De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




2 Tijdige Groeten Nrs. 1, 2

2 Tijdige Groeten Nrs. 1, 2

2TG1-2-1200x675.jpg

1

GEBEDSVOORLEZING 

Jezus’Voorbeeld van Onderrichten

Wij zullen lezen uit “Lessen Uit het Leven van Alledag,” de vijfde en zesde alinea van bladzijde 11 ( Christ’s Object Lessons, eerste alinea, blz.21): {2TG1: 2.1}

“Daarbij moest Christus waarheden brengen waarvoor de mensen nog niet gereed waren om deze te aanvaarden of zelfs te begrijpen. Ook daarom onderwees Hij hen in gelijkenissen. Door Zijn onderricht te verbinden met het dagelijkse leven of met de natuur trok Hij hun aandacht en sprak Hij tot hun hart. Als zij later zagen naar de voorwerpen die zijn lessen illustreerden, herinnerden zij zich de woorden van de goddelijke Leraar. Voor het verstanmd dat openstond voor de Heilige Geest, kreeg de betekeneis van de leer van de heiland steeds meer inhoud. Verborgenheden werden openbaar en wat moeilijk te vatten was geweest, lag nu voor de hand. Jezus zocht toegang tot ieders hart. Door verschillende illustraties te gebruiken, bracht Hij niet alleen de waarheid in zijn verschillende vormen, maar deed Hij tevens een beroep op de verschillende toehoorders. (…)Niemand die naar de Heiland luisterde, kon het gevoel hebben dat hij veronachtzaamd of vergeten werd. De nederigste en zondigste mensen hoorden in Zijn leer een stem die vol medeleven en tederheid tot hen sprak.” {2TG1: 2.2}

Daar de mensen in Jezus’tijd  waren als de mensen van vandaag, niet begerig zijn om nieuwe Waarheid te leren, gebruikt Hij de natuur om hun aandacht te trekken. De profeten werden geleid om dezelfde methode te gebruiken. Daarom moeten wij bidden voor een branden verlangen om Gods Waarheid van vandaag te weten. We moeten nodig bidden dat wij niet zelfverzekerd worden, en tevreden met onze verworvenheden in het Woord van God; dat wij alle vooroordeel terzijde leggen en gewillig zijn om van zelfs de “nederigste der nederigen” te leren. {2TG1: 2.3} 

2

 2 TIJDIGE GROETEN 1 

HET ANTWOORD VAN DE HEER TOT DE ONDERVRAGERS VAN GOD

  LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 9AUGUSTUS 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp wordt gevonden in Ezechiël twiontig. Dit hoofdstuk bevat, zoals wij zullen ondervinden, een profetische geschiedenis van de Kerk vanaf de tijd van haar dienstbaarheid in Egypte tot de tijd van de verzegeling van de 144.000. {2TG1: 3.1}

Ezech.20:1-8—“En het hgeschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op de tiende van die maand, dat er mannen uit de oudsten van Israël kwamen, om de Here te vragen; en zij zaten neer voor mijn aangezicht. Toen kwam het woord des Heren tot mij, zeggende: Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israël, en zeg tot hen: Alzo zegt de Here HERE: Zijt gij gekomen om Mij te vragen? Zo waar Ik leef, zal Ik niet van U gevraagd worden, zegt de Here HERE. Wilt gij hen oordelen, mensenkind, wilt gij hen oordelen? Maak hen de gruwelen van hun vaderen bekend; En zeg tot hen: Alzo zegt de Here HERE: ten dage dat Ik Israël verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs en maakte Mijzelf hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de Here, uw God. Op die dag hief Ik mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen. En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de gruwelen van zijn ogen weg; en verontreinigt u niet met de afgoden van Egypte:

3

Ik ben de Here, uw God.  Maar zij waren weerspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemamd wierp de gruwelen van zijn ogen weg, noch verliet de afgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.”

In de geschriften vanMozes vinden wij geen verslag betreffende de betrouwbaarheid van de kinderen Israëls in het land Egypte. Mozes vertelt niet, of zij goed of slecht waren. Maar hier worden wij door Ezechiël verteld wat zij waren. Zoals u bemerkt, waren zij niet allemaal God-vrezende mensen. Dit schriftgedeelte maakt duidelijk dat zelfs toen God hen opriep om te vertrekken uit het land Egypte, de meerderheid onbetrouwbaar was in hun toewijding tot God. {2TG1: 4.1}

 Verzen 9,10—“Maar Ik deed het om Mijns naams wil, opdat Het niet ontheiligd zou worden voor de ogen der heidenen, in wier midden zij waren; aan wie Ik Mij, voor hun ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren. En ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.”

Wij hebben nu het verslag gelezen van de Hebreeuwse schare, –van hun geestelijke toestand in het land Egypte, en van Gods reden warom Hij hen uit Egypte uitvoerde. Vervolgens zullen wij het verslag lezen die zij hebben opgebracht in de woestijn. {2TG1: 4.2}

 Verzen11-13—“Ik gaf hun Mijn inzettingen, maakte hun Mijn rechten bekend, welke, zo een mens ze doet, zal hij daardoor leven. Daartoe ook gaf ik hun Mijn sabbaten, om  een teken te zijn tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Here ben, Die hen heilig. Maar het huis Israëls werd weerspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn 

4 

rechten; welke, zo een mens ze doet, zal hij daardoor leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten ten zeerste; Toen zeide Ik: Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdelgen.”

Hier zien wij dat de daden van de afstammelingen van Jakob nog minder aanbeveelbaar waren in de woestijn dan zij waren in Egypte. {2TG1: 5.1}

 Verzen14-28–“Maar ik deed het om Mijns naams wil, opdat die niet ontheiligd zou worden voor de ogen van die heidenen, voor wier ogen Ik hen uitvoerde. Evenwel hief Ik Mijn hand op tot hen in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honing, dat het sieraad is van alle landen; Omdat zij Mijn rechten verwierpen, en in Mijn inzettingen niet wandelden, en Mijn sabatten ontheiligden; want hun hart wandelde hun afgoden na. Dach Mijn oog spaarde hen, dat ik hen niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in de woestijn. Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen van uw vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt u niet met hun afgoden. Ik ben de Here, uw god, wandelt in Mijn inzetingen, en onderhoudt Mijn rechten, en doet ze. En heiligt Mijn sabbatten, en zij zullen een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat ik, de Here, uw God ben. Aar die kinderen waen ook weerspannig tegen Mij; zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en Mijn rechten namen zij niet waar, om die te doen; welke, zo een mens ze doet, zal hij daardoor leven; zij ontheiligden Mijn sabbatten. Toen zeide ik: Ik zal Mijn grimmigheid over hen uitgieten, volbrengende Mijn toorn tegen hen in de woestijn. Doch Ik keerde Mijn hand af, en deed het om Mijns naams wil, opdat die voor de ogen der heidenen niet ontheiligd zou worden, voor wier ogen Ik hen uitgevoerd had. Ik hief ook Mijn hand tot hen op in de woestijn, dat Ik hen verspreiden zou onder de

5

heidenen, en hen verstrooien in de landen; Omdat zij Mijn rechten niet gedaan hadden, maar Mijn inzetingen verworpen en Mijn sabbatten ontheiligd hadden, en hun ogen achter de afgoden van hun vaderen waren. Daarom gaf Ik hun ook inzettingen, die niet goed waren, en rachten, waarbij ze niet leven zouden. En Ik verontreinigde hen in hun giften, omdfat zij door het vuur deden doorgaan al wat de baarmoeder opent; opdat ik ze verwoesten zou, ten einde dat zij zouden weten, dat Ik de Here ben. Daarom, mensenkind, spreek tot het huis Israëls, en zeg tot hen: Alzo zegt de Here HERE: Hierme nog hebben Mij uw vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen Mij overtreden hebben.  Toen Ik hen in het land gebracht had, waarover Ik Mijn hand opgeheven had, om het hun te geven, zo zagen zij naar elke hoge heuvel, en elk dicht geboomte, en offerden daar hun offers, en gaven daar hun tergende offeranden, en daar zetten zij hun liefelijke reuk, en daar offerden zij hun drankoffers.”

Zij waren onbetrouwbaar in Egypte, in de woestijn, en in het beloofde land. Nu zullen wij de resultaten lezen. {2TG1: 6.1}

 Verzen29-36—“Toen zeide Ik tot hen: Wat is die hoogte, waarheen gij gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op deze dag toe. Daarom zeg Ik tot het huis Israëls: Alzo zegt de Here HERE: Zijt gij verontreinigd geworden in de weg van uw vaderen, en hoereert gij achter hun gruwelen? Ja, met het offeren van uw gaven, met uw kinderen dor het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw afgoden tot op deze dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israëls? Zo waar als Ik leef, spreekt de Here HERE, Ik zal niet van u gevraagd worden! Daarom, wat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: 

6 

Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen. Zo waar Ik leef, spreekt de Here HERE, met een sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u heersen. Ik zal u voeren uit het midden der volken en u bijeenbrengen uit de landen waarin gij verstrooid zijt, met sterke hand, met uitgestrekte arm, en met uitgestorte grimmigheid. Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht.  Zoals Ik met uw vaderen in het gericht getreden ben in de woestijn van het land Egypte, zo zal Ik ook met u in het gericht treden, spreekt de Here HERE.”

 Aan de ene kant zien wij de reden voor het verhogen van de Hebreeuwse schare van Farao’s slaven tot Gods priesters, profeten, en koningen. Aan de andere kant zien wij hun verstrooiing over alle natiën. Vervolgens aanschouwen wij Gods beloften van hun vergadering uit de landen waartoe zij zijn verstrooid. Dit belooft Hij te doen met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm. {2TG1: 7.1}

 Vers 37—“En Ik zal u onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder de band des verbonds.”

 Deze vers is wat gecompliceerd en moet verduidelijkt worden met behulp van een ander schriftgedeelte. Laat ons gaan naar Leviticus. {2TG1: 7.2}

“Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal de Here heilig zijn.” Lev.27:32. {2TG1: 7.3}

Om het deel van de Heer vast te stellen, de tiende, werden de lammeren, geiten of schapen van de Heer, veroorzaakt om door de roede door te gaan. Elke tiende deel werd dan genomen en apart gezet voor de Heer. De verklaring in Ezechiël twintig, vers zevenendertig, “onder de roede doen

7

doorgaan,” betekent daarom het scheiden van Zijn uitverkorenen onder de menigte, uit het “onkruid,” (Matt.13:30) of uit de “slechte vissen” (Matt.13: 47,48). En daar zij aldus worden gescheiden, worden zij geteld. Zodoende is het dat de 144.000 (Openb.7:3-8;14:1) een apart en geteld gezelschap zijn. {2TG1: 7.4}

Nu zien wij dat Ezechiël twintig een profetische geschiedenis bevat vanaf de tijd van hun vertoeving in Egypte tot de tijd van de verzegeling van de 144.000, en van de verzameling van de mensen. {2TG1: 8.1}

Wanneer God aldus veroorzaakt dat Zijn volk onder de roede doorgaat, dan zal Hij hen brengen onder de band van het “verbond , dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijn eed aan Izaak; Die Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot en inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond; Zeggende: Ik zal u het land Kanaän geven, een snoer van uw erfdeel.” 1 Kron.16:16-18. {2TG1: 8.2}

De beloften die zij faalden te verwezenlijken, verzekert de Heer weer dat Hij nu dat Zijn volk dezen zal hebben. {2TG1: 8.3}

 Vers 38—“daartoe zal Ik, die rebelleren, en die tegen Mij overtreden, uit u uitzuiveren; Ik zal hen uit het land van hun vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het land Israëls niet weerkomen, en gij zult weten, dat Ik de Here ben.”

 Hier wordt ons duidelijk verteld dat Hij alleen de uitverkorenen zal brengen “onder de band des verbonds.” Alleen hen zal Hij in het land Israëls brengen. De zondaars (onkruid, slechte vissen of bokken) die zich nu onder Gods volk bevinden zullen eruit gehaald worden en er niet meer zijn. {2TG1: 8.4}

“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en

8

dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; Dat, wanneer het vol geworden is, de vissers aan de oever optrekken, en neerzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg. Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden; En zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.”  Matt. 13:47-50. Zoals u bemerkt, brengt de scheiding, het Oordeel der Levenden, de voleinding der wereld tot stand. {2TG1: 8.5} 

Vers 39—“En gij, o huis Israëls, alzo zegt dfe Here HERE: Gaat heen, dient een ieder zijn afgoden, ook hierna, als gij naar Mij niet hoort; doch ontheiligt gij niet meer Mijn heilige Naam, met uw giften en met uw afgoden.”

God heeft nu Zijn “schoon werk” duidelijk gemaakt, wat Hij zal doen, zowel voor de boetvaardigen als de onboetvaardigen. Het ligt nu aan hen om te beslissen of zij Hem of hun afgoden zullen dienen—zij maken hun beslissing nu niet meer onwetend. Als zij wensen te vergaan, dan mogen zij doorgaan met hun afgoden te dienen. {2TG1: 9.1}

 Verzen 40,41—“Want op Mijn heilige berg, om de hoge berg Israëls, spreekt de Here HERE, daar zal Mij het ganse huis Israëls in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefoffers eisen, en de eerstelingen van uw heffingen met al uw geheiligde dingen. Ik zal een welgevallen aan u nemen om de liefelijke reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit alle landen, in welke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der heidenen.”

Zoals u ziet, zullen al deze dingen plaatsvinden voor de ogen van de heidenen. {2TG1: 9.2} 

9 

Verzen 42-44—“En gij zult weten, dat ik de Here ben, als Ik u in het land Israëls gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om het uw vaderen te geven. Daar zult gij zult dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmee gij u verontreinigd hebt, en gij van uzelf een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt. Zo zult gij weten, dat Ik de Hereben, als Ik met u gedaan zal hebben, om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen noch naar uw verdorven handelingen, o huis Israëls, spreekt de Here HERE.”

God doet deze dingen voor Zijn volk, niet omdat zij het verdienen, maar om Zijns Naams wil, omdat Zijn belofte niet kan falen. Zoals u ziet, begint het Koninkrijk van God niet in de hemel, maar op aarde. En het zoals u nu ziet, zal het Koninkrijk niet opgemaakt worden uit geesten, maar uit levende mensen, uit heiligen, zonder één zondaar in hun midden. {2TG1: 10.1}

Jawel, de Eden, die verloren was gegaan, zal hersteld worden. In feite verklaart het Woord duidelijk dat Elias eerst moet komen en alle dingen herstellen (Markus 9:12). Zoals Eden een echte thuis was in het begin, bewoond door echte mensen, zo zal het weer zijn.

{2TG1: 10.2}

De overgebleven verzen van Ezechiël twintig beginnen met een andere gelijkenis. Maar aangezien de tijd het niet toelaat om erop in te gaan, zullen wij onze studie ter afsluiting brengen. Laat het echter eerst opgemerkt worden, dat de overgebleven verzen van dit hoofdstuk, en ook hoofdstuk 21, met dit licht voor de hand, zelf-uitleggend zijn geworden, en u kunt ze in uw eigen tijd bestuderen. Vers 27 van hoofdstuk 21, zal ik nu echter nog behandelen. {2TG1: 10.3}

Ezech. 21:27—“Ik zal het omkeren, omkeren, omkeren; en het zal niet meer zijn, totdat Hij komt, Die daartoe recht 

10

 heeft, en Hem zal Ik het geven.”

In deze hoofdstukken worden beide het huis Israëls en het huis van Juda in zicht gebracht. In deze vers verklaart God duidelijk dat Hij drie omkeringen tot stand zou brengen, en dat het Koninkrijk daarna niet meer zou zijn, totdat “Hij komt, Die daartoe recht heeft”; dat is, na de drie omkeringen, zal Hij “Die daartoe recht heeft” komen, en het Koninkrijk zal hersteld worden. {2TG1: 11.1}

De eerste onkering vond plaats toen Assyrië het huis Israëls omkeerde, het tien-stammen koninkrijk; de tweede omkering vond plaats toen de koning van Babylon het huis van Juda omkeerde, het twee-stammen koninkrijk; en de derde onkering vond plaats toen Titus in het jaar 70 N.C. Jeruzalem verwoestte. Aldus wordt gezien dat wij nu leven in de periode na de derde omkering, de periode waarin “Hij Die daartoe recht heeft,” zal komen en Zijn Koninkrijk oprichten. {2TG1: 11.2}

Juist het feit dat Inspiratie deze profetieën nu heeft ontvouwd, en ze onder de aandacht van de kerk heeft gebracht, leidt ons ertoe om met zekerheid te weten dat de tijd voor het herstel van het Koninkrijk op handen is; dat wij nu in de verzegelingstijd zijn van de 144.000; en dat wij, als wij getrouw zijn, ons onder hen zullen bevinden, en op de berg Sion zullen staan met het Lam. {2TG1: 11.3}

Dit, broeder, zuster, is het Eigen antwoord van de Heer tot u. {2TG1: 11.4}

Uw taak is nu om het te aanvaarden, als u het eeuwig leven wenst te bezitten. Laat de vijand der Waarheid geen twijfel in uw verstand brengen, en laat niemand u deze Waarheid uit het hoofd praten, want de Duivel zal niet ijdel blijven staan. Hij zal alles doen om u omver te werpen. Controleer het steeds weer, en ziet dat de Bijbel deze Waarheid leert, zodat u

11

 zichzelf staande kunt houden. U kunt het zich niet veroorloven om verlies te lijden op zulk een late tijd van de dag. {2TG1: 11.5}

———-0———-

Deze Wekelijkse boekjes, die u niets kosten, zijn van prijsloze waarde voor u. Leest en bewaart u ze in uw boekenverzameling, want de tijd zal zeker komen dat u dankbaar zult zijn dat u uw exemplaar heeft bewaard. Als u enigen wenst te geven aan uw Adventistische vrienden en verwanten, kunt u extra kopieën bestellen of hun namen en adressen opsturen voor onze verzendlijst.

12

VOORLEZING

Waarom Jezus in Gelijkenissen Leerde

Ik zal lezen uit “Christ Object Lessons,” blz.22, de eerste alinea ( Lessen Uit het Leven vanAlledag, blz.12, eerste alinea) {2TG2: 13.1}

“En Hij had nog een reden om te leren door gelijkenissen. Onder de velen die Hem om Hem vergaderd waren, bevonden zich priesters en rabbi’s, schriftgeleerden en oudsten,Herodianen en oversten, wereldgezinde, dweepzieke, eerzuchtige mensen, die hun uiterste best deden een beschuldiging tegen Hem te vinden. Hun spionnen volgden dagelijks Zijn stappen om van Zijn lippen iets te horen waardoor zij Hem konden veroordelen om zodoende Hem, die heel de wereld achter Zich scheen te trekken, voor altijd tot zwijgen te brengen. De Heiland kende het karakter van deze mensen en bracht de waarheid op zulk een manier, dat zij niets konden vinden om Zijn optreden voor te leggen aan het Sanhedrin. Door gelijkenissen bestrafte Hij de schijnheiligheid en boze werken van hen, die vooraanstaande posities bekleedden. In beeldspraak kleedde Hij de waarheid, die van zo een doorsnijdende aard  was dat wanneer deze rechtsstreeks was gesproken, zij niet naar Zijn woorden zouden hebben geluisterd, maar al heel spoedig een eind aan Zijn werk zouden hebben gemaakt. Terwijl Hij echter de spionnen ontliep, maakte Hij de waarheid zo duidelijk dat dwaling aan het licht werd gebracht en de oprechten van hart, baat vonden bij Zijn lessen.” {2TG2: 13.2}

Laat ons knielen en bidden dat wij onszelf kunnen behoeden tegen het ondoordringbaar {of onontvankelijk}worden voor de Waarheid, zoals de Farizeeërs waren, dat wij oprecht van hart mogen zijn en baat vinden bij de Waarheid die tot ons komt. {2TG2: 13.3}

13

—-0—-

2 TIJDIGE GROETEN 2 

ĖĖN HERDER ZAL DATGENE VOLBRENGEN WAT EEN MENIGTE VAN HEN FAALDE TE VOLBRENGEN

LEZING DOOR V.T.HOUTEFF

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 16 AUGUSTUS, 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Laat ons gaan naar Ezechiël 34, het hoofdstuk dat wij vandaag zullen bestuderen. {2TG2: 14.1} 

Ezech.34;1,2—“En het woord des Heren kwam tot mij, zeggende: Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël; profeteer en zeg tot hen, tot de herders; Alzo zegt de Here God: Wee de herders van Israël, die zichzelf weiden! Zouden de herders niet de kudden moeten weiden?”

Zoals wij lezen, werd Ezechiël een visioen gegeven van zelfzuchtige, hebzuchtige, en onwaardige herders.  Wat nu ten eerste van belang is, is om vast te stellen of deze zelfzuchtige herders in Ezechiël’s dagen leefden, vóór zijn tijd, of na zijn tijd. Om deze informatie te verkrijgen, laat ons lezen— {2TG2: 14.2}

 Verzen 23,24—“En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik, de Here, zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst te midden van hen; Ik, de Here, heb het gesproken.”

 De zelfzuchtige herders, waartegen de profeet werd verteld te schrijven, zullen vervangen worden door één herder, David. Wanneer dit plaats vindt, dan zal Gods volk

14

maar één herder hebben. Dit kan natuurlijk niet Christus Zelf zijn, want Inspiratie noemt Hem nooit David, maar Het noemt Hem eerder de Zoon van David. Aangezien Gods volk altijd vele herders heeft gehad, en nog steeds heeft, komt de waarheid kristalhelder naar voren, dat de David van de verzen 23 en 24 nog moet komen, en dat de herders die Inspiratie aanspreekt in het bijzonder degenen zijn die David zal opvolgen. {2TG2: 14.3}

Ezechiël werd dan niet een visioen gegeven van de herders in zijn tijd, noch van die vóór zijn tijd, maar van de herders ná zijn tijd—de tijd waarin God deze antitypische David zal verwekken om Zijn hongerige en verwaarloosde kudde te weiden.  Gods volk zal dan niet langer vreemdelingen dienen,  “maar zij zullen de Here, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hen verwekken zal.” Jer.30:9. Hier zien wij dat niet alleen Ezechiël, maar ook Jeremia een visioen werd gegeven van deze waarheid. Ja, al de profeten. {2TG2: 15.1}

Ezech.37:24,25—“En Mijn knecht David zal koning over hen zijn; en zij zullen allen één herder hebben: en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; en zij zullen daarin wonen, zij, en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hun vorst zijn tot in eeuwigheid.”

Aangezien dit de toevoeging aan de “Derde Engel Boodschap” is (“Early Writings,” blz.277{“Eerste Geschriften”, blz. 331,332}), en aangezien het de boodschap van het uur is, dan volgt daaruit dat de dag van het Davidiaanse Koninkrijk nabij is. Laat ons gaan naar— {2TG2: 15.2}

Hos.3:4,5—Want de kinderen Israëls zullen vele

15

dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim: daarna zullen de kinderen Israëls terugkeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning; en zullen de Here vrezen, en Zijn goedheid, in de laatste dagen.”

De vele dagen zijn nu bijna ten einde en de tijd voor de vervulling van Gods beloften staat gewis aan de drempel van onze tijd. {2TG2: 16.1}

 Ezech. 34:3—“Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de kudde weidt gij niet.”

De herders in de tijd waarin het Koninkrijk opgericht zal worden, worden beschuldigd van het nemen van alles wat zij mogelijk kunnen nemen van de schapen, en het geen zorg dragen voor de schapen. Deze praktijk moet niet ons eigen worden. {2TG2: 16.2}

 Verzen 4,5—“De zwakke hebt gij niet gesterkt, en het kranke hebt gij niet genezen, en het gebrokene hebt gij niet verbonden, en het weggedrevene hebt gij niet teruggebracht, en het verlorene hebt gij niet gezocht; maar gij hebt met geweld en wreedheid over hen geheerst. En zij waren verstrooid, omdat er geen herder is; en zij werden tot voedsel voor al het gedierte des velds, toen zij verstrooid waren.”

De zorgeloze houding aan de kant van de herders veroorzaakt dat de leken rondzwerven van de ene isme tot de ander, op zoek zijnde naar geestelijk voedsel en lichamelijke zorg. Ja, zij zwerven als het ware van de ene hoogte naar de andere, velen van hen zijn figuurlijk voedsel geworden voor gedierten ( isme’s), omdat er geen herder is om voor de schapen te zorgen, maar er zijn scheerders om de wol van hun rug

16

af te scheren, en het vet van onder hun ribben af te nemen. Schandelijk, inderdaad! En wie waagt het te weigeren om te verkondigen wat God zegt? {2TG2: 16.3}

 Verzen 6-10—“Mijn schapen doolden op alle bergen en op alle hoge heuvel, ja, Mijn kudde was verstrooid op de ganse aardbodem; en er was niemand, die ernaar vroeg, of ernaar zocht. Daarom, gij herders, hoort het woord des Heren! Zowaar Ik leef, spreekt de Here God, omdat Mijn kudde een prooi geworden zijn, omdat Mijn kudde tot voedsel geworden zijn voor al het gedierte des velds doordat er geen herder was, noch hebben Mijn herders naar Mijn kudde gezocht; maar de herders weidden zichzelf , en de kudde hebben zij niet geweid; daarom, gij herders, hoort het woord des Heren. Zo zegt de Here God: Zie, Ik ben tegen de herders; en Ik zal Mijn kudde van hun hand eisen, en zal ze van het weiden van de kudde doen ophouden; ook zullen de herders niet langer zichzelf weiden; want Ik zal Mijn kudde uit hun mond redden, zodat die hun niet meer tot voedsel dienen.”

 Laten wij onszelf niet langer voor de gek houden. God laat niet met Zich spotten. Hij zal Zijn schapen niet voor altijd verlaten, noch zal Hij voor altijd onbetrouwbare herders behouden om Zijn schapen te hoeden. Hij zal hen spoedig ontslaan, en eisen dat zij rekenschap geven voor hun ontrouw. Zodoende is het dat wat een menigte van herders heeft gefaald te doen, één herder, namelijk David, in Gods handen, zal klaarspelen. {2TG2: 17.1}

 Vers13—“En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en ze brengen in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.”

In de dagen van deze antitypische David vergadert God Zijn

17

kudde uit alle landen waartoe zij verstrooid zijn, en brengt ze naar hun eigen land. God zal hen niet langer laten in de bergen en de heuvels van de Heidenen. “Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël samenvergaderd worden, en één hoofd over zich stellen, en zij zullen uit het land optrekken; want groot zal de dag van Jizreël zijn. Daarna zullen de kinderen Israëls terugkeren, en de Here, hun God, zoeken, en David, hun koning; en zullen de Here vrezen, en Zijn goedheid, in de laatste dagen.” Hos.1:11; 3:5. {2TG2: 17.2}

 Verzen 11-16—“Want zo zegt de Here God: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken. Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden van zijn verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarheen zij verstrooid zijn, ten dage der wolk en der donkerheid. En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en ze brengen in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands. Op een goede plaats zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij neerliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls. Ik zal Mijn kudde weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Here HERE. Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik terugbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.”

“(…) God heeft beloofd dat daar waar de herders niet trouw zijn, Hij Zelf zich over de kudde  zal ontfermen. God heeft de kudde nooit volledig afhankelijk gemaakt van menselijke instrumenten. Maar de dagen van de reiniging van de kerk komen snel naderbij. God zal

18

een volk hebben dat zuiver en waarachtig is. In de machtige zifting die spoedig zal plaatsvinden zulen wij beter in staat zijn de sterkte van Israël te meten. De voortekenen openbaren dat de tijd nabij is wanneer de Heer zal tonen dat Zijn wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen.”—“Testimonies,” Vol./“Getuigenisen,”Deel 5, blz.80. {2TG2: 18.1}

 Vers 17—“Wat u aangaat, o Mijn kudde, alzo zegt de Here God: Ziet, Ik zal richten tussen vee en vee, tussen de rammen en de bokken.”

Inspiratie keert zich nu van de herders en spreekt tot de schapen, tot de leken, en waarschuwt dat er twee soorten vee zijn (twee klassen leken), rammen en bokken. Dit is daarom een waarschuwing tot hen, en wij moeten niet verzuimen het te verkondigen, en zij moeten niet verzuimen het te horen en te handelen. Juist om deze reden zijn  de Tijdige Groeten gepubliseerd en als de herfstbladeren verspreid. {2TG2: 19.1}

 Vers 18—“Schijnt het u een klein ding te zijn, dat gij de goede weide hebt opgegeten, maar het overige van uw weiden met uw voeten moet vertreden? En dat gij van de bezonken wateren hebt gedonken, maar het overgelatene met uw voeten moet vertroebelen?”

Een deel van het vee wordt ervan beschuldigd  selectief te zijn, van het eten en drinken van alleen datgene wat hun bevalt, en van het vertreden van het overige.  Zij accepteren welke Waarheid dan ook dat voor hen aanvaardbaar is, maar verwerpen de rest. Hier zullen wij een voorbeeld citeren: {2TG2: 19.2}

“Mijn arbeid is het meest ontmoedigend geweest, aangezien ik heb gezien dat hetgeen God heeft bedoeld, niet is volbracht. (…) Deze broeders stonden op dit standpunt: Wij geloven in de visioenen, maar Zuster White plaatste, bij het opschrijven van ze, haar eigen woorden, en wij zullen dat deel geloven waarvan wij denken dat

19

het van God is, en zullen geen aandacht schenken aan het andere {deel}.”—“Getuigenissen,” Deel/ “Testimonies”, Vol.1, blz.234. {2TG2: 19.3}

De berisping: O, gij “tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben,” die op de twee discipelen rustte,  is een uitdaging voor een ieder van ons.  Niemand van ons is zo groot als de Heer, en toch geloofde Hij alles wat de profeten schreven. Een volledig geloof  in de profeten is wat Gods volk groot maakt. Hier wordt gezien, dat “een ieder, die zichzelf vernedert, zal verhoogd worden,” en “een ieder, die  zichzelf verhoogt, zal vernederd worden.” Lukas 14:11. {2TG2: 20.1}

Wel, wat mij aangaat, betwijfel ik niets wat God door Zijn profeten heeft gesproken. Ik weet dat Hij niet liegt;dat Hij wel in staat is om de geschriften van zijn profeten te dirigeren {leiden}; dat Hij geen ijdele beloften maakt; dat Hij bij machte is alles te volbrengen wat Hij zegt; dat Zijn profetieën nooit falen. Ik neem de beloften van berisping net zo bereidwillig aan als de beloften van aanbeveling. Ik bestudeer mijn taken zoals zij door Hem zijn beschreven met net zo een groot plezier als ik de beloften van heerlijkheid bestudeer. {2TG2: 20.2}

 Vers 19–“En wat Mijn kudde aangaat, zij eten hetgeen gij met uw voeten hebt vertreden; en zij drinken hetgeen gij met uw voeten hebt vertroebeld.”

Gods ware volk, de ware groten, aanvaarden hetgeen de zogenaamde wijzen met hun voeten vertreden. {2TG2: 20.3}

 Verzen 20,21—“Daarom zegt de Here God alzo tot hen: Ziet, Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette vee, en tussen het magere vee. Omdat gij al de zwakken met de zijde en met de schouder hebt verdrongen, en al het kranke met uw hoornen hebt gestoten, totdat gij ze naar buiten toe verstrooid hebt.”

Er is een klasse kerkleden die met

20

de zijde en met de schouder degenen verdringen die hen niet aanstaan, meestal degen die niet van dezelfde hoogmoedige aard als zijzelf zijn. Dezen zullen hun bestraffing krijgen. En degenen die aldus mishandeld worden, moeten zich nooit gekrenkt voelen, nooit mismoedigd worden, want van hun is het Koninkrijk, zolang zij anderen niet  “verdringen”en “stoten”. De twijfelaars en “verstrooiers” zullen hun beloning krijgen. {2TG2: 20.4}

Verzen 22-25—“Daarom zal Ik Mijn kudde verlossen, en zij zullen niet meer een prooi zijn; en Ik zal richten tussen vee en vee. En Ik zal één herder over hen aanstellen, en hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; hij zal hen weiden, en hij zal hun herder zijn. En Ik, de Here, zal hun God zijn, en Mijn knecht David een vorst te midden van hen; Ik, de Here, heb het gesproken. En Ik zal en verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen veilig wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.”

De huidige stand van zaken onder zowel de leiders als de leken zal spoedig op moeten houden. Niet langer zullen de overtreders zich vermengen met de getrouwen. Niet langer zullen de huichelaars en de oprechten samen wandelen. Niet langer zal Gods volk gedwongen zijn om naar allerlei wind van leer te luisteren. Niet langer zullen zij verwaarloosd worden, of achtergelaten worden om te lijden en te vrezen. {2TG2: 21.1}

Aangezien wij nu met Inspiratie geconfronteerd zijn, en het verschil tussen het goede en het verkeerde worden verteld, worden wij zonder een mantel, om ons daaronder te verschuilen, achtergelaten. Nu kunnen wij verstandelijk kiezen om hetzij God of  het eigen-ik en de mens te dienen, hetzij op God te vertrouwen, Zijn Woord voor onzelf te bestuderen, of op mensen te vertrouwen, om anderen Het voor ons te laten bestuderen en ons te vertellen wat Waarheid is en wat dwaling is. Wij kunnen nu beslissen om vooroordeel ons te laten beheersen,

21

of onze harten open te stellen zodat Waarheid daarin verblijf kan vinden. Wij kunnen nu als donkere voorwerpen in de hoek zijn, of als heldere lichten aan de top van de bergen. “En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die er velen tot gerechtigheid brengen als de sterren, voor eeuwig en altoos.” Dan.12:3. {2TG2: 21.2}
Vers 26—“En Ik zal ze, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, tot een zegen stellen; en Ik zal de regen doen nederdalen op zijn tijd; regens van zegen zullen er zijn.”

Wij zingen vaak het lied: “Er Komen Stromen Van Zegen,” maar nu ligt het aan ons—wij kunnen ze verkrijgen of we kunnen voor ze vluchten. Degenen die alles aannemen wat God geeft, alles wat de profeten hebben geschreven, op hen zullen de regens vallen. “Alleen zij die de verzoeking hebben weerstaan in de kracht van de Machtige, zullen worden toegelaten om deel te nemen aan het verkondigen ervan [Derde Engel Boodschap], wanneer het zal zijn gezwollen tot een Luide Roep.”—“The Review and Herald,” 19 nov., 1908. {2TG2: 22.1}

Verse 27—“En het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomst geven, en zij zullen veilig zijn in hun land, en zullen weten dat  Ik de Here ben, wanneer Ik de banden van hun juk heb verbroken, en hen heb verlost uit de hand van hen, die zichzelf dienden door hen.”

Er zullen stromen {regens} van zegen zijn, en er zal ook een grote oogst zijn. Dat zal zo zijn, wanneer de banden van onze juk zijn verbroken, wanneer wij zijn verlost uit de handen van degenen die zichzelf dienen in plaats van de kudde. {2TG2: 22.2}

Verzen 28,29—“En zij zullen niet meer een prooi zijn

22

voor de heidenen, en het gedierte der aarde zal hen niet meer verslinden; maar zij zullen veilig wonen, en niemand zal hen bevreesd maken. En Ik zal voor hen een plant van naam verwekken, en zij zullen niet meer door honger verteerd zijn in het land, en de schande der heidenen niet meer dragen.”

God zal niet alleen Zijn volk verlossen uit de handen van ontrouwe en wrede broeders, maar Hij zal hen ook beschermen tegen het ten prooi zijn voor de heidenen, en voor isme’s. {2TG2: 23.1}

“Verzen 30, 31—“Alzo zullen zij weten, dat Ik de Here, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, Mijn volk zijn, zegt de Here God. En gij, Mijn kudde, de kudde van Mijn weide, zijt mensen, en Ik ben uw God, zegt de Here God.”

God laat Zijn kudde niet in de steek. Op terdere wijze noemt Hij ze “Mijn kudde,” en verzekert hen wederom dat Hij hun God is. Hij zal zonder te falen één herder stellen om te volbrengen wat een menigte van herders heeft gefaald te doen. Nu heeft u de gelegenheid om u te goed te doen aan “voedsel op zijn tijd,” in de hand van Gods gekozen herder, of om te verhongeren aan de schillen in de hand van een menigte van herders. {2TG2: 23.2}

23

———0———