De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Beantwoorder, Boek Nr. 3

Beantwoorder, Boek Nr. 3

ABN3-1200x675.jpg

1

Kopierecht, 1944, door

V.T. Houteff

Alle Rechten Voorbehouden

Opdat een ieder die dorst naar de Waarheid, het kan verkrijgen, wordt dit traktaat kosteloos per post verzonden. Het vereist één vordering, de verplichting van de ziel aan zichzelf om alle dingen te onderzoeken en vast te houden aan datgene wat goed is. De enige voorwaarden die verbonden zijn aan dit aanbod zijn de gouden stranden en de karmozijnrode koorden van Golgotha–de banden die bindend zijn.

Namen en adressen van Z.D. Adventisten die naar ons worden verzonden zullen gewaardeerd worden.

2

De BEANTWOORDER

Boek Nr. 3

Vragen en Antwoorden over Onderwerpen van Tegenwoordige

Waarheid in het belang van de Broeders en Zusters der

Zevende-dags Adventisten en Lezers van

De Herdersstaf

door V.T. Houteff

Deze “schriftgeleerde,” die is onderwezen betreffende het Koninkrijk der Hemelen, “brengt te voorschijn(…)nieuwe en oude dingen.” Matt. 13:52.

“Heiligt” nu “de Here God in uw harten,

altijd bereid tot verantwoording aan

al wie u rekenschap vraagt van de hoop,

die in u is, doch met zachtmoedigheid en vreze.”

1 Petr. 3:15.{KJV}.

3

INHOUD

Welk Heiligdom Wordt Gereinigd en Wat Verontreinigde Het? 5
Wanneer Begint de Dag? 7
Waar Begint de Hebreeuwse Jaartelling? 9
Vonden het Pascha en de Begrafenis op Dezelfde Dag Plaats? 14
Heeft het Werk van De Herdersstaf een Type? 19
De Vier Winden—Wat Zijn Zij? 24
De 144.000 of een Grote Schare? 26
Zullen Wij Geloven of Zullen We Twijfelen? 28
Zullen Allen Komen tot de Tijd van de Plagen? 41
Zullen de Plagen Vallen op Laodicea of op Babylon? 43
Is het Beest Zowel een Wereldse als een Kerkelijke Macht? 44
Waarom Zijn Niet Beide Visioenen Hetzelfde? 45
Is de Poel des Vuurs Brandend of Uitgeblust Gedurende Het Millennium{De Duizend Jaren}? 46
Is Slechts een Gedeelte Niet Vertreden? 47
Wie Vaardigde het Derde Dekreet Uit? 47
456 of 457 V. Chr.? 49
Allen of een Overblijfsel—Welk? 51
Weinigen of Velen Gered? 51
Aan Welke Kant Zult U Staan? 54
De Kerk of de Wereld Redden? 65
Gereinigd door God, of door Satan? 69
Zuigelingen en Heidenen Gered of Verloren? 71
Zullen Bij de Verzameling Uit Alle Natiën Ook Alle Gekleurde Mensen Worden Inbegrepen? 74
Zullen Heidenen het Koninkrijk Beërven? 76
Wie is Zij Die Kreupel Is? 76
Het Huwelijk of Het Celibaat? 79
Is de Wet Nietig Verklaard? 86
Zijn Wij Niet Vrijgemaakt van het Onderhouden van de Wet? 90
Om Welke Reden Zal er Geen Gelijkenis Worden Gemaakt? 92
Wat Zal Uw Volgende Stap Zijn? 94

4

VRAGEN EN ANTWOORDEN

WELK HEILIGDOM WORDT GEREINIGD EN WIE VERONTREINGDE HET?

Vraag Nr. 48:

   Verwijst het woord “reiniging” waarover wordt gesproken in Daniël 8:14 naar een reiniging van het hemelse heiligdom? Zo ja, wat verontreinigde het? {ABN3: 5.1}

Antwoord:

Hoewel het heiligdom in de hemel en die op aarde op twee verschillende locaties staan, is het één noodzakelijkerwijs toch met het ander verbonden, want beiden behandelen dezelfde zonde en zondaars. Vandaar dat het verontreinigd raken van het ene heiligdom als gevolg het andere beïnvloedt. Bijvoorbeeld, als sommige leden van de kerk op aarde afvallig zouden worden nadat zij eenmaal bekeerd zijn (zoals Achan, Koning Saul, Judas, Ananias en Safira, en vele anderen dat deden, wiens namen eens waren geschreven in het Boek des Levens maar die door te falen om in het geloof voort te gaan het eeuwig leven onwaardig zijn geworden), dan zouden zij vanzelfsprekend tegelijkertijd beide heiligdommen verontreinigen. Het aardse verontreinigen zij door hun feitelijke handelingen en invloed; het hemelse, doordat hun onwaardige namen in haar boeken staan; want terwijl het aardse heiligdom de mensen herbergt, herbergt het hemelse hun verslagen. {ABN3: 5.2}

Terwijl het dus noodzakelijk is om het aardse heiligdom te reinigen van afvalligen en huichelaars, is het noodzakelijk om het hemelse heiligdom te reinigen van de

5

namen van de zondaars in haar boeken. En de juiste term voor zulk een werk is: het Onderzoekend Oordeel—het werk dat wordt afgebeeld in de profetie van Daniel (Dan. 7:9,10) en in de gelijkenissen van Christus van de oogst, het net, de talenten, het bruiloftskleed, en de bokken en de schapen. {ABN3: 5.3}

Daar de Bijbel echter duidelijk leert dat dit bijzonder werk slechts eenmaal plaatsvindt gedurende de genadetijd (Hebr. 9:26), dan volgt het dat de verslagen van hen die zijn gestorven door de eeuwen heen, de eersten zullen zijn die het revue van God, de Grote Rechter, zullen passeren (Dan. 7:9,10). Nadat dezen zijn onderzocht, dan zal het onderzoek van de verslagen van de levenden beginnen. En daar ons wordt verteld dat er tweee groepen mensen zijn in de kerk (“tarwe” en “onkruid”—Matt. 13:30), is het duidelijk dat het onderzoekend Oordeel (“de oogst”) van de doden alleen het hemelse heiligdom betreft.  Dit wordt dubbel verduidelijkt wanneer eraan wordt gedacht dat “de doden niets weten” (Pred. 9:5) maar zonder bewustzijn liggen terwijl zijn in hun graven wachten op de opstandingsdag. Maar wanneer het Oordeel (“oogst”) van de levenden zal beginnen, dan zal het heiligdom op aarde noodzakelijkerwijs worden gereinigd van de huichelaars, en het heiligdom in de hemel van hun namen in haar verslagen. Beide heiligdommen zijn daarom betrokken. De reiniging van de aardse wordt verder bevestigd door de profetie van Maleachi: {ABN3: 6.1}

 “Zie, Ik zend Mijn boodschap­per, en hij zal de weg voor Mij bereiden; en de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen, namelijk de

6

boodschapper van het ver­bonds, in wie gij u verlustigt; zie, Hij zal komen, zegt de Here der heer­scha­ren. Doch wie kan de dag van zijn komst ver­dragen, en wie zal standhouden, als Hij ver­schijnt? Want Hij is als het vuur van de smel­ter en het loog van de blekers. En Hij zal zitten als een smelter en reiniger van zilver; en Hij zal de zonen van Levi reini­gen, en hen louteren als goud en zil­ver, opdat zij de Here in ge­rechtig­heid een offer kunnen brengen.” Mal. 3:1-3 (KJV.) {ABN3: 6.2}

Voorts moet het onder de voeten vertreden van zowel het heiligdom als het heer, en het “ter aarde” werpen “van de waarheid”, zoals wordt afgebeeld in Daniel 8:12, ook in beschouwing worden genomen. Door het priesterschap van Christus te vervangen met een heidense priesterschap, en het heer van God met onbekeerde heidenen, evenals door een heidense feestdag te introduceren in de plaats van Gods Sabbat, werden niet alleen zowel de hemelse als de aardse heiligdommen, maar ook leerstellingen verontreinigd. Terwijl dus de twee heiligdommen worden gereinigd van zondaars, wordt Bijbelse Waarheid gezuiverd van menselijke theorieën en ideeën. {ABN3: 7.1}

WANNEER BEGINT DE DAG?

Vraag Nr. 49:

Wanneer begint de vier-en-twintig-uurse dag—bij zonsondergang, zonsopkomst of te middernacht? {ABN3: 7.2}

Antwoord:

De vier-en-twintig-uur cyclus begint bij zonsondergang, want op het moment dat de aarde kwam te ontstaan

7

en begon te draaien rond haar as, was er geen licht “op de afgrond,” waarop “God zeide: Er zij licht; en er was licht. (…)Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.” Gen. 1:2,3,5. {ABN3: 7.3}

Het “licht” dat scheen op de eerste dag, en waardoor God de dag van de nacht scheidde ( de aarde deed roteren rond haar as), was echter niet dat van de zon, want de zon en de maan werden niet eerder geschapen dan op de vierde dag, toen Hij hen voortsprak “om te heersen over de dag en over de nacht” (Gen. 1:18), welke Hij vooraf had bevestigd. {ABN3: 8.1}

Aldus gebeurde het dat terwijl de aarde de eeuwige tijd begon vast te leggen met de eerste nacht van de scheppingsweek, van waaruit de wekelijkse zevende daagse sabbat wordt gemeten; begon de maan de tijd vast te leggen aan het einde van de derde dag en aan het begin van de vierde nacht van waaruit de maand wordt gemeten, en de zon begon de tijd vast te leggen aan het einde van de vierde nacht en aan het begin van de vierde dag, van waaruit het jaar wordt gemeten. Dienovereenkomstig is de tijdspanne welke de onderdelen van de week meet, drie dagen van tevoren op de tijdspanne die het zonnejaar de maanmaand meet en deelt. Ten einde daarom, dat Zijn volk de week van de schepping kan gedenken, vanaf het moment dat de spanne van de aardse tijd begon, gebood God: “van avond tot avond, zult gij uw sabbat vieren.” Lev. 23:32. {ABN3: 8.2}

8

Dus begint de vier-en-twintig-uur dag met de nacht, bij zonsondergang; en het dagdeel zelf, gescheiden van het nachtdeel, begint bij zonsopkomst. {ABN3: 9.1}

WANNEER BEGINT DE HEBREEUWSE JAARTELLING?

Vraag Nr. 50:

Kunt u ons vertellen wat de Hebreeuwse Nieuwjaarsdag is en de dagen van hun heilige feesten, in relatie tot onze Romeinse kalender? {ABN3: 9.2}

Antwoord:

Terwijl Hij de Hebreeuwse schare uit gevangenschap tot vrijheid leidde, was de Heer hen standvastig aan het bevestigen in de waarheid van alle dingen, inclusief de waarheid van de dag waarop het jaar begint, van de dag waarop de maand begint, en van de dag waarop de week begint. Kennelijk had de Hebreeuwse godsdienst grotendeels te maken met de dagen van de week, van de maand, en van het jaar. {ABN3: 9.3}

De Hebreeërs zouden voor altijd heiligen:

  • niet een zevende, maar de zevende dag van elke week, de sabbat;
  • de dagen van de vijftiende tot de een-en-twintigste dag van de eerste maand, de week van het Pascha;
  • de vijftigste dag nadat de garve van de eerste vruchten was geofferd, de Pinksterdag;
  • de tiende dag van de zevende maand, de Verzoening;
  • de dagen van de vijftiende tot de een-en-twintigste dag van dezelfde maand, het Loofhuttenfeest; en
  • de feesten van de nieuwe manen.

Aldus gebood de Alwetende, Hij die de hemelse lichamen schiep en het juiste moment dat Hij hen in beweging bracht om te heersen over de dag, de maand, en het jaar, dat de heilige

9

feesten zouden worden geobserveerd op de juiste maand en op de juiste dag waarop zij het eerst werden vastgesteld. {ABN3: 9.4}

En Hij stelde de “lichten in het uitspansel(…) tot tekens, en tot seizoenen, en tot dagen, en jaren” (Gen. 1:14), door de bewegingen waarvan Hij elke zonne- en elke manetijd stelde, zodat het nooit uit het oog kan worden verloren. Om het ook dubbel te verzekeren tegen zulk een verlies, “sprak” Hij “tot Mozes en Aaron in het land Egypte, zeggende: Deze maand zal u het begin der maanden zijn; zij zal u de eerste der maanden van het jaar zijn.” Ex. 12;1,  2. {ABN3: 10.1}

Aldus zien wij dat Zijn grote en nooit falende klok voor de aarde, de eigen onveranderlijke bewegingen, de dag en het jaar regelen; terwijl het draaien van de maan rondom de aarde de maanden regelt. {ABN3: 10.2}

Maar het Romeinse Nieuwjaar, 1 januari, vindt haar bevestiging niet in de bewegingen van het zonnestelsel, maar in de noties van de mythologie. Dus, daar de data niet overeenkomt met noch de lentenachtevening, noch de herfstnachtevening, of noch met de zomerse of winterse hoogste punt, dan zouden de inwoners van de aarde, als zij ooit de tel kwijt zouden raken van de dag, en het zouden moeten terugvinden, hulpeloos zijn om dat te kunnen doen. {ABN3: 10.3}

Om te voorkomen dat Zijn volk zulk een ramp over zich heen zouden halen, en om hen ter kennis te brengen van de tijd waarop het jaar begint, gaf de Heer aan Mozes het heilige jaarlijkse kalender, dat

10

niet verloren kan gaan of misberekend kan worden zolang de aarde bestaat. Hij vertelde hem dat de dag die vooraf gin aan de uittocht, de veertiende dag was van de eerste maand—en dat zij vanaf toen voor altijd het Pascha moesten gedenken op dezelfde nacht elk jaar, de nacht die volgt na de veertiende dag. Aldus was de Heer het scheppingskalender aan het heroprichten, aan het herbevestigen dat het jaar begint op de dag van de lentenachtevening, waarop de lente, het eerste seizoen van het jaar, begint, en waarop de zon en de maan werden geschapen (de vierde dag van het begin der schepping)—het enige punt des tijds waarin, juist volgens de natuurlijke gang van zaken, het jaar kon beginnen. En zo is het dan dat het Pascha, de Verzoendag, en het Loofhuttenfeest (de drie meest belangrijke feesten in het jaar), naast de andere feesten, worden geregeld door het zonnejaar en door de maanmaand; de wekelijkse sabbat door de dag waarop de schepping begon; en het jaar zelf door de lentenachtevening, de onverplaatsbare wegwijzer. {ABN3: 10.4}

Door haar eerste maand van het jaar te beginnen met de eerst nieuwe maan, bij, of na de lentenachtevening, 20-21 Maart, plaatst het de veertiende dag, de dag waarop het Pascha Lam zou worden geslacht, op 3 April. Voor eens en altijd wordt de volkomen onmogelijkheid gezien dat de Romeinse maand ook maar iets te maken zou hebben met het bereken van de tijd van hetzij het Pascha of het schoofoffer, en aldus helemaal niets te maken heeft met het berekenen van hetzij de tijd van de kruisiging of de opstanding van Christus. {ABN3: 11.1}

11

Dit wordt op een nog aanschouwelijkere wijze gezien door het samenvallen van de heilige gebeurtenissen die in de lente van het jaar 31 N.Cr., het jaar waarin Christus werd gekruisigd, met de heilige gebeurtenissen die vielen op de herfst van het jaar 27 N.Cr.,  het jaar waarin Hij werd gedoopt, zoals wordt gezien op de diagram: {ABN3: 12.1}

shepherds-rod-answerer-book-3-sacred-year

12

Deze kaart stelt ons in staat om te zien dat net zoals een zonneseizoen overeenstemt met de ander (de lentenachtevening overeenstemt met de herfstnachtevening, en het zomerse hoogste punt, het winterse hoogste punt), de heilige feesten van een seizoen op gelijke wijze overeenkomen de heilige feesten van een ander seizoen; de tiende dag van eerste de maand, de scheiding van de smetteloze lam van de kudde (Ex. 12:3), wat correspondeert met de tiende dag van de zevende maand, het werk van Verzoening, de scheiding van de rechtvaardige van de onrechtvaardige, wat in beide gebeurtenissen een dag van oordeel betekent, een dag van het scheiden van de heiligen van de onheiligen; de zestiende van de eerste maand, de dag waarop Christus werd gekruisigd, dat correspondeert met de zestiende van de zevende maand, de dag waarop Hij werd gedoopt, wat aantoont dat Zijn waterige graf een voorafschaduwing was van Zijn graf in de groeve; de achttiende dag van de eerste maand, de opstanding, correspondeert met de achttiende dag van de zevende maand, de eerste dag van de verzoeking in de woestijn; Zijn veertig dagen van overwinnende bediening tot Zijn discipelen, correspondeert met Zijn veertig dagen van overwinnende strijd met Satan; en het prediken van het evangelie door Zijn discipelen na de Pinksterdag, correspondeert met Zijn prediken van het evangelie na de verzoeking in de woestijn. {ABN3: 13.1}

Om de datum vast te stellen van Zijn doop als the zestiende dag van de zevende maand, moeten wij slechts, naast de overeenstemmingen, het feit in beschouwing nemen, dat het “vaster staande woord der profetie” bekrachtigt dat

13

Hij drie en een half jaren zou prediken, en dan zou worden “afgesneden.” Dan. 9:26. En daar Hij werd gekruisigd op de zestiende van de eerste maand, moest Hij zijn gedoopt voor de bediening net drie en een half jaren tevoren, op de zestiende dag van de zevende maand. {ABN3: 13.2}

VONDEN HET PASCHA EN DE BEGRAFENIS OP DEZELFDE DAG PLAATS?

Vraag Nr. 51:

De laatste tijd zijn er een aantal pogingen gedaan om de specifieke dagen van de week vast te stellen waarop de berechtingen, kruisiging, begrafenis en de opstanding van Jezus plaatsvonden; en ook de lengte van tijd dat Hij terecht stond, aan het kruis hing, en in het graf lag. De punten die als bewijs worden aangevoerd over het onderwerp zijn verwarrend voor mij. Kunt u het verduidelijken? En heeft Jezus het Pascha gegeten op dezelfde dag waarop de Joden dat deden, of van tevoren? {ABN3: 14.1}

Antwoord:

Ongeacht hoe verwikkeld in mysterie de schrijvers van het Evangelie dit onderwerp kunnen toeschijnen te hebben gelaten, is er een opeenvolging van feiten die duidelijk wordt aangegeven en onmiskenbaar naar voren komt, namelijk; de uren waarop de voornaamste gebeurtenissen plaatsvonden. {ABN3: 14.2}

Al de evangeliën getuigen dat Jezus werd gevangengenomen op dezelfde nacht dat Hij het Pascha at met Zijn discipelen (Matt. 26:34; Marcus 14:30, Lukas 22:34). Johannes verklaart dat Hij onmiddellijk daarna werd “weggeleid(…)tot Annas (Johannes 18:13), en markus onthult dat later in die nacht Hij werd gebracht voor “de overpriesters en de gehele raad.” Markus 14:54, 55. “En zo gauw het dag was”, zoals al de verslagen overeenstemmen, werd Hij uiteindelijk voorgeleid voor het Sanhe

 14

drin. Om het verhoor legaal te maken, kon de gerechtshof niet (volgens de Joodse wet) aanvangen zonopkomst, het twaalfde uur, vroegere tijd. Om precies te zijn, kon de tijd van het verhoor niet eerder zijn dan 11:50 ’s morgens, vroegere tijd (5:50 ’s morgens moderne tijd), want de week van het Pascha werd gevierd van de veertiende tot de twintigste dag van de eerste maand van het Hebreeuwse jaar, beginnen met de lentenachtevening (20-21 maart), de tijd van het jaar waarop de dag en de nacht gelijk staan{even lang duren?}. {ABN3: 14.3}

Daarna werd Hij, zoals de evangelieschrijver aantonen, gebracht voor het Romeinse gerechtshof, waar Hij, volgens de getuigenis van Johannes, werd berecht voor Pilatus op “ongeveer het zesde uur.”Johannes 19:14. En Markus vertelt dat Hij werd gekruisigd op “het derde uur” (Markus 15:25), terwijl Mattheus en Lukas, samen met Markus, getuigen dat terwijl Hij aan het kruis hing, de duisternis de aarde bedekte van het zesde tot het negende uur (Matt. 7:45; Markus 15:33; Lukas 23:44). Als laatst verenigen zij zich allen in de afdoende getuigenis dat Hij werd begraven net voor het twaalfde uur bij zonsondergang—voordat de Sabbat aanbrak (Matt. 17:57-62; Markus 15:42-46; Lukas 23:54-56). {ABN3: 15.1}

De begeleidende afbeelding stelt een veertig-uren periode voor. Daarop wordt ieder uur benoemd{of aangeduid}, en de verwijzing van elke gebeurtenis wordt tegenover het uur aangegeven waarop de gebeurtenis plaatsvond. Het buitenste schema van de afbeelding stelt het vroegere uurwerk voor; het binnenste schema stelt het moderne uurwerk voor.

15

De donkere gedeelten tonen de uren van de betreffende nachten aan, evenals de duisternis die plaatsvond terwijl Christus aan het kruis hing. {ABN3: 15.2}

shepherds-rod-answerer-book-3-hours-passion

16

Als men zou concluderen dat de gebeurtenissen die in verband staan met het lijden van Christus,–Zijn arrestatie, berechtingen, kruisiging en begrafenis,–op één dag plaatsvonden, dan zou er, zoals duidelijk kan worden zien uit de afbeelding, geen “zesde uur” zijn voor de berechting in het gerechtshof van Pilatus; inderdaad, er zou dan helemaal tijd worden toegestaan voor de berechtingen voor het Romeinse gerechtshof—Pilatus en Herodus! {ABN3: 17.1}

En door te veronderstellen dat Lukas 22:7-14 alleen maar een vervanging van het Pascha optekent—dat Jezus en Zijn discipelen een Pascha vierden voordat de dag aanbrak—neemt men het standpunt in dat in strijd is met zowel de “wet” als met het “getuigenis” van de profeten en de apostelen (Jes. 8:20). En als dat het geval was, dan zouden de Joden, die wanhopig ernaar verlangden om Christus van enig handeling van wetteloosheid te beschuldigen, er veel ruchtbaarheid van maken, en de apostelen zouden als gevolg erover hebben geschreven. {ABN3: 17.2}

Om te voldoen aan het onfeilbare vereiste van de “wet,” moest het lam worden geslacht in de middag van de veertiende dag van de eerste maand (Num. 28:16), en het feest moest worden gevierd op de vijftiende (Num. 28:17), de nacht die volgt op de veertiende dag (Ex. 12:8). Als afdoende bekrachtiging van dit feit, verklaart

17

de Geest der Profetie nadrukkelijk: “op de veertiende dag van de eerste Joodse maand, op dezelfde dag en maand waarop het Pascha lam vijftien jaren lang werd geslacht, stelde Christus, nadat Hij het Pascha had gegeten met Zijn discipelen, het feest in die Zijn eigen dood zou moeten herdenken als “het Lam Gods, die de zonde der wereld wegneemt.” –The Great Controversy, p. 399 {De Grote Strijd, blz..}. {ABN3: 17.3}

Terwijl de week van het Pascha werd geregeld door de maand, werd de dag waarop de garve zou worden geofferd (het type van de opstanding)—1 Kor. 15:20; The Desire of Ages, p. 786{De Wens der Eeuwen, p..}) geregeld door de week. En volgens Lev. 23:3, 11, zou de garve worden geofferd op de dag die volgt op de zevende daagse Sabbat, want de Sabbat van vers 11 is de Sabbat van vers 3—die ene die verbonden is met het onderwerp van de feesten welke Mozes introduceert. {ABN3: 18.1}

Voorts, noemen de Schriften een feestdag nooit “de sabbat,” maar “een sabbat”of “sabbatten.” (Zie Lev. 23:24.) {ABN3: 18.2}

(Voor een uitgebreide behandeling over het onderwerp van de dagen van de week van het Pascha, en over de “drie-dagen-en-drie-nachten” periode –Matt. 12:39, 40 –zie Tract No. 10, The Sign of Jonah {Traktaat Nr. 10, Het Teken van Jona.) {ABN3: 18.3}

18

HEEFT HET WERK VAN DE HERDERSSTAF EEN TYPE?

Vraag Nr. 52:

Als “De Herdersstaf” het juist heeft dat “waar er geen type is, er geen waarheid is,” waar is dan, kan men zich afvragen, het type van het werk van de “Staf” zelf? {ABN3: 19.1}

Antwoord:

In het Oude Testament wordt een godsdienstige Beweging in zicht gebracht die een “voorbeeld,” of type, of een tegenhanger in het Nieuwe Testament. En net zoals God gisteren de een organiseerde en leidde om Zijn volk te bevrijden van een wrede slavernij tot heidense meesters, zo zal Hij dat ook doen met de andere vandaag. Op gelijke wijze zal Hij, zoals Hij de een instrueerde, ook de ander instrueren hoe zij kan verwachten te worden bevrijd en bevestigd in het land van hun erfenis, het koninkrijk van vrijheid, vrede, en overvloed. Ter verzekering hiervan, verklaart Hij: “Al deze dingen nu zijn hun overkomen tot voorbeelden; en zij zijn geschreven tot waarschuwing voor ons, over wie de einden der wereld zijn gekomen.” 1 Kor. 10:11. En “er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijn volk, dat overgebleven zal zijn van Assur, zoals Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optrok.” Jes. 11:16. {ABN3: 19.2}

Deze Schriftgedeelten tonen duidelijk aan dat de Uittocht Beweging van oud die door Mozes werd geleid door zijn herdersstaf, van Egypte tot Kanaän, in type vooruit wijst

 19

naar de uiteindelijke verlossing van Gods volk van hun lange dienstbaarheid tot het koninkrijk van deze wereld tot de vrijheid in het koninkrijk van God. Dienovereenkomstig zal deze uiteindelijke Uittocht Beweging van de laatste dagen geleid worden door een antitypische Herdersstaf, en verlost van alle aardse banden—van zonde en van zondaars. {ABN3: 19.3}

Maar laat eraan worden gedacht dat de Uittocht Beweging, het type, twee gedeelten had, het eerste gedeelte dat werd geleid door Mozes, en het tweede gedeelte door Jozua, en dat het de laatstgenoemde was, het gereinigde gedeelte (dat wat opgroeide na het zwerven voor veertig jaren, en nadat allen behalve twee die twintig jaren en ouder waren toen zij Egypte verlieten, waren gestorven) dat het land in bezit nam. {ABN3: 20.1}

De Beweging die wordt geleid door de Staf vandaag is de enige Beweging in het christendom die bij het type past—het Israel van Jozua ’s dagen; evenals haar, haalt zij haar volgelingen alleen maar uit de Moeder Beweging, en heeft zij als haar drievoudige doel de verlossing van Gods volk uit slavernij, het in bezit nemen van het land, en het oprichten van het koninkrijk. En net zoals het gereinigde Israel van Jozua ’s dagen, de generatie die het veertig jaren rondzwerven in de woestijn overleefde, eerst het uiteindelijke leiderschap beërfde over de typische Uittocht Beweging, en daarna het land der belofte, zo zullen het gereinigde Israel van vandaag (de 144.000), degenen die de veertig jaren periode van rondzwerven van 1890-1930 overleven, en die ontkomen aan de slachting van

20

Ezechiël 9, worden bevorderd tot het uiteindelijke leiderschap over de antitypische Exodus Beweging, om dan “het beloofde land” te beërven, en om burgers te zijn in het eeuwige Koninkrijk. {ABN3: 20.2}

Aldus zien wij dat pas nadat de klagers uit de weg waren geruimd, in het voorbeeld, Jozua het overnam, en de Uittocht Beweging leidde in het land van Kanaän. Dienovereenkomstig is in het antitype, de periode voordat de Staf kwam, de Laodiceese periode, die periode waarin het typische rondzwerven, vertwijfelingen, en gemurmel worden gevonden, zowel tegen de oprichter en dietistische grondbeginselen (“gezondheidshervorming”) van de Beweging, en de daaruit volgende vervloekingen en slachting. {ABN3: 21.1}

Het onmiddellijk gevolg van dit gemurmel, klagen, en vertwijfelingen van vandaag is geweest dat de ogen van velen in de Advent Beweging, wat hen veroorzaakte om zich af te keren van het volgen van Christus als hun Leider, en gestadig terug te keren “nar Egypte.” – Testimonies, Vol. 5, p. 217 {Getuigenissen, Deel 5, p..}. Dus, in een andere tragische parallellisme, net zoals Mozes de droevige ervaring schreef van het type, alzo schreef de grondlegger van de Zevende-dags Adventisten Kerkgenotschap de nog droevigere ervaring van het antitype, die zo ver terug als 1888 verklaart: “Velen hadden Jezus uit het zicht verloren,” en “Twijfel en zelfs ongeloof in de getuigenissen van de Geest van God, doordrengen onze kerken overal.” –Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, p..}. {ABN3: 21.2}

Anders gezegd, net zoals ongeloof aan de kant

21

van het vroegere Israel hen terugzond om in de woestijn rond te zwerven totdat al de schuldigen waren omgekomen, zo zond op gelijke wijze ongeloof in de boodschap van Gerechtigheid door Geloof die werd verkondigd bij de Minneapolis Conferentie de Zevende-dags Adventisten kerkgenootschap in een veertig jaren rondzwerven in de woestijn tot 1930, met de aankomst van de boodschap, bij wiens stem een ieder God moet gehoorzamen of sterven zoals Achan en zijn huishouden dat deden. Moge God het schenken dat het Israel van vandaag, de kinderen van hen die de geschiedenis van Israel van oud hebben herhaald (Testimonies, Vol. 5, p. 160 {Getuigenissen, Deel 5, p…}), gewaarschuwd zal zijn door de fouten van hun vaders, en gehoor geven aan de oproep van het Elfde Uur. {ABN3: 21.3}

Deze ernstige typologie openbaart nog andere veelbetekenende parallellismes: Net zoals de Uittocht Beweging was verstoken van hun zichtbare leider een korte tijd voordat zij het land Kanaän binnengingen, zo ook was de Advent Beweging verstoken van haar zichtbare leider terwijl het de grenzen van het Koninkrijk naderde; en net zoals Jozua werd geroepen om de voeten van Gods vermoeide pelgrims te leiden tot hun thuisland, evenzo moet een andere opstaan in deze tijd ter vervulling van het type, om de voeten van Gods heiligen vandaag thuis te leiden. {ABN3: 22.1}

“Door een profeet bracht de Here Israel uit Egypte, en door een profeet werd hij bewaard.” Hos. 12:13. {ABN3: 22.2}

“Iemand zal komen in de geest en kracht van Elia, en wanneer hij verschijnt, kan men zeggen: ‘(…)u

22

legt de Schriften niet op de juiste wijze uit.’” – Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, pp. 475, 476. {ABN3: 22.3}

In al de kerkboeken van de kerkelijke geschiedenis vanaf de Uittocht Beweging, is de Staf-boodschap de enige die beantwoordt op juist zulk een Beweging, en die precies bij het type past. (Zie Tract No. 8, Mount Sion at the Eleventh Hour {Traktaat Nr. 8, De Berg Zion tegen het Elfde Uur} en Tract No. 9, Behold, I Create All Things New {Traktaat Nr. 9, Zie, Ik Maak Alle Dingen Nieuw}). {ABN3: 23.1}

Het is daarom onmiskenbaar dat het heldere licht dat voortschijnt vanuit het type, vanuit de getuigenissen van de profeten, en vanuit de geschiedenis, de boodschap van de Staf identificeert als de enige die is aangesteld om de kerk van de laatste dagen te leiden, bevrijd van zonden en zondaars, naar het land der belofte, wanneer “de tijden van de Heidenen is vervuld.” Lukas 21:24. “In de dagen van deze koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, die nooit zal worden vernietigd.” Dan. 2:44. Die dag is aangebroken, en de Staf van God is hier om die “grote hervormende beweging onder Gods volk”—(Testimonies, Vol. 9, p. 126{Getuigenissen, deel 9, p..}) tot stand te brengen, om “kracht en nadruk aan de Derde Engel Boodschap”(Early Writings, p. 277{Eerste Geschriften, p. 332}) te geven, zodat: “gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid, de kerk(…) ‘schoon als de maan, helder als de zon, en geducht als een leger met krijgsbanieren,’” kan “voortgaan in de gehele wereld, overwinnende en om te overwinnen.” –Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, blz…}. {ABN3: 23.2}

“Hoort gij naar de Roede{of Staf}, en Wie het besteld heeft.” Mich. 6:9. {ABN3: 23.3}

DE VIER WINDEN—WAT ZIJN ZIJ?

Vraag Nr. 53:

Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 444 verklaart: Johannes ziet de natuurelementen – aardbeving, storm, en politieke strijd – voorgesteld als dat zij worden tegengehouden door vier engelen.” Maar Tract No. 8, “Mt. Sion at the Eleventh Hour {Berg Zion tegen het Elfde Uur},” p. 22, zegt: “Daar de naties altijd oorlog hebben gevoerd, zou dit tweeledig werk van het toebrengen van schade geen politieke strijd kunnen betekenen.” Hoe kunnen deze tegenstrijdige verklaringen verenigd worden? {ABN3: 24.1}

Antwoord:

Wij zijn ervan overtuigd dat wanneer de vrager Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 444 opnieuw zorgvuldig zal bestuderen, hij zal zien dat het tracht aan te tonen dat het Goddelijke doel van het tegenhouden van de winden is, zoals het passage duidelijk zegt: “de veiligheid van Gods gemeente.” Aangezien dat het geval is, dan zullen de winden, die op zichzelf genomen een zinnebeeld zijn van strijd, benauwdheid, en oorlog, wanneer zij worden losgelaten, tegen de kerk waaien. Dit is zeer duidelijk, want het feit dat zij worden tegengehouden vanaf de dagen van Johannes tot op ditzelfde uur, heeft de natiën nooit verhinderd en is hen nu niet aan het verhinderen om oorlog te voeren tegen elkaar. Zij hebben altijd oorlog gevoerd tegen elkaar, en vandaag de dag zijn zij betrokken in een dodelijke wereldwijde strijd die niet geëvenaard kan worden in de gehele geschiedenis, hoewel de engelen nog steeds de winden tegenhouden. Het is daarom noodzakelijk dat de strijd die wordt voorgesteld door het waaien van

24

 de vier winden, in wezen godsdienstige gericht moet zijn, en alleen politiek gericht wat de handelwijze betreft, aldus religieus-politiek, zoals wordt verklaard in Tract No. 12, The World Yesterday, Today, Tomorrow {Traktaat Nr. 12, De Wereld Gisteren, Vandaag, Morgen}, pp. 38, 65 en in The Shepherd’s Rod Vol. 2 {De Herdersstaf}, p. 114. Deze slotsom wordt bevestigd door het volgende passage: {ABN3: 24.2}

“De tijd komt dat wij voor geen enkele prijs kunnen verkopen. Spoedig zal het bevel  worden uitgevaardigd waardoor de mensen verboden zullen worden om te kopen of verkopen van een ieder behalve diegene die het merkteken van het beest draagt. Dit is bijna gerealiseerd in Californië kortgeleden; maar dit was slechts een dreiging van het waaien van de vier winden. Tot nu toe worden zij vastgehouden door de vier engelen. We zijn nog niet werkelijk klaar. Er moet nog werk gedaan worden en dan zal aan de engelen worden opgedragen los te laten, zodat de vier winden over de aarde kunnen waaien. Het zal een beslissende tijd zijn voor Gods kinderen, een tijd van benauwdheid zoals het nooit eerder geweest is sinds er een natie bestond.” – Testimonies, Vol. 5, p. 152 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}.{ABN3: 25.1}

Het traktaat benadrukt in haar bijzondere verklaring in kwestie, slechts het godsdienstig aspect van de benauwdheid, in de poging om aan te tonen dat de benauwdheid niet politiek gericht is,–niet om een gebied te veroveren, maar om een internationale godsdienst op te richten ten einde de wereld ertoe te dwingen om het merkteken van het beest te aanbidden. {ABN3: 25.2}

In dit duidelijk licht zien wij dat zowel Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten} als The Shepherd’s

25

Rod {De Herdersstaf} trachten aan te tonen dat de strijd niet louter politiek noch louter godsdienstig, maar religieus-politiek is. Het is de kerk en staat, die zich alliëren in een gemeenschappelijke handeling. {ABN3: 25.3}

144.000 OF EEN GROTE SCHARE?

Vraag Nr. 54:

Hoe kan de grote schare (Openb. 7:9) mogelijkerwijs de aanvulling zijn van de 144.000 bij het samenstellen van de levende heiligen? {ABN3: 26.1}

Antwoord:

Ondanks het feit dat “in het afsluitingswerk” voor de Zevende-dags Adventisten Kerkgenootschap, alleen 144.000 zullen worden verzegeld, volgens Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266, telde het kerkgenootschap aan het begin van het jaar 1944 reeds ruim boven een half miljoen aan leden, terwijl de aangesloten gebieden die het onder de evangeliekoepel heeft staan, in vergelijking met de enorme velden der mensheid die het nog niet eens geraakt heeft, slechts een zeer klein getal bedraagt. Dus zijn er relatief gesproken, miljoenen op miljoenen die nog nooit zelfs hebben gehoord van de naam “Adventisten.” {ABN3: 26.2}

Als de huidige groeisnelheid van het Kerkgenootschap voortduren totdat de Adventboodschap is gepredikt in de gehele wereld, dan zouden haar leden van vermenigvuldigde omvang zijn wanneer Christus komt. Inderdaad, aangezien er niet een het minste

26

 kans van afname bestaat in de huidige groeisnelheid, maar elke kans van toename (zoals de leken wordt verteld vanaf de kansel iedere Sabbat), dan staat het vast dat als het Kerkgenootschap, bij haar huidige groeisnelheid, voortgaan tot aan de tweede komst van Christus, het in de miljoenen zou tellen aan leden. En als er slechts 144.000 veranderd zouden worden, dan zouden de miljoenen Zevende-dags Adventisten die leven bij de afsluiting van de genadetijd, tragisch gezegd, moeten omkomen hetzij “in de zeven laatste plagen”of bij “de glans van Zijn komst”! En als “het afsluitingswerk voor de kerk” betekent dat er uit deze miljoenen leden slechts 144.000 inderdaad zullen worden veranderd, hoe klein is dan de kans dat elk lid in het bijzonder ooit gered zal zijn! En voorts, in dat geval, met zulke overweldigende kansen die tegen hen zijn om gered te worden, wat zou er dan voor rechtvaardiging mogelijkerwijs zijn om voort te gaan om steeds meer bekeerlingen binnen te brengen om het aantal kerkleden te doen toenemen? Zoiets zou niets minder zijn dan een groot verraad—hen omwikkelen voor de ondergang in een vergulde hoop van verlossing! {ABN3: 26.3}

Aangezien het in strijd is met Gods verlangen en inspanning (Testimonies, Vol. 6, {Getuigenissen, Deel 6} p. 371 om in de kerk binnen te brengen hen die niet gered zijn {onkruid}, dan is de overheersende leer dat er slechts 144.000 levende heiligen zullen zijn wanneer Christus komt om al de Zijnen tot zich te vergaderen, niets minder dan een erkenning dat

27

de snelle toename van leden tot de Kerkgenootschap het werk van de Vijand is! {ABN3: 27.1}

In The Signs of the Times {De Tekenen des Tijds}, 3 Mei, 1927, verscheen er een artikel, getiteld: “De 144.000, Hun Zege en Beloning.” In dit artikel, dat drie jaren voordat The Shepherd’s Rod, Vol. 1 {De Herdersstaf, Deel 1} werd gepubliceerd, onderwees het Kerkgenootschap dat de 144.000, de eerste vruchten van de levende heiligen, eerst verzegeld zullen worden, en vervolgens de tweede vruchten, “de grote schare” (Openb. 7:9) van levende heiligen zullen binnenbrengen. {ABN3: 28.1}

Door zich om te keren van dit standpunt, in een poging om de boodschap van het uur tegen te spreken, The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf}, hebben zij zich automatisch vastgehecht aan de horens van een dilemma: het enerzijds verloochenen van leer van 1927, en anderzijds het geven van een valse hoop van verlossing aan de leden van de kerk! {ABN3: 28.2}

Daarom zou de vraag niet moeten zijn hoe de grote schare mogelijkerwijs de aanvulling kan zijn van de 144.000, maar eerder hoe zij dat mogelijkerwijs niet kan zijn. {ABN3: 28.3}

ZULLEN WIJ GELOVEN OF ZULLEN WIJ TWIJFELEN?

Vraag Nr. 55:

Het is voor mij moeilijk om volledig te geloven in welke Bijbelse uitlegging dan ook die aanspraak maakt op Inspiratie. Brengt men niet, door zulk een aanspraak te maken, het gehele bouwwerk van zijn boodschap in

28

 gevaar, dat zodoende de weg wordt vrijgemaakt dat het zonder omhaal wordt weggevaagd door welke ene dwaling dan ook die het zou kunnen bevatten? {ABN3: 28.4}

Antwoord:

De moeilijkheid van de vrager stamt uit het harde feit dat de Protestantse wereld heel lang het begrip heeft aangehouden dat God in deze tijd geen geïnspireerde mondstuk gebruikt om de Schriften uit te leggen en Zijn wil te verklaren, maar dat Hij in elke Christen individueel investeert en leidt. Deze theorie wordt echter universeel gekraakt {te niet gedaan} wanneer het wordt gezien in het licht van het feit dat die personen die beweren dat zij persoonlijk door God zijn geleid, het onder elkaar niet eens zijn evenals de verscheidene sekten het niet met elkaar eens zijn. {ABN3: 29.1}

Voordat Hij vertrok, verklaarde de Verlosser: “Wanneer(…)de Geest der Waarheid is gekomen, zal Hij u leiden in alle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar wat Hij zal horen, dat zal Hij spreken; en Hij zal u de dingen tonen, die komen zullen.” Johannes 16:13 {KJV}. Er is daarom geen onenigheid dat het de Goddelijke wil is dat wij alle Waarheid, en alleen de Waarheid hebben. En er moet eraan gedankt worden dat “geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie in vroegere tijden voortgekomen uit de wil van een mens, maar heilige mensen Gods hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken.” 2 Pet. 1:20,21. {ABN3: 29.2}

Inderdaad, alleen al het woord “Inspiratie,” volgens haar theologische betekenis, betekent het overbrengen van

29

Goddelijke instructies, die vrij zijn van menselijke vervalsing. Daarom kan welk bezwaar dan ook tegen Inspiratie uiteindelijk alleen maar een poging zijn om God uit het zicht te plaatsen en mensen op de voorgrond te brengen, om het enige kanaal af te snijden waardoor God de Schriften kan uitleggen, {en} met Zijn volk kan communiceren –“waarheid te openbaren en dwaling te ontmaskeren.” – Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 107. “De heer heeft altijd in Zijn voorzienigheid getoond,” zegt de geest der Profetie, “dat niets minder dan geopenbaarde waarheid, het woord van God, de mens kan terugeisen van zonde, of hem kan behoeden tegen overtreding.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 80. {ABN3: 29.3}

Dus is het zeer duidelijk, dat het Woord van God niet op de juiste wijze eigenmachtig kan worden uitgelegd – zonder hulp van Inspiratie ( 2 Pet. 1:20, 21). Een ieder die aldus probeert om de boodschappen die de Heer tot hen zendt uit te leggen, zal tot de ontdekking komen dat hij Satan aan het dienen is in plaats van Christus te dienen, en zal zowel zichzelf als zijn volgelingen veroorzaken schipbreuk aan het geloof te lijden. {ABN3: 30.1}

Om het geloof van de oprechten zeker te stellen, toont de Heer op figuurlijke wijze in het vierde hoofdstuk van Zacharia, de methode waardoor Hij waarheid overbrengt aan Zijn volk. De begeleidende afbeelding is een exacte objectivicatie van wat de profeet werd getoond. {ABN3: 30.2}

30

shepherds-rod-tract-6-zechariah-4

31

Hier wordt gezien dat de kandelaar, zoals wordt uitgelegd door Openbaring 1:20, symbool staat voor de leden van de gemeente; de buizen die komen van de gouden schaal naar de kandelaar, zijn een symbool van de geestelijke leiding (Testimonies to Ministers {Getuigenissen van Predikanten}, p. 188); de olijfbomen staan symbool voor de Oude en Nieuw Testament Geschriften (The Great Controversy, p. 267{De Grote Strijd, blz.}); en de twee gouden buizen, die de gouden olie brengen van de bomen naar de schaal, zijn een symbool van de Bijbeluitleggers, de geïnspireerde boodschappers van God, want het symboliek toont onbuigzame wijze aan dat zij de enigen zijn die Inspiratie in staat stelt om de olie te onttrekken van de olijfbomen –de Schriften uit te leggen. En de schaal, de reservoir van datgene wat de buizen (uitleggers) daarin plaatsen, kan alleen de geschriften zijn van de Geest der Profetie. {ABN3: 32.1}

Als een noodzakelijk en vanzelfsprekend gevolg, zal God slechts één mondstuk hebben om Zijn volk te onderrichten in het oprichten van Zijn Koninkrijk, zoals Hij ons dat op profetische wijze vertelt in niet mis te verstane taal: “En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst in het midden van hen; Ik, de Here, heb het gesproken. En Ik zal een verbond des vredes met hen sluiten, en zal de kwade beesten uit het land wegdoen; en zij zullen veilig wonen in de

32

woestijn, en slapen in de bossen. En Ik zal hen en de plaatsen rondom Mijn heuvel tot een zegen stellen, en Ik zal de regenstromen doen neerdalen op zijn tijd; stromen van zegen zullen het zijn.” Ezech. 34:23-26{KJV}. “De stem des Heren roept tot de stad, en de mens der wijsheid zal uw naam zien: Hoort naar de Roede, en Wie het besteld heeft.” “Weid uw volk met uw Staf, de kudde van uw erfdeel, die eenzaam wonen in het woud, te midden van Karmel; laat hen weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. Evenals in de dagen van uw uittocht uit het land Egypte, zal Ik hem wonderbare dingen doen zien.” Mich. 6:9; 7:14, 15{KJV}. {ABN3: 32.2}

Voor de boodschap in the Shepherd’s Rod {De Herdersstaf} geven wij de eer aan Wie het toebehoort. En als er enigen zijn die wensen dat wij het aan onszelf geven, dan doen zij dat niet omdat zij van ons houden of ons willen verheffen boven zichzelf, maar blijkbaar omdat zij onwetend weerklinken de stem van beneden, die God haat en de openbaring van Zijn Woord, en die altijd spreekt slechts om mensen te verleiden om zichzelf te verheffen in plaats van God, en daardoor zichzelf blindelings misleiden en anderen wegleiden van de waarheid, dit alles omdat zij zich eraan ergeren om zichzelf onder de heerschappij te brengen van Christus, nu daar “Hij de teugels in Eigen handen neemt.” –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. {ABN3: 33.1}

Laten zij die weigeren zich volledig te onderwerpen aan Inspiratie, zich afvragen

33

wat zij zouden hebben gedaan als zij hadden geleefd onder Mozes en zijn staf. Hij bekende van zichzelf dat hij het mondstuk van God was evenals de Staf van vandaag dat doet. Zouden deze weigeraars als gevolg niet zijn opgestaan met Korach tegen Mozes en Aaron, net zoals zij dat nu aan het doen zijn met tegen de Rod {Staf}, zeggende: “Gij neemt te veel op uzelf, aangezien de gehele vergadering heilig is, elk van hen, en de Here is in hun midden. Waarom verheft u zichzelf boven de gemeente des Heren?” Num. 16:3{KJV}.{ABN3: 33.2}

Als dezulken niet gewillig waren om van ganser harte een geïnspireerde boodschap vandaag aan te nemen, zouden zij dan de boodschap van de Doper, Christus of de apostelen hebben aangenomen? Neen, inderdaad niet, ongeacht hun ambt. En als zij zich niet willen onderwerpen aan Inspiratie, hoe zullen zij dan ooit de waarheid te weten komen? En hoe zullen zij ooit het Koninkrijk binnengaan? Want de Bijbel zegt: {ABN3: 34.1}

“Voorzeker, de Here zal geen ding doen, of Hij openbaart Zijn verborgenheden aan Zijn knechten, de profeten. Amos 3:7. “Door een profeet voerde de Here Israël uit Egypte, en door een profeet werd hij behouden.” “Geloof in de Here, uw God, zo zult u bevestigd worden; geloof Zijn profeten, zo zult gij voorspoedig zijn.” Amos 3:7; Hos. 12:14; 2 Kron. 20:20{KJV}. {ABN3: 34.2}

“En Ik zal uw tong doen kleven aan uw verhemelte, zodat gij stom zult zijn, en zult hun niet tot een bestraffer zult wezen; want zij zijn een weerspannig huis. Maar wanneer ik tot u spreek, dan zal Ik uw mond openen, en gij zult tot hen zeggen:

34

Zo zegt de Here God; Wie het hoort, laat hem horen; en wie het nalaat, laat hem het nalaten; want zij zijn een weerspannig huis.” Ezech. 3:26, 27. {ABN3: 34.3}

Het zijn de ideeën van ongeïnspireerde mensen die de Christen gemeente hebben gesplitst in spaanders van allerlei soort en omvang, en hebben haar gemaakt tot een “woonplaats van duivelen, en de schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte” (Openb. 18:2), in plaats van har te maken tot een plaats van waarheid en verlossing, en een woonplaats van heiligen. {ABN3: 35.1}

Laten allen die het gevoel van de vrager delen, stilstaan, en de vraag overdenken: Hoe kan een ongeïnspireerde boodschap van God zijn—de waarheid zijn—waardig zijn om aan te nemen? Klaarblijkelijk wordt het afkeuren van dat men Inspiratie opeist voor zijn boodschap, en wantrouwen dat het een spoor van dwaling bevat, niet aanbevolen door Hem die zegt: “Dooft de Geest niet uit. Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; houd vast aan datgene wat goed is.” 1 Tess. 5:19-21. {ABN3: 35.2}

  “Als nooit tevoren zouden wij niet alleen moeten bidden dat er arbeiders worden uitgezonden in de grote oogstveld maar dat wij een duidelijk begrip mogen hebben van waarheid, zodat wanneer de boodschappers der waarheid zullen komen,

35

wij de boodschap kunnen aannemen en de boodschapper respecteren.” Testimonies, Vol 6 {Getuigenissen, Deel 6}, p.420. {ABN3: 35.3}

  In de dagen van Christus vielen de Inspiratie-twijfelaars zowel de boodschappers als hun boodschappen voor die tijd aan. Enerzijds vonden zij fouten bij Johannes de Doper omdat zijn dieet bestond uit wilde honing en sprinkhanen (Matt. 3:4). Omdat hij “kwam, niet etende noch drinkende, (…)zij zeggen: Hij heeft de duivel.” Matt. 11:18 {KJV}. Anderzijds beschuldigden zij Christus, omdat Hij “kwam, wel etende en drinkende, ervan dat Hij “een vraatzuchtig mens en een wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaars.” Matt. 11:19 {KJV}. In het ontkennen dat Hij van God gezonden was, vroegen zij Hem op spottende wijze: “Krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen? Of wie is het die u deze bevoegdheid gegeven heeft?” Lukas 20:2{KJV}. {ABN3: 36.1}

En nu verklaart Zijn Geest tot Zijn kerk in deze laatste dagen: “Profetie moet in vervulling gaan. De Heer zegt: ‘Zie, Ik zal u de profeet Elia zenden voordat de grote en vreselijke dag des Heren komt.’ Iemand zal komen in de geest en in de kracht van Elia, en wanneer hij verschijnt, kan men zeggen: ‘U bent te ernstig, u legt de Schriften niet op de juiste wijze uit. Laat mij u vertellen hoe u uw boodschap moet verkondigen.’”–Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten},” pp. 475. {ABN3: 36.2}

  Tot de twijfelaars aan de mogelijkheid van een boodschap die niets anders dan waarheid bevat, komt de waarschuwing:

36

“God en Satan werken nooit in partnerschap met elkaar. De getuigenissen dragen of de handtekening van God of die van Satan. Een goede boom kan geen verdorven vrucht voortbrengen(…)”—Testimonies, Vol. 5, p. 98{Getuigenissen, Deel 56, blz..}. “Wij geloven de visioenen,” zeggen de Inspiratie-twijfelaars, “maar Zuster White zette bij het schrijven van ze haar eigen woorden in, en we geloven dat gedeelte waarvan wij denken dat het van God is, en wij zullen geen gehoor geven aan het andere.” Testimonies, Vol. 1{ Getuigenissen, Deel 1}, p. 234. {ABN3: 36.3}

  “En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben!” Lukas 24:25. “En indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.” Openb. 22:19. {ABN3: 37.1}

Bij het zich op symbolische wijze richten tot Zijn volk als schapen en herders, in het vier-en-dertigste hoofdstuk van Ezechiël, vraagt de Heer: “Is het u te weinig, dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weide met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?” Denken zij werkelijk dat het geoorloofd is om slechts een deel van de waarheid aan te nemen dat Hij zendt tot hen, en het overblijfsel met hun voeten te vetreden? Dan voegt Hij toe: “Wat mijn schapen aangaat, zij weiden af wat uw hoeven hebben vertreden en drinken wat uw hoeven hebben vertroebeld.”

37

En vanwege hen die slechts dat deel van de boodschap aanvaarden wat past bij hun onbekeerde smaak, wat hun verdorven wil niet tegenspreekt, waarschuwt de Heer: “Ik zal richten tussen kleinvee en kleinvee.” {ABN3: 37.2}

Onder Gods volk is er altijd een klasse geweest die geneigd is om alles te betwisten {te twijfelen aan} en te bekritiseren in de “ontvouwing der waarheid.”—Testimonies, Vol. 5, p. 690 {Getuigenissen, Del 5, p.}. “aanvaarden dit en dat,” zeggen zij, “maar wij zullen het andere niet aanvaarden.” De meesten van hen denken dat het een kenmerk van intelligentie is om te betwisten en te bekritiseren, om de boodschap te oordelen welke God tot hen heeft gezonden. Deze zelfingenomen zielen zijn zo dwaas en zo blind voor hun dwaasheid, dat ondanks {het feit} dat vijftig eeuwen van menselijke tragedie hen op vreselijke wijze bestraft en waarschuwt tegen hun kwade en zielenvernietigende koers {handelwijze},  zijn toch doof blijven voor de roep en blind voor hun weg. En wat nog erger is, is dat hun twijfels en kritiek zwakke zielen hebben verstrooid van Christus, met als gevolg dat God het oordeel heeft uitgesproken: “Omdat gij al de zwakken met de zijde en met den schouder hebt verdrongen, en met uw hoornen hebt verstoten, totdat gij hen naar buiten toe verstrooid hebt; Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.” Ezech. 34:21, 22. {ABN3: 38.1}

Wees daarom gewaarschuwd, dat “zoals de discipelen verklaarden dat er  geen andere naam onder de hemel verlossing is gegeven onder de mensen, alzo zouden

38

ook de dienstknechten van God op een getrouwe en onbevreesde wijze hen moeten waarschuwen die slechts een deel van de waarheden aannemen die verbonden zijn met de derde boodschap, dat zij blijmoedig al de boodschappen moeten aannemen zoals God hen heeft gegeven, of anders geen deel hebben in de zaak.” –Early Writings, pp. 188, 189 {Eerste Geschriften, blz..}. {ABN3: 38.2}

“Satan is in staat twijfels te suggereren en bezwaren te bedenken tegen het scherpe getuigenis dat God zendt, en velen denken dat het een deugd is, een kenmerk van intelligentie in hen, om ongelovig te zijn, en om te betwijfelen en te betwisten. Zij die wensen te twijfelen zullen genoeg ruimte daartoe hebben. God is niet van plan om alle gelegenheid tot ongeloof weg te nemen. Hij voert bewijzen aan, die zorgvuldig moeten worden onderzocht met een nederig verstand en een ontvankelijke geest; en allen zouden moeten beslissen op grond van het gewicht der bewijzen.” “God geeft voldoende bewijzen voor het oprechte verstand om te geloven; maar hij die zich afkeert van het gewicht der bewijzen omdat er een paar zaken zijn die hij niet duidelijk kan zien door zijn beperkt begrip, zal worden achtergelaten in de koude, kille atmosfeer van ongeloof en ondervragende twijfels, en zal schipbreuk maken van het geloof.” –Testimonies, Vol. 5, pp. 675, 676 {Getuigenissen, Deel 5, blz. 549}. {ABN3: 39.1}

 Niemand waagt het zijn voorrechten te vergelijken met die van Jezus, en toch geloofde Hij al de geschriften van de profeten, en zij die zichzelf te wijs beschouwen, en het te vernederend vinden om alles te geloven, noemt Hij “dwazen.” Lukas 24:25{KJV}. Zij hebben zichzelf onbekwaam gemaakt om deze feiten nu te verstaan,

39

zoals de Joden zich onbekwaam maakten om de leerstellingen van Jezus betreffende het “koninkrijk” van toen te verstaan. {ABN3: 39.2}

Elke periode heeft een menigte gehad die in plaats van te zijn gedoopt om Christus en Zijn Waarheid te volgen, was gedoopt om de mens te volgen. Zij voegden zich bij de menigte in de kerk in plaats van de menigte in de hemel. Daarom is Christus een vreemdeling voor hen, en wanneer waarheid zich ontvouwt, noemen zij het dwaling, vervolgens volgen zij mensen en verwerpen de waarheid. Deze dwaasheid heeft zich steeds weer herhaald, met als gevolg dat de weinige getrouwen die Christus en Zijn Waarheid volgden, waren uitgeworpen uit de kerken en gedwongen waren om weer helemaal opnieuw te beginnen. Zo is het ook vandaag. Maar tot deze uitgeworpenen van Sion, luidt de vertroostende stem: “Hoort het woord des Heren, gij die voor Zijn woord beeft; Uw broeders die u haatten, die u uitwerpen om Mijns naams wil, zeiden: Laat de Here verheerlijkt worden; doch Hij zal verschijnen tot uw vreugde, en zij zullen beschaamd worden.” Jes. 66:5 {KJV}. “Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van hem, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; die goede berichten brengt van het goede, die heil doet horen; die tot Sion zegt: Uw God regeert.” Jes. 52:7. {KJV.} {ABN3: 40.1}

“Geloof in de Here, uw God, zo zult u bevestigd worden; geloof Zijn profeten, zo zult gij voorspoedig zijn.” 2 Kron. 20:20 {KJV.} {ABN3: 40.2}

40

ZULLEN ALLEN KOMEN TOT DE TIJD VAN DE PLAGEN?

Vraag Nr. 56:

Als de kerk zal worden gereinigd voor de afsluiting van de genadetijd van de wereld, en daarna rein zal blijven zonder maar een zondaar erin, zoals “The Shepherd’s Rod” {“De Herdersstaf”} dat leert, hoe kunt u dit dan harmoniseren met “Early Writings,” p. 71{Eerste Geschriften, blz..}, dat zegt dat sommigen “zullen komen tot de tijd van het vallen van de plagen, en dan zien dat zij uitgehouwen en gevormd zouden moeten worden voor het gebouw”? {ABN3: 41.1}

Antwoord:

Er zijn andere verklaringen van de schrijver van Early Writings {Eerste Geschriften} die nog duidelijker bewijs geven dat God voor die tijd een kerk zal hebben die zuiver en waarachtig is. ( Zie The Great Controversy, p. 425{De Grote Strijd, blz..}, Prophets and Kings, p. 725 {Profeten en Koningen, blz..}, Testimonies, Vol. 5, p. 80{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70, 71}; Jes. 52:1-2.) {ABN3: 41.2}

Daar deze verscheidene verklaringen met verwijzing naar een voorafgaande reiniging zijn even waarachtig als die in Early Writings, die de reiniging schijnen te weerleggen, kan men hen niet op oprechte wijze terzijde leggen en alleen daaraan beschouwing geven. Laat ons altijd gedenken de onschendbare regel te onderhouden dat een uitlegging van een geïnspireerde verklaring ook in harmonie moet zijn met alle andere gerelateerde verklaringen. {ABN3: 41.3}

Sommigen die graag Tegenwoordige Waarheid riskeren op grond van wat de ene geïnspireerde verklaring schijnt te zeggen of te suggereren, zien daardoor op aanmatigende wijze of zeer

41

 onwetende wijze “het gewicht der bewijzen” over het hoofd. Anderen doen dit door kortzichtigheid, terwijl nog anderen dit doen om bepaalde gekoesterde ideeën van zichzelf te ondersteunen. {ABN3: 41.4}

De basis grondslag voor de leer van de niet-voorafgaande-reiniging is gebouwd, niet op een vaste rots, maar op dezelfde drijfzand als die ligt onder zulke verkeerde ideeën als van de bewuste staat van de doden, de eeuwige pijniging van de goddelozen, doop door besprenkeling, heiliging van de Zondag, en de duizend jaren van vrede op aarde. {ABN3: 42.1}

Aangezien de Waarheid voortschrijdend is, en aangezien de reiniging van de kerk nog niet was geopenbaard toen de verklaring van Eerste Geschriften werd geschreven, kon het gevaar dat werd voorzegd en de raadgeving die daarin werd gegeven onmogelijk zijn verklaard in andere termen dan zoals die op de bekende wijze van toen werden begrepen. Allen waren aldus duidelijk vooraf gewaarschuwd dat indien zij voortgingen te zondigen, dan zouden de plagen, waarover zij reeds enige begrip hadden, na de afsluiting van de genadetijd hun beloning zijn. Dus, als de Heer de zaak in Early Writings zou hebben uitgelegd zoals Hij dat vandaag de dag doet door middel van the Rod { de Staf}, dan zou Hij buiten de bestemde tijd, toen Early Writings werd geschreven, de boodschap moeten openbaren, de boodschap welke alleen maar van toepassing is op de kerk van vandaag, en welke wij nu daarom ontvangen. {ABN3: 42.2}

Per slot van rekening kunnen de onboetvaardige zondaars, die

42

 nu in de kerk zijn, nooit de zeven laatste plagen zien, terwijl anderen die nu in de wereld zijn, in de tijd van de Luide Roep nog de gelegenheid zullen hebben om “gevormd”te worden voor het gebouw, en verzameld worden met de “levende stenen,” of anders onder de gevolgen te lijden hebben van de plagen. {ABN3: 42.3}

Niemand zou er moeite mee moeten hebben om dit nu in te zien, want al degenen tot wie Early Writings zich voornamelijk richtte zijn reeds overleden, hoewel de plagen nog in de toekomst liggen. Voorts is het zo, dat er veel meer licht op komst is betreffende de waarheid van de zeven laatste plagen, en wanneer het komt, kunnen wij nogmaals inzien dat wij “vele lessen te leren, en vele, vele lessen af te leren” hebben. –Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 30. {ABN3: 43.1}

ZULLEN DE PLAGEN VALLEN OVER LAODICEA OF OVER BABYLON?

Vraag Nr. 57:

Zal de slachting van Ezechiël 9 niet worden vervuld door de zeven laatste plagen? {ABN3: 43.2}

Antwoord:

  De slachting, zoals die wordt beschreven in de profetie van  Ezechiël, neemt het leven van alleen de goddelozen die zich in “het huis van Israel en Juda” bevinden (Ezech. 9:9)—de kerk; terwijl de vernietiging van de plagen over allen vallen die in “Babylon” worden gevonden (Openb. 18:4), nadat de Heer heeft verkondigd: “Kom uit van haar, Mijn volk,” en nadat zij daaraan gehoor hebben gegeven en zich dus hebben gescheiden van

43

hen die in Babylon zijn. De vernietiging van Ezechiël 9 kan daarom alleen van toepassing zijn op haar communicanten als een voorbeeld of voorloper van de zeven laatste plagen. {ABN3: 43.3}

  Bovendien wordt Zijn volk, hen die worden gemerkt door de engel volgens de profetie van Ezechiël, niet eruit geroepen, maar worden eerder erin achtergelaten. {ABN3: 44.1}

IS HET BEEST ZOWEL EEN WERELDSE ALS EEN KERKELIJKE MACHT?

Vraag Nr. 58:

Stelt de “kop” die “gewond was ten dode” (Openb. 13:3) een gecombineerde wereldse en kerkelijke macht van de Middeleeuwen voor? {ABN3: 44.2}

Antwoord:

Zij die begrijpen dat de gewonde kop van het luipaardachtig beest (Openb. 13:1-3) een symbool is van Rome in haar kerkelijke periode, begrijpen ongetwijfeld ook dat de “kleine hoorn,” die “de ogen had van een mens, en een mond die grote dingen sprak” (Dan. 7:8), op gelijke wijze een symbool is van Rome voordat de kop werd verwond. Om het onderwerp op de juiste wijze te verstaan, is het raadzaam om dit dubbel gefaseerde symbool te onderzoeken van het begin af, beginnend met Daniel’s zienswijze. {ABN3: 44.3}

Daar het “ogen van een mens” en “een mond” heeft, is de “kleine hoorn” feitelijk een hoorn-kop, een

44

unieke zaak onder regeringen, een samengestelde hiërarchie van burgerlijke en godsdienstige machten, samengaand in een heersende kop gedurende de Duistere- en Middeleeuwen, de “heerlijkheid die Rome bezat.” {ABN3: 44.4}

 Dienovereenkomstig, geeft de middeleeuwse vereniging ban wereldse en kerkelijke machten  in de Roomse kerk de sleutel tot de uitlegging van zowel de hoorn als de kop, wat bewijst dat de kop die werd verwond tot de dood een figuurlijke voorstelling is van het kerkelijke deel alleen. Want Rome wordt op het luipaardachtig beest niet voorgesteld door een gewonde hoorn of een hoorn-kop, maar door een gewonde kop alleen, wat aantoont dat de slag niet het wereldse gedeelte trof, de staat (hoorn), maar alleen het kerkelijke gedeelte, de kerk (kop). {ABN3: 45.1}

WAAROM ZIJN NIET BEIDE VISIOENEN HETZELFDE?

Vraag Nr. 59:

Als Daniel 7:8, 25 en Openbaring 13:3 beiden dezelfde macht vooraf voorstellen, en als de Roomse Kerk gedurende de Middeleeuwen de ene is die daar wordt voorzegd, waarom is zij dan in Daniel’s visioen, een gecombineerde wereldse en kerkelijke macht (hoorn-kop), terwijl zij in de Openbaring slechts een kerkelijke macht (kop) is? {ABN3: 45.2}

Antwoord:

Dat dezelfde macht inderdaad wordt voorgesteld door beide beesten wordt onmiskenbaar gezien uit het feit dat beiden “lasterden” in dezelfde tijdsperiode; de eerstgenoemde voor “een tijd, tijden en een gedeelte des

45

tijds” (Dan. 7:25): en de laatstgenoemde, voor “twee en veertig maanden”(Openb. 13:5). Deze zelfde periode wordt op identieke wijze verklaard in Openbaring 11:3, en wordt op gelijkwaardige wijze voorgesteld in Openbaring 12:14 als “een tijd, en tijden en een halve tijd,” wat volgende de regel van uitlegging van Ezechiël 4:6 wordt vergeleken met: “tijd” – 1 jaar; “tijden” – 2 jaren; en “en een halve tijd” of “gedeelte des tijds” — ½ jaar; in totaal gelijk aan 3 ½ jaar, 42 maanden, of 1260 dagen (12 maanden in een jaar, en 30 dagen in een maand, volgens Bijbelse berekening). {ABN3: 45.3}

Het visioen van Daniel voorzegt alleen de formatie van die kerk en staat vereniging, en om deze reden werd aan Johannes gegeven om zijn laatste fase te tonen, alleen maar haar ontbinding. Aldus maken de beide visioenen het geheel compleet—de formatie en de ontbinding. {ABN3: 46.1}

IS DE POEL DES VUURS BRANDENDE OF UITGEBLUST GEDURENDE HET

MILLENNIUM{DE DUIZEND JAREN}? 

Vraag Nr. 60:

Als het beest en de valse profeet in de poel des vuurs worden geworpen voor het millennium (Openb. 19:20) en de Duivel na het millennium (Openb. 20:10), zal dit vuur dan zich voortzetten te branden tussen de twee gebeurtenissen? {ABN3: 46.2}

Antwoord:

Het vuur kan symbolisch zijn, evenals veel van De Openbaring dat is. Maar of het nu werkelijk een vuur is of iets anders, het hoeft niet

46

noodzakelijkerwijs te branden gedurende het millennium, maar kan daarna opnieuw ontstoken worden. {ABN3: 46.3}

SLECHTS EEN GEDEELTE NIET BETREDEN?

Vraag Nr. 61:

In Traktaat nr. 9, “Behold I Make All Things New {“Zie, Ik Maak Alle Dingen Nieuw”}, 1942 Editie, p. 38, staat de verklaring: “Dat gedeelte van de nieuwe aarde, welke de goddelozen hebben betreden(…) zal gereinigd worden door het vuur, ‘neer’ komende ‘van God uit de hemel.’” Het is ons geleerd dat de goddelozen bij de tweede opstanding zullen opstaan uit hun graven uit iedere gedeelte van de aarde. Als dat zo is, hoe is het dan mogelijk dat zij slecht een gedeelte ervan zullen betreden? {ABN3: 47.1}

Antwoord:

Het gedeelte van de nieuwe aarde dat de voeten van de goddelozen niet betreden en verontreinigen, is dat gedeelte waarop de Heilige Stad rust. {ABN3: 47.2}

WIE VAARDIGDE HET DERDE DEKREET UIT?

Vraag Nr. 62:

Ik heb het tempel type, zoals wordt gevonden in “The Shepherd’s Rod,” Vol. 2 {“De Herdersstaf,” Deel 2}, zorgvuldig bestudeerd, maar ik kan niet inzien hoe Darius de schrijver kan zijn van het derde dekreet, tenzij u het standpunt inneemt dat hij twee dekreten uitvaardigde. Hoe kunt u in deze moeilijkheid opheldering brengen? {ABN3: 47.3}

Antwoord:

De Bijbel verklaart dat de tempel was voleindigd bij het bevel van Kores, Darius, en Artachsasta, “in het zesde jaar van de regering van koning Darius.” Ezra 6:14, 15. {ABN3: 47.4}

47

Daar het dekreet van Artachsasta van Ezra 7 om de tempel te versieren, niet om het te bouwen (vers 27), was uitgevaardigd na de drie vooraf genoemde dekreten, kan het daarom niet het dekreet van Artachsasta zijn van Ezra 6:14. Daarom waren er drie decreten om het te bouwen, en een om het te versieren;(1) een door Kores (Ezra 1:2-4); (2) een door Darius (Ezra 6:11, 12), (3) een door Artachsasta, die niet is opgetekend (4) een door Artachsasta, wel opgetekend (Ezra 7:21-26). {ABN3: 48.1}

Aldus is het dat het dekreet van Artachsasta van hoofdstuk 7, die het derde is dat staat opgetekend, de classificatie heeft gekregen als de derde, hoewel het in feite de vierde kan zijn. Dienovereenkomstig moesten er twee dekreten van Artachsasta zijn geweest. {ABN3: 48.2}

Daar het bouwen van de tempel was voltooid “in het zesde jaar van de regering van koning Darius” (Ezra 6:15), niet in de regereing van Artachsasta, dan moet er, als het dekreet van Darius niet de derde en de laatste is, geconcludeerd worden dat de Darius die regeerde toen de tempel was voltooid, geen dekreet uitvaardigde. {ABN3: 48.3}

Als onze afleidingen onjuist zouden zijn, en als er ooit meer licht over dit onderwerp noodzakelijk wordt, dan is het zeker dat de Heer ons niet in onwetendheid daarover zal laten. Aangezien het punt van de kwestie op dit moment echter niet van praktisch belang is, laat dan het gegeven antwoord voldoende zijn. {ABN3: 48.4}

48

546 OF 547 V.CHR.?

Vraag Nr. 63:

In Traktaat Nr. 3, “The Judgment and the Harvest” {“Het Oordeel en de Oogst”}, 1942 Editie, p. 37, wordt de berekening volgens het diagram het begin ban de 2300 dagen-profetie van Daniel 8:14 gedateerd vanaf 456 V. Chr., terwijl “The Great Conroversy,” p. 328 {“De Grote Strijd,” blz…} het dateert vanaf 457 V. Chr. Hoe harmoniseert u de twee? {ABN3: 49.1}

Antwoord:

Doordat het de lange profetische periode alleen in afgeronde getallen behandelt, telt het Traktaat 2300 jaren terug van1844, wat dus het beginpunt van de periode vestigt op 456 V. Chr. The Great Controversy echter, behandelt het feit dat de periode niet begon in de eerste maand van het jaar volgens de huidige kalender, maar eerder in de zevende maand (voor ons Oktober) van het jaar volgens de Mozaïsche kalender (Ex. 12:2). {ABN3: 49.2}

Het verschil wordt gezien in het volgende diagram. Het bovenste gedeelte daarvan geeft het in termen van het traktaat weer; het onderste gedeelte in termen van The Great Controversy. {ABN3: 49.3}

49

shepherds-rod-answerer-book-3-2300-years

50

ALLEN OF EEN OVERBLIJFSEL – WELKE?

Vraag Nr. 64:

Romeinen 9:27 zegt dat een “overblijfsel” van Israel zal worden gered, maar Romeinen 11:26 zegt dat “gans” Israel zal worden gered. Ik begrijp dit niet. Kunt u mij helpen? {ABN3: 51.1}

Antwoord:

Romeinen 9:27 spreekt van Israel als een natie, waarvan alleen een overblijfsel zal worden gered; terwijl Romeinen 11:26 verwijst naar het uitverkoren Israel als individuen, waarvan allen zullen worden gered. {ABN3: 51.2}

WEINIGEN OF VELEN GERED?

Vraag Nr. 65:

“Het verlossingsplan was volbracht,” zegt “Early Writings,” p. 281 {Eerste Geschriften, blz. 336}, “maar weinigen hadden verkozen om het aan te nemen.” Deze verklaring wordt zeer uitgebreid gebruikt tegen de leerstelling van de “grote schare” zoals die wordt onderwezen door de Davidians. Wilt u alstublieft opheldering brengen hierin? {ABN3: 51.3}

Antwoord:

Alhoewel Jezus gedurende Zijn Eigen bediening op aarde weeklaagde dat “velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren” (Matt. 20:16{KJV/SV}), toch had Hij lang van tevoren door Jesaja in een profetische belofte aan de kerk verklaard: “Uw poorten zullen voortdurend open staan; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; opdat men tot u de vermogens der heidenen kan inbrengen, en dat hun koningen gebracht kunnen worden(…) Een kleine zal tot duizend worden, en

51

de geringste tot een sterke natie; Ik, de Here, zal het te zijner tijd met haast volvoeren.” Jes. 60: 11:22 {KJV}.{ABN3: 51.4}

“En het zal geschieden in de laatste dagen, dat de berg van het huis der Heren vastgesteld zal zijn op de top der bergen, en verheven zal zijn boven de heuvels; en alle natiën zullen daarheen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, en laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de god Jakobs, en Hij zal ons van zijn wegen leren, en wij zullen in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet voortgaan, en het woord des Heren uit Jeruzalem. En Hij zal richten onder de natiën, en zal vele volken bestraffen; en zij zullen hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden, en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal het zwaard tegen een ander volk opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. O huis van Jakob, komt, en laat ons wandelen in het licht des Heren.” Jes. 2:2-5{KJV}. {ABN3: 52.1}

En door de profeet Zacharia tekende Hij opnieuw de belofte op: “ Vele natiën zullen te dien dage tot de Here toegevoegd worden.”  Zach. 2:11{KJV}.{ABN3: 52.2}

“En het zal geschieden, dat in het ganse land, zegt de Here, twee delen daarin afgesneden zullen worden en sterven; maar het derde deel zal daarin achtergelaten worden. En ik zal het derde deel door het vuur brengen, en zal hen louteren zoals zilver wordt gelouterd, en zal hen beproeven als goud wordt beproefd; zij zullen Mijn naam aanroepen, en Ik zal hen horen;

52

Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en zij zullen zeggen: De Here is mijn God.” Zach. 13:8, 9{KJV}. {ABN3: 52.3}

Bovendien, terwijl de schrijfster in Early Writings, p. 281 zegt: “Maar weinigen hadden verkozen om het aan te nemen,” classificeert zij in The Great Controversy, p. 665{De Grote Strijd, blz. 613}, de grote schare van Openbaring 7:9 als een gezelschap die gescheiden is van de martelaren en van al de andere die zullen worden opgewekt, wat daardoor duidelijk aantoont dat de “grote schare” niet de opgewekten, maar de levenden zijn die worden veranderd. Dit wordt ook bevestigd door Counsels to Teachers {Raadgevingen aan Leraren}, p. 532. {ABN3: 53.1}

Als wij nu tot de waarheid zullen komen, moeten wij de verklaring in Early Writings en die in Mattheus 20:16 op een wijze uitleggen die in harmonie is met Jesaja 60:11, 22, Zacharia 2:11; 13:8, 9; The Great Conroversy, p. 665, en andere passages, waarvan allen aantonen dat er een grote schare zal zijn. {ABN3: 53.2}

Geen enkele oprechte Bijbelstudent zou een theorie bouwen op grond van een uitlegging die hem ertoe zou leiden dat hij al de andere schriftgedeelten over het onderwerp terzijde legt. Hij zal ernaar streven om zijn eindconclusie op zulk een wijze te maken dat het in volkomen harmonie is met al de schriftgedeelten, of anders belijden dat hij geen licht heeft over het onderwerp. {ABN3: 53.3}

In het duidelijke licht van de Bijbel en de Geest der Profetie passages die hier zijn geciteerd, leidt het gewicht der bewijzen ontegenzeggelijk tot

53

het slotsom dat er een grote schare zal worden gered. De waarheid wordt dan duidelijk, dat de ‘weinigen” degenen behelzen die gered zijn bij de oproep van iedere boodschap gedurende de tijden in het verleden, de tijd voor de “oogst.” Maar bij het afsluitingswerk van de wereldgeschiedenis, gedurende de oogsttijd van het evangelie, zal er een grote bijeen vergadering zijn van verloste zielen, “een grote schare die niemand tellen kan.” De term “oogst” duidt juist zulk een opbrengst aan. {ABN3: 53.4}

Aldus is, in vergelijking met het totale aantal der verlorenen door de eeuwen heen, het totaal aantal der verlosten weinig; maar niet vergelijkend gesproken, is het totaal aantal verlosten uit alle eeuwen, in feitelijke optelling, veel. Van dit feit bevestigen de woorden van Ezechiel: “Dus profeteerde ik zoals Hij mij bevolen had, en de adem kwam in hen, en zij werden levend, en stonden op hun voeten, een uiterst groot leger.” Ezech. 37:10{KJV}. {ABN3: 54.1}

Daar de verlossing van een grote schare alleen in tegenstelling is tot het plan van de Duivel, laat ons dan niet voor zijn belang werken. {ABN3: 54.2}

AAN WELKE KANT ZULT U STAAN?

Vraag Nr. 66:

Hoe beschouwen de Davidians het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten? Welk standpunt nemen zij in betreffende de geschriften van Mw. E. G. White, en waar staat Mt. Karmel voor? {ABN3: 54.3}

Antwoord:

De Davidian Zevende-dags Adventisten geloven dat de kerk der Zevende-dags Adventisten

54

door de hemel werd ingesteld en opgedragen met een speciale boodschap voor de wereld, maar dat zij na verloop van tijd zich heeft toegelaten zelfingenomen, lauw en onverschillig te worden bij het uitvoeren van haar heilige verantwoordelijkheden; en dat zij door aldus  eenmaal “teruggekeerd te zijn van het volgen van Christus, haar Leider,” sindsdien “gestaag” aan het “terugkeren is naar Egypte,” met het trieste en tragische gevolg dat haar “eigen koers van voortdurende terugval” haar “heeft gescheiden”van God. –Testimonies, Vol. 5, p. 217 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}. {ABN3: 54.4}

 De Davidians geloven verder dat deze tragische afwijking van de Heer maar al te zichtbaar is in de verdeelde staat dat wordt geopenbaard in het kerkgenootschap der Zevende-dags Adventisten door de strijd die erbinnen heerst “tussen de geboden van God en de geboden van mensen.” Idem, blz. 81. Met het doel dat deze vernietigende toestand van verdeeldheid en zwakheid wordt opgelost tot eenheid en kracht, wat van absolut belang is zodat de kerk ooit haar verheven bestemming kan volbrengen, geloven de Davidians verder nog dat, zoals er staat geschreven: “het goud zal worden gescheiden van het slijk in de kerk.” Anders gezegd, geloven zij dat de Modernisten, zij die verheven eer hebben gegeven aan “’valse zogenaamde wetenschap,’ (…) vertrouwd hebben op intellect, verstand en talent”(Idem, p. 801), uitgezift zullen worden van de Fundamentalisten—van hen die “in het licht staan(…) zuchtende en kermende vanwege de gruwelen die in het land bedreven worden.”—Idem, p. 209. {ABN3: 55.1}

55

Laat het echter onmiddellijk worden begrepen, dat in tegenstelling tot hen die openlijk hun modernistische zienswijzen bekennen, de Zevende-dags Adventistische Modernisten al zulke neigingen veroordelen, en op dringende wijze belijden dat zij vast staan op de fundamentele geloofspunten der Zevende-dags Adventisten, hoewel zij onwetend geleidelijk steeds verder van hen wegslippen (Christ our Righteousness {Christus onze Gerechtigheid}, 1941 Editie, p. 36). {ABN3: 56.1}

Dat deze afdrijving wordt herkend als een werkelijk gevaar door zelfs sommigen binnen de kerk, wordt gezien uit een artikel dat is gepubliceerd in The Review and Herald, 2 Juli, 1936, getiteld: “Modernisme—Een Persoonlijke Toepassing”: {ABN3: 56.2}

“Naarmate wij met verontrusting de snelle verspreiding van het Modernisme onder de verscheidene Protestantse kerken aanschouwen, is het goed om onze eigen levens in beschouwing te nemen, om te zien of dezelfde beginselen en tendensen {geneigdheden} daar kunnen zijn begonnen te werken. Terwijl de leerstellingen en beginselen van de Zevende-dags Adventisten Fundamentalistisch zijn, is er groot gevaar dat wij persoonlijk modernistisch kunnen worden. {ABN3: 56.3}

“Om het gevaar hiervan beter begrijpen, is het goed om de essentiële {belangrijke} verschillen in beschouwing te nemen tussen Fundamentalisten en Modernisten. De Fundamentalisten geloven in het woord van God als de laatste gezaghebbende; terwijl de Modernisten geloven in de uitlegging van het woord van God volgens hun menselijke redenering, aldus plaatsen zij redenering boven de God van openbaring. {ABN3: 56.4}

“In deze laatste dagen, heeft God Zijn Openbaring aan ons als volk niet beperkt tot de Schriften alleen, maar heeft ons ook bijzondere instructies gegeven door de manifestatie van de Geest der Profetie(…) {ABN3: 57.1}

“Dus terwijl de populaire kerken hun Modernistische houding slechts laten blijken ten opzichte van de Bijbel, is het mogelijk dat wij dezelfde houding laten blijken ten opzichte van Gods bijzondere boodschappen aan ons. In feite is onze relatie {verband} met de Getuigenissen juist de plaats waar deze houding zich het eerst zal manifesteren.” {ABN3: 57.2}

Deze bedrieglijke verscheidenheid van het modernisme, dat “het geloof van Gods volk in de Getuigenissen” verzwakt (Testimonies, Vol. 4{Getuigenissen, Deel 4}, p. 211), en geleidelijk aan de fundamentele grondbeginselen van het Kerkgenootschap “opnieuw vormgeven{reorganiseren of herstructureren}” (Testimonies to Ministers, {Getuigenissen aan Predikanten}, pp. 48, 69, 70, 360, 372, 373, 409), is hartverscheurend bewijs zij die zich daarin aan het roer staan, Modernisten zijn. Maar hun schijnbare onschuld van dit feit en hun ontkenning daarvan, maakt het voor ons uitermate moeilijk dat wij iets eraan kunnen doen om hen te helpen, zonder dat onze pogingen verkeerd worden begrepen. En om de schuldvraag te achterhalen van waar deze afwijking van de door de Hemel vastgestelde fundamentele {beginselen} van het geloof van vandaag is begonnen, is even onmogelijk als om de eerste Joodse leraar te achterhalen die in de plaats van een “zo zegt de Here” een zo zegt hijzelf of iemand anders heeft geplaatst. Inderdaad is  wie er kan worden aangeklaagd voor deze afvalligheid even onmogelijk om vast te stellen als dat is om te bepalen wanneer het kwade werk was begonnen. Inspiratie

57

zegt: “Er zijn mensen vandaag die valsheden zullen voorstellen als beproevende waarheden, evenals de Joden de stelregels van mensen voorstelden als het brood des hemels. Gezegden die geen waarde hebben worden aan het volk van God gegeven als hun spijze, terwijl zielen honger lijden voor het brood des levens. Er zijn fabels bedacht, en mensen proberen deze fabels in het web te verweven. Zij die dit doen zullen op een dag hun werk zien zoals het wordt gezien door de hemelse dienst. Zij verkiezen om hout, stro, en stoppels tot de fundering te brengen, terwijl zij het woord van God tot hun beschikking hebben, met al haar rijkdom en macht, van waaruit zij kostbare schatten van waarheid kunnen verzamelen. Het voedsel dat wordt bereid voor de kudde zal geestelijke vertering, achteruitgang, en dood veroorzaken. Wanneer zij die belijden de tegenwoordige waarheid te geloven tot bezinning komen, wanneer zij het woord van God aannemen precies zoals het leest, wanneer zij niet trachten de Schriften te verdraaien, zullen zij uit de schatkamer van het hart nieuwe en oude dingen voortbrengen, om zichzelf en hen voor wie zij arbeiden, te versterken.”—The Review and Herald, 18 juni, 1901. {ABN3: 57.3}

Vervolgens houden de Davidians aan dat het geloof dat de Geest der Profetie in de kerk zal rusten tot het einde der tijd, een van de fundamentele stenen is van het Zevende-dags Adventisme. “Deze profetische gave die {ons} gegeven is,” erkent Ouderling A.G. Daniels, “zou met de kerk verblijven van Adam tot de tweede komst van onze Here en Verlosser Jezus Christus, wanneer Hij komt om Zijn verloste volk naar

58

het Paradijs mee te nemen. Het eindigde niet bij de apostelen, maar het is te vinden door de eeuwen heen tot aan de laatste dagen van de geschiedenis der mensheid, net voor de terugkeer van onze Heer. Wanneer die verheven gebeurtenis der eeuwen zal plaatsvinden, dan—en alleen tot dan—zal datgene geschieden waarvan wordt gesproken door apostel Paulus: {ABN3: 58.1}

“’(…)hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele; Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.’ –1 Kor. 13:8-10, ARV.”—The Abiding Gift Of Prophecy {De Blijvende Gave Der Profetie}, p. 6. {ABN3: 59.1}

Aangezien deze profetische gave zichtbaar werd door Zuster White, zoals het bewijskrachtig is vastgesteld, dan schreef zij noodzakelijkerwijs onder goddelijke Inspiratie, zoals de schrijvers van de Bijbel dat deden. En daarom keert orthodoxe Zevende-dags Adventisme zich tot de hoofdwaarheid dat “geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat,” en niet meer begrepen kan worden zonder bijzondere goddelijke verlichting dan dat profetie kon worden begrepen in de tijd van Daniel zonder verlichting van de engel, die verklaarde: “Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michaël.” Dan. 10:21. Evenzo moet dezelfde Michael een “leraar” aanstellen voor ons vandaag;

59

anders zullen die dingen die tot onze vrede behoren “verborgen zijn voor uw ogen.” Lukas 19:42. {ABN3: 59.2}

Deze vaste rots van leerstelling zou altijd het vaststaande fundament van het Kerkgenootschap zijn, en evenredig aan de mate waarop haar beginselen getrouw zijn nagevolgd, is er kracht geweest in de kerk. {ABN3: 60.1}

Bij de dood van Zuster White, in 1915, werd de gave van Inspiratie, de actieve Geest der profetie, stil, Het openbaarde Zichzelf niet langer voor een tijd. Daar de kerk aldus was afgesneden van haar absolute bron van leven, zoals de Joden dat waren vanaf de dood van de profeet Maleachi tot aan de opkomst van Johannes de Doper, hoe kon zij dan haar levenskracht (vitaliteit) en groei behouden? Daarom heeft er nu, evenals toen, dezelfde onvermijdelijke geestelijke ondervoeding en misvorming gevolgd, vergezeld door een lange rij van weeën {rampspoed}. {ABN3: 60.2}

Tegen deze duister achtergrond van geestelijke achteruitgangen vertering (jammerlijkheid, ellendigheid, armoede, blindheid en naaktheid), en het op handen zijnde einde (uitgespuwd te worden), onderscheidt zich in krachtige tegenstelling het streng gebeitelde werk van Mt. Karmel Center, zoals het vurige toppunt van het vroegere Karmel temidden van de afgoderij en verval van het afvallige Israel. Wederom ontmoeten type en antitype elkaar. Maar tot het Israel van God van vandaag zegt de engel: “Gij hebt erger gedaan dan hen.” Testimonies, Vol. 1{Getuigenissen, Deel 1}, p. 129. {ABN3: 60.3}

“Als een hamer om het keiharde hart te breken; als een vuur om het afval te verteren”

60

(Testimonies, Vol. 5, p. 254 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}, roept de stem van Karmel tot Laodicea de ongeachte waarschuwing uit: “Ik ben met droefheid vervuld wanneer ik denk aan onze toestand als volk. De Heer heeft de hemel niet gesloten voor ons, maar het is onze eigen koers van voortdurende terugval die ons van God gescheiden heeft. Trots, heb­zucht, en lief­den voor de wereld hebben in de harten hun plaats zonder vrees voor ver­banning of ver­oordeling. Zwaardrukkende en aanmatigen­de zonden hebben onder ons hun plaats. En toch is de algemene opvat­ting, dat de kerk aan het bloeien is en dat vrede en geeste­lijke voorspoed binnen al haar grenzen aanwe­zig zijn. {ABN3: 60.4}

   “De kerk volgt Christus niet langer na als haar Leider en keert gestaag terug naar Egypte. Toch zijn er maar weinigen gealarmeerd of verbaasd over hun gebrek aan geestelijke kracht. Twijfel, en zelfs ongeloof in de getuigenissen van de Geest van God, doordren­gen overal onze kerken. Zo ziet Satan het graag. Zo zien predikan­ten die zichzelf prediken in plaats van Chris­tus het graag. De Getuigenissen worden niet gelezen en worden niet gewaardeerd. God heeft tot u gesproken. Licht heeft vanuit Zijn Woord en vanuit de Getui­genis­sen geschenen, en beiden zijn geringgeschat en terzijde gelegd. Het resultaat is een aantoon­baar gebrek aan rein­heid, toe­wijding en ernstig geloof onder ons.” Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz…}. {ABN3: 61.1}

“Het is nu de tijd dat wij ons dichtbij zouden moeten verbinden met God, zodat wij verborgen mogen zijn wanneer de grimmigheid van Zjin toorn wordt

61

uitgegoten over de zonen der mensen. Wij hzijn afgedwaald van de oude grenspalen. Laat ons terugkeren. Als de Here God is, dient Hem; indien Baal, dient hem. Aan welke zijde zult u staan?” –Testimonies, Vol. 5, p. 137{Getuigenissen, Deel 5, blz..}. {ABN3: 61.2}

En nu klinkt de stem van Karmel steeds luider door de series van The Shepherd’s Rod {De Herdersstaf} publicaties: “de stem des Heren (…) tot de stad, en,” zegt de Goddelijke Schrijver, “de mens der wijsheid zal uw naam zien: hoort naar de Roede, en Wie het besteld heeft.” Micha 6:9 {KJV}. {ABN3: 62.1}

“Weid uw volk,”beveelt Hij, “met uw staf, de kudde van uw erfenis, die alleen woont in het woud, in het midden van Karmel.” Micha 7:14{KJV}. {ABN3: 62.2}

Om dus de oprechten in Laodicea te redden van geestelijke verhongering en dood, om te doen opleven, te herstellen, en hen opnieuw te bewapenen voor de laatste strijd, heeft de Heer de Staf {The Rod} gezonden. {ABN3: 62.3}

Wanneer dit werk van herstel is volbracht volgens Mattheus 17:11, en de Modernistische element is “afgesneden”zoals is bevolen in Ezecchiel 9 en in Testimonies, Vol. 5, p. 80{Getuigenissen, Deel 5, blz. 70}, dan zal er in de kerk een snelle vervulling worden gezien van de woorden van Christus: “En de regen viel neer en de stromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis,”  en het hield stand. Matt. 7:25. {ABN3: 62.4}

Zoals de eerste grondleggers van de Adventisten gemeente, zijn zij die gehoor geven aan the Rod {de Staf} de

62

herstellers van de “oude paden”; zij realiseren zich de ernstige gevolgen die gepaard gaan met het in tegenstelling gaan tot welk licht dan ook dat de Heer verkiest te zenden tot Zijn volk. En aangezien de boodschap van the Rod {Staf} een belangstelling heeft opgewekt voor de noodzaak van “hervorming onder Gods volk,” zouden wij als Davidians niet allen lafhartig zijn tegenover dat wat ons is toevertrouwd, maar zouden ook langsgaan “aan de andere kant,” daardoor toelatend dat onze geliefde Zevende-dags Adventisten gemeente in het stof te sleuren, dat onze broeders verloren gaan, en dat de wereld om ons heen ten onder gaat door “gebrek aan kennis,” als wij ons niet beijveren om de kerk te waarschuwen voor het opkomend gevaar. {ABN3: 62.5}

Onze onzelfzuchtige ijver en inspanning om alle Modernistische Zevende-dags Adventisten broeders te helpen, ongeacht hun ras, nationaliteit, of sociale positie, is genoeg bewijs van onze liefde voor hen en onze toewijding aan hen. Wij geloven met de apostel Paulus dat allen kinderen van Abraham zijn, kinderen der aanneming in het gezin van God door onze Here en Verlosser Jezus Christus. {ABN3: 63.1}

Hoewel wij ons de grootsheid van ons doel realiseren, maar met onvoorwaardelijk vertrouwen in onze leider, Die nog nooit heeft gefaald om iedere fase van het Goddelijk doel te realiseren {voltooien}, zien wij onze taak met moed en vertrouwen tegemoet, en geloven wij dat “wij wel in staat zijn om op te gaan en het land” van onze erfenis “te bezitten,” en uiteindelijk te gaan in die hemelse Kanaän, waar “melk en honing” voor altijd zal vloeien. {ABN3: 63.2}

63

Uit noodzaak wordt Mt. Karmel Center dan gebouwd als een operatiebasis om werkers te trainen en gereed te maken om deze bijzondere boodschap tot de kerk te brengen; om de waardige jeugd onderrichten; om te zorgen voor de waardige armen, bejaarden, weduwen en wezen; en om de zieken en zwakken te bedienen in overeenstemming met Gods plan. Zij heeft Gods tweevoudige opdracht tot haar gehoord: “ Roep luidkeels, bespaar niet, verhef uw stem als een bazuin, en maak Mijn volk hun overtredingen bekend, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes. 58:1{KJV}. {ABN3: 64.1}

“Blaast de bazuin in Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen. Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen, vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek.” Joel 2:15, 16 {KJV}.{ABN3: 64.2}

“Wanneer zij dit “afsluitingswerk voor de kerk” (Testimonies, Vol.3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266), dan zullen zij die iedere “verzoeking in de kracht van de Machtige” heeft overwonnen, die gezucht en gekermd hebben en aan de vernietiging zijn ontkomen, “zijn als David; en het huis van David zal zijn als God, als e engel des Heren voor hun aangezicht.” Zach. 12:8. Davidians in werkelijkheid! –“ een groot en machtig volk” (Joel 2:2), “gekleed in de wapenrusting van Christus’ gerechtigheid,(…) ‘schoon als de maan, helder als de zon, en vreselijk als een leger met krijgsbanieren,’(…)om voort te gaan in de gehele wereld,

64

overwinnende en om te overwinnen.” –Prophets and Kings, p. 725{Profeten en Koningen, blz. 445}.{ABN3: 64.3}

Op deze wijze zullen de Davidian Zevende-dags Adventisten al de heiligen bijeen vergaderen tot het huis van de Heer. {ABN3: 65.1}

Het is de grote zorg van Mt. Karmel om dit veelvoudig werk zo snel mogelijk gedaan te krijgen, zodat wij dan naar huis kunnen gaan tot onze eeuwige rust, om niet meer gekluisterd te zijn aan de boeien van de zonde. {ABN3: 65.2}

DE KERK OF DE WERELD REDDEN?

Vraag nr. 67:

Als wij, op dit late uur, ons geheel inspannen voor de verlossing van de kerk, hoe zal de rest van de wereld ooit bereikt worden? {ABN3: 65.3}

Antwoord:

De missie om de wereld te redden kan niet belangrijker zijn dan de missie om de kerk te redden. Het doen toenemen van het aantal kerkleden onder de nu overheersende lauwe Laodiceese omstandigheden zou het Koninkrijkrijk van Christus niet meer kunnen bevorderen dan dat gedaan zou kunnen zijn onder de toestand in de Joodse kerk in de dagen van Zijn eerste komst. Doordat zij de ware toestand in de kerk kenden, hielden Johannes de Doper en Christus Zelf en zelfs de apostelen in eerste instantie, zich niet bezig met de wereld over het algemeen, maar alleen in het belang van hun broeders in de kerk. {ABN3: 65.4}

Daar dezelfde afwijking van Christus nu bestaat binnen de kerk zoals het toen

65

 bestond (Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz..}), dan zal het veel meer inspanning vereisen om de mensen te redden van de Laodiceese “treurige misleiding” (Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 253), dan wanneer zij in het heidendom waren. Want in Laodicea worden zij ertoe gebracht te geloven dat zij alle waarheid hebben dat er te verkrijgen is, dat zij rijk, met goederen verrijkt zijn, en aan niets gebrek hebben,–hun verlossing voor altijd is veiliggesteld zolang zij het lidmaatschap behouden in de kerk. Vandaar, dat er een groter risico bestaat dat hun zielen verloren gaan in de kerk terwijl zij “lauw” is en op het punt staat uitgespuwd te worden, dan wanneer zij in de wereld zou blijven totdat de kerk ontwaakt uit haar sluimering, en zich zalft met de ogenzalf (Waarheid)—goed ziet, goed handelt, en de kudde op de juiste wijze leidt en weidt. {ABN3: 65.5}

Laat iedere oprechte lid zich de vraag stellen: Als de kerk zelf niet gered is (Testimonies, Vol. 3{Getuigenissen, Deel 3}, p. 253), Christus niet navolgt als haar Leider (Testimonies, Vol. 5, p. 217{Getuigenissen, Deel 5, blz..}), en “een hoer is geworden”  (Testimonies, Vol. 8{Getuigenissen, Deel 8}, p. 250), hoe kan zij dan anderen redden? De grootste noodzaak is daarom om eerst hen die in de kerk zijn te redden, daarna hen die in de wereld zijn. Het “ bijzonder werk van reiniging, van het wegdoen van zonde onder Gods volk (The Great Controversy, p. 425{De Grote Strijd, blz…}), “het afsluitingswerk voor de kerk, in de verzegelingstijd van de 144.000 (Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266), moet eerst geschieden, daarna zal de verzegeling van hen die in de wereld zijn volgen. {ABN3: 66.1}

66

De mensen en de middelen die reeds zijn toegewijd aan het zendingswerk voor de wereld zijn zo overvloedig dat zij volledig de schrale faciliteiten overschaduwen die beschikbaar zijn voor het brengen van de boodschap tot de Laodiceeërs, ondanks {het feit} dat de kerk in een nog grotere nood verkeert dan de wereld dat doet. {ABN3: 67.1}

  Het brengen van de boodschap tot de kerk heeft echter geen invloed op het zendingswerk voor de wereld, want terwijl de Davidianen werken in het belang van de kerk, brengt het Kerkgenootschap de oude boodschap tot de wereld. Maar als de Davidianen hun tijd en geld ook zouden toewijden aan het zorgen voor de belangen van de heidenen, dan zouden zowel de kerk als de wereld in de hel ingedompeld worden. Dus, om de wereld te redden, moeten wij eerst trachten de kerk te redden van de ondergang die op handen is, zoals Johannes de Doper, Christus, en de apostelen dat deden in hun dagen. {ABN3: 67.2}

  Nadat de kerk ontwaakt en ophoudt te dromen dat zij “rijk en met goederen verrijkt is,” tot de ontdekking komt dat zij eerder van alles dan “niets” nodig heeft, dan zich tot Christus, haar Leider, te keren, zichzelf bekleedt met de klederen van ZIjn gerechtigheid, en de onreine niet meer door haar heen laat trekken (Jes. 52:1), dan zal haar gerechtigheid voortgaan als een glans en haar verlossing als een lamp, die brandt. En de Heidenen zullen haar gerechtigheid, en alle koningen haar heerlijkheid zien (Jes. 62:1, 2). Dan zal zij waarlijk in staat zijn om te

67

 redden. Dan “zullen”haar “poorten voortduren geopend zijn; zij zullen dag noch nacht gesloten zijn; opdat de mensen tot” haar “de vermogens der Heidenen kunnen brengen, en dat hun koningen kunnen worden gebracht. Want de natie en het koninkrijk dat” haar “niet zal dienen, zal omkomen; ja, die natien zullen volkomen verwoest worden.” Jes. 60:11, 12{KJV}. {ABN3: 67.3}

Laten alle tegenwoordige waarheid-gelovigen daarom deze koers navolgen tot haar gelukkige hoogtepunt: “Zing en verheug u, gij dochter van Sion! want zie, Ik kom, en Ik zal in uw midden wonen, zegt de HERE. En vele natien zullen te dien dage aan de HERE toegevoegd worden, en zij zullen Mijn volk zijn; en Ik zal in uw midden wonen, en gij zult weten, dat de HERE der heerscharen mij tot u gezonden heeft.”  Zach. 2:10, 11{KJV}. {ABN3: 68.1}

  Verder nog is het zo dat daar het niet wij zijn, maar Christus, Die “de teugels in Eigen handen aan het nemen is” (Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300, dan is het niet onze taak om Hem te vertellen welk werk gedaan zou moeten worden, en welk werk ongedaan gelaten zou moeten worden, maar laat iedere volger van Hem zich realiseren dat Hij “op een wijze zal werken die zeer anders is dan de algemene stand van zaken, en op een manier die in tegenstelling zal zijn tot welke mensenlijke opzet dan ook.” — Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 300. {ABN3: 68.2}

Wees niet als de klasse die “alles in twijfel trekt en bekritiseert wat opkomt bij het ontvouwing van de waarheid ” (Testimonies, Vol. 5. p. 690{Getuigenissen, Deel 5, p. 561}, maar wees als hen die “de Hemel laten leiden.”–Testimonies to Minsters {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 475. {ABN3: 68.3}

68

Het bevel aan ons is: “Roep luidkeels, spaar niet, verhef uw stem als een bazuin, en toon Mijn volk hun overtreding, en het huis van Jakob hun zonden.” Jes. 58:1{KJV}. {ABN3: 69.1}

“Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt de weg van het volk; verhoogt, verhoogt de hoofdweg, ruimt de stenen weg, heft een banier omhoog voor de volken!  Ziet, de HERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt der dochter van Sion: Zie, uw verlossing komt; zie, Zijn vergelding is met Hem, en Zijn werk is voor Zijn aangezicht.” Jes. 62:10, 11{KJV}.{ABN3: 69.2}

GEREINIGD DOOR GOD, OF DOOR SATAN?

Vraag Nr. 68:

Zal de kerk worden gereinigd voor de uitvoering van het decreet van het beest zoals wordt voorzegd in Openbaring 13:15-17? Of zal dit drastisch decreet het middel zijn om de kerk te reinigen door uit haar te ziften hen die ontrouw zijn aan de Waarheid? {ABN3: 69.3}

Antwoord:

Als het waar is dat het decreet van het beest de onbekeerden (het onkruid) zal uitziften die in de kerk zijn, dan moet men concluderen dat het beest niet een symbolische voorstelling van een macht van draakachtige beginsel is, maar een door-de-hemel-gezonden werktuig, gezonden om het onkruid uit te werpen, welke de draak heeft binnengebracht! {ABN3: 69.4}

Uit Ezechiel 9 zien wij dat niet het “beest,”maar de engelen dit zullen doen. Nadat

69

 de ene {engel} met de schrijversinktkoker aan zijn zijde degenen merkt die zuchten en kermen {uitroepen} vanwege de gruwelen die worden gedaan in hun midden, volgen de vijf met de verdelgingswapens na om allen te doden die zijn overgebleven zonder het merkteken. En deze grote zuivering, zoals zowel de profetie zelf en de Getuigenissen specifiek verklaren, vindt plaats in de kerk. (Zie Testimonies to Ministers {Getuigenissen aan Predikanten}, p. 445;Testimonies, Vol. 3 {Getuigenissen, Deel 3}, p. 266, 267; Testimonies, Vol. 5, pp. 210, 211 {Getuigenissen, Deel 5, blz…}; ook Tract No. 1, The Dardanelles of the Bible {Traktaat Nr. 1, De Dardanellen van de Bijbel.}). {ABN3: 69.5}

Het is Satans vooraf bepaalde doel om de kerk te verontreinigen door de ontrouwe leden te vermedigvuldigen in plaats van te verminderen. En als het zijn meest radicale goedkeuring is om de kerk te reinigen, met welk doel “komt” de Heer dan “plotseling tot Zijn tempel(…) en (…) zit {Hij} als een verfijner en reiniger van zilver”(Mal. 3:1-3{KJV}; waarom zal een boodschap de schudding veroorzaken (Early Writings, p. 270 {Eerste Geschriften, blz. 325}); en waarom zijn de engelen van Ezechiël 9 degenen die “zullen voortkomen” om “de goddelozen temidden van de rechtvaardigen te scheiden?” Matt. 13:49 {KJV}. {ABN3: 70.1}

Is deze last van het reinigend werk van Satan of van de Heer? Satan is niets aan het doen om de kerk te reinigen, maar is van alles aan het doen om het te verontreinigen. {ABN3: 70.2}

Daarom heeft het decreet van het beest en zijn onbuigbare handhaving ervan, niet als doel het reinigen van de kerk, maar als doel het blokkeren van de weg om uit

70

Babylon te komen, om daardoor de wereld in gevangenschap te houden. Dit doet hij specifiek om de gestaagde stroom van de menigte bekeerlingen tot de dan reeds gezuiverde en gereinigde kerk een halt toe te roepen. Ondanks de meest hevige pogingen van de Vijand, echter, om hen in Babylon te houden, zullen de getrouwen eruit komen. Zij zullen gehoor geven aan de raad van de Heer: “Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is uitgestort in de beker van Zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam.” Openb. 14:9, 10 {KJV}. {ABN3: 70.3}

ZUIGELINGEN EN HEIDENEN GERED OF VERLOREN?

Vraag Nr. 69:

Zullen zuigelingen en heidenen die sterven zonder de gelegenheid te hebben gehad om het evangelie van Christus te horen of Hem aan te nemen als hun Verlosser, gered zijn? Als zij aldus gered kunnen worden in hun onwetendheid, waarom kunnen dan niet allen gered worden? {ABN3: 71.1}

Antwoord:

Als de onwetenden van het evangelie gered konden zijn in hun onwetendheid, dan zou het veel beter zijn dat de kerk de gehele wereld onwetend laat van het evangelie, zodat allen gered kunnen zijn. Maar neen! Niemand kan gered worden zonder het evangelie. {ABN3: 71.2}

71

Wat de verlossing van de jonge kinderen betreft en kinderen wiens ouders gered zijn, zegt de Geest der Profetie: {ABN3: 72.1}

“Engelen ‘verzamelen de uitverkorenen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.  Kleine kinderen worden door heilige engelen tot hun moeders armen gebracht. Vrienden die lang gescheiden zijn geweest door de dood, worden verenigd, om zich nooit meer te scheiden, en met gezang van blijdschap samen opstijgen naar de stad van God.”—The Great Controversy, p. 645 {De Grote Strijd, blz..} {ABN3: 72.2}

“Zo werd het geloof van deze vrouw beloond. Christus, de grote Levengever, gaf haar zoon aan haar terug. Op gelijke wijze zullen Zijn getrouwen beloond worden wanneer de dood bij Zijn komst zijn prikkel verliest, en het graf wordt beroofd van de overwinning die het heeft opgeëist. Dan zal Hij aan Zijn dienstknechten de kinderen teruggeven die hen door de dood waren ontnomen. ‘Zo zegt de Here: een stem werd gehoord in Rama, weeklacht, en bitter geween; Rachel weent om haar kinderen, zij weigerde te worden getroost om haar kinderen, want zij waren er niet. Zo zegt de Here: Bedwingt u uw stem van het wenen, en uw ogen van de tranen; want uw werk zal worden beloond,(…)en zij zullen wederkomen uit het land van de vijand. En er is hoop op uw einde, zegt de Here, dat uw kinderen zullen wederkomen tot hun grenzen.’” Profeten en Koningen, p. 239 {Patriarchen en Profeten, blz..} {ABN3: 72.3}

En met betrekking tot de verlossing van kinderen wiens ouders verloren zijn, gebiedt de Heer: {ABN3: 72.4}

72

“Doodt volkomen oud en jong, zowel jonge meisjes, als kleine kinderen, en vrouwen; maar nadert niet tot enig mens die het merkteken heeft, en begin bij Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oude mannen, die zich voor het huis bevonden.” Ezech. 9:6{KJV}.{ABN3: 73.1}

“Toen nam Jozua, en gans Israël met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor. En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.” Joz. 7:24, 25. {ABN3: 73.2}

  Uit deze geïnspireerde passages zien wij dat zuigelingen en kinderen worden alleen vanwege de getrouwheid van hun ouders. Wat een ernstige, wonderlijke en vreselijke verantwoordelijkheid! {ABN3: 73.3}

Betreffende de heidense slaaf, lezen wij: “Ik zag dat de slavenmeester rekenschap zal moeten geven voor de ziel van zijn slaaf die hij in onwetendheid heeft gelaten en de zonden van de slaaf zal bezocht worden aan de meester. God kan de slaaf niet naar de hemel brengen, die in onwetendheid en ontaarding is gehouden, die niets weet van God of de Bijbel, die niets anders vreesde dan de zweepslagen van de meester, en een lagere positie bekleedde dan de beesten.

73

Maar Hij doet het beste voor hem dat een medelijdende God kan doen. Hij staat hem toe om de zijn als hij nooit bestond.” Early Writings, p. 276 {Eerste Geschriften, blz…}. {ABN3: 73.4}

  Het is daarom duidelijk, dat zij die geen gelegenheid hebben gehad om van de waarheid der verlossing te vernemen {of horen}, nooit te lijden zullen onder de straf onder welke de geïnformeerde goddelozen zullen lijden, hoewel er aan hen geen eeuwig leven zal worden gegeven. {ABN3: 74.1}

ZULLEN BIJ DE VERZAMELING UIT ALLE NATIEN OOK ALLE GEKLEURDE

MENSEN WORDEN INBEGREPEN?

Vraag Nr. 70:

Betekent het Schriftgedeelte “Ethiopië zal spoedig haar hand uitstrekken”(Ps. 68:31) dat de gekleurde ras zich tot God zal keren? {ABN3: 74.2}

Antwoord:

Hoewel er geen enkel volk als een natie wordt gered, toont het Schriftgedeelte in kwestie, samengenomen met verwante passages, zeer zeker aan dat er een grote vergadering zal zijn uit Ethiopië. Het is juist zulk een vergadering van iedere natie, geslacht, taal en volk van de aarde dat de “grote schare”van Openbaring 7:9 zal samenstellen. “Vorsten zullen uit Egypte komen”(Ps. 68:31), zeggen de Schriften. “En vele natien zullen” tegen die tijd “komen en zeggen: Komt, en laat ons opgaan naar de berg des Heren, en naar het huis van de God van Jakob; en Hij zal ons leren van Zijn wegen, en wij zullen wandelen in Zijn paden;

74

want de wet zal van Sion uitgaan, en het woord des Heren uit Jeruzalem.” Micha 4:2. {ABN3: 74.3}

“En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een [62:2] Jes 65:15.  nieuwe naam genoemd worden, welken de mond des HEEREN noemen zal.” Jes. 62:2. {ABN3: 75.1}

Vooruitblikkend op deze grote inzameling, stelt de profeet de vraag: “ Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?” Dan beantwoordt de Heer: “ Zeker zullen de eilanden Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den Naam des HEEREN uws Gods, en tot den Heilige Israëls, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft. En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun [60:10] Jes 49:23. koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd. {ABN3: 75.2}

“ Daarom zullen uw poorten gedurig openstaan, zij zullen des daags noch des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het vermogen der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden. Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gans verwoest worden. De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beuke- en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms,

75

en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken. Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des HEEREN, het Sion van den Heilige Israëls.” Jes. 60:8-14. Want groot zal de dag van Jizreël zijn.” Hosea 1:11. {ABN3: 75.3}

ZULLEN DE HEIDENEN HET KONINKRIJK BEËRVEN?

Vraag Nr. 71:

Wordt het geestelijk Israel gevormd {of samengesteld} door Heidenen? Heb ik gelijk als ik zeg dat het verband van de Heidenen met Israel gebaseerd is op aanneming? {ABN3: 76.1}

Antwoord:

Er zal slechts een familieboon zijn in het Koninkrijk, de boom van Jakob, waarin de Heiden worden ingeënt, zoals wordt gezien uit Romeinen 11. {ABN3: 76.2}

Dit wordt verder aangetoond door de heilige stad, waarin er geen Heidense poort is, maar waarvan elk van de twaalf poorten een van de namen van de twaalf stammen van Israel draagt. Daarom worden de Heidenen gered door middel van aanneming—ingeënt in de oorspronkelijke olijfboom, en aldus beërven zij het Koninkrijk als ingeburgerde burgers van Israel. {ABN3: 76.3}

WIE IS ZIJ DIE HINKENDE IS?

Vraag Nr. 72:

Wilt u alstublieft Micha 4:6, 7 uitleggen? {ABN3: 76.4}

76

Antwoord:

“Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende is, verzamelen, en haar, die verdreven is, vergaderen, en die Ik gekweld had. En Ik zal haar, die hinkende is, maken tot een overblijfsel, en haar die verre heen verstoten was, tot een machtige natie; en de HEERE zal over hen heersen op de berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.” Mich. 4:6, 7{KJV.}. {ABN3: 77.1}

Deze verzen brengen drie natiën in zicht: “haar, die hinkende is,” “haar die verdreven is, en haar die “gekweld” is. {ABN3: 77.2}

In de gelijkenis van de zaaier van het zaad, wordt ons verteld dat “hij die het zaad op steenachtige plaatsen ontvangen heeft is hij, die het Woord hoort en het terstond [niet hinkende] met blijdschap aanneemt; maar hij heeft geen wortel in zich, doch is iemand van het ogenblik; want wanneer er verdrukking of vervolging komt ter wille van het Woord, wordt hij terstond geërgerd. (…) Maar hij die het zaad in de goede aarde ontvangen heeft is hij, die het Woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig.” Matt. 13:20, 21, 23 {KJV.} {ABN3: 77.3}

Het verschil tussen de twee grondsoorten is dat het zaad in de steenachtige, oppervlakkige grond snel opkomt, terwijl het zaad in de goede, diepe grond langzaam opkomt. {ABN3: 77.4}

Uit deze overeenkomende les zien wij dat “haar die hinkende is,” degene is die het zaad in goede grond heeft ontvangen, de Christelijke gemeente.

77

En zij is het die verzameld moet worden omdat zij verstrooid is en verdeeld door scheuringen. Wanneer zij dan verzameld is, zal zij het “overblijfsel” van de vrouw samenstellen. Openb. 12:17. {ABN3: 77.5}

Zij “die verdreven is,” kan niemand anders zijn dan het tienstammen koninkrijk, en zij die “gekweld” is, is het tweestammen koninkrijk, Juda, zoals dit zal worden gezien door het derde hoofdstuk van Micha te lezen. {ABN3: 78.1}

“Haar die hinkende is,” de Christelijke gemeente, zal de Here tot een overblijfsel maken: Hij zal haar onwettige kinderen, het onkruid, van haar scheiden. “En haar die verre heen verdreven was,” het tienstammen koninkrijk, zal Hij maken “tot een machtige natie; en de HEERE zal over hen heersen op de berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.” Mich. 4:7. En tot Juda “zal de vergadering der volken zijn.” Gen. 49:10 {KJV}. {ABN3: 78.2}

De afstammelingen van deze drie – van “haar die hinkende is” (de eerste Christen gemeente plus de bekeerde Heidenen), van “haar die verdreven is” (de verstrooiden van Israel—het tienstammen koninkrijk); van haar die “gekweld”is (het tweestammen koninkrijk, Juda) – vormen het Koninkrijk-kerk. {ABN3: 78.3}

Aldus zullen de onderdanen die de wortel zijn van het Koninkrijk bekeerd en vergaderd worden uit de Christen gemeente en uit de afstammelingen van de twee vroegere koninkrijken, Israel en juda, en dan gebracht worden naar de berg Sion, want “de HERE heeft

78

poorten van Sion lief boven alle woningen van Jakob. Heerlijke dingen zijn van u gezegd, o gij stad Gods! Sela. Ik zal Rahab en Babel vermelden aan degenen die Mij kennen; zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië: deze mens was daar geboren. En van Sion zal worden gezegd: Deze en die mens was in haar geboren; en de Allerhoogste Zelf zal haar bevestigen. De HERE zal tellen, wanneer Hij de volken opschrijft, dat deze mens daar was geboren. Sela.” Ps. 87:2-6{KJV}. {ABN3: 78.4}

HUWELIJK OF CELIBAAT{ONGEHUWDE STAAT}?

Vraag Nr. 73:

Paulus zegt: “Dit bedoel ik, broeders: de tijd is kort. Ten slotte, laten zij, die een vrouw hebben, zijn als zonder vrouw.” “Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf.” 1 Kor. 7: 29, 7. Wat bedoelt hij? {ABN3: 79.1}

Antwoord:

Om de leer van de apostel van het huwelijk en het celibaat op de juiste wijze te begrijpen, zoals het naar voren wordt gebracht in de verzen in kwestie, en ten einde een correcte vooruitzicht te krijgen van zijn doel en van de punten die hij aan het behandelen is, is het noodzakelijk om het hoofdstuk eerst in haar volledige  zetting te bekijken. {ABN3: 79.2}

1 Korinthiers 7:1 openbaart dat hij een brief had ontvangen, en zijn antwoord daarop (in ditzelfde hoofdstuk) toont aan dat er onder de gelovigen in de gemeente Korinthe ontevredenheid en gebrek aan begrip bestond, met betrekking tot het huwelijksverband.

79

Sommigen waren ontevreden over hun lot van het ongehuwd zijn; anderen hadden genoeg van hun lot van het huwelijksleven; terwijl nog anderen zich afvroegen of zij hun ongelovige echtgenoten of echtgenotes moesten verlaten, en hertrouwen. {ABN3: 79.3}

Daar hij altijd trachtte om alles te zijn voor alle mensen, en indien mogelijk welke scheuringen dan ook in de jonge gemeente te voorkomen, brengt Paulus op tactvolle en duidelijke wijze de voordelen naar voren van zowel de gehuwde staat als die van de ongehuwde staat. {ABN3: 80.1}

Van de ongehuwden en de weduwen zegt hij: “Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik. Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden.” 1 Kor. 7:8, 9. {ABN3: 80.2}

“Doch hun, die getrouwd zijn,”—zowel tot de paren waarvan beiden in Christus geloven, als tot  de paren waarvan een van hen niet gelooft—schrijft hij: “beveel ik niet, maar de Here, dat een vrouw haar man niet mag verlaten (…) en een man moet zijn vrouw niet verstoten. Maar tot de overigen zeg ik, niet de Here: heeft een broeder een ongelovige vrouw, die erin bewilligt met hem samen te wonen, dan moet hij haar niet verstoten. En een vrouw moet, als zij een ongelovige man heeft, en deze erin bewilligt met haar samen te wonen, die man niet verstoten.” 1 Kor. 7:10-13. {ABN3: 80.3}

In deze korte redevoering zien wij dat de apostel de ongehuwde staat niet ondersteunt, maar duidelijk erop aandringt dat, ten einde “hoererij te vermijden,

80

 (…)moet ieder zijn eigen vrouw hebben en(…) iedere vrouw haar eigen man.” 1 Kor. 7:2. {ABN3: 80.4}

Hij doet een beroep op echtgenoten en echtgenotes waarvan beiden gelovigen zijn, maar die samen het niet goed met elkaar kunnen vinden, om te proberen, indien mogelijk, vreedzaam met elkaar te leven. En waar er slechts één  gelovige is, dat men zou moeten trachten de ongelovige partner te bekeren (1 Kor. 7:14). Hij voegt er echter aan toe, dat als de ongelovige zou vertrekken, dat “De broeder of zuster in dit geval niet gebonden is; tot vrede heeft God u geroepen.” 1 Kor. 7:15. {ABN3: 81.1}

Met gelijke nadrukkelijkheid leert hij dat als twee van hetzelfde geloof zouden  beslissen te scheiden, dat zij niet met een ander zouden mogen trouwen, maar te proberen zich met elkaar te verzoenen (1 Kor. 7:11). Nog gelukkiger is echter: “Hebt gij geen vrouw meer? Zoek er geen.” 1 Kor. 7:27. “Ieder blijve bij die roeping, waarin hij was, toen hij geroepen werd” (1 Kor. 7:27), en te leren om tevreden te zijn, zoals “ik heb geleerd om in welke toestand ook ik verkeer, daarmee tevreden te zijn.” Fil. 4:11{KJV}. {ABN3: 81.2}

Daar de huidige staat van leven van korte duur is, drong hij bij hen erop aan om in de tussentijd hun genegenheid niet te stellen op de dingen van deze wereld, maar op de heerlijkheden van de toekomstige wereld, want “wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.” 1 Kor. 2:9. {ABN3: 81.3}

Wanneer deze gelukkige, heilige staat is bereikt, dan zal het zo zijn dat “zij, die

81

een vrouw hebben, zijn alsof zij er geen hadden; en zij die wenen, als weenden zij niet; en zij die blijde zijn, als waren zij niet blijde; en zij die kopen, als zouden zij er niets van behouden; en zij die van deze wereld gebruik maken, als zouden zij haar niet misbruiken; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.” 1 Kor. 7:29-31{KJV}.{ABN3: 81.4}

Dat betekent: zij die nu een echtgenote hebben, zullen niet meer voordeel aan haar trekken in het leven hierna dan wanneer zij er geen hadden; noch zullen zij die nu kopen, dan meer bezitten dan zij die nu niets kopen; maar allen—getrouwd en ongetrouwd, zij die wenen en zij die zich verblijden, zij die kopen en zij die dat niet doen—zullen dan in gelijksoortige omstandigheden verkeren, zodat allen tezamen zich kunnen verblijden, “want de gedaante van deze wereld gaat voorbij.” “Wie haar dus uithuwelijkt, doet wèl, maar wie haar niet uithuwelijkt, doet beter. {ABN3: 82.1}

“Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, alleen in de Here. Toch is zij naar mijn mening gelukkiger, indien zij blijft, zoals zij is; en ik meen ook de Geest Gods te hebben.” 1 Kor. 7:38-40. {ABN3: 82.2}

Nergens in deze huwelijksraadgeving is Paulus de macht van zijn voorschrift en voorbeeld aan het verlenen aan de volstrekte bevordering van de ene staat van leven boven de ander, noch aan de afschaffing van de geheiligde huwelijksvoorrechten

82

en rechten die worden gewaarborgd door het huwelijksverbond. {ABN3: 82.3}

Zij die voor zichzelf tot de conclusie zijn gekomen dat zij geleid zijn om een huwelijk te verkiezen, en die vastbesloten zijn om in de vrees tot de eer van God voort te gaan, zullen noodzakelijkerwijs “alleen in de Here” trouwen: zij zullen geen ongelovigen, noch onbekeerde, wereldgezinde, onverschillige, niet toegewijde gelovigen voor zich ten huwelijk nemen. De verstandigen zullen voortdurend het besef in gedachten houden, dat wereldse kleding en gedrag een ware Christen niet kan bekoren, en daarom onmogelijk een gelukkige, blijvende, ware Christelijke eenheid tot stand kan brengen. Zij zullen hun genegenheid alleen stellen op iemand die een oprechte, ijverige, vlijtige, geestelijk gezinde aanhanger van Tegenwoordige Waarheid. {ABN3: 83.1}

En een even belangrijke vereiste tot het succes van deze meest voortreffelijke, doch het moeilijkste der levensondernemingen, is dat geen van de twee tot het huwelijk zouden moeten ingaan voor de tijd, zonder de volledige, noodzakelijke voorbereiding te hebben getroffen. Dienovereenkomstig, kan geen enkele Godvrezende Davidiaanse jongeman zich op morele wijze toestaan om het huwelijk te overpeinzen tenzij hij iemand is die, daar hij vroeg in zijn leven vastgesteld heeft welk soort beroep hij het beste voor geschikt is, zijn doelen heeft vastgesteld, en het of heeft bereikt of aardig onderweg is om het te bereiken, een huis voor zichzelf heeft gebouwd en ingericht, of de middelen heeft om dat te doen, of ten minste een {huis} heeft ingericht of in staat is dat in te richten. {ABN3: 83.2}

Door te trachten om de ingewikkelde, zware, en beproevende verantwoordelijkheden aan te nemen om

83

een gezin te leiden naar Gods wil, zonder ten volle de aller-hoogstnoodzakelijke voorbereidingen die hier worden vermeld, aan te nemen, kan men weinig verwachten de fysieke, mentale, en geestelijke vermogens die een Christen zich van Godswege voorgenomen heeft te bereiken, te ontwikkelen. Door dit te veronachtzamen, zal hij het leven tot een gezwoeg en een vloek maken, en door de jammerlijke onderhandeling eerder slechts een last zijn voor de grond dan een zegen voor de aarde. In plaats van op edele wijze onafhankelijk te zijn van anderen, zal hij verachtelijk afhankelijk zijn van hen; in plaats van een verheffende invloed te hebben op de samenleving, zal hij een verlagende invloed hebben; in plaats van zijn kinderen een redelijke zekerheid van kansen te geven, hen de zog en opvoeding te geven die ieder mens verdient, zal hij de vader zijn van een ongelukkig geslacht, dat gedoemd is in alle waarschijnlijkheid tot de lage lotsbestemming van mislukkelingen. {ABN3: 83.3}

Elke godvruchtige Davidiaanse jongeman zal zulk een tragedie vermijden door zich ten volle voor te bereiden op deze grootste ervaring in het leven voordat hij zich eraan gewaagt. Hij zal gedenken, dat voordat de Here de mens deed bestaan, Hij eerst de aarde maakte, het thuis van de mens, en het daarna voorzag van licht, lucht, voedsel, en water, van struik, en boom, en gras, van vogels, dieren en vee. En daar hij dit weet, zal hij dit navolgen. {ABN3: 84.1}

Naast het voldoen aan al deze onmisbare kwalificaties, zal de aanstaande echtgenoot die succes in het huwelijk koestert, geen huwelijksstap ondernemen voordat hij zich

84

bekwaam heeft gemaakt om de huistaken van de echtgenote te doen voor het geval dat zij ziek, op een andere wijze onbekwaam of weggenomen wordt, of dat zij om een andere onverwachte reden door hem worden overgenomen. {ABN3: 84.2}

Anderzijds kan geen enkele Godvrezende Davidiaanse jonge vrouw op morele wijze het trouwen overdenken tenzij zij de huishoudelijke vaardigheden heeft verworven en iedere taak van het gezin op de schouder kan nemen. Als zij het huis schoon en keurig en ordelijk kan houden; als zij op vaardige wijze kan koken, wassen, en naaien, als zij kan zorgen voor de zieken en eerste hulp kan bieden, als zij op verstandige wijze kan zorgen voor kinderen; als zij op voorspoedige wijze kan tuinieren om haar tafel te voorzien van een overvloed aan verse groenten (want wanneer zij dagen voor gebruik worden gesneden, verliezen zij de meeste van de vitaminen door middel van oxydatie);–als zij al deze dingen kan doen, dan is zij het respect waard die een goede echtgenote toebehoort; zij heeft het verband van een sterke, duurzame verbond verworven. Evenwel moet zij echter, zo respectvol en gerespecteerd als zij moet zijn, ook een bepaalde soort beroep hebben zodat wanneer de echtgenoot ziek wordt , of gebrekkig{invalide} is geworden of wordt weggenomen, zij aan het hoofd kan staan van het gezin en zorgen haar noden en haar problemen het hoofd kan bieden. {ABN3: 85.1}

Ten slotte zullen beiden goed het feit in acht nemen dat de mentale, morele en professionele toerusting van een jongeman zelden voldoende is om de verantwoordelijkheden van het huwelijk te dragen, voordat hij de leeftijd van vier en twintig jaar heeft bereikt –de dag waarop een man volgroeid

85

en ontwikkeld is, en dat een jonge vrouw zelden aldus erop voorbereid is voordat zij de leeftijd van twintig jaar heeft bereikt – de dag waarop een vrouw volgroeid en ontwikkeld is. {ABN3: 85.2}

IS DE WET NIETIG VERKLAARD?

Vraag Nr. 74:

Paulus schrijft: “De een stelt de ene dag boven de andere, de ander stelt ieder dag gelijk. Laat een ieder voor zijn eigen besef ten volle overtuigd zijn. Hij die een dag in acht neemt, neemt het in ach om de Here; en hij die de dag niet in acht neemt, om de Here neemt hij het niet in acht. Hij die eet, eet om de Here, want hij dankt God; en hij die niet eet, om de Here eet hij niet, en dankt God.” Rom. 14:5, 6 {KJV}. {ABN3: 86.1}

In het licht van dit Schriftgedeelte, is het dan niet waar dat iemand is gered door geloof ongeacht wat zijn leerstellige overtuiging ook mag zijn over de Sabbat en over het dieet? {ABN3: 86.2}

Antwoord:

Daar zij juist deze vraag voorzag, beantwoordde Inspiratie het ronduit door middel van Paulus en zijn medearbeiders: {ABN3: 86.3}

“Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.” Rom. 3:31. “Want wie de gehele wet houdt, maar op één punt struikelt, is schuldig geworden aan alle (geboden).” Jak. 2:10. “Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar.” 1 Joh. 5:3. “Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat zij recht mogen hebben tot de boom

86

des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.” Openb. 22:14{KJV.}. {ABN3: 86.4}

“Wat baat het, mijn broeders, of iemand al beweert geloof te hebben, als hij geen werken heeft? Kan dat geloof hem behouden? Zo is het ook met het geloof: indien het niet met werken gepaard gaat, is het, op zichzelf genomen, dood.(…)Gij gelooft, dat er één God is; Daaraan doet gij wel: de duivels geloven ook, en zij sidderen. Maar wilt gij weten, o dwaze mens, dat het geloof zonder de werken dood is?(…) Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood.” Jakobus 2:14, 17, 19, 20, 26{KJV}. {ABN3: 87.1}

Nogmaals, daar hij had geschreven: Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, [u] een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt,” (Gal. 1:8), kon Paulus onmogelijk zich hebben omgekeerd en kunnen hebben gepleit voor {de gedachte} dat een mens gered kan zijn door zijn eigen evangelie, door wat hijzelf denkt of doet. {ABN3: 87.2}

Geen enkel redelijk denkend persoon die gelooft dat Paulus’ geschriften deel uitmaken van het Heilige Schrift, kan zichzelf ervan overtuigen dat Paulus het ene moment de wet zou verheffen, en het volgende moment het zou vertreden. Het is daarom beslist dat iemands uitlegging van de geschriften van de apostel dusdanig moet zijn, dat het zal maken dat ze consequent {samenhangend} zijn. {ABN3: 87.3}

In Romeinen 14:5, 6 tracht hij oneerlijke kritiek te corrigeren door de gelovigen te vermanen dat een ieder volgens zijn eigen geweten overtuigd moet zijn,

87

en dat de taak van een Christen is om de Waarheid te bewaren, te spreken en te onderwijzen, niet om gehoorzaamheid eraan te eisen, niet om hen te verachten die eten of die niet eten, of zij die een dag boven een ander achten; maar om allen ten volle overtuigd te laten zijn in hun eigen verstand. Kortom, de taak van een Christen is om liefdadig te zijn, om in alle opzichten een Christen te zijn, die zijn eigen denkwijze heeft, maar die altijd bereid is om zijn meningen te verzaken voor een “Zo zegt de Here.” {ABN3: 87.4}

Dat de Sabbat en dus al de andere geboden eeuwigdurend zijn, om zelfs hierna te worden onderhouden, kan een ieder gemakkelijk zien uit de volgende schriftgedeelten: “En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om te aanbidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.” Jes. 66:23{KJV}. En vooruitblikkend op de tijd van “de grote en vreselijke dag des Heren,” de tijd die net voor ons ligt, waarschuwt de Heer het volk dat te dien tijde zal leven: “Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, met de inzettingen en verordeningen.” Mal. 4:4. {ABN3: 88.1}

“Zo zegt de HERE: Onderhoudt het recht en doet gerechtigheid, want mijn heil staat gereed om te komen en mijn gerechtigheid om zich te openbaren. Welzalig de sterveling die dit doet, en het mensenkind dat daaraan vasthoudt; die acht geeft op de sabbat, zodat hij hem niet ontheiligt, en acht geeft op zijn hand, zodat zij niets kwaads doet. Laat dan de vreemdeling die zich bij

88

de HERE aansloot, niet zeggen: De HERE zal mij zeker afzonderen van zijn volk; en laat de ontmande niet zeggen: Zie, ik ben een dorre boom. Want zo zegt de HERE van de ontmanden, die mijn sabbatten onderhouden en verkiezen wat Mij behaagt en vasthouden aan mijn verbond: Ik geef hun in mijn huis en binnen mijn muren een gedenkteken en een naam, beter dan zonen en dochters; Ik geef hun een eeuwige naam, die niet uitgeroeid zal worden. En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: hen zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. Het woord van de Here HERE, die de verdrevenen van Israël bijeenbrengt, luidt: Ik zal daartoe nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn.” Jes. 56:1-8. {ABN3: 88.2}

Aangezien dus niet alleen de Sabbat, maar ook de gehele wet nu en voor eeuwig zal worden onderhouden door zowel de Jood als de Heiden, doet het geloof de wet van God niet teniet, maar zij bevestigt het eerder voor eeuwig, en zij stelt iemand in staat om het te onderhouden. {ABN3: 89.1}

Zij die waarlijk bekeerd zijn tot God door de gerechtigheid van Christus, vinden het niet moeilijk om de wet

89

te gehoorzamen. Zij verlustigen zich in het doen van Gods wil. {ABN3: 89.2}

En ten slotte, wanneer zij het beloofde land binnengaan, en God hen nieuwe harten geeft en Zijn geboden daarop inprent (Ezech. 36:23-29), dan zal het voor hen die gereinigd zijn een duizendmaal grotere beproeving zijn om zich aan de zonde te wagen, dan dat het was voor Jozef in Egypte toen hij tegen de verzoeking uitriep: “ Hoe… kan ik dit grote kwaad doen en zondigen tegen God”? (Gen. 39:9), en zal het niet méér mogelijk zijn dan dat het was voor Christus. Inderdaad, de zonde zal te dien tijde van nature even afgrijselijk voor ons zijn als de dood dat nu is. Christus maakt dit mogelijk door onze zonden weg te wassen met zijn kostbaar bloed, wat in ons een zondeloze natuur, een “nieuw hart” herschept, terwijl Hij ons van tussen de heidenen wegneemt en ons inbrengt in ons “eigen land.” Ezech. 36:24. {ABN3: 90.1}

ZIJN WIJ NIET VRIJGEMAAKT VAN HET ONDERHOUDEN VAN DE WET?

Vraag Nr. 75:

Naar welke wet verwijst Galaten 3:13? Betekent verlossing van de vloek van de wet der zonde {ook} verlossing van het onderhouden van de tien geboden? {ABN3: 90.2}

Antwoord:

De wet waarover wordt gesproken in Galaten 3:13 is de wet der Tien Geboden (Ex. 20:). Het leert iemand dat zijn gehoorzaamheid daaraan de veelvoudige zegeningen tot hem brengt van: het in stand houden van zijn getrouwheid aan God en aan de mens;

90

het beschermen van zijn godsdienst (Verzen 3-7) als het gebouwd is op Waarheid; hem altijd in gedachte houdend dat God de hemel en de aarde schiep in zes werkdagen, het voor hem verzekeren van het vreugdevolle voorrecht om met God terwijl hij rust op Zijn Heilige Dag—de zevende (verzen 8-11); zijn kinderen te leren om hun ouders te eren (vers 12); het voorkomen dat men doodslaat (vers 13); het behouden van de reinheid in allen, maar in het bijzonder het beschermen van vrouwen (vers 14); hem eerlijkheid in te prenten (vers 15) en het ontwikkelen van de hoogste onkreukbaarheid; hem te behoeden van valsheid (vers 16); en hem te behoeden voor begeerte (vers 17). Het is de spiegel van de Christen, en zijn verdediging. {ABN3: 90.3}

Een leerstelling, die daarom een strikte gehoorzaamheid aan de wet van God, de enige geschreven woorden die Hij aan ons verwaardigd heeft met Zijn eigen vingers, en in het openbaar met Zijn Eigen stem uitgesproken heeft (Ex. 31:18; Deut. 4:12, 14) herroept, laat als gevolg de aanbidding van andere goden toe, en is dus in feite de Christenen niet alleen aan het leren om de Vader van alle schepping te onteren, maar daardoor ook het onteren van alle ouders aan het aanmoedigen, tevens het door de vingers zien van moord, onzedelijkheid, oneerlijkheid, leugenachtigheid, en begeerte. {ABN3: 91.1}

Daarom brengt de wet, als het geweld wordt aangedaan, vervloekingen met zich mee; als het ongeschonden wordt bewaard, brengt het zegeningen met zich mee. (Zie Exodus 20:5, 6; Openbaring 22:14.) Niemand echter kan, zonder een grondige bekering, mogelijkerwijs de last dragen of de macht bezitten om het ongeschonden te bewaren. {ABN3: 91.2}

91

OM WELKE REDEN ZAL ER GEEN GELIJKENIS WORDEN GEMAAKT?

Vraag Nr. 76:

Verbiedt het tweede gebod van de Decaloog niet dat men een beeldsnijwerk, een schilderij, of een tekening maakt van een gelijkenis van wat dan ook dat in de hemel of op de aarde is? {ABN3: 92.1}  

Antwoord:

Ongetwijfeld verbiedt het tweede gebod inderdaad het maken van een gelijkenis van wat dan ook, het zij van wat in de hemel of op aarde is, met als doel om God te aanbidden. Sommigen nemen echter het extreme standpunt in dat het verbiedt dat men welke gelijkenis dan van wat dan ook voor welke reden dan ook, zelfs als het als doel heeft om een  gedachte uit te beelden. Door zodoende welk soort van illustratie dan ook te veroordelen, hetzij in beeld, een muurschildering, een portret, fotografisch, bouwkundig of wat dan ook, zou betekenen dat het gehele lichaam van beeldende kunst en wetenschap {techniek} verbannen moet worden—de voornaamste toepassing van het onderwijsstelsel van de beschaving. {ABN3: 92.2}  

Niettemin, als zulks het van Godswege gewenste bedoeling is van het gebod, dan moeten wij het zonder twijfel gehoorzamen, en wij zullen er dan beter af zijn ongeacht de gevolgen. {ABN3: 92.3}  

De Bijbel Zelf echter openbaart dat het gebod niet het maken van gelijkenissen verbiedt voor enig ander doel behalve voor aanbidding. En het geeft zelfs de reden aan voor het verbod. In de geschriften van Mozes lezen wij: {ABN3: 92.4}  

92

 “Toen sprak de HERE tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoordet gij, maar een gestalte naamt gij niet waar, er was alleen een stem.(…) Neemt u er dan terdege voor in acht – want gij hebt generlei gedaante gezien op de dag dat de HERE op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur – dat gij niet verderfelijk handelt door u een gesneden beeld te maken in de gedaante van enige afgod: een afbeelding van een mannelijk of vrouwelijk wezen; een afbeelding van een of ander dier op de aarde; een afbeelding van een of ander gevleugeld gevogelte, dat langs de hemel vliegt; een afbeelding van een of ander gedierte, dat op de aardbodem kruipt; een afbeelding van een of andere vis, die in het water onder de aarde is; en dat gij ook uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren, het gehele heer des hemels, aanziet en u laat verleiden u voor die neer te buigen en hen te dienen, die de HERE, uw God, heeft toebedeeld aan alle volken onder de ganse hemel.” Deut. 4:12, 15-19. {ABN3: 93.1}  

Voorts werden er in de tempel van Salomo gelijkenissen van Gods schepping gebruikt. Bijvoorbeeld: Salomo “Voorts maakte de koning een grote ivoren troon, die hij overtrok met gelouterd goud. De troon had zes treden, een gouden voetbank, die aan de troon bevestigd was, en aan weerszijden van de zitplaats leuningen; twee leeuwen stonden naast de leuningen en twaalf leeuwen stonden aan weerszijden op de zes treden.”  2 Kron. 9:17-19. {ABN3: 93.2}

93

 Wederom, maakte hij een gegoten zee, “en om de onderkant heen bevonden zich afbeeldingen van runderen, die haar geheel omgaven.” 2 Kron. 4:3. {ABN3: 94.1}

En verder “spreidden de cherubs de beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubs overdekten de ark en haar handbomen van boven.” 2 Kron. 5:8. {ABN3: 94.2}

Waren dezen geen gelijkenissen van schepsels die God had geschapen? Had God geen instructies gegeven voor het bouwen? Dus verbiedt het gebod het maken van een denkbeeldige afbeelding van God of van welk ding dan ook voor het doel van aanbidding. {ABN3: 94.3}

(Al het schuingedrukte door ons)

WAT ZAL UW VOLGENDE STAP ZIJN?

Als u nu genoten, gewaardeerd en uw voordeel gedaan heeft door deze vraag en antwoord discussie van Boek Nr. 3 en als het uw wens is om verder te gaan, dan kunt u een verzoek inzenden voor Boek Nr. 4. Het zal u toegezonden worden als een Christelijke dienst zonder kosten of verplichtingen. {ABN3: 94.4}

—000—

94

95

96

SCHRIFTUURLIJKE       INDEX