij dochter van Sion! Want zie Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des Heren, en vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de Here en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in w midden wonen, Dan zult gij weten, dat de Here der heerscharen mij tot u gezonden heeft.” (Zach. 2: 10,11). “Hij zal als een herder Zijn kudde weiden, in Zijn arm de lammeren vergaderen en ze in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.” (Jes. 40: 11). {1SC10:2.5} 

“Ontwaakt,”mijn broeders en zusters, “ontwaakt”! Ziet u niet dat u tot voedsel bent geworden voor de beesten van het veld? Ontvangt u hulp van de herders? Zullen de herders niet de schapen voeden? Zullen ze niet de “lijdenden,” versterken? Zullen ze niet de ‘zieken’ genezen? Zullen ze niet de “verbrokenen,”verbinden? Zullen ze niet zij die “afgedwaald zijn,” terug brengen? Of zult u hun wrede handen versterken, zodat ze door kunnen gaan met de schapen te doden en zichzelf te voeden? “Zoekt de Here, alle ootmoedigen des lands, gij die zijn verordening volbrengt; zoekt gerechtigheid, zoekt ootmoet; misschien zult gij geborgen worden op de dag van de toorn des Heren.” (Zeph. 2: 3) {1SC10:2.6} 

Het is daarom noodzakelijk, dat wij sommige van de broeders en zusters naar Waco, Texas zenden, om de weg voor te bereiden voor het verhuizen van het hoofdkwartier door een tijdelijk gebouw op te zetten etc. zodat wij misschien in de komende twee maanden kunnen verhuizen, waarna wij plannen kunnen maken om andere gebouwen te bouwen, zodat wij in staat zullen zijn, om succesvol de boodschap aan de kerk te verkondigen, werk verschaffen voor ons volk, en de armen verzorgen, de zieken, de bejaarden evenals voor de kinderen onder ons. {1SC10:2.7} 

Met het zicht op deze formidabele verantwoordelijkheid die God op ons gelegd heeft, zullen we ons dan niet verenigen in gekweld gebed met het doel dat God ons mag zegenen en ons wijsheid van boven mag geven, en Zijn volk in deze dagen gewillig mag maken, want de Heer zegt: “Uw volk is een en al gewilligheid, ten dage van Uw kracht. “Als gij gewillig zijt, en luistert, zult gij het goede des lands eten; maar als gij weigert en weerspannig zijn, zult gij door het zwaard verteerd worden; want de mond des Heren heeft het gesproken.” (Jes. 1: 19: 20). {1SC10:2.8} 

———————————– 

Geliefde Broeders en Zusters in de Tegenwoordige Waarheid— 

De vele bemoedigingsbrieven, die wij de afgelopen verschillende weken hebben ontvangen, de meeste die aantoonden, dat u ernstig aan het bidden was, dat de Heer Zijn dienstknechten zou leiden in wijsheid en advies, terwijl zij zochten naar een centrale locatie voor het hoofdkwartier, waar vandaan het werk van het verkondigen van de boodschap aan de kerk uit te voeren, is door allen buitengewoon gewaardeerd en in het bijzonder door hen die als het ware, het land bespioneerden, en wij waren inderdaad heel gelukkig, om een goed verslag en een paar druiven van deze reis aan u te brengen, in de taal van de getrouwen vanouds, kunnen wij zeggen: “Wij zijn wel instaat om de stad over te nemen, maar wij weten dat dit alleen gedaan kan worden, als wij doen zoals de twee stijders vanouds deden, namelijk: “de Heer volledig volgen.” [p.3] {1SC10:2.9} 

Het was al geruime tijd overduidelijk, dat het spoedig noodzakelijk zou zijn, om een iets meer centralere locatie te zoeken voor het kantoor, om het hele veld efficiënt te bedienen, vandaar dat zij op het hoofdkwartier, vele maanden, heel ernstig aan het bidden zijn geweest over deze zaak, en als ze voortgingen te bidden voor licht, heeft de Heer uiteindelijk definitief aangegeven, dat het prachtige Zuid California, niet meer het centrum kon blijven van Zijn werk voor de “verloren schapen van het huis Israel”, maar dat een oostwaartse koers te zien was in de stroom van de “fontein,”die zou zwellen in de grote rivier van Ezechiel’s profetie, en plannen werden spoedig geformuleerd waarbij een grondig onderzoek gedaan kon worden in het gebied dat door de Heer aangetoond is, waar het toekomstige hoofdkwartier gevonden zou worden. {1SC10:3.1} 

Als reactie op de uitnodiging om leden te worden van het gezelschap uitgekozen om uit te kijken naar een nieuwe locatie, ontmoeten drie van ons elkaar in San Antonio, Texas, rond 1 februari, en meer dan twee maanden lang, hebben we naar  onze beste mogelijkheid, iedere aanwijzing van onze goddelijke Leider gevolgd, het land grondig doorzoekend  van San Antonio, tot Dallas en Fort Worth, hetgeen binnen het aangetoonde gebied is, waar de Heer ons gelokaliseerd wilde hebben. {1SC10:3.2} 

Een ding was helder in onze gedachten betreffende het nieuwe thuis voor ons werk, en dat was dat het een landelijke basis moest zijn waar vandaan te opereren—een met ruimte genoeg om te demonstreren, dat de Heer geen fout heeft gemaakt, toen Hij ons door Zijn boodschapper vertelde, dat wij uit de stad moesten zijn, en in een omgeving bevorderlijk voor de gezondheid, en een waar wij voor de behoeftigen onder konden zorgen, en werkgelegenheid verschaffen aan diegene die aan het leren zijn hoe de boodschap te geven. {1SC10:3.3} 

Terwijl wij in Waco waren, werd onze aandacht getrokken naar een eigendom, ongeveer vijf mijlen gesitueerd van het centrum van de stad, en vlakbij een zelf gemaakt meer, waarvan de watervoorziening van de stad werd gehaald, en hoe meer we deze locatie overwogen, hoe meer we overtuigd raakten dat de Heer ons naar deze plaats dirigeerde, zoals bewezen  werd door , “vele onfeilbare bewijzen,”die wij niet durven in twijfel trekken, aangezien het hele scenario, in eerste instantie,  in tegenstelling was tot welke menselijke planning, van ons zelf dan ook. {1SC10:3.4} 

Dit eigendom bestaat uit 189 hectaren, de ene helft die in een hoge staat van ontwikkeling verkeerde, de andere in hout, waarvan het meest ceder of verschillende formaten bomen, en sommige eiken en iepen, en een paar andere soorten kleidere bomen, die zouden kunnen voorzien, behalve in brandstof, een zeer grote hoeveelheid hout voor de constructie van schuttingen en funderingen van gebouwen. Het land heeft een aan de voorzijde een snelweg van ongeveer 1 mijl, waarvan de ene helft, dit prachtige meer overziet, welke in de lengte enkele mijlen uitgestrekt is en in volledige zicht van het woudgedeelte van de plaats van het noordoosten naar het zuidwesten. {1SC10:3.5} 

Vanuit de voorzijde van het meer, is er een steile toename tot een verhoging van ongeveer 300 voet, en dan is de oppervlakte van het land overwegend vlak en met uitzondering van twee of drie ravijnen die het woud scheiden in  twee heuveltop gedeelten, die geleidelijk terughellen naar het oostelijke en zuidelijke zijde van het landbouwland, zodoende voorziend in uitvoerige bouwgebied, voor alles wat noodzakelijk is, in ieder geval op dit ogenblik. {1SC10:3.6} 

Er is niet de geringste gedachten in het hoofd voor grote dure gebouwen, want dit is altijd in tegenstelling geweest, tot de instructies gegeven in zulke zaken, en des te meer in deze tijd, waarvan we weten dat er maar weinig tijd is om het werk af te ronden. Daarom moet “eenvoud,” het wachtwoord zijn voor alles wat we doen, daar de Heer op het punt staat  “de arbeiders te verrassen door de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk in gerechtigheid te volmaken.”—Testimonies to Ministers.” 300{1SC10:3.7} 

Daar wij verder geen licht hebben , dan dat we een begin moeten maken, hopen we toch spoedig iets meer definitiefs te hebben. Maar we zijn het over eens om een uitnodiging te sturen naar alle medegelovigen in Tegenwoordige Waarheid, om ons in ernstig gebed te verenigen, dat er in deze tijd geen fouten worden gemaakt. We zullen ook ieder voorstel, met betrekking tot hoe wij snel iets kunnen ontwikkelen, dat het dichts bij datgene zal zijn wat wij allemaal naar verlangden onder ons tot stand te zien komen, om ieder onderdeel van ons werk te vertegenwoordigen, eerst aan de kerk en incidenteel aan de wereld, ter voorbereiding voor het grootste van alle demonstraties wanneer de grote schare, het “huis van de Heer,”zal  worden binnen gehaald door de poorten die nooit gesloten zullen zijn. (Jes. 60: 11). {1SC10:3.8} 

Het laatste maar zeker niet het minst belangrijke onderwerp, in verband met deze reis door Texas, is dat betreffende de nieuwe gelovigen in Tegenwoordige Waarheid. Hoewel het belangrijkste doel van deze reis , het zoeken naar een nieuwe locatie was voor het hoofdkwartier, voelden we dat een tweevoudig doel, kon worden nageleefd, dus gebruikten we alle tijd, waarin we niet op een of andere wijze bezig waren, met het studeren met ons geliefde mensen, waarvan velen hongerig waren voor datgene waarvan ze weten dat ze het nu ontvangen, en als gevolg daarvan zijn wij verheugd bekend te maken, dat er verschillende kleine gezelschappen zijn, langs het pad bestreken door deze tour, die zich verheugen in het voortschrijdende [p.4] licht van de Derde Engel Boodschap zoals voorgezet in de HStaf, en er komen reeds goede verslagen van hen, met betrekking tot de interesse die opgewekt is in hun betreffende gemeenschappen. {1SC10:3.9} 

Hoe ernstig zouden we moeten bidden, dat God ons dezelfde passie voor zielen, zal toebedelen die de Man van Calvarie karakteriseerde, en de zielenangst die bezeten was door Hem die huilde over de stad van Zijn liefde en zorg, zodat wij in staat mogen zijn te zeggen zoals Hij deed: “Vader vergeef hen, want zij weten niet wat zij doen,” wanneer onze geliefde broeder en zusters ons onvriendelijk behandelen, want hun lasten zijn veel, en zij zijn niet bekend met de gezegende boodschap van Tegenwoordige Waarheid, en zijn daarom te betreuren, in plaat van te worden terecht gewezen. {1SC10:4.1} 

(Getekend) V.T. Houteff 

M.L. Deeter, E.T. Wilson 

————————– 

 

De Groeten : voor hun die van “Tegenwoordige Waarheid,” houden . {1SC10:4.2} 

Zef.2: 3 –“Om geborgen te zijn in de dag van de toorn des HEEREN,” is onze smeekbede. {1SC10:4.3} 

Deze verzegelende boodschap is nog waardevoller dan ooit te voren. Er zijn negen Adventisten hier: zeven zijn gelovigen in tegenwoordige waarheid; bidt alstublieft voor de andere twee. {1SC10:4.4} 

Dat wij “niets kunnen doen tegen de waarheid maar voor de waarheid,”wordt op indrukwekkende wijze gedemonstreerd door de volgende ervaring: {1SC10:4.5} 

Een bezoekende predikant kwam om ons te verlossen van misleiding. Hij bracht Zr. Colvin met hem, die de redenen beluisterde die hij gaf tegen de HStaf. De Heer stuurde br. Houteff, Deeter en Wilson precies op tijd. Ze werden dankbaar aanvaard als Gods boodschappers, en als gevolg zijn wij hier niet alleen bevestigd in de boodschap, maar er zijn ongeveer vijftien gelovigen in de Waco kerk, en meer aan het studeren! {1SC10:4.6} 

Nu hebben we de volgende waarschuwing ontvangen door de bladen van de conferentie: {1SC10:4.7} 

“Er zijn mannen op dit moment aanwezig in onze conferentie die zich voorgeven Adventisten te zijn. Het nieuwe licht dat zij beweren te hebben wordt niet aanvaard door onze organisatie… Om hun leerstellingen te aanvaarden, betekend ontbinden van gemeenschap met onze organisatie. We geloven dat wanneer de Heer nieuw licht voor ons heeft, Hij het door de leiders van deze organisatie zal openbaren en niet aan diegene die het bekritiseren.” {1SC10:4.8} 

Hoewel ze onze namen mogen verwijderen van de kerkverslagen, zijn wij verheugd, dat het niet zal zijn voor het ongehoorzaam zijn aan de Z.D.A. boodschap en dat zij het niet kunnen verwijderen uit het boek des Levens van het Lam. {1SC10:4.9} 

Moge God ons helpen om trouw te zijn! Dat wij “luid mogen uitroepen en niet besparen.” {1SC10:4.10} 

(Getekend) Mw. R. F. Mc Conathy 

Temple, Texas 

Ik besef hoe ver van God wij zijn geweest. Ik voel mij zo zwak en onbekwaam om deze boodschap aan de kerk te geven, maar ik heb mijzelf en mijn alles aan God gegeven en vraag Hem, om mijn wijsheid en verstand te geven, dat Hij door mij mag werken, door Zijn Geest voor het redden van zielen. {1SC10:4.11} 

(Getekend) Mw. Mollie Hartman 

Montrose, Colo 

Wij waarderen de Code zeker. We hebben speciaal genoten van de laatste {1SC10:4.12}

Onze kerk hier heeft de tijd van het Heilig avondmaal veranderd, etc. van ‘s morgens naar ’s avonds, in de hoop om de “verstotenen ,” te weerhouden van mee te doen. Dit is de eerste keer dat zij dit ooit hebben gedaan. Hoe dan ook, gaan wij het gelegen laten uitkomen om daar toch te zijn, zoals de zusters in Wyoming deden. Zij hebben ons medeleven, en wij bidden, dat zij tezamen met onszelf en al de anderen, voortgaan alles te ondergaan voor onze dierbare Verlosser, Die zo veel meer voor ons heeft gedaan. {1SC10:4.13} 

Bidt u alstublieft voor onze kleine groep hier. Wij gedenken jullie allen continu. Wij wensen Gods rijkste zegen over jullie. {1SC10:4.14} 

(Getekend) Mw. J.C. Campbell 

Columbia, S. Car. 

Ik onderhoud nog steeds bijeenkomsten hier; ook hebben wij een gebedsgroep georganiseerd, die op donderdagavond bijeenkomt. De nieuwe (leden) die recentelijk met ons zijn bijeengekomen, vertelden sommige van de andere kerkleden, dat zij de aanwezigheid van de Heer daar konden voelen. Wij hebben ook sabbat middag studies. {1SC10:4.15} 

Ik ben verheugd u te vertellen, dat wij nog een lid erbij hebben in ons gezelschap. De kerk stemde hem weg gisteravond, 4 maart. Hij is vastbesloten mee te helpen de broeders en zusters  in Zion te redden. {1SC10:4.16} 

Wij willen graag dat u bidt dat God met ons verder zal gaan, en dat om meer zielen te zegenen en te redden. {1SC10:4.17} 

(Getekend) Oran Richardson,

 Muncic, Indiana 

 

EEN INTERESSANTE ERVARING VANUIT COLUMBIA, S. CAR. 

Van een interessante uiteenzetting van Dr. John H. Young van Columbia, S. C. “De Twaalf Stammen Die Verspreid Zijn,” groetend,  doen wij hierbij verslag van een recente ervaring welke het kleine gezelschap had, waarvan de dokter de leider is, gedurende de tijd dat een Generale Conferentie veldsecretaris, de kerk in Columbia bezocht met het doel, de HStaf leerstellingen neer te halen. {1SC10:5.1} 

Hoewel de predikant van de kerk, de dokter beloofd had dat hij en de bezoekende broeder het kleine gezelschap op maandag, dinsdag en woensdag 6 uur ’s middags te ontmoeten van de aangewezen week, voor de bijeenkomst, waren ze allemaal verrast om aan den lijve te weten te komen dat hetzelfde procedure plan, dat gevolgd werd in Charleston, ook werd uitgevoerd in Columbia, terwijl de tirade tegen de HStaf in scene werd gezet.  Het plan was om in plaats van zoals afgesproken was, met de gelovigen van de Tegenwoordige waarheid  boodschap bij een te komen, en hen te tonen wat de voorgegeven dwalingen waren van de Staf, alle tijd werd besteed aan het verkondigen van de zogenaamde ketterij, vanaf het kansel, niemand toestaand, een vraag te stellen, die de spreker op welke wijze dan ook erbij zou betrekken, of zijn betreurenswaardige onwetendheid van de HStaf boodschap aan te tonen. Later kwamen wij te weten dat het hun strategie was, om ons een voor een te ontmoeten, zodat de twee ouderlingen tezamen in staat konden zijn om een arme schaap alleen in de hoek te drijven! {1SC10:5.2} 

De arts verteld dan over de teleurstelling van het kleine gezelschap, “die in het licht stonden,”toen ze te weten kwamen dat de ouderlingen niet met hen zouden samenkomen, maar zegt de dokter, “ze waren niet verslagen.” Ze waren eerder opgewekt.”  We hadden een goede reden voor gebed, en dankten God voor alles dat Hij voor ons had gedaan. Ik werd herinnerd aan de gedachte: ‘Een enig man onder u , zal er duizend jagen; want het is de HEERE, uw God Zelf, Die voor u strijdt.”’ (Joz. 23:10). {1SC10:5.3} 

Onze broeder stelt verder: “Ik smeekte en pleitte met deze ouderling om te komen en ons te ontmoeten, maar hij wilde niet. Hij dacht niet dat het, het beste was om de groep te ontmoeten, maar hij zei dat hij zou kunnen komen en persoonlijk met mij praten, hoewel  hij dat nooit deed. Hij ging wel in gezelschap van de predikant van de kerk, een van onze zusters bezoeken, maar kon niets over de HStaf benoemen. Denkt u dat de Heer ze ervan weerhield om op zo een manier, uit te buiten? Ik geloof dat Hij dat deed. Ze belden een andere zuster en vroegen haar of ze langs konden komen, maar ze antwoordde hen meteen dat als ze niet konden afspreken met de groep, zij er helemaal niet voor voelde om met hun  af te spreken. {1SC10:5.4} 

“Mijn gebed is dat de God van alle waarheid, Zijn volk mag zegene, en ons heiligen mag in Zijn waarheid, door de genade die is in Christus Jezus onze God. Broeders en zusters, laat ons voor elkaar bidden. {1SC10:5.5} 

EENS SCHUCHTER, NU DOENDE EN DURVENDE 

Recentelijk, stond de predikant hier op en zei: “Ik ga duidelijke taal spreken deze morgen. De Heer Wilson, de heer Deeter en ene heer Houteff, zijn op reis in Texas. Geef hun geen enkele financiële of fysieke ondersteuning, want ze onderwijzen de HSTaf, welke hoewel het voorgeeft licht te zijn, alles behalve licht is.” {1SC10:5.6} 

Alle ogen werden meteen op mij gericht.. Toen ontmoette ik na de dienst de predikant bij de deur en vroeg aan hem of ik even met hem mocht praten, dus ging hij aan een kant met mij en ik zei: “Weet u dat  ik voor geen miljoen dollars in uw plaats zou willen zijn deze morgen?” Hij zie: “Waarom?” Ik antwoordde: “Omdat u Gods dienstknecht en Gods boodschap hebt veroordeelt, waar u niets van afweet, behalve dat wat u gelezen hebt  in een boek dat u van het huidige bestuur van St. Louis hebt gekregen.” Toen adviseerde ik hem om Gospel Workers, te lezen, het hoofdstuk genaamd: “Gevaar,” en 5 T. 80-1 en ze aan mij uit te leggen. {1SC10:5.7} 

Een zuster aan wie ik een partij van de HStaf delen had geleend zei tegen mij: “Het maakt me niet uit wat ze zeggen, ik lees en ik ga door met lezen.”Er zijn velen die lezen, maar die zich niet toewijden, uit vrees dat zij uit de synagoge worden gezet. {1SC10:5.8} 

Ik dank God voor de moet die Hij mij gegeven heeft, want ik ben altijd het wegkrimpende soort geweest..Ik dank Hem voor het licht van tegenwoordige waarheid. Ik heb deel 1 van de HStaf twee keer door en door gelezen in de afgelopen week, en iedere keer als ik het lees ontvang ik meer licht—en hoe helpen de “Codes,” mij: ik lees ze altijd twee tot driekeer door, tel de bladzijden en wenste dat er meer waren. {1SC10:5.9} 

Ik bid voor al de dierbaren en verlang naar de tijd wanneer wij een gereinigde kerk zullen genieten. Moge God Zijn werk en werkers zegenen. {1SC10:5.10} 

(Getekend) Mw. A, Oswald 

Tom Ball, Texas. 

SCHADUWEN VAN HET VERLEDEN 

Vanaf de presentatie van de boodschap door Br. Houteffe in Keene algelopen week, verheugen tien zich in Tegenwoordige Waarheid, en het resultaat was dat op woensdagavond, de bidstond ons herinnerde aan gelijksoortige bijeenkomsten gehouden in de Methodisten kerken tien jaar geleden, in het trachten de kudde op te beuren, en het tevreden te laten zijn met hun eigen conditie, nadat de Z.D.A. in de gemeenschap was geweest. {1SC10:6.1} 

(Getekend) Mw. J. O. Conrad 

Keene, Texas 

Wij zijn verheugd om de Code familie te vertellen dat Zr. Mullenix, een moeder van Israel, die ernstig gewond was geraakt in een auto ongeluk, vroeg in januari, dat de geneeskundigen vreesden voor haar leven, nu hersteld is. Ze zegt: “Ik ben weer thuis sinds na mijn ongeluk, en vrijwel van al mijn wonden genezen. Ik ben dankbaar voor de HStaf boodschap en dankbaar aan mijn liefhebbende Verlosser. {1SC10:6.2} 

“Ik wil getuigen dat tegenwoordige waarheid, voor mij een aanwezige hulp was in alle moeilijke tijden, en dat het van mij een betere Z.D.A. heeft gemaakt dan ik ooit tevoren was. {1SC10:6.3} 

“Ik waardeer de Code en kijk uit naar haar maandelijks bezoek. Het draagt een boodschap van God, waarvan ik bid dat onze kerken het zullen ontvangen voordat het te laat is.” {1SC10:6.4} 

Mary Mullenix 

Florence, Colo. 

DE BOODSCHAP GROEIT NOG MOOIER 

Hoe dieper ik de HStaf boodschap bestudeer, hoe helderder het licht voor mijn voeten wordt. Elke dag schijnt het nog mooier voort. {1SC10:6.5} 

Ik heb heel lang gevoeld, dat mijn tiende naar de opslagplaats moet gaan van tegenwoordige waarheid, om te helpen haar licht naar de Z.D.A broeders en zusters wijd en zijd te zenden. Dus besloot ik afgelopen maand het daarnaar toe te sturen, en zal doorgaan daarmee zolang ik iets te sturen heb, want ik geloof met heel mijn hart, dat deze boodschap de reinigende boodschap is, “voedsel op zijn tijd,”van de grote Voorziener, en dat wij alles moeten doen wat wij kunnen, om te helpen om het naar andere hongerige zielen te dragen. {1SC10:6.7} 

Ik wil waardig geacht worden om, omwille van Christus te lijden. {1SC10:6.8} 

(Getekend) Mw. Lillian Davidson 

Belfair, Wash. 

 

EEN ANDERE BEREAAN 

Ik kon nauwelijks wachten totdat de boeken en de traktaten aankwamen, om te beginnen ze te lezen. Ik wist dat ze waarheid waren van al mijn voorgaande Bijbels studies en lezen van de Geest der Profetie. Toen ik Deel 1 van de HStaf las, kwam het steeds weer tot mij door: wat dwazen en tragen van hart wij zijn geweest om niet al wat de profeten zeiden te geloven.” Men wordt herinnerd aan de discipelen die niet konden zien nog begrijpen, tot na de opstanding wat Jezus hen duidelijk vertelde. Ik lees met mijn ogen wijd open, en vergelijk Schriftgedeelte met Schriftgedeelte, als ik van een punt naar een andere ga. Natuurlijk maak ik bij al het lezen, aantekeningen  van vele punten, waarvan ik u later enkele vragen zal zenden, als ik het antwoord daarop niet vind terwijl ik doorlees, zoals ik verschillende gevallen heb gedaan. {1SC10:6.9} 

Het lezen tot zover, heeft mij geleid om terug te kijken naar de ervaringen in mijn leven, om de waarheidsgetrouwheid te zien van alles wat de HStaf zegt met betrekking tot  het Z.D.A. kerkgenootschap…. Ik weet uit ervaringen als jongen en in de jaren vanaf toen de leerstellige, onchristelijke manier, van onderwijzen van de waardevolle leerstellingen van ons geloof, mij terug zetten in wanhoop en veroorzaakten dat ik een hopeloze staat overgaf, en zo een hele lange tijd te blijven. {1SC10:6.10} 

Toen ik een tiener was, was ik gewend te zeggen: “Moeder, ik heb opnieuw al de profetieën en leerstellingen bestudeerd, en al deze Bijbellezingen overgeschreven in een memorandum, en ik kan in dit hele systeem van waarheid, zien waar er voorzieningen zijn gemaakt voor het overwinnende leven. Waar is die kracht van God, die iemand weerhoudt van vallen en van het ervaren van Romeinen hoofdstuk 7? Waar is het overwinnende leven?” En zij zei dan: “Wel zoon, je onderhoudt toch de sabbat?”—“Ja”. “En je betaald tienden en gelooft in de Geest der Profetie en gehoorzaamd de gezondheidswetten toch?” “Ja.” “Wel dan is het goed met je, je hoeft je geen zorgen te maken.” {1SC10:6.11} 

Maar ik schoot te kort om overtuigd te worden. Wanneer men in zwakheid valt, het belijdt en vergeven is, en dat hetzelfde steeds weer en steeds weer doet, is daar geen zielerust in; dat is niet wat God in het nieuwe verbond heeft beloofd. Toch is dit precies waar de moeilijkheid en het probleem ligt met de rust van de Zevende dags Adventisten. Het is jammer. De predikanten zijn fout, en toch zijn de predikanten zelf nooit geleid in de ware en levende manier door hen op hun beurt hen in de waarheid hebben gebracht. “Spaar uw volk, O HEERE en geef Uw erfenis niet over toe een smaadheid, dat de heidenen over hen heersen, waarom zouden zij onder de volken zeggen, Waar is hun God?” (Joel 2: 17) {1SC10:6.12} 

Ik dank God voor deze nieuwe waarheden van de HStaf, en ze moeten ertoe leiden om Gods volk er toe te dringen om de gevaarlijke toestand voor hun te zien, en de noodzakelijke ernst van zoeken van hervorming, die al lang overtijd is. Velen zijn het eens over hervorming, maar de nieuwe opdracht moet zijn opwekking en hervorming,  want om alleen de buitenkant schoon te maken van een kop en schotel doet geen goed. Slechts de correcte jurk, haar en uiterlijk vertoon zal totaal geen voordeel brengen. Christus moet van binnen uit gevormd worden, de hoop der heerlijkheid, anders is het verlies eeuwig.. we moeten wederom geboren worden: dragen wij de tekenen van de nieuwe geboorte? Hij die in God geboren is zondigt niet. Hebben wij hoop op het eeuwige leven? Hij die deze hoop heeft reinigt zichzelf net zoals Hij rein is. {1SC10:7.1} 

Ik bid God dat door Zijn genade, ik deel mag hebben met Zijn volk in dit werk en boodschap…die ons terugbrengt naar de levendige ervaring van die dagen toe de Geest der Profetie eert gegeven was aan onze pioniers en sommige ontvingen het en sommige verwierpen het geschenk, dat God gezonden had om Zijn volk te verlichten. Wat mij betreft, ik wil een medearbeider zijn met hen die de zaak van tegenwoordige waarheid voortdragen. {1SC10:7.2} 

(Getekend) L.C. Forsythe 

Wapakoneta, Ohio 

BEMOEDIGING VOOR ALLEN 

Niet dat ik of ziek of ijdel was, maar omdat ik aan het geniete was van de getuigenissen van anderen, is de reden voor mijn stilzwijgen gedurende de afgelopen drie maanden, maar ik wil ook graag mijn getuigenis toevoegen in de huidige uitgaven van de Code, want God is goed voor mij geweest, en heeft mijn zwakke pogingen opmerkelijk gezegend, in de kleine hoek waar ik aan het werk was. {1SC10:7.3} 

Door de broeders Houteff en Deeter te vergezellen in San Antonio,Texas rond 1 febr en samen met hen de grootste centra in de Lone Star staat bezoekend, tijdens de afgelopen twee maanden, heeft de Heer onze pogingen gezegend door vrucht te dragen in bijna iedere plaats waar we gestudeerd hebben met de mensen, en wij hebben een groep van tien of twaalf achter gelaten in ieder van de twee plaatsen, volledig toegerust, met verschillende geïnteresseerden, die de boodschap aan het lezen en bestuderen zijn. {1SC10:7.4} 

Het is interessant om op te merken dat een van deze groepen, precies in de schaduw van het Conferentie kantoor van de Unie is opgericht, en in het dorp, waar een onze oude scholen gelokaliseerd is, en waar vele werkers en leraren wonen, wat allemaal aantoont dat zelf de grootste mannen onder ons niets kunnen doen tegen de waarheid maar voor de waarheid, en al de tirades in scene gezet tegen de mooie boodschap van tegenwoordige waarheid die de HStaf bevat, slechts meer interesse erin schept. {1SC10:7.5} 

In antwoord op Zr. J.A. Dundore’s vraag in de februari code, met betrekking tot de vooruitgang van het werk, wil ik zeggen dat ik aanwezig was in Charleston, S. Car, toen ouderling____________ daar was en een schelkannonade tegen de HStaf hield, en ik waarlijk zeggen dat in plaats van zijn” uitstampen van de HStaf leerstellingen daar,” zijn handelingen dienden om al diegene die het reeds geaccepteerd hadden, te bevestigen en een interesse schiep in anderen om de boodschap voor zichzelf te onderzoeken;  en een van de dames die hem aanhoorde, nodigde mij uit naar haar huis om een studie te geven, en merkte op aan het einde van de studie: Oh wat komen ze tekort in deze kleine kerk!” {1SC10:7.6} 

Nooit in al mijn werk als een predikant in deze zaak heb ik een nog directere vervulling gezien van de treffende bewering  in deel negen die ons verteld dat de “laatste bewegingen snelle zullen zijn.” {1SC10:7.7} 

Als een concreet voorbeeld van de bovenstaande bewering, zijn wij recentelijk getuige geweest van een groep van mensen in Waco, Texas, die na tien studies in tegenwoordige waarheid bevestigd werden en een nadere groep in Keene, Texas, die bevestigd werd na slechts zeven studies! Dus geliefde medearbeider, we zien werkelijk de waarheid van de verwante bewering in vervulling gaan in Eerste Geschriften, met het gevolg dat in de laatste dagen, sommigen in een paar maanden zullen moeten leren wat anderen jaren over hebben gedaan om te verkrijgen, dus laat ons ernstig bidden dat de Heer ons snel zal leiden naar precies de plaat s waar Hij wil dat wij arbeiden, terwijl de vervulling van Ezechiel 9 op zich laat wachten. {1SC10:7.8} 

(Getekend) E.T. Wilson. 

VRAGEN EN ANTWOORDEN 

Vraag: “ Is het nu begrepen, waarom het getal van het beest 666 zou moeten zijn? Wat bedoelt zr. White wanneer ze zegt in “Een woord aan de kleine kudde; A Word to the little flock,” blz. 19 dat ze zag dat het getal was opgemaakt?” {1SC10:8.1} 

Antwoord: De boekrol, is nog niet ver genoeg gekeerd om te openbaren waarom het getal van het beest 666, zou moeten zijn, nog is het getal al opgemaakt,nog minder zullen wij in staat zijn om het volledig te begrijpen, tot nadat de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. {1SC10:8.2} 

Vraag: “Eerste Geschriften, p. 281 zegt: Het plan van verlossing is tot stand gebracht, maar weinigen hadden ervoor gekozen het te accepteren. Deze bewering wordt heel uitvoerig gebruikt, tegen de leerstelling van de ‘grote schare,’ zoals onderwezen door de HStaf. Wilt u het alstublieft in harmonie brengen met de latere onderwijzing.” {1SC10:8.3} 

Antwoord: Het is waar dat de woorden “weinig uitverkoren,” vaak verschijnen in heilige Schriftgedeelten. Het is echter on-Bijbels om het Woord eigenmachtig uit te leggen . We moeten de Schriftgedeelten zichzelf laten uitleggen. Het volgende voorbeeld zal tonen hoe fataal het is om de Schriftgedeelten door de menselijke manier van redeneren uit te leggen. {1SC10:8.4} 

Paulus zegt:”Nu is Hij in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijn zelfs offerende.”( Hebr. 9: 26) Als iemand de bovenstaande bewering zou beschrijven zoals sommigen de woorden beschrijven, “weinig uitverkoren,” zou hij geneigd zijn twee dingen te doen, namelijk: of zichzelf als een klein kind vernederen, en toegeven dat hij niet begrijpt wat Paulus schrijft, of anders gescheiden van goddelijke wijsheid, zijn menselijk oordeel uitoefenen en Paulus beschuldigen van verkeerd zijn in zijn bewering, want de wereld eindigde niet in de tijd dat Christus was gekruisigd. {1SC10:8.5} 

Laat ons daarom de woorden onderzoeken, “weinig uitverkoren,” in het licht van de Bijbel. Terwijl Jezus verkondigd dat “velen zijn geroepen, maar weinig uitverkoren (Matt. 20: 16), zegt Jesaja, door dezelfde Geest: “Uw poorten zullen steeds open staan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden, opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden…De kleinste zal tot duizend worden en de minste tot een machtig volk; Ik de Heere zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen.” (Jes. 60: 11, 22) {1SC10:8.6} 

Zacharia zegt ook, terwijl hij profetisch spreekt over onze tijd: “Vele heidenen zullen te dien dage de Heere toegevoegd worden.”(Zach. 2:11) De Heer zegt verder: “Het zal geschieden in het ganse land, spreekt de Heere, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden en den geest geven, maar de derde deel zal daarin overblijven. En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren: Ik zal zeggen : Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De Heere is mijn God.” (Zach. 13: 8,9) {1SC10:8.7} 

Bovendien, terwijl de Eerste Geschriften zegt: “Maar weinig hebben gekozen het te accepteren,” groepeert dezelfde schrijfster in De Grote Strijd, p. 665 de grote schare van Openbaring 7: 9 als een groep gescheiden van de martelaren en anderen die zullen opgewekt worden, het onmogelijk makend, te concluderen dat de “grote schare,”zullen worden opgewekt. {1SC10:8.8} 

Nu is de vraag, als wij concluderen dat uit de bewering van Eerste Geschriften. p. 281 en Matt 20:16, slechts een paar gered zullen worden, wat zullen we doen met Jes. 60: 11, 22, Zach. 2: 11; 13:8, 9 en De Grote Strijd p. 665? Geen enkele onbevooroordeelde Bijbel student kan vanuit de bovenvermelde beweringen, tot welke conclusie dan ook belanden, die hem zou leiden om zijn interpretatie van het onderwerp op een Schriftgedeelte te baseren en de andere totaal negeren, maar zou eerder trachten zijn slotanalyse te maken, dat het in volmaakte harmonie is met alle geïnspireerde geschriften, of anders bekennen dat hij het licht op de Schriften niet heeft. {1SC10:8.9} 

De enige leerstelling die, in het huidig verband, de test zal doorstaan en in volmaakte overeenstemming is met alle heilige geschriften is die ene dat de “weinigen,” die zijn die gered zijn gedurende de afgelopen eeuwen, welke periode figuurlijk is geclassificeerd in de gelijkenis van Christus als de tijd voor de “Oogst.” Maar in het afsluiten van ’s werelds geschiedenis, in de inzamelingstijd—de Oogst—zal er geen grote schare gered worden. Het is slechts normaal, dat er in vergelijking maar weinig gered waren in de afgelopen eeuwen, omdat het feit dat die periode in de tijd niet de Oogst was, en het op gelijke wijze net zo normaal is dat nu, “aan het einde van de wereld,”—de tijd van de Oogst (Matt. 13:30), –er een grote inzameling zal zijn van zielen, die niemand tellen kan. {1SC10:8.10} 

“En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samen vergaderd worden, en zich een enig Hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreël zal groot zijn.” (Hos.1:11) {1SC10:8.11} 

Aangezien het idee van een grote schare slechts tegengesteld is aan het plan van de duivel, laat ons daarom niet in zijn belang werken. {1SC10:8.12} 

 Vraag: “Met betrekking tot de vernietiging van het beest aan het einde van de genadetijd, zou ik willen weten, of dit een letterlijke vernietiging is, en als dat zo is, wie wordt vernietigd of als het niet letterlijk is, wat is het dan? {1SC10:9.1} 

Antwoord: De vernietiging van het Daniel 7 beest, is hoewel het een letterlijke vernietiging is, niet specifiek van personen, maar eerder van princiepen, zoals is bewezen door het feit dat de andere drie beesten van Daniel 7, die zijn samengevat in de twee samengestelde beesten van Openb. 13 en 17,– progressieve symbolen van onze huidige wereld,– voortgaan tot het einde, terwijl de vrouw (het principe van valse godsdienst) schrijlings zitten op het beest van Openb. 17 wordt vernietigd aan het einde van de genadetijd voor de mens, en hetzelfde ding openbaart dat het symbool van Dan. 7 beest, profeteert: namelijk de opheffing  van het principe van valse godsdienst zoals uitgedrukt door het instituut van godsdienstige-politicisme. {1SC10:9.2} 

Echter, door deze opheffing, die het directe resultaat moet zijn van het opbreken, lijkt het onvermijdelijk, dat die mensen die onlosmakelijk in verwoven en bij het structuur van het instituut zelf  betrokken zijn, moeten verloren gaan als het valt; want revoluties van het soort dat hier gesymboliseerd zijn, baden de aarde altijd met bloed. In dit speciale geval, zal het ongetwijfeld diegene laten gaan die de hiërarchische bedienden (priesters, predikanten, en anderen) zijn van de “vrouw,” die de natiën hebben misleid. {1SC10:9.3} 

Een nauwkeurige navolging van HStaf, Deel 2, blz 154, 155, 160, 161 zal beloond worden met een heldere begrip van het hele onderwerp. {1SC10:9.4} 

Vraag: 5 T 212, onderaan de pagina, schijnt te onderwijzen, dat de vernietigings wapens , de zeven laatste plagen zijn. De HStaf leert dat Ezech. 9 de reiniging van de kerk is. Legt u de ogenschijnlijke tegenstrijdigheid alstublieft uit. {1SC10:9.5} 

Antwoord: In verhouding tot 5 T 212, laten we eerst een gelijkenis bekijken, in een zekere verband, vanuit de tijden voorafgaand aan Noah. Judas bewijst dat Henoch een boodschapper van God was, en dat hij toch zijn generatie waarschuwde voor de vernietiging van de wereld door de tweede komst van Christus, toen in feite de vloed de gebeurtenis was, die zou komen en die vervolgend ook de hele wereld van Henoch zijn tijd vernietigde! Henoch werd eenvoudig weg niet de waarheid van de vloed getoond. Vandaar dat hij de vernietiging toen predikte, in termen van de komst van de Heer. {1SC10:9.6} 

Zo was het ook met Zr. White. Aangezien niemand het licht had over de vernietiging van Ezechiel 9, maakte zij de vergelijking ervan met de zeven laatste plagen, waar zij meer vertrouwd mee waren. Desalniettemin, later in 3 T 266; 5 T 210-212; TM 431, etc. paste zij Ezechiel negen toe, in tijd voor de zeven laatste plagen. Dus is Ezechiel negen toepasbaar op twee verschillende tijden—eerst in de tijd van de scheiding van de eerste vruchten, de 144.000; en ten tweede, in de tijd van de scheiding van de tweede vruchten, de grote schare van Openb. 7: 9. {1SC10:9.7} 

Vraag: “5 T 216, sprekend tot de broeders en zusters, zegt dat sommigen zich voorbereiden op het “merkteken van het beest,” maar volgens de HStaf, zullen alle ontrouwe Z.D.A’s vernietigd worden voor het merkteken van het beest. Legt u alstublieft uit. {1SC10:9.8} 

Antwoord:  

Als de  vragensteller 5 T 216 opnieuw wil bestuderen, zal zij zien dat het niet de broeders en zusters zijn die voorbereiden op het “merkteken van het beest,”maar eerder : Zij die zich met de wereld verenigen, niet met de kerk. {1SC10:9.10} 

Vraag: “Ik ben niet in staat mij te verzoenen met de onderwijzing dat Ezechiel 9 de onbekeerden verwijdert (de vijf dwaze maagden) uit de kerk aan het begin van de Luide Roep, met de gelijkenis van de tien maagden die de wijzen en de dwazen tezamen behoud tot aan de komst van de Heer. {1SC10:9.11} 

Antwoord: De gelijkenis van de tien maagden kan de maagden niet behouden tot de komst van de Heer, maar eerder tot aan een bepaalde tijd voor de uiteindelijke afsluiting van de genadetijd, want, let iets nauwkeuriger op dat de Schriften zeggen: “En zij die gereed waren gingen in met Hem tot het bruiloft,”en de deur werd gesloten.” (Matt. 25: 10) De woorden “tot de bruiloft,” tonen aan dat de oproep werd gedaan en de door gesloten werd voordat de bruiloft plaatsvond, en aangezien Christus trouwt of gekroond wordt aan het einde van menselijke genadetijd (zie de Grote Strijd, 426, 427) en voor de zeven laatste plagen worden uitgestort, bewijst het dat de oproep, “Ziet de Bruidegom komt,”niet de komst van Christus op de wolken is, wanneer Hij Zijn volk”tot Zichzelf vergadert,”(Joh. 14:3), maar eerder Zijn komst tot het heiligdom voor het oordeel van de levenden. {1SC10:9.12} 

Daar de vijf wijze maagden de 144.000 (Openb. 14:4) zijn, zien wij dat de oproep voor hen om te ontwaken, hetzelfde is als Jes. 52:1; welke de tijd van de roep hetzelfde maakt als “de verzegelingstijd van de 144.000,” (3 T 366) en hun ontmoeten met de bruidegom hetzelfde als Ezech. 9. Dan zal Hij na de afsluiting van de genadetijd en na de uitstorting van de plagen,  komen en Zijn eigen meenemen, niet om getuige te zijn van de bruiloft, maar om het bruiloftsmaal te eten, nadat de ceremonie uitgevoerd is. {1SC10:9.13} 

EEN VREUGDEVOLLE STEM VAN VERAF 

Ik wacht gretig op het volgende nummer van de Code. Het is verrassend hoe het vragen van ogenschijnlijke moeilijkheden opheldert; aldus wijsheid van boven aantonend. {1SC10:10.1} 

De Uwe, verheugend in de boodschap 

(Getekend) Clara Opitz 

Hamberg, Germany 

—————————-

 

EEN VOORKEURS DIEET 

“De Heer wenst dat zij die wonen in landen waar vers fruit, gedurende een groot gedeelte van het jaar verkregen kan worden, ontwaken tot de zegening die ze hebben in dit fruit. Hoe meer we afhankelijk zijn vers fruit, als het geplukt is van de boom, hoe groter de zegening zal zijn. 7 T 126{1SC10:10.1} 

“Het zou ons goed doen om minder te koken en meer fruit te eten in haar natuurlijke staat. Laat ons de mensen leren om vrijelijk te eten van de verse druiven, appels, perziken, peren, bessen en alle andere soorten fruit die verkregen kan worden. Laat deze bereid worden voor het gebruik in de winter, door het in te maken, zoveel mogelijk gebruik makend van glas, in plaats van blik.” 7 T 134{1SC10:10.2} 

“De overvloedige voorraad van vruchten van de natuur, noten en granen is uitgebreid, en jaar na jaar worden de producten van alle landen voor het grootste gedeelte meer gedistribueerd naar allen, door de toegenomen mogelijkheden van transport. Als resultaat daarvan, zijn vele voedingsartikelen, die een paar jaar geleden werden beschouwd als dure luxeartikelen, nu binnen het bereik van allen als voeding voor dagelijks gebruik. Dit is in het bijzonder het geval met gedroogd en ingemaakt fruit.” M.H. 297{1SC10:10.3} 

“Waar droog fruit, zoals rozijnen, pruimen, appels, peren en abrikozen te verkrijgen zijn tegen schappelijke prijzen, zal uitgevonden worden dat ze, veel vrijer gebruikt kunnen worden als basisartikelen voor het dieet, dan de gewoonte is, met de beste resultaten voor de gezondheid en kracht, voor alle klasse arbeiders.” M.H. 299{1SC10:10.4} 

“Granen en fruit bereid zonder vet en in een zo natuurlijke staat als mogelijk, moet het voedsel voor de tafels zijn van allen die claimen zich voor te bereiden voor overzetting naar de hemel.” 2 T 352 De bovenvermelde bewering houdt ook noten in, die de vruchten van de boom zijn en voor de gezondheid en voedingstoffen dagelijks gegeten moeten worden, in een of andere vorm, en grondig gekauwd, of zoals ze komen met de schil, of als noten cream of botersoorten. Ze zijn beter ongekookt, of geroosterd. {1SC10:10.5} 

GEZONDHEIDS SUGGESTIES VOOR DE BOTERHAM 

Volkeren of heel rogge brood, besmeren met avocado spread (voor zover wij weten kan advocaat gecombineerd worden met groenten), en voeg daar gehakte waterkers aan toe welke gemengd is met een beetje zout en citroen. {1SC10:10.6} 

 Volkeren tarwe brood, besmeren met geweekte of droge pruimen, die fijn gesneden zijn en gemengd met pecan noten en honing. {1SC10:10.7} 

Volkoren tarwe brood, besmeren met dadels of rozijnen, geblunderd met een goede notenboter, die verdund is om het goed te kunnen mengen. {1SC10:10.8} 

Peulvruchten, zoals bonen of linzen of gedroogde erwten, maken een volwaardige en smaakvolle boterham, wanneer met een vork geplet en met een beetje citroensap toegevoegd. {1SC10:10.9} 

Volkoren tarwe brood, besmeren met geprakte bananen en gemalen dadels{1SC10:10.10} 

Roggebrood of volkoren tarwe brood, besmeren met gemalen vijgen en walnoten waaraan honig en een of twee druppels citroensap is toegevoegd. {1SC10:10.11} 

Volkoren tarwe brood of volkoren rogge brood, besmeren met avocado spread of noten boter met sla. {1SC10:10.12} 

BELANGRIJKE OPMERKING 

Wij willen alle lezers van de code tot voorzichtigheid manen, om de grootste zorg uit te oefenen niet welke literatuur dan ook in postbussen van individuen te deponeren, want ;het is een inbreuk op de postwet van de Verenigde Staten. {1SC10:10.13} 

Onze zusters zijn gretig om liefdadigheidswerk te doen onder onze eigen mensen, en daarom verzoeken wij dat zowel zij die in kledingnood zijn etc. en zij die in de omstandigheid verkeren om zulke hulp te geven, het feit aan dit kantoor bekend maken, hun communicatie adresserend aan Mw. J.E. Wilson.  

——————————–SCHEUR HIER AF————————————-{1SC10:10.14}                                   

Plaats alstublieft mijn naam op uw regelmatige postlijst voor u maandelijks blad: “De Symbolische Code.”  

Straat 

Naam——————————————-Postbus nr.——————————————————— 

Stad————————————————-Staat——————————-{1SC10:10.15}                                   

De Universele Uitgevers Associatie, Afdeling Symbolische Code. 

Station K, Box 68, Los Angeles, California 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



De Symbolische Code 

Nieuws Artikel 

                                                                                             Deel Een     

                                                                                                 Nr. 9   

                                                                                         15 maart 1935 

Los Angeles, California

 

In Het Belang Van De Z.D.A. Kerkgenootschap

WEES VAN GOEDE MOED 

 

“’Uw hart worden niet ontroerd, gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben: Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.’ Joh. 14: 1-3. {1SC9:1.1} 

“Wij hebben lang gewacht op de terugkeer van onze Verlosser. Desalniettemin is de belofte waar. Spoedig, zullen we in onze beloofde thuis zijn.  Daar zal Jezus ons leiden langs de levende stroom, die vloeit van de troon van God en zal aan ons uitleggen de duistere voorzieningen waardoor Hij ons op deze aarde heeft gebracht om onze karakters te vervolmaken. Daar zullen we met onvage visie de schoonheid van het herstelde Eden aanschouwen. We zullen de kronen aan de voeten van de Verlosser gooien die Hij op onze hoofden geplaatst heeft en onze gouden harpen aanraken en de gehele hemel vullen met lofprijzing voor Hem die op de troon gezeten is.” 8 T. 254. {1SC9:1.2} 

VERDER IN DE VOETSPOREN VAN ROMANISME 

“De Hoofdinspecteur van de Wyoming Zending was 12 januari hier en heeft 2 uur gepredikt tegen de HStaf. Voordat ze zich scheidden om de inzetting van nederigheid te vieren, heeft hij ze laten stemmen dat ze niemand zouden toestaan deel te nemen die vocht tegen de kerk, zoals hij het stelde, en aangezien hij de HStaf niet noemde, als wij het niet gewaagd hadden om deel te nemen, zou men geargumenteerd hebben dat we schuldig waren van vechten tegen de kerk, hetgeen vanzelfsprekend niet waar is. {1SC9:1.3} 

‘Toen de gemeente tenslotte gescheiden was en het water en de waskommen gereed waren, haasten ze zich en namen ze allen een voordat wij een konden krijgen, en zodra ze klaar waren met een, pakte een zuster die klaarstond ze snel en zette ze onder haar arm, ons zo weerhoudend van het te krijgen! {1SC9:1.4} 

“Zuster Hendricks ging tenslotte naar een [waskom] vragen, en de zuster sloeg haar in de maag, bijna haar adem uit  haar slaand en zei: “Nee,” eraan toevoegend: Ik zal niet toestaan dat een van jullie een krijgt.” Toen stelde zuster Hendricks voor dat we een lied zouden zingen, waarna een van de zusters meteen een lied begon, en we zongen mee. Bij het avondmaal dat volgde weigerden ze  ons te bedienen, aldus voortgaand met hun onheilige feest te voleinden. {1SC9:1.5} 

‘Die avond bij de huishoudelijke vergadering berispte de ouderling de zuster voor het beginnen van het lied, zeggend dat ze ons moest hebben toegelaten het te beginnen, zodat hij ons kon laten arresteren voor de verstoring ! Hij dankte haar echter voor het houden van de waskommen zodat wij er geen konden krijgen. {1SC9:1.6} 

‘Bij deze vergadering “verstoten,” ze de naam van een andere zuster als slecht, die verschillende dagen klaagde over de bespotting die plaatsvond tijdens de bijeenkomst. {1SC9:1.7} 

Tegelijkertijd stemden ze in om de deuren te beveiligen, en niet toe te staan dat een van ons in de toekomst binnen kwam. Toen ik naar de volgende gebedsbijeenkomst ging, barricadeerden ze de deur voor mij, en toen ze me buiten gesloten hadden, hoorde ik geweldig gelach. De volgende sabbat weigerden om Zr. Hendricks en mij binnen te laten, dus bleven we buiten staan totdat de sabbatschool over was, terwijl het 20 graden onder nul was. Afgelopen sabbat waren het vier van ons die buiten gelaten werden in de kou, maar wij bestudeerden onze sabbat school les en zij hadden een bestuursvergadering binnen, om vast te stellen wat ze met ons zouden doen. {1SC9:1.8} 

‘Nu zeggen zij dat wij alleen maar komen om hen tot vijanden te maken, en wij willen weten wat onze plicht is; moeten wij helemaal stoppen om te gaan of moeten we gewoon blijven gaan? Hij lijkt dat als wij niet meer zullen gaan, zal niet alleen ons eigen belang eronder lijden, maar zullen zij voortgaan de slaap des doods te slapen.” {1SC9:1.9} 

(Getekend) Mw. Faith Pruett, 

Sheridan Wyoming 

(Bovenstaande vraag beantwoord in Symbolische Code, Nr. 8, 15 febr. 1935, blz. 8) p. 2. 

`We ondervinden zeker heel veel tegenstand hier.` Ze hebben nu wachters bij de deuren, om ons ervan te weerhouden binnen te gaan, hoewel het heel koud weer was. Afgelopen sabbat heeft de ouderling een bekendmaking vastgespijkerd op de kerk. We werden verteld door de Huis Zendingssecretaresse, dat de bekendmaking onze Sabbat schoolles was. De waarschuwing hield in dat iedereen die stoorde onderhavig was aan een boete van 50 USD of 30 dagen gevangenis! De ouderling maakte de opmerking naar een van het gezelschap dat hij wenste dat we iets zouden doen, zodat hij ons in de gevangenis kon zetten! De haat die ze verspreiden is verschrikkelijk, en zij eisen het recht op, om de deuren te bewaken omdat God, Satan uit de hemel heeft geworpen, en omdat de engelen gouden kaarten bij zich moeten hebben voordat ze toegelaten worden in de Heilige Stad! {1SC9:2.1} 

`Een van de zusters pleitte met de bewakers, maar het mocht niet baten. {1SC9:2.2} 

Als ik een jaar geleden dat de kerk op zo een wijze zou handelen, zou ik het nooit geloofd hebben. Het dient alleen om ons te herinneren aan de geschiedenis van de kerk door de eeuwen heen, hoe ze iedere keer als ze haar geestelijke macht verloor ze zich wendde tot de arm der wet. {1SC9:2.3} 

Wij hebben zeker genoten van het laatste nr. van de Code, die een bron van kracht was voor een ieder van ons. Ik wenste dat het vaker verscheen. {1SC9:2.4} 

Wij hebben uw ernstige gebeden nodig.` {1SC9:2.5} 

(Getekend) Mw. Hazel Hendricks 

Sheridan, Wyoming. 

 

000000000000000 

 

Toen de Geest der Profetie ons lang geleden waarschuwde dat vervolging het lot van iedere heilige zou zijn en dat het, het eerst en het ergst zou komen van binnenin de kerk, beseften we niet hoe dit mogelijk kon zijn, tot gedurende het laatste jaar toen zulke buitensporigheden zoals hierboven uiteengezet begonnen gepleegd te worden in de naam van waarheid en gerechtigheid. {1SC9:2.6} 

Zulke ontwikkelingen laten ons zonder twijfel tot waar we zijn in de loop van gebeurtenissen in tijd. Let nauwkeurig op de volgende uitspraken: {1SC9:2.7} 

“Christus zei van Zichzelf: “Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op aarde: Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar een zwaard.’ De Vredevorst, toch was Hij de oorzaak van scheiding. Hij die kwam om goede tijdingen te verkondigen en hoop en vrede in de harten van de kinderen en mensen te scheppen, opende een strijd die diep brand en intense emoties oproept in het menselijk hart. En Hij waarschuwt Zijn volgelingen: ‘In de wereld lijdt gij verdrukking.’ ‘Zij zullen hun handen aan u slaan en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders om Mijns Naams wil.’ ‘En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en familie en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.’ {1SC9:2.8} 

“Deze profetie werd op duidelijke wijze vervuld. Iedere onwaardige behandeling, smaad en wreedheid, waartoe satan het menselijke hart kon aanzetten, hebben de volgelingen van Jezus ondergaan. En zij zal weer op duidelijke wijze worden vervuld. Want het vleselijke hart verkeert nog steeds in vijandschap met Gods wet, en wil zich niet aan Gods geboden onderwerpen. De wereld is vandaag evenmin in harmonie met de beginselen van Christus als dit in de dagen der apostelen het geval was. Dezelfde haat die tot het geroep: “Kruisig Hem, kruisig Hem” aanmoedigde, dezelfde haat die tot de vervolging van de discipelen leidde, werkt ook heden nog in de kinderen der ongehoorzaamheid. Dezelfde geest die in de donkere middeleeuwen mannen en vrouwen tot gevangenschap, tot verbanning en tot de dood veroordeelde, die de geraffineerdste folteringen der Inquisitie bedacht, die het bloedbad van de Bartholomeusnacht plande en ten uitvoer bracht, en die het vuur van Smithfield ontstak, werkt nog steeds met boosaardige energie in onbekeerde harten. De geschiedenis der waarheid is van oudsher een verslag geweest van een worsteling tussen goed en kwaad. De verkondiging van het evangelie is in deze wereld steeds verder gegaan, ondanks tegenstand, gevaar, verlies en lijden.” AA. 84.3{1SC9:2.9} 

“ De apostel wist, dat hij van het volk  (de kerk) dat door zijn zonden de toorn Gods op zich deed neerkomen, geen rechtvaardigheid kon verwachten. Hij wist, dat hij, evenals de profeet Elia, veiliger onder de heidenen was dan onder degenen die het hemelse licht hadden verworpen en hun harten tegen het evangelie verhard. {1SC9:2.10} 

Zo gebeurde het dat wederom een dienaar Gods, door blinde ijver en zelfgerechtigheid en haat, gedwongen werd zich om bescherming tot de heidenen te wenden. Het was dezelfde haat die de profeet Elia dwong naar de weduwe in Serepta te vluchten om bijstand; en die de heiden van het evangelie noodzaakte zich van de Joden af te keren en hun boodschap aan de heidenen te verkondigen. En deze haat zal ook het deel zijn van het volk van God in deze eeuw. Onder velen die beweren volgelingen van Christus te zijn, heerst dezelfde hoogmoed, dezelfde vormendienst en zelfzucht, dezelfde geest  van onderdrukking, die zulk een grote plaats innamen in de harten van de Joden. In de toekomst zullen mannen die voorgeven dat zij de vertegenwoordigers van Christus zijn een gelijksoortige houding aannemen als de priesters en oversten in hun bejegening van Christus en de apostelen aan de dag legden. In de grote crisis die de getrouwe dienaren van Christus spoedig zullen moeten doormaken, zullen zij met dezelfde hardheid van hart, dezelfde gruwzame vastberadenheid en dezelfde onverzoenlijke vijandschap te doen hebben. {1SC9:2.11} 

Allen die in die boze dag God onbevreesd willen dienen overeenkomstig de voorschriften van hun geweten, zullen moed vastberadenheid en kennis omtrent God en Zijn woord behoeven; want degenen die trouw zijn aan God zullen worden vervolgd. De juistheid van hun motieven zal in twijfel worden getrokken, hun beste pogingen verkeerd uitgelegd, en hun namen als slecht worden verworpen. Satan zal al zijn bedrieglijke macht aanwenden om het hart te beïnvloeden en het verstand te verduisteren, om het boze goed en het goede boos te doen schijnen. Hoe sterker en reiner het geloof van Gods volk is, en hoe vaster het besluit om Hem te gehoorzamen, des te feller zal satan ernaar streven om tegen hen de woede te doen ontbranden van hen die, hoewel zij beweren rechtvaardig te zijn, de wet van God met voeten treden. Het zal het sterkste vertrouwen, de meest heldhaftige vastberadenheid kosten om het geloof, eens aan de heiligen geschonken, te behouden.” A.A. 430.1. {1SC9:3.1} 

 De dienstknecht des Heren zegt van Pilatus dat: “hij de fanatieke haat van de priesters voor Hem Die als het Licht der wereld hun duisternis en dwaling openbaar had gemaakt niet begreep. Zij hadden de schare bewogen tot een redeloze woede, en opnieuw hieven priesters, oversten en volk die verschrikkelijke kreet aan: “Kruisig Hem, kruisig Hem! ‘”D.A. 736. {1SC9:3.2} 

De ZDA kerk die de geschiedenis van de Joden herhaald ( 5 T. 160), zal heen en weer geslingerd worden door haar “priesters” en “heersers” heden tendage om een standpunt te nemen tegen “de trouwe dienstknechten van God gelijk aan datgene dat gevolgd werd door de priesters en heersers in hun bedreiging van Christus en de Apostelen.’” Terwijl de 144.000 meer en meer als hun Verlosser worden, “het Licht van de wereld,”de ‘duisternis en dwaling openbaar makend, die de kerk omringd, zullen de leiders in hun “fanatieke haat” van de heiligen de schare bewegen tot een redeloze woede tegen hen en in wanhopigheid geboren uit blinde en razende haat, uitreiken naar de burgerlijke arm van macht, om hun slechte doeleinden tot stand te brengen, het volgende type naar haar antitype laten samenvloeien. {1SC9:3.3} 

“Aldus had het Joodse volk, door een heidense heerser (Ceaser –een symbool van de macht van de wereld) te verkiezen, zich aan de theocratie onttrokken. (Zie hier 7 T 109, hfdst. 1 in verband met 5 T 75 laatste hfdst., en 5 T 456, onderaan de bladzijde) Zij hadden God als hun Koning verworpen. Voortaan hadden zij geen bevrijder meer. Zij hadden geen koning alleen de keizer.  Hiertoe hadden de priesters en de leraars het volk gebracht. Hiervoor en voor de verschrikkelijke gevolgen daarvan, waren zij verantwoordelijk. De zonde en de ondergang van een volk waren te wijten aan de godsdienstige leiders.” D.A. 738. {1SC9:3.4} 

De scheiding moet komen. De vernietiging van “Jeruzalem is een voorstelling van wat de kerk zal zijn als het weigert te ontvangen en wandelen in het licht dat God heeft gegeven. Jeruzalem was begunstigd door God als de opslagplaats van heilige waarheden. Maar haar volk verdierven de waarheid en verachten alle smeekbeden en waarschuwingen. Ze wilden Zijn adviezen niet eerbiedigen. De tempelhoven werden vervuild met handel en diefstal. Zelfzuchtigheid en liefde voor de mammon, nijd en strijd, werden gekoesterd. Iedereen zocht naar eigen gewin voor zijn buurt. Christus keerde zich van hen, zeggend: “O Jeruzalem, Jeruzalem, hoe kan Ik u opgeven? Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergaderd onder de vleugelen en gijlieden hebt niet gewild!’ Matt. 23:37….{1SC9:3.5} 

“Het uitgevershuis is verandert in ontheiligde altaren, in een plaats van onheilige handel en verkeer. Het is een plaats geworden waar ongerechtigheid en fraude werden uitgeoefend, waar zelfzuchtigheid, kwaadaardigheid, nijd en wellust werden gezwaaid. En toch zijn de mannen die geleid worden in dit werken aan verkeerde principes, ogenschijnlijk onbewust van hun verkeerde handelswijze.” 8 T 67-8. {1SC9:3.6} 

Sprekend over de ZDA kerk, zegt de Geest der Profetie: “Wie kan werkelijk zeggen: ‘Ons goud is getest door het vuur; onze klederen zijn onbesmet door de wereld? Ik zag onze instructeur wijzen naar de klederen van zogenaamde gerechtigheid. Ze uittrekkend, legde hij de vervuiling eronder bloot. Toen zij Hij aan mij:’ Kan je niet zien hoe ze aanmatigend hun vervuiling en verrotting van karakter hebben bedekt? ‘Hoe is de trouwe stad een hoer geworden? Mijn Vadershuis is tot een handelshuis gemaakt, een plaats waar de heilige tegenwoordigheid en glorie van zijn geweken! Om deze reden is er zwakheid, en ontbreekt er kracht.”’8 T 250. {1SC9:3.7} 

“Laat ons niet zeggen: Trek uw hand af , o God. De kerk moet gereinigd worden en het zal geschieden.”1 T 100. 

Hoewel het voorgaande bewijst dat de kerk het nodig heeft en grondig gereinigd moet worden, openbaart het volgende, dat de SDA bediening zich niet eraan zal schikken: {1SC9:4.1} 

“De oude mannen, zij aan wie God groot licht heeft gegeven, en die als beschermers van het geestelijk goed van het volk hadden gestaan, hebben hun vertrouwen beschaamd.  Ze hebben het standpunt ingenomen dat we niet hoefden uit te kijken naar wonderen en de kenmerkende manifestaties van Gods Kracht zoals in voorgaande dagen. De tijden zijn verandert. Deze woorden versterken hun ongeloof, en ze zeggen: “De Heer zal geen goed doen, noch zal Hij kwaad doen. Hij is te barmhartig om Zijn volk met oordeel te bezoeken.  Aldus is vrede en veiligheid de roep van mannen, die nooit weer hun stemmen als een bazuin zullen verheffen om Gods volk hun overtredingen en het huis van Jakob hun zonden te tonen. Deze stomme honden, die niet wilden blaffen, zijn degenen die de rechtvaardige wraak van een beledigde God voelen. Mannen, vrouwen, en kleine kinderen, allen komen tezamen om.” {1SC9:4.2} 

In vervulling van hetgeen boven staat, bespot de bediening het idee dat het oordeel van Ezechiël 9 een letterlijke slachting is over “het huis van God” voor de afsluiting van de genade tijd van de wereld, eerder de beslissing aannemend dat het de zeven laatste plagen zijn, zeggen dus, we behoeven niet uit te kijken naar wonderen en de kenmerkende manifestaties van Gods Kracht zoals in vroegere dagen.(…) Aldus is vrede en veiligheid de roep van mannen, die nooit weer hun stemmen zullen verheffen.” Waarom? Omdat “allen” tezamen zijn omgekomen in de slachting, waarvan ze hadden verkondigd dat God “te barmhartig was”om “Zijn volk” te bezoeken. {1SC9:4.3}  

De nacht nadert en de schaduwen van de duistere eeuwen beginnen te vallen op Gods volk, wanneer alles dat godvruchtig wil leven in Christus Jezus, onder vervolging zal lijden. (2 Tim. 3: 12). De tijd is nader op ons waarvan profetie zegt: “De draak was toornig op de vrouw, en ging om oorlog te voeren tegen het overblijfsel (de 144.000) van haar zaad, die de geboden van God houden, en die de getuigenis van Jezus Christus hebben.” (Openb. 12:17). Maar wij rekenen erop dat lijden van deze tegenwoordige tijd niet te waarderen zijn (niet opwegen) om vergeleken te worden met de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.” (Rom.8:18) {1SC9:4.4} 

“Want de lichte last der verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht, der heerlijkheid.” (2 Cor. 4: 17) {1SC9:4.5} 

Daarom “geliefden,” houdt u  niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame, Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig want de Geest der heerlijkheid en de Geest van God rust op u, Wat hen aangaat . Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt….Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods.” (1 Petr. 4: 12-14, 17) {1SC9:4.6} 

“Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd. Werpt al uw bekommernissen op Hem want Hij zorgt voor u. Zijt nuchter en waakt, want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briessende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden. Wederstaat hem vast zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uw broeders die in de wereld zijn volbracht wordt. De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke en fondere ulieden. Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.” (1 Petr. 5: 6-11). {1SC9:4.7} 

———————————– 

EEN NIEUW GEMODELLEERD GEBED EN HUISHOUDELIJKE VERGADERING 

Recentelijk, zijn een paar van de 600 leden van de Glendale Kerk in aanraking gekomen met wat zij verblijd waren te noemen, een gebed en huishoudelijke vergadering. Nadat een paar liederen gezongen waren, en een paar korte gebeden geofferd, gaf de president van de Conferentie een redevoering over valse profeten en dwaling die de kerk binnenkwamen. {1SC9:4.8} 

De bidstond werd toen snel verandert in een huishoudelijke vergadering met het doel om een andere zuster, die een gelovige in de boodschap van de HStaf is als lidmaat uit te schrijven, en de predikant kondigde aan, dat aangezien het een huishoudelijke vergadering was, allen die geen lid waren van de Glendale Kerk, vriendelijk verzocht werden te vertrekken. {1SC9:4.9} 

Behalve mijzelf, waren er twee of drie andere gelovigen in tegenwoordige waarheid aanwezig, die ook van de rechten van hun lidmaatschap waren beroofd. In plaat van vertrekken zoals de predikant verzocht, bleven we allemaal zitten, want de zuster, waarmee wij zaten, degene die zou worden “verworpen,” wenste dat we bleven. Maar toen ze onze intentie zagen om te blijven, riep de predikant mijn naam uit: zeggende {1SC9:4.10} 

“Zuster__________ u bent niet langer lid van onze kerk, dus verzoek ik u te vertrekken, ook degenen die met u zijn.” Ik bleef zitten, hopend dat ik in staat zou zijn om te blijven, maar meteen was de kerk in beroering, verschillende, die opstonden en ons verzochten te vertrekken. Toen gaf de predikant de diakenen opdracht om met ons af te rekenen, en besloten we uiteindelijk weg te lopen met onze escorte, de diakenen aan onze zijde. {1SC9:5.1} 

Ik dank de Heer voor de eenvoudige middelen die Hij gebruikt om voor het volk deze schitterende waarheid te brengen, dat Hij spoedig een kerk zonder smet of vlek of enig ding zal hebben, rein en volmaakt, waarmee de wereld in de Luide Roep gewaarschuwd zal worden en snel Zijn werk op aarde zal afsnijden zoals we lezen in 5 T 187: {1SC9:5.2} 

“Schudt uw geestelijke futloosheid af. Werk met al uw macht om uw eigen zielen te redden en de zielen van anderen. Het is nu niet de tijd om vrede en veiligheid te roepen. Het zijn geen sprekers met fluwelen tong die nodig zijn om deze boodschap te geven. De waarheid moet in al haar toegespitste (scherpe) strengheid (onverbiddelijkheid) gesproken worden. Actieve mannen zijn nodig, — mannen die zullen werken met ernstige, onophoudelijke energie voor de reiniging van de kerk en de waarschuwing van de wereld. {1SC9:5.3} 

“Een groot werk moet uitgevoerd worden; uitgebreidere plannen moeten voorgelegd worden; een stem moet voortgaan om de volkeren wakker te schudden. Mannen wiens geloof zwak en wankelend is, zijn niet degene die het werk voorwaard moeten dragen in deze belangrijke crisis. We hebben de moed van helden en het geloof van martelaren nodig. {1SC9:5.4} 

Ik dank de Heer voor het glorierijke licht dat op onze paden schijnt, en ik wil mijn Verlosser heel de weg volgen, wat het ook mag kosten. En met betrekking tot de leiders en leden van de Glendale kerk, vraag ik uw gebeden, dat ze op de Rots Christus Jezus mogen vallen en gebroken worden voordat de Rots op hen valt en hun in stukken vergruisd. (Lukas 20:18). {1SC9:5.5} 

 

(Getekend) Mw.E.M. Crawford 

Glendale , Calif. 

——————————– 

EEN “ONHEILIG FEEST” 

Op 22 januari ontving ik van de kerksecretaris een geregistreerde brief, waarin ik werd ingelicht dat de vraag over mijn lidmaatschap  in de Glendale ZDA kerk ter beschouwing zou worden genomen, de volgende avond, tijdens een huishoudelijke vergadering. {1SC9:5.6} 

 Ik dank God dat, bij een oproep als deze, we geen tijd nodig hebben voor een speciale voorbereiding, maar de schitterende belofte van de Heer kunnen claimen, dat wanneer we overgeleverd worden aan de gemeenten of voor overheden en koningen gebracht worden, om Zijns Naams wil, we niet hoeven te denken over wat we zullen spreken, omdat het ons in hetzelfde uur gegeven zal worden. {1SC9:5.7} 

  Toen ik aankwam bij de vergadering, waren een paar zusters, gelovigen in de boodschap van het uur, reeds daar; maar zij werden gevraagd de kerk te verlaten; en toen sommigen weigerden in mijn belang te vertrekken, werden ze ruw eruit gezet, waarna de ouderling van de kerk de belasteringen en beschuldigingen tegen mij las, waarin ik opmerkte dat hij niet altijd nauwkeurig was om de waarheid te uit te spreken. {1SC9:5.8} 

Toen ze me tenslotte de tijd gaven voor opmerkingen, herinnerde ik ze eraan dat als ik gedaagd zou worden voor een wereldsgerechtshof, ik toegestaan zou worden om mijn getuigen bij me te hebben, maar aangezien ze verkozen om met mij alleen te onderhandelen, verzekerde ik hun dat God met mij was, en als God voor ons is , wie kan dan tegen ons zijn ? {1SC9:5.10} 

Ik gaf toen mijn overtuiging dat de Z.D.A. kerk de enige kerk vandaag op aarde is, die God herkent als Zijn kerk, en dat deze beweging door zal gaat tot het Koninkrijk; maar dat de huidige geestelijke toestand  van de kerk zo betreurenswaardig is, dat een opwekking en hervorming noodzakelijk moet plaatsvinden om ons te redden, waartoe ik als bewijs verschillende beweringen uit de Getuigenissen las, totdat het zo ongemakkelijk voor hen werd, dat zij mij beperkten, en een rechtstreeks antwoord eisten op de vraag of ik wel of niet de HStaf geloofde. {1SC9:5.11} 

Ik verklaarde dat ik 100% geloofde in de Bijbel en de Getuigenissen als het Woord van God, ook ieder ander boek dat volledig in overeenstemming is met hen; en dat daarom als ze me uit de kerk stemden, ik geen zijtak ben maar een verschoppeling. {1SC9:5.12} 

Het climax kwam toen de president van de Conferentie opstond en zei: “Deze beweringen die deze zuster heeft gelezen, zijn niets anders dan veroordelingen, en we weten dat veroordelingen van de duivel komen! De beweringen die ik las waren allemaal van de pen van Zr. E.G White, waarvan sommigen als volgt waren: 5 T 217; TM 359; C.O.R. 50-51,67. enz. {1SC9:5.13} 

Wel zij stemden mijn weg op de gronden dat ik niet geloofde wat de kerk geloofde, maar hoe kan ik geloven wat zij geloven, wanneer ze zover van de oude landpalen afgedreven zijn door publiekelijk te verklaren dat de geschriften van Zr White van de duivel komen? God vergeef hen want ze weten niet wat ze doen. {1SC9:6.1} 

(Getekend)  Mw.Anna Engen 

 Glendale, Calif. 

———————————–         

VAN ONVERSCHROKKEN MOED

Wij zaaien het zaad en bidden dat de Heer het zal bevochtigen. De mannen van de conferentie en de predikanten hebben de beangstigende vrees in de harten van de mensen ingeplant, dat het ze zelf angstig maakt om te lezen. Het is een zaal van spin en vlieg; de vrees is zo diep doorberekend dat als ze lezen de fabelachtige dodelijk zwarte spin hun zal pakken en hun stevig vast zal houden in de zielen vernietigende mazen van dwaling. Ik zie duidelijk dat de kerk Gods kerk is, maar dat zij die zo een werk doen niet Zijn volk zijn, want ze handelen precies als de pausgezinde deden in de tijd van Luther! {1SC9:6.2} 

Ik dank God dat Hij ons de houvast en de wilskracht gegeven heeft om op onze eigen been te staan, en door Zijn genade zullen we op ze staan, ook al moeten we alleen staan zoals we nu doen. {1SC9:6.3} 

Bidt voor ons, want onze harten en zielen zijn in de boodschap van de HStaf, die een grote verandering in onze levens heeft gemaakt, en met Gods hulp en begeleidende hand, gaan we door naar het Koninkrijk, gerekend onder de 144.000—Prijs God! {1SC9:6.4} 

                                                     (Getekend) Mw. W.L. Harper 

Richmond, Va. 

———————————– 

NIEUWE ERVARING 

In al de jaren dat ik een Z.D.A. ben geweest, ben ik nooit tevreden geweest met mijn Christelijke ervaring. Ik voelde een tekort aan iets. Ik wist niet wat, totdat een tijd geleden een broeder mij Deel 1 van de HStaf gaf. Vanaf ik het gelezen heb, weet ik dat ik een betere Zevende Dag Adventist ben, en dat het een boodschap van God is, en ik bidt dat onze mensen het mogen accepteren. {1SC9:6.5} 

                                               (Getekend) Charles Garvin 

                    San Diego, Calif. 

——————————— 

EEN GEHEIME STEMMING 

Op 16 jan., ’s avonds na de bidstond, riep de president van de Conferentie het kerkbestuur samen, om met hem te vergaderen, nadat ze ons vooraf een persoonlijke uitnodiging hadden gestuurd om met hen samen te komen. Deze bijeenkomst was uitgeroepen met het specifieke doel om onze houding tegen de leerstelling van de HStaf te overwegen. Het comité, bestond uit zowel de president en de inspecteur van de Unie Conferentie. We werden de gelegenheid gegeven om uitspraken te doen aan de broeders en zusters, hetgeen wij deden, het duidelijk stellend dat we de HStaf leerstellingen accepteerden en dat wij onze broeders en zusters aandringen deze waarheid, voor zichzelf te onderzoeken, in overeenstemming met de instructies zoals gegeven door de dienstknecht van de Heer, met betrekking tot iedere nieuwe waarheid die tot ons komt.—“Testimonies on Sabbat School Work,” p. 65. {1SC9:6.7} 

Toen werd de president van de Unie voor advies ingeroepen, en stelde voor dat onze namen van de kerkrol gehaald werden. Aldus presenteerde op Sabbat 2 febr. de president van de conferentie die gepredikt had in de Clovis kerk, en die de leiding had over de dienst, de handelingen van het bestuur aan de kerk. We werden afgeschreven vanwege ons standpunt t.o.v. de HStaf. We werden wederom de gelegenheid gegeven te getuigen voor de Meester en trachten Hem het meeste van het spreken te laten doen, door te lezen uit het 5e hoofdstuk van Handelingen, verzen 27-40, tevens T.M.106-7, met betrekking tot gevaren om waarheid te verwerpen vanwege de beslissingen van onze leidinggevende broeders en zusters. {1SC9:6.8} 

Wij werden zeer droevig gemaakt omdat deze geliefde lieden hier het zelfde doen als de joden deden in de dagen van Christus, toe zij Hem kruisigden. Maar met Hem vroegen wij de Vader hen te vergeven want zij wisten niet wat zij deden. Als ze eens op een dag niet berouw tonen, zullen ze voor het oordeels baar staan en beschaamd zijn. Ondanks al dit verdriet zijn wij toch verheugd vanwege de vertroosting gevonden in Jesaja 66:5.” Hoort des HEEREN Woord, gij die voor Zijn Woord beeft! Uw broeders die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil zeggen: dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieden vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.” {1SC9:6.9} 

Toen de vraag aan de kerk werd gebracht om te stemmen, werd het blijkbaar zeer benard voor de ouderling, aangezien vele seconden voorbij gingen, voordat wie dan ook in de bijeenkomst de moed had een motie te maken, en toen gingen veel meer seconden voorbij voordat een ondersteuning verkregen werd, en dat moest van de echtgenote van de ouderling komen. Natuurlijk werd een geheime stemming genomen, en degene die de calculatie deden verkondigden, dat geen negatieve stemmen werden geworpen. Wij begrepen echter dat sommige ongebruikte blanco’s werden ingestuurd. {1SC9:7.1} 

We ontvingen sommige van de leden bij ons voor het middageten, en bespraken de boodschap in zekere zin en geloven dat deze mensen een open visie hebben. Ze hebben zichzelf uitgedrukt als gewillig om voor zichzelf te onderzoeken, en doen dat ook op dit moment. {1SC9:7.2} 

Wij kijken voorruit, met de verzekering van succes, gebaseerd op de beloften van de Heer. Ik zal deze nieuwsbrief met de volgende woorden van het New Mexico grondgebied laten sluiten: {1SC9:7.3} 

“Wees sterk en heb goeden moed en verschrik niet, en ontzet u niet, want de HEERE uw God is met u alom waar gij heengaat.” Jos. 1: 9. “ Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid.” 2 Tim 1;7.{1SC9:7.4}                                                                          

                                                 De Uwe voor “alle waarheid,” 

                                                     O.E. Lovan Clovis, New Mexico 

EEN VERDUIDELIJKING 

Als waarschijnlijk de meest plezierige taak van hen die verbonden zijn met het werk in dit kantoor, is het lezen en beantwoorden van de vele inspirerende communicaties die dagelijks tot ons komen, betreuren we het diepgrondig dat de overvloed van correspondentie heeft veroorzaakt dat we vele broeders en zusters moeten teleurstellen door onze vertraging in beantwoorden. Maar aangezien dit duidelijk vanuit omstandigheden is dan uit keuze, voelen we ons verzekerd dat de broeders en zusters geduld met ons zullen hebben tot dat de kantoor faciliteiten voldoende vergroot kunnen worden, dat ze evenredig kunnen zijn met de altijd toenemende correspondentie. {1SC9:7.5} 

———————————- 

BEHOEFTE AAN HULP 

“Bij het lezen van de nieuwsberichten in onze Symbolische Code, merk ik op dat u een arbeidsbureau heeft, en ik zou het zeer waarderen als u mij zou kunnen helpen om op een of andere wijze werk te vinden; want ik kan geen werk hier vinden tenzij ik op de sabbat werk, hetgeen ik niet kan doen, omdat ik trouw wil zijn aan de Heer, zelf als ik honger moet lijden. {1SC9:7.6} 

“Ik heb een klein meisje op school die zeven jaar oud is en die boeken en kleding nodig heeft, die moeilijk voor haar zijn om zonder te gaan.” {1SC9:7.7} 

Ik wens dat jullie allen alstublieft voor me zouden bidden dat de Heer me kracht zal geven om iedere beproeving  en verzoeking te overkomen, want dit is het meest beproevende uur van mijn leven. Ik zal zo blij zijn als de Heere komt. {1SC9:7.8} 

“Broeders en zusters ik heel behoeftig en zal uw hulp op wat voor manier dan ook waarderen.” {1SC9:7.9} 

Het bovenstaande verzoek komt van een zuster uit South Carolina, en als iemand een of ander algemeen werk kent of heeft dat ze kan hebben, of als iemand haar kan ondersteunen op wat voor manier dan ook, in het ene geval of het andere, neem contact op met dit kantoor voor haar naam en adres. {1SC9:7.10} 

————————- 

VRAGEN EN ANTWOORDEN 

Vraag: “Ik zou willen weten hoe Openb. 16:18 met Openb. 8:5 in harmonie te brengen. Als in Openb. 8:5 het betekend dat het oordeel weer was hervat, wat betekent het in Openb. 16: 18?” {1SC9:7.11} 

Antwoord: Het betekend hetzelfde (oordeel hervat), nadat de zeven plagen zijn vervuld (Openb. 15:8), hetgeen tegen de tijd van de aanvang van het oordeel der goddelozen tijdens de duizend jaar zou zijn. {1SC9:7.12} 

Vraag: “Hoe brengt u de leerstellingen van de HStaf in overeenstemming met het volgende: C.O.L. 72 en 72, die zegt dat het tarwe en onkruid samen moeten groeien tot het einde van de genade tijd, en C.O.L. 122 en 123 die zeggen : ‘Wanneer de missie van het evangelie is voltooid, zal het oordeel het werk van scheiding teweeg brengen’?” {1SC9:7.13} 

Antwoord: De vraag met betrekking tot C.O.L. 72 is als volgt te beantwoorden: Als de oogst de genadetijd eindigt, is de periode waarin het oogsten wordt gedaan in en niet na de genade tijd. Aldus is vervuld Jer. 8:20: “De Oogst is voorbij, de zomer is ten einde (aantonend dat de oogst een tijdsperiode moet zijn die een begin en een einde heeft), en we zijn niet gered ( Bewijzend dat de oogst de tijd is voor het gered worden of in andere woorden, genade tijd). Dit is in overeenstemming met zowel E.W. 118 en Matt. 13: 28, waarvan de vorige zegt dat de Derde engel degene is die het oogsten doet, en de waarvan de laatste zegt dat de engelen het onkruid van het tarwe “in de oogsttijd” scheiden,” waarbij beide wederom bewijzen dat de oogst een tijdsperiode is en niet eenvoudig een moment of dag wanneer Christus komt op de wolkeren des hemels om zijn verlosten te verzamelen. {1SC9:7.14} 

De verklaring in C.O.L. 73 dat “valse broeders en zusters in de kerk gevonden zullen worden tot de afsluiting van de tijd” wijst naar de tijd van het einde”—die tijd waarvan Ezechiël profeteert in de volgende woorden: “De dagen zijn nabij, en uitwerking van iedere visioen.” Ezech. 12:22.) Vandaar dat wanneer Christus zegt: “Laat beiden tezamen opgroeien tot” het afsluiten van de tijd, verwijst Hij verder naar onze dagen, de “tijd van het einde,” de periode waarin de oogst moet worden uitgevoerd en om het “onkruid” van het “tarwe,” te scheiden.” De moeilijkheid die veroorzaakt heeft  dat velen C.O.L. 73 verkeerd begrepen, is dat ze tekort schoten te zien, dat we nu reeds precies aan “de afsluiting van de tijd” zijn Het is tevens dit tekort schieten correct te begrijpen wat de afsluiting van de tijd werkelijk betekend, dat hen veroorzaakt heeft te struikelen over de verwante onderwerpen van de oogst. {1SC9:8.1} 

C.O.L. 122 zegt dat “het net,” zowel goede en slechten in de kerk verzameld. Wanneer de zendingsopdracht van het evangelie is voleindigd, zal de oogst de het werk van scheiden tot stand brengen.” Het is onmogelijk dat de handeling van scheiden vooraf gaat aan de handeling van oordeel. In de natuurlijke gang van zaken, moet het oordeel plaatsvinden voor het scheiden. Aldus wordt de scheiding die bepaald was tijdens het. Dit is in volmaakte overeenstemming met T.M. 234 die zegt: “De tijd van het oordeel is een meest plechtige periode, wanneer de Heer De zijnen vergadert vanuit het midden van het onkruid.” {1SC9:8.2} 

Laat ons tevens de zaak vanuit een andere hoek beschouwen. Wij zijn het er allemaal over eens dat het Evangelie net, de kerk voorstelt, en dat “het uitwerpen van het net, het prediken van het Evangelie is.” Vandaar dat als de tijd wanneer het net aan de kant wordt getrokken en de Evangelie opdracht voltooid, aan het eind van de genade tijd was, dan zou de slechte vis in het net moeten blijven en niet weggeworpen, want dan zou het net niet langer meer nodig zijn, en daardoor niet nodig om de slechten eruit te werpen. Maar zoals het is, worden de slechten eruit geworpen, aantonend dat het net voorbereid (gereinigd) moet worden, om een tweede keer voort geworpen te worden. {1SC9:8.3} 

Bovendien was het eerste visioen dat Zr. White had, over de 144.000. Het kerkgenootschap heeft altijd geloofd dat haar doel was het overblijfsel van het volk te verzamelen, de 144.000.Vandaar dat toen het (het net) eerst in 1844 werd voort gezonden, het voor het verzamelen van de 144.000 was, waar van het nog steeds vaag geloofd, dat het erna is, maar waarvan de HStaf bewijst dat het reeds verzameld heeft. En daar de 144.000 eerste vruchten zijn, aantonend dat tweede vruchten moeten volgen, en verder, als het “net” door de jaren heen “van ieder soort, goed (de 144.000) en slecht gelijksoortig heeft verzameld, moet het “net” daarom aan de kant worden getrokken en de “goede” in “vaten” verzameld worden en de “slechte” “weggeworpen,” voordat de tweede vruchten (de grote schare—Openb. 7:9; Jes. 66:20) verzameld kunnen worden  (Openb. 18:4). {1SC9:8.4} 

Aldus, is de tijd waarover gesproken wordt in de verklaring die ter discussie staat, Ezechiël 9, wanneer het evangelie van de 144.000, voleindigd is, en zij – de eerste vruchten—over de wereld geoogst zijn; het evangelie hen verzegeld heeft voor de eeuwigheid, en haar werk in hun leven heeft volbracht, en ze gereed zijn om gezaaid (voort gezonden) te worden, voor het oogsten van de tweede vruchten in de Luide Roep, aan het einde van de tijd waarbij de oogst is afgerond en zij (de tweede vruchten) toegevoegd zijn geworden aan de 144.000 (de eerste vruchten), en allen gereed zullen zijn voor overzetting. {1SC9:8.5} 

Vraag: “Als het beest niet het pausdom is, waarom zou Zr. White erover spreken als het pausdom, in G.C. 439, 443, 445, 5797?” {1SC9:8.6} 

Antwoord: De reden dat Zr. White over het beest spreekt als het pausdom, is omdat (zoals uitgelegd in HStaf, Deel 2, pp. 85-89, 95-98) gedurende  de periode van 1260 jaren, waarvan zij in die gevallen in G.C. behandeld, zij zich  alleen met het pauselijke hoofd bezig houdt en niet met het beest in al heer verschillende aspecten—7 hoofden, 10 hoornen, etc. – maar alleen met het hoofd dat gewond was; welke omdat het op het beest is, en een belangrijk deel ervan, het correct maakt dat zij, om haar gedachten uit te drukken, zegt: “het beest—het pausdom,” door welke verklaring, echter ze niet verondersteld dat alle “zeven hoofden,” en “tien hoornen,”het  “pausdom”zijn, maar eerder slechts het hoofd dat [p. 9] tot de dood gewond was, net zoals we vaak het vierde beest van Dan. 7, het pausdom noemen, ten volle beseffend dat zo een gebruik, de hoornen (10 koningen) uitsluit  en alleen de “kleine hoorn” betrekt die ogen van een man heeft.” {1SC9:8.7} 

Vraag: “Als iemand de HStaf ontvangt, en het volledig aanvaard, is er enige mogelijkheid om verloren te gaan? {1SC9:9.1} 

Antwoord: Als de HStaf de waarheid is, en iemand aanvaard het met heel zijn hart, en de waarheid doet, zou de mogelijkheid om verloren te zijn identiek zijn aan de mogelijkheid dat Paul verloren zou gaan voor het met heel zijn hart accepteren van de boodschap die Christus naar hem zond en waarvan hij zei: “Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen den God der vaderen alzo diene, gelovende alles wat in de wet en in de profeten geschreven is. (Hand. 24:14) {1SC9:9.2} 

Bovendien, als de HStaf, de Elia boodschap is (T.M. 475) is het onmogelijk voor iemand die het accepteert en naleeft dood te gaan, want het type vereist overzetting. Aldus is het dat Elia als een type staat van de 144.00. (D.A. 421). {1SC9:9.3} 

Vraag : “Zouden de onderwerpen zoals gepresenteerd in de HStaf, bestudeerd moeten worden in onze Sabbat bijeenkomsten? {1SC9:9.4} 

Antwoord: Er zou geen geval moeten zijn waar men op welk gegeven tijdstip dan ook, geacht wordt iets anders te onderwijzen bij HStaf bijeenkomsten. Als de HStaf tegenwoordige waarheid is, dan heeft het de voorkeur over iedere andere vorm van Bijbel waarheid, want de Geest der Profetie zegt: “Het is ‘Tegenwoordige Waarheid,’ dat de kudde nu nodig heeft,” (E.W.) 63. en T.M. 118, moedigt aan : “Bevorder nieuwe principes, en hoop de helder gesneden waarheid op.” {1SC9:9.5} 

Vraag: “Zijn er 3 decreten om alleen de tempel te bouwen, en dan één door Artaxerxes om de muren en restauratie van Jeruzalem te voleindigen{1SC9:9.6} 

Antwoord: Ezra 6:14 beantwoord het eerste gedeelte van de vraag, aantonend dat er drie decreten uitgevaardigd waren voor het bouwen van het “huis?” —een door Cyrus, een door Darius, en een door Artaxerxes? {1SC9:9.7} 

Ezra 6:14 geeft ook antwoord op het tweede deel van de vraag, waarbij Cyrus, Darius en Artaxerxses genoemd worden als degene die de drie decreten maakten. {1SC9:9.8} 

Ezra 7: 1 bewijst dat Artaxerxes Longimanus, die het decreet maakte om het huis (vers 21)te verfraaien (niet te bouwen) en de stad te herbouwen, na de tijd en de gebeurtenis (“dingen”) kwam, die te boek gesteld zijn in de voorgaande hoofdstukken van Ezra. Vandaar dat het decreet van Artaxerxes van Ezra 6:14 voor het bouwen van de tempel, niet het decreet van Artaxerxes’ kon zijn van Ezra 7:1. {1SC9:9.9} 

Hoewel Ezra 6:15 aantoont dat er een ander decreet is behalve de drie die verslagen zijn in de Geschriften, spreekt Zr. White alleen van die hier opgenomen zijn. Dus verwijst ze naar Cyrus’ (P.K. 578; Ezra 1:1) als de eerste; Darius’ (T.M. 203; Ezra 6:1) als de tweede; en Artaxerxes Longimanus’ (P.K. 607,610; G.C. 326; Ezra 7:21) als de derde. {1SC9:9.10} 

———————————— 

GEZONDHEIDHERVORMING 

“ Het is een heilige plicht voor zij die koken, hoe gezond voedsel te bereiden. Vele zielen gaan verloren als gevolg van slechte kookkunst. Het vereist verstand en zorg om goed brood te maken; maar er is meer godsdienst in een schoof goed brood dan menigeen denkt.” M. H. 302. {1SC9:9.11} 

“ Voor het gebruik van brood maken is de super fijne witte bloem niet het beste. Haar gebruik is noch gezond noch economisch. Brood van fijne bloem heeft een tekort aan voedingselementen die te vinden zijn in brood gemaakt van hele tarwe. Het is een frequente oorzaak van obstipatie en andere ongezonde toestanden.” M. H. 300. {1SC9:9.12} 

“Zweiback, of dubbel gebakken brood, is een van de meest makkelijk te verteren en meest smaakvolle voeding. Laat normaal gerezen brood in sneetjes gesneden worden en gedroogd in een warme oven totdat het laatste spoor van vocht verdwijnt. Laat het dan lichtelijk bruin doorgebakken worden. Op een droge plek, kan dit brood langer dan normaal brood behouden worden, en als het verwarmd wordt voor gebruik, zal het zo vers zijn als wanneer het nieuw.” M.H. 301-2. {1SC9:9.13} 

“Het gebruik van soda en bakpoeder in het maken van brood is schadelijk en onnodig. Soda veroorzaakt ontsteking van de maag, en vergiftigd vaak het gehele systeem… Brood moet licht en zoet zijn. Niet de minste spoor van zurigheid moet getolereerd worden. De broden moeten klein zijn en zo grondig doorgebakken dat de gistkiemen zo veel mogelijk zullen zijn  vernietigd.” M.H. 301. {1SC9:9.14} 

——————————– 

RECEPTEN 

100% VOLKOREN TARWE BROOD 

Was grondig één grote aardappel en twee kleinere, en na ze in plakjes gesneden te hebben met de schil eraan, zet ze aan de kook in ongeveer een kwart water. Kook ze langzaam tot ze zacht zijn, haal ze door een zeef of vergiet, en voeg aan het water dat overblijft, genoeg koud water, totdat het een en een halve kwart water en aardappel is. {1SC9:10.1} 

Plaats dit in een grote bak, los een cake van Fleischmans gist op in een beetje water en voeg dit toe aan het mengsel. Ze dan hierop genoeg bloem om het sponsachtig te maken, en laat het op een warme plaats staan tot het zacht en licht is. {1SC9:10.2} 

Zet vervolgens 1 eetlepel zout, 2 eetlepels ruwe suiker of honig, en 2 eetlepels maïs- of noten olie, erin, meng het grondig en voeg genoeg volkoren tarwe toe om het deeg stijf genoeg te maken om te kneden, maar niet te stijf. Keer het op een met bloem bedekte plank en kneed het, door het steeds om en om te vouwen en het samen te drukken, totdat het elastisch aanvoelt. {1SC9:10.3} 

Nadat het door en door is gekneed, zet het aan een kant op een warme plek om te rijzen, en wanneer het licht is, vorm het in broden of bollen, en laat het weer rijzen, niet toelatend dat het te licht wordt. Plaat het dan in een hete oven, en de eerste tien minuten bakken zal het doorrijzen afronden. Na de eerste tien minuten in de oven, zet het vuur lager om af te bakken. {1SC9:10.4} 

Dit is een heel voedzaam brood, en als het op de juiste wijze gemaakt is, is het heerlijk. Hoewel niet zo licht als witbrood, zult u snel leren ervan te houden. Het is ene fijne Zweiback,–iets voor de tanden om op te oefenen. {1SC9:10.5} 

  

100% VOLKOREN TARWE STOKKEN 

(ongegist) 

Voeg aan zes koppen volkoren tarwe, ½ kop maïs, olijf of noten olie toe. Voeg hieraan genoeg water om een stijf deeg te maken. Keer het deeg uit op een met bloem bedekte plank, en kneed het door het om en om te vouwen, 7 tot 10 minuten of langer tot dat het licht en soepel is. Rol het een 1.27 centimeter (halve inch) dik uit, en snij het in repen. Rol dan deze tot potloodachtige proporties en bak ze in een medio warme oven, totdat ze goed gaar zijn en prachtig bruin. {1SC9:10.6} 

Dit maakt een goede voeding, waarmee bakkers brood vervangen kan worden, en waarlijk geclassificeerd kan worden als de “Staf van  het leven.” {1SC9:10.7}

 ERRATA (DRUKFOUT) 

Symbolische Code, Deel 1, nr. 8,  15 febr. 1935, blz. 7, par 7, regel 2, moet de datum 18 jan., 18 maart zijn. {1SC9:10.8} 

Symbolische Code, Deel 1, nr. 8, 15 febr. 1935, blz. 11, “Recept: bijna botermelk, regel 5, moet de regel lezen: “meng en wrijf tot een cream een eetlepel pindakaas of amandel vlokken uitermate fijn met een eetlepel sinasappel- of rabarbersap.” {1SC9:10.9} 

Zr. McCune van Greeley, Colo. adviseerde ons dat wij in het overnemen van haar getuigenis, zoals gevonden op blz. 6 van de Feb. Code, een gedachte hebben toegevoegd, welke niet haar intentie was, dat het dat bevatte. Dus in rectificatie daarvan, herdrukken we haar getuigenis letterlijk, van het origineel, hetgeen als volgt is: {1SC9:10.10} 

 “De tegenwoordige waarheid van de derde engel boodschap, waaraan de boodschap van de engel van Openb. 18:1 groot licht geeft, heeft mijn ziel vervult, en de kracht van de Heilige Geest heeft mij overtuigd dat een grote hervorming nodig is en nu gaande is, beginnend in mijn eigen leven. {1SC9:10.11} 

 Moge God ieder van ons die eerlijk van hart is leiden om ijverig Zijn Woord te bestuderen, zodat we “de waarheid zoals het in Jezus is,”mogen hebben, en voorbereid zijn om het zegel van God te ontvangen. {1SC9:10.12} 

(Getekend) Mary M. Mc.Cune 

Greeley, Colo. 

[p.10] 

EEN DEEL DAT ALLEN MOGEN HEBBEN 

Bij de conferentie bijeenkomst in Los Angeles aan het begin van dit jaar, is het unaniem aangenomen dat gelovigen in tegenwoordige waarheid, iedere vrijdag middag om 5 uur Pacific Standard time, God zouden zoeken in het belang van de boodschap, gelovend dat zo een gecoördineerde stem in alle waarheid, “het effectieve vurige gebed van een rechtvaardig man (welke) veel vermag,” op het hemels altaar zal leggen. {1SC9:11.1} 

We vragen ernstig dat allen op het aangegeven uur zich aansluiten, in deze machtige gebedsband, die de wereld zal schudden. “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de Heer der heerscharen,” zal ons werk gedaan worden. {1SC9:11.2} 

Om u te assisteren, om het uzelf tot een gewoonte te maken om deze afspraak te houden, stellen we voor dat u drie tot vier vrijdagen, als u ‘s morgens opstaat, u uw alarm op 5 uur ’s middags Pacific Standard Tijd zet; 6 uur ’s avonds Mountain Standard tijd; 7 uur ’s avonds Central Standard tijd; 8 uur ’s avonds, Eastern Standard tijd, volgens uw respectievelijke zones. {1SC9:11.3} 

Laten we van nu af aan op dit tijdstip op vrijdag, ons verheugen in de zin van vereende kracht, onze stemmen verheffen in eenheid tot God in machtige voorbede in het belang van onze eigen kerk en alle betrokkenen{1SC9:11.4} 

EEN VERZOEK 

Wij sluiten hier een korte lijst bij, van sommige werkers in verschillende plaatsen, en doen een algemeen verzoek, aan de lezers van “De Symbolische Code,” die Z.D.A. kennissen hebben, of familieleden in deze plaatsen, dat u de werker in contact brengt met hen door een introductiebrief. De werkers zullen heel dankbaar zijn voor zo een ontvangen hulp. {1SC9:11.5} 

H.G. Warden, 2918 Umatilla St., Denver, Colo.; Mw. Hazel Hendricks, Fort. Mackenzie, Sheridan,Wyo.; H.F. Roller, 1016—23rd St. Anacortes, Wach.; Eugene Lipsey, 4022 Newton Ave., San Diego, Calif.; John Berolinger, R. 1 Box 325, Escondido, Calif.; R.T. Nash, R 2 Box 7A, Redlands, Calif.; Miss Esther O’Malley, 1155 W. 36 St., Los Angeles, Calif.; E. T. Wilson, R 5 Hendersonsville, N. Car.; Dr. Robt. L. Stokes, Brevard, N. Car. ; Dr. John H. Young, 2130 Wallace St. , Columbia, S. Car. Wm.Edwards, Gen. Del. , Hartford City, Ind. ; Perry M. Jones, 121 E. Olive Ave., Redlands, Calif. {1SC9:11.6} 

—————————— 

 

BELANGRIJKE INSTRUCTIES 

De leiders van alle gezelschappen, worden verzocht iedere maand, op de blanco achterkant van het verslag, de volledige naam en het adres van ieder lid van het gezelschap uit te schrijven. Deze procedure is essentieel om op dit  kantoor efficiënt en succesvol voort te gaan. Tevens moet iedereen die de Code wenst te ontvangen zijn naam en adres opsturen, want alleen zij wiens naam op de lijst staan zullen de Code ontvangen. {1SC9:11.7} 

Om geld wisselen, voor tienden en offer, betalen van boeken etc. op de sabbat te elimineren, een Laodiceaans gebruik welke het Woord van God veroordeelt, laat ons nauwkeurig op de eerste dag van de week (1 Cor 16: 2), zorg dragen voor al dergelijke zaken, door alle gelden in enveloppen te plaatsen. Om dit doel te bereiken adviseren we ieder gezelschap, om zichzelf te voorzien van kleine goedkope enveloppen. Gebruik geen kerk materiaal, aangezien u niet langer ervoor betaald, want het is niet juist. {1SC9:11.8} 

Laten alle tegenwoordige waarheid gelovigen zichzelf geschikt maken om in het werk van de Heer te gaan, want Hij roept nu om arbeiders in Zijn grote oogst. {1SC9:11.9} 

 

——————————– 

 

Iedere Z.D.A, die verlangt dat de “Symbolische Code, gratis, regelmatig naar hem toegestuurd wordt, vul alstublieft de volgende formulier in. 

 

——————————————————–SCHEUR AF——————————————–{1SC9:11.10} 

Plaats alstublieft mijn naam op uw regelmatige postlijst voor u maandelijks blad: “De Symbolische Code.” 

Naam—————————————————Straat Postbus nr.———————————————————- 

Stad———————————-Staat——————————Land———————————–1SC9:11.11} 

De Universele Uitgevers Associatie, Afdeling Symbolische Code. 

Station K, Box 68, Los Angeles, California 

 

 

 

 

 

 



De Symbolische Code 

Nieuws Artikel    

                                                                                          Deel Een    

                                                                                               Nr. 8

15 februari 1935  

                                                                             Los Angeles, California

In Het Belang Van De Z.D.A. Kerkgenootschap 

EEN BRIEF AAN “AMMI” EN “RUHAMA” TEN BEHOEVE VAN “MOEDER” 

“Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël! Want gij zijt Mijn knecht, Ik heb u geformeerd; gij zijn Mijn knecht, Israel, gij zult van Mij niet vergeten worden.” (Jes. 44: 21) {1SC8:1.1} 

De vele brieven en vragen die van alle delen van het veld komen hebben veel extra werk toegevoegd aan onze gewone taken, zodat het onmogelijk is om gelijke tred te houden met onze correspondentie in verband met  “De Herdersstaf.” We hebben getracht te reageren op de meest dringende brieven en die een persoonlijk antwoord vereisen; anderen dachten we konden in een algemene brief beantwoord worden. {1SC8:1.2} 

“De Herdersstaf,” Deel 1 kwam in de maand december 1930 van de druk. Vanaf die tijd, hebben we onder de leiding van God, getracht naar iedere Zevende Dags Adventisten kerk de hele wereld door een exemplaar of meer te zenden. Daarnaast hebben we honderden naar onze predikanten en conferentie werkers gezonden, en hebben ook een constante verzendlijst in stand gehouden naar ieder leek van ieder deel van de unie en sommige vreemde landen, maar de reactie tot dus ver is niet evenredig geweest met de moeite die voortgezet is om de kerk te waarschuwen van de op handen zijnde ondergang. Een bloedig zwaard hangt boven de kerken en het feit vereist onze uiterste zorg. Een heldere visie van de noodzaak van een grondige hervorming zoals weergegeven in “De Herdersstaf, zou iedereen die  verbonden is met de “Drie Engelen Boodschap, moeten hebben opgewekt.” Zo een nalatigheid voor bezinning en geestelijke ontwaking maakt ons hart droevig. Hoewel sommigen het aankomende gevaar mogen betwijfelen, zou er geen zorgeloosheid moeten zijn, om voor altijd zonde weg te doen aan de kant van Gods kerk. De Heer spreekt tot ons: zullen we niet acht slaan op Zijn stem? Zullen we niet onze lampen klaarzetten en handelen als mensen die ernaar uitzien dat hun Heer komt? De tijd is er een die roept om het dragen van licht en actie. {1SC8:1.3} 

We vragen ernstig aan onze broeders en zusters, die geloven in de boodschap om nederig en oprecht te bidden voor Gods geliefde volk, en laat onze gebeden gepaard gaan met geloof, vertrouwend op God om onze pogingen te zegenen. De grootste zorg van iedere gelovige zou een last moeten zijn voor de veiligheid van de kudde. Daarom moeten wij een onweerstaanbare inspanning doen van verstand en macht om de boodschap aan hen te presenteren. {1SC8:1.4} 

Sommige van onze broeders en zusters, wensen het standpunt te weten dat wij innemen over de boodschap in de “Staf.” De vraag is: Laten we fouten toe erin, of houden ons eraan, dat de inhoud in de “Staf,”onweerlegbaar is? Dit beantwoorden wij als volgt: Analyses hebben aangetoond dat waarheid nooit in geen enkele tijd door de kracht en wijsheid van mensen is gekomen, maar door de Geest van God,  door instrumenten van Zijn eigen keus. Jezus zei: “Wanneer de Geest der waarheid komt, zal Hij u in ALLE waarheid leiden.” Als we de woorden van de Meester zouden geloven, dan moeten we concluderen dat de “Staf,” of ALLE waarheid bevat of er is GEEN waarheid erin, behalve de citaten van waarheid. Vandaar dat, als we instemmen met een waarheid geopenbaard in de “Staf,” dan moeten we het ALLEMAAL aannemen. Als God in staat is geweest om Zijn dienstknechten  in het verleden in ALLE waarheid te leiden, is Hij het nu in staat. Daarom nemen we het standpunt in dat de boodschap van de “Staf,” gevrijwaard is van dwaling, in zo verre het de voortgezette ideeën betreft. {1SC8:1.5} 

We hebben vele goede en bemoedigende brieven gehad vanuit ieder deel van het veld, zowel thuis als uit het buitenland. Velen hebben het werk opgepakt als hun God gegeven taak om ons volk te waarschuwen van hun gevaar door een afdruk van de HStaf Delen te zenden, naar ieder van hun vrienden; onze kosteloze literatuur verspreidend; studerend met anderen; boeken verkopend; en ons namen insturend. Sommige van de plaatselijke kerkouderlingen hebben gehoor gegeven aan de boodschap en de zaak aan de hele kerk voorgelegd, zonder goede resultaten. Hoewel de reacties niet in verhouding zijn geweest met de moeite die is voortgezet, zoals eerder gesteld is, is het bewijs zodanig dat God, Daniel’s, Shadrach,s, Meshach’s en Abednego’s  en ook Gideons overal heeft die op de oproep wachten. “De Heer heeft trouwe dienstknechten, die in de schuddende, beproevende tijd voor het gezicht ontsluierd zullen worden. Er zijn kostbare zielen, die nu verscholen zijn, die de knie niet voor de Baal gebogen hebben.” 5 T 80{1SC8:1.6} 

We worden geconfronteerd met tegenstand van onze conferenties, die proberen de boodschap te laten verdrinken en het werk van hervormen te doden. Ze praten tegen de publicaties, maar hebben nog niet een keer hun bladzijden geopend, en op succesvolle wijze wat dan ook uit de inhoud weerlegd. Hun verontschuldiging is dat  ze het zich niet kunnen veroorloven, om iets van hun kostbare tijd te geven, om nieuw licht te onderzoeken. Spot is het enige wat wij horen. Redetwisten over de directe toepassing van geringe punten, verandert de boodschap in de “Staf,”niet , zolang de lessen die daaruit afgeleid worden niet kunnen worden weerlegd. Het onderwerp in de “Staf,” is “De 144.000 en Een Oproep tot Hervorming, ”gebaseerd op Openb. 7; Ezech. 9; Jes. 63; 66:16, 19,20 en aangezien ze geen van deze kunnen weerleggen, bewijst het dat de boodschap correct is.  Velen van de leken eisen verklaringen van de boodschap in “De Herdersstaf,”maar daar de predikanten hun geen bevredigend antwoordkan geven, prikkelt het velen om de waarheid voor zichzelf te onderzoeken. Dus verspreid zich de boodschap overal, met bewijs dat hervorming zeker is. {1SC8:2.1} 

Zulke verslagen als dat de HStaf gedood is in het Zuiden en doodgegaan is in California en ergens anders, zijn niet anders dan zielige bewijzen dat de “engel,” van de  Laodicianen razend wordt, over de stijgende verwezenlijking van de toenemende onzekerheid van zijn positie en die als gevolg wat dan ook en alles probeert in een laatste poging  om zichzelf te redden van de meedogenloos opkomende vernietiging. {1SC8:2.2}  

Wij hebben genoeg gezien en gehoord, om te weten dat velen in de bediening, overtuigd zijn van de waarheid in de “HStaf,” maar niet openlijk, hun overtuiging of hun standpunt durven te bekennen. {1SC8:2.3} 

Bij  vele gelegenheden heeft de leiding sommige van de oprechten, als lid uitgeschreven, maar onder geen enkele voorwaarde heeft het de invloed van de waarheid onderzocht.  Inderdaad, deze poging om het volk bang te maken, om het studeren  van de boodschap op te geven en te werken binnen de regels van reformatie, heeft alleen maar gewerkt om het tegengestelde resultaat  te bewerkstellingen. Wij waarschuwen wederom  ons volk om trouw aan God te blijven en de complete instructies op te volgen in iedere handeling die ze doen. Er kan geen succes zijn in het werk van God en Hij kan ons niet gebruiken, als we onze wijsheid uitoefenen, onafhankelijk van de Zijne. {1SC8:2.4} 

Laat iedereen op de post van zijn taak blijven alsof al het werk van God op zijn schouders rustte. God heeft vooraf gewaarschuwd, dat iedereen in de kerk moet blijven waar hij thuishoort, ongeacht wat mag gebeuren met zijn kerklidmaatschap. Het zijn niet onze namen in de kerkboeken die ons redden, maar het houden van de waarheid. Complete instructies zijn gegeven in de HStaf, Deel 1, blz. 28-9,ook 245-252; traktaat nr. 2, blz. 41:; traktaat nr. 4, blz. 45. Laat iedereen ernaar streven om een van de 144.000 te zijn, door nauwkeurig onderhouden van de instructies gegeven, en dan zullen de hindernissen die nu tegen de waarheid worden opgezet, tot de grond verbrokkelen als de muren van Jericho. De Heer “zal tot” onze “vreugde verschijnen” en zij die ons uitwerpen “zullen beschaamd worden.” (Jes. 66:5) {1SC8:2.5} 

De Geest der Profetie, die vooruit keek naar deze tijd zegt: “God zal methoden en middelen gebruiken waardoor het gezien zal worden, dat Hij het bestuur in Zijn eigen handen neemt. De arbeiders zullen verrast zijn door de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk van gerechtigheid tot stand te brengen en te volmaken.” T.M. 300. {1SC8:2.6} 

We betreuren het dat we over de handelswijze als deel van onze broeders en zusters moet praten, maar we zijn het verplicht aan onze taak om de zaak Gods volk en Zijn waarheid te verdedigen.  Daarom zijn wij verplicht de volgende informatie ten gunste van hen die gewillig zijn voor zichzelf te studeren en te onderzoeken in plaats van de voorkeur te geven om de beslissingen van anderen te aanvaarden. {1SC8:2.7} 

De Geest van God zegt: “Zij die niet de gewoonte hebben gehad, om de Bijbel voor zichzelf te bestuderen, om bewijs af te wegen, hebben vertrouwen in de leidinggevende mannen, en aanvaarden de beslissingen die zij maken; en zodoende zullen velen juist de boodschap die God tot Zijn volk stuurt verwerpen, als deze leidinggevende mannen ze niet aanvaarden.” T.M. 106,107. “Keert u af van mannen, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?” (Jes. 2:22) “Zo zegt de Heere: “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den Heere afwijkt.” ( Jer. 17: 5) {1SC8:2.8} 

 De nieuws verspreiding door de zusterkerken en conferenties, zowel thuis als in vreemde velden, dat de schrijver van “De Herderstaf,” niet een Zevende Dags Adventist is, is de zwartste valsheid. Ik ben in goede en geregeld aanzien, een gelovige van de advent waarheid in alle voorschriften zonder verandering, vanaf de eerste dag dat ik de waarheid accepteerde tot nu toe. Zij die “De Herderstaf ” hebben gelezen, zullen het feit waarderen, dat wat ik gelezen heb waar is. In de tijd dat de boodschap van “De Herderstaf” kwam, was ik zowel een lid als een functionaris in een van onze kerken. Het was nadat het boek geschreven was, dat mijn naam uit de kerkverslagen werd uitgeworpen, door het kerkbestuur met de ondersteuning van slechts 2 lekenleden van ongeveer 200; in die tijd was het dat de president van de conferentie tegen mij zei: “Ik moest je naam uit de kerkverslagen halen zodat ik aan de kerken kan zeggen, dat het boek niet geschreven is door een Zevende Dags Adventist.” {1SC8:2.9} 

Hoewel onze broeders en zusters denken dat ik geen Zevende Dags Adventist ben, omdat ze mij (onwettig) veracht en beroofd hebben van mijn rechten als lidmaat, hoe durven ze te zeggen dat, “De Herderstaf, niet geschreven is door een Z.D.A. terwijl mijn naam nog in die tijd in de kerkboeken stond, toen de “Staf” was geschreven? En zelf nu nog ben ik aanwezig, om wanneer dan ook de kerk te bezoeken, waar ik mijn lidmaatschap had in de tijd dat de boodschap kwam, en evenzo is het geval met ieder van ons, die verbonden is met de boodschap van de HSTaf. {1SC8:3.1} 

Ik herhaal, het is niet onze naam in de kerkboeken dat ons tot ware Zevende Dags Adventisten maakt, maar het houden van de waarheid. Als de enige manier die de broeders en zusters hebben, is de feiten vervalsen, dan hadden ze beter de verantwoordelijkheid van het verdedigen van de waarheid, helemaal aan God overgelaten, Die in staat is Zijn volk voor de WAARHEID te beschermen, in plaats van valsheid. {1SC8:3.2} 

We zijn zeer bezorgd om te horen van iedere ware Zevende Dags Adventist. Schrijf ons alstublieft en geef ons alle informatie die van hulp kan zijn in het werk. Wij moeten samenwerken, in het zo snel mogelijk verspreiden van de boodschap, want de tijd is korter dan we kunnen beseffen. We beloven plechtig u op iedere mogelijke manier te helpen. {1SC8:3.4} 

We hopen van al onze broeders en zusters te horen, die hun visie met betrekking tot de boodschap nog niet hebben uitgedrukt. {1SC8:3.5} 

“Nu dan Israel, hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik u lieden lere te doen, opdat gij leeft, en henen inkomt en erft het land, dat de HEERE uwer vaderen God, u geeft.”(Deut. 4: 1) {1SC8:3.6} 

Ik ben oprecht uw broeder voor een vurige oproep voor “moeder.” {1SC8:3.7} 

—————————————————————–

EEN ANDEREN OPROEP VOOR ARBEIDERS 

Geliefde Broeder: 

Slechts een paar regels van ons klein gezelschap. Er zijn zeven die hun standpunt ingenomen hebben voor de boodschap van tegenwoordige waarheid gevonden in de HStaf, hetgeen we in overeenstemming vinden met de Bijbel en de Geest der Profetie, en waarin we zeker gelukkig zijn en ons verheugen. Nu vragen we naar iemand om te komen en ons meer over de boodschap te onderwijzen, zodat we beter kunnen werken tot de heerlijkheid van God en de vooruitgang van Zijn zaak.{1SC8:3.8} 

                                                                                                                                                 (Getekend) W.R. Young. 

 

“De oogst is waarlijk groot, maar de arbeiders zijn weinig: bidt u daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in Zijn oogst.” (Matt. 9: 37, 38) {1SC8:3.9} 

“De tijd is kort. Overal zijn er arbeiders voor Christus nodig. Er zouden honderd ernstige, trouwe arbeiders in huis moeten zijn en vreemde zendingsvelden, waar er nu een is. De snelwegen en de straten zijn nog niet bewerkt. Ernstige beweegredenen,  zouden moeten voorgehouden worden, voor hen die nu betrokken moeten zijn in zendingswerk voor de Meester. {1SC8:3.10} 

“De Heer roept vrijwilligers op die onwankelbaar hun plaats aan Zijn kant willen innemen en zichzelf plechtig beloven te verenigen met Jezus van Nazareth in het doen van het werk dat juist nu gedaan moet worden.” F.C.E. 488. {1SC8:3.11} 

“Gij… van de leven de God… als u zult voortgaan om het werk van Christus te doen, zullen engelen van God de weg voor u openen.. Bent U individueel arbeiders tezamen met God? Zo niet, waarom niet?  Wanneer bent u van plan om uw door de Hemel aangewezen werk te doen?”—6 T 438. {1SC8:3.12} 

“Hij wil dat u voort gaat naar onze kerken, om ernstig voor Hem te werken.” –9 T 107. {1SC8:3.13} 

“De woorden van Christus zijn van toepassing op de kerk: ‘Waar stat u hier de hele dag ijdel?” Waarom bent u niet in enige hoedanigheid werkzaam in Zijn wijngaard? Keer op keer heeft Hij u dit gebeden, ‘Gaat ook gij in Mijn wijngaard, en wat billijk is zal  u ontvangen.’ Maar deze genadige oproep van de hemel is geminacht door de grote meerderheid. Is het niet hoog tijd dat u de geboden van God gehoorzaamd. Er is een werk voor iedere persoon, die de naam van Christus noemt. Een stem uit de hemel roept u plechtig tot uw taak. Sla acht op deze stem en  ga meteen aan het werk ene welke plaats dan ook , in welke hoedanigheid dan ook. Waarom staat u hier de hele dag ijdel? Er is werk voor u te doen, — een werk dat u beste krachten vereist. Ieder kostbaar moment van het leven is verbonden aan een taak die u aan God verschuldigd bent of aan uw medemens, en toch staat u ijdel”—5 T 203-4. {1SC8:3.14} 

 

DE KOMENDE AANVARING 

“De Kerk hier heeft de laatste tijd, verschillende comité vergaderingen gehad vanwege mijn activiteiten. Zaken worden zeer ernstig. Ze zeggen dat ze een splitsing zien aankomen en het bevreesd ze. Oh, ik verheug mij wanneer ik dingen een richting zie opgaan. God is aan het werk en spoedig zal de splitsing komen. Ze trachten bewijs tegen mij te verkrijgen, maar ongeacht wat ze tegen me doen, ik wil zijn wat Jezus wil dat ik ben, en met Zijn hulp zal ik het zijn.” {1SC8:4.1} 

                                                                                                                                     (Getekend)   Mw. Anna Oswald 

                                                                                                                                                                    Houston, Texas 

 

Hoewel het een onuitsprekelijk treurig iets is, dat door interne problemen het schijnt dat Gods kerk zichzelf op de grond moet laten neerstorten, moet toch zolang dit zo moet zijn, en zolang God zegt: “Oh grote berg…gij zult een vlakte worden,”  “verheugen ook wij ons in de verwachting  van de dingen die een bepaalde richting opgaan,” wanneer uit de verwoesting “Hij de hoofdsteen voortbrengen zal met toeroepingen: Genade, genade zij deze.” ( Zach. 4: 7) {1SC8:4.2} 

Hoewel de “engel,” van de “Laodiceanen,” geen acht geslagen heeft aan de barmhartige waarschuwingen die lang geleden gegeven zijn, kon de tragedie zelf nu afgewend kunnen worden, als hij slechts acht zou slaan op de tegenwoordige oproep die God zo genadig doet. {1SC8:4.3} 

In sept. 1895, schreef de dienstknecht van de Heer: {1SC8:4.4} 

“DE MACHT UIT HOGERE HAND 

Die ontwikkeld is, alsof positie de mens tot goden heeft gemaakt, beangstigd mij en zou vrees moeten veroorzaken. Het is een vloek waar dan ook en door wie dan ook het wordt uitgeoefend. Dit laten heersen over Gods erfenis, zal zo een walging creëren van de rechtsbevoegdheid van de mens, dat het een toestand van ongehoorzaamheid zal veroorzaken. Het volk leert, dat mensen in hoge posities van verantwoordelijkheid niet vertrouwt kunnen worden om ander mensen hun verstand en karakters te vormen. Het resultaat zal zijn een verlies in vertrouwen zelf in het management van trouwe mannen. Maar de Heer zal arbeiders oprichten die hun eigen onwaardigheid beseffen zonder speciale hulp van God.”—T.M. 361. {1SC8:4.5} 

“Wetten en regels worden in de kernen van het werk gemaakt,  die spoedig in atomen verbroken zullen worden….Als de koorden nog strakker getrokken worden, als de regels nog veel fijner gemaakt worden, als de mens doorgaat met zijn mede arbeiders hechter en hechter te binden aan de  geboden van mensen, zullen velen beroerd door de Geest van God iedere keten breken en hun vrijheid in Christus Jezus verdedigen….”—R&H., 23 juli 1895. {1SC8:4.6} 

“De Heer zal werken om Zijn kerk te reinigen. Ik vertel u de waarheid, de Heer staat op het punt een omekeer te brengen en de instituten die Zijn Naam dragen ten val te brengen. {1SC8:4.7} 

“Hoe snel dit zuiverende werk zal beginnen, kan ik niet zeggen, maar het zal niet lang uitgesteld worden. Hij wiens wan in Zijn hand is zal Zijn tempel reinigen van haar morele vervuiling. Hij zal Zijn vloer grondig zuiveren. T.M. 373. {1SC8:4.8} 

“Satan zal zijn wonderen werken om te misleiden, hij zal zijn macht als allerhoogste opzetten. De kerk zal schijnen als of het valt, maar het valt niet. Het blijft, terwijl de zondaren in Zion uitgezifd zullen worden.  Het kaf zal gescheiden zijn van het kostbare koren. Dit is een verschrikkelijk oordeel van God, maar niettemin moet het plaatsvinden.  Niemand anders dan zij die overkwamen door het bloed van het Lam in geloof wandelend in het licht van het Woord van hun getuigenissen (de boodschap gevend) zullen gevonden worden met de trouwe en ware [144000], zonder smet of vlek van zonde, zonder schuld in hun mond. Het overblijfsel dat hun zielen reinigt, door de waarheid te gehoorzamen, verzamelt kracht van het beproevend proces, en vertoont zo de schoonheid  van heiligheid te midden van de omringende afvalligheid… De grote kwestie die zo dicht bij is zal die gene uitroeien die God niet aangesteld heeft, en Hij zal een reine, ware, geheiligde bediening hebben,die voorbereid is voor de late regen.”—B-55-1886. {1SC8:4.9} 

De “botsing,” moet komen, en het zal een verschrikkelijk oordeel van God zijn.” Vandaar dat de genadevolle waarschuwing van God tot ons komt om gereed te zijn. {1SC8:4.10} 

“Doorzoekt u zelf nauw, ja doorzoekt nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt! Eer het besluit bare, gelijk kaf gaat de dag voorbij, terwijl de hittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van de toorn des Heeren over ulieden nog niet komt. Zoekt de Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des Heeren.” (Zef. 2: 1-3.) {1SC8:4.11} 

“ Ga henen, Mijn volk! Ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u al een klein ogenblik, totdat de gramschap overga. Want ziet de Heere zal uit Zijn plaats uitgaan, om de ongerechtigheid van de inwoners der aarde over hen te bezoeken; en de aarde zal haar bloed ontdekken, en zal haar doodgeslagenen niet langer bedekt houden.” (Jes. 26: 20, 21) {1SC8:4.12} 

 

TERWIJL DE BOODSCHAP VOORTGAAT 

 

“Ik heb met een levendige interesse de twee traktaten gelezen die u me heeft toegestuurd, en wens meer te leren van de tegenwoordige waarheid. Ik ben volledig vastbesloten alles te onderzoeken dat geleerd moet worden van dit nieuw licht op de waarheden, die we altijd gekend hebben en gekoesterd hebben. Langer dan 50 jaren oud, ben ik een student geweest van Gods Woord van kinds af aan en heb in de sabbat school en de kerk gewerkt als Bijbel leraar en leider, en ik kan zeggen van wat ik heb geleerd van de twee traktaten die ik van u heb ontvangen, dat de Schriftgedeelten die ik nooit in staat was te begrijpen nu zo helder als zonlicht zijn. Ik ben werkelijk blij met dit wonderlijk licht en ik geloof volledig dat het Gods waarheid is, de Drie Engelen Boodschap in waarheid.’ {1SC8:5.1} 

“Vele jaren waren een broeder en ik bezig te studeren, zodat wij onszelf konden verbeteren zodat wij mogelijk in staat konden zijn om publiekelijk voor de Heer te arbeiden. Gisteren legde ik hem kort uit over dit werk en hij wenst geïnformeerd te worden in deze waarheden. {1SC8:5.2} 

“Ik verlang ernaar de boeken te krijgen en zo snel mogelijk te beginnen met studeren. Gretig wachtend op deze studies in tegenwoordige waarheid, ben ik 

De Uwe in de dienst van de Meester,” {1SC8:5.3} 

                                                                                                                                          (Getekend) L.C. Forsythe 

                                                                                                                                           Wapakoneta, Ohio

 

Br. Philebaum van Hartford City, Ind. Stuurt ons de volgende brief, die hij ontving van zijn zuster, kort nadat hij haar een bezoek had gebracht, en haar uitgelegd had over de boodschap en haar een paar traktaten na liet. {1SC8:5.4} 

“Ik moest je schrijven als ik de HStaf boeken wilde. Ik heb de traktaten gelezen die je voor mij achter gelaten hebt en ben nu gedeeltes van ze aan het herlezen, en ik moet zeggen, hoe meer ik ze lees, hoe meer ik overtuigd raak dat deze boodschap van God is, dus ben ik enthousiast om de boeken te ontvangen. {1SC8:5.5} 

“Ik lees dat de verzegelingtijd heel kort is en ik verlang ernaar om alles erover te leren zodat ik kan helpen anderen te verlichten. {1SC8:5.6} 

“Hoe kan wie dan ook met een oprecht hart, helpen om maar de noodzaak tot reformatie in de kerk te zien? Wat een bedroevend iets om te denken dat sommigen in de kerk de boodschap niet willen horen? Ik voel dat God Zijn hand heeft gezet om een snel werk te doen. Ik heb gevreesd dat Hij dit zou doen en dat ik niet zou weten wanneer het zou gebeuren, maar ik ben zo blij dat Hij het aan mij bekend heeft gemaakt zodat ik gereed kan zijn.” {1SC8:5.7} 

 

VERSCHOPPELINGEN VERHEUGEN ZICH IN HUN LOT 

“Ik begon de boodschap te lezen die vervat in de HSTaf, door te belofte van Johannes 7: 17 op te eisen, en ik was nooit eerder overtuigd van wat dan ook in heel mijn leven, dan dat het een boodschap van God is aan het afgedwaalde Israël. {1SC8:5.8} 

Ik heb lang de noodzaak voor een opwekking en hervorming in mijn hart gevoeld, en deze boodschap is een schijnend licht voor mij geweest. Als er acht op geslagen was, zou het ons volk redden van de dodelijke formalisme die ‘overal in onze kerken als zuurdesem verspreid.’ {1SC8:5.9} 

“Ik heb omwille van de waarheid een paar dingen moeten lijden, omdat ik een van de zeven in onze kerk was die werd ‘verstoten’ afgelopen augustus, maar er is een kalmte in de storm nu op dit moment. {1SC8:5.10} 

“Anderen van onze kerk hebben met ons gestudeerd en waren overtuigd van de waarheid, maar keerden terug naar de vormendienst toe de vervolging begon, en daardoor vervulden ze Matt. 13: 21. Mogen ze terug keren voordat het te laat is, is ons gebed.” {1SC8:5.11} 

                                                                                                                                                  (Getekend) Ethel Gilbert 

                                                                                                                                                                Greenville, S. Car. 

 

“Ongeveer anderhalf jaar geleden, kwam de HStaf naar onze kerk en vond zeven zielen die aan de Heer Zijn zijde wilden zijn wanneer Hij in het oordeel komt om Zijn kerk te reinigen. (Ezech. 9; 5 T. 80). {1SC8:5.12} 

“Van de vijf, had elk slechts een paar boeken van Zr. White’s geschriften, en sommige van hen geloofde  helemaal niet in haar geschriften, totdat de HStaf hen toonde hoe absoluut noodzakelijk het was om de Getuigenissen te hebben en te bestuderen. {1SC8:5.13} 

“Tevens werkten sommige op de Sabbat naast het doen van vele anderen dingen die een ware Christen niet doet, maar door de kracht van de wonderbaarlijke waarheid van de HSTaf, zijn we in staat geweest al deze onwettige dingen op te geven en zijn ons nu aan het verheugen in de vreugde van de overwinning. {1SC8:5.14} 

Op de avond van 22 dec 1934, werd Jes. 66: 5 in onvergetelijke taferelen in de kerk uitgevoerd. Vijf van de beste leden werden ‘uitgeworpen,’ niet omdat ze niet loyaal waren aan de Drie Engelen Boodschap, maar omdat ze de Generale Conferentie niet gehoorzaamden! {1SC8:5.15} 

“Nadat elk van hen, zijn getuigenis voor de waarheid had gegeven, zei de ouderling: ‘De vraag is niet of de HStaf waarheid of dwaling is, maar of u wel of niet trouw bent aan de Generale Conferentie! {1SC8:6.1} 

“Een broeder, die nog niet volledig zijn standpunt ingenomen had voor de boodschap, zei, toen hij getuige was van de onrechtvaardigheid van de gebeurtenissen: ‘Als u deze goede broeders en zusters gaat uit werpen, dan zult u ook mijn naam moeten verwijderen.’ Aldus maakt de vervolging van de kerk aanhangers voor de boodschap van tegenwoordige waarheid. {1SC8:6.2} 

“Door de hele schandalige procedure, waren de vijf kalm en goed geestig, en daarna zij een broeder, dat hij zich nooit eerder zo gelukkig en vrij had gevoeld. De gebeurtenis was al bewezen een zegen voor allen te zijn, want vanaf ze uitgeworpen zijn, is elk van hun meer bezorgd voor de broeders en zusters te werken, en we bidden dat God onze arbeid zal zegenen om hen te redden van de verschrikkelijke vernietiging  die staat te gebeuren.” {1SC8:6.3} 

                                                                                                                                       (Getekend) John Berolinger 

                                                                                                                                                             Escondido. Calif. 

 

ER IS KRACHT OM TE HERVORMING 

“De Tegenwoordige Waarheid van de Derde Engelen Boodschap (de engel van Openb. 18: 1), zoals geopenbaard in de HStaf, heeft mijn ziel gevuld, en de kracht van de Heilige Geest heeft mij overtuigd, dat er een grote hervorming nu aan de gang is, en ik dank God voor de hervormende invloed in mijn eigen leven. {1SC8:6.4} 

“Moge Hij ieder oprecht hart leiden tot een ijverige studie van Zijn Woord, dat we de ‘waarheid’ mogen liefhebben, ‘zoals het is in Jezus’ en verzegeld mogen zijn, ‘met het zegel van de levende God voor eeuwig.” {1SC8:6.5} 

                                                                                                                             (Getekend) Mw. M.M. Mc. Cune, 

                                                                                                                                                                    Greeley, Colo. 

——————————————— 

 

DANKBAARHEID VOOR LICHT 

“Oh, hoe dankbaar ben ik voor de HStaf boodschap! Het bewijst vanuit de Bijbel en de Getuigenissen “tegenwoordige waarheid” te zijn, hetgeen “de kudde nu nodig heeft’, en ik ben vastbesloten het te bestuderen en meer te leren, zodat ik een deel kan hebben in het afsluitingswerk.” {1SC8:6.6} 

                                                                                                                                             (Getekend)  Mw. Eva R. Orr, 

                                                                                                                                                                         Greeley, Colo. 

————————————————- 

 

“VLEES” VOOR DE HONGERIGEN” 

“Ik wil u slechts vertellen dat ik ondervonden heb dat de HStaf een boodschap voor ons is, die “vlees op zijn tijd,” is, en dat mijn gebed is dat meerdere zullen volgen in deze wonderbaarlijke waarheid en dapper zullen wandelen in haar licht.” {1SC8:6.7} 

                                                                                                                                                      (Getekend) V. D. Orr, 

                                                                                                                                                                     Greeley, Colo. 

————————————————- 

LICHT GROEIT 

“Ik neem de gelegenheid te baat om u weer te schrijven. Hoe meer ik de HStaf bestudeer, hoe meer licht ik erin kan zien. Elke dacht groeit het nog mooier. {1SC8:6.8} 

“Laatst ontving ik een brief van mijn predikant die me waarschuwde tegen de HStaf. Hij stuurde me het kleine pamflet: ‘ Een waarschuwing tegen dwaling,’ maar ik heb ondervonden dat het onbetrouwbaar is, en ik weet dat de predikant de onderwijzing van de HStaf niet voor zichzelf heeft onderzocht, en daarom niet gerechtvaardigd is iets ervan te veroordelen, want ik doe een grondige studie van haar onderwijzingen met de Bijvel en de Getuigenissen voor me, en ik vind meer waarheid, elke keer als ik het over lees….{1SC8:6.9} 

“Ik heb al een hele tijd gevoeld dat de kleine tiende die ik heb, naar ‘de schatkamer’ zou moeten gaan—waar tegenwoordige waarheid is—dus heb ik vorige  week besloten het te zenden, want als de boodschap van God is, zouden we het moeten ondersteunen, en gewillig zijn te lijden omwille van Christus. Bidt u alstublieft voor mij dat ik sterk in het geloof mag zijn. {1SC8:6.10} 

“Maakt de waarheid vorderingen? In de brief van mijn predikant, zei hij dat de Generale Conferentie ouderling_________ gezonden heeft naar Charleston, S. Car. en dat hij geslaagd is in het uitstampen van de leerstelling van de HStaf daar, en dat het heel veel problemen hier en daar maakt. {1SC8:6.11} 

“Ik hoop wel dat de goede Heer het in de harten van vele van Zijn geliefde volk zal plaatsen, om voor zichzelf te studeren, voordat het te laat is. Mijn hart is bedroefd voor de geliefden die niet voor zichzelf willen onderzoeken. Bidt u alstublieft voor mij dat ik Jezus in mijn leven mag ophouden, en bereid mag zijn om anderen te helpen de weg te vinden, en dat ik ‘in staat mag zijn te staan’ wanneer Hij verschijnt.” {1SC8:6.12} 

(Getekend) Mw. J.A. Dundore 

Hanover, Pa. 

 

VRAGEN EN ANTWOORDEN 

Vraag: “Wilt u alstublieft uitleggen hoe de ‘Symbolische Code’ zijn naam kreeg en waarom het zo genoemd is?” {1SC8:7.1} 

Antwoord: De naam, “De Symbolische Code,” kwam op dezelfde manier als de boodschap deed. Het is zo genoemd omdat het blad profetische symbolen uitlegt, en  in symbolische termen spreekt. {1SC8:7.2} 

 Vraag: “Traktaat nr.3 p. 62 toont dat op 18 jan. 1934, de leden van de Tabernacle Kerk van Fullerton, Calif. Verzochten dat een comité van tien of twaalf broeders en zusters, bro. Houteff ontmoeten betreffende de leerstellingen van de HStaf. ‘Een Waarschuwing Tegen Dwaling,’ blz. 30 zegt de het comité ‘Mhr. Houteff en een paar van zijn volgelingen’ ontmoette en aan het einde van de studie, vroeg om ‘een paar dagen waarin de punten die gepresenteerd waren, nauwkeurig te bestuderen ’ om hun antwoord voor te bereiden.’ {1SC8:7.3} 

“Blz. 30 van hetzelfde boekje zegt: ‘Op Zondag, 18 maart, ontmoette dit comité opnieuw met Mhr. Houteff, met een aantal van zijn volgelingen… en las dit antwoord.’ {1SC8:7.4} 

“Maar Traktaat nr. 3 p. 71 zegt dat u twee maanden wachtte zonder enig antwoord te ontvangen en tenslotte ( op 28 april, 1934) stuurde u een telegram naar ouderling Daniels, terwijl ze vergaderd waren bij de Lente Bijeenkomst te Washington, D.C. {1SC8:7.5} 

“Dus zegt een dat het antwoord 18 maart afgeleverd was en de andere zegt het was twee maanden later. Welke is correct?” {1SC8:7.6} 

Antwoord: De data hier gegeven zijn correct. De ogenschijnlijke afwijking komt voort uit het feit dat de gebeurtenis op 18 jan.(het voorlezen van het antwoord) niet is wat Traktaat nr. 3 p. 71 naar verwijst. Het verwijst naar het geschreven antwoord, dat verondersteld word te zijn op de gegeven studie, welke hij niet ontving tot na de twee maanden nadat het was gelezen bij de bijeenkomst van 18 maart, in welke tijd zij veronderstelden, het aan br. Houteff overhandigd te hebben zodat hij het zou kunnen bestuderen en weten wat te doen. {1SC8:7.7} 

Vraag: “Heeft br. Houteff verschillende citaten aan zuster White toegeschreven, waarvan het bewezen is dat zij ze niet geschreven heeft? {1SC8:7.8} 

Antwoord: Er zijn drie citaten in de HStaf die worden betwist als niet te zijn geschreven door zr. White. Een van deze wordt gevonden in de HStaf, Dl. 1 blz. 110, hfdst. 2, de tweede op blz. 14 van hetzelfde deel, hfdst.1 en de derde in Dl.2 blzn. 151, 152. De eerste twee verwijzingen waren aan Br. Houteff gegeven door achtenswaardige  Z.D.A. predikanten in algemeen erkende functies bij het kerkgenootschap. Aangezien hij meer vertrouwen had in de predikanten in die tijd, dan hij nu doet, ging hij ervan uit dat de citaten zonder twijfel correct waren, en aangezien het onmogelijk was om ze na te trekken, nam hij ze in goed vertrouwen op hun (predikanten) woord. {1SC8:7.9} 

Vanaf die tijd heeft hij de ene geciteerd op blz. 14 nagetrokken en gevonden dat het citaat gegeven woord voor woord is, maar dat de brief waar het uit geciteerd is, getekend was door C.C. Chrisler, Zr. White’s secretaris. {1SC8:7.10} 

Echter hoewel het fragment niet Zr. White’s  handtekening draagt, bewijst de communicatie die erop betrekking heeft, dat Zr. White haar goedkeuring eraan gegeven heeft. In feite, Br. Chrisler die haar particuliere secretaris was in zo een belangrijk werk, het zou voor hem onmogelijk zijn om iets anders dan leerstellig te presenteren tenzij zij haar goedkeuring eraan gaf. Vandaar dat of Zr. White haar naam eronder geplaatst heeft of niet, het citaat kwam van haar kantoor door haar aangestelde secretaris. {1SC8:7.11} 

Het tweede citaat, hetgeen gevonden zou moeten worden is uit de Review & Herald, zijn wij niet in staat geweest na te trekken. De vraag echter of deze citaten wel of niet van de pen van Zr. White komen, zou geen invloed hebben waar het de de correctheid van de lessen geleerd in de HStaf betreft, want de ideeën die voortgebracht zijn in de Staf, zijn bewezen zonder deze betreffende verwijzingen, die, echter de citaten juist bewijzen ongeacht hun auteurschap. {1SC8:7.12} 

Het derde citaat, gevonden in Dl. 2 van de HStf, blz. 151, 152 is genomen uit “Een woord aan de kleine kudde”  blz. 8, 9, uit een artikel getekend door ouderling James White. We zijn gerechtigd om dit aan Zr White toe te schrijven want haar naam is in de uitgave en natuurlijk gaf ze haar goedkeuring aan wat haar echtgenoot schreef. Bovendien bewijst, blz. 19 van dezelfde uitgaven dat wat ouderling White schreef, niets meer of minder was dan wat God door haar had geopenbaard, want ze zegt: “Ik zag dat het nummer (666) van het beeld van het beest [tweehoornig beest, Openb. 13: 11-18] was opgemaakt , en dat het, het beest [het luipaardachtig beest, Openb. 13: 1-10] was dat de Sabbat veranderd had, en het beeld van het beest [het twee hoornig beest] hem navolgde en de sabbat van de paus hield en niet Gods Sabbat.” {1SC8:7.13} 

Dit bewijst dat ze in visioen was getoond dat het nummer 666 van toepassing is op het beest en niet de paus. Vandaar dat het citaat in de HStaf precies hetzelfde leert wat Zr. White in visioen zag. Vandaar dat hoewel het artikel getekend is door ouderling James White, het even gezaghebbend is alsof Zr. White het had ondertekend. {1SC8:7.14} 

Vraag: “Hoe moeten we in verband staan met de kerk? Als gevraagd wordt niets relevants met betrekking tot tegenwoordige waarheid te zeggen, zullen we dan voor altijd stil zijn? En wat zullen we doen wanneer ons een deel in de religieuze plechtigheden geweigerd wordt?” {1SC8:8.1} 

Antwoord: Onze relatie met de kerk is hetzelfde als dat was van Johannes de Doper, Jezus Christus en de apostelen, dat wil zeggen, we hebben een boodschap te verkondigen aan de kerk en hoewel de kerk, net als het Sanhedrin ons uit de “tempel,” zal wegsturen, moeten we weigeren het te verlaten, want als we vertrekken, hoe zullen we de boodschap aan de mensen verkondigen? {1SC8:8.2} 

Het past niet bij een Christen om vrijwillig tijdens de kerkdienst opschudding te veroorzaken; nog minder is het mogelijk om door zulke methoden de boodschap te presenteren aan hen of hen te overtuigen dat wij “het woord des levens,”spreken. Vandaar dat door onszelf eerbiedig en behoedzaam te gedragen, zullen we hen geen enkele uitdaging geven behalve valse beschuldigingen. {1SC8:8.3} 

Het is volkomen juist en toegestaan om te praten in de Sabbat School klassen in antwoord op de vragen die opkomen met betrekking tot de lessen. Hiervoor kunnen ze niemand op rechtvaardige wijze beschuldigen van het verstoren, aangezien het op geen enkele wijze een schending is van de gevestigde doel en regels van de Sabbat School. {1SC8:8.4} 

De hoofdreden voor het weigeren ons van het lichaam af te scheiden en van regelmatig bezoeken van de Sabbat School en kerkdiensten, anders dan de enkelvoudige reden dat we zonder voorrecht zouden zijn van openbare aanbidding in Gods kerk is, dat nadat de bijeenkomst is afgelopen, wij in contact komen met de broeders en zusters en een gelegenheid vinden om over de boodschap te praten, hen erop aandringend om voor zichzelf te onderzoeken of door het bezoeken van onze studies, of door het lezen van de publicaties over tegenwoordige waarheid. Vandaar dat als we ons afscheiden, door weg te blijven van de kerk, geven we hen de gelegenheid ons te beschuldigen van een zijtak van het lichaam te zijn, en wij verliezen zelf de gelegenheid om in contact te komen met mensen. Bovendien als we ons scheiden van de organisatie, dan zullen we geen recht hebben in de vervulling van Ezechiël 9  wanneer zij die het merkteken niet hebben weggenomen worden om het bezit van het kerkgenootschap op te eisen. {1SC8:8.5} 

Met betrekking tot ons deel nemen aan het avondmaal, moeten we altijd voor zover mogelijk deel nemen. Als ze weigeren ons te bedienen, of ons hen laten dienen in het ritueel van nederigheid, is er niets meer dat we kunnen doen wachten totdat deze dienst over is. En als ze ons negeren, wanneer het brood en de wijn voorbij gaat, moeten we niets zeggen, maar geduldig het kleineren ondergaan, en door ons zo te gedragen zullen de oprechten in de bijeenkomst de on-Christelijke houding en de dwaasheid van de kerkfunctionarissen zien, en zullen “opgewekt worden en de situatie innemen.” {1SC8:8.6} 

Hoewel wij tegen onze wil verplicht uitgesloten worden van het deelnemen aan het ritueel, zullen we desalniettemin net als de ongedoopte dief aan het kruis, onze namen in het boek des Levens hebben” {1SC8:8.7} 

Vraag: “Wat moet onze houding zijn ten opzichte van de bladen van het Kerkgenootschap? Spreekt God nog steeds door de ‘Review & Herald’ tot hen die het licht nog niet hebben gezien? Zouden we de ‘Review’ moeten verwerpen?  En hoe staat het met de Sabbat School lessen? {1SC8:8.8} 

Antwoord: De bladen van het kerkgenootschap,met uitzondering van de Bijbel en de Geest der Profetie, kunnen in de huidige tijg van geen hogere geestelijke kwaliteit zijn dan het kerkgenootschap zelf. Het is onmogelijk dat de geschriften van degene die een bijdrage leveren aan deze bladen, om een groter licht uit te stralen dan datgene dat zelf in de schrijvers is. De Review & Herald, kan alleen het mondstuk van God zijn wanneer zij die erin schrijven in persoonlijk contact zijn met Hem, “wandelend in het licht, zoals Hij in het licht is.” {1SC8:8.9} 

De Sabbat School lessen op zich zelf zijn heel goed, maar het probleem licht in het feit dat degene die ze voorbereiden, evenals zij die ze onderwijzen, niet diep genoeg in de schacht van de mijn van waarheid zinken, en bijna elke berisping en verwijt tegen het kerkgenootschap is als regel toegepast op een ander volk, is het voordeel dat daarvan afgeleid zou kunnen worden, verloren. {1SC8:8.10} 

Wij zien echter geen reden om deze publicaties te veroordelen, want zij zijn op zichzelf  (genomen) niet verantwoordelijk. Het doel van de boodschap die God gestuurd heef in de HStaf is niet om de bladen te veroordelen, maar om een hervorming onder ons als volk tot stand te brengen. Vandaar dat als en wanneer de mensen die een bijdrage leveren aan de bladen hervormd zijn, zullen de bladen ook getransformeerd worden en gevuld met tegenwoordige waarheid, en krachtig zijn om anderen te hervormen.[9][63] {1SC8:8.11} 

Vraag: “Hoe beantwoord u de volgende beweringen, die ik uit het hoofd citeer, en welke ik geloof dat ze in de Getuigenissen zijn: ‘Zr. White zegt bij het lichaam te blijven ook al maken de leidinggevende mannen fouten,want deze fouten zullen op een bepaalde tijd recht gezet worden, of op zichzelf juist zijn’?” {1SC8:9.1} 

Antwoord: Wij zijn persoonlijk ons niet bewust van een bewering van zo een draagwijdte. Hoewel het echter waar is dat het volk van God een verenigd front moet presenteren, desalniettemin, wanneer God ons roept om voorwaarts te gaan in het proces van waarheid, moeten wij Zijn stem niet veronachtzamen, maar voorwaarts gaan, en zij die weigeren in het licht te wandelen, moeten we achter laten, want we moeten de geschiedenis van de joden niet herhalen. {1SC8:9.2} 

Vraag: “Mij werd verteld, dat Zr. White heeft gezegd, dat we alle licht hebben, dat we nodig hebben totdat Jezus komt. Is dat waar?” {1SC8:9.3} 

Antwoord: De betreffende bewering, is geheel in tegenstelling tot alles wat Zr. White over het onderwerp heeft geschreven, zoals snel gezien kan worden door de volgende zinnen door te lezen. {1SC8:9.4} 

“We moeten allemaal weten wat er onder ons wordt onderwezen, want als het waarheid is hebben we het nodig….. Ongeacht door wie licht wordt gestuurd, moeten we onze harten openen om het te ontvangen, met de zachtmoedigheid van Christus… Oh mochten we handelen als mensen die licht willen. {1SC8:9.5} 

“De Heer zend licht tot ons om te bewijzen van wat voor soort geest wij zijn. We moeten onszelf niet misleiden….We moeten geen moment denken dat er geen licht meer is, geen waarheid meer die aan ons gegeven wordt…. (G.W.301, 302, 310.) {1SC8:9.6} 

Vraag: “Het is door sommigen beweerd, dat Zr. White de bewering gedaan heeft dat de boodschap van de Luide Roep zou komen door de Review & Herald. Is er zo een bewering?” {1SC8:9.7} 

Antwoord: Met betrekking tot de bewering dat Zr. White gezegd heeft dat de “boodschap van de Luide Roep,” door de Review & Herald zou komen, kunnen we niet gezaghebbend vanuit een persoonlijke geleerdheid antwoorden, want onze kennis met haar niet gepubliceerde werken is nog meer begrensd dan uitgestrekt, maar van die niet gepubliceerde geschriften, (en ze zijn niet minder dan 100) waarvan we het voorrecht hebben gehad te lezen, zouden we geleid zijn om de mogelijkheid te verkennen dat ze ooit zo een bewering heeft geschreven of gemaakt. We citeren wat ze adviseert met betrekking tot het accepteren van zulke verslagen: {1SC8:9.8} 

“En nu aan allen die een verlangen naar waarheid hebben, zou ik zeggen: Hecht geen geloof  aan onbevoegde verslagen, met betrekking tot wat Zr White heeft gedaan of gezegd of geschreven. Als u verlangd te weten, wat de Heer door haar heeft geopenbaard, lees haar gepubliceerde werken. Zijn er enkele belangrijke punten met betrekking tot wat ze niet heeft geschreven, pak ze niet gretig op en verspreid geen geruchten met betrekking tot wat ze heeft gezegd.”—5 T  696. {1SC8:9.9} 

Bovendien, als de HStaf tegenwoordige waarheid is, en Zr. White een ware profeet, kon ze nooit zo een bewering gemaakt hebben, tenzij het een verwijzing had naar de boodschap in die tijd en niet nu. {1SC8:9.10} 

Vraag: “Is er zo een bewering in de Geest der Profetie als dat ‘we erger zijn dan de Joden’ ? ” {1SC8:9.11} 

Antwoord: De betreffende bewering is te vinden in 1 T. 129 laatste paragraaf. {1SC8:9.12} 

Vraag: “Wat bedoelt u met de bewering in traktaat nr. 4, blz. 83, dat ‘Hij… de “kandelaar”heeft verwijdert”?’” {1SC8:9.13} 

Antwoord:   

Volgens Openbaring 1: 20 stelt de “kandelaar” de kerk  waarover de “engel,” zoals voorgesteld door de ster, de leiding heeft. En in Openb. 2:5, waarschuwt de Heer als hij de engel (de leiding) aanspreekt, dat tenzij hij belijdt en zijn eerste werken doet, Hij spoedig tot hem zal komen en de kandelaar (kerk) van zijn plaats zal halen; dat wil zeggen, Hij zal het van onder zijn leiding verwijderen en het onder de hoede van een ander geven. {1SC8:9.14} 

Vandaar de bewering: “Hij heeft niet alleen de ‘kandelaar,’ verwijdert, maar roept ook om de tienden en offeranden in ‘Zijn opslagplaats’ van tegenwoordige waarheid, en ook om 144.000 dienstknechten,” hetgeen zichzelf uitlegt, dat God de kandelaar (kerk) van onder de hoede van de “engel”(Openb. 3: 14) – de huidige bediening heeft gehaald. De Geest der Profetie zegt, dat dit zal gebeuren”…Wanneer het werk voortgaat onder de leiding van de engel die zich toevoegt aan de derde engel in de boodschap die aan de aarde gegeven moet worden. God zal manieren en middelen gebruiken, waardoor het gezien zal worden dat Hij de leiding in Zijn eigen handen neemt. De arbeiders zullen verbaasd zijn over de eenvoudige middelen die Hij zal gebruiken om Zijn werk van gerechtigheid tot stand te brengen en te vervolmaken.” T.M. 300. Ook in Vol 5 p. 80 lezen we dat God die “zelfgenoegzaam, onafhankelijk van God” zijn aan een kant zal zetten, die “Hij niet kan gebruiken” en die “waardevolle die nu verscholen zijn, onthullen, die hun knieën niet voor de Baal gebogen hebben.” {1SC8:9.15} 

Vraag: “Verwijzen de volgende citaten naar dezelfde tijd en gebeurtenis? {1SC8:10.1} 

(a) Wanneer de Heer zal opstaan en de aarde vreselijk schudden. L.S. 421; 2 T 141. {1SC8:10.2} 

(b) Zijn terugkeer van Zijn bediening in het Heilige der Heilige. 2 T 190-1; 2 T 690-1; Matt 24. {1SC8:10.3}

(c) Hij die onrecht doet, etc. 2 T 691. {1SC8:10.4}

(d) Het oordeel der levenden. G.C 490-1; 9 T 266-9.” {1SC8:10.5} 

Antwoord: De verwijzingen die geciteerd zijn verwijzen naar dezelfde gebeurtenis, die de periode van de Luide Roep van de Engel van Openb. 18 bestrijkt zoals uitgelegd in L.S. 412. Deze periode beging met de woorden van Openbaring 18:1-3, en sluit met 22-11. 2 T 190, 191 en 690, 691 zijn van toepassing op de afsluiting van de bovenvermelde periode. {1SC8:10.6} 

De laatste verzen van Matt. 24 zijn van toepassing op de kerk in de huidige tijd en ontmoeten hun vervulling in de gebeurtenis van Ezechiël 9. {1SC8:10.7} 

De tijd wanneer “het mandaat voortgaat ‘hij die onrecht doet,’ etc (Vol. 2, 691), “zal het werk voor zondaren gedaan zijn.”Gedurende deze tijdsperiode zal iedereen zijn lot bepaald hebben,– of zichzelf toegestaan hebben om rechtvaardig en heilig gemaakt te worden, of anders gekozen te hebben om onrechtvaardig en nog vuil te zijn. {1SC8:10.8} 

 

—————————- 

 

Vraag: “In G.C. waar de verschillende klassen van de verlosten zijn opgesomd, zijn de 144.000 zij die als brandhout uit het vuur zijn geplukt?” {1SC8:10.9} 

Antwoord: De klasse “die als brandhout uit het vuur zijn geplukt” (G.C. 665), en de 144.000, die als brandhout uit het vuur zijn geplukt (Zach. 3) en die ‘de uitverkorenen van God genoemd worden, en die naast de troon van God zullen staan” (8 T 74), zoals diegene in de Grote Strijd, bewijst dat er twee van zulke klassen zijn die dezelfde positie bekleden, dat wil zeggen, zoeken om het “morele beeld van God te herstellen in anderen.” De eerstgenoemde zijn degenen die dood zijn gegaan, nadat ze als brandhout uit het vuur zijn geplukt, en de laatstgenoemden, de 144.000 die nooit zullen sterven. Na de opstanding van de eerstgenoemde  en de overzetting van de laatstgenoemden, zullen beide van dezen die als brandhout uit het vuur zijn geplukt verenigd naast de troon zijn. {1SC8:10.10} 

———————————–

 

Vraag: “Waar staat de bewering in de Geest der Profetie dat zegt dat als we bidden om Gods wil te kennen, wanneer Hij ons duidelijk heeft gezegd wat te doen in Zijn Woord, hopend dat Hij onze gebeden zal beantwoorden, meer om onze gevoelens te strelen, dan zal het aan Satan gelaten worden, om ze voor ons te beantwoorden?” {1SC8:10.11} 

Antwoord: De verwijzing betreffende Satan die onze gebeden verhoort, wanneer de smekeling weet, maar het niet wil erkennen, dat dit antwoord reeds in het Woord gegeven is, wordt gevonden in 3 T 74-76; 4 T 112, par. 3. {1SC8:10.12} 

Vraag: “De HStaf Vol.1 p. 44 zegt dat alleen de grote schare palmen in hun handen heeft, terwijl de G.C. 646 die praat over alle “overwinnaars,” zegt: ‘In iedere hand waren de overwinningspalmen geplaatst en de schitterende harpen.’ Hoe worden deze beweringen in overeenstemming gebracht? {1SC8:10.13} 

Antwoord: Volgens de HStaf, Vol. 1, p. 44, Klasse nummer twee; namelijk de grote schare van Openb. 7: 9, hebben hun palmen in hun handen terwijl ze op aarde zijn voordat ze naar de hemel der hemelen zijn getransporteerd. Vandaar hun palmen volgens het visioen van Johannes symbolisch zijn van de behaalde overwinning. Maar de bewering van de Grote Strijd, p. 646: “In iedere hand zijn geplaatst de overwinningspalm en de schitterende harp,” zal het opgemerkt worden dat dit geschenk aan de heiligen niet werkelijk gegeven wordt totdat ze in de hemel zijn—nadat ze van de aarde getransporteerd zijn. Deze palmen zijn echt, maar de anderen figuurlijk. Om te bewijzen dat de grote schare hun palmen slechts symbolisch hebben  en voordat Jezus Zijn werk afsluit in het Hemels Heiligdom. (Zie HStaf, Vol. 2, pp. 189-191.) Daarom hebben ze hun palmen terwijl het onderzoekend oordeel in gang is—voordat de genadetijd sluit. Bovendien, met betrekking tot de klasse en de gebeurtenis van de G.C. 646, merk op dat in iedere hand waarin de overwinningspalm is geplaatst, er ook een schitterende harp is geplaatst. Terwijl de grote schare alleen palmen heeft maar geen harpen. Daarom zijn deze twee gescheiden incidenten verschillend van elkaar.[p. 11] {1SC8:10.14} 

RECEPTEN 

Cocosmelk 

Plaats om gedurende de nacht te weken, of een kopje schone zemelen of havermout in een 0.12 liter warm water. Verhit het in de morgen, maar laat het niet koken. Om al de vloeistof er uit te persen, laat het door een pers (zeef) gaan of een kleine zak, zoals een 5lb blom zak, pers het water eruit en gooi de rest weg. Zorg dat een halve grote of 1 kleine kokosnoot geraspt of fijngemalen, klaar staat; schenk hierover de hele vloeistof, bedek en zet 10 tot 15 minuten aan de kant, pers dit uit of doe het door de zak zoals voorheen. Zoet maken door middel van honing tot de gewenste smaak. Als men crème wenst in plaats van melk gebruik een 0.6 ltr in plaats van 0.12 ltr. Water. {1SC8:11.1} 

Amandel of Rauwe Pinda Melk 

U kunt hiervoor ook het granen water gebruiken als voorheen of gewoon heet water. Hoewel het graan de voorkeur heeft, aangezien u de vitaminen en mineralen van het graan krijgt evenals de voedzame oliën van noten. Ga verder met granen als voorheen, roer tot een pasta 2 tot 3 volle eetlepels amandel meel, naar de gewenste dikte, met een beetje hete vloeistof, giet hier overheen uw granen water of heet water (of indien gewenst hete vruchten sap) Zoet maken met honing. Dit maakt 0.6 liter. {1SC8:11.2} 

Amandel Meel 

Zet amandelen door een keuken machine, gebruik makend van pindakaas maker, of het fijnste mes, totdat zo fijn is als meel. {1SC8:11.3} 

Amandel meel kan over fruitsalades gestrooid worden, en in soepen gebruikt worden in de plaats van boter of olie, als bakvet bij bakken. {1SC8:11.4} 

 

Bijna Botermelk 

 

Week een eetlepel lijnzaad in een kop dat driekwart gevuld is met water, en klop het iedere tien minuten een uur lang met een garde of mixer. Voor het de laatste keer kloppen, vul de kop bijna vol met water en laat dan het zaad rusten. In de tussen tijd, meng en wrijf tot een cream een eetlepel sinas of rabarber sap. Zet deze cream in een kop en voeg de helft van de lijnzaad vloeistof en klop het weer stevig. Schenk het nu door een grote thee zeef, terwijl het geroerd wordt om het van klonteren te behoeden. U kunt honing toevoegen om het zoet te maken. {1SC8:11.5} 

Deze melksoorten zijn volwaardig, lekker, appetijtelijk en voedzaam en voorkomen al de infectieziekten, zoals tuberculose, maltakoorts enz., die door dierlijke melk op mensen worden overgebracht. {1SC8:11.6} 

“Laat de dieethervorming progressief zijn. Laat de mensen geleerd worden hoe voedsel te bereiden zonder het gebruik van melk of boter. Vertel ze dat de tijd snel zal aanbreken wanneer er geen veiligheid zal zijn in het gebruiken van eieren, melk of boter, omdat ziekten in dieren aan het toenemen is, in verhouding tot de toename van slechtheid onder de mensen. De tijd is nabij dat vanwege de ongerechtigheid van het gevallen ras, de gehele dierlijke schepping zal kreunen onder de ziekten die onze aarde vervloeken.” C.H. 478. {1SC8:11.7} 

 

BELANGRIJK 

Alle checks en geld opdrachten moeten aan Mw. F. Charboneau overgemaakt worden. Specificeer met elke gave of offerande welke storting u wenst dat wij voor u maken, waarvan van hetzelfde een reçu zal worden toegestuurd, tonend dat de overdracht heeft plaatsgevonden en op de juiste wijzen ingevoerd. {1SC8:11.8} 

Onze verenigde gebeden op Vrijdagavond ten behoeve van onze broeders die in duisternis zijn betreffende tegenwoordige waarheid, moet trouw nageleefd worden door alle betrokkenen.  

————————————Scheur hier af————————————————-{1SC8:11.9} 

 

Plaatst u alstublieft mijn naam op uw regelmatige post lijst voor uw maandelijks blad: “The Symbolische Code.”  

Naam——————————————————Straat POBox nr. ——————– 

Stad——————————————————–Staat———————————-{1SC8:11.10} 

De Universele Uitgevers Associatie, Symbolische Code Afd. 

Station K. Box 68, Los Angeles, California[p.11] 

 

 

 

 

 

 



De Symbolische Code

Nieuws Artikel

Deel Een      

                                                                                                   Nr. 7                                                                     

                                                                                        15 januari 1935

                                                                               Los Angeles, California.

 

In Het Belang Van De Z.D.A. Kerkgenootschap

EEN HEMELSE SMEEKBEDE

De tijd is aangebroken dat de volgende smeekbede niet langer ongestraft kan worden verwaarloosd: {1SC7:1.1}

“Vele velden die rijp zijn voor de oogst, zijn nog niet betreden, vanwege onze tekort aan zelf opofferende helpers. Deze velden moeten betreden worden, en vele arbeiders moeten er naar toe gaan met de verwachting van het dragen van hun eigen onkosten. Maar sommige van onze predikanten zijn weinig geneigd, om de last van dit werk op zich te nemen, weinig geneigd te werken met de welwillendheid van het ganse hart, dat het leven van onze Heer karakteriseerde. {1SC7:1.2}

“God is bedroefd, als Hij het tekort van zelfverloochening en vastberadenheid ziet in Zijn diensknechten. Engelen zijn verbaasd door dit spektakel. Laten de werkers voor Christus Zijn leven van zelfopoffering bestuderen. Hij is ons voorbeeld.”—“Testimonies for the Church,”  Vol 7, p. 254. {1SC7:1.3}

Waar in de organisatie van het kerkgenootschap zijn de “vele,” zelfondersteunende werkers?  En waarom zijn er haast geen in plaats van “vele”? {1SC7:1.4}

Wat kan het mogelijk maken voor de groep die geen middelen heeft, om voort te gaan en “hun hele energie te gooien in dit geheel van belang zijnde werk,” en tegelijkertijd “hun eigen onkosten,”dragen? Waarom het huidig tekort aan zelf opofferende werkers, en wie is verantwoordelijk voor deze gesteldheid? {1SC7:1.5}

De opdracht van de Meester aan Zijn werkers is: “Verkrijg u noch goud, noch zilver, noch kopergeld in uw gordels; noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf, want de arbeiders is zijn voedsel waardig. En in wat stad of vlek gij zult inkomen,onderzoekt wie daarin waardig is, en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat.” (Matt. 10: 9-11) {1SC7:1.6}

Het plan van Christus verbiedt dat wie dan ook de evangelie bediening door middel van salaris zal ingaan, maar eerder door geloof dat in zijn noden voorzien zal worden, door diegenen die hun deuren openen voor de arbeiders van de Heer. Vandaar dat aangezien er bijna geen zelfondersteunende werkers in het veld zijn, het duidelijk is dat er maar weinig zendelingen zijn die Christus als de Zijne erkent. Dientengevolge, overtreden zowel zij die evangelie werkers huren door middel van een bedongen salaris, en degene die zo een positie aanvaarden, het gebod van de Meester. {1SC7:1.7}

De huidige regel van de conferenties is niet alleen in tegenstelling tot de instructies van de Meester, maar ook verantwoordelijk voor het niet hebben van “vele zelfondersteunende werker,” want van allen die ingaan om door het geloof te werken, die hun eigen onkosten dragen (geen loon ontvangen van de conferentie, maar eenvoudigweg de gastvrijheid van diegenen die overtuigd zijn om instructies van de boodschappers van God te ontvangen), eist de conferentie, al de tienden en offeranden van de deel dat zij ontwikkeling. {1SC7:1.8}

Aldus is iedereen die zich waagt aan deze heilige dienst, gedwongen het op zijn eigen manier te doen, zolang hij doorgaat in het werk, hetgeen niet alleen het werk van de Heer onmogelijk maakt, maar ook onvruchtbaar want om continu je eigen uitgaven bij te houden en daarnaast een familie te voeden, zal het meeste van iemands tijd innemen. {1SC7:1.9}

Het is noch Bijbels noch rechtvaardig, dat iemand ernstig werkt op een groep van gelovigen op te wekken en dan de conferentie de tienden van zijn werk laat nemen, om een gehuurde predikant te voeden die geen deel had in de moeite, in plaats van de persoon die offers gebracht heeft en het werk gedaan heeft. Zo een handeling, mag net zo goed, diefstal genoemd worden. {1SC7:1.10}

Deze door mensen gemaakte regel, was van het veld verbannen, “de vele zelfopofferende werkers,” zodoende zij die in duisternis zijn berovend van het licht van tegenwoordige waarheid, met het resultaat dat er duizenden Z.D.A.’s zijn zonder werk nu in deze tijd, die in plaats van in te gaan in het evangeliewerk van Christus zoals gevraagd, op en neer de straten afgaan en verwachten een of ander liefdadigheidshulp te ontvangen, terwijl ze zichzelf allemaal heel vaak in ondeugden werken. {1SC7:1.11}

Maar deze zielige toestand zou nu niet bestaan, als het kerkgenootschap de instructies had gevolgd van de “Grote Leraar.” Bovendien zouden er heden ten dage “vele,” duizenden met de Geest vervulde evangelie werkers in het veld zijn geweest, in plaats van slechts en handje vol, en waar er nu slechts een bekeerling gemaakt wordt met zeer grote kosten door de conferentie, zouden er duizenden  gebracht worden met totaal geen kosten.{1SC7:1.12}

Een ieder die het werk van Christus betreed, onder de omstandigheden door Hem voorgeschreven, zou  al de tienden die gerealiseerd worden van zijn arbeid toegestaan moeten worden, totdat hij voldoende heeft om zijn onkosten te betalen, dan zou wat overblijft door de conferentie gehouden moeten worden. Zo zou de boodschap door sprongen gaan—meer arbeiders, meer bekeerlingen, meer middelen. {1SC7:2.1}

Vandaar dat het huidige systeem van het kerkgenootschap voor de ontwikkeling van het evangelie dwaasheid is vanuit het standpunt van de Bijbel evenals vanuit het standpunt van de zakenwereld. Als gevolg daarvan, kan men niet helpen te zien dat Satan zijn wijsheid heeft uitgeoefend om diegenen in het werk van God te plaatsen, die werken voor de broden en de vissen, en diegene die zichzelf opofferen, buiten te houden, aldus zich afscheidend om de wereld in duisternis te laten. Daarom, laat Gods ware volk niet langer slapen, maar ontwaken, en antwoorden aan de volgende oproep, door nu het werk in te gaan. {1SC7:2.2}

“God zal mensen hebben, die wat dan ook en alles zullen aandurven, om zielen te redden.  Zij die niet zullen bewegen, tenzij ze iedere stap van de weg helder voor zich zien, zullen in deze tijd niet in het voordeel zijn om de waarheid van God  door te geven. Er moeten nu werkers zijn die in het donker voort willen duwen evenals in het licht, en die dapper onder ontmoedigingen en teleurstellende hoop zullen ophouden, en toch voort zullen werken met geloof, met tranen en geduldige hoop, zaaiend langs alle wateren, en vertrouwend op de Heer om de toename te brengen. God roept mannen met geestkracht op, van hoop, geloof en volharding  om nauwkeurig te werken.” “Life Sketches,” 213-214. {1SC7:2.3}

GESLOTEN DEUREN!

Ze vechten zeker tegen de HStaf hier, dus stuur ik van nu af aan mijn tiende naar de “schatkamer,”” zodat er vlees is in” Zijn “huis.” {1SC7:2.4}

De meeste van de broeders hier zijn bang voor de “Getuigenissen” van Zr. White, en de leiders hebben het ertoe gebracht te geloven, dat als ze de boodschap voor zichzelf bestuderen, ze misleid zullen worden en verloren zullen gaan! {1SC7:2.5}

Ze hebben de kerk gesloten, tegen de voorstaanders van de HSTaf en aan iedereen gevraagd hun huizen te sluiten voor hen. Maar de waarheid zal zegevieren. {1SC7:2.6}

                                                                            (Getekend) O.O. Callentine

                                                                                              Bozeman, Mont.

We hebben allen zeker genoten van de laatste Code en wachten gretig op de volgende uitgave. We hebben een tijd hier en kunnen zien dat de strijd gewoon aanvangt. De opzichter van de Missie wordt binnenkort hier verwacht, en ze zijn van plan de deur te bewaken zodat ze kwartaal diensten zonder ons aanwezig kunnen hebben. {1SC7:2.7}

Moge God ons kracht geven en genade om door te gaan tot het einde. Oh, zal het niet heerlijk zijn wanneer het allemaal voorbij is en wij met Jezus zijn. {1SC7:2.8}

                                                                            (Getekend) Mw. Faith Pruett

                                                                                              Sheridan, Wyo.

Het is haast onmogelijk te geloven dat onze broeders en zusters zulke vreselijke dingen zouden doen. Maar de vijand is wanhopig, en zal voor niets wijken. Alhoewel zulke onchristelijke tactieken slechts dienen om de boodschap vooruit te helpen, zoals de volgende brief bewijst. {1SC7:2.9}

 

“KAN NIETS TEGEN DE WAARHEID DOEN, MAAR VOOR DE WAARHEID”

 

Nadat  we de tirade tegen de HStaf gehoord hadden tijdens de Carolina Kamp bijeenkomst, afgelopen juni, keerden we terug naar huis vastbesloten ertegen te vechten, en een korte tijd later waren we blij dat we de gelegenheid hadden ertegen te stemmen en 13 leden afgeschreven te hebben van de Charleston kerk. Maar nu kunnen we hun standpunt meer waarderen, aangezien wij zelf met een ander op 19 dec.  werden verbannen. {1SC7:2.10}

Een korte tijd geleden ontvingen we van een van de HStaf gelovigen een brief bevattende vele citaten van de Geest der Profetie, waarvan we nooit droomden dat ze hier waren. Ze maakten dat we gingen studeren en we zagen al snel hoe onrechtvaardig  het kerkgenootschap gehandeld heeft met de leerstellingen van de HStaf. {1SC7:2.11}

We danken God dat Hij op genadige wijze ons de gewilligheid en de moed heeft gegeven , voor onszelf te lezen en te onderzoeken nadat we onze harten tegen Zijn boodschap hadden gezet. Lofprijzing voor Hem voor Zijn goedheid en voor tegenwoordige waarheid. We verwachten dat we onszelf en onze alles in dit werk zetten. {1SC7:2.12}

                                                         (Getekend) Mhr. & Mw. C. E. Wessel

                                                                  Charlestong, S. Carolina

————————————————————————

 

VERBLIJDEN IN DE BOODSCHAP

Toen ik in Medford was had ik studies gekregen van Br.—– en aanvaarde de boodschap in die tijd. De kerk hier was vlak nadat ik kwam gewaarschuwd geworden om niets te maken te hebben met de HStaf of met iemand die eraan verbonden was, en niet te studeren met wie dan ook die in hun huizen kwam om Bijbel- of Getuigenissen studies te geven, tenzij ze geloofsbrieven van de Conferentie konden tonen. De predikant waarschuwde ook de ouderling van de kerk, niemand van het kansel te laten spreken, tenzij hij wist wie ze waren en wat ze te zeggen hadden! {1SC7:2.13}

Ik ben de Symbolische Code aan het ontvangen en lees het met grote vreugde. Ik heb ook de traktaten gelezen en verheug me in de waarheden geopenbaard in hen. {1SC7:3.1}

                                                                  (Getekend) Mw. W. E. Phillips

                                                                                     Bend, Ore.

 

Ik wil u vertellen dat ik blij ben in deze geweldige boodschap; niet alleen om het verheven voorrecht te hebben, om een van de 144.000 te zijn, maar ook om het even hoge voorrecht te hebben van het feitelijk helpen dit meest glorierijke gezelschap te verzamelen! {1SC7:3.2}

We hebben hele geweldige HStaf bijeenkomsten hier. Afgelopen sabbat kwamen we bijeen bij het huis van Br._____ in Muncie, en er waren in totaal 19 aanwezig. {1SC7:3.3}

Moge God u en allen die verbonden zijn in dit werk zegenen. Laat ons moet hebben, de overwinning is zeker, en dat heel gauw. Ik heb nooit de Heer zo dichtbij gevoeld, noch heb ik ooit de moed zo volledig gevoeld als nu. Prijs Zijn naam! {1SC7:3.4}

                                                                  (Getekend) Wm Edwards

                                                                            Hartford City, Ind.

 

DOELTREFFENDE HERVORMING

 Ik schrijf u een paar zinnen om u te laten weten dat tezamen met mijn echtgenoot ik me verheug in deze schitterende boodschap, die een besliste verandering ten goede in onze levens heeft gemaakt. Het is prachtig wat de Heer wil doen, wanneer we onze harten en huizen openen voor Hem… Ik hou van het lezen van de HStaf boeken en traktaten en kan altijd nieuwe schatten in ze vinden…We willen en hebben de intentie om oprecht te zijn en eerlijk en het Woord te prediken totdat Jezus komt. {1SC7:3.5}

                                                                  (Getekend) Wm Edwards

                                                                            Hartford City, Ind.

 

Ik ben me zo erg aan het verheugen voor wat de Heer voor mij heeft gedaan, vanaf ik de HStaf boodschap heb aanvaard, dat ik u er een beetje over wil vertellen. {1SC7:3.6}

Toen de hervormingsboodschap tot mij kwam, vond het me enerzijds zwaar in de schuld. Meteen begon ik de Heer te vragen om voor deze schuld te zorgen, op zo een manier dat mijn schuldeiser tevreden zou zijn en we op vriendschappelijke basis zouden blijven. Dit deed Hij meteen, en nu ben ik  in een veel betere positie om de vermaning te vervullen. “Wat gij ook doet, doet het ter verheerlijking van God.” {1SC7:3.7}

Hoe dankbaar ben ik dat God de trouwe gebeden van Zijn volk hoort en hun zware lasten inlost! Door Zijn genade ben ik voornemens alles te doen tot Zijn glorie en te helpen het werk te beëindigen. {1SC7:3.8}

                                                                  (Getekend) H.H. Philebaum

                                                                            Hartford City, Ind.

 

 

We zijn ons zeker aan het verblijden in deze tegenwoordige waarheid. Het heeft ons tot standvastige gelovigen  in  Zr. White’s Getuigenissen gemaakt, die wij voorheen, nooit volledig geloofden. Daarnaast, werden we snel weer als de wereld, maar nu is mijn echtgenoot weg bij de vrijmetselaren en vraag ik deze maand mijn aftreden aan. We willen niets tussen ons en onze Verlosser. {1SC7:3.9}

Afgelopen sabbat kwam een van de conferentie ouderlingen naar de Cocoa Kerk en predikte twee uren lang tegen de HStaf. Een van de zusters zei aan Mr. Harper, dat ze niemand  haar zou laten vertellen wat te lezen en wat niet te lezen, maar dat ze voor zichzelf zou lezen. Mr. Harper had het eerste deel van de HStaf in zijn zak en gaf het aan haar. Nu leest ze het! {1SC7:3.10}

Ik wil u vertellen hoe geweldig ik geniet van de Symbolische Code. Ik lees het keer op keer weer. Ik bewaar al de Bijbel studies in een grote map met losse bladzijden. {1SC7:3.11}

We zijn haast 16 jaren Adventisten geweest en zijn sterker in de oude waarheid dan ooit tevoren. Spoedig nadat we in de kerk in Charleston, S. Carolina kwamen, ondervonden we dat de kerk niet veel anders was dan de wereld. Vanaf die tijd waren we slechts geestelijke Adventisten. Maar nu, dank zij de HStaf, hebben we onze eerste liefde herwonnen. Prijs God! Ik zou kunnen schreeuwen van vreugde! {1SC7:3.12}

                                                         (Getekend) Mw. W.L. Harper

                                                                  Richmond, Va.

 

Ik ben zeker gelukkig en dankbaar aan de Heer voor het schitterende licht en de boodschap van hervorming in de HStaf. Opgegroeid in de waarheid, toch zoals de meeste Adventisten, wist ik heel weinig van waar Zr. White’s geschriften uit bestonden en niets van hun werkelijke waarde, met het resultaat dat ik weggedreven was van de kerk toen de HStaf mij vond. Maar dankzij de HStaf, heb ik bijna al de geschriften van de Geest der Profetie en studeer ik ieder mogelijk moment. Met dit toegevoegd licht is ieder Woord van de Bijbel en de Getuigenissen waardevol voor mij geworden. {1SC7:3.13}

Ik prijs God vaar Zijn liefde en genade voor het sturen naar ons, die zo ontrouw zijn geweest van deze hervormingsboodschap, die een verandering van “ideeën, en theorieën, gewoonten en praktijken, ”tot stand brengt. {1SC7:4.1}

                        (Getekend) Mw. Floyd Davis

                             Greeley, Colo.

 

Ik prijs de Heer voor het naar mij sturen van deze schitterende boodschap van tegenwoordige waarheid. Hierna, zal ik mijn tiende en offerande naar de schatkamer sturen, zodat deze boodschap, die “vlees voor deze tijd is,” aan anderen gegeven moge worden, die hongeren naar waarheid. {1SC7:4.2}

De Heer is zeer genadig geweest in mij mijn ware toestand te tonen, zodat ik tot inkeer mag komen en mijn verlossing zeker mag stellen. Ik werkte in en ziekenhuis, waar ik er 5 tot 6 uren op de Sabbat moest zijn, maar nu heb ik mijn werk opgezegd en heb mijn rekening met de wereld afgesloten. En nu heeft God mij een korte tijd gegeven voor studie en het voorbereiden van mezelf, om me gereed te maken om het werk af te sluiten en Hem te ontmoeten wanneer Hij tot Zijn trouwe dienstknechten komt. {1SC7:4.3}

                                                         (Getekend) Mw. M.L.Hodgen

                                                                            Greeley, Colo.

 

Ik dank God voor de boodschap van het uur, dat Laodiceanen uit de misleiding , verval en moedeloosheid trekt, naar het licht van de “waarheid zoals het is in Jezus.” {1SC7:4.4}

Niet lang geleden, vanwege een verlengde afvalligheid, was ik mij in de wereldse verlokkingen van Satan aan het verlustigen. Roken van sigaretten, drinken, gokken, dansen, naar het theater gaan, verlustigen in eetlust, en breken van de Sabbat, waren onder andere de kwaadheden die mijn zijn beheersten. Maar glorie voor Hem voor het behouden van mijn ziel om deze boodschap te zien en bevatten, die zich toegevoegd heeft aan dat van de Derde Engel, voor het afsluiten van het evangelie, en welke het voor mij mogelijk heeft gemaakt, om zulk kwaad naast mij te leggen. Prijs Zijn Heilige naam voor Zijn grote liefde en genadige handelingen en voor een boodschap met zulk een effectieve hervorming en verkwikkende kracht. {1SC7:4.5}

                                                         (Getekend) J.L. Looney,

                                                                            Greeley, Colo.

 

DANKBAAR VOOR LICHT

Ik heb al lang naar een postkantoor willen gaan om deze brief te zenden. Soms raak ik ontmoedigd zoals de dingen gaan, dan denk ik hoe God het werk in handen heeft, en hoe Hij zij die vijanden waren van de tegenwoordige waarheid heeft verwijderd van deze plaats, een paar dagen voordat ik hiernaar toe verhuisde. {1SC7:4.6}

Ik dank God vaak voor het schitterende licht dat ik ontvangen heb door de HStaf op de Bijbel en Getuigenissen. Mijn Bijbel is een nieuw boek voor mij geworden. Zo vele dingen die ik geleerd was, waren alleen van toepassing op de Nieuwe Aarde, maar  waren nooit duidelijk en nu zijn ze helder en in harmonie. Ik prijs God voor Zijn waarheid en voor het voorrecht om een beetje te lijden voor de Meester. {1SC7:4.7}

                                                         (Getekend) Mw. A. Oswald

                                                                            Tom Ball, Texas

 

GEREED MAKEN OM TE “GAAN”

Ik ben zeker blij om de Symbolische Code te ontvangen, want het geeft ons moed om te weten dat er overal trouwe lieden zijn die voor de boodschap staan. Ik ben aan het studeren en bidden, proberen om gereed te zijn om te werken voor de Heer in deze laatste grote strijd. Ik vraag om uw gebeden. {1SC7:4.8}

                     (Getekend) Ben Garrett

                                                                  East Jamestown, Tenn.

———————————————–

BELANGRIJKE INSTRUCTIES

Leiders van alle gezelschappen worden verzocht om elke maand aan de achterkant van elk verslag formulier de volledige naam en het adres van ieder lid van het gezelschap te schrijven. Deze procedure is noodzakelijk zodat wij efficiënt en succesvol in dit kantoor te voort kunnen gaan. Een ieder die de Code wenst moet ook zijn naam en adres insturen, want alleen zij wiens naam op de post lijst staan zullen de Code ontvangen. {1SC7:4.9}

Omwille van het stopzetten van geld wisselen voor tiende en offers, betalen van boeken, etc. op de Sabbat, een Laodiceaanse praktijk, welke het Woord van God veroordeelt, laten we nauwkeurig al deze zaken op de voorbereidingsdag afhandelen, door alle geld in enveloppen te plaatsen. Om dit doel te bereiken adviseren we ieder gezelschap om zichzelf te voorzien van kleine goedkope enveloppen. Gebruik geen kerkmateriaal, waar u niet meer ervoor betaald, want het is niet correct. {1SC7:4.10}

——————————-

In een vroege uitgaven in december van “Central Union Reaper,” is een twee kolommen lang artikel verschenen getiteld: “Stormrammen en Vrijheid,” door C. A. Purdom, opzichter van de Wyoming Missie. {1SC7:5.1}

In voornemen is het artikel een waarschuwing tegen de HStaf, maar ongelukkigerwijs in uitvoer ontaart het in een hardvochtig bezielde tirade, zonder acht te slaan om eenvoudige feiten en eerlijkheid. {1SC7:5.2}

Het bedroefd ons om zo een ruwheid te zien in bedienaren van God, en verrast ons dat ze zullen buigen naar gedeeltelijk citeren etc. om een zaak te maken tegen ons en hun eigen doelen dienen. We zouden denken dat Z.D.A. bedienaren, omdat ze dit soort dingen zo lang  in de voorstanders van eerste dagen gezien hebben, het als de pest zouden schuwen. {1SC7:5.3}

Maar helaas, “de engel van Laodicea,” is zo lang in Egypte geweest, dat hij het zicht heeft verloren van de Meester, en zijn handelingen zijn gelijk gesteld aan die van het land waarin hij vertoeft. {1SC7:5.4}

Dit is een trieste waarschuwing, voor ons om al de wegen en werken van Egypte te ontvlieden, zodat ook wij niet worden als datgene waar we naar kijken. {1SC7:5.5}

De last van de slechte karakter en onoprechtheid van het artikel, is om de Symbolische Code van oktober te laten staan als post voor zweepslagen. Maar onze broeders schijnen vergeten te zijn, dat ze “niet kunnen doen tegen de waarheid, maar alleen voor de waarheid.” {1SC7:5.6}

Door op dezelfde gewetenloze wijze van de Symbolische Code te citeren, dat ze al de tijd van de Herderstaf hebben gedaan, door de belangrijke kwalificerende uitspraken weg te laten, meteen voorafgaand en volgend op de geciteerde delen, is de schrijver slechts erin geslaagd in het voorgenoemde artikel in het dienen van  het belang van de Code. Ieder dien tegen de boodschap is zendingsliteratuur ervoor. {1SC7:5.7}

“De pogingen gedaan, om de vooruitgang van de waarheid te vertragen, zullen dienen tot de uitbreiding ervan. De uitnemendheid van waarheid is nog duidelijker te zien vanuit ieder opeenvolgend punt van waar uit het bekeken mag worden. Dwaling vereist vermomming en verhulling. Het bekleed zichzelf in engelen klederen, en iedere manifestatie van zijn ware karakter, vermindert zijn kans op succes…{1SC7:5.8}

De wraak van de mens zal U lofprijzen’, zegt de psalmist,’ het overblijfsel van de wraak zult Gij bedwingen.’ God bedoelt dat waarheid dat op de proef is gesteld op de voorgrond zal worden gebracht, en een onderwerp van onderzoek en discussie zal worden, zelf als dat is door de minachting  die erop geplaatst is. Het verstand van het volk moet worden geprikkeld. Iedere tegenstrijdigheid, iedere smaad, iedere laster, zal Gods manier zijn om onderzoek te veroorzaken, en intellecten te doen ontwaken, die anders zouden sluimeren.”5 T 454, 453. {1SC7:5.9}

Hoe ijveriger hun pogingen gaandeweg, hoe sneller zal het werk beëindigd zijn en de Heer komen. Laten we daarom bidden dat hun ijver niet verslapt, en tegelijkertijd dat het de oprechten onder hen, zoals Paulus, naar een plaats zal brengen waar God ze nederig kan maken en ze redden van het verschrikkelijke uitspugen (Ezech. 9), dat staat te wachten op de “engel,” van de Laodiceanen. {1SC7:5.10}

EEN ERNSTIGE AANGELEGENHEID VOOR ALLEN

Een zekere gelovige in tegenwoordige waarheid schrijft het volgende hoofdstuk: {1SC7:5.11}

“Recentelijk, bezocht ik met vrienden en familie in______, en trachtte hen te interesseren in het bestuderen van de HStaf, maar ik vond het vooroordeel zeer sterk. Elkeen van hun scheen in de HStaf  aanhangers, alleen een neiging tot bekritiseren en fouten aanwijzen van predikanten en werkers te hebben gezien. Zoals ik de boodschap nu zie, is het niet onze zaak van welke vorm dan ook van persoonlijk bekritiseren. Hoewel we niet kunnen nalaten te zuchten en weeklagen, “voor de gruwelen in hun midden,” als we “het zegel van de levende God,” willen ontvangen, moet onze geest een zijn van liefde en verdraagzaamheid.” {1SC7:5.12}

Hoewel het onmogelijk is om tegelijk uit al de oude Z.D.A familie zwakheden, zwakke punten en dwaasheden te groeien—de algemene Loadiceaanse erfenis—en  de volkomen volmaaktheid van onze grote Voorbeeld te bereiken, zouden de bovengenoemde opmerken, ernstig overwogen moeten worden, door iedereen die in het licht staat. Echter, de onmogelijkheid van het  ineens verkrijgen van deze absolute volmaaktheid, gebruiken de vijanden van tegenwoordige waarheid met een totaal gebrek aan redelijkheid en eerlijkheid als een wapen tegen de boodschap. Ze gaan over tot onze gewoonten, zeden en woorden af te keuren, alsof de HStaf verantwoordelijk voor hen is, en iedere Laodiceaanse geneigdheid die we nog mogen bezitten heeft veroorzaakt! {1SC7:5.13}

Het koren in het veld komt niet in een ogenblik tot haar prachtige volwassenheid. Zelf onder de invloed van de late regen van het seizoen, brengt het niet meteen volledige ronde aren voort. Het proces van rijpheid neemt wat tijd in beslag. Jammer genoeg besluipt onvolmaaktheid henzelf, toch zoeken onze broeders  “die ons haten” en “ons uitwerpen omwille van de Zoon des mensen,” vreemd genoeg naar ons, in tegenstelling tot de natuurlijke mogelijkheid, om ons “in een ogenblik, in een oogwenk,” tot volwassenheid en volmaaktheid te laten opschieten! Hier is een van de beste bewijzen dat deze critici “in een treurige misleiding zijn,”en “het niet weten.” {1SC7:5.14}

De zogenaamde veroordelingen, kritieken en aanklachten—“de schenen,”—waartegen zowel de “engel,”(leiderschap—Openb. 1:20; 3: 14) van de Laodiceanen en de kandelaar zelf (kerk) “schoppen,” en op allerlei manieren  uitroepen, zijn niet meer de gevoelens van hen die de boodschap verkondigen aan de kerk in deze tijd, dan de veroordelingen waren, die Johannes de Doper uitsprak over de Joodse kerk—zijn eigen, maar de woorden van God, die Hij plechtig bezwoer voort te spreken in angst en gunst van niemand. Daarom , als ze wensen te denken dat onze positie kritisch, niet deftig en onsmakelijk is, laat ze zichzelf bedenken over de woorden en houding van Eliah, Johannes de Doper, Luther, Zuster White, ja iedere boodschapper die God ooit had, en ze zullen ontdekken dat ze ons, ongewild in gekozen gezelschap plaatsen, en in hachelijk gevaar verkeren door God tot een leugenaar  te maken over het soort gezelschap dat Hij zegt dat Hij houdt en de kaliber  van Zijn vrienden. Laat ze beseffen dat op dwaze wijze veroordelen en ons ten late leggen, datgene wat Gods verantwoordelijkheid is. {1SC7:6.1}

Het is zowel onrechtvaardig en ook heel onverstandig om ons te verwerpen, enkel omdat wij onze taak doen zoal de Heer dat geboden heeft: “Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.” (Jes. 58:1). “Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israëls, zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen. Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt, die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik van uw hand eisen. Doch als gij den goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw ziel bevrijd. Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw handen eisen. Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt,opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uw ziel bevrijd.” (Ezech. 3: 17-21) {1SC7:6.2}

Deze blinde zielen doen precies wat Paulus hun waarschuwt, niet te doen: “Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij u zelven; want gij die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.”( Rom.: 2: 1) Zij zelf, zonder een opdracht van God en zonder doel, dan zichzelf te rechtvaardigen, gaan over tot verwijt, beschuldiging en kerven in diegene die “Gods adviezen vanouds,” verkondigen die “trouw en waarheid,” zijn, niet beseffend dat ze daardoor dubbel verwijtbaar en verwerpelijk zijn. {1SC7:6.3}

Precies de aard der dingen, maakt het onmogelijk voor ons om op welke manier dan ook iets te zeggen, over de specifieke beschuldigingen van overdreven kritisch zijn door de vragensteller. Alles wat we op rechtvaardige wijze kunnen observeren is dat onze algemene ervaring met degene die de HStaf accepteren, is dat welke ongepaste kritiek ook van hun lippen mag vallen, ontglipt zijn (een kortstondige terugkeer van geërfde Laodiceanisme) en niet een praktijk, en dat alles bij elkaar we zij vrijwel vrij van deze zonde vinden, dan diegene die over hen klagen, opmerkelijk vrij ervan als we de aard van de boodschap die ze dragen en de omstandigheden waaronder ze werken,  in overweging nemen.  En wat nog meer telt, we  hebben nog iemand waar te nemen die zijn aanklachten met boosaardigheid  of vrolijkheid spreekt, verstoken van liefde. En wat het meeste telt, bijna iedereen die wij kennen vecht het goede gevecht om zijn Laodiceaanse neigingen te overkomen, langs deze en andere wegen.  {1SC7:6.4}

————————————–

EEN ANDERE  ERNSTIGE AANGELEGENHEID VOOR ALLEN

 

“Ik schijf omdat ik heel erg verontrust en bezwaard ben over sommige dingen. Echter, voordat ik mijn probleem aangeef, wil ik zeggen dat ik de boodschap van de 144.000 en de reiniging van de kerk volkomen geloof. Door sommigen, echter, worden er enkele bij-leerstellingen voortgebracht, die ik niet kan aanvaarden, en wat ik wil weten is; worden ze door de HStaf ondersteunt. {1SC7:6.5}

Het is heel jammer, de situatie die door de vragensteller is belicht. We betreuren het dat sommigen eigen interpretaties van de boodschap, voorgebracht hebben, die het verstand van anderen verontrust hebben. Toch lijkt het oneerlijk om de boodschap op de proef te stellen vanwege de onrechtmatige ideeën voor geschoven door  sommigen. Dit is als de Derde Engel Boodschap laten verantwoorden aan de wereld, voor de buitensporige leerstellingen van vele tijdzetters die in ons midden zijn geweest. 1SC7:6.6}

We ondersteunen geen onderwijzing of standpunt die niet gevonden wordt in de publicaties van de HStaf of geautoriseerd door het kantoor, zoals duidelijk is verklaard op de eerste bladzijde van de Symbolische Code van oktober (nr. 4). Nergens is het standpunt ingenomen “dat iedereen die in de Zevende Dags Adventisten kerk is gebracht, bekeerd is , en dat er niemand binnen gebracht mag worden.” Het meest extreme standpunt die de boodschap inneemt in dit verband, is datgene wat de Geest der Profetie in de volgende getuigenis het verplicht te nemen: “De Heer werkt nu niet  om vele zielen in de waarheid te brengen, vanwege de kerkleden die nooit bekeerd zijn geweest, en zij die eens bekeerd waren maar die nu afgegleden zijn.” 6 T 371. {1SC7:7.1}

Zo ver komen wij, niet een centimeter kort, niet een centimeter voorbij. Diegenen die voorbij dit punt gaan evenals diegene die weigeren ertoe te komen, begaan gelijke buitensporigheden die de waarheid verwerpt. {1SC7:7.2}

Betreffende het idee dat de huidige tijd, niet de dag is voor individuen buiten de Z.D.A. kerk, hoewel ze de boodschap kennen en geloven, tot inkeer te komen en zich te laten dopen, zouden we zeggen, dat God nergens een mens rechtvaardigt, ongeacht wat zijn status mag zijn—of Jood of Griek, kerklid of ongelovige—de dag van bekering te verschuiven, als eenmaal het licht tot hem gekomen is. Dit is de zonde tegen de Heilige Geest. “Heden, na zo een lange tijd; zoals het gezegd is: Heden als gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet.” {1SC7:7.3}

Echter, onder de dispensatie  van een speciale boodschap aan de kerk, gelijk aan die Christus drie en een half jaar lang, droeg naar de Joodse kerk, zo is het ook onze lot die te dragen naar de Z.D.A kerk vandaag, we moeten niet begrijpen dat het, het werk is van diegene , die zo een boodschap dragen, om tegelijkertijd het Evangelie programma voor de wereld  in het algemeen te dragen. {1SC7:7.4}

De Heer heeft ons niet in duisternis gelaten, met betrekking tot wat onze standpunt in deze zaak moet zijn. Jezus ”hield voort,”aan de kerkleden “aan de grens van Tyre en Sidon,” toen de vrouw die “een Griek was, een Syrophoenisische van het land,” “kwam en aan Zijn voeten viel,” Hem smekend, dat Hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen. Maar Jezus zei tegen haar: Laat de kinderen eerst verzadigd worden: want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en het voor de honden (Heidenen) werpt. En zij antwoordde en zei tot Hem: ja Heere, doch ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen. En Hij zeide tot haar: Om deze woorden wil, ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.” (Marcus. 7: 26-29) {1SC7:7.5}

Dus zien we dat terwijl we uitdrukkelijk bevolen zijn de kinderen te voeden, en niet te op zoek te gaan naar de Heidenen, we tegelijkertijd verteld worden niet de waarheid van de laatstgenoemde te weerhouden, wanneer ze vrijwillig en in geloof,  kruimels komen zoeken. {1SC7:7.6}

 

VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vraag: Geeft niet de houding van de HStaf ten opzichte van buitenlandse missiewerk, haar tegenstanders een gelegenheid haar te beschuldigen van niet geïnteresseerd zijn in de redding van diegene die in de wereld zijn, en zodoende haar eigen vooruitgang hinderen in het krijgen van de boodschap tot de kerk? {1SC7:7.7}

Antwoord: Met betrekking tot uw bezorgdheid over het ogenschijnlijk blokkeren van de HStaf van haar eigen handelswijze, door haar houding, dat we de buitenlandse zendingsprogramma’s niet moeten ondersteunen, zouden we zeggen, dat als haar vijanden dit niet gebruikten als een struikelblok, ze iets anders zouden gebruiken. Haar houding is niet een van tegenstand, eenvoudigweg omwille  van oppositie of omwille van  bevordering van zelfzuchtige belangen. Het geloofd in iedere soort  zendingswerk op zichzelf, hetgeen duidelijk moet zijn voor iedereen die de boodschap wil bestuderen. Maar onder de huidige omstandigheden, met een zwaard hangend over de kerk, ieder moment gereed te vallen en duizenden naar hun vernietiging te sturen, kan God nauwelijks consequent of  barmhartig zijn, in het verspillen van Zijn tijd en middelen, aan een programma welke, onder de huidige wending van aangelegenheden, niet langer haar goddelijk aangewezen doel, kan tot stand brengen, maar van hier af aan zichzelf alleen kan lenen tot vermeerderen van de diensten van de vijand, door het brengen van duizenden onbekeerden in de kerk, om slecht verloren te gaan in de verschrikkelijke slachting van Ezech. 9. {1SC7:7.8}

Vraag: Wanneer we niet werken aan zondaren in Sion, waarom dan niet voor zondaren in de wereld? Ze zijn allemaal zondaren in de ogen van God….Hij heeft ons sinds 1844 licht gegeven, en Hij bedoelde niet dat het “onder een korenmaat,”verborgen moest worden, maar om de wereld te verlichten.” {1SC7:7.9}

Antwoord: Wat hier is gezegd is waar. Als we niet werken voor zondaren in Sion, zouden we voor zondaren in de wereld moeten werken. Als we echter werkelijk de boodschap geloven, zullen we het meeste van de tijd voor zondaren in Sion werken, dat we geen tijd over zullen hebben voor zondaren in de wereld, met uitzondering van de ‘Syrophoenicieers.” Dan zouden we ons volledige deel doen, om de dag van de Luide Roep te verhaasten, wanneer het licht dat Hij ons gegeven heeft in 1844 om de wereld te verlichten, maar die we al die tijd verborgen hebben gehouden, “onder de korenmaat,” uiteindelijk ieder zondaar zal bereiken. {1SC7:7.10}

Als de tegenstanders van de HStaf geleefd hadden in de dagen van Johannes de Doper, in de dagen van Christus, of in de eerste 3 ½ jaren van de apostelen, en in hun huidige gedachtegang waren geweest, zouden ze hun standpunt genomen hebben aan de kant van de heersers van Israel tegen de waarheid van die tijd. {1SC7:8.1}

Vraag: “Bedoelt de HStaf te onderwijzen dat het oordeel van de rechtvaardige doden gesloten is 1931, of daar in de beurt, door de volgende bewering: ‘ Terwijl God de weg vrijmaakt voor de zeven laatste plagen, door sommige van Zijn volk te ruste te leggen in het graf, heeft Hij hetzelfde gedaan zodat de gebeurtenis in 1931 zou kunnen plaatsvinden (als die datum correct is). Zij die de beproeving niet kunnen ondergaan, worden te ruste gelegd in hun graven, terwijl de 144.000 overblijven en zullen ontkomen, maar het overschot in de kerk (nu) in het verderf, ten onder zal gaan.’ (HStaf, Vol. 1, p. 219.) Leg alstublieft uit.” {1SC7:8.2}

De datum 1931 en de betreffende uitspraak, hebben geen verwijzing naar het onderzoekend oordeel. De HStaf legt geen datum vast, noch exact noch bij benadering voor het sluiten van het oordeel van de doden of voor het begin van het oordeel van de levenden. De tijd van deze gebeurtenissen zal niet bekend zijn totdat de ene voorbij is en de andere is begonnen. {1SC7:8.3}

Betreffende de datum van 1931 en de gebeurtenis die ermee verbonden is, hebben we geen verdere licht in deze huidige tijd dan gevonden kan worden in Vol.1, blz. 108-114 en Vol. 2, blz. 275. Het was rond die tijd (het sluiten van 1930 en het begin van 1931), dat de gebeurtenis van het uitgeven van de HStaf, Vol. 1 plaats vond, en de waarheid van de 144.000 en oproep tot hervorming, geopenbaard werd. Daarom, hoewel het niet eerder juist begrepen was, wat precies de aard van de gebeurtenis zou zijn, toen de volheid des tijds kwam en geen andere gebeurtenis  bekend werd maar deze zelfde, werd het daarbij herkend als de ene voorspeld in Ezechiël 4; dat is de tijd aan het einde van de 430 profetische jaren toe de “boekrol,” een ander draai zou maken. {1SC7:8.4}

Met betrekking tot de betreffende specifieke gebeurtenis, als de vragensteller zijn HStaf, Vol. 1 wil openen en nauwkeurig blz. 219 herbestuderen, zal hij duidelijk zien dat de context van de uitspraak: “Zij die de beproeving niet kunnen ondergaan worden in hun graven gelegd,”vereist dat het voor Ezech. 9 vervult moet worden. Aldus kan het alleen van toepassing zijn op de rechtvaardigen die sterven, onder de Derde Engelen Boodschap tot aan de reiniging van de kerk, Jes. 57: 1 vervullend, en niet Openb. 14: 13. {1SC7:8.5}

Vraag: “Legt U alstublieft, de betekenis van Juda, Efraïm en Israël uit, want deze termen zijn vaak genoemd in de Bijbel, en in het bijzonder in Hosea, hoofdstuk 4-14.” {1SC7:8.6}

Antwoord: De vragenstellen zal zich herinneren dat het Israëlisch rijk- de twaalf stammen—verdeeld werden na de dood van Salomo in twee koninkrijken. (1 Kon. 11:11,12; 12-19, 20,21) Het ene dat samengesteld was uit tien stammen, dat het Noordelijke gedeelte van het beloofde land bewoonde, werd genoemd “Israel”, waar deze term van toepassing op is wanneer het gescheiden gebruikt wordt van de twaalf stammen. {1SC7:8.7}

De term “Ephraim,” is van toepassing op hetzelfde koninkrijk. (Jes. 7: 1,2). Het koninkrijk  dat was samengesteld uit de twee stammen en die het Zuidelijke gedeelte van het land bewoonde is genoemd “Juda.” De reden dat “Ephraim,” synoniem is van “Israel,” is dat de stam van Ephraim , het koninkrijk regeerde. Aldus omwille van dit feit, wordt het koninkrijk van het Noorden onder beide namen genoemd—“Israël,” en “Ephraim,”—terwijl het Zuidelijke koninkrijk dat geregeerd werd door de stam van Juda, daarom “Juda”, genoemd werd. Zodoende zijn de termen “Israël,” en Ephraim” van toepassing op de Noordelijk afdeling en de term, “Juda,”op de Zuidelijke afdeling van Gods oud volk. {1SC7:8.8}

Vraag: “Leg alstublieft E.W. 36 uit: “Ik zag dat Jezus het allerheiligste  niet zou verlaten, totdat iedere zaak besloten was, of voor verlossing of vernietiging,” etc. {1SC7:8.9}

Antwoord: De vraag die hier opkomt is hoe is het mogelijk om “De Herdersstaf,” met de “Geest der Profetie,”te laten overeenstemmen, wanneer de een schijnt te zeggen dat Jezus het allerheiligste zal verlaten  bij Ezech. 9, terwijl de ander zegt Hij zal het niet verlaten totdat iedere zaak is besloten. {1SC7:8.10}

Zonder te trachten de gebeurtenis in E.W. 36 te beschrijven, zullen we alleen op de zaak ingaan, of het wel mogelijk is met het oog op de E.W. uitspraak, dat Jezus het allerheiligste “verlaat” om het werk van Ezech. 9 uit te voeren, voor de algemene afsluiting van de genadetijd van de mens. {1SC7:8.11}

Om te beginnen, is er niets in het woord “verlaten,”dat definitief zijn en blijvend in toestand of handeling betekend. Om eens te vertrekken, sluit de mogelijkheid niet uit, van verlaten het hebben in eerdere gevallen en dan terug gekeerd. Vandaar dat op basis van de logica van taal alleen, alleen het feit dat Zr. White “zag dat Jezus het allerheiligste niet zou verlaten totdat iedere zaak besloten was,”bewijst daarom niet dat Hij, eerder nooit het allerheiligste kon hebben verlaten, en dat Hij het niet kan verlaten om Ezech. 9 over de kerk kan voltrekken. {1SC7:8.12}

We moeten onze standpunt echter niet alleen op logica baseren. De Schriften bewijzen overvloedig het feit dat Jezus tegelijk te midden van Zijn volk zal vertoeven, voordat iedere zaak is besloten. We citeren Zach. 2: 10, 11—“Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere. En vele heidenen zullen te dien dage den Heere toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen.” {1SC7:9.1}

Vers 11 bewijst dat in “die dag,”wanneer Hij komt en te midden van Sion zal wonen, “vele heidenen tot de Heere toegevoegd zullen worden,”en ieder Z.D.A. hoort te weten dat er geen heidenen tot de Heer toegevoegd zullen worden, nadat de genade tijd gesloten is. {1SC7:9.2}

Bovendien, in Jes. 66: 15, welke leest: “Want ziet, de Heere zal met vuur komen en Zijn wagenen als een wervelwind om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn schelding met vuurvlammen,”(Vers 16) “want met vuur en met Zijn zwaard zal de Heere pleiten met alle vlees, en de verslagenen des Heeren zullen vermenigvuldigd zijn,” zien we dat wanneer Hij met vuur komt, het is om te “pleiten” met alle vlees hetgeen bewijst dat het tijdens de genade tijd is, want na de afsluiting van de genadetijd, zal God met geen enkel vlees pleiten. {1SC7:9.3}

Verder bewijst Jes. 66: 20, dat het in deze tijd is, gedurende welke de Heer pleit met alle vlees, dat “vele heidenen,”—“al uw broederen,”—toegevoegd worden tot de Heer. Vandaar dat “in die dag,” de dag van slachting (Ezech. 9; Jes. 63; Jes 66) Hij “zal komen, en .. te midden van “Sion” zal wonen. {1SC7:9.4}

Het is daarom duidelijk dat Jezus zal komen en te midden van Zijn volk zal wonen, hier op aarde voor de afsluiting van de genadetijd, zoals Hij te midden van Zijn volk in de exodus beweging woonde, zoals beschreven in Jes. 4. {1SC7:9.5}

Sommigen hebben in het geheel een te bekrompen visie van de Godheid. Ze denken dat als Jezus het onderzoekend oordeel in het hemelse heiligdom voort wil zetten, Hij Zichzelf daar ieder moment moet opsluiten, en dat zelf in geval van noodzaak Hij de plaats van het allerheiligste  afdeling niet kan verlaten, om iets anders te doen, totdat Zijn bemiddelingswerk voorbij is. {1SC7:9.6}

Christus zijn vertrek van de heilige plaats, bij de voltrekking  van het onderzoekend oordeel, zal resulteren in Zijn zichtbare tweede komst, terwijl de gebeurtenis van Ezech. 9 en Zach. 2: 9-11, een onzichtbare komst is. {1SC7:9.7}

GEZONDHEIDHERVORMING

Vraag: “Hoe staan wij op gezondheidhervorming? Onderscheiden we ons toch zonder voorbehoud tegen het gebruik van gepasteuriseerde melk? {1SC7:9.8}

Antwoord: Ons standpunt op gezondheidhervorming is met beide voeten stevig vastgezet en voorwaarts gaand. Om toegewijd te zijn op deze koers, betekend echter niet dat we tot extreme maatregelen overgaan. In tegendeel, betekend het om gezond verstand te adviseren en matigheid, niet gaan buiten wat goddelijk geopenbaard is. {1SC7:9.9}

Die specifieke artikelen, waartegen de Geest der Profetie een positieve getuigenis draagt; van de natuur ontdaan, levenloos gemaakt, voedsel dat van mineralen is ontdaan,en alle ongezonde praktijken, beloven wij te vermijden. Maar we nemen het standpunt niet in dat melk niet gebruikt moet worden. Sommigen van ons gebruiken het niet, maar pleiten niet voor het niet gebruiken op dit punt. Het zou dwaas zijn om op zo een hervorming aan te dringen, terwijl de meerderheid nog steeds koffie, thee, azijn, specerijen, boter, rijke gebakken, levenloze granen etc. gebruikt. Dit zou eenvoudigweg betekenen te springen naar de bovenste tree van de ladder, terwijl men neergehouden wordt door de zware gewichten van verkeerde praktijken, in plaats van klimmen vanaf de bodem en stap voor stap de gewichten, afsnijden totdat de top uiteindelijk bereikt is, welk proces van vooruit schrijdende hervorming beter geïllustreerd wordt door de volgende droom. {1SC7:9.10}

“Terwijl ik in augustus  1868 in Battle Creek was, droomde ik dat ik mij in gezelschap van een groote menigte mensen bevond. Een deel van deze menigte begaf zich op reis, goed toegerust. Wij hadden zwaar beladen wagens bij ons. Terwijl wij reisden, scheen de weg omhoog te gaan. Aan de ene kant van de weg was een diepe afgrond en aan de andere kant een hoge, gladde witte muur, alsof deze gepleisterd was. {1SC7:9.11}

Naarmate wij verder reisden werd de weg nauwer en steiler. Op sommige plaatsen scheen de weg zo smal, dat wij zagen dat wij niet langer met onze beladen wagens konden verder reizen. Wij maakten daarom de paarden los, namen een deel van het reisgoed van de wagens en legden het op de paarden en reisden te paard verder. {1SC7:9.12}

Hoe verder wij kwamen, hoe smaller de weg werd. Wij waren genoodzaakt om dicht tegen de muur te blijven, om niet van de smalle weg af in de diepe afgrond te storten. Terwijl wij dit deden, schuurde het reisgoed op de paarde tegen de muur, zodat wij naar de kant van de afgrond overhelden. Wij waren bang dat we zouden vallen en op de rotsen verpletterd zouden worden. Daarom sneden wij onze bagage van de paarden los, die toen in de afgrond viel. Wij reden te paard verder maar waren erg bang, toen de weg nog smaller werd, dat wij ons evenwicht zouden verliezen en zouden vallen. Op zulke ogenblikken scheen een hand de paarden bij de teugel te houden en ons veilig over de gevaarlijke plaatsen te leiden. {1SC7:10.13}

De weg werd steeds smaller en wij zagen in dat wij niet langer veilig te paard konden gaan. Wij lieten nu de paarden achter en gingen te voet verder, in een rij achter elkaar. Op dit ogenblik werden dunne koorden van boven de witte muur neergelaten, waarvan wij een gretig gebruik maakten om ons evenwicht te bewaren op de smalle weg. Terwijl wij verder reisden, bewogen de koorden ook mee. De weg werd uiteindelijk zo smal dat wij niet langer onze schoenen aan onze voeten durfden te houden. Wij deden ze snel uit en gingen zo verder. Nog wat verder gekomen besloten wij voor de veiligheid ook onze kousen uit te trekken en wij reisden barrevoets verder. {1SC7:10.1}

Wij dachten toen aan hen, die aan geen ontberingen en moeilijkheden gewend waren. Waar waren zij nu? Zij waren niet in de groep. Bij elke ontbering bleven er sommigen achter. Alleen zij, die zich geoefend hadden om moeilijkheden te doorstaan, bleven. De ontberingen deden hun verlangen alleen toenemen om tot het einde toe door te zetten. {1SC7:10.2}

Het gevaar om van de smalle weg af te vallen nam steeds toe. Wij drukten ons tegen de witte muur aan. Het pad was nu zo nauw dat onze voeten er niet eens in zijn geheel op pasten. Wij hingen daarom bijna met onze gehele gewicht aan de koorden en riepen uit: “Wij hebben houvast van boven! Wij hebben houvast van boven! Dezelfde woorden werden door allen in de groep op het smalle past geuit. Maar wij rilden als wij de klanken van vrolijkheid en feestgejoel hoorden, die uit de afgrond tot ons opstegen. Wij konden het gevloek, en de gemene scherts, het lage vuile gezang vernemen. Wij hoorden de krijgsmuziek en de dansmuziek, de muziek van instrumenten, het luide gelach, vermengd met gevloek en geschreeuw van angst en bitter gekerm, wat ons meer dan ooit deed verlangen om op het nauwe moeilijke pas te blijven. Een groot gedeelte van de tijd moesten wij met ons hele gewicht aan de koorden hangen die, naarmate wij verder kwamen, steeds dikker werden. {1SC7:10.3}

  Ik bemerkte, dat op de schone witte muur bloedvlekken  zaten  en ik betreurde het dat de muur zo bezoedeld was. Maar dat gevoel duurde een ogenblik, want ik bedacht mij, dat dit was zoals het zijn moest. Zij, die volgden zullen hieraan weten, dat anderen de smalle, moeilijke weg voor hen gegaan zijn en daaruit opmaken, dat, als anderen in staat waren die weg te gaan, zij hetzelfde kunnen doen. Als dan het bloed uit hun pijnlijke voeten wordt geperst, zullen zij niet onder ontmoediging bezwijken, maar door het zien van het bloed op de weg weten , dat anderen dezelfde pijnen hebben doorstaan. {1SC7:10.4}

Eindelijk kwamen wij bij een wijde kloof, waar ons pad eindigde. Er was niets om onze voeten te leiden, niets waarop wij konden steunen. Wij moesten ons nu geheel op de koorden verlaten, die steeds in dikte toegenomen waren, totdat zij bijna zo dik waren als onze lichamen. Voor een ogenblijk waren wij in grote nood en verwarring.  Wij vroegen angstig fluisteren: ‘” Waar zitten de koorden aan vast?”Mijn echtgenoot was vlak voor mij. Grote druppels zweet vielen van zijn voorhoofd af, de aderen in de nek en ik de slapen waren eens zo groot als gewoon en een onbedrukt gekreun ontsnapte aan zijn lippen. Het zweet liep mij ook van het gelaat af en ik had een angst, zoals ik nog nooit tevoren gekend had. Een vreselijke strijd stond ons te wachten. Als het hier misliep, hadden wij al de moeilijkheden van de afgelegde weg voor niets doorgemaakt. {1SC7:10.5}

Voor ons uit, aan de andere kant van de kloof, was een prachtig veld met groen gras, ongeveer vijftien centimeter hoog. Ik kon de zon niet zien, maar heldere, zachte lichtstralen, die op fijn goud en zilver leken, rustten op het veld. Niets van wat ik op de aarde gezien had kon vergeleken worden met de pracht en heerlijkheid van dat veld. “Maar zouden wij erin kunnen slagen om het te bereiken ?” was onze angstige vraag. Als het koord zou breken waren wij verloren. Weer werden angstig fluisterende woorden herhaald. “Waaraan zitten de koorden vast ?” Voor een ogenblijk aarzelden wij om de sprong te wagen. Mar toen riepen wij uit: “Onze enige hoop is geheel op het koord te vertrouwen. Wij hebben er heel de moeilijke weg op vertrouwd. Het zal ons ook nu niet in de steek laten.” Nog aarzelden wij een ogenblijk. Daarop werden de woorden gesproken: “God houdt de koorden vast. Wij hoeven niet te vrezen.” Deze woorden werden herhaald door hen die achter ons waren en er werd aan toegevoegd: Hij zal ons nu niet verlaten. Hij heeft ons al veilig tot hier gebracht.” {1SC7:10.6}

Hierop zwaaide mijn echtgenoot zich over de vreselijke kloof in het prachtige veld erachter. Ik volgde hem onmiddellijk. Wat gaf ons dat een verlichting en wat een gevoel van dankbaarheid vervulde ons hart! Ik hoorde stemmen, die triomfantelijk God loofden. Ik was gelukkig, volmaakt gelukkig! {1SC7:10.7}

Ik ontwaakte en ondervond van de angst die ik had ervaren in het door de moeilijke route te gaan, iedere zenuw in mijn lichaam in huivering scheen te zijn. Deze droom behoeft geen commentaar. Het heeft zo een indruk op mijn geheugen gemaakt, dat waarschijnlijk iedere onderdeel erin helder voor mij zal zijn als mijn herinnering voortgaan.” – 2 T 594-597{1SC7:10.8}

Zo kunt u zien dat het hele probleem individueel is. Als we vastbesloten zijn om gelijke tred te houden met God, zal Hij de hervormingen openbaren die Hij wil dat wij in ons leven instellen en wanneer we ze moeten uitvoeren. Daarom zouden wij u iet adviseren om het gebruik van melk af te schaffen, totdat u zeker bent dat de Heer u zegt dat te doen. {1SC7:11.1}

Vraag: “Waarom wordt de grote schare van Openb. 7: 9 ontelbaar genoemd, terwijl Zach. 13: 8 spreekt van hen die gered worden als 1/3 deel, hetgeen een telbaar deel is? Leg alstublieft uit.” {1SC7:10.2}

Antwoord: Van de grote schare is gezegd: “Niemand kan het tellen” hetgeen echter niet betekend dat God het niet kan tellen. Evenzo is het met het heir in Zach. 13:8. God heeft ze geteld, hoewel het exacte nummer niet bekend is bij de mens zoals dat is van de 144.000. {1SC7:10.3}

In de code van december hebben we het volgende bezoek van Zr. Palmer gedrukt: “ We kwamen hier in het midden van oktober en zouden blij zijn om welk  lid dan ook van de HStaf, bij ons in de buurt te doen stoppen, maar we schoten tekort om haar adres te geven, hetgeen is C.C.C. 762, Red Cloud, Nebraska. {1SC7:10.4}

HEEL BELANGRIJK

Onzorgvuldigheid bij een deel van sommigen heeft hun een heel goed deel gekost, en veel post is verloren gegaan, hetgeen nooit het kantoor heeft bereikt. Ons juist adres is in het verleden gepubliceerd, maar sommigen hebben er geen acht op geslagen. Wilt u er alstublieft aan denken om welk lid van dit kantoor dan ook op de volgende manier te adresseren. {1SC7:10.5}

                                                         Universele Uitgevers Associatie

                                                         Station K, Box 68

                                                         Los Angeles, California

                                                         Naam van de persoon

 

Plaats geen geld in gewone post. Stuur liever een  Geldopdracht of een check van de bank. Vergewis u ervan dat uw retour adres op alle post gegeven is. {1SC7:10.6}

Aangezien deze instructies niet volledig,  zijn nagevolgd, hetgeen ons verwarring bezorgt, drukken we het opnieuw, ernstig verzoekend dat iedereen corresponderend met dit kantoor het juiste formulier hierin gegeven gebruikt. {1SC7:10.7}

Onze vrijwillige fonds voor literatuur, gecreëerd door vrijwillige offer gaven, heeft tot dusver, de helft van de noodzakelijke onkosten gedekt. Wij zijn daarom geneigd onze vrienden in tegenwoordige waarheid te herinneren aan de behoefte van deze waardevolle onderneming. {1SC7:10.8}

De contributies voor de Symbolische Code, dekken ook tot dusver de helft van onze uitgaven voor alleen de voorraad. {1SC7:10.9}

Onze vereende gebeden op vrijdag avond (5 u ’s middags Pac. Stand.Tijd; 6 u ’s avonds Moun. Stand. Tijd; 7 u ’s avonds Cent. Stand Tijd; 8 u ’s avonds East Stand Tijd)ten gunste van onze broeders en zusters die in duisternis zijn met betrekking tot tegenwoordige waarheid, moet trouw door alle betrokkenen nageleefd worden. {1SC7:10.10}

Iedere Z.D.A. die ernaar verlangt kosteloos de “Symbolische Code” regelmatige naar hem verstuurd te hebben,vul alstublieft het volgende formulier in.

—————————- ———SCHEUR AF———————————————–{1SC7:10.11}

Plaats alstublieft mijn naam op uw regelmatige postlijst voor u maandelijks blad: “De Symbolische Code.”

Naam———————————-Straat Postbus nr.—————————————

Stad———————–Staat—————————————Land—————————–{1SC7:10.12}

De Universele Uitgevers Associatie

Symbolische Code Afd., Station K, Box 68

Los Angeles, California

 

 

 

 

 

 

 

 



De Symbolische Code

Nieuws Artikel

Deel Een

Nr. 6

15 december 1934

Los Angeles, California

 

            In Het Belang Van De Z.D.A. Kerkgenootschap

            EEN BRIEF VAN BELANG

 

Geliefde Broeder Lysinger:

We hebben uw rondschrijven gedateerd 24 Oct. ontvangen, die ons waarschuwt tegen “De Herdersstaf,” en erbij ingesloten het kleine traktaat: “Een Waarschuwing Tegen Dwaling.” Ik had het kleine traktaat reeds gelezen en ook het boekje: “Een antwoord aan de Herdersstaf.” Ik heb ook reeds gecorrespondeerd met Prof. O.J. Graf, die duidelijk de besturende kracht was in zowel de Pacific Unie Conf. en de Gen. Conf. Comités . Aangezien hij de hoofdauteur is, zo niet de redacteur van beide van deze pamfletten, zal mijn antwoord op dit kleine traktaat gericht zijn aan hem en niet aan u. {1SC6:1.1}

Zonder de wens om uw oprechtheid in twijfel te trekken, en met alle respect tot uw ambt, mag ik u vragen oftewel u persoonlijk onder gebed onderzoek heeft gedaan naar de HStaf boodschap? Of is uw waarschuwing ertegen slechts gebaseerd  op het onderzoek van een ander zoals aangegeven in het kleine traktaat? De reden dat ik dit vraag, is omdat uw voorganger ons ook een waarschuwing toezond tegen de HStaf boodschap, gebaseerd op, zoals hij later bevestigde, niet zijn eigen onderzoek, maar op een waarschuwing die door hem werd ontvangen door iemand in een hoger ambt. {1SC6:1.2}

U zegt, dat “onder de 2175 ingezegende predikanten die wij hebben in het  kerkgenootschap der Z.D.A. er een zekere E.T. Wilson is, die de leerstellingen van de HStaf, heeft geaccepteerd.” Maar is het veilig om dit als bewijs aan te voeren, tegen de HStaf boodschap of om zij die het aanvaarden als ketters te veroordelen? We zullen beter in staat zijn dit te beoordelen, in het licht van de volgende geïnspireerde citaten: “Hebben enigen van heersers van de Farizeeën in Hem geloofd?” Johannes 7: 48. {1SC6:1.3}

“Wees echter voorzichtig datgene te verwerpen wat waarheid is. Het grote gevaar van ons volk is dit geweest, dat zij zich afhankelijk hebben gemaakt van mensen, en hun vertrouwen op de mens hebben gesteld. Zij die niet de gewoonte hebben om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen te overwegen, hebben vertrouwen in de leiders en aanvaarden de beslissingen die zij maken; en zo zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God aan Zijn volk stuurt, in die deze leidinggevende broeders deze boodschappen niet accepteren. {1SC6:1.4}

“Niemand zou moeten opeisen dat hij al het licht bezit dat er voor Gods volk is. De HERE zal hier geen genoegen mee nemen. Hij heeft gezegd: ‘Ik heb een geopende deur gegeven, die niemand kan sluiten.’ (Openb. 3:8.) Zelfs al zouden al onze leiders licht en waarheid weigeren, zal die deur open blijven. De Here zal mannen (of mensen doen opstaan die het volk de boodschap voor deze tijd zullen geven.” (Testimonies to Ministers. 106, 107.) {1SC6:1.5}

In het licht van deze duidelijke positieve waarschuwingen tegen het verwerpen van waarheid, omdat mannen in hoge posities het niet accepteren, moge iedere Zevende Dags Adventisten predikant en leek, zijn eigen hart onderzoeken in het licht van zijn eigen Bijbel, voordat hij “De Herdersstaf,” boodschap veroordeelt als ketterij. Hebben de andere 2174 ingezegende predikanten een ernstig en onderzoek onder gebed gedaan naar “De Herdersstaf,” boodschap zoals ouderling E.T. Wilson dat heeft gedaan? Immers om billijk tegen zichzelf te zijn, eerlijk tegen het volk, en trouw aan God, moeten zo dat doen, voordat ze Hem als ketter brandmerken, en voordat ze Hem van de huizen van het volk weghouden. {1SC6:1.6}

Deze boodschap zal op haar eigen verdiensten staan of vallen, ongeacht wie haar aanvaard of haar verwerpt.  Laat niemand terzijde staan, wachtend dat het op niets uitloopt, totdat zij het onderzocht en bewezen hebben dat het vals is. {1SC6:1.7}

                                                                       (Getekend)   A. E. Johnson

LEER OM HEM TE VERTROUWEN

“Gaat henen, ziet Ik zend u als lammeren in het midden der wolven. Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den weg.” (Lukas 10: 3, 4). {1SC6:1.8}

Ter vervulling van de bovenstaande belofte, wens ik een paar ervaringen te  vertellen, die Zijn tedere bewakende toezicht tonen, over het werk en de werkers. Vroeg in het jaar, toen begonnen werd met het werk in Loma Linda, vertelde de eerste broeder die we ter plaatse ontmoeten dat we naar de “vallei der droge beenderen,” waren gekomen. Naarmate de dagen vorderden, realiseerden we ons steeds meer hoe vreselijk waar dit was. Desalniettemin konden we af en toe tekenen van leven zien, en hoewel het op gegeven moment leek alsof we verder moesten trekken, naar een ander veld, gingen we door met werken en bidden, met het resultaat dat God ons beloonde door velen op te wekken als een gedenkteken van eerste vruchten in die omgeving. {1SC6:1.9}

Eens probeerden zij die tegen de boodschap vochten, onze kamer van ons af te pakken, zodat we gedwongen zouden zijn om te vertrekken. Toen dit mislukte, begonnen ze boosaardige verslagen en sprookjes te verspreiden, maar de Heer had de overhand en wij bleven. {1SC6:2.1}

Gedurende deze tijd gingen mijn voedsel en geld op en zagen de dingen er donker uit. In ging in het veld en trok een handvol alfalfa tezamen met een paar mostaard groente, genoot van een goede salade en ging weer aan het werk. Aldus leerde ik waardevolle lessen in vertrouwen in de Heer en van de mogelijkheden van gezondheidshervorming. {1SC6:2.2}

“’De Heer kan een tafel spreiden in de woestijn.’ Onder Zijn leiding zal voedsel lang meegaan. Wanneer we onszelf in de juiste relatie tot Hem plaatsen, zal Hij ons helpen, en het voedsel dat we eten in gehoorzaamheid tot Hem zal ons bevredigen. We kunnen op veel minder blijven bestaan dan we denken dat we kunnen, als Gods zegen op het voedsel is; en als het tot Zijn verheerlijking is, kan Hij het vermeerderen.” – “Counsels on Health,” blz. 495. {1SC6:2.3}

Toen in mijn post de volgende morgen opende, vond ik een biljet van een dollar! De Heer weet welke dingen we nodig hebben, voordat we Hem vragen. “Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans deszelve; gaat gij deszelve niet zeer veel te boven? Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? En wat zijn gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet, en Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen? Daarom zijt niet bezorgd, zeggende Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? (Want al deze dingen zoeken de heidenen).” (Matt. 6: 25-32.) {1SC6:2.4}

Een tijdje later toen ik terugkeerde van een reis, wist ik wederom niet waar mijn volgende maaltijd vandaan zou komen, en toen ik mijn boeken uitpakte, scheen er een bladzijde omlaag gekeerd te zijn in mijn Bijbel. Toen ik het onderzocht, vond ik daar twee biljetten van een dollar! En verscheidene keren vanaf toen, wanneer ik precies op het punt van noodzaak stond, kwamen er brieven die, wanneer ze geopend werden, materiële zekerheid gaven dat God zorgt voor diegene die hun vertrouwen in Hem stellen. {1SC6:2.5}

Bij een recent bezoek aan Loma Linda, lieten wij het kleine gezelschap daar vertrouwend in de Heer en vastbesloten om de “strijd om de poort,” voort te zetten. – M.L. Deater.   {1SC6:2.6}

EEN HERVORMING VAN WAARHEID

Gedurende de afgelopen vier weken die wij doorgebracht hebben onder onze geliefd volk in Virginia, hebben we een verlangen van het hart gezien, naar een kracht die hun zal redden van hun zonden, of deze zonden nu lauwheid zijn, de houding van rijk en verrijkt zijn, verslaving aan sigaretten, liefde voor films, vertoon van juwelen, aansluiting bij loges, God beroven van tiende, of wat dan ook. De boodschap van tegenwoordige waarheid heeft precies dit verlangen vervuld en heeft een nieuw lied op hun lippen gezet, en heeft lofprijzingen voortgebracht tot God. {1SC6:2.7}

Ongeveer twintig kostbare zielen te Meadows of Dan, verheugen zich in de waarheden die de HStaf bevat. Dit aantal omvat de meeste van de kleine kerk hier, en behalve deze, hebben twee in Richmond zichzelf opnieuw verliefd verklaard, met de Drie Engelen boodschap, en weten dat God voor het eerst in hun hele leven, iets voor Zijn volk heeft, dat arme dwalende, ontmoedigde Z.D.A’s, zal redden van hun zonden. Aan God zij alle heerlijkheid, voor wat tot stand is gebracht in dit interessante veld, en zullen we ons niet aansluiten bij deze geliefde kinderen van de Heer in het meest ernstige gebed tot het einde, dat ze gebruikt mogen worden, om Tegenwoordige Waarheid, naar vele anderen in de kerk te brengen, voordat het vernietigende oordeel van de Heer valt op de lauwe belijders daarin? – E.T. Wilson. {1SC6:2.8}

—————————————

LOF AAN HEM

Ik hou van de HStaf boodschap en heb de boeken aan verschillende personen geleend. Ik weet niet hoe welke ware Zevende dags Adventist, tegen zo een boodschap kan zijn, want het ondersteund en verhoogd al de geschriften van Zr. White, waarvan ik hou met heel mijn ziel,… Ik bid oprecht dat allen die tegen de waarheid vechten, geleid mogen worden om hun fouten te zien, voordat het te laat is. –Mw. E.E. Martin, Kinsale, Montserrat, British West Indies. {1SC6:2.9}

Ik heb de geschriften van de HStaf, gelezen, herlezen en bestudeerd en over ze gebeden, en ik ben overtuigd dat God de boodschap heeft gestuurd, om zijn volk in deze tijd te verlichten. {1SC6:3.1}

Ik heb me vaak afgevraagd of onze geliefde Zuster. White ons al het licht gegeven had, dat God voor ons had, maar ik zie nu door haar eigen onderwijzing, dat er veel meer licht te komen staat, en ik dank God werkelijk voor het nieuwe licht, in het ontvouwen van de profetieën. {1SC6:3.2}

Geprezen zij Zijn heilige naam. Nu hou ik van de waarheid, en meer van de mensen  en ik studeer iedere dag. Ik ben 52 jaren een adventist geweest, en heb niet een keer in mijn leven getwijfeld aan de geschriften van Zuster White, maar nu zijn ze nog kostbaarder dan ooit. {1SC6:3.3}

(Getekend) O.O. Callentine

                                                                                   Bozeman, Montana

BEZOEK BRENGEN VAN COLORADO

Aan de Symbolische Code,– aan hen in het ambt, en aan hen buiten in het veld, en aan hen die tussen twee meningen mank gaan— de groeten: {1SC6:3.4}

We kwamen naar Los Angeles van een afstand van 1400 mijlen, met als doel het grondiger onderzoeken van de beweringen  van de HStaf, om er zeker van te zijn dat we niet in dwaling geleid werden, en tegelijkertijd om ons er zeker van te stellen van het niet achter gelaten te worden in duisternis, zoals zij die hun oren gesloten hebben voor de boodschappen in de voorbijgegane eeuwen. {1SC6:3.5}

We vonden Br. Houteff zeer ernstig, oprecht en een diepgaande student, in zowel de Bijbel en de Geest der Profetie. Wanneer hij ondervraagd werd over een Schriftgedeelte, legt hij het of met overtuigende bewijzen uit, of anders zegt hij: “Ik weet het niet.” {1SC6:3.6}

Naast het maken van dit onderzoek uit de eerste hand, heb ik Vol 1. Van de HStaf eenentwintig keren zorgvuldig gelezen, en Vol. 2 ongeveer vijftien keren. Ik heb ook de vier traktaten die nu in circulatie zijn gelezen, en ik kan getuigen dat de verslagen die we tegen hem horen en zijn geschriften, bevonden heb te zijn ongegrond en vals. Mijn onderzoek van de publicaties en de persoon, overtuigen mij zonder twijfel dat God hem een boodschap heeft gegeven voor de Z.D.A. kerk, en ik wil gelijk staan met diegenen die trachten het voor het volk te brengen. {1SC6:3.7}

Ik heb ondervonden dat aan de ene kant zij die de boodschap hebben bestudeerd, overtuigd zijn dat God tot hen spreekt terwijl aan de andere kant, zij die er geen studie van gemaakt hebben, en die denken dat zij “rijk en verrijkt zijn en aan geen ding gebrek hebben,” van zichzelf denken dat ze in staat zijn te weten, zonder te onderzoeken, ondanks het feit dat de Heer tot hen zegt,”Gij weet niet.” Moge God Zijn kracht manifesteren, en Zijn slapende kerk doen ontwaken voor dat het te laat is. {1SC6:3.8}

                                                                                   (Getekend)  Arthur Carver, Cory

 

POGINGEN OM DE SCHAPEN TE BEROVEN

De kerk te Muncie, Indiana, heeft weer jacht gemaakt tegen de leden die de HStaf aan het bestuderen zijn. De eerste twee werden door de president van de Indiana Conferentie gemaakt. Hij kwam naar de kerk onder de indruk dat de totale lidmaatschap op een dwaalspoor werd geleid, en scheen verwonderd, toen hij vernam dat slechts een lid de HStaf bestudeerde. Maar in zijn poging om tegenwoordige waarheid uit te stampen, stelde hij voor dat dit lid 30 dagen gegeven werd waarin hij de HStaf, moest verloochenen. Er werd gestemd en in zijn voordeel uitgevoerd. Echter aan het eind van de “30 dagen,” studeerde degene waar het over ging nog steeds, en belegde de Conferentie president weer een vergadering, en schreef het lid af, op basis van de voorgaande stemmen. {1SC6:3.9}

Desondanks, in plaats van het neerhalen van de HSTaf, gaf het, het juist een goede start. Verschillende bijeenkomsten zijn gehouden, met een goed aantal aanwezigen. Boeken en traktaten zijn verspreid geworden, en er zijn verschillende geïnteresseerden, die de beweringen van de HStaf, afwegen. De ouderling van de kerk, en de diaken bespioneerden, net als de Jezuïeten in de dagen van de Inquisitie, en de Farizeeën vanouds, om te weten te komen wie de HStaf bestudeerden. Ze belegden een andere vergadering, waarbij delen van de Bijbel  en de Getuigenissen werden gelezen door de aanklagers, maar het gelezene had geen effect.  De kerk ambtenaren, trachten de lezingen te verdraaien en ze te gebruiken tegen hen die ze aanklaagden. Ten slotte, deden ze een oproep voor allen die tegen de HStaf waren, om naar een kant van de kamer te verhuizen, en men gaf gehoor aan het bevel. Behalve degene die de HStaf bestudeerde bleven drie anderen zitten, omdat ze voelden dat ze niet op verstandige wijze konden zeggen dat ze tegen iets waren dat ze niet bestudeerd hadden en niets van af wisten. Nochtans werden ze allemaal de gebruikelijke 30 dagen gegeven. {1SC6:3.10}

                                                                                   (Getekend)   R.H. Smith, Muncie. Ind

EEN ANDER BEWIJS VAN HOE DE BOODSCHAP VOORTGAAT EN HOE HET HERVORMD

Het is ongeveer zestien maanden geleden dat ik het eerste Deel van de HStaf, te pakken kreeg. Ik heb verschillende keren het tezamen met de andere publicaties gelezen, en hoe meer ik het lees hoe duidelijker het wordt, en mijn hart is vervult met dankbaarheid tot God voor de wonderbaarlijke waarheden die ik heb gevonden. {1SC6:4.1}

Een zekere familie kwam recentelijk naar Hartfort City. Ik belde ze en ontdekte dat ze nooit van de boodschap gehoord hadden. Dus gaf ik hen de HStaf en de traktaten. Nu verheugen ze zich in de tegenwoordige waarheid en hebben een werkelijke hervorming in hun huis, voor wat betreft  het herstellen van de familie altaar, het naleven den de principes van de gezondheidshervorming, terugkeren naar het systeem van tienden geven, en het op orde brengen van hun conversaties. {1SC6:4.2}

Twee weken geleden stemde de kerk mijn naam af van de boeken, en afgelopen Zaterdagnacht, waren er twee predikanten hier en ze predikten zeker tegen de HSTaf. Op dat moment namen ze van een andere zuster al haar kerkelijke verantwoordelijkheden, omdat ze het boek las, en gaven haar de gebruikelijke 30 dagen om de HStaf te verwerpen. {1SC6:4.3}

Zr. Sebring, van Hartfort City, Indiana, die het bovenvermelde geschreven heeft, en een andere zuster, hielden zich slechts aan de instructies gegeven door de Geest van God, in het volgende bevel: {1SC6:4.4}

“Wanneer een boodschap in de naam van God tot Zijn volk komt, mag niemand zich verontschuldigen om zich te onderwerpen aan een onderzoek van haar eisen. Niemand kan het zich veroorloven zich terug te trekken in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen, en zeggen: ‘Ik weet wat waarheid is, ik ben tevreden met mijn toestand. Ik heb mijn grenzen bepaald en ik zal niet van mijn standpunt afwijken, wat er ook mag komen. Ik zal niet naar de boodschap van deze boodschapper luisteren; want ik weet dat het géén waarheid kan zijn.’ Het is vanwege het volgen van deze koers dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en dat is de reden waarom de boodschap van de hemel hen niet bereikt heeft.” Testimonies on Sabbath school work blz. 65. {1SC6:4.5}

Merk op hoe de bovengenoemde handelingen volstrekt worden terecht gewezen door de Geest der Profetie in de volgende citaten: {1SC6:4.6}

IN HET VOETSPOOR VAN ROMANISME

“Zij die bevolen zijn om de attributen van de Heer Zijn karakter te vertegenwoordigen, stappen van het Bijbelse platform af, en beramen in hun eigen menselijk oordeel, regels en besluiten om de wil aan anderen op te dringen. De bedenksels voor het dwingen van mensen om de voorschriften van andere mensen te volgen, stellen een orde der dingen in, dat de sympathie en tedere medeleven met de voeten treedt; dat de ogen verblindt voor genade, gerechtigheid en de liefde voor God. Morele invloeden en persoonlijke verantwoordelijkheden, worden met de voeten betreden. {1SC6:4.7}

“De gerechtigheid van Christus door geloof is door sommigen genegeerd; want het is in tegenstelling tot hun geest, en hun hele levenservaring. Heers, heers, is hun handelswijze geweest.” – “Testimonies toe Ministers” blz. 363. {1SC6:4.8}

Het is een angstaanjagend ironie om de tirannie van de pausen opnieuw in de wieg gelegd te zien worden, in de schoot van de “Moeder,” van religieuze vrijheid! Toch wordt het door velen betwijfeld dat de dodelijke wonde genezen is! Niet alleen laat dit soort handelingen zulk een dusdanige mogelijkheid van twijfel achter, maar het overtuigd iemand ervan, dat het meer dan een oude vrouwen sprookje is, dat er pauselijke agenten in ons midden zijn, vermomd als engelen des licht (Zevende dags Adventisten predikanten). {1SC6:4.9}

“O Jeruzalem! Maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene dochter van Sion!” (Jes. 52:2) {1SC6:4.10}

EEN DROEVIGE MAAR BLIJDE ERVARING

Zr. Knudsen van San Diego vertelt de volgende ervaring:

“Nadat de Zevende dag Adventisten mijn geloof in de profeet Jozef Smith hadden vernietigd, hield ik op te geloven in de leerstelling van de profeten van de Laatste Dagen, en aanvaarde de advent boodschap, hoewel totaal onwetend dat ook zij een profeet hadden. {1SC6:4.11}

“De dag dat ik gedoopt was, sprak een ouderling die te gast was over de Geest der Profetie, bij welke gelegenheid ik voor het eerst leerde dat ze een profetes hadden. Toen deed mijn hart werkelijk pijn en was mijn verstand in de war en weigerde ik gedoopt te worden. Maar toen de evangelist die mijn profeet gedood had dit te weten kwam, werden er meer studies aan mij gegeven, maar ze schoten te kort, om mij te overtuigen dat Zr. White’s geschriften geïnspireerd waren. Ten slotte op de kracht van de Sabbatwaarheid, haalde de evangelist me over om gedoopt te worden, het overlatend om later tot de Geest der Profetie bekeerd te worden. {1SC6:4.12}

“Acht jaren later, nadat ik me toegevoegd had aan de kerk, ging ik naar een bijeenkomst waar de boodschap van de HStaf gepresenteerd werd. In de loop van de studie, werden er feiten uitgebracht, die de inspiratie van Zr. White’s geschriften bewezen, en voor de afsluiting van de studie was ik volledig overtuigd tot de Geest der Profetie, waar ik van toen af aan meer en meer dankbaar ben geweest, niet alleen van de grote zegeningen die daarvan afgeleid zijn, maar ook omdat ik nu weet dat ik een onvervalste Zevende dags Adventist ben. {1SC6:4.13}

Toen ik een niet gelovige was in de Geest der Profetie—dat wat de Zevende dags Adventistenkerk gemaakt had—en een overwegend een Adventist in dag en naam was, behield ik mijn lidmaatschap, maar toen de HStaf me bekeerde tot de Geest der Profetie, en me een ware Zevende dags Adventist maakte, werd mijn lidmaatschap van mij ontnomen! Maar ik dank God voor het voorrecht om uitgeworpen te worden, omwille van de Zoon des mensen.” {1SC6:5.1}

We kunnen geen enkele grotere ironie bedenken, dan dat van de voorgaande ervaring, welke typerend is voor meer dan slechts  een incident in de kerk vandaag. We kunnen eenvoudigweg niet begrijpen hoe onze broeders en zusters zelfvoldaan door kunnen slapen, te midden van zulke onredelijke, schandelijke handelingen. Om iemands lidmaatschap acht jaren te behouden, terwijl diegene slechts half bekeerd is tot haar leerstellingen, en dan deze persoon af te schrijven als lid, wanneer helemaal bekeerd, is de meest verschrikkelijke tegenstrijdigheid denkbaar. En toch is dit het exacte ding waar het omgaat in Gods kerk. {1SC6:5.2}

“Veel te haastig werk wordt gedaan in het toevoegen van namen aan de kerkrol. Serieuze gebreken worden gezien in de karakters van sommigen die zich toevoegen aan de kerk. Zij die ze toelaten zeggen: “We zullen ze eerst in de kerk binnen laten komen, en ze dan hervormen. Maar dit is een fout. Juist het eerste werk dat gedaan moet worden is het werk van hervorming…Laat ze niet toe zich te verenigen met Gods volk in een kerk relatie totdat ze besliste bewijzen geven dat de Geest van God aan hun harten aan het werken is. Velen wiens namen geregistreerd staan in de kerkboeken zijn geen Christenen.”(Mw. E.G. White, in Review and Herald, 21 mei 1901) {1SC6:5.3}

En wanneer ze dan uiteindelijk bekeerd zijn, heeft de kerk berouw dat ze, ze erin hebben gebracht, en gaat meteen over om ze als lidmaat af te schrijven! {1SC6:5.4}

Zuster Palmer van Red Cloud, Nebraska stuurt deze meest hartelijke uitnodiging: “We zijn hier in het midden van oktober gekomen en zouden blij zijn om welke HSaf lid dan ook, bij ons te doen stoppen als hij in de buurt is. {1SC6:5.5}

HEEL BELANGRIJK

Onzorgvuldigheid bij een deel van sommigen heeft hun een heel goed deel gekost, en veel post is verloren gegaan, hetgeen nooit het kantoor heeft bereikt. Ons juist adres is in het verleden gepubliceerd, maar sommigen hebben er geen acht op geslagen. Wilt u er alstublieft aan denken om welk lid van dit kantoor dan ook op de volgende manier te adresseren. {1SC6:5.6}

                                                                       Universele Uitgevers Associatie

                                                                       Station K, Box 68

                                                                       Los Angeles, California

                                                                      Naam van de persoon

Plaats geen geld in gewone post. Stuur liever een  Geldopdracht of een check van de bank. Vergewis u ervan dat uw retour adres op alle post gegeven is. {1SC6:5.7}

VRAGEN EN ANTWOORDEN

WAS CHRISTUS DEZELFDE DAG GEARRESTEERD EN GEKRUISIGD?

Bij het lezen van de Wens der Eeuwen, schijnt het dat Christus op Donderdagnacht, door goddeloze mannen was weggevoerd, en Zijn proces direct haastig werd doorgevoerd, en van wat ik in staat ben te begrijpen, duurde Zijn proces, vanaf de tijd dat Hij in de tuin was weggevoerd tot Zijn kruisiging, ongeveer twaalf uren. Ben ik correct in dit geval?” {1SC6:5.8}

De apostel Marcus, stelt nadrukkelijk dat Christus op het derde uur van de dag werd gekruisigd (Marcus 15: 25), hetgeen slechts drie uren is na zonsopkomst, zoals bewezen in het feit dat de Bijbel met de oude tijdsindeling handelt. Laat de vragensteller nauwkeurig het diagram volgen op bladzijde zes—toegevoegd om het bevattingsvermogen te vergemakkelijken. {1SC6:5.9}

In sommige dagen, en zelf nu, in sommige van die landen, is de tijdsindeling zo geschikt, dat wanneer de zon onder gaat, de klokwijzer naar het twaalfde uur wijst. Het zesde uur in het nacht gedeelte, eindigde altijd om middernacht, en het zesde uur in het dag gedeelte eindigde altijd (twaalf uur) ‘s middags. Aldus verdeelden de joden de dag in twee gelijke delen van elk 12 uren, van zonsondergang tot zonsopkomst, en van zonsopkomst tot zonsondergang. {1SC6:5.10}

Matt. 15: 33 openbaart, dat terwijl Jezus aan het kruis was, duisternis het land bedekte vanaf het zesde uur (‘s middags) tot het negende uur (3 uur ‘s middags), en dat toen Hij stierf, de duisternis verdween. (Matt. 27: 46-50). Dan voegt Lukas toe, dat de Verlosser begraven werd rond het twaalfde uur (zonsondergang), rond welke tijd de sabbat naderde. (Lukas 23: 52-54). Hier zien we dat het  verslag van de gebeurtenissen bewijst dat vanaf de tijd dat Hij gekruisigd was, tot aan de tijd dat Hij begraven was—de uren tussen 3 uur ’s morgens en twaalf uur ’s middags—9 uren in beslag namen. {1SC6:5.11}

Johannes 19: 14 stelt dat rond het zesde uur, Christus in Pilatus zijn gerechtshal was. Dit zesde uur kon niet het zesde uur zijn nadat Hij was gekruisigd, want op dat uur hing Hij aan het kruis. Vandaar dat het dichtstbijzijnde zesde uur voorafgaand aan, Zijn kruisiging die te middernacht was, het aanbreken van de Vrijdag morgen. Zo zien we dat er ten minste 18 uren verslagen zijn, vanaf de tijd dat Christus gebracht werd voor Pilatus tot aan de tijd dat Hij was begraven. Bestudeer het diagram hierin en  u zal overtuigd worden van de onmogelijkheid, voor iemand om een ander gezichtspunt te onderhouden en toch in overeenstemming te zijn met de Bijbelse berekening van de gebeurtenis. {1SC6:6.1}

De voorafgaande feiten bewijzen duidelijk dat de helft van een twaalf uren durende nacht en een hele dag van twaalf uren in beslag werden genomen door het Romeinse Gerechtshof, kruisiging- dood- en begrafenis- van de Verlosser. {1SC6:6.2}

Aangezien het verboden werd door de Joodse wet om iemands ’s nachts te verhoren, en aangezien Christus door het Sanhedrin werd geoordeeld voordat Hij naar Pilatus zijn gerechts-hal werd gebracht, bewijst het dat Jezus, de dag voordat Hij gekruisigd was, voor het Joodse tribunaal stond. Bovendien bewijzen, de woorden van Jezus: “Dat deze nacht,  voordat de haan kraait, zult gij Mij drie maal verloochenen,” (Matt 26: 34), dat Hij ’s nachts uit de tuin werd genomen. Daarom dat vanaf de tijd, dat Christus werd gebracht voor het Sanhedrin, tot de tijd dat Hij begraven was, waren  het 36 uren, want de omstandigheden waren zo dat de Joodse hoogwaardigheidsbekleders, gehaast werden om Hem voor hun hoogste gerecht te dagen, zodra de zon opkwam. Bestudeer de illustratie en u zult zien, hoe accuraat de bovenstaande uitleg bewijst te zijn. {1SC6:6.3}

Was Hij op Vrijdag gekruisigd of op een andere dag?—Marcus zegt: “Het was de voorbereidingsdag; dat is: de dag voor de Sabbat.” (Marcus 15: 42) Het zou foutief van iemand zijn om te concluderen, dat “de Sabbat,” hierboven genoemd, een andere is dan “de zevende Sabbatdag.” Het kon niet de Paasdag zelf zijn geweest—de dag dat het lam werd gegeten (Ex. 12: 3, 6) aan het begin van de zeven dagen van het paasfeest—aangezien de Sabbat genoemd door Marcus kwam nadat Jezus stierf, terwijl op de eerste feestdag (Ex. 12:3, 9; Num. 28: 17), op paasdag zelf, was Jezus nog in leven en vierde het met de twaalf. (Lukas 22: 7-12) {1SC6:6.4}

            We lezen wederom, dat nadat Hij was begraven, “keerden ze weder, bereidden zij specerijen en zalven; en op de Sabbat rustten zij volgens het gebod. (Lukas 23: 56), en niet dat ze terug keerden en het Paaslam aten. Verder was de dag waarop ze rusten, gevolgd door de eerste dag van de week, want Lukas zegt: “En op de eersten dag der week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen  zij naar graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden.” Lukas 24:1). {1SC6:6.5}

Dus, was Jezus gearresteerd op Woensdagavond, waarna Hij tweemaal voor de priesters was beproefd, tweemaal voor het Sanhedrin, tweemaal voor Pilatus en eenmaal voor Herodes (WdE. /D.A. 760)—zeven processen in het geheel hetgeen duidt op volmaaktheid. {1SC6:6.6}

Bovendien, met het oog op de uren die in de Bijbel zijn opgetekend, kan alleen een brein totaal verstoken van het gevoel van tijd in het meten van de natuurlijke duur van gebeurtenissen, concluderen nadat getoond is dat de zeven processen, de kruisiging en de begrafenis, allemaal op een dag plaatsvonden. {1SC6:7.1}

Joh. 19: 31 zegt:”Die Sabbatdag, was een hoogtijdag,”omdat het een Sabbat was in de Paasweek—een Sabbat in een van de paasfeesten, die slechts eenmaal per jaar voorkwam. {1SC6:7.2}

Matt. 28: 1, 2 bewijst dat de Heer verrees op de eerste dag van de week, over het algemeen genoemd Zondag, want het wordt in deze verzen gesteld dat: “Aan het einde van de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria, om het graf te bezien. En ziet er geschiedde een grote aardbeving, want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde de steen af van de deur, en zat erop.” Aangezien de vrouwen vlak voor het opgaat van de zon bij het graf kwamen, (Joh. 20:1), en aangezien de “aardbeving” plaatsvond terwijl ze op weg waren naar de plaats, toont het aan dat de engel nederdaalde vanuit de hemel en de steen wegrolde, vlak voordat ze arriveerden. Marcus getuigt ook dat “Jezus, vroeg, op de eerste dag van de week was opgestaan.” (Marcus 16:9) {1SC6:7.3}

Vandaar dat vanaf de tijd dat Jezus gebracht werd voor de priesters tot de tijd dat Hij opstond, waren er precies drie dagen en drie nachten, het Woord vervullend: “Want zoals Jona, die dagen en drie nachten in de buik van de walvis was, alzo al de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn,” dat is in de hand van zondig klei. (Matt. 12: 40) {1SC6:7.4}

Deze studie bewijst dat Zr. White’s uiteenzetting, van het onderwerp correct is, en het feit dat ze Zijn processen voor de priesters Pilatus en Herodes, heeft opgesomd, toont aan dat ze niet onderwijst dat het allemaal op een dag tot stand kwam, zoals sommigen denken dat haar spraak schijnt te impliceren. {1SC6:7.5}

De uitspraak: “Later diezelfde dag,” (D.A. 722), heeft geen verwijzing naar de dag dat Judas de Heer verraadde, maar eerder de dag toen hij uitriep: “Het is te laat! Het is te laat!” want de uitdrukking van Judas zijn verslagenheid, niet de  gebeurtenis van zijn verraden van de Heer,  is de voorafgaande gebeurtenis  van de uitspraak, “Later die zelfde dag.” {1SC6:7.6}

Verwijzend naar de vraag van: ”hoe we de uitspraak ‘Op de tweede dag van het feest kunnen laten overeenstemmen, werden de eerste vruchten  voor God gepresenteerd,’ (Patriarchs and Prophets, 539), met de uitspraak ‘De schoof offerande… moest geofferd worden voor de Heer, op de morgen na de sabbat,’ (‘De Herderstaf,’ Vol. 2. blz. 20)” antwoorden we als volgt: {1SC6:7.8}

Het feit dat de schrijver zegt: “Op de dag dat het Pascha werd gegeten, was Hij gekruisigd,” bewijst dat ze niet de tweede dag bedoeld, vanaf het feest dat Jezus vierde, maar eerder vanaf het paasfeest op Vrijdag nacht, hetgeen feitelijk valt op de Sabbat, want het Pascha op Vrijdag, voordat Hij gekruisigd was, “de tweede dag van het feest,” zou niet op Zondag vallen, maar veeleer op de Sabbat, en aangezien haar standpunt is dat Christus op Zondag opstond,  op de dag dat de schoof was geofferd (D.A. 785), is het duidelijk dat de uitspraak in “Patriarchs and Prophets,” begrepen moet worden, te verwijzen naar een andere dan de tweede dag vanaf het eerste feest—het werkelijke Pascha. Met andere woorden, als ze datgene bedoelt, wat op het eerste gezicht schijnt te lijken, zou de tweede dag van de feesten, volgens hetgeen ze elders heeft geschreven, vallen op de zevende dag Sabbat, in plaats van op de dag dat de opstanding plaats vond. {1SC6:7.9}

Bladzijde 6, van deze uitgave, in het beantwoorden van een vraag met betrekking tot de tijdslengte, vanaf de tijd dat Jezus het Pascha at tot de kruisiging, bewijst dat Hij het Pascha feest at, met de twaalf op Woensdag nacht en dat Hij verrezen was op Zondag morgen, dat is op de dag dat de schoven voor de Heer gepresenteerd werden. Dit bewijst dat de woorden, “Op de tweede dag van het feest, werden de eerste vruchten van de jaarlijkse oogst gepresenteerd voor God,” (P.P. 539), niet de dag konden bedoelen, nadat Jezus, het Pascha at. We zijn echter, tot zover niet in staat een betere uitleg te geven van P.P. 539; desalniettemin, bewijzen de feiten hierin dat de HStaf, correct is. {1SC6:7.10}

“DE GEEST DER PROFETIE,” OF “DE INZAMELINGSROEP,” –WELKE?

Vanuit Colorado, komt de vraag betreffende de strijd geopend tegen de Geest der Profetie, door de uitgave: “The Gathering Call”/“De Inzamelingsroep.” {1SC6:7.11}

Daar we een aantal van E. S. Ballenger’s traktaten hebben gelezen, zijn wij genoodzaakt te zeggen dat we geen boodschap in geen van hen hebben gevonden.  Hun hoofddoel is ons geloof in de geschriften van Zr. White om ver te werpen. Ze grijpen alles en wat dan ook aan, waar ze een kans kunnen vinden om over te praten. Geen enkele keer hebben we hen welk een van de leerstellingen dan ook die Zr. White onderwijst in haar geschriften, succesvol zien weerleggen, en de middelen die ze aanwenden om haar onderwijzingen te vernietigen zijn zo zwak als een spinnenweb, opgehangen om een arend te vangen. {1SC6:7.12}

We merken op dat op blz. 24 van ons exemplaar van “De Inzamelingsroep,” van sept.-okt,  een artikel geschreven is tegen de waarheid van het heiligdom, zoals onderwezen door Zr. White. Daarin zien we dat het artikel niet haar standpunt tot Bijbelse waarheid ontzenuwd, maar tracht dit te doen door te verhelderen wat er eigenlijk plaatsvond in het aardse heiligdom. De schrijver probeert ons te overtuigen, dat de “heilige plaats,” niet in verband staat met het eerste gedeelte van het heiligdom, en omdat hij dit niet door middel van de Bijbel kan bewijzen, probeert hij dit goed te praten  met zijn verduisterde verstand door volgens de volgende strekking te redeneren: {1SC6:8.1}

De Bijbel zegt: “Gij zult de ram der vulling nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats zieden.” Hij trekt haar uitleg in twijfel door te vragen: “Was het eerste gedeelte een keuken om te koken?” Hij citeert wederom: “In Lev. 16: 24, is Aaron geïnstrueerd om nadat hij de zondebok de woestijn heeft ingestuurd, om “zijn vlees te wassen met water in de heilige plaats.’”  Hij denkt dat de heilige plaats hier genoemd, niet het eerste gedeelte kan zijn, en daarom verhelderd hij het wederom door te volgende vraag te stellen: “Was het eerste gedeelte verandert in een badkamer?” Nu citeert hij vanuit Lev. 6: 27: “Wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.” Dan vraagt hij: “Waar denkt u dat ze een rek voor wasgoed, gezet hebben in het eerste gedeelte van de tabernakel tempel?” {1SC6:8.2}

Welk bewijs heeft hij ons gegeven dat de heilige plaats niet het eerste gedeelte is? –Niet het geringste. “De Inzamelingsroep,” drukt in het bovenstaande een vleselijk, menselijk verstand die niet in staat is bevatten, dat het ceremoniële systeem met haar dagelijkse offers in ieder aspect symbolische was, en dat het koken van het vlees in de “heilige plaats,” en het wassen van het vlees van de priesters en van zijn heilige klederen, gedaan moest worden in de “heilige plaats,”hoewel in tegenstelling tot menselijke beredenering. {1SC6:8.3}

Mensen zonder goddelijke verlichting, zoals het geval is met “De Inzamelingsroep,” kunnen geen helemaal geen reden  zien voor al die dagelijkse offers, van stieren, geiten, rammen, lammeren, duiven, tortelduiven, waarvan sommigen mannetjes moesten zijn en anderen vrouwtjes, soms een jaar oud en soms drie jaar oud, elk geofferd op een speciale manier door vlees- en drankoffers; en voor de vele nadere rituelen van de Joodse economie.  Als we de gedachten gang van “De Inzamelingsroep,” zouden aannemen, zou onze houding niet die zijn om alleen de dienst in de “heilige plaats” te verhelderen, maar ook het ceremoniële systeem. Menselijk oordeel zou ons dwingen te besluiten dat het gehele ceremoniële systeem, ontworpen was voor niets anders dan het volk te vermoeien, tot armoede te brengen, en hun laten denken dat God een soort wezen was, die bloeddorstig, hongerig voor vlees, en wreed voor dieren was. {1SC6:8.4}

Zouden de verdedigers van de “De Inzamelingsroep,” in Mozes zijn tijd, geleefd hebben, en als ze in de zelfde stemming waren als ze nu zijn, zouden ze duizendmaal betere redenen gevonden hebben om fouten te vinden met betrekking tot wat hij toen onderwees, dan ze nu hebben met betrekking tot het vinden van fouten in de geschriften van Zr. White, en als God nu met ze moest afrekenen, zoals Hij toen met hen afrekende, zou Hij hen net zo snel vernietigen als Hij diegene die fouten vonden bij Mozes had vernietigd. {1SC6:8.5}

Het spijt ons dat we in zulke duidelijke termen moeten spreken, maar daar we beseffen dat we met een probleem van leven en dood te maken hebben, zijn we omwille van Br. Ballenger gedwongen om onszelf zo duidelijk als we maar weten te maken en hopen dat hij zijn gezichtspunt wil heroverwegen. {1SC6:8.6}

We zeggen wederom, dat “De Inzamelingsroep,” geen enkel ding heeft ontzenuwt.  Bijvoorbeeld vragen wij uw aandacht voor hoe het probeert te bewijzen dat Zr. White  verkeerd was in het geloven dat de genadetijd gesloten was in 1844. We citeren van blz. 7: “… Een brief geschreven aan ouderling L. door Mw. White waarin ze zegt: ‘Tezamen met mijn broeders en zusters, nadat de tijd verstreken was in vierenveertig, geloofde ik, dat er geen zondaren meer bekeerd zouden worden.” {1SC6:8.7}

Door de bovengenoemde uitspraak, probeert “De Inzamelingsroep,” te bewijzen dat Zr. White jaren later onderwees, dat de genadetijd gesloten was in 1844 en dat er geen genadetijd meer voor zondaren was na die datum. Maar merk nauwkeurig op wat ze zegt: “Tezamen met mijn broeders en zusters, nadat de tijd verstreken was in … geloofde ik; ”dat betekend ze geloofde datgene wat Wm. Miller onderwees, en toen de gestelde datum voor de komst van Christus, voorbij ging in 1844, geloofde zij met de Millerieten, dat de genadetijd voor allen gesloten was. Maar ze zegt niet dat ze dat onderwees, nadat ze Gods boodschapper werd. Nu vragen wij “De Inzamelingsroep,” om ons te vertellen, als haar geloof in Miller’s boodschap, haar zou diskwalificeren om een profetes te worden, na de teleurstelling, en zou haar geloof voor 1844, de pioniers van de Z.D.A. kerkgenootschap verkeerd maken in hun leerstellingen, nadat ze meer licht hadden? –Helemaal niet. Het bewijst eerder, dat Zr. White gelijk had en “De Inzamelingsroep,” verkeerd voor het gebruiken van zo een zwak argument tegen een bewezen feit. {1SC6:8.8}

In deel Twee van een document getiteld: “De Leerstelling van het Onderzoekend Oordeel,” door W.W. Fletcher, een bondgenoot van “De Inzamelingsroep,” citeert de schrijver van “De Advent Review,” aug. 1850 (waarvan onze pogingen tekort schieten te controleren) waar ouderling James White spreekt, van het oordeel van de goddelozen tijdens het millennium, en Dan. 7: 22  als  zijn bewijs voert, welk Schriftgedeelte van toepassing is op die gebeurtenis. Het artikel miskent zowel ouderling White’s uitspraak en de Schrift, in het trachten ons te laten geloven dat ouderling White leert, dat het onderzoekend oordeel, begint na de tweede komst van Christus. {1SC6:8.9}

Het vraagt dan: “Op welke tijd verwacht u dat het oordeel van Daniel 7 plaats zal vinden?” In antwoord, citeert het van ouderling White’s geschriften deze uitspraak: “Daniel,’ zag in de nachtelijke visioenen dat ‘een oordeel gegeven was aan de heiligen van de Allerheiligste,’ maar niet aan sterfelijke heiligen—niet ‘totdat de Oudste der dagen kwam,’ en de ‘kleine hoorn,’ ophield te heersen, hetgeen niet zal zijn, tot hij vernietigd is door de helderheid van Christus Zijn komst. {1SC6:9.1}

Daar met de bovengenoemde uitspraak ouderling White, niet het onderzoeken oordeel uitlegt, maar eerder de ene gedurende de duizend jaar, en daar het artikel door het citaat, in tegenstelling tot het feit,  tracht uit te maken, dat hij niet geloofde in het onderzoekend oordeel, zoals het nu onderwezen wordt, kan de beschuldiging jammer genoeg slechts een boemerang zijn aan de handen van haar schrijver. {1SC6:9.2}

Wanneer men gedwongen is zijn toevlucht te nemen tot oneerlijke transacties, teneinde de geschriften van Zr. White te weerleggen, of de leerstellingen van het kerkgenootschap, bewijst men alleen dat haar geschriften geïnspireerd zijn en dat haar tegenstanders, zelf het spoor bijster zijn, om wat ze geschreven heeft, eerlijk tegen te spreken. {1SC6:9.3}

Op blz. 8 van “De Inzamelingsroep,” van sept.—okt., verschijnt het volgende citaat van Zr. White’s geschriften: “’ Ik werd in visioen getoond, en ik geloof nog steeds, dat er een gesloten deur was in 1844. Allen die het licht zagen van de eerste en tweede engelen boodschappen en dat licht verworpen hebben, ware in duisternis gelaten.”’  Dan stelt “De Inzamelingsroep,”de vraag: “We zouden willen dat de schrijver van de Review en Herald, welk licht dan ook zou aantonen,  dat gepresenteerd was in de eerste en tweede engelen boodschap.” {1SC6:9.4}

Het probleem licht niet in wat Zr. White onderwijst, maar in de uitermate geestelijke duisternis dat zij die “tegen de schenen schoppen” omringt, want zij zien slechts een sluiting van de genadetijd, terwijl de Bijbel een sluiting van genadetijd leert, na iedere boodschap die God stuurt. Zoals er een sluiting van genadetijd was voor de mensen voor de vloed, voor de inwoners van Sodom en Gomorrah, en voor de Joodse natie, evenzo is er een sluiting van de genadetijd voor iedere persoon, op het moment dat die persoon de boodschap verwerpt. Vandaar dat nadat de eerste en tweede engelen boodschappen aan het volk in die tijd werden gepresenteerd, hun genadetijd sloot en hun lot onveranderlijk was vastgelegd of voor het eeuwige leven of eeuwige dood, zoals het geval was met Saul, koning van Israel. {1SC6:9.5}

De profeet van God informeerde Saul, zeggende: “Omdat gij het Woord des Heeren (boodschap), verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dag gij geen koning zult zijn. (1 Sam. 15:23 ) Hoewel Saul smeekte en “tot Samuel zei: Ik heb gezondigd, omdat ik des Heeren bevel overtreden heb. En Samuel zei tot Saul: Ik zal met u niet wederkeren, omdat gij het Woord des Heeren verworpen hebt, zo heeft u de Heere verworpen, dat gij geen koning over Israëls zult zijn….De Heere heeft heden het koninkrijk van Israel van u afgescheurd…want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.” (1 Sam 15: 23-26, 28, 29) {1SC6:9.6}

De herdruk van de “Jones’ brief,” bewijst niets, zoals ik het zie. Het zwaarste onderdeel, dat “De Inzamelingsroep” erin heeft, is dat Zr. White de brief niet beantwoord heeft. Hoe waar dat ook mag zijn bewijst het niet dat ze verkeerd is. Ze moeten een hele tijd over die tegenstrijdige punten gediscussieerd hebben, voordat die betreffende brief geschreven was, en God alleen kent het aantal brieven en adviezen, die Jones heeft ontvangen die deze punten benaderden, voordat hij die betreffende brief schreef. Klaarblijkelijk zag ze geen reden waarom ze nog langer haar tijd op een onvoordelige wijze moest verspillen, voor die mannen, als “De Inzamelingsroep,” waren vastbesloten om het geloof van het volk in haar geschriften te vernietigen. De schrijver zelf, heeft vele brieven niet beantwoord, niet omdat ze niet beantwoord konden worden, maar omdat ze zijn tijd niet waard waren. {1SC6:9.7}

Hoewel, als de meningsverschillen tegen de Geest der Profetie het gevolg zijn van verkeer begrijpen en verkeerd beoordelen, is oneerlijkheid in vele gevallen de leidende factor geweest. Het sterkste argument tegen Zr. White geschriften die wij ooit gehoord of gelezen hebben zijn zwakker dan de zwaksten gebruikt tegen de Sabbat waarheid. {1SC6:9.8}

In een brief onder de datum 4 april 1933 aan een zekere zuster, zegt de schrijver van “De Inzamelingsroep” : .. Niemand kan de waarheid uit Gods Woord halen, tenzij hij de inspiratie van Zr. White laat varen. Iemand die haar onderwijzingen volgt, zal altijd in duisternis zijn. {1SC6:9.9}

Vanwege het feit dat “De Inzamelingsroep,” helemaal geen boodschap heeft, hoewel het “haar inspiratie,” heeft laten varen, en aangezien “De Herdersstaf,” vol is van tegenwoordige waarheid, ongeëvenaard licht van uit de Bijbel naar het volk stralend, terwijl ze op dezelfde tijd in volmaakte overeenstemming is met “haar inspiratie”,  bewijst het dat de bewering in de brief van “4 april,” onjuist. {1SC6:9.10}

Blz. 9 van “De Inzamelingsroep” van sept.—okt. zegt: “We zouden willen dat de schrijver van de R&H, welk licht dan ook zou aantonen,  dat gepresenteerd was in de eerste en tweede engelen boodschap.” De eerste engelen boodschap die in tijd onderwezen werd was dat Christus op 22 okt 1844 zou komen, om de heiligen te verlossen en al de goddelozen te vernietigen… Was er enige waarheid daarin? Het was allemaal dwaling.” {1SC6:10.1}

Het is waar dat de Millerieten de gebeurtenis van Christus die tot Zijn tempel in de hemel inkwam, begrepen als te zijn, Zijn laatste komst naar de aarde, “om zijn heiligen te verlossen en de goddelozen te vernietigen.” Desalniettemin, is de uitleg van de 2300 dagen, die verwijzen naar die gebeurtenis in 1844 correct. {1SC6:10.2}

Vandaar dat, als wij de bekendmaking van het onderzoekend oordeel moeten verwerpen, vanwege het feit dat de aard van Zijn komst verkeerd begrepen is, wat voor recht hebben we dan om de boodschap van Johannes de Doper te ontvangen, want Johannes predikte ook dat de Messias in die tijd een aards koninkrijk zou opzetten?Als “De Inzamelingsroep,” bestond in de tijd van Johannes, zou het zeker tegen zijn onderwijzing gerebelleerd hebben, en dus tegen Christus. {1SC6:10.3}

Wie waren bovendien beter voorbereid om de Heer in 1844, te ontmoeten, zij die geloofden dat de Heer toen kwam, of zij die Zijn komst veraf gezet hadden?—Vast en zeker degenen die in heilige verwachting op Zijn kortstondige komst wachten. {1SC6:10.4}

Broeder Ballenger denkt dat hij volstrekt gelijk heeft en dat de Geest der Profetie volstrekt verkeerd is, in dat om een ding, de leiders van het kerkgenootschap zijn argumenten niet succesvol kunnen weerleggen, maar hoewel dit het geval van de zaak mag zijn, betekend het niets, want hoe kan hij verwachten dat een “ellendige en jammerlijke, en arme en blinde en naakte” Laodiceaanse engel hem iets kan tonen? Dit is een oneerlijk voordeel nemen van de “Geest der Profetie,” door het te meten aan de onbewuste blindheid van de engel. Broeder Ballenger moet de Heer op Zijn Woord nemen, wanneer hij zegt van de engel: “Gij weet niet,” en zou moeten vrezen om het licht door de duisternis te oordelen, tenzij hij de toorn van de Heer op de hals wil halen. {1SC6:10.5}

God heeft nog nooit de gehele waarheid aan een enkele persoon geopenbaard. Maar Hij verwacht van ons dat we gelijke tred houden met het altijd toenemende licht, en hoewel ieder vooruitgaand licht bij het eerste aanbreken meer of minder wazig schijnt tot haar werkelijke essentie en omvang, zullen we het meer en meer in haar ware karakter zien, hoe dichterbij wij bij haar komen, want de profetieën van de Bijbel staan als een wegenkaart naar het koninkrijk. {1SC6:10.6}

Laat niemand een ander ontmoedigen in de 1844 beweging. God heeft een verschrikkelijke verassing voorhanden, voor allen die hun tijd misbruiken, in het trachten  de waarheid van de Millerieten en 1844 bewegingen omver te werpen, want “Wij hebben ook het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnend in een duisters plaats, totdat de dag aanlichtte en de Morgenster opga in uw haren. Dit eerst wetende dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van mensen, maar heilige mannen Gods van de Heilige Geest gedreven zijnde hebben ze gesproken.” (2 Petr. 1: 19-21) {1SC6:10.7}

De bovenvermelde verassing zal de Heer in spoedig komende publicaties presenteren. {1SC6:10.8}

“Geven we de boodschap van het 11e uur nu of zal het niet gegeven worden tot na de vervulling van Ezech. 9? Is de engel, die de aarde verlicht met Zijn heerlijkheid (E.W. 277) reeds gekomen?  Als de vragensteller de kaart op blz. 224 van Vol. 2 van de HStaf wil raadplegen, zal hij observeren, dat de engelen van Openb. 7 en 18 voorgesteld zijn als komend op het 11e uur, en daar we in de verzegelingstijd zijn, bewijst het dat we nu in het 11e uur zijn. {1SC6:10.9}

Betreffende de engel van Openb. 18: 1, met wiens heerlijkheid de aarde verlicht moet worden, claimen we niet dat we nu al het licht hebben, nog geloven we dat de aarde op dit moment met Zijn heerlijkheid verlicht is. Maar we houden wel vol dat een groot gedeelte van dat licht, reeds geopenbaard is en dat zodra de 144.000 verzegeld zijn en de kerk gereinigd door de scheiding van de zonderen “uit het midden daarvan,” door de mannen met de slachtwapens zoals beschreven in Ezechiel’s visioen, de aarde dan verlicht zal zijn, daar de 144.000 voortgaan om de boodschap aan al de volkeren te verkondigen. (Jes. 66: 19,20) {1SC6:10.10}

—————————————

Iedere Z.D.A, die verlangt dat de “Symbolische Code, gratis, regelmatig naar hem toegestuurd wordt, vul alstublieft de volgende formulier.

——————————————————–SCHEUR AF——————————————

Plaats alstublieft mijn naam op uw regelmatige postlijst voor u maandelijks blad: “De Symbolische Code.”

Naam—————————————————Straat /Postbus nr.—————————————————

Stad—————————————————-Staat—————————————Land————————

 

 

           

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Vraag Nr. 136:

Wat zal iemand doen, nu daar het geld nog nooit als tevoren zo gemakkelijk te verdienen is, maar de prijzen torenhoog zijn? Zal hij alles uitgeven dat hij verdient, of moet hij zich onthouden van zulk een buitensporigheid en alles sparen wat hij kan? En waar zal hij zijn inkomen storten? {ABN5: 59.2}

Antwoord:

Uit ervaringen uit het verleden hebben de wijzen de onverbiddelijkheid geleerd van de levenswet der inflatie en crisis. Zij weten dat het abnormale hoeveelheid geld dat in circulatie is de vraag naar goederen boven wat de markt kan verschaffen doet aanzwellen, waardoor het de prijzen tornhoog doet opstijgen. Zij herkennen hierin een waarschuwende teken van een ophanden zijnde financiële ramp. {ABN5: 59.3}

De verstandigen weten ook dat de wilde orgie van het uitgeven van alles wat zij verdienen, vroeg of laat moet eindigen in een omwenteling van ontberingen, smarten en spijt—het vernietigen van vele gezinnen. Dus ondernemen de wijzen van tevoren stappen om zich veilig te stellen

60

tegen de onvermijdelijke dag van economische uitval. In de tijd van prijsinflatie zullen zij streng de waanzin verloochenen van het nog weelderiger maken van hun huidige levensstandaard. En in deze tijd van versnelde geldcirculatie zullen zij bijleggen, sparen, in plaats van te spenderen. Zij zullen niet vervallen in die zorgeloze houding die alleen de laagste soorten van het dierenleven betaamt—van “feesten vandaag en hongersnood morgen”; noch zullen zij zich voegen bij hen die zeggen: “laat ons eten, drinken en ons verblijden [ons geld uitgeven zo gauw als wij het verdienen] want morgen sterven wij.” {ABN5: 59.4}

Een ieder die nu in de plezierboot instapt op haar vrolijke tocht tot de stroom van de minste weerstand, zal zeker gezogen worden in een onlosmakelijke maalstroom van financiële wanbeleid. Te laat zal hij ondervinden een slachtoffer te zijn van zijn beruchte zorgeloosheid—grove aanmatiging. De verstandelijke gelijkenis van zulk een persoon kan alleen worden vergeleken met dat van een gevoelloze bloedzuiger—dat stomme kleine waterschepsel dat zich lusteloos verhongert wanneer er niets geriefelijks is om zich daaraan te vestigen, en zichzelf dan doodt door teveel te eten wanneer er eindelijk iets zijn kant opkomt. Deze vorm van verkwisting is van het ergste soort want voor zo iemand is er geen “vader’s huis”om daarnaar terug te keren. {ABN5: 60.1}

Als de ervaringsgerichte maatstaf dat de geschiedenis zichzelf herhaalt moet worden erkend, dan moet er uit deze oorlog een overgangsperiode komen met haar onvermijdelijke depressie {crisis}. Een dollar wordt nu makkelijk verdiend; en een dollar die nu wordt gespaard kan twee of drie dollars waard zijn na de oorlog, wanneer geld nog schaarser kan worden gevonden dan het ooit is geweest. Dus is het nu de tijd om zo weinig mogelijk te spenderen en zo veel mogelijk ter zijde te leggen. Nu is de tijd van overvloed waarin er een oogst moet worden geoogst en het op te slaan voor de tijd van nood die voor ons ligt—om het niet te verbruiken aan “alles waarnaar de ziel begeert.” {ABN5: 60.2}

Naast welke noodzakelijke uitgaven en toenemende inhoudingen dan ook die men kan hebben—Inkomstenbelasting, Victory Belasting, Oorlogsobligaties, sociale verzekering, tienden en offers–zal iedere wijze loonverdiener een zeker bedrag terzijde leggen aan spaargeld, ongeacht hoe klein, en vasthoudend vaststellen dat niets hem ervan zal afleiden van dit plan, en dat niets deze fonds zal doen afnemen. Dit zal men echter zeer moeilijk ondervinden te doen, als gevolg van verleidingen tot spenderen, en van bedreven zakenlieden die hun levenlang hebben gestudeerd hoe zij het spaargeld van hun medemens kunnen uitbuiten. De Associatie heeft daarom een speciale Nalatenschapscertificaten bereid, die de houder ervan zal verzekeren van een nestei voor een “regenachtige dag,” of hem veilig te stellen tegen een financiële ongeluk in de dagen van oude leeftijd. {ABN5: 61.1}

De bezige bij bevoorraadt en spaart haar honing op gedurende de zomermaanden. Wanneer dan de winter komt, heeft niet alleen genoeg honing om haar door de moeilijke tijd heen te leiden, maar zij heeft zelfs ook wat over voor opzichter.  Tegenwoordige waarheid gelovigen zouden niet minder wijs moeten zijn dan een kleine onbeduidende bij! Laat het Nalatenschapscertificaat

61

een herinnering voor u zijn dat daar waar de motten niet kunnen binnengaan en waar de dieven niet  kunnen inbreken, de veiligste plaats is om uw schat te storten. En een klein beetje van zulk een vooruitziendheid nu zal het onmetelijk makkelijker maken bij het Vadershuis wanneer de inspannende tijden komen, want dan kunt u putten uit uw eigen reservefonds op uw certificaat. Het kan onmogelijk zijn voor de Associatie om al de ongelukkigen dán te dienen; en zij die geen voorziening treffen in deze korte tijd van ogenschijnlijke voorspoed, kunnen zich dán verlegen voelen. Vanzelfsprekend kunnen niemand anders dan zij die in het bezit zijn van een Lidmaatschaspscertificaat incvesteren in het Nalatenschapscertificaat—deelhebben aan deze door God gewijde spaarsysteem en ingewijde sociale zekerheid. {ABN5: 61.2}



Vraag Nr. 98:

Zullen we onze tienden aan de voorraadschuur betalen als we weten dat het niet op de juiste manier gebruikt wordt?

Antwoord:

Wetende dat onze tiende in Gods voorraadschuur thuishoort, zou onze grootste zorg moeten zijn dat het getrouw daar betaald wordt. Nergens in de Bijbel vinden we dat de Heer op de tienden betaler het toezicht houden van de kanalen waardoor deze fondsen gaan heeft gelegd. {ABN4: 46.2}

De Heer Zijn schatkamer is onder Zijn controle en als Hij Zelf het niet nodig vind om misbruik van het hanteren van Zijn geld te corrigeren, voorzeker wij zullen het ook niet kunnen hoe hard wij het ook zullen proberen. Als wij voorzichtig dat deel van Zijn werk bewaken, waar Hij ons mee toevertrouwd heeft, zal onze enige zorg zijn uit te vinden waar Zijn “voorraadschuur” is en dan getrouw Zijn geld daar storten. Hij heeft ons niet verantwoordelijk gesteld voor het gebruik ervan, dat zal Hij persoonlijk overnemen — zoals Hij nude regering in Zijn eigen handen neemt.” {ABN4: 46.3}

Toen het Beloofde Land verdeeld werd onder de twaalf stammen van Israel, ontving de stam der Levieten geen land als erfenis zoals de andere elf stammen. Daarvoor in de plaats gaf de Heer het decreet dat de tienden van de andere stammen naar de Levieten moesten gaan. Dit was hun erfenis. Het was hun eigendom. En precies zoals zij, als de tienden ontvangers, geen recht hadden aan de anderen, de tienden betalers, te bevelen wat te doen met hun eigen opbrengst nadat er tienden van afgegaan was, evenzo hadden de tienden betalers geen recht om de tienden ontvangers te bevelen wat met de tienden te doen. Elke stam was op zichzelf verantwoordelijk aan de Heer voor datgene waartoe het was toevertrouwd. Zo moet het vandaag de dag ook zijn. {ABN4: 46.4}



Vraag:

“Kan u alstublief uitleg geven van de eerste vruchten offers en  het betalen.van tienden”  {2SC10: 8.2.6}

Antwoord:

Salomon vermaant ons: “ Vereer de Heere met uw goederen en met de eerste vruchten van al uw opbrengsten.” (Spreuk. 3:6) {2SC10: 9.1.1}

‘Gij zult niet uitstellen te offeren de eerste van uw rijpe vruchten, en van uw drank; de eerstgeborene van uw zonen zult gij aan Mij geven.’Ex.22:29 [KJV] {2SC10: 9.1.2}

“En dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: … de eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij Hem geven.” (Deut. 18:3, 4) {2SC10: 9.1.3}

“Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;” (Deut. 26:2) {2SC10: 9.1.4}

“Gelijk het in de wet geschreven is; …Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des HEEREN.” (Neh. 10: 36,35) {2SC10: 9.1.5}

Uit deze schriftgedeelten horen we echter niet de verkeerde conclusie te trekken dat alle eerste vruchten door de Heer geëist worden. God heeft alleen een offer nodig van de eerste van de eerste vruchten, zoals bewezen wordt door het feit van de beweegschoof gepresenteerd aan de Heer voordat de persoon zijn gewas van eerste vruchten kan oogsten (Lev. 23:10); dat wil zeggen dat wij naast de tiende een offer verschuldigd zijn, en zouden niet God’s deel moeten achterhouden maar het meteen betalen, voor wij onszelf welk deel dan ook van onze opbrengst toeëigenen. {2SC10: 9.1.6}

 “Ouderlingen van de kerken, doe uw plicht. Werk van huis tot huis, dat de kudde van God niet nalatig zal zijn in deze grote zaak, die zo, een zegen of, zo een vloek met zich brengt…Ieder mens die de boodschap van waarheid naar onze kerken brengt, moet zijn plicht doen door te waarschuwen, onderwijzen, berispen. Iedere verzuim van een plicht welke een diefsal jegens God is, betekent een vloek voor de misdadiger.”—[Getuigenissen voor de Predikanten,] “Testimonies to Ministers,” pp. 306,307. {2SC10: 9.1.7}

“Laat de kerk predikanten en ouderlingen aanstellen die toegewijd zijn aan de Here Jezus, en laat deze mannen erop toezien dat er werkers gekozen worden die trouw het inzamelingswerk van de tienden zullen doen. Indien de predikanten laten zien dat zij niet geschikt zijn voor hun opdracht, als ze te kort schieten om voor de kerk het belang van het teruggeven Zijn eigendom aan God, als zij er niet op toezien dat de bedienaars onder hen trouw zijn en dat de tienden binnengebracht worden, zijn zij in gevaar. Zij verontachtzamen een zaak welke een zegening of een vloek voor de kerk inhoud. Zij zouden ontheven moeten worden van hun verantwoordelijkheid, en andere mannen zouden getoetst en toegelaten worden. De boodschappers van de Heer zouden moeten inzien dat Zijn voorwaarden trouw worden nageleefd door de leden van de kerk,” –Supplement bij “Review and Herald,” Dec.1, 1866.{2SC10: 9.1.8}

Zij die voorgaan als predikanten hebben een plechtige verantwoordelijkheid op hen welke wonderbaarlijk verwaarloosd wordt…Er is grote nood aangaande de instructies betreffende de verplichtingen en werkzaamheden voor God, in het bijzonder wat betreft het betalen van een eerlijke tiende.”—[Getuigenissen voor de Kerk, Deel 9]“Testimonies for the Church,’ Vol. 9, 250. {2SC10: 9.2.1}

In harmony met het bovengenoemd urgent bevel, zijn wij als predikanten van het Evangelie en als hervormers, “die de oude verwoeste plaatsen moeten bouwen…de fundamenten van vele generaties oprichten, en…geroepen worden, Die de bressen toemuurt, hersteller van paden om in te wonen” (Jes. 58:12), zijn plichtsgetrouw in het bijzonder voor het belang van degenen die niet in het bezit zijn van de geschriften van zuster White om de volgende instructies te citeren uit “Getuigenissen voor de Kerk:” {2SC10: 9.2.2}

”God’s voorwaarden nemen de eerste plaats in.Wij doen niet Zijn wil als wij aan Hem wijden wat er over is van ons inkomen nadat al onze ingebeelde behoeften voorzien zijn, voordat enig deel van ons inkomen is gebruikt  moeten we eruit halen en aan Hem presenteren dat deel dat Hij eist. In de oude dispensatie werd een voortdurend brandend offer van dankbaarheid op het altaar gehouden, aldus de eindeloze verplichting van de mens aan God tonend. Als wij voorspoed  hebben in onze wereldse zaken, is het omdat God ons zegent. Een deel van dit inkomen moet toegewijd worden aan de armen, en een groot deel aangewend worden aan de zaak van God. Als dat wat God eist aan Hem wordt terug gegeven, zal dat wat overblijft geheiligd en gezegend worden voor ons eigen gebruik

Maar als een man God berooft door dat wat Hij nodig heeft terug te houden, Zijn vloek rust op alles.” (Vol. 4, p. 477.) [Deel 4] {2SC10: 9.2.3}

“Paulus geeft een regel voor het geven aan Gods werk, en vertelt ons wat het resultaat zal zijn, zowel voor ons als voor God, ‘ieder doe, naarmate hij zich in zijn hart heeft voorgenomen, niet met tegenzin of gedwongen, want God heeft de blijmoedige gever lief’ ‘Bedenk dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten.’ ‘God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij,  opdat gij,in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moog zijn…Hij nu die zaad verschaft aan de zaaier en brood tot spijze, zal u uw zaaisel verschaffen en vermeerderen, en het gewas uwer gerechtigheid doen opschieten, terwijl gij in alles verrijkt wordt tot alle overvloed, welke door onze bemiddelig dankzegging aan God bewerkt.” (Deel 5 pag 597,598) (Vol. 5, p, 735) {2SC10: 9.2.4}

“De tienden moesten uitsluitend gebruikt worden, door de Levieten, de stam die apart gezet was voor de dienst van het heiligdom. Dit was echter niet alles wat aan godsdienstige doelstellingen besteed moest worden. De tabernakel, en later ook de temple, werd opgericht door vrijwillige gaven, en om te voorzien in de noodzakelijke kosten voor herstel en andere uitgaven, had Mozes bevolen dat bij elke volkstelling iedere Israëliet een halve sikkel zou bijdragen voor de dienst van de tabernakel. In de dagen van Nehemia werd jaarlijks een bijdrage gegeven voor dit doel. Van tijd tot tijd werden zondoffers en dankoffers aan God gebracht. Deze werden bij de jaarlijkse feesten in groten getale gebracht. En ook voor de armen werd ruimschoots voorziening getroffen.”—“Patriachen en Profeten 477”—“Patriarch and Prophets,” p. 526. {2SC10: 9.2.5}

“De Hebreeën moesten ruim een vierde deel van hun inkomsten geven voor godsdienstige en liefdadige doeleinden. Men zou verwachten, dat zulk een zware belasting op het bezit van het volk hen tot de bedelstaf brengen zou; maar de getrouwe waarneming van onze geboden was juist één van de voorwaarden voor hun welvaart. Op voorwaarde van hun gehoorzaamheid had God hen beloofd: ‘Dan zal ik u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht, van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij…En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de Here der heerscharen.’”—idem, p. 477.—Id., p. 527. {2SC10: 10.1.1}

“Hij heeft Zijn volk een plan gegeven om bedragen die voldoende zijn om de onderneming zelfvoorzienend te maken. Gods plan in het tiendensysteem is prachtig in haar eenvoud en gelijkheid. Allen mogen eraan deelnemen in geloof en moed, want het is goddelijk in haar oorsprong. Daar in zijn samengevoegd eenvoud en bruikbaarheid, en het vergt geen diepgang om het te leren begrijpen en het uit te voeren. Allen kunnen voelen dat zij een deel mogen hebben in het voort dragen van het kostbare werk van verlossing. Iedere man, vrouw, en jeugd kan een penningmeester voor de Heer worden en mag een vertegenwoordiger zijn om aan de eisen van het penningmeesterschap te voldoen. De apostel zegt, ‘Laat een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft.’ {2SC10: 10.1.2}

“Grote dingen worden bereikt door dit systeem. Als elkeen het zou willen accepteren zou een ieder een waakzame en getrouwe rentmeester voor God worden en er zou geen gebrek aan middelen zijn waarmee het grote werk voort moet gaan om de laatste waarschuwingsboodschap voor de wereld te luiden. De schatkamer zal vol zijn als allen dit systeem adopteerden en zij die bijdragen zullen niet armer worden. Vanwege ieder gedane investering zullen zij vertrouwd met de zaak van tegenwoordige waarheid worden. Zij zullen voor zichzelf een goed fundament opzij zetten voor de komende tijd, zodat zij het eeuwige leven mogen beerven’.”—Deel 3–Vol. 3, pp. 388,389. {2SC10: 10.1.3}

Er is een verwaarlozing in de kerken om het plan van systematische liefdadigheid en het resultaat is een verarmde schatkist en een afvallige kerk”—Idem–Id. P. 409 {2SC10: 10.1.4}

“Zodra Gods volk, in iedere periode van de wereld, met een opgewekt en gewillig Zijn plan heeft uitgevoerd in systematisch liefdadigheid en gaven en offers, hebben zij zich de blijvende belofte gerealiseerd dat voorspoed zal zorgen voor al hun arbeid naar verhouding van hun gehoorzaamheid aan Zijn voorschriften. Wanneer zij de vereisten van God erkennen en zich aanpasten aan Zijn voorschriften, Hem erend met hun goederen, waren hun schuren overvloedig gevuld. Maar wanneer zij God bestalen in tienden en in offers, beseften zij dat zij niet alleen Hem bestalen maar zichzelf; want Hij beperkte de zegeningen aan hen, naar de verhouding waarin zijn hun offers aan Hem hadden beperkt.”—Id., p. 395. {2SC10: 10.1.5}

“Systematische liefdadigheid kan er voor u nodeloos lijken; het feit dat het met God, wiens wijsheid feilloos is, is ontstaan ziet u over het hoofd,. Dit plan heeft Hij bestemd om wanorde te voorkomen, om begerigheid, gierigheid, zelfzuchtigheid afgoderij te corrigeren. Dit system moest er voor zorgen dat de last licht zou zijn, hoewel met gepast gewicht voor elkeen. De verlossing van de mens heeft een hoge prijs gekost, zelfs het leven van de God der heerlijkheid, welke Hij vrijelijk opgaf om de mens van ontaarding te verhogen, en hem te verhogen om erfgenaam van de wereld te worden. God heeft zo voorbestemd dat de mens zijn medemens zal helpen in het grote verlossingswerk.”–Vol. 1, p. 545. {2SC10: 10.2.1}

“Totdat allen het plan van systematishe liefdadigheid zullen hebben uitgevoerd, zal er een mislukking zijn om tot de hoogte van de apostolische wet te komen. Zij die bedienen in woord en leer zouden mannen van onderscheiding moeten zijn.” Vol. 3.p 411. {2SC10: 10.2.2}

“De armen die door de wet van de apostelen te volgen en iedere week een klein bedrag gaven, hebben geholpen om de schatkamer te doen groeien, en hun gaven zijn God welgevallig; want zij maken net zulke grote offers en zelfs grotere offers dan hun welgestelde broeders. Het plan van systematische liefdadigheid zal bewijzen een beveiliging te zijn tegen verzoekingen voor iedere familie om middelen te gebruiken voor nodeloze zaken; en in het bijzonder zal het voor de rijken een zegen zijn door hen te behoeden van het koesteren van buitensporigheden.” –Id., p. 412 {2SC10: 10.2.3}

Er moet een opwekking(ontwaken) zijn onder ons als volk betreffende deze zaak. Er zijn slechts weinig mannen die door hun geweten worden aangesproken als zij hun plicht in liefdadigheid nalaten. Slechts weinigen voelen gewetenswroeging van hun ziel omdat zij dagelijks de Heer beroven. Als een Christen opzettelijk of per ongelijk zijn buurman onderbetaald of weigert een eerlijke schuld teniet te doen, zal zijn geweten, tenzij het verschroeid is hem lasting vallen; hij kan niet rusten hoewel niemand behalve hij het weet. Er zijn vele nagelaten beloften en onbetaalde verplichtingen, en toch hoe weinigen die zich druk maken over deze zaak; hoe weinigen voelen de schuld van deze overtreding van hun plicht. Wij moeten nieuwe en diepere overtuigingen over dit onderwerp hebben. De gewetens moeten gewekt worden en de zaak ernstiger aandacht krijgen want er moet een verslag gegeven worden aan God in de laatste dag, en Zijn aanspraak moet afgehandeld worden.—Vol. 4, p. 468.{2SC10: 10.2.4}

“Van al ons inkomen moeten wij de eerste bestemming voor God maken. In het systeem van de weldadigheidsinstelling die de joden genoten, werden zij geacht of naar de Heer de eerste vruchten van al Zijn gaven te brengen, zowel in de overvloed van hun kudde of roedel, of van de opbrengst van hun velden, boomgaarden of wijngaarden of zij moesten het vrijkopen door het met een gelijkwaardige te vervangen. Wat is de gang van zaken toch veranderd in onze dagen! De eisen van de Heer en vereisten, worden indien zij enige aandacht krijgen, tot het laatst gelaten…. De meerderheid van belijdende Christenen doen met veel tegenzin afstand van hun middelen. Velen van hen geven niet een-twintigste van hun inkomen aan God, en velen geven veel minder dan dat; terwijl er een grote klasse is die God beroofd van de kleine tiende en anderen die alleen de tiende willen geven. Als al de tienden van onze mensen in de schatkamer van de Heer vloeiden zoals zij zou moeten, zouden er zulke zegeningen ontvangen worden dat gaven en offers voor heilige doelen tienvoudig vermenigvuldigd zouden worden en zou daardoor het kanaal tussen God en mens open gehouden worden.”—Id., p.474. {2SC10: 10.2.5}

“Niets behalve het absolute onvermogen om te betalen kan iemand rechtvaardigen om niet nauwgezet zijn verplichtingen aan de Heer te voldoen. Onverschilligeheid in deze zaak toont dat u verblind en misleid bent en de naam Christen onwaardig bent. …Laat een ieder zijn verleden nagaan en zien of er onbetaalde onafgeloste beloften zijn verwaarloosd en dan extra krachtinspanningen doen om tot de uiterste duit te betalen; want wij moeten allen ontmoeten en verdragen de laatste aangelegenheid van een rechtzitting waar niets anders de test zal kunnen doorstaan dan integreteit en rechtschapenheid.”—Id., p.476 {2SC1 0: 11.1.1}

“Nu eist God, niet minder, maar grotere gaven dan in welk andere periode van de wereld. De principe zoals opgelegd door Christus is dat gaven en offers in verhouding moeten zijn naar het licht en zegeningen die genoten worden. Hij heeft gezegd, ‘En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geeist worden.”—Vol.3, p. 392. {2SC10: 11.1.2}

“Zondoffers, vredeoffers en dankoffers waren ook vereist bovenop de tiende van de inkomsten. …Er is hier een belofte gegeven dat indien al de tienden in de voorraadschuur worden gebracht een zegen van God over de gehoorzame zal worden uitgestort. …Niet minder dan een derde van hun inkomen was toegewijd aan heilige en religieuze doeleinden.” – Vol. 3, p. 394,395. {2SC10: 11.1.3}

 “Wanneer wij spreken van de tiende als de standaard voor de Joodse contributies aan religieuze doeleinden, spreken wij niet begrijpend. De Heer hield Zijn eisen voornaamst, en in bijna ieder artikel werden zij herinnerd aan de Gever doordat er verwacht werd dat zij teruggaven aan Hem. Zij werden geacht een losgeld voor hun eerstgeboren zoon te betalen, voor de eerste vruchten van hun kudde, en voor de eerste inzameling van hun oogst.  Zij werden geacht de hoeken van hun oogstvelden voor de noodlijdenden te laten. …. Dan waren er de offergaven, de schendoffers, de zondoffers en het kwijtschelden van alle schulden ieder zevende jaar. Er waren ook talrijke uitgaven voor gastvrijheden en giften aan de armen en er waren taxaties op hun eigendommen.” –Vol.4. p. 467. {2SC10: 11.1.4}

“Er zijn slechts weinigen die de bindende eisen in acht nemen die God op hun heeft om het hun eerste zaak te maken om te voldoen aan de verplichting van Zijn zaak en hun eigen wensen als laatste te laten gelden. Er zijn slecht weinigen die investeren in de zaak van God naar verhouding tot hun middelen.” –Vol 3, p. 398. {2SC10: 11.2.1}

“De Heer zal Zijn zegen terugnemen waar zelfzuchtige interesses worden gekoesterd in iedere fase van het werk; maar Hij zal Zijn volk in bezittingen van goederen brengen door de hele wereld, als zij het willen gebruiken voor de verheffing van de mensheid. De ervaring uit apostolische dagen zullen wij hebben wanneer wij hartgrondig Gods principe van weldadigheid accepteren,–instemmen om in alle dingen de leiding van Zijn Helige Geest te gehoorzamen.”—Vol. 7, p. 146. {2SC10: 11.2.2}

“Een vloed van licht schijnt vanuit het woord van God, en moet een ontwaken uit nagelaten mogelijkheden zijn. Wanneer allen trouw zijn in het teruggeven van de tienden aan God, Zijn eigen tienden en offers, zal de weg voor de wereld geopend worden om de boodschap voor deze tijd te horen. Als de harten van Gods volk gevuld waren met liefde voor Christus; als iedere kerklid volledig doordrengt was met de Geest van zelfopoffering;  als allen volledige oprechtheid verkondigden, zou er geen tekort aan middelen zijn voor huizen of buitenlandse missies. Onze bronnen zouden vermenigvuldigd worden; duizend nuttige deuren zouden geopend worden en wij zouden gevraagd worden om binnen te gaan. Indien het doel van God was uitgevoerd door Zijn volk in het geven van de boodschap van genade aan de wereld, was Christus al naar de aarde gekomen en hadden de heiligen hun welkom in de stad van God ontvangen.”—Vol 6, p. 450. {2SC10: 11.2.3}

“Alle dingen zijn gereed, maar de kerk is klaarblijkelijk op betoverde grond. Wanneer zij zullen ontwaken en hun gebeden en rijkdom en al hun energie en bronnen aan de voeten van Jezus leggen, zal de zaak van waarheid zegevieren. Engelen zijn verbaasd dat Christenen zo weinig doen terwijl er zo een voorbeeld aan hen is gegeven door Jezus, die zichzelf niet eens de dood ontzegde.”—Vol. 4, p. 475 {2SC10: 11.2.4}

“Het is tijd voor ons om acht te slaan op de leer van Gods woord. Al Zijn bevelen zijn voor onze bestwil gegeven, om de ziel te bekeren van zonde tot gerechtigheid. Iedere bekeerde tot de waarheid, zou geinstrueerd moeten worden betreffende de vereisten van de Heer over tienden en offers. …Degenen die waarlijk bekeerd zijn, zijn geroepen tot een werk dat geld en toewijding vereist. De vereisten die ons verplichten om onze namen in de kerkboeken te behouden houdt ons verantwoordelijk om voor God te werken tot het uiterste van onze mogelijkheden. Hij vraagt om onverdeelde dienst, voor de algehele toewijding van het hart, de ziel, het verstand, en kracht. … Dit is waar voor zowel tijdelijke als geestelijke dingen. De Heer komt niet naar deze wereld met goud en zilver om Zijn werk te bevorderen. Hij voorziet de mens met middelen zodat door hun gaven en offers zij Zijn werk kunnen blijven bevorderen.  Het ene doel boven alle anderen waarvoor Gods gaven gebruikt moeten worden is het ondersteunen van werkers in het grote oogstveld. En als zowel mannen als vrouwen kanalen van zegen voor andere zielen willen worden, zal de Heer de kanalen voorradig houden. Het is het niet teruggeven aan God wat van Hem is dat de mens arm maakt; het is het achterhouden dat leidt tot armoede.” –Vol. 6, p. 447, 449.{2SC10: 11.2.5}

“Sommigen zijn ontevreden geweest en hebben gezegd ‘Ik zal niet langer mijn tiende betalen; want ik heb geen vertrouwen in de manier waarop dingen worden beheerd bij het hart van het werk.’ Maar zal u God bestelen omdat u denkt dat de beheerder van het werk niet goed is? Doe uw klacht duidelijk en openlijk met de juiste geest, bij de juiste werkers. Stuur uw verzoeken in voor dingen die aangepast en recht gezet moeten worden; maar trek u niet terug van het werk van God en zo uw ontrouw tonend omdat anderen hun werk niet goed doen.” –Vol. 9, p. 249. {2SC10: 12.1.1}

“De laatste Jaren van de genadetijd sluiten snel. De grote dag de Heren is nabij. Wij zouden nu iedere poging moeten doen om onze mensen wakker te maken. Laat de woorden van de profeet Maleachi bij iedere ziel aangedragen worden.” –Vol. 6, p. 446. {2SC10: 12.1.2}

“Gebeden hoe vaak en hoe oprecht ook opgezonden zullen nooit geaccepteerd worden door God in de plaats van onze tiende. Gebed zal onze schulden aan God niet betalen.” –“Boodschappen voor de Jeugd,” p. – “Messages to Young People,” p. 248. [Boodschappen voor Jonge Mensen, 233] {2SC10: 12.1.3}



Precies zoals de verzegelingsboodschap is afgesloten met opmerkelijke vooruitgang in elk van haar zeven veelbewogen jaren, zo is het in 1937 afgesloten met de wonderbaarlijke vooruitgang dat alle Mt.Carmel werknemers nu vergoed moeten worden voor hun werk, in plaats van dat zij voor niets werken, en dat Mt.Carmel zorgdraagt voor hun vergoedingen. {4SC1-3: 2.1.1}

Bovendien zijn wij als leiders in dit hervormingswerk nu in staat om voor alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen het juiste voorbeeld te stellen voor wat betreft het betalen van tienden en vrijwillige gaven. Dat betekent dat naast het geven van een vrijwillige bijdrage , de inwoners van Mt Carmel nu een dubbele tiende betalen over hun inkomsten, welke gewoonte onze persoonlijke tiende en gaven zal doen verhogen tot tussen de 25% en 30% op al onze persoonlijke “inkomsten”, wat ons  naar de aloude Joodse standaard van weldadigheid verhoogd, welke wordt verklaard in de volgende citaten: {4SC1-3: 2.1.2}

“Terwijl wij spreken van de tiende als de standaard voor de Joodse contributies aan religieuze doeleinden, spreken wij niet begrijpend. De Heer hield Zijn eisen voornaamst, en in bijna ieder artikel werden zij herinnerd aan de Gever doordat er verwacht werd dat zij teruggaven aan Hem. Zij werden geacht een losgeld voor hun eerstgeboren zoon te betalen, voor de eerste vruchten van hun kudde, en voor de eerste inzameling van hun oogst.  Van hun werd verwacht dat zij de hoeken van hun oogstvelden voor de noodlijdenden lieten. Wat er ook uit hun handen viel tijdens het oogsten werd voor de armen gelaten, en eens in iedere zeven jaar werd hun land toegestaan om spontaan voor de behoeftigen te produceren. Dan waren er de offergaven, de schendoffers, de zonde-offers en het kwijtschelden van alle schulden ieder zevende jaar. Er waren ook talrijke uitgaven voor gastvrijheden en giften aan de armen en er waren taxaties op hun eigendommen. {4SC1-3: 2.1.3}

In genoemde perioden werden er om de integriteit van de wet te behouden de mensen ondervraagd of zij wel of niet trouw hun beloften hadden nageleefd. Enkele plichtsgetrouwen gaven terug aan de God van ongeveer een derde van al hun inkomsten ten bate van godsdienstige belangen en voor de armen. Deze opvorderingen waren niet van een bepaalde klasse van mensen maar van allen, de vereisten naar evenredigheid verdeeld volgens het bedrag dat zij in bezit hebben. Naast al deze stelselmatige en regelmatige donaties, waren er speciale onderwerpen die een vrijwillige offerande vereisten, zoals de loofhut gebouwd in de woestijn, en de tempel opgericht te Jeruzalem. Deze ontwerpen waren door God voor het volk voor hun eigen bestwil gemaakt, alsook om Zijn dienst voort te zetten. {4SC1-3: 2.1.4}

Er moet een opwekking(ontwaken)zijn onder ons als een volk betreffende deze zaak. Er zijn slechts weinig mannen die door hun geweten worden aangesproken als zij hun  {4SC1-3: 2.1.5}

plicht in liefdadigheid nalaten. Slechts weinigen voelen gewetenswroeging van hun ziel omdat zij dagelijks de Heer beroven. Als een Christen opzettelijk of per ongelijk zijn buurman onderbetaald of weigert een eerlijke schuld teniet te doen, zal zijn geweten, tenzij het verschroeid is hem lasting vallen; hij kan niet rusten hoewel niemand behalve hij het weet. Er zijn vele nagelaten beloften en onbetaalde verplichtingen, en toch hoe weinigen die zich druk maken over deze zaak; hoe weinigen voelen de schuld van deze overtreding van hun plicht. Wij moeten nieuwe en diepere overtuigingen over dit onderwerp hebben. De gewetens moeten gewekt worden en de zaak ernstiger aandacht krijgen want er moet een verslag gegeven worden aan God in de laatste dag, en Zijn aanspraak moet afgehandeld worden. {4SC1-3: 2.1.5}

 “De verantwoordelijkheden van de Christelijke zakenman, hoe groot of klein zijn kapitaal ook mag zijn, zal in juiste verhouding tot zijn gaven aan God zijn. De bedriegelijkheid van rijkdommen heeft duizenden en tienduizenden vernietigd.  Deze welgestelde mannen vergeten dat zij rentmeesters zijn, en dat de dag snel nadert wanneer eraan hen gezegd gaat worden. ‘Geef  een  verslag van uw rentmeesterschap.’ Zoals getoond door de gelijkenis van de talenten, is iedere man verwantwoordelijk voor het wijze gebruik van de verleende giften. De arme man in de gelijkenis voelde zich het minst verantwoordelijk omdat hij de minste talenten had.en maakte geen gebruik van de aan hem toevertrouwde talent; daarom werd hij uitgeworpen in de buitenste duisternis. {4SC1-3: 2.2.1}

“Christus zei, ‘ Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!’ en Zijn discipelen werden verbaasd  over deze Zijn leer (doctrine). Wanneer een predikant die met succes gewerkt heeft in het verkrijgen van zielen voor Jezus Christus, zijn gezegend werk in de steek laat om tijdelijke winst te verkrijgen wordt hij een afvallige genoemd en zal hij aansprakelijk gehouden worden voor God voor de talenten die hij verkeerd heeft toegepast. Wanneer zakenlui, landbouwers, werktuigkundigen, ondernemers, raadsmannen, enz., lid worden van de kerk, worden zij dienaren van Christus; en hoewel hun talenten totaal verschillen is hun verantwoordelijkheid om de zaak van God te bevorderen door persoonlijke inspanning en met hun middelen, niet minder dan die welke bij de predikant ligt. De wee welke zal vallen op de predikant als hij niet het evangelie predikt zal zeker ook op de zakenman vallen, als hij met zijn verchillende talenten geen medewerker met Christus wil zijn in het bereiken van dezelfde resultaten. Wanneer deze boodschap bij de persoon wordt overgebracht, zullen sommigen zeggen, “Dat is een harde leer;” nochtans is het waar, hoewel het voortdurend wordt tegengesproken door mannen die belijden volgelingen van Christus te zijn {4SC1-3: 2.2.}

God heeft voorzien in brood voor Zijn volk in de woestijn door een wonder van genade en Hij had in al het nodige kunnen voorzien voor religieuze diensten; maar dat heeft hij niet gedaan, omdat Hij in Zijn oneindige wijsheid zag dat de morele discipline (tucht) van Zijn volk afhing van hun samenwerking met Hem, dat elk van hen iets doet. Zolang de waarheid progressief is, rusten de aanspraken van God op mensen om datgene te geven welke Hij heeft toevertrouwd aan hen voor deze zelfde reden. God, de Schepper van mensen, heeft door het plan van systematische liefdadigheid in te stellen, ervoor gezorgd dat het werk door allen op gelijke wijze gedragen wordt overeenkomstig hun verschillende vaardigheden. Een ieder moet  zijn eigen taxateur zijn en is geacht te geven zoals hij in zijn hart overeenkomt. Maar er zijn er die schuldig van dezelfde zonde als Ananias en Saphira, denkend dat als zij een deel van wat God vraagt in het tiendensysteem achterhouden de broeders het nooit zullen weten. Alzo dacht het schuldige paar wiens voorbeeld ons als een waarschuwing is gegeven. God bewijst in dit geval dat Hij het hart onderzoekt. De motieven en doelen van de mens kunnen voor Hem niet verborgen worden. Hij heeft een eeuwigdurende waarschuwing aan Christenen van alle leeftijden gelaten zodat zij bewust zijn van de zonde waartoe het hart der mensen voortdurend geneigd is. {4SC1-3: 2.2.3}

“Hoewel er nu geen zichtbaar teken van God’s misnoegen bij de herhaling van de zonde van Ananias en Saphira volgt, is de zonde toch net zo weerzinwekkend in Gods aangezicht en zal de overtreder er even zeker door getroffen worden op de dag des oordeels en velen zullen de vloek van God zelfs in dit leven voelen. Als er een belofte gedaan is voor de zaak, is het een eed die gemaakt is met God en zou heilig nagevolgd moeten worden. In Gods ogen is het niet anders als heiligschennis om ons toe te eigenen dat wat eens was toegezegd om Zijn heilig werk vooruit te helpen. {4SC1-3: 3.1.1}

Als er een mondelinge of schriftelijke gelofte is gemaakt in aanwezigheid van onze broeders om een bepaald bedrag te geven, zijn zij de zichtbare getuigen van een contract dat gemaakt is tussen ons zelf en God. De gelofte is niet gemaakt met de mens maar met God en is als een geschreven aantekening(notitie) voor een buurman. Geen wettelijke waardepapier is meer bindend voor de Christen voor het betalen van geld, dan een gelofte gemaakt aan God. {4SC1-3: 3.1.2}

Personen die zo deze gelofte maken met hun medemens denken er over het algemeen niet over na om van hun geloften ontheven te worden. Een eed(toezegging) gemaakt met God, de gever van alle zegeningen(voorrechten), is van nog grotere belangrijkheid; waarom zullen wij dan ernaar streven om van onze gelofte met God ontheven te worden? Zal de mens zijn belofte minder bindend achten omdat het met God gemaakt is? Is zijn eed minder waard omdat het niet tot een proces in de rechtzaal is gebracht? Zal een man die beweerd dat hij gered is door het bloed van het oneindige offer van Jezus Christus, ‘God bestelen’? Worden zijn toezeggingen en daden niet gewogen in de weegschaal van gerechtigheid in de hemelse zalen? {4SC1-3: 3.1.3}

Elk van ons heeft een nog onbesliste zaak in de hemels gerechtszaal. Zal onze manier van handelen de overwicht tegen het bewijs tegen ons hebben? Het geval van Ananias en Saphira was één met de meest belastende  karaktereigenschap. Door een deel van de prijs achter te houden, logen zij tegen de Heilige Geest. Evenzo ligt het schuldgevoel bij iedere individu in verhouding met de overtredingen. Wanneer de harten van mensen verzacht zijn door de aanwezighed van de Geest van God, zijn zij gevoeliger voor de indrukken van de Heilige Geest, en neemt men voor om de eigen ik te verloochenen en te offeren voor de zaak van God. Het is wanneer licht met ongewone helderheid en macht in de kamers van het verstand schijnt dat de gevoelens van de natuurlijke mens overwonnen worden, dat zelfzucht zijn macht verliest op het hart en dat verlangens worden opgewekt om het Patroon, Jezus Christus te imiteren, in het beoefenen van zelfverloochening en weldadigheid. De mentaliteit van de van nature zelfzuchtige man wordt dan vriendelijk en erbarmelijk jegens verloren zondaars en hij maakt een plechtige gelofte aan God, zoals Abraham en Jacob deden. Hemelse engelen zijn aanwezig bij zulke gelegenheden. De liefde voor God en liefde voor zielen zegeviert boven zelfzuchtigheid en wereldse liefde. In het bijzonder is dit het geval wanneer de spreker in de Geest en macht van God, het verlossingsplan toont zoals vastgelegd door de Majesteit van de Hemel in het offer aan het kruis. Door de volgende bijbelteksten kunnen wij zien hoe God het onderwerp van toezeggingen (geloften) beschouwd.  {4SC1-3: 3.1.4}

“ ‘En Mozes sprak tot de hoofden van de stammen aangaande de kinderen Israëls, zeggende: Dit is de zaak die de HEERE geboden heeft. Wanneer een man de HEERE een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is zal hij doen.’ (Num. 30:1-2)  ‘Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht des engels, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen?’  Pred. 5:5 ‘Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen, Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.’ Ps. 66:13,14. ‘Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen’ Spreuken 20:25, ‘Wanneer gij den HEERE, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet verslappen die te betalen; want de HEERE, uw God, zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn. Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den HEERE, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt. Deut. 23:21-23. [KJV] {4SC1-3: 3.2.1}

“ ‘Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;’ Ps 76:12. ‘Maar gij ontheiligt dien, als gij zegt: Des HEEREN tafel is ontreinigd, en haar inkomen, haar spijs is verachtelijk.Nog zegt gij: Ziet, wat een vermoeidheid! maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de HEERE der heirscharen; gij brengt ook hetgeen geroofd is, en dat kreupel en krank is; gij brengt ook spijsoffer; zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand? zegt de HEERE.Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en den Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE der heirscharen, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen’.Mal.1:12-14”–Getuigenissen voor de Kerk deel 4 (Testimonies for the Church, Vol. 4, pp 467-471) {4SC1-3: 3.2.2

Verder betaalt  Mt. Carmel salarissen niet alleen aan al haar vaste arbeiders, maar ook aan al haar studenten, wat hen in staat stelt om een deel van hun onkosten, welk voorrecht van zelf redzaamheid niet alleen de lasten van hun ouders vermindert  maar telijkertijd ook, de studenten leert om verantwoordelijkheden te dragen en zelfvoorzienend te worden, hetgene zowel de ouders als de scholen gefaald hebben te doen, met het beklagenswaardige resultaat dat nadat de jeugd de schoolleeftijd gepasseerd is, zij niet alleen niet in staat zijn om geld te verdienen voor een huis, maar ook om zelf de eigen kost te verdienen en een vloek voor de wereld zijn; terwijl zij een zegen zouden moeten zijn voor allen,  {4SC1-3: 4.1.1}

Dit vergoedingssysteem van 1938 is van toepassing op alle kinderen van vier jaar en daarboven, zoals uiteengezet in de volgende aanvullende verordening bij de wet en regelgeving van de Generale Associatie van de Herders’ Staf Zevende-dag Adventisten: {4SC1-3: 4.1.2}

“ Deze Associatie zal bestaan uit onzelfstandige en zelfstandige afdelingen” {4SC1-3: 4.1.3}

“DE  ONZELFSTANDIGE AFDELINGEN zullen worden: de Educatieve , de Bediening, Liefdadigheid en het Algemeen Kantoor.  {4SC1-3: 4.1.4}

  “Voor het onderhouden van de educatieve afdeling zal er een offer van 5% van het netto inkomen vereist zijn van alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen. Dit offer van anderen dan diegenen op Mt. Carmel zal special gebruikt worden voor het onderhoud van de kinderen op school, van wie de ouders financieel niet in staat zijn om dat te doen en voor het onderhoud van de schoolgebouwen.  {4SC1-3: 4.1.5}

“Het schoolbestuur zal geen studenten meer aannemen totdat er aan extra ruimten is voorzien om voor hen te zorgen en totdat tegenwoordige waarheid gelovigen beantwoorden aan hun plicht en de studenten op school houden.  {4SC1-3: 4.1.6}

“De Bedienings Afdeling – werkers en Tegenwoordige Waarheid publicaties—zullen onderhouden worden door de eerste tiende. Naast al deze uitgaven van deze afdeling, zullen ze gebruikt worden voor het aanschaffen van constructie materiaal voor het bouwen van institutionele gebouwen op Mt. Carmel Center. {4SC1-3: 4.1.7}

 De Liefdadigheids-Afdeling zal onderhouden worden door de tweede tiende, waarvan de 5% van schoolcontributies een deel is, en al de offers die niet voor een specifieke fonds bestemd zijn. De financiën van deze afdeling zullen moeten zorgen voor alle eerzame weldadige gevallen. {4SC1-3: 4.1.8}

 “DE ZELFSTANDIGE AFDELINGEN zijn de Handel, de Boerderij, Pachtgoed(eigendomsgrond) , Culinaire, Wasserij en Medische. {4SC1-3: 4.1.9}

Onderhoud van de Educatieve Afdeling

Er zijn een aantal kinderen van wie de ouders financieel niet in staat zijn om hen op school te houden en aangezien Mt. Carmel, hun geestelijke moeder, verlangt om al haar kinderen te redden, heeft zij hen geadopteerd. Maar aangezien haar ondersteuning van alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen moet komen, maakt zij hierbij aan allen haar behoeften voor deze kinderen bekend. {4SC1-3: 5.2.1}

Er is een schatting dat de gemiddelde offers die ontvangen worden van Tegenwoordige Waarheid gelovigen ongeveer 2% van hun “opbrengst” bedraagt en dat er tussen 5 en 8% nodig is om de school in stand te houden. Vandaar dat Mt. Carmel in niet mis te verstane woorden verzoekt dat alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen niet minder dan 5% van hun opbrengst bijdragen aan dit noodzakelijke fonds. Met andere woorden, als iemands inkomen $ 15 per week is, zal zijn eerste tiende $1.50 bedragen voor de 10 procent tiende en 68ct voor de 5% van het in stand houden van de school welke in total $ 2.18 zal bedragen. {4SC1-3: 5.2.2}

Als alle Tegenwoordige Waarheid gelovigen aan deze dringende en eerzame oproep gehoor geven, dan zal het probleem om de school in stand te houden en een Christelijk onderwijs voor de kinderen te waarborgen voor altijd opgelost zijn. Maar dat het bekend mag zijn, Broeder, Zuster, dat als u faalt uw falen Mt. Carmel zal beletten dat te doen voor uw kinderen wat de Heer van haar verwacht te doen en wat gedaan moet worden indien zij gered moeten worden. Deze manier van verzaken nu, zal verderf brengen voor zowel oud en jong. {4SC1-3: 5.2.3}