De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 5, 6

Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 5, 6

2TG5-6-1200x675.jpg

1

GEDACHTE TER GEBED

Keert Af Van Debatteren; Presenteer De Waarheid

Ik zal lezen uit Christ’s Object Lessons, beginnend bij bladzijde 40, de laatste alinea {Lessen uit het Leven van Alledag, blz.20, eerste alinea}— {2TG5: 2.1}

“In plaats van verkeerde theoriën te bespreken, of  te proberen de tegenstanders van het evangelie te verslaan, volg het voorbeeld van Christus. Laat verse waarheden uit Gods schatkamer in het leven schijnen. ‘Predik het Woord.’ ‘Zaai aan alle wateren.’ ‘Dring aan, gelegen of ongelegen.’ ‘Hij die Mijn woord heeft, laat hem Mijn woord getrouw spreken. Wat is het kaf  voor het tarwe? Zegt de Here.’ ‘Ieder woord van God is rein (…) Doe niets aan Zijn woorden toe, opdat Hij u niet terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt.’” {2TG5: 2.2}

Wij zouden deze middag moeten bidden voor het vermogen om het voorbeeld van Christus te volgen bij het onderwijzen. Wij zouden ook moeten bidden dat wij zullen gedenken dat wij zijn opgedragen om niet betrokken te zijn met de genen die het niet met ons eens zijn; dat Christus niet debatteerde, en wij dat ook niet moeten sdoen als wij willen winnen; dat God ons van verse waarheden zal voorzien om tot zijn volk te brengen; dat als dergelijke waarheden de tegenstanders van de “ eeuwige evangelie” niet overtuigen, dat niets dat zal doen, zelfs als de doden zouden opstaan tot een getuigenis tegen hen; dat wij de Bijbel verheffen boven alle andere boeken; dat we alle andere dingen met de Bijbelse maatstaf meten, en voor altijd alle andere meetstaven verbreken. {2TG5: 2.3}

2

——–0———

2 TIJDIGE GROETEN 5

EEN FEESTMAAL DAT DE SLUIER WEGROLT, DE POORTEN OPENT, EN DE DOOD DOET WEGVLIEDEN

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT,6 SEPTEMBER, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO,TEXAS

De tekst voor onze studie op deze middag is Jesaja 25 en 26. Om onszelf op de juiste wijze te orienteren bij het onderwerp, zullen wij beginnen met de zeds vers van hoofdstuk vijf-en-twintig. Daarna zullen wij de eerste vijf verzen bestuderen. {2TG5: 3.1}

Vers 6—“En de Here der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal maken van vette dingen, een feestmaal van wijnen op de droesem, van vette dingen  vol merg, van wijnen op de droesem die goed gereinigd zijn.”

Allereerst zouden wij de waarheid moeten vinden van deze figuurlijke berg.Voor deze informatie moeten wij gaan naaaar de laatste vers van de vier-en-twintigste hoofdstruk, omdat het verhaal van de vijf-en-twintigste hoofdstuk begint bij het vorige hoofdstuk. Wij zullen deze verzen met elkaar verbonden lezen: {2TG5: 3.2}

Jes.24:23;25:6—“Dan zal de maan verbijsterd worden, en zon beschaamd, wanneer de Here   der heerscharen zal regeren op de berg Sion en te Jeruzalem, en op heerlijke wijze voor Zijn oudsten. En de Here der heerscharen zal op deze berg [de berg Sion] voor alle volken een feestmaal maken van vette dingen, een feestmaal van wijnen op de droesem, van vette dingen  vol merg, van wijnen op de droesem die goed gereinigd zijn.”

3

Hier ziet u dat “ de berg Sion” de berg is waarop de Heer een feestmaal zal bereiden voor voor alle volken, een feestmaal van verleidelijke dingen. Daar zullen de volken zich bijeenvergaderen. {2TG5: 4.1}

Vers 7—“En Hij zal op deze berg vernietigen het aangezicht van het verbond, dat is  geworpen  over alle volken, en de sluier, die gespreid is over alle natien.”

Wanneer de bedekking waaronder de natiën nu staan wegrolt, dan zullen zij zichzelf in het openbaar bevinden—kwetsbaar voor “wind” en “storm.” Ja, wanneer de sluier, die nu over alle volken van de aarde hangt, is neergetrokken, dan zullen zij datgene zien wat zij nu niet kunnen zien. En wat dan?— {2TG5: 4.2}

Verzen 8-10—“Hij zal de dood opslokken in de overwinning; en de Here God zal tranen van alle aangezichten afwissen; en de berisping van Zijn volk zal Hij wegnemen van de gehele aarde: want de Here heeft het gesproken. En er zal gezegd worden op die dag: Zie, deze is onze God; wij hebben op Hem gewacht, en Hij zal ons redden: dit is de Here; wij hebben op Hem gewacht, wij zullen ons verblijden en verheugen in Zijn verlossing. Want op deze berg zal de hand des Heren rusten, en Moab zal onder Hem verteden worden, zoals stro wordt vertreden voor de mesthoop.”

Om deze gebeurtenisen mogelijk te maken zal niet alleen degenen, die in die tijd het land regeren, maar ook Moab, zoals we zien, vertreden worden. En wie anders zou Moab kunnen zijn, als het niet de Arabieren zijn die nu het land Palestina op hevige wijze opeisen? Spoedig zal de wereld ondervinden dat God de aarde niet heeft verlaten, en dat God de meester is over de situatie. {2TG5: 4.3}

Verzen 11,12—“En Hij zal Zijn hand

4

uitspreiden in het midden van hen, zoals Hij die Zijn hand uitspreidt om te zwemmen: en Hij zal hun trots neerhalen tezamen met de plunderingen van hun handen. En de toevluchtsoord van de hoge vesting van uw muren zal Hij neerhalen, vernederen, en tot de grond doen neerstorten, zelfs tot het stof.”

Deze verzen houden ons het feit voor ogen dat het niet uitmaakt wat voor soort versterking de mens kan bedenken, desgelijks zal desondanks neergehaald worden als stro, wanneer de Heer zijn macht openbaart. Na deze wonderbaarlijke Bijbelse Waarheid duidelijk ingezien te hebben, laat het dan aan u zijn om te te zeggen: {2TG5: 5.1}

Jes.25:1—“O Here, Gij zijnt mijn God; ik zal u verheffen, ik zal Uw naam loven; want Gij hebt wonderbare dingen gedaan; Uw raadsbesluiten van ouds zijn trouw en waarheid.”

Hier worden wij getoond dat sommigen, als resultaat op deze geopenbaarde Waarheid, waarlijk de Heer van de Bijbel als hun God zullen aanvaarden, en zullen beloven Hem te verheffen en altijd Zijn wonderbare naam te loven, omdat zij zien dat Hij wonderbare dingen heft gedaan. Zijn raadsbesluiten van ouds zullen zij niet verwerpen, omdat zij uit ervaring zullen weten dat Zijn raadsbesluiten trouw en Waarheid zijn. Zij zullen uit persoonlijke ervaring Gods macht kennen en zeggen: {2TG5: 5.2}

Verzen 2,3—“Want Gij hebt van de stad een hoop gemaakt; van een beschermde stad een ruïne{bouwval}: een paleis van vreemden tot wat geen stad meer is; het zal nooit meer gebouwd worden. Daarom zal het sterke volk U verheerlijken, de stad van de geweldige natiën zal U vrezen.”

De stad van deze vers moet die zijn die eerst wordt vermeld in Jesaja 24: {2TG5: 5.3}

5

“De stad der verwarring is verbroken; elk huis is gesloten, opdat niemand er kan binnentreden. Er is een geroep voor wijn in de straten; alle vreugde is verduisterd, de vrolijkheid des lands is verdwenen. In de stad is verwoesting achtergelaten, en de poort is met vernieting geslagen. Wanneer het alzo zal zijn in het midden des lands onder het volk, zal het zijn als het schudden van een olijfboom, en als de nalezing der druiven wanneer de wijnoogst is gedaan. {2TG5: 6.1}

“Zij [degenen die niet zijn neergeschud] zullen hun stem opheffen, zij zullen zingen van de majesteit des Heren, zij zullen luidkeels roepen van de zee af. Verheerlijkt gij daarom de Here in het vuur, namelijk de naam van de Here God van Israël in de kustlanden der zee. Van het uitrste deel der aarde hebben wij liederen gehoord, namelijk heerlijkheid tot de rechtvaardigen [als resultaat, zullen er bekeerlingen zijn die van de vier hoeken der aarde zijn opgemaakt]. {2TG5: 6.2}

Maar ik zeide: Mijn schraalheid, mijn schraalheid, wee mij! De verraderlijke handelaars hebben zeer verraderlijk gehandeld. Vrees, en de put, en de valstrik, zijn over u, o inwoner der aarde.” Jes.24:10-17. {2TG5: 6.3}

Het  volgende citaat uit de Geest der Profetie voegt licht toe aan deze verzen: {2TG5: 6.4}

“Ik zag lichtstralen schijnen vanuit steden en dorpen, en vanuit de hoge plaatsen en de lage plaatsen van de aarde. Gods woord werd gehoorzaamd, en als resultaat waren er gedenkbeelden voor Hem in iedere stad en dorp. Zijn waarheid werd over de gehele wereld verkondigd.”—Testimonies {Getuigenisen}, Vol.9, blz.28 en 29. {2TG5: 6.5}

Jes.26: 1—“Te dien dage zal dit lied gezongen worden

6

in het land Juda: We hebben een sterke stad; God zal verlossing aanstellen tot muren en bolwerken.”

Het lied van de majesteit des Heren zal daarom in het Beloofde Land gezongen worden, en daar zullen de heiligen een stad hebben dat niet neer geschud kan worden, want het zal verlossing als muren hebben. Dan zal er gezegd worden: {2TG5: 7.1}

Vers 2—“Opent gij de poorten, opdat de rechtvaardige natie, die de Waarheid bewaart, kan binnengaan.”

Hier wordt geleerd dat dit alles plaatsvindt op een dag van verlossing, op een dag dat de poorten geopend kunnen worden voor een rechtvaardige natie om binnen te gaan. Ja, de gehel natie, van degenen die behouden zouden worden, geen zondaar onder hen, zal dan antwoorden op de roeping: “Komt uit haar, Mijn volk, opdat gij geen deelnemers zijt aan haar zonden, en gij niet ontvangt van haar plagen.” {2TG5: 7.2}

Verzen 3,4—“Gij zult hem in volkomen vrede bewaren, wiens verstand tot U is gericht: omdat hij op U vertrouwde. Vertrouwt gij op de Here voor eeuwig: want in de Here HEERE is eeuwige sterkte.”

Hoewel de natiën door de jaren heen van de geschiedenis grote macht hebben ontwikkeld, heeft toch geen één die macht voor altijd behouden. Maar wij worden hier wederom verzekerd dat zij die op de Here HEERE vertrouwen, eeuwige vrede en eeuwigdurende sterkte zullen hebben. {2TG5: 7.3}

Verzen 5-10—“ Want Hij werpt hen neer, die hoog wonen; de verhoogde stad, vernedert Hij; Hij vernedert het, zelfs tot de grongd toe; Hij werpt het neer  zelfs tot het stof. De voet zal het vertreden, namelijk de voeten van de arme, en de treden van

7

de behoeftigen. De weg van de rechtvaardigen is oprecht; Gij, de meest oprechte, weegt het pad der rechtvaardigen. Ja., op de weg van  Uw gerichten, O Here, hebben wij op U gewacht; het verlangen van onze ziel is tot Uw naam, en tot Uw gedachtenis. Met mijn ziel heb ik naar U verlangd in de nacht; ja, met mijn geest in mijn binnenste zal ik U vroeg zoeken: want wannneer uw gerichten op de aarde zijn, dan zullen de inwoners der wereld gerechtigheid leren. Laat de goddeloze genade bewezen worden, toch zal hij geen gerechtigheid leren: in het land van oprechtheid zal hij onrechtvaardig handelen, en zal de majesteit des Heren niet aanschouwen.”

Deze verzen vertellen ons duidelijk dat wanneer de gerichten{oordelen} van God op de aarde vallen, de rechtvaardig-gezinden dan gerechtigheid zullen leren; maar de onberouwvolle zondaars zullen geen gerechtigheid leren, ongeacht wat er voor hen wordt gedaan. En daarom zullen zij geweerd worden van de vergadering der rechtvaardigen. De rechtvaardigen echter, voelen zelfs nu de machtige hand van de Heer en zij verkaren op pijnlijke wijze: {2TG5: 8.1}

Vers 11—“Here, wanneer Uw hand is opgeheven, zullen zij het niet zien; maar zij zullen zien, en beschaamd zijn voor hun afgunst voor het volk; ja, het vuur van Uw vijanden zal hen verslinden.”

Inderdaad, wanneer Gods hand is opgeheven om Zijn volk te verlossen, zullen de goddelozen het niet zien. Maar nadat de rechtvaardigen verlost zijn, zullen de goddelozen het duidelijk zien en benijden, maar het zal tot hun schaamte, en te laat zijn om hen ten goede te zijn. Zelfs nu, terwijl “ de late regen” valt, zijn de eigen-gerechtigden, die zich verbeelden dat zij niets nodig hebben, aan het wegrennen ervoor of hun regenjassen over hun hoofd aan het trekken. De zoekers naar gerechtigheid, echter, stellen

8

zich open. Aldus leren zij te zeggen— {2TG5: 8.2}

Vers 12—“Here, Gij zult vrede over ons beschikken: want Gij hebt ook al onze werken in ons verricht.”

Dit kan alleen gezegd worden door degenen  die de Heer toelaten om Zijn werk uit te voeren in hun harten, zodat zij Hem kunnen loven: {2TG5: 9.1}

Verzen 13-16—“O Here, onze God, andere heren dan Gij hebben over ons geheerst; maar maar door U alleen zullen wij Uw naam vermelden. Zij zijn door, zij zullen niet leven; zij zijn gestorven, zij zullen niet herrijzen: daarom hebt Gij hen bezocht en vernietigd, en al hun gedachtenis doen vergaan. Gij hebt de natie vermeerderd, o Here, Gij hebt de natie vermeerderd: Gij zijt verheerlijkt: Gij hebt het ver verwijderd tot alle uiteinden der aarde. Here, in benauwdheid hebben zij U bezocht, zij riepen een gebed uit toen Uw tuchtiging over hen was.”

Deze verzen verklaren dat het Israël naar de belofte, niet de ongelovige Jood, in aantal ids vermeerderd sinds zij uit hun land zijn verwijderd, vanaf zij werden verstrooid tot de einden der aarde. Terwijl deze tuchtiging ( verdreven zijn uit hun land) nog steeds over hen is, ropen zij een gebed uit en zeggen: {2TG5: 9.2}

Verzen 17,18—“Gelijk een zwangere vrouw, die tot de tijd van haar verlossing nadert, pijn heeft, en onder haar weeen uitroept, zo zijn wij voor Uw aangezicht geweest, o Here. Wij zijn zwanger geweest, wij hebben pijn geleden, wij hebben als het ware wind voortgebracht; wij hebben geen verlossing op de aarde voortgebracht; ook zijn de inwoners van de wereld niet gevallen.”

9

Hier zien wij dat de ogen van de boetvaardigen geopend zullen worden; zij zullen zichzelf zien zoals God hen ziet, en belijden dat zij tot nu toe gefaald hebben in hun pogingen, dat zij in barendsnood waren, pijn hebben geleden, maar alleen “wind” hebben voortgebracht, als het ware, terwijl de onboetvaardigen denken dat zij zelf rijk zijn en met goederen verrijkt zijn, een grote daad doen, en aan niets gebrek hebben. {2TG5: 10.1}

Ja, de kerk kan nu wel opscheppen over haar verworvenheden, over haar zogenaamde grote lidmaatschap, maar niet lang hierna zal ook zij ontdekken dat zij gefaald heeft om haar werk af te ronden, dat de wereld nog steeds de aarde vernietigt, dat haar mensen niet gered zijn en dat zij in plaats van verlossing te hebben voortgebracht, niets anders dan “wind” heeft voortgebracht. {2TG5: 10.2}

“In de machtige zifting die spoedig zal plaatsvinden, zullen wij beter de sterkte van Israël kunnen meten. De voortekenen openbaren dat de tijd nabij is wanneer de Heer zal openbaren dat Zijn wan in Zijn handen is, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.”—Testimonies {Getuigenissen}, Vol. 5,blz.80. {2TG5: 10.3}

Vers 19—“Uw doden zullen leven, tezamen met Mijn dode lichaam zullen zij opstaan. Waakt op en zing, gij die in het stof verblijft: want uw dauw is als de dauw der kruiden, en de aarde zal de doden uitwerpen.”

Niet alleen de levenden, maar ook de doden zullen vergaderd worden tot de “sterke stad.” Wij horen reeds de Heer met ons pleiten, zeggende: {2TG5: 10.4}

Vers 20—“Kom, Mijn volk, gaat in tot uw kamers, en sluit uw deuren achter u: verberg uzelf als het ware voor een korte tijd, tot de gramschap voorbij is gegaan.”

10

Dit pleidooi toont aan dat wij naderen tot de tijd der benauwdheid en dat God ernaar verlangt om ons gedekt te hebben. De wijzen zullen Hem horen en de kamers aannemen, de bescherming waarin Hij voor hen voorziet. {2TG5: 11.1}

Vers 21—“Want zie, de Here komt uit Zijn plaats om de inwoners der aarde om hun ongerechtigheid te straffen: ook zal de aarde haar bloed onthullen, en haar gedoden niet langer bedekken.”

Al deze waarheden die God nu onder onze aandacht brengt, duiden één ding aan:  Dat de grote en vreselijke dag des Heren op handen is, dat Hij spoedig Zijn macht zal openbaren en de aarde zal schudden, zodat alles wat niet bewogen kan worden kan {blijven}staan. Bent u niet blij, broeder, zuster, dat God u als eerst de gelegenheid geeft om klaar te zijn voor de dag van God, om vast te houden aan Zijn altijd-toenemende Waarheid? {2TG5: 11.2}

11

——-0——

 

GEDACHTE TER GEBED

Hoe Kan Onvergankelijke Kennis Veiliggesteld Worden

Ik zal lezen uit Christ’s Object Lessons, beginnend met bladzijde 41, alinea 3{Lessen Uit het Leven van Alledag, blz. 20,21}— {2TG6: 12.1}

“ Door zich af te keren van Gods woord om zich te voeden met de geschriften van ongeïnspireerde mensen, wordt het verstand bekrompen en gedegradeerd(…) Het denkvermogen past zich aan tot de verstandhouding van de dingen waarmee het bekend is, en in deze toewijding tot sterfelijke dingen is het verzwakt, haar vermogen is gekrompen, en na een tijd  kan het zich niet  meer uitbreiden. Dit alles is valse opvoeding. Het werk van iedere leraar moet zijn om het verstand van de jeugd vast te houden aan de grote waarheden van het woord der Ispiratie. Dit is de opvoeding die van belang is voor dit leven en voor het toekomstig leven. En laat niet geleerd worden dat dit de studie van de wetenschappen zal voorkomen, of een lagere standard in opvoeding zal veroorzaken. De kennis van God is zo hoog als de hemel en zo breed als het universum(…) Laat de jeugd ernaar streven om deze door-God-gegeven waarheden te begrijpen, en hun verstand zal zich uitbreiden en sterk groeien in de poging. Het zal iedere student die een dader is van het word tot een brederveld van denken brengen, en voor hem een rijkdom aan kennis vaststellen, die onvergankelijk is ( …) Een dergelijke opvoeding zal het beeld van God in de ziel herstellen.” {2TG6: 12.2}

Wat een les, die niet alleen voor de jeugd geldt, maar ook voor de volwassenen! Laat ons bidden dat wij de belangrijkheid  mogen beseffen van het bestuderen van geïnspireerde Waarheid; dat wij mogen beseffen dat het de studie van ware wetenschap niet teniet doet; dat om ons leven tot het Woord van God toe te wijden, een grote schat in wijsheid verkrijgen betekent; dat aldus het beeld van God wordt hersteld in de ziel. {2TG6: 12.3

12

——–0——–

2 TIJDIGE GROETEN 6

ONTUCHTIGHEID VLUCHT WEG OP PROTEST VAN DE KINDEREN!—HERLEVING EN HERVORMING WINT

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDDDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 13 SEPTEMBER, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp wordt gevonden in het eerste en tweede hoofdstuk van Hosea. Wij zullen beginnen met– {2TG6: 13.1}

Hos.1:2—“ Het begin van het word des Heren door Hosea. En de Here zeide tot Hosea : Ga heen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land heeft hoererij geplaagd, afwijkende van de Here.”

Wij zien onmiddelijk dat deze vrouw en deze kinderen Gods volk symboliseren, die afwijken van de Heer, en dat Hij zulk een goddeloze handeling hoererij noemt. {2TG6: 13.2}

Verzen 3,4—“Zo ging hij heen, en nam Gomer, de dochter van Diblaim; en zij ontving, en baarde hem een zoon. En de Here zeide tit hem: Noem zijn naam Jizreël, want nog een weinig tijds, zo zal Ik het bloed van Jizreël vergelden over het huis van Jehu, en het koninkrijk van Israël doen ophouden.”

Gods reden om Hosea’s eerste denkbeeldige zoon also te noemen, was om aan te geven dat Hij in een korte tijd  het blewd van Jizreël zal vergelden over het huis van Jehu, die toen de koning van Israël was in die tijd. Toen verklaarde de Here: {2TG6: 13.3}

13

Vers 5–En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal, in het dal van Jizreël.

Het verbreken van de boog zou betekenen het verbreken van de militaire macht van de natie. De geschiedenis hiervan is opgetekend in 2 Koningen 10,11. {2TG6: 14.1}

Vers 6—“En zij ontving weer, en baarde een dochter; en Hij zeide tot mij : Noem haar naam Lo-Ruchama : want Ik zal geen genade meer hebben over het huis Israëls; maar Ik zal hen volkomen wegvoeren.”

De naam van dit kind moest de volledige vernietiging van het huis Israëls aangeven , het tien-stammen koninkrijk. Deze vernietiging werd, zoals wij weten, tot stand gebracht door de koning van Assyrië, die het volk verstrooide over de steden van de Meden. De geschiedenis hiervan wordt gev onden in 2 Koningen 18:11—“En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en plaatste hen in Halah, en in Habor, bij de rivier Gazon, en in de steden der Meden.” {2TG6: 14.2}

Vers 7—“Maar Ik zal genade hebben over het huis van Juda, en zal ze verlossen door de Here, hun God, en zal ze niet verlossen door de boog, noch door het zwaard, noch door krijg, door paarden, noch door ruiters.”

De Heer beloofde het huis van Juda te sparen tegen de invasie van de koning van Assyrië. De geschiedenis van dit incident is opgetekend in 2 Koningen 19 :35—Het geschiedde dan in die nacht, dat de engel des Heren uittrok, en sloeg in het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen. {2TG6: 14.3}

14

Verzen 8,9—“Toen zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon. Toen zeide  God: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gij zijt Mijn volk niet, en Ik zal uw God niet zijn.”

De naam vban het derde kind moest betekenen dat, hoewel Israël en Juda Gods uitverkoren volk was, de dag snel naderde waarop zij niet langer Zijn volk genoemd zullen worden. De vervulling van deze fase van de profetie brengt ons tot de Christelijke periode. {2TG6: 15.1}

Vers 10—Nochtans zal het getal van de kinderen Israëls zijn al het zand der zee, dat niet niet gemeten noch geteld kan worden ; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen was gezegd: Gij zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden : Gij zijt de zonen van de levende God.

Ondanks de rampspoeden die de kinderen Israëls zouden overvallen, zouden zij erg talrijk worden. En wanneer zij alzo grotelijks vermenigvuldigd zijn, zullen zij weer de zonen van God genoemd worden. En zo zien wij hier een profetie van de opstand van Gods volk en Gods verwerping van hen, als ook  hun bekering en heraanneming door Hem. {2TG6: 15.2}

Laat ons hierbij even de titels “Juda” en Israël” bespreken. Wanneer zij oppervlakkig worden gelezen,  worden deze titels over het algemeen verkeerd geinterpreteerd en gemaakt als te betekenen de geindentificeerde Joden. Maar wij moeten geen oppervlakkige lezers zijn. Laat ons grondige Bijbel-studenten zijn. Een ieder weet nu dat de geidentifiuceerde Joden van vandaag slechts een handvol zijn—zeker niet als het zand der zee. De ontelbare kinderen Israëls kunnen daarom niet de ongelovige Joden van vandaag zijn. Trouwens, de

15

geidentificeerde Joden vandaag zijn niet de afstammelingen van het tien-stammen koninkrijk, maar van het twee-stammen koninkrijk. Wie is dan deze menigte van mensen, waarnaar er in Hosea’s profetie wordt verwezen? {2TG6: 15.3}

We moeten het feit niet over het hoofd zien dat het Evangelie van Christus het huis van Juda in twee sekten verdeelde—Joods en Christelijk.  Dat de Christelijke kerk voor ongeveer vier jaren na de opstanding van Christus praktisch alleen uit Joden bestond. Het is dan duidelijk dat de oorspronkelijke Christenen volbloedige Joden waren,–de Christelijke kerk is slechts een vertakking van de Joodse kerk, maar zij en hun afstammelingen hebben door de jaren heen hun raciale identiteit verloren. Ook nog moeten de afstammelingen van zowel Israël als Juda, die door de jaren van gevangenschap heen hun identiteit hebben verloren, zoals de Joden die het Christendom hebben aangenomen dat deden, volgens de profetie  ook grotelijk zijn vermenigvuldigd. Het is dan duidelijk, dat velen die als heidenen worden gezien, slechts ongeidentificeerde afstammelingen zijn van het vroegere Judah, Israël, en de Joodse Christenen. De Christelijke zelf is, zoals we hebben gezien, een Joods-Christelijke kerk. {2TG6: 16.1}

Deze afstammelingen van Jakob daarom, die zijn opgenomen door de heidense natien, zouden zich dus vermenigvuldigen als het zand der zee. Zij zijn degenen die nadat zij Christenen zijn geworden, weer de zonen van de levende God worden genoemd. {2TG6: 16.2}

Van degenen die eerst het Christelijk geloof aannamen, spreekt de Apostel Petrus aldus: “Die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die geen genade had verkregen, maar nu genade hebt verkregen.” 1Pet.2:10. {2TG6: 16.3}

En de Apostel Johannes zegt: “Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven

16

kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Johannes 1:12. {2TG6: 16.4}

Nu zien wij dat de profetie van Hosea 1 en 2 begint met het huis van Israël en Juda, en ons brengt door de stroom der tijd tot de Christelijke kerk. Voor licht over de kerk in de Christelijke periode, gaan wij naar— {2TG6: 17.1}

Vers 11—“En de kinderen van Juda, en de kinderen Israëls zullen samenvergaderd worden, en zich een hoofd aanstellen, en zij zullen uit het land optrekken; want groot zal de dag van Jizreël zijn.”

Het Woord van God verklaart daarom duidelijk dat de onderdanen van de verscheurde koninkrijken—Juda en Israël–, als Christenen, tezamen met de heidenen die zich bij hen gevoegd hebben, zich bijeen zullen vergaderen en zich een koning aanstellen. {2TG6: 17.2}

In eenzelfde symbolisme, werd de profeet verteld dat na vele dagen van duisternis en rondzwerven, “zullen de kinderen Israëls terugkeren, en zoeken de Here, hun God, en David, hun koning [klaarblijkelijk is David de ‘ene hoofd’ die zij aanstellen], en zullen de Here vrezen en Zijn goedheid, in de laatste dagen.” {2TG6: 17.3}

Doorgaand met dezelfde familie-illustratie, en verwijzend naar de Christelijke periode, beveelt de Heer: {2TG6: 17.4}

Hos.2 :1 {NBG en SV, 1 :12}—“Zeg tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama.”

Hier zien wij dat de namen van de twee kinderen van hoofdstuk 1 weer worden vermeld, maar de eerste twee letters van elke naam is weggelaten:

17

Lo-Ruchama is geworden Ruchama, en Lo-Ammi is geworden Ammi. Het feit nu dat dezen de broer en zuster zijn van Jizreël, brengt de waarheid naar voren dat degene, die de Heer opdraagt om tot hen te spreken, Jizreël is, de eerstgeborene van de drie. Hij moet de boodschap doorgeven aan zijn broeders, Ammi en Ruchama. {2TG6: 17.5}

Wat betekent dit nu allemaal?—Het  is niet te moeilijk om te zien.  Degene tot wie God spreekt, Jizreël, stelt een profeet voor. Zijn broeder en zuster, Ammi en Ruchama, kan alleen de kerklidmaatschap voorstellen, zowel mannelijk als vrouwelijk. In werkelijkheid moet Jizreël Gods boodschap tot hen brengen. En hier is de boodschap: {2TG6: 18.1}

Vers 2—“Pleit met uw moeder, pleit: want zij is Mijn vrouw niet, noch ben Ik haar Man; laat ze daarom haar hoererijen van haar aangezicht wegdoen, en haar overspelerijen van tussen haar borsten.”

Het feit dat God Zelf de denkbeeldige vrouw van de profeet Hosea Zijn eigen vrouw noemt, openbaart dat zij de kerk voorstelt, dat Hosea God voorstelt, en dat terwijl Jizreël de mondstuk van God voorstelt, Ammi en Ruchama de kerklidmaatschap voorstelt. In de kinderjaren (Hosea 1) stellen zij de Oud-Testamentische kerk voor, maar in hun jeugdjaren, met hun namen veranderd, (Hosea 2), stellen zij de Nieuw-Testamentische kerk voor, de Christenen. {2TG6: 18.2}

Daar de leken nu, op het bevel van God , door middel van een profeet met de kerk moeten pleiten, wordt daarom de hervorming, waarnaar hier tevoorschijn wordt geroepen, door Inspiratie ondersteund en door de leken uitgevoerd. Het is de lang verwachte herleving en hervorming tot de Laodiceeers, en vandaar een lekenbeweging

18

die tevoorschijn wordt geroepen door de vernieuwde Geest der Profetie.{2TG6: 18.3}

Zoals u ziet, wordt het Kerkgenootschap door deze profetie, van “hoererij” beschuldigd, van hebbende onwettige verbindingen met de wereld. Deze ontuchtigheid moet zij opgeven als zij begunstiging wil verkrijgen bij God. {2TG6: 19.1}

Dit zijn geen woorden van mensen, zoals u begrijpt, maar van God. En zouden wij niet dankbaar moeten zijn dat Hij alles doet wat Hij kan om ons te redden? De kerk moet zich bekeren, zegt de Heer: {2TG6: 19.2}

Vers 3—“Opdat Ik haar niet naakt uitstrope, en haar zette als ten dagem, toen zij geboren werd; en haar make als een woestijn, en haar zette als een dor land, en haar dode met de dorst.”

Het Kerkgenootschap schept vaak op over toename in lidmaatschap (kinderen), maar God klaagt aan dat degenen die zij binnenbrenget onwettige kinderen zijn! En hoe kan het anders als the kerk zelf verdorven is met de wereld? Wat anders kunnen haar bekeerlingen zijn? Wat zou hen kunnen bevrijden van de wereldse invloeden, als zij (de leiding), zelf besmet is met de praktijken van de wereld? Inderdaad kunnen haar bekeerlingen geen wettige kinderen zijn. {2TG6: 19.2}

Vers 5—“Want hun moeder heeft de hoer gespeeld: zij die hen ontvangen heeft, heeft schandelijk gehandeld; want zij zei: Ik zal achter mijn minnaars gaan, die mij mijn brood en mijn water geven, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank.”

De kerk is de wereld achterna gegaan omdat zij abusievelijk denkt dat haar steun van wereldlingen  komt, van haar “minnaars.” {2TG6: 19.3}

19

Vers 6—“Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen omheinen, en een muur maken, zodat zij haar paden niet zal vinden.”

Hier zien wij dat de kerk wikt, maar dat God beschikt; haar plannen komen niet uit zoals zij verwacht—zij verliest haar weg zoals een schip zonder kaart of kompas, die op de zee drijft. {2TG6: 20.1}

Vers 7—“En zij zal haar minnaars nalopen, maar zij zal hen niet overvallen; en zij zal hen zoeken, maar zal hen niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal heengaan, en werkeren tot mijn eerste man, want toen was het beter met mij dan nu.”

Weer zien wij dat beproevingen en tegenstrijdige omstandigheden voor onze eigen bestwil is, want aldus wordt de kerk tot haar goede zinnen gebracht. {2TG6: 20.2}

Verzen 8-12—“Want zij wist niet, dat Ik haar het koren, en de most, en de olie gegeven heb, en haar zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij voor Baäl bereid hadden. Daarom zal Ik weerkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezette tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, die dienen om haar naaktheid te bedekken. En nu zal Ik haar ontuchtigheid openbaren voor de ogen van haar minnaars; en mniemand zal haar uit Mijn hand verlossen. Ik zal ook al haar vrolijkheid doen ophouden, haar feestdagen, haar nieuwe manen, en haar sabbatten, en al haar plechtige feesten.   En zal haar wijnstokken en haar vijgebomen vernietigen, waarvan zij  had gezegd: Dezen zijn mijn beloningen die mijn minnaars mij gegeven hebben: en Ik zal ze maken tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.”

Uit deze verzen zien wij dat het juist een dergelijke afwending van God dat de kerk in de vroeger Chridtelijke periode haar weg deed verliezen en al

20

haar bezittingen, inclusief haar feestdagen, haar nieuwe manen, haar sabbatten, en al haar plechtige feesten.  {2TG6: 20.3}

Dit is precies wat gebeurde toen de “Duistere Middeleeuwen” van de godsdienst begon. De heidenen, in wiens greep de kerk viel, waren niet meer verantwoordelijk voor het tot de duisternis ingaan van de kerk, dan dat de Chaldeeërs dat waren voor het vernietigen van Juda en haar tempel. De ware schuld valt op de kerk zelf. En dit zou een gedurige les moeten zijn voor een ieder van ons, dat wij nooit meer onwettige verbintenis met de wereld moeten hebben, nooit meer van de Heer moeten scheiden. {2TG6: 21.1}

Laat ons nu lezen welke andere ervaringen de kerk zou moeten ondergaan: {2TG6: 21.2}

Verzen 13,14—“En Ik zal  over haar bezoeken de dagen van Baäl, waarin zij wierook voor hen branded, en zij zichzelf versierde met haar oorbellen en sieraden, en zij achter haar minnaars ging,  en Mij vergat, zegt de Here. Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haat in de woestijn brengen, en gerieflijk tot haar spreken.”

Merk op dat de Heer de kerk niet bezoekt wanneer zij in een goede geestelijke verhouding met Hem verkeert, maar wanneer zij in haar grootste afgoderij is. Inderdaad, Hij kon haar niet bezoeken op een geschiktere tijd, want alleen wanneer zij in de grootste duisternis is, kan zij het licht onderscheiden. En haar toestand kan, zoals u weet, nooit beter worden tenzij Hij een beroep op haar zou doen.  Aldus was het in de tijd  van Johannes de Doper, en ook toen de Protestante Reformatie ontstond, en alzo is het vandaag. God weet hoe te redden. Redden is Zijn voornaamste zorg. {2TG6: 21.3}

“God vereist bepaalde dingen van Zijn volk;

21

als zij zeggen: Ik zal mijn hart niet opgeven om dit te doen, dan laat de Heer hen doorgaan in hun veronderstelde verstandige beslissing zonder hemelse wijsheid, totdat dit schriftgedeelte [Jes.28:13] is vervuld. U behoort niet te zeggen: Ik zal de leiding van de Heer tot een bepaalde punt volgen, dat in overeenstemming is met mijn beslissing, wn dan vasthouden aan uw ideeen, weigerende om gekneed {gevormd} te worden naar des Heren gelijkenis. Laat de vraag gesteld worden: Is dit de wil van God? Niet: Is dit de mening of het besluit van——–?”—Testimonies to Ministers {Getuigenissen voor Predikanten}, blz.419. {2TG6: 21.4}

En wat is Gods belofte nu tot Zijn kerk? {2TG6: 22.1}

Vers 15—“En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop; en zij zal aldaar zingen, als in de dagen van haar jeugd, en als ten dage, toen zij optrok uit  Egypteland.”

Als resultaat van het feit dat haar wijngaarden zijn verwoest, en ook dat aan haar het dal van Achor wordt gegeven tot een deur der hoop, zal de kerk zingen zoals in de dagen van haar jeugd, als toen zij uittrok uit Egypte en introk tot het Beloofde Land. Wat kan haar wijngaard anders zijn dan haar eigen land? En als het dal van Achor tot een deur der hoop voor haar is, wat anders kan het zijn dan wat het was in Jozua’s tijd—het verwijderen van de de Achans van vandaag uit haar midden (Hos.2:15)? Inderdaad, dit is onze enige hoop—in feite, is dit zelfs nog meer zo dan het was in de dagen van Israël’s nederlaag bij Ai, de poort tot het Beloofde land. {2TG6: 22.2}

“De klasse die niet bedroefd is over hun eigen geestelijke verval, noch rouwt over de zonden van anderen, zal zonder de zegel van God achtergelaten worden. De Heer beveelt zijn boodschappers, de mannen met

22

verdelingswapens in hun hand: ‘Gaat heen, door de stad achter hem, en slaat  neer; uw oog ontzie niet, en spaart niet! Doodt volkomen ouden en jongelingen, maagden en kleine kinderen, en vrouwen; maar nadert tot niemand, op wie het teken is, en begint bij Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oude mannen die voor het huis waren.’ {2TG6: 22.3}

“ Hier zien wij dat de kerk—het heilgdom van de Heer—de eerste was die de slag van Gods toorn zal voelen. De oude mannen, zij die God groot licht had gegeven, en die als bewakers van de geestelijke belangen van het volk stonden, hadden hun vertrouwen verzaakt. Zij hadden het standpunt ingenomen, dat wij niet hoeven uit te kijken naar wonderen en de gekenmerkte openbaringen van Gods macht als in de vroegere dagen.   De tijden zijn veranderd. Deze woorden versterken hun ongeloof, en zij zeggen : De Heer zal geen goed, en ook geen kwaad doen. Hij is te genadig om zijn volk met oordelen te bezoeken. Aldus is vrede en veioligheid de roep van mannen die nooit meer hun stem als een bazuin zullen opheffen om Gods volk hun overtredingen te tonen en het huis Jakobs hun zonden. Deze stomme honden, die niet wilden blaffen, zijn degenen die de rechtvaardige wraak van een beledigde God voelen. Mannen, maagden, en kleine kinderen, allen komen tezamen om.”—Testimonies {Getuigenissen}, Vol.5,blz.211. {2TG6: 23.1}

Vers 16—“En het zal te dien dage geschieden, zegt de Here, dat gij Mij zult noemen:Ishi; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl.”

Zo is het dan dat nadat de huichelaars en de zondaars uit de weg zijn geruimd, de kerk niet langer de Verlosser Baäl (Heer) zal noemen, maar zij zal Hem Ishi (mijn Man) noemen. De betekenis is dat zij Hij dan waarlijk haar man {echtgenoot] zal zijn, terwijl Hij nu voor haar als het ware slechts een grote persoonlijkheid is. {2TG6: 23.2}

23

Vers 18—“En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte van de aardbodem; en Ik zal de boog, en het zwaard, en de krijg van de aarde verbreken, en zal hen veilig doen neerliggen.

Hier is vrede, de enige vrede die men vandaag kan hebben, als hij daarnaar verlangt. Dit is vrede, dat overvloeit van veiligheid. De heiligen, hoeven, nadat de zondaren onder hen zijn verwijderd, geen wilde dieren, vogels of kruipende dieren van de grond te vrezen, noch wapens of zwaard ; zij zullen neerliggen in vertrouwen en zekerheid dat niets hen zal deren, want Hij ‘Wiens wan in Zijn hand is,…zal Zijn dorsvloer grondig reinigen, en Zijn graan verzamelen in de graanschuur ; maar het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur.’ Matt.3:12. {2TG6: 24.1}

Verzen 19-21—‘En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid ; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid, en in gericht, en in goedertierenheid, en in barmhartigheden. Ook zal Ik u Mij ondertrouwen in trouw: en gij zult de Here kennen. En het zal te dioen dage geschieden, dat Ik verhoren zal, zegt de Here, Ik zal de hemelen verhoren, en zij zullen de aarde verhoren.’

Door te zeggen dat de Heer de hemelen zal verhoren, en de hemelen de aarde, zegt Inspiratie in feite dat wanneer deze dingen plaatsvinden op aarde, de Heer in het midden van Zijn volk zal zijn, dat Hij vanuit de aarde zal spreken en Zijn onderdanen in de hemel zullen Hem horen. {2TG6: 24.2}

Vers 22—‘En de aarde zal het koren verhoren, en

24

de wijn, en de olie ; en zij zullen Jizreël verhoren.’

Het verhoren van het koren, de wijn, en de olie, betekent hen te horen spreken, en anngezien echte koren, wijn, en olie niet kunnen spreken, moeten zij figuurlijk staan voor geestelijk voedsel en drank—figuurlijk voor de machtige boodschap op de grote en geduchte dag des Heren. En uit het feit dat de mensen op aarde Jizreël zullen horen, Gods mondstuk, wordt het duidelijk gemaakt dat de roep : ‘Komt uit haar, Mijn volk, opdat gij geen deel hebt aan haar zonden, en opdat gij niet ontvangt van haar plagen’ (Openb.18 :4), haar toegewezen werk zal volbrengen. Zij die eruit komen, gaan in tot de voorheen vermelde plaats van veiligheid. En zij die Jizreël niet horen, zullen omkomen, zoals de Joden dat deden die de profeten verwierpen in hun dagen. {2TG6: 25.1}

Laat ons nu de studie van vandaag overzien door deze grafische afbeelding te volgen: {2TG6: 25.2}

shepherds-rod-tract-4-hosea

25

Hier zien wij Jezreel, Lo-Ruchama, en Lo- Ammi als kleine kinderen afgebeeld, vorrstellend de koninkrijken van Israël en Juda in hun rampspoeden, een volledige, maar korte geschiedenis van  de Oud-Testamentische kerk en haar volk. {2TG6: 26.1}

Dan zien wij dat de letters ‘Lo’ zijn weggeloten van de namen Ruchama en Ammi, wat een verandering aangeeft van de namen—Joden die Christenen worden genoemd,–betekenend “genade” en “Mijn volk,”  in plaats van “geen genade” en “niet Mijn volk” .Jizreël’s naam blijft echter hetzelfde, en aangezien hij Gods profeten in alle tijden voorstelt, geeft dit aan dat zij de afstammelingen zijn van Jakob en daarom moeten wij naar hen horen en gehoorzamen. {2TG6: 26.2}

Het gezin, dat als kleine kinderen het volk van het Oud-Testamentische kerk, en als jongelingen de Nieuw-Testamentische kerk voorstelt, toont aan dat er geestelijke groei heeft plaatsgevonden door de stroom der tijd heen, dat zij nu gegroeid zijn, in staat om “vaste voedsel” in te nemen, en om waarlijk hervormers te zijn in de kerk, en zendelingen tot de wereld. {2TG6: 26.3}

Wij zien ook dat de dezelfde moeder en dezelfde vader, tezamen met dezelfde kinderen, zowel de Oude als de Nieuw-Testamentische kerk voorstellen; dat de afstammelingen van Jakob in werkelijkheid de oude olijfboom zijn (Rom.11:24), dat de enige manier waarop de heidenen het koninkrijk kunnen ingaan is doordat zij inge-ent worden in de oude olijfboom. Jood en Heiden, allen moeten zich erbij voegen, als zij in het koninkrijk willen zijn. Dit kan alleen gedaan worden door onze eigen toestemming en handeling, nu terwijl de Geest met ons pleit, en terwijl de Heer klaarstaat om het werk te doen. Niemand hoeft buitengesloten te worden. Niemand hoeft een lauwe Laodiceer te blijven zijn tenzij hij alzo verkiest. Mijn hoop is dat allen het leven zullen kiezen in plaats

26

van de dood. {2TG6: 26.4}

Vervolgens zien wij dat de kerk in het geheel, als een gezin, is samengesteld uit een vader, een moeder, en uit zonen en een dochter, dat de vader God is; dat de vrouw de geestelijke leiding is (zij die bekeerlingen binnenbrengen); dat de kinderen de leken zijn. Ook zien wij dat de kerk (vrouw) was getrouwd met de Heer in haar jeugdjaren, in de dagen dat zij uit Egypte kwam; dat hoewel de leiding in zijn geheel nooit vooruit ging van de ene warheid naar de ander, de kerk (echtgenote) doorging door steeds weer vervangen te worden door nieuwe en opeenvolgende leiders. En nu zij diepgegrond zit in hoererij, zij vanzelfsprekend weer vervangen zal worden door een nieuwe leiding {bediening}, en Aldus zal zij trouw worden aan onze Vader; dat dit uitgevoerd zal worden door de zondaars uit haar midden weg te nemen. Dan zullen haar wijngaarden aan haar gegeven worden, en dan zal zij en al haar kinderen in vrede en veiligheid leven. {2TG6: 27.1}

Het is dan duidelijk dat ontuchtigheid feitelijk zal wegvlieden, en deze herleving en hervorming, voortgebracht door deze lekenbeweging, zal haar gegeven werk volbrengen. En zo ziet u dat als resultaat van het protest {opstand} van de kinderen, het gehele gezin van God gelukkig zal leven in vrede en veiligheid in alle eeuwigheid. {2TG6: 27.2}

27

——-0——-