De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 03,04

Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 03,04

2TG3-4-1200x675.jpg

VOORLEZING

De Bijbel—Onbetwistbaar Gezag

Ik zal lezen uit “Christ’s Object Lessons,” beginnend bij bladzijde 38 met de laatste alinea {“Lessen uit het Leven van Alledag, blz.18, laatste alinea}. {2TG3: 2.1}

“De leraars in Israël zaaiden niet het zaad van Gods Woord.Christus’werk als leraar der waarheid duidelijk tegengesteld aan het werk van de rabbi’s in Zijn tijd. Zij stonden stil bij overleveringen, bij menselijke theorieën en speculaties. Dikwijls plaatsten zij wat mensen hadden onderwezen en geschreven over het Woord, in de plaats van het Woord zelf.(…) Het onderwerp van Christus’leer en prediking was Gods Woord. Hij antwoordde zijn ondervragers met een duidelijk: ‘Er staat geschreven.’ ‘Wat zegt de Schrift?’ ‘Hoe leest gij?’(…) Christus’dienstknechten moeten hetzelfde werk doen. In onze tijd worden, net als vroeger, de belangrijke waarheden van Gods Woord opzij geschoven voor menselijke theorieën en ideeën. Veel bekende predikanten van het evangelie aanvaarden niet alles in de Bijbel als het geïnspireerde Woord. De ene geleerde verwerpt één deel; de ander trekt een ander deel in twijfel.  Zij plaatsen hun oordeel boven het Woord, en de schriften die zij onderwijzen berusten op hun eigen gezag. Haar {het Woord}goddelijke betrouwbaarheid wordt teniet gedaan.(…) Hij wees naar de Schrift als het onbetwistbaar gezag, en wij moeten hetzelfde doen. De Bijbel moet worden voorgehouden als het Woord van de oneindige God, als het eind van alle strijd en als de grondslag van alle geloof.” {2TG3: 2.2}

Wij moeten vanmiddag bidden voor hulp om nooit Gods Woord terzijde te leggen voor menselijke theorieën en speculaties, maar om altijd de duidelijke waarheden van de Bijbel te onderwijzen overeenkomstig met de Geest, het enige onbetwistbare gezag—het eind van van alle strijd, de grondslag van alle geloof. Laat ons knielen. {2TG3: 2.3}

2

——-0——-

2 TIJDIGE GROETEN 3 

HET HERSTEL VAN HET LAND EN DE HART-OPERATIE VAN DE CHRISTEN 

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF,

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAGS AVDENTISTEN

SABBAT,23 AUGUSTUS,1947

MT.KARMEL KAPEL

WACO,TEXAS

Ons onderwerp voor deze middag is het herstel van het land en de hart-operatie van de Christen. Dit onderwerp vinden wij in het zes-en-dertigste hoofdstuk van Ezechiël. {2TG3: 3.1}

 Ezech.36:1-10—“Gij, mensenzoon, profeteer ook tot de bergen Israëls, en zeg: Gij bergen Israëls, hoort het Woord des Heren. Alzo zegt de Here God: Omdat de vijand tegen u had gezegd:  Aha, zelfs de vroegere hoge plaatsen [de plaatsen voor aanbidding in het Beloofde Land] zijn in onze bezitting! Daarom profeteer en zeg: Zo zegt de Here God: Omdat zij u woest hebben gelaten, en u aan alle kanten hebben opgeslokt, opdat gij een bezitting zoudt zijn voor het overblijfsel der heidenen, en gij opgenomen bent in de lippen der praters, en een beruchtheid bent bij het volk; Daarom, gij bergen Israëls, hoort het Woord van de Here God; Zo zegt de Here God tot de bergen, en tot de heuvels, tot de rivieren en tot de dalen, tot de verwoeste plaatsen, en tot de steden die verlaten zijn [door Zijn volk], die tot een prooi en een bespotting zijn geworden voor het overblijfsel der heidenen die rondom zijn; Daarom, zo zegt de Here God: Voorzeker heb Ik in het vuur van Mijn jaloersheid gesproken tegen het overblijfsel der heidenen, en tegen geheel Edom [nu geheten Arabieren], die Mijn land in hun bezitting hebben aangesteld met de blijdschap van hun ganse

3

hart, met verachtelijke gedachten, om het tot een buit uit te werpen. Profeteer daarom betreffende het land Israëls, en zeg tot de bergen, en tot de heuvels, tot de rivieren en de dalen: Zo zegt de Here God: Ziet, Ik heb in Mijn jaloersheid en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij de schande der heidenen hebt gedragen; Daarom, zo zegt de Here God: Ik heb Mijn hand opgeheven; Voorzeker zullen de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande dragen. Maar gij, o bergen Israëls, gij zult uw takken doen uitschieten, en uw vrucht dragen voor Mijn volk Israël, want zij zijn naderbij te komen. Want zie, Ik ben voor u, en Ik zal tot u keren, en gij zult gebouwd en gezaaid worden. En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, zelfs het geheel ervan; en de verwoeste plaatsen zullen bebouwd worden.”

 Deze verzen, die nu worden gezien in het kader van de boodschap van het uur, tonen aan dat de tijd van de heidenen ten einde is, dat Gods uitverkorenen terug zullen keren naar hun land en het voor eeuwig zullen bezitten! {2TG3: 4.1}

 Verzen 11-14—“En Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen toenemen en vrucht voortbrengen; en Ik zal u vaststellen volgens uw vroegere nalatenschap, en zal het u beter maken dan in uw begin; en gij zult weten, dat Ik de Here ben. Ja, Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israël; en zij zullen u bezitten, en gij zult hun erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer van mensen beroven. Zo zegt de Here God: Omdat zij tot u zeggen: Uw land verslindt mensen, en heeft uw natiën beroofd; daarom zult gij niet meer mensen verslinden, en uw volken niet meer beroven, zegt de Here God.”

 Deze verzen kunnen niet verkeerd geïnterpreterd worden als de

4

terugkeer  van de Joden uit Babylon te betekenen, omdat er hier wordt gezegd, dat het land “niet meer de mensen” zal “verslinden, en uw volken niet meer beroven,” terwijl de geschiedenis antoont dat vanaf de terugkeer van de Joden uit Babylon, het land heeft verslonden—er is geen blijvende vrede geweest. Bovendien spreekt dit hoofdstuk in het bijzonder over het “huis Israëls,” net tien-stammen koninkrijk, welke op deze dag nooit is teruggekeerd sinds het werd verstrooid door de Assyriërs. {2TG3: 4.2}

 Verzen 15-22—“Ook zal Ik maken, dat de mensen niet meer de schande der heidenen in u horen, noch zult gij de smaad der volken dragen; ook zult gij uw natiën niet meer doen vallen, zegt de Here God. Bovendien kwam het woord des Heren tot mij, zeggende: Mensenzoon, toen het huis Israëls  in hun land woonden, hebben zij dat verontreinigd door hun eigen wegen en door hun doen en laten. Hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw zo was hun wandel in mijn ogen. Daarom stortte Ik mijn grimmigheid over hen uit vanwege het bloed dat zij in het land vergoten hadden, en omdat zij het land verontreinigd hadden door hun afgoden. En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden over de landen verspreid; overeenkomstig hun wegen en overeenkomstig hun doen en laten oordeelde Ik hen. En toen zij tot de heidenen kwamen, waarheen zij gingen, ontheiligden zij Mijn heilige naam, doordat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des Heren, en zijn uit Zijn land weggegaan. Maar Ik had medelijden wegens Mijn heilige naam, die het huis Israëls ontheiligd had onder de heidenen waar zij heengingen. Daarom, zeg tot het huis Israëls: Zo zegt de Here God: niet om uwentwil doe Ik dit, o huis Israëls, maar terwille van Mijn heilige naam, die gij ontheiligd hebt onder de volken waarheen gij ging.”

Met deze verzen kan het nu worden begrepen dat God dit niet doet omdat Zijn volk van gisteren

5

of van vandaag goed is geweest, maar omdat Hij Zijn naam moet rechtvaardigen {zuiveren}, en Hij moet de heidenen laten weten dat zij in staat waren gesteld om Zijn volk uit het land te drijven, alleen maar omdat Hij hen toeliet dat te doen wegens de ongerechtigheid van Zijn volk. {2TG3: 5.1}

Verzen 23-26—“ En Ik zal Mijn grote naam die onder de heidenen ontheiligd was, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Here ben, zegt de Here God, wanneer Ik voor hun ogen in u geheiligd zal zijn. Want Ik zal u weghalen uit de heidenen en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; dan zal Ik rein water over u sprengen, en gij zult rein zijn: van al uw vuiligheid en van al uw afgoden zal Ik u reinigen; ook een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste leggen; en het stenen hart zal Ik uit uw vlees wegnemen, en Ik zal u een hart van vlees geven.”

Het is duidelijk te zien dat, voordat u en ik gereed kunnen zijn voor  de opname,  wij eerst klaar moeten zijn om het Beloofde Land in te gaan, om daar gereinigd te worden, om daar onze stenen hart te laten verwijderen. Ja, de enige manier om deze hart-operatie op ons te laten uitvoeren is om de Heer ons eerst te laten vergaderen van onder de heidenen en ons in ons eigen land te brengen. Want “dan zal Ik,” zegt de Heer, “rein water over u sprengen,” en “ook een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste leggen.” {2TG3: 5.2}

Tegenover dit, zou ik willen weten wie ooit zou kunnen leven met Christus gedurende de duizend jaren, zonder eerst naar het land te zijn gegaan, om daar gereinigd te worden en daar een nieuw hart te ontvangen? {2TG3: 5.3}

Verzen 27-32—“En Ik zal Mijn Geest in uw binnenste leggen,

6

en maken, dat gij naar Mijn inzettingen wandelt en gij zult  Mijn verordeningen {rechten} onderhouden {bewaren} en ze doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb; en gij zult Mijn volk zijn, en Ik zal uw God zijn. Ook zal Ik u verlossen van al uw onreinheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal het doen toenemen, en geen hongersnood op leggen, En Ik zal de vrucht van het geboomte vermenigvuldigen, en de inkomst van het veld, opdat gij niet meer de smaad van de hongersnood ontvangt onder de heidenen. Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen, en uw doen en laten, die niet goed waren; en gij zult van uzelf walgen in uw eigen ogen om uw ongerechtigheden en om uw gruwelen. Niet om uwentwil doe Ik dit, zegt de Here God, het zij u bekend; weest beschaamd en verbijsterd om uw eigen wegen, o huis Israëls.”

De Heer weet hoe te redden: Hij had Zijn volk verspreid over de  natiën, zodat wanneer Hij hen terugbrengt naar huis, zij het resultaat van hun boze doen en laten zullen gedenken, en zo van hun ongerechtigheden zullen walgen. {2TG3: 7.1}

Verzen 33-36—“Alzo zegt de Here God: Ten dage, dat Ik u zal reinigen van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik u ook in de steden doen wonen, en de verwoeste plaatsen zullen bebouwd worden. En het verwoeste land zal bewerkt worden, terwijl het verwoest lag in de ogen van allen die er doorgingen.  En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als de Hof van Eden; en de verlaten, en verwoeste, en geruïneerde {vernielde} steden zijn beschut geworden, en bewoond. Dan zullen de heidenen, die rondom u overgebleven zijn, weten, dat Ik, de Here, de geruïneerde plaatsen bebouw, en hetgeen verwoest was, beplant; Ik, de Here, heb het gesproken, en Ik zal het doen.”

Al deze wonderen voert de Heer, zoals u ziet, uit in het land van Israël en voor de ogen van de heidenen. Dit zijn noodzakelijkerwijs gebeurtenissen vóór het millennium. {2TG3: 7.2}

7

Vers 37—“Alzo zegt de Here God: Ik zal nochtans door het huis Israëls hierom gevraagd worden, om het voor hen te doen; Ik zal hen met mensen doen toenemen als een kudde.”

Gods uitverkoren, verklaart deze vers, zullen voor de voltooiing van deze schriftgedeelten bidden. Wat bent u aan het doen, Broeder, Zuster? Bidt u voor deze dingen? Of vecht u tegen ze? Waagt u het niet te zeggen: “Het maakt niet uit,” want zulk een houding van ongeloof zal u uit het Koninkrijk houden net zo zeker als het de antediluvianen {mensen vóór de zondvloed} uit de ark hield. {2TG3: 8.1}

Vers 38—“Gelijk de heilige kudde, gelijk de kudde van Jeruzalem in haar plechtige feesten; zo zullen de verlaten steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de Here ben.”

Is er nog steeds twijfel in de harten van enigen van u? O, hoe kan er twijfel zijn? Deze verzen hebben, zoals u ziet, feitelijk geen enkele uitlegging dan ook nodig. Er is geen duidelijkere leerstelling in de Bijbel. U kunt uw ogen er niet voor sluiten en alsnog verwachten gerekend te worden onder de gelovigen in het Woord van God. {2TG3: 8.2}

Nu zien wij dat er een herstel van het land en een hart-operatie moet plaatsvinden—dat Gods Koninkrijk op aarde begint voor de ogen van de heidenen, dat het zo echt zal zijn als wat dan ook, en dat er noch een zondaar, noch een stenen hart in Het zal zijn. Is dit niet veel aantrekkelijker dan het denkbeeldige, en veel vergeestelijkte koninkrijk waar er vaak van wordt gehoord? {2TG3: 8.3}

Elia zal inderdaad eerst komen en alle dingen herstellen.  En wij zullen eindelijk zijn wat Adam was in het begin, in leven zijnde in de Hof van Eden, en genieten van de boom des levens. {2TG3: 8.4}

8

——–0——–

It Shall Be Well With Thee {Het Zal U Goed Gaan}

Be tranquil, O my soul, {Wees gerust, O mijn ziel,}

Be quiet every fear! {Zwijgt, iedere vrees!}

Thy Father hath supreme control,{Uw Vader heeft de hoogste macht,}

And He is ever near.{En Hij is altijd nabij.}

Never of  thy lot complain,{Klaagt nooit over uw lot,}

What ever may befall,{Wat u ook mag overkomen,}

Sickness or sorrow, care or pain,{Ziekte of  verdriet, zorgen of pijn,}

 ‘Tis well appointed all.{Alles is goed vastgesteld.}

A Father’s chastening hand{Des Vader’s louterende hand}

 Is leading thee along;{Die geleidt u;}

Nor distant is the promised land,{Noch is het beloofde land veraf,}

Where swells the immortal song.{Waar het onsterfelijk lied aanzwelt.}

O, then, my soul, be still!{Weest dan stil, o mijn ziel!}

 Await heaven’s high decree;{Wacht op des hemels hoge bevel;}

Seek but to do thy Father’s will,{Zoekt slechts uw Vader’s wil te doen,}

It shall be well with thee.{Het zal u goed gaan.}

–Thomas Hastings

 

9

VOORLEZING

De Leringen van Mensen Tegenover de Leringen van De Geest

Op deze middag zal ik lezen uit “Christ’s Object Lessons,” bladzijde 40, alinea 1 en 2 {“Lessen uit het Leven van Alledag,” blz.19, alinea 2 en 3}— {2TG4: 10.1}

“(…)In de preken  vanuit veel kansels van vandaag is geen goddelijke manifestatie die het geweten wakker schudt en leven brengt aan de ziel. (…) Er zijn velen die uitroepen naar de levende God, verlangende naar de goddelijke tegenwoordigheid. (…) Laat Gods Woord tot de mensen spreken. Laten zij die alleen maar overleveringen en menselijke theoriën {opvattingen}en stelregels hebben gehoord, de stem horen van Hem, wiens Woord de mens kan vernieuwen tot eeuwig leven.

Christus’geliefkoosde onderwerp was de vaderlijke tederheid en overvloedige genade van God; Hij stond veel stil bij de heiligheid van Zijn karakter en Zijn wet; Hij maakte Zichzelf bekend aan de mensen  als de Weg, de Waarheid, en het Leven. Laten dezen de onderwerpen zijn van Christus’ dienstknechten. Presenteer de waarheid zoals deze is in Christus. Maak de eisen van de wet en het evangelie duidelijk. Vertel de mensen over Christus’ leven van zelfverloochening en opoffering; over Zijn vernedering en dood, Zijn opstanding en hemelvaart; over Zijn middelaarswerk voor hen in de hoven van God; over Zijn belofte: ‘Ik zal wederkomen, en u tot Mij nemen.’” {2TG4: 10.2}

Wij moeten bidden voor hulp om le leren hoe te onderwijzen zoals Christus dat deed, hoe de leringen van de Geest te warderen boven de leringen van mensen, en hoe het Woord te presenteren zoals het in Jezus is, de Waarheid duidelijk makend. Dit is onze grote nood. {2TG4: 10.3}

10

—–0—–

2 TIJDIGE GROETEN 4 

DE DODEN EN DE LEVENDEN VORMEN HET GEHELE HUIS ISRAELS; GOG FAALT

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 30 AUGUSTUS, 1947

MT.KARMEL KAPEL

WACO, TEXAS 

Ons onderwerp wordt vandaag gevonden in Ezechiël, hoofdstukken 37 tot en met 39. Deze hoofdstukken zijn lang, en de tijd zal ons niet toestaan om iedere vers te lezen, noch zelfs om veel commentaar over ze te geven. En daarom zullen wij niet proberen om al de verzen in hoofdstuk 38 en 39 te behandelen, noch alles te zeggen dat er gezegd kan worden. De verzen echter, die wij overslaan, hebben feitelijk geen commentaar nodig, want met dit licht voor de hand hebbende, wanneer u de hoofdstukken in uw eigen tijd bestudeert, zal hun waarheid op heldere wijze uitsteken. {2TG4: 11.1}

 Ezech.37:1-12—“De hand des Heren was op mij, en voerde mij uit in de Geest van de Heer, en zette mij neer in het midden vcan de vallei, welke vol beenderen was, en deed mij aan deze voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren er zeer veel in de open vallei; en ziet, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenzoon, kunnen deze beenderen leven? En ik antwoordde: O Here, Gij weet het. Wederom zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: O gij dorre beenderen, hoort het Woord des Heren. Alzo zegt de Here God tot deze beenderen: Ziet, Ik zal adem {lucht} in u doen binnengaan, en gij zult leven; en Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en u met huid bedekken, en adem in u leggen, en gij zult leven; en gij zult weten, dat Ik de Here ben.

11

“Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was; en toen ik profeteerde, was er een geluid, en ziet, een beroering, en de beenderen kwamen bij elkaar, elk been tot zijn been. En ik zag, en ziet, er kwamen zenuwen en vlees op hen, en huid bedekte hen; maar er was geen adem in hen. Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeter, mensenzoon, en zeg tot de wind: Alzo zegt de Here God: Kom aan van de vier winden, o adem, en blas in deze gedoden, opdat zij kunnen leven. Zo profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had, en de adem kwam in hen, en zij leefden, en stonden op hun voeten, een uiterst groot heer {leger}.{2TG4: 12.1}

 “Toen zeide Hij tot mij: Mensenzoon, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze hoop is verloren: wij zijn afgesneden van ons deel. Darom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here God: Ziet, o Mijn volk, Ik zal uw graven openen, en u uit uw graven doen opkomen, en u brengen in het land Israëls.” {2TG4: 12.2}

Hier zien wij hoe de doden opgewekt zullen worden: Eerst worden de beenderen bij elkaar verzameld, elk been tot zijn been. Vervolgens wordt het vlees toegevoegd, daarna met huid bedekt, en als laatst wordt hen adem gegeven. In Genesis wordt ons verteld dat Adam’s lichaam van klei was gemaakt, toen werd er adenm in zijn neusgaten gelegd, en hij werd een levende ziel. Door lucht met klei te combineren werd de mens een levende ziel. Zo openbaren de Schriften dat de opstanding slechts een herschepping is. De mens ontvangt een nieuw lichaam uit het oude, maar om dezelfde mens te zijn die eens leefde en stierf, en daarna weer levend gemaakt te worden, wordt hij noodzakelijkerwijs de voormalige intellectuele kennis en  geheugen gegeven van zijn levenservaring. Waarlijk, de levenden weten, dat zij zullen sterven, maar de doden weten geen ding al de tijd dat zij in hun graven zijn. Pred.9:5,6. {2TG4: 12.3}

 12

Verzen 13,14—“En gij zult weten, dat Ik de Here ben, wanneer Ik uw graven heb geopend, o Mijn volk, en u uit uw graven heb opgebracht, en Mijn Geest in u zal leggen, en gij zult leven, en Ik zal u in uw eigen land plaatsen; dan zult gij weten, dat Ik, de Here, het heb gesproken, en het heb uitgevoerd, zegt de Here.”

Hij zal Zijn volk niet alleen maar uit hun graven doen opkomen, mar Hij zal hen ook in het land Israëls brengen. Dat de doden weer zullen leven is waarlijk een wonder, mar niet veel groten dan dat een worm zichzelf in de grond begraaft of zichtzelf insluit in een cocon of desgelijks, daarna tot een toestand van onbewustheid in te gaan, zijn vorm te veranderenen een prachtige vlinder te worden,, de lucht doorkruisend, in plaats van op de grond te kruipen. Deze, en andere wonderen, lijken geen wonderen te zijn, omdat zij gewone alledagse gebeurtenissen zijn. Als God in het begin de aarde uit niets kon scheppen, kan Hij de mens veel gemakkelijker herscheppen wanner Hij, om te beginnen, ten minste de beenderen van de mens en zijn intellectuele kennis van goed en kwaad heeft. {2TG4: 13.1}

Verzen 15-19—“Het Woord des Heren kwam wederom tot mij, zeggende: Bovendien, gij mensenzoon, neem u een stok, en schrijf erop: Voor Juda [het twee-stammen koninkrijk], en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen: en neem een andere stok, en schrijf erop: Voor Jozef, de stok van Efraïm [het tien-stammen koninkrijk], en voor het ganse huis Israëls, zijn metgezellen. En voeg ze aan elkander toe tot één stok; en zij zullen één worden in uw hand. En wanneer de kinderen van uw volk tot u zullen spreken, zeggende: Wilt gij ons niet tonen wat gij hiermee bedoelt? Zeg tot hen: Alzo zegt de Here God: Zie, Ik zal de stok van Jozef nemen, welke in de hand van Efraïm is,

13

en de stammen Israëls, zijn metgezellen, en zal hen met hem zetten, namelijk met de stok van Juda, en hen tot één stok maken, en zij zullen één zijn in Mijn hand.”

Hier worden wij duidelijk verteld dat Hij de twee oude koninkrijken, de typen, zal herstellen en samenvoegen—en zodoende het antitype tot stand brengen. {2TG4: 14.1}

Verzen 20-21—“En de stokken waarop gij schrijft zullen in uw handen voor hun ogen zijn. En zeg tot hen: Alzo zegt de Here God: Ziet, Ik zal de kinderen Israëls van onder de heidenen nemen, waarheen zij gegaan zijn, en zal hen verzamelen van elke kant, en hen naar hun eigen land brengen.”

De getrouwen onder de afstammelingen van Israël die verstrooid waren onder de natiën zullen, zoals wij op concrete wijze worden verteld, vergaderd en teruggebracht worden naar hun eigen land. Deze afstammelingen van de stammen van Jakob moeten wij echter niet verwarren als zijnde de ongelovige Joden van vandaag, die proberen om Palistina in hun bezit te krijgen.  Het Koninkrijk dat hier wordt voorspeld zal, zoals u opmerkt, alleen gevormd worden door bekeerlingen tot Christus, het meest afkomstig van de stammen die verstrooid en uit het oog verloren waren onder de heidense natiën, inclusief de afstammelingen van degenen die de vroegere Christelijke kerk vormden,–zij die zichzelf niet langer Joden, maar Christenen noemden. Dezen zullen, naast degenen uit de heidense natiën zich bij Christus voegen, klaarblijkelijk dit Koninkrijk vòòr het millennium in het Beloofde Land vormen. {2TG4: 14.1}

 Verzen 22—“En Ik zal hen tot één natie maken in het land op de bergen Israëls; en één koning zal over hen allen koning zijn; en zij zullen niet meer twee natiën zijn, ook zullen zij helemaal niet meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.”

14

Zoals u bemerkt, is dit troostwoord blijvend. En aangezien er geen zondaars in Het zijn, is het vanzelfsprekend, zoals het elders in onze literatuur wordt aangetoond, het resultaat van het “Oordeel in het huis Gods”(1 Pet. 4:17)—het Oordeel voor de Levenden, de reiniging van de kerk, de scheiding van de kwade vissen van onder de goede ( Matt.13:47.48), de reininging van het heiligdom (Dan.8:14)—de oogst van de eerste vruchten; de 144.000 die op de berg Sion staan met het Lam (Openb.14:1)—“het overblijfsel.” Dan volgt de inzameling van de tweede vruchten. {2TG4: 15.1}

Uw kennis van deze dingen zullen u echter niet van nut zijn als u geen wanhopige poging maakt om één van, of één met de 144.000 te zijn. Bovendien moet u nù deze extra olie in uw vaten hebben (Matt. 25:1-12), terwijl het zo vrijelijk wordt uitgedeeld. Het later krijgen ervan zal u geen voordeel opleveren, want de laatkomers zullen de deur gesloten aantreffen. Hun geklop aan de deur zal alleen maar veroorzaken dat zij de  Meester horen zeggen: “Gaat weg van Mij,” “Ik heb u nooit gekend.” (Matt.7:23). Inderdaad, u moet nù onmiddellijk gebruik maken van deze licht-gevende olie terwijl Het tot uw deuren wordt gebracht, als het u enig goed zou moeten doen. {2TG4: 15.2}

 Vers 23—“Noch zullen zij zich meer verontreinigen met hun afgoden, noch met hun afschuwlijke dingen, noch met al hun overtredingen: maar Ik zal hen redden uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mijn volk zijn, en Ik zal hun God zijn.”

Nadat de onderdanen van de koninkrijken van Juda en Israël zijn vergaderd van onder de heidense natiën en zij zelf een natie zijn geworden en een koninkrijk, “dan” zullen zij gereinigd worden, en niet daarvoor, zeggen de Schriften. Hieruit ziet u dat dit het werk is van de

15

reiniging van het Heligdom (Dan.8:14), de zuivering van de kerk (“Testimonies,” {Getuigenissen}Vol.5,blz.80)—de reiniging van de tempel (Mal.3:1-3)—de oogsttijd—het uitdelgen van de zonden en tekortkomingen van de boetvaardigen en uit de weg ruimen van de onboetvaardigen. Het is het Oordeel voor de Levenden dat de kerk reinigt. Het scheidt haar af van de wereld, en maakt haar geschikt voor het verzamelen van de mensen (Openb.18:4)—maakt haar tot de ark van vandaag, een plaats van toevlucht voor allen die aan de plagen wensen te ontkomen. Daarna blijven de heiligen rein. Zij zondigen niet meer. Zijn voor eeuwig Gods reine en getrouwe volk. Er is daarom nooit tot Gods volk een belangrijkere boodschap gekomen dan deze. {2TG4: 15.3}

 Verzen 24-28—“En Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen één herder hebben; ook zullen zij in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren, en ze doen. En zij zullen in het land wonen dat aan Mijn knecht Jakob heb gegeven, waarin uw vaders hebben gewoond; en zij zullen daarin wonen, namelijk zij, en hun kinderen, en hun kindskinderen, voor eeuwig. En Mijn knecht David zal voor eeuwig vorst zijn. Bovendien zal Ik een verbond des vredes met hen maken; het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal hen plaatsen, en hen vermenigvuldigen, en Mijn heiligdom tot in alle eeuwigheid in het midden van hen zetten. Mijn tabernakel zal ook bij hen zijn: Ja, Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik, de Here, Israël heilig, wanneer Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in alle eeuwigheid.”

Het is dan duidelijk, dat al deze dingen plaatsvinden voor de ogen van de heidenen, opdat zij kunnen zien en weten wat God voor Zijn volk heeft gedaan. Aldus zullen zij weten dat Hij hen heeft liefgehad. {2TG4: 16.1}

16

Ezech.38:1,2-” En het Woord des Heren kwam tot mij, zeggende: Mensenzoon, zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, de hoofdvorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.”

Hier wordt er van Gog verteld dat hij de hoofdvorst is, de koning van Mesech en Tubal. Deze twee steden bevonden zich vroeger in Azie, ten zuiden van de Zwarte Zee, waar het Turkse Rijk nu is. {2TG4: 17.1}

Vers 8-“Na vele dagen zult gij bezocht worden; in de laatste jaren zult gij komen in het land, dat teruggebracht is van het zwaard, en vergaderd is uit vele volken, tegen de bergen Israels, die altijd verwoest zijn geweest; maar het is voortgebracht uit de natien, en zij zullen allen veilig wonen.”

De  “vele dagen”  waarna Gog is bezocht, zijn de duizend jaren. De laatste dagen waarin Israel terugkeert naar hun land, en de tijd waarin God tegen hen zal gaan, zijn voor het millennium. {2TG4: 17.2}

Vers 9-“Gij zult opstijgen en komen als een storm, gij zult zijn als een wolk om het land te bedekken, gij, en al uw benden, en vele volken met u.”

De uitdrukking ” opstijgen, en komen als een storm,” veronderstelt dat deze dingen zullen plaatsvinden in de tijd van de vliegtuig. {2TG4: 17.3}

Verzen 10-12-“Alzo zegt de Here God: “Het zal ook geschieden, dat  er op dezelfde tijd dingen in uw verstand zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken: en gij zult zeggen: Ik zal optrekken tot het land van onbemuurde dorpen; Ik zal gaan tot hen, die in rust zijn, die veilig wonen, allen die zonder muren wonen, en noch grendels noch poorten hebben. Om een buit te nemen, en om een prooi te nemen;

17

om uw hand te wenden over de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en over het volk dat uit de natien is vergaderd, dat vee en have verkregen heeft, dat in het midden van het land woont.”

Daar het land Israels geen enkele zichtbare menselijke bescherming dan ook zal hebben, zal het voor Gog schijnen alsof hij geen moeite zou moeten hebben om het volk van het land te beroven. {2TG4: 18.1}

Vers 13-“Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en al hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Zijt gij gekomen om een buit te nemen? Hebt gij uw gezelschap vergaderd om een prooi te nemen ? om zilver en goud weg te nemen, om vee en have weg te nemen, om een grote buit te nemen ?”

Deze aangrenzende landen en volken die Gog vragen om hen zijn missie te vertellen, zijn klaarblijkelijk niet gealliëerd met hem. {2TG4: 18.2}

Verzen 14-17-“Daarom, mensenzoon, profeteer en zeg tegen Gog: Zo zegt de Here God: Op die dag dat Mijn volk Israel veilig zal wonen, zult gij het  niet weten? En gij zult uit uw plaats komen uit de zijden van het noorden, gij, en vele volken met u, allen rijdende op paarden, een groot gezelschap, en een groot leger. En gij zult opkomen tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken ; het zal zijn in de laatste dagen, en Ik zal u tegen Mijn land aanbrengen, opdat de heidenen Mij mogen kennen, wanneer Ik in u geheiligd zal zijn, o Gog, voor hun ogen. Alzo zegt de Here God: Zijt gij die, van wie Ik gesproken heb in vroegere tijden door Mijn dienstknechten, de profeten van Israël, die profeteerden in die dagen ,vele jaren, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?”

18

Het is duidelijk, dat dit Koninkrijk van Israël wordt opgericht in de laatste dagen, in de dagen vòòr het millennium, want nadat het Koninkrijk is opgericht, voert Gog oorlog tegen Het.  Inderdaad, dit kan niet na het millennium zijn, want dan zullen alle natien van de vier hoeken der aarde, Gog en Magog met hen tezamen, niet de bergen Israels, maar het Nieuwe Jeruzalem, omringen. Verder nog zullen in die tijd de gedoden niet begraven, maar tot as verbrand worden. (Openb. 20:9,10; Mal. 4:1). {2TG4: 19.1}

Vers 23—“Alzo zal Ik Mijzelf groot maken, en Mijzelf heiligen; en Ik zal bekend zijn in de ogen van vele natiën, en zij zullen weten, dat Ik de Here ben.”

Ezech.39:1-7–“Daarom, mensenzoon, profeteer tegen Gog, en zeg: Alzo zegt de Here God: Ziet, Ik ben tegen u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal: en Ik zal u omwenden, en slechts het zesde deel van u achterlaten, en zal u doen opkomen uit de zijden van het noorden, en zal u brengen op de bergen Israëls. En Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen. Gij zult op de bergen Israëls vallen, gij, en al uw benden, en het volk dat met u is; Ik zal u aan de roofvogels van elk soort, en aan het gedierte des velds geven, om verslonden te worden. Gij zult op het open veld vallen; want Ik heb het gesproken, zegt de Here God. En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder hen, die zorgeloos wonen op de eilanden; en zij zullen weten, dat Ik de Here ben. Zo zal Ik Mijn heilige naam bekend maken in het middemn van Mijn volk Israël; En Ik zal hen niet meer Mijn heilige naam laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten dat Ik de Here ben, de Heilige in Israël.”

Zoals u ziet, zal Gog falen om Gods volk te beroven. Hij zal in plaats daarvan omkomen op de bergen Israëls. {2TG4: 19.3}

19

Verzen 8-15—“ Ziet, het is gekomen, en het is geschied, zegt de Here God: Dit is de dag waarover ik heb gesproken. En de inwoners van de steden van Israel zullen uitgaan, en vuur stoken en de wapens verbranden, beide de schilden en de gespen, de bogen en de pijlen, en de handstaven, en de spiesen, en zij zullen hen zeven jaren met vuur verbranden; Zo zullen zij geen hout uit het veld nemen, noch uit de wouden houwen; want zij zullen de wapens met vuur verbranden; en zij zullen hen plunderen, die hen geplunderd hadden, en hen beroven, die hen beroofd hadden, zegt de Here God. En het zal geschieden op die dag, dat Ik aan Gog daar een plaats der graven In Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en het zal de neuzen der doorgangers stoppen; en daar zullenzij Gog begraven, en al zijn menigten; en zij zullen het noemen: het Dal van Harmon-gog. En het huis Israels zal hen zeven maanden lang begraven, opdat zij het land kunnen reinigen. Ja, al het volk des lands zal hen begraven; en het zal hun tot roem zijn, ten dage dat Ik verheerlijkt zal zijn, zegt de Here God. En zij zullen mannen afzonderen, van voortdurende werk, die het land doortrekken, om met de doorgangers, hen te begraven, die op de aardbodem zijn overgebleven, om het te reinigen; aan heteind van zeven maanden zullen zij zoeken. Eb de doorgangers die door het land gaan, zullen, waneer iemand een mensenbeen ziet, een teken daarbij oprichten, totdat de begravers het hebben begraven in het Dal van Harmon-gog.” 19

 Daar deze verzen geen commentaar nodig hebben, gaan wij door met {2TG4: 20.1}

Verzen 22-29—“ Zo zal het huis Israels weten, dat Ik de Here, hun God ben, van die dag af en voortaan. En de heidenen zullen weten, dat het huis Israels in gevangenschap gingen wegens hun ongerechtigheid; omdat zij

20

tegen Mij hadden overtreden, daarom verborg Ik Mijn aangezicht voor hen, en heb ze in de hand van hun vijanden overgegeven; zo vielen zij allen door het zwaard. Naar hun onreinheid en naar hun overtredingen heb Ik hen aangedaan, en verborg Mijn aangezicht voor hen. Daarom, zo zegt de Here God: Nu zal Ik de gevangenschap van Jakob wenden, en genadig zijn over het ganse huis Israels,en zal jaloers zijn wegens Mijn heilige naam; nadat zij hun schande hebben gedragen, en al hun overtredingen waarmee zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij veilig woonden in hun land, en niemand verschrikte hen.  Wanneer Ik hen wederom heb gebracht uit de volken, en hen verzameld heb uit de landen van hun vijanden, en in hen geheiligd ben voor de ogen van vele natien; maar Ik heb hen vergaderd tot hun eigen land, en heb geen van hen meer daar achtergelaten. Noch zal Ik Mijn aangezicht meer meer voor hen verbergen: want Ik heb Mijn Geest over het huis Israels uitgestort, zegt de Here God.”

 Ik ken geen andere hoofdstukken in de Bijbel die nauwkeuriger zijn omschreven dan deze hoofstukken van Ezechiël. Zij hebben geen enkele verklaring dan ook nodig. Maar omdanks dit negeert het Kerkgenootschap ze alsof zij niet in de Bijbel stonden. En zelfs nu, in plaats van de spoedige volbrenging van deze hoofdstukken te onderwijzen, de oprichting van het Koninkrijk, doen de predikanten alles wat zij kunnen om de leken te verwarren en de Schriften in mysterie te omhullen! Zodoende wordt er bewijs op bewijs geleverd dat de engel van de Laodiceeërs blind is, en dat niet weet. {2TG4: 21.1}

Op dit kruispunt nu zal de eeuwige bestemming van al Gods dienstknechten bepaald worden. Nu moeten zij of de stap nemen die Paulus gedwongen was te nemen op de weg

21

naar Damascus, of de stap die Judas nam in de bovenzaal nadat de Meester zijn voeten had gewassen. Dit is, zoals u ziet, geen (uit)spraak van mensen; Het is van God, en van de Bijbel. {2TG4: 21.2}

Nu is aan u de gelegenheid gegeven om een Daniël, een Job, een Stefanus, een Luther, een Miller, of een White te zijn. Ik hoop dat geen van u heeft gekozen om een schriftgeleerde of een Farizeeër te zijn. Zij waren geniën in het vinden van fouten, maar te dom om de Waarheid te zien. Dezulken hebben, zoals u weet, nooit iemand tot de Waarheid geleid, maar hebben altijd zelfs gehele natiën van Het af gehouden. Zij zijn geniën in hun goddeloos beroep. {2TG4: 22.1}

22

——0——-

De Wolk en Het Vuur

Zoals van ouds toen het heer

van Israël

Was genoodzaakt in de woestijn

te vertoeven,

Vertrouwende op hun God

Om de weg te leiden

Tot het licht van de volmaakte dag.

Heen en weer als een schip

zonder een zeil,

Geen kompas om hen te begeleiden

Door het dal,

Maar het teken van hun God

Was altijd nabij,

Om aldus hun vermoeide harten te verblijden.

Al de dagen van hun zwevingen

Werden zij gevoed

Tot het land der belofte

Werden zij geleid;

Door de hand van de Heer,

In zekere leiding,

Werden zij tot de kust van Kanaan gebracht.

Alzo het teken van het vuur bij nacht,

En het teken van de wolk overdag,

Erover rondzwervend, net ervoor,

Als zij reizen op hun weg,

Zal een gids en een leider zijn,

Totdat de woestijn voorbij is,

want de Here hun God

Op Zijn eigen goede tijd

Zal ten laatste tot het licht leiden.

The Cloud and Fire

As of old when the hosts

Of Israel

Were compelled in the wilderness

To dwell,

Trusting they in their God

To lead the way

To the light of perfect day.

To and fro as a ship

Without a sail,

Not a compass to guide them

Through the vale,

But the sign of their God

Was ever near,

Thus their fainting hearts to cheer.

All the days of their wand’rings

They were fed

To the land of the promise

They were led;

By the hand of the Lord,

In guidance sure,

They were brought to Canaan’s shore.

So the sign of the fire by night,

And the sign of the cloud by day,

Hov’ring o’er, just before,

As they journey on their way,

Shall a guide and a leader be,

Till the wilderness be past,

For the Lord our God

In His own good time

Shall lead to the light at last.

–C.A.Miles