De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 41, 42

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrust

Vol.2Nr.41

                                                                                                                

Plaatje

Huidige Gebeurtenissen, De Situatie in Palestina,

En Hoe Dichtbij De Scheiding?

GEBEDSVOORLEZING

Ik zal lezen uit Lessen uit het leven van alledag, beginnend op bladzijde 75, de vierde alinea: {2TG41: 2.1}

“Deze ervaring verschaft iedereen die de waarheid onderwijst de eigenschappen, die hem tot een vertegenwoordiger van Christus maken. De geest van Christus’ onderricht zal kracht en directheid geven aan zijn gesprekken en gebeden. Zijn getuigenis over Christus zal geen bekrompen, levenloos getuigenis zijn. De predikant zal niet telkens weer dezelfde preken houden. Zijn geest zal openstaan voor de gedurige verlichting door de Heilige Geest… {2TG41: 2.2}

“Als wij het vlees van Christus eten en zijn bloed drinken, zal het element van eeuwig leven in ons werk gevonden worden. Er zullen geen oude, dikwijls herhaalde gedachten naar voren komen. Het dorre, saaie preken zal ophouden. De oude waarheden zullen gebracht worden, maar men zal ze in een nieuw licht zien. Er zal een nieuw besef zijn van de waarheid, met een duidelijkheid en kracht die iedereen zal ontdekken. Zij die het voorrecht genieten dat zij zulk een dienst meemaken, zullen, als zij zich openstellen voor de invloed van de Heilige Geest, de bezielende kracht van een nieuw leven voelen. Het vuur van Gods liefde zal in hen ontstoken worden. Hun vermogen om te onderscheiden zal verlevendigd worden, zodat zij de schoonheid en majesteit van de waarheid ontdekken.” {2TG41: 2.3}

Hier worden we verteld dat oude waarheden in een nieuw leven gebracht zullen worden; ook dat Bijbelsymbolen geopenbaard zullen worden. Dit is precies datgene wat we met onze eigen ogen hebben gezien. We moeten bidden dat Gods volk in staat is te erkennen dat de oude waarheden nu in een nieuw licht wordt geplaatst en dat een nieuw leven eraan gegeven wordt. {2TG41: 2.4}

2

HUIDIGE GEBEURTENISSEN, De SITUATIE IN PAlESTINA,

En Hoe DicHTBIJDE SCHEIDING?

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 6 November 1948

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Mij werd gevraagd om een studie te geven over de huidige gebeurtenissen, over de situatie in Palestina, en over de scheiding veroorzaakt door de slachting die voorspelt is in het visioen van Ezechiel. {2TG41: 3.1}

Ik wenste dat ik u alles kon vertellen, wat u wil weten, maar ik kan niet vertellen hoe snel de scheiding, de reiniging van de kerk (Testimonies, Vol. 5, pg. 80), zal plaats vinden. God alleen kent de tijd. Alles wat ik weet is dat het niet plaats kan vinden voordat we de weg voorbereid hebben, voordat ons door God gegeven werk in verband met Ezechiel 9 gedaan is. Dan zal het geschieden dat de Heer plotseling tot Zijn tempel (de kerk) zal komen, en de zonen van Levi, de bediening reinigen (Mal. 3: 1-3). Maar zij die het teken niet ontvangen, zullen onder de slachtwapens van de engelen vallen zoals de ontrouwe, “eerst geborene. “in de nacht van het Pascha in het land Egypte. {2TG41: 3.2}

Ik ben echter ervan overtuigd dat God ons niet onwetend zal houden over de dingen die we horen te weten. Als het noodzakelijk voor ons wordt om vóór de tijd de dag en het uur van de reiniging van de kerk te weten, het antitypische Pascha, zal het ons verteld worden. Ja we zullen tenminste genoeg voor de tijd weten als Mozes wist over het Pascha in zijn dagen. Hij wist niet maanden voor de dag en het uur dat de gebeurtenissen zouden plaatsvinden, maar hij werd geïnstrueerd over zijn en over de taken van het volk wat te verwachten van dag tot dag. Nog minder wist hij vooraf dat ze tegen de Rode Zee zouden opkomen, maar toen de wolk ze daarnaar toe leidde, en de Egyptenaren hun heel dichtbij achtervolgden, werd hem toen verteld wat te

3

 doen. Bovendien, wist hij tegen de tijd dat ze de Zee overstaken niet dan ze veertig jaren in de woestijn zouden doorbrengen, noch dat de volwassenen onder hen op hun reis naar het Beloofde Land zouden omkomen. {2TG41: 3.3}

Aldus moet het vandaag zijn, omdat “de verborgene dingen voor den Heere onze God zijn; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.” Deut. 29: 29. God weet hoe te leiden en hoe te redden. Ik kan u daarom geen licht geven buiten wat Inspiratie bekend maakt. Ik kan alleen spreken van de dingen die geopenbaard zijn. {2TG41: 4.1}

De meest opwindende huidige gebeurtenis, waar we van afweten is de presidentsverkiezing die slechts twee dagen in de toekomst staat. Zoals de staat het ziet, is dit nu het grootste ding in de wereld, hoewel velen niet zullen krijgen wat ze willen, want elk van de verschillende partijen, heeft haar eigen genomineerde op het presidentiële stembiljet genoemd, maar slechts één president zal gekozen worden. {2TG41: 4.2}

Allen schijnen te denken dat vrede en voorspoed afhankelijk zijn van de man die zij in het Witte Huis plaatsen. Op de autoriteit van het Woord, echter, sta ik om u te vertellen dat ongeacht wie daar in het ambt is geplaatst, er zal geen vrede en gewenste blijvende voorspoed zijn, want God wordt buiten hun plannen gelaten, die beraamd zijn, hoewel Hij alleen kan geven waar we naar op zoek zijn. En hoe kunnen we nu weten dat God niet als partner is genomen. De aanwijzing die het antwoord geeft is deze: {2TG41: 4.3}

Als de kerkleden zelf, God buiten beschouwing laten en naar de mens gaan voor advies in plaats van naar God, hoe kan men dan van de wereld verwachten dat ze tot Hem gaan? Ik heb in mijn bezit, honderden brieven van onze eigen kerkgenootschap, die deze zaak bewijzen! Ze geven mij deze informatie door te zeggen: {2TG41: 4.4}

4

“Ik lees nooit uw literatuur, en zal dat ook nooit doen; onze predikanten hebben uw onderwijzingen onderzocht en zij vinden dat ze vals zijn. We hebben alle Waarheid; we hebben niets meer nodig. Haal mijn naam van uw verzendlijst.” {2TG41: 5.1}

Praktische al deze broeders die verstrikt zijn geraakt in de Laodiceaanse “nergens behoefte aan hebben, idee, trachten de boodschap van de Tegenwoordige Waarheid te verwerpen door te citeren uit de geschriften van

Zuster White, ongeacht het feit dat hun citaten niets toevoegen aan het onderwerp en verkeerd begrepen zijn in hun eigen gedachten. Allen citeren ze passages die de leidinggevende broeders en zusters op slinkse wijze aan hen hebben doorgegeven in hun folders tegen ons, en allen zingen hetzelfde Laodiceaanse lied, die de leidinggevende broeders en zusters in hun monden hebben gezet. {2TG41: 5.2}

Deze dingen bewijzen dat in plaats van hun eigen God gegeven verstand te gebruiken, de menigte geleid wordt door de gedachten van een paar vijandige broeders en zusters. Passages echter, zoals wat ik aan u zal voorlezen, worden van hun weg gehouden. {2TG41: 5.3}

Laat mij nu deze eenvoudige en belangrijke geïnspireerde zinnen uit de Schrift voor u lezen die geen commentaar nodig hebben: {2TG41: 5.4}

“Introduceer niets wat verdeeldheid zal veroorzaken, zonder duidelijk bewijs dat daarin God een speciale boodschap voor deze tijd geeft.” {2TG41: 5.5}

“Maar hoed u voor het verwerpen van datgene wat waarheid is. Het grote gevaar bij onze mensen is dat geweest van zich afhankelijk stellen van mensen en hun arm tot vlees stellen. Zij die niet de gewoonte hebben van de Bijbel zelf te onderzoeken, of bewijzen af te wegen, hebben vertrouwen in de leidinggevende mannen, en aanvaarden de beslissingen die zij maken; en zodoende zullen velen juist die boodschap die God voor Zijn volk stuurt, verwerpen, als deze leidinggevende broeders en zusters het niet accepteren. {2TG41: 5.6}

5

“Niemand moet beweren dat hij al het licht heeft dat er is voor Gods volk. De Heer zal dat niet toelaten.”—Testimonies to Ministers, pp. 106, 107. {2TG41: 6.1}

We moeten de waarheid voor onszelf bestuderen. We moeten op niemand vertrouwen om voor ons te denken. Ongeacht wie hij is, of in welke positie hij geplaatst mag zijn, we moeten niet op welke mens dan ook zien als een maatstaf voor ons. We moeten elkaar adviseren, en ons aan elkaar onderwerpen, maar tegelijkertijd moeten we het vermogen beoefenen die God ons gegeven heeft, zodat we kunnen leren wat waarheid is. Een ieder van ons moet op God zien voor heilige verlichting. We moeten individueel een karakter ontwikkelen dat het onderzoek in de dag van God zal doorstaan.

We moeten niet vasthouden aan onze ideeën, en denken dat niemand met onze meningen mogen bemoeien.”- Testimonies To Ministers, pp. 109, 110. {2TG41: 6.2}

“God wil dat we van Hem afhankelijk zijn, en niet van mensen. Hij wenst van ons dat we een nieuw hart hebben; Hij zou ons openbaringen van licht vanaf de troon van God willen geven.” – Testimonies To Ministers, pg. 111. {2TG41: 6.3}

“…Wat ook de positie in bevoegdheid ook mag zijn, niemand heeft het recht om het licht van de mensen af te sluiten. Wanneer een boodschap in de naam van de Heer tot Zijn volk komt, mag niemand zichzelf verontschuldigen van een onderzoek naar haar beweringen.”—

Counsels On Sabbath School Work, pg. 28. {2TG41: 6.4}

Bewijst de ontaarde neiging van de kerkgenootschap, in het vinden van door de Hemel-geopenbaarde Waarheid niet aan u dat God buiten beschouwing is gelaten, dat in Zijn plaats zij die verondersteld worden Zijn dienstknechten te zijn geplaats zijn geworden? Wat kan het anders zijn als de mens geraadpleegd wordt wanneer dat de Geest van God zou moeten zijn? Worden we niet door de Schriften verteld dat de Geest Zelf ons individueel in alle Waarheid zal leiden? Dat wij niet vlees tot onze arm moeten stellen door iemand anders voor ons te laten beslissen wat Waarheid is en wat dwaling?

Verloochenen we de Geest niet en onze verbinding met de Hemel wanneer we een vervanging nemen? En nog erger is het om voor een advies te gaan naar iemand die reeds tegen datgene

6

 is waarvan u verwacht dat hij ermee instemt of afkeurt. Als God het vee individueel kan leren om water in de lagere gebieden te zoeken, niet aan de top van de bergen en heuvelen, en te zoeken

naar een warme plaats, waar de wind niet toeslaat, waarom kan Hij ons dan niet persoonlijk tonen wat Waarheid en wat dwaling is? {2TG41: 6.5}

Waren de grondleggers van de kerk geleid in de Waarheid door de adviezen van de priesters and schrift geleerden of door de Geest van God in hun harten? Worden we niet individueel verteld: “Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld. Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God.” 1 Joh. 4: 1, 2. “ Blust den Geest niet uit. Veracht de profetieën niet. Beproeft alle dingen; behoudt het goede.” 1 Thess. 5: 19-21. {2TG41: 7.1}

Bovendien, keek Amos neer door de ogen van Inspiratie, neer door de eeuwen tot diep in de Christelijke eeuw, en verkondigde: {2TG41: 7.2}

Amos 1: 2—“De Heere zal brullen uit Zion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen der herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.”

Dit schrift gedeelte ziet u, verspiegelt de tragedie die plaats vond op de hoogte van Karmel, in de dagen van Eliah. Hier wordt ons de hint gegeven dat er nog een krachtmeting zal zijn tussen de profeten van God en de profeten van Baal. De profeten van Baal in onze dagen scheppen zelf op dat ze niet geïnspireerd zijn, dat wat ze onderwijzen en prediken datgene is wat ze zelf hebben ontdekt door diepe studies en onderzoek! Ze zijn zelf hatelijk tegen degenen die beweren door de Heer geïnspireerd te zijn! Ze schijnen te denken dat God de aarde in de steek gelaten heeft; dat Hij niet bezorgd is om Zijn Geest te zenden zoals in vorige tijden; dat de mensen nu zo wijs zijn, dat wat de Geest voor hen kan doen, ze zelf nog beter kunnen

7

 doen! De waarheid is echter, dat als er ooit een behoefte was voor geïnspireerde uitleggers van de Schriften, het vandaag is terwijl velen leerstellige winden van uit allerlei richtingen waaien, overal verwarring en tweedracht, en rampspoed brengend. Niemand is het met elkaar eens! {2TG41: 7.3}

Van deze trieste toestand waarschuwt de Geest der Profetie: {2TG41: 8.1}

“Zij die vooroordeel toestaan om het verstand te verhinderen tegen het ontvangst van waarheid kunnen niet de heilige verlichting ontvangen. Toch, wanneer een visie van de Schriften gepresenteerd wordt, vragen velen niet : is het waar, — in harmonie met Gods Woord? Maar Door wie wordt het verdedigd? En tenzij het door precies het kanaal komt die hun bevalt, accepteren ze het niet. Zo door en door zijn ze tevreden met hun eigen ideeën, dat ze niet de Schriftelijke bewijzen onderzoeken, met een verlangen om te leren, maar weigeren geïnteresseerd te zijn, enkel en alleen om hun vooroordelen. {2TG41: 8.2}

“De Heer werkt vaak waar we Hem het minst verwachten; Hij verrast ons door Zijn kracht te openbaren door instrumenten van Zijn eigen keus, terwijl Hij de mensen voorbij gaat waar we naar kijken als degene waar licht door zal komen. God wenst van ons dat wij de waarheid volgens haar eigen verdienste ontvangen, –omdat het waarheid is.”—Testimonies to Ministers, pp. 105, 106. {2TG41: 8.3}

De wereld heeft nooit een religieuzere groep gezien, noch biddende en vroom volk dan de priesters en schrift geleerden en Farizeeën in Christus’ zijn dagen. Toch waren het juist diegene die protesteerden tegen de onderwijzingen van Christus, die vooroordeel verspreiden en verwarring onder het volk en die hun in duisternis hield! Ja, ze misleiden een hele natie. Ten slotte, als de Joodse Sanhedrin niet te vertrouwen was bij Christus Zijn eerste advent, hoe weten we dan dat de Christelijke Sanhedrins bij de Christus Zijn tweede komst, onweerlegbaar correct zal zijn? Het waren de Sanhedrins van de Middeleeuwen tot aan deze dag die gevochten hebben tegen iedere Heilige geleidde

8

Hervorming. En laat me voor u lezen datgene wat plaatsvond in de pioniersdagen van het kerkgenootschap: {2TG41: 8.4}

“Maar de kerken hebben over het algemeen de waarschuwing verworpen. Hun predikanten zouden als wachters, “over het huis Israels,” de eersten moeten zijn geweest om de tekenen van Christus’ wederkomst te onderscheiden, maar ze hadden de waarheid noch door het getuigenis van de profeten, noch door de tekenen des tijds leren kennen. Naarmate wereldse verwachtingen en ambities hun harten hadden vervuld, waren de liefde voor God en het geloof in Zijn Woord verkoeld. Toen de Adventboodschap werd verkondigd, wekte dat slechts hun vooroordeel en ongeloof op. Het feit dat de boodschap grotendeels door leken werd verkondigd, werd als een argument ertegen beschouwd. Zoals vroeger werd ondanks het duidelijke getuigenis van Gods Woord de vraag gesteld: “Heet soms één van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën?” Toen zij inzagen hoe moeilijk het was om de argumenten die op de profetische tijdrekening waren gebaseerd te weerleggen, werkten velen het onderzoek van de profetieën tegen en beweerden ze dat de profetische boeken verzegeld waren en niet konden worden begrepen. Zeer veel mensen stelden een blind vertrouwen in hun predikanten en weigerden naar de waarschuwing te luisteren. Anderen waren wel van de waarheid overtuigd, maar durfden er niet openlijk voor uit te komen uit vrees dat ze “ uit de synagoge zouden worden gebannen”. De boodschap die God had gezonden om zijn gemeente te louteren en te reinigen, bewees heel duidelijk dat er velen waren die hun hart aan deze wereld hadden verpand in plaats van het aan Christus te geven. De banden waarmee ze aan de aarde waren gebonden, waren sterker dan de aantrekkingskracht van boven. Zij gaver er de voorkeur aan te luisteren naar de stem van de wereldse wijsheid en keerden zich af van de boodschap der waarheid, die het hart doorzoekt.”—De Grote Strijd blz. 355. {2TG41: 9.1}

Als zulks de ervaring is geweest in het verleden, en als we allen onze eigen beslissing voor of tegen de Adventwaarheid moesten nemen in tegenstelling tot de beslissingen van de priesters en predikanten in onze vorige kerken, en als dit de enige manier was om Waarheid toen te vinden, waarom zou het nu niet zo zijn? Zijn we nu minder in staat dan we waren voordat we

9

Adventisten werden? Schieten onze gebeden nu tekort om resultaten te brengen? Heeft de Geest ons verlaten? Of hebben we ons van Hem afgekeerd? Er is slechts een eerlijk antwoord dat gegeven kan worden: {2TG41: 9.2}

De kerk is afgegleden met de wereld en ook, zij, verwacht dat de grote mannen van de wereld, niet de Geest van God, haar zullen vertellen wat Waarheid is en wat dwaling, wie in het ambt te plaatsen en wie niet. “ Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den Here.” Klaagl. 3: 40. {2TG41: 10.1}

De idee dat wij, als Zevende dags- Adventisten, al de Waarheid hebben die wij nodig hebben, dat we “ rijk en verrijkt zijn,” aan niets gebrek hebben, is de idee waarmee de Sanhedrin in de dagen van Christus, de gedachten van het volk indoctrineerde, en tot op deze dag is de Joodse natie niet hersteld geworden van deze invloeden. Staan onze Zevende dags- Adventisten broeders daarom niet in de zelfde ontaarde positie van licht verwerpen dat God gezonden heeft, als het niet overeenkomt met hun ideeën? En zelf als Christus Zelf het naar beneden zou brengen, en het niet overeenkomt met hun ideeën, zouden ze niet net als de Joden van ouds gevaarlijk verzocht worden Hem te kruisigen als ze dat konden? Oh de grote noodzaal tot herleving en hervorming! En als dit de toestand van het volk in onze kerk is, wat kan dan elders verwacht worden? Keert weder tot Mij, want waarom zult u verloren gaan? Is de roep uit de Hemel. {2TG41: 10.2}

Dit zijn enkele van de huidige gebeurtenissen die aantonen dat de mensheid verder en verder van God afdrijft en dichter en dichter bij tot het individuele ik nadert. Als we God in partnerschap nemen, zullen we vrede, zekerheid en voorspoed hebben. Maar zoals het nu is, richten wij als een natie en als een volk ons op problemen en onzekerheid thuis, en op oorlog buiten, terwijl de kerk verder slaapt. {2TG41: 10.3}

Nu over wat ik zelf denk over de situatie in Palestina: Ik denk dat Joden een plaats nodig hebben om naar toe te

10

gaan, maar ik denk niet dat God hen leidt. Als God de Joden uit Zijn land verdreef vanwege hun kwaadheid, omdat Hij ze niet langer kon tolereren, dan is het zeker dat Hij ze niet weer daar naartoe leidt, niet terwijl ze nog dezelfde gedachten hebben en nog even vijandig tegen Zijn enige Zoon zijn als ze tweeduizend jaar geleden waren. De Joden, nemen daarom het land op hun eigen verantwoordelijkheid, en wanneer de “tijden,”  van de heidenen (Lukas 21: 24) eindigen, zal de nieuwe Staat van Israel, zoals ze zichzelf noemen, het land nog sneller ontruimen, dan ze het nu kunnen innemen, tenzij ze God met hun in het land meenemen. {2TG41: 10.4}

God zal desondanks een volk daar hebben, maar zij zullen het soort zijn waar Hij over verteld in de Schriften, waar ik nu een deel van zal lezen: {2TG41: 11.1}

Jer. 30 : 18-22—“Zo zegt de Heere: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen, en de stad zal herbouwd worden op haar hoop; en het paleis zal liggen naar zijn wijze. En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem der spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden. En zijn zonen zullen zijn als eerstijds, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers. En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? Spreekt de Heere. En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.”

Jer. 31: 6-10, 34—“Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den Heere, onzen God! Want zo zegt de Heere: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen,

11

lofzingt, en zegt: O HEERE! Behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel. Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en brenden tezamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. Zij zulle komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene. Hoort des Heeren woord, gij heidenen! En verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde….

En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den HEERE! Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.”

Hos. 3: 4, 5—“Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim. Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den Heere, hun God en David, hun koning, en zij zullen vrezende komen tot den Heere en tot Zijn goedheid in het laatste der dagen.”

God zal inderdaad een volk in het land hebben, maar zij zullen de Heer kennen. Zij die daarom nu proberen zichzelf te vestigen in Palestina zijn niet dat volk. Om te weten te komen wie het volk is dat het land zal erven, lees traktaat nr. 8. De berg Sion bij het elfde uur. {2TG41: 12.1}

Maar, zegt u, is er geen profetie betreffende datgene wat de Joden vandaag in Palestina doen? Natuurlijk moet er een profetie zijn. Laat mij het aan u voorlezen: {2TG41: 12.2}

12

Zef. 2: 1-3—“Doorzoekt u zelf nauw, ja, doorzoekt nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt! Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij, terwijl de hittigheid van der Heeren toorn over ulieden nog niet komt, terwijl de dag van den toorn des Heren over uleiden nog niet komt. Zoek den Heere, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des Heeren.”

Deze Schriftverzen zullen zoals u opmerkt, hun vervulling vinden vlak voordat de “ dag als kaf voorbij gaat,” voordat de verschrikkelijke toorn van de HEER losbreekt over de natiën die niet begeert zijn. En terwijl dit niet begeerde volk zichzelf bijeen vergaart, dan is het dat al de zachtmoedigen van de aarde, zij die de boodschap van de Heer gedragen hebben,” voor de grote en geduchte dag des Heeren,” (de kerk), aangeraden worden om zachtmoedigheid te zoeken. Er worden daarom twee volken in deze verzen onder de aandacht gebracht—de natie die niet begeert is en de zachtmoedigen der aarde. {2TG41: 13.1}

Met het oog op het feit nu dat er slecht een zo´n niet begeerde natie is, de Joodse en geen ander, dat gehaat is door alle natiën, kan dit schrift gedeelte niet van toepassing zijn op een ander volk. Ook het feit dat nu, terwijl wij de boodschap van de grote en geduchte dag van de Heer aan het uitgeven zijn, de dag voor de dag van de Heer Zijn toorn, is de wereld van de niet begeerde Joden zich aan het verzamelen in Palestina—Ik zeg met het oog op al deze dingen die nu gelijktijdig plaats vind, staat de waarheid van de Schriften moedig overeind, aantonend dat de toorn van de Heer op de Joden zal vallen, tenzij zij hervormen, en zullen niet zij, maar “ de zachtmoedigen van de aarde,” het land erven. En dus volgens de Schriften, zullen Joden en Arabieren gelijk uit het Beloofde land gaan, en de zachtmoedigen van de aarde zullen naar binnen marcheren. {2TG41: 13.2}

Hoe zullen ze daar komen, en wie zal de weg openen? – Het antwoord op deze vragen zullen we vinden in— {2TG41: 13.3}

13

Zach. 14: 4, 5—“En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des Bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden. Dan zult gijlieden vlieden

door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden gelijk als gij vlood voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda, dan zal de Heere, Mijn God, komen, en al de heiligen met U, o Heere!”

De Heer Zelf, ziet u, zal de weg openen voor de terugkeer van Zijn volk. {2TG41: 14.1}

Jes. 11: 11, 12, 16—“Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de vertrooiden uit Juda vergaderen, van de vier eilanden des aardrijks…. En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel van Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.”

Jes. 27: 12, 13—“En het zal te dien dage geschieden, dat de Heere dorsen zal, van den stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte, doch gijlieden zult opgelezen worden, een bij een, o gij kinderen Israels! En het zal te dien dage geschieden, dat er met een grote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen, die in het land van Assur verloren zijn, en de heengedrevenen in het land van Egypte; en zij zullen den Heere aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem.”

14

De Heere opent de weg, en de Heer vergadert Zijn volk. {2TG41: 14.2}

Nu betreffende de oorlog zoals het vandaag staat. Traktaat nr. 14 Oorlogsnieuws Voorspellingen, welke vele jaren geleden uitkwam, verteld de waarheid betreffende de Tweede Wereld oorlog en haar resultaat. Het traktaat haalt haar licht uit de profetie van Nahum. De profeet verklaart, dat de oorlog daar voorspelt, gevochten wordt in de dagen van de automobiel, in de dagen dat mensen” ginds en weder rennen,”terwijl de “wagens… Razen door de wijken, door elkander lopen op de brede wegen… terwijl ze [rennen] als de bliksem,”—in onze tijd. Deze oorlog, bewijst de bijlage van het traktaat: Tijd en Gelegenheid ontknopen verborgenheden, is de Tweede Wereld oorlog. De profeet zag een die verstrooide (Hitler) zijn vijanden uitdagen om zich voor te bereiden tegen hem. Dan zag de profeet de notabelen van hem die verstrooide (de notabelen van Hitler), struikelen op hun weg (per ongeluk vallen in hun loop naar de overwinning). En zo geschiedde het dat nadat Hitler zijn vuur opende tegen de natien rondom hem, en alles in stukken brak, de bondgenoten gingen om een oorlog voor te bereiden. {2TG41: 15.1}

Hitler veroorzaakte dat zijn notabelen struikelden door oorlog te voeren tegen Rusland, terwijl hij in oorlog was met Groot Brittanie, en door achter Griekenland en Egypte te gaan in plaats van de Engelse kanaal over te steken toen Engeland, buiten zijn weten om, bijna op zou geven. Alzo struikelden zijn notabelen en stonden nooit meer op. Ten slotte verdween Hitler en de vijandigheden hielden op. Maar volgens Nahums profetie, en ook volgens de huidige gebeurtenissen, die uitgezonden worden door nieuwsverslagen alom, is de oorlog nog steeds gaande; het is eigenlijk nooit opgehouden, maar is slechts een ommekeer ten kwade aan het maken, ja, en het is slechts een kwestie van tijd voordat het zelf vuriger zal worden, dan het was voorafgaand aan Hitlers verdwijning. {2TG41: 15.2}

Bovendien is er tot nu toe geen officiële verklaring geweest dat de oorlog voorbij is. Geen volledige overeenstemming is

15

 bereikt tussen de machten die in de oorlog vochten. Iedereen kan zien dat de wereld snel gereed staat om de oorlog te hervatten met indien mogelijk een machtigere en eindslag. Iedereen, kan ook zien, dat de oorlog niet ten goede gewonnen was door Groot Brittanie, maar door Rusland, en dat in navolging op de beëindiging van de vijandigheden, omstandigheden de wereld veroorzaakt hebben om in twee grote en vijandige blokken aaneen te sluiten, — de Westerse en de Oosterse blokken, om niet te spreken van de oorlogen en geruchten van oorlogen overla om ons heen. Dit gebeurde omdat Groot Brittanie zich aansloot met het atheïstische Rusland, een regering die tegen God en Zijn kerk is. Aldus vestigde Groot Brittanie meer vertrouwen in Gods vijand dan in God Zelf, en dat is waarom de oorlog nog gevochten moet worden. {2TG41: 15.3}

En nu terwijl de oorlog tussen het oosten en het westen weer aan is, vergroten de kerken ook door de Amsterdamse bondgenootschap de grootte van ieder blok. Zowel de radio uitzendingen en de kranten verklaren dat al de kerken behalve de Roomse en de Russisch orthodoxe kerken wel vertegenwoordigers hebben gezonden naar de Amsterdamse bijeenkomst. De Russisch orthodoxe kerk ,weet u, is de Grieks orthodoxe kerk. En waarom denkt u dat de kerk die in Griekenland is zich aansloot bij de bondgenootschap, maar de kerk die in Rusland is dat niet deed? Alleen omdat ze vrezen voor het “blok,” waar ze in zijn. Ook de kerken kiezen partij voor hun respectievelijke blok- Oost of West. (Wat zal de Roomse kerk doen? Zij zal ook uit noodzaak zich voegen bij het Westerse blok.) {2TG41: 16.1}

Ziet het er niet voor u naar uit dat de wereld zich gereed maakt voor een kerk en staat regering? Ik heb herhaaldelijk aangetoond dat de wereld onopzettelijk een krachtige poging doet om het scharlaken rood beest van Openbaring 17 te zadelen en daar op Babylon de Grote te klimmen. We zetten koers naar de kerk en staat regering welke Babylon de Grote symboliseert, terwijl ze het scharlaken rood beest berijd, en wanneer de oorlog weer “vurig,” wordt, vervangt Babylon de Verenigde

16

Naties daarna. Zo is het te zien dat de wereld in haar poging de obstakels waarmee ze geconfronteerd is tracht te overkomen, als het ware uit het vuur springt, om te belanden in de pan met vuur, alleen omdat het God niet als partner aanneemt. {2TG41: 16.2}

De wereld ziet het communisme als een veelhoofdig monster achter het bos, en de natien staan als het ware reeds met knikkende knieën als ze ernaar kijken.  Hun veiligheid is echter niet afhankelijk van vrees en bewapening, noch van de man die wij als president verkiezen, maar van God, van Hem Die de aarde in de ruimte houdt, en Die nog steeds de zaken van de mensheid beheerst. Vanaf de dageraad van de geschiedenis, tot vandaag, zijn de grote natien die gevallen zijn, gevallen toen ze het best bewapend waren en het meest onafhankelijk van God. Dit zou een grote les voor allen moeten zijn, maar wie beseft dat! {2TG41: 17.1}

Daarom dat God, om Zijn eigen wil het in de harten van de communisten of communistachtige machten (de tien hoornen op het scharlaken rood beest die de vrouw haten, de godsdienst haten, zoals communisme doet) legt, om “hun koninkrijken aan het beest te geven, tot dat de woorden van God voleindigd zal worden.” Openb. 17: 17. {2TG41: 17.2}

De bewering nu, om “hun koninkrijk te geven,”impliceert dat ze een koninkrijk te geven hebben. In vers 12, echter, worden we verteld dat “ze hun koninkrijken nog niet hebben ontvangen; maar als koningen macht ontvangen op één ure met het beest.” Wanneer beide beweringen samen worden gevoegd dan zeggen de beweringen dat het communisme een koninkrijk kon hebben, de wereld kon regeren, maar “God had in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat ze enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.” Ze ontvangen daarom slechts macht als koningen één uur met het beest, waarna ze de vrouw vernietigen, het kerk en staat systeem, en het koninkrijk voor zichzelf nemen (Openb. 17: 17). Voor een gedetailleerde uiteenzetting van het zeventiende hoofdstuk van Openbaring, lees traktaat nr. 12,

17

Gisteren, Vandaag, Morgen, pp 30-33). {2TG41: 17.3}

Hoe dit tot stand moet zal komen, weet ik niet; maar ik weet dat de grootste oorlog gevochten zal worden over het heilige land; “Ziet de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem! Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.”Zacharia 14: 1, 2. {2TG41: 18.1}

Deze profetische bewering, “God heeft het in hun harten gegeven….om eens te zijn, hun koninkrijk aan het beest te geven,” bewijst datgene wat ik een tijd geleden probeerde te zeggen: Dat wanneer welke natie dan ook groot werd en onafhankelijk, zonder God, een gigantische oorlogsmachine bouwde ter verdediging en agressie, dan is het dat die natie tot niets werd gebracht. De vredigheid en voorspoed van iedere natie en volk, is daarom afhankelijk van hun positie met God, niet van hun militaire sterkte. {2TG41: 18.2}

Laat me u nu herinneren aan wat Inspiratie te zeggen heeft over de verbinding van naties en volken volgens de huidige gebeurtenissen. Voor licht op het onderwerp keren we ons tot het achtste hoofdstuk van de profetie van Jesaja. De tijd laat niet toe dat ik het hele hoofdstuk opnieuw met u bestudeer, en ik denk niet dat het nodig is, want we hebben het niet lang geleden bestudeerd. Herinnert u zich dat het hoofdstuk een bondgenootschap met het oude Israel onthult, het tien stammen rijk (de kerk), gemaakt met oud Syrië, een soevereine wereldmacht, om oorlog te voeren tegen Juda, een zuster koninkrijk (kerk).Inspiratie maakt een type van die kerk en staat bondgenootschap, en toont hiermee definitief de tendens aan welke de naam kerken en de soevereine wereldmachten nu in het antitype zullen nemen. Het maakt verder bekend dat ze daarin niet voorspoedig zullen zijn. {2TG41: 18.3}

18

Ik zal nu aan u voorlezen wat God Zelf hiervan denkt: {2TG41: 19.1}

Jes. 8: 8-10—“En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken; en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuel! Vergezelt u te zamen, gij volken! Doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken; omgordt u, doch wordt verbroken! Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!”

Volgens de heilige Mattheus, hoofdstuk 1, vers 23, behoort de naam Immanuel aan Christus, en betekent het “God met ons,” volgens de interpretatie. Het is dan duidelijk dat de uitroep, “O Immanuel,” aantoont dat Inspiratie tot Christus spreekt. En aangezien Hij niet zo aangesproken kon worden voordat Hij uit een vrouw geboren was en de naam Immanuel ontvangen had, is het duidelijk dat deze vereniging van mensen in de Christelijke eeuw gevonden zal worden, in de eeuw waarin Immanuel leeft. {2TG41: 19.2}

De bewering nu ”beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan, want God is met ons! Zegt duidelijk Ik probeerde je te vertellen- dat de natien, met inbegrip van de kerken, Immanuel, “God met ons,” uit hun plannen hebben gelaten, dat wat ze proberen te doen ze op hun eigen initiatief doen en dat de bronnen van de woorden,” God met ons,” komend van een die niet met het gezelschap van het volk is, duidelijk aantoont dat Immanuel niet met hen is, en dat daarom hun werk vernietigd zal worden. {2TG41: 19.3}

Vanuit deze schrift gedeelten is het te zien dat de huidige gebeurtenissen teweeg gebracht door de twee tegen elkaar strijdende blokken, het oosten en het westen, niet zal uitgewerkt worden volgens menselijke plannen, dat de plannen gemaakt door de bondgenootschap

19

 van natiën en volken vernietigd zal worden tenzij zij God consulteren en Hem deelgenoot maken. {2TG41: 19.4}

Laten we nu horen wat de Heer wil dat wij doen, de positie dat Hij wil dat Zijn volk moet innemen: {2TG41: 20.1}

Jes. 8: 11-12—“ Want alzo heeft de Heere tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks zeggende: Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet.”

De vreze die de mensen vrezen moet niet onze vrees zijn; nog minder moeten hun plannen de onze zijn. Onze taak is om: {2TG41: 20.2}

Jes. 8: 13—“Den Heere der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking.”

Om de Heere te heiligen is om alles voor Hem te zijn, om niemand anders in Zijn plaats te hebben, om uw gehele vertrouwen in Hem te zetten, niet uw arm tot vlees stellen, want Hij alleen is in staat u erdoor heen te brengen. En hoewel u de enige in de hele wereld moet zijn om zo een positie in te nemen, zal Hij u niet in de steek laten. Als dit uw geval is, zal u dan de grootste held voor de Hemel worden. {2TG41: 20.3}

Jes. 8: 14—“Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maat tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een schrik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.”

Deze waarheid, merkt u op zal nu, net zoals iedere Heilig geopenbaarde waarheid in iedere tijd in het verleden, een rots des aanstoots en struikeling worden voor velen—ja net zoals Christus Zelf werk voor de Joden—want in plaats van standvastig hun positie in te nemen voor Heilige waarheid, worden ze net zo vijandig ertegen als de Joden waren in de dagen van Christus. Daar de profetie door gaat in het

20

negende hoofdstuk, zullen we lezen— {2TG41: 20.4}

Jes. 9: 20,21—“Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegeiljk zal het vlees zijns arms eten; Manasse, Efraim en Efraim Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.”

Zo zal het resultaat zijn van God verwerpen en Zijn raad. Allen die hun positie innemen met de menigte tegen Gods volk zullen zichzelf in dezelfde dilemma als de Midianieten zichzelf bevonden in de tijd van Gideon—als het licht uitbreekt zullen ze elkaar doden, maar de getrouwen zullen bevrijd worden. Dit is echter niet alles: {2TG41: 21.1}

Jes. 8: 15—“En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.”

Volgens dit schrift gedeelte zullen velen van hen “de opname,” niet tot hun genoegen en niet volgens hun onderwijzing daarvan vinden. Het gebod van de Heer is: {2TG41: 21.2}

Jes. 8: 16—“Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder Mijn leerlingen.”

Een “discipel” is iemand die Christus door en door volgt in Heilig geopenbaarde Waarheid, welke hij aanneemt niet omdat anderen dat doen, of niet doen, maar omdat de Vader die in de Hemelen is door Zijn Geest hem daar persoonlijk van overtuigd heeft. (Matt. 16: 17)—want onafhankelijk van wat anderen doen of zeggen is hij persoonlijk door de Geest overtuigd. En de “getuigenis,”is Zijn levende Woord doorgegeven door Zijn gekozen en met de Geest vervulde boodschappers—“de Geest der Profetie,”aan het werk (Openb. 19: 10). Vandaar dat het binden van het getuigenis onder Zijn discipelen is “de Geest der Profetie, “onder hen en hen alleen bevestigen. En om de wet onder hen

21

te verzegelen is om de wet door de Waarheid te machtigen en versterken en hen de noodzaak te laten zien van het houden ervan, en om hen rustig te laten zeggen:

Jes. 8: 17—“Daarom zal ik de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.”

Jes. 8: 18—“Ziet, Ik en de kinderen, die Mij de Heere gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel, van den Heere der heirscharen, Die op den berg Sion woont.”

Spoedig zal het gezien worden dat zij die een stevige positie innemen aan de kant van de Waarheid tot tekenen en wonderen zullen zijn. {2TG41: 22.1}

Jes. 8: 19—“Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt : Zal niet een volk zijn God vragen? Zal men voor de levenden de doden vragen?”

Hier wordt de wereld getoond die grotere aandacht geeft aan Spiritisme dan aan een “Zo zegt de Heer.” {2TG41: 22.2}

Jes. 8: 20—“Tot de wet en tot de getuigenis! Zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.”

Gods volk zal weten dat zij die een standpunt innemen anders dan de ene die de Waarheid hier uiteenzet, zo doen omdat de Geest van Waarheid niet in hun harten vertoeft. En onthoud dat uw arm tot vlees stellen, om mensen advies te vragen wanneer men God om raad moet vragen, is in ieder opzicht even slecht als het om advies vragen aan de geesten van de duisternis. {2TG41: 22.3}

“Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrust

Vol.2Nr. 42

                                                                                                                

Plaatje

Dat Wat Zal Zijn Gedurende De Tijd Van Het Einde

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 27 November 1948

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Om te weten te komen wat plaats vindt gedurende de tijd van het einde, moeten we eerst weten waar de tijd van het begint en eindigt. We moeten beide einden kennen als we willen weten wat er tussenin plaats vindt. Om nu te vinden wanneer, “de tijd van het einde,” begint, laten we gaan naar: {2TG42: 24.1}

Dan. 11: 40—“En op de tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen en hij zal ze overstromen en doortrekken.”

In dit Schriftvers zijn er vijf aanwijzingen die zorgvuldig moeten worden opgemerkt: (1) dat de oorlog vermeld in dit vers, het laatste conflict is tussen de twee koningen vastgelegd in de profetie van Daniel 11; (2) dat het een verliezende oorlog is voor de koning van het zuiden; (3) dat het gevochten wordt op de tijd van het einde, niet ervoor, tijdens, of erna; (4) dat de koning van het noorden groot wordt terwijl de koning van het zuiden wegkwijnt; en (5) dat de bewering, “op de tijd van het einde zal de koning van het Zuiden tegen hem stoten,” heel duidelijk het begin markeert van “de tijd van het einde.” {2TG42: 24.2}

Als we daarom het jaar vinden, waar deze geprofeteerde oorlog begint, zullen we het begin van “de tijd van het einde,” vastgesteld hebben. {2TG42: 24.3}

Aangezien de koning van het zuiden stoot tegen de koning van

24

 het noorden, is derhalve de koning van het zuiden de aanvaller, voelt zichzelf sterk om aan te vallen. Hij verliest niettemin en de koning van het noorden loopt hem onder de voet, wordt groot—verovert vele landen, met inbegrip van de volgende: {2TG42: 24.4}

Dan. 11: 41—“En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons”

Hier is het te zien, dat de koning van het noorden tijdens de tijd van het einde heel groot wordt. Hij verovert “het sieraadland” (Palestina), en naast het veroveren van vele andere landen, verovert hij ook Edom en Moab en Ammon (de Arabische landen), die niettemin op zijn tijd “ontkomen aan zijn hand,”—zichzelf bevrijden. Bovendien zegt het schrift gedeelte: {2TG42: 25.1}

Dan. 11: 42—“ En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.”

Dit toont beslist aan dat “in de tijd van het einde” een grote macht welke deze landen regeerde, waaronder Egypte en Palestina zijn inbegrepen, ze

kwijtraakt en klein wordt, terwijl een andere macht ze verovert en groot wordt. {2TG42: 25.2}

Eeuwen lang regeerde het rijk van Ottoman deze landen, en de geschiedenis heeft vastgelegd dat de eerste Turkse nederlagen op het land voorkwamen rond 1699. Vanaf toen, is Turkije aan het wegkwijnen en de Christelijke naties aan het toenemen, maar het is in het bijzonder Groot Brittannië dat de landen bij name genoemd in deze profetie heeft veroverd. Zij is het die vele andere landen behalve deze heeft veroverd en groot is geworden gedurende het Ottomaanse rijk. {2TG42: 25.3}

Het is daarom duidelijk, dat deze historische feiten, naast

25

andere die we niet genoemd hebben, bewijst, dat verrijzend vanuit het oerwoud ten zuiden van Palestina, het Ottomaanse rijk, daarna het Ptolomese, de titel van “koning van het zuiden houdt; en dat de natiën ten noorden van Palestina, de Christelijke naties verrijzend vanuit het Romeinse rijk (en nu Groot Brittannië in het bijzonder) de titel “koning van het noorden,” houd. En vanaf het wegkwijnen van het Ottomaanse rijk begon in 1699, en de groei van het Britse rijk begon gedurende dezelfde tijd, is dan het begin van de achttiende eeuw daarom het begin van de “tijd van het einde.” {2TG42: 25.4}

Ten slotte, aangezien we nu zien dat de oorlogen van de Mohammedanen met de Christelijke naties genoemd zijn in de profetie met speciale nadruk dat Egypte en Palestina gedurende de tijd van het einde, overgedragen werd aan de koning van het noorden als deel van zijn trofeeën, zijn deze koningen positief geïdentificeerd. En de ondergang van de ene met de groei van de andere na het Verdrag van Colowitz in 1699 waardoor “Mustafa II instemde om afstand te doen van zijn rechten op Transylvania en een groot gedeelte van Hongarije, om Marea te geven aan Venetië om Polalia en de Ukraine voor Polen te herstellen, en om Azov te laten voor de Russen” (Twentieth Century Cyclopaedia, Vol. 6, pg. 247) stelt zeker het begin van de tijd van het einde vast. {2TG42: 26.1}

Dan. 11: 43, 44—“En hij zal heersen over de verborgen schatten des gronds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libië, en de Moren zullen in zijn gangen wezen. Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.”

Deze verzen onthullen dat na Egypte en Palestina ingenomen te hebben, de koning van het Noorden een andere oorlog ingaat, niet wegens de koning van het zuiden, niet met Turkije, maar meer omwille van geruchten van het oosten en van het noorden die hem verschrikken. Deze maakten dat hij uittrekt in

26

 grote grimmigheid om velen te vernietigen. Maar hij overwint niets wat waard is te vermelden, en volgens het vers dat volgt wordt hij naderhand bedreigd met aan zijn einde komen. Deze oorlog in het bijzonder, brengt de eerste nederlaag voor de koning van het noorden vanaf de nederlaag van de koning van het zuiden in 1699. {2TG42: 26.2}

Duitsland en Rusland vanuit het noorden, en ook Japan vanuit het oosten, de geruchten die Groot Brittannië  en haar bondgenoten in de Tweede Wereld oorlog voeren, zijn daarom de “geruchten” die de oorlog brachten en

die veronderstellend dat de oorlog gewonnen was, verzwakten het Britse rijk, in plaats van het te versterken. {2TG42: 27.1}

Dan. 11: 45—“ En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.”

Het enige gedeelte van Daniel 11 dat nog vervult moet worden, is dit vers, het laatste van dit hoofdstuk, een aangezien deze profetieën gemaakt zijn om alleen begrepen te worden wanneer ze vervult worden of nadat ze vervult zijn, is vers 45 niet zo duidelijk als we het zouden willen hebben. Als gevolg daarvan betreffende de plaats van zijn tenten en zijn einde, tevens als er een ander Christelijke macht de titel “koning van het noorden,” zal erven voordat vers 45 is vervult, zal alleen de tijd zelf werkelijk de hele waarheid beschrijven. {2TG42: 27.2}

Datgene wat Inspiratie helemaal duidelijk maakt is het feit dat de volgende positie van de koning zijn einde is, terwijl allen kijken en luisteren, maar niemand hem te hulp schiet. {2TG42: 27.3}

Daar we de tijd van het begin van “de tijd van het einde,”hebben vastgesteld, laten we nu het einde van “de tijd van het einde,” vast stellen. Voor licht op het onderwerp laten we gaan naar: {2TG42: 27.4}

Openb. 19: 19-21—“ En ik zag het beest, en de koningen der arde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem,

27

Die op het paard zat, en tegen Zijn heirleger. En het beest werd gegerepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poes des vuurs, die met sulfer brandt. En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen weden verzadigd van hun vlees.”

“Het beest,”“de valse profeet, “en “de overigen,” worden hier genoemd. Wie zijn ze? {2TG42: 28.1}

Eerst worden het beest en de valse profeet en het overblijfsel, zij die overgebleven zijn, in de poel des vuurs geworpen. Daar het ”beest,” en de “profeet,” speciale wereldeenheden zijn, vertegenwoordigen het overblijfsel (zij die overgebleven zijn) de rest van de onboetvaardige wereld, die genegenheid vertoonden met het beest en de profeet. De vernietiging van de profeet, het beest, en het overblijfsel, is daarom het einde van de wereld—het eindpunt van de tijd van het einde. {2TG42: 28.2}

Behalve deze verzen van de Schrift, openbaart het twintigste hoofdstuk van Openbaring dat met deze laatste gebeurtenis voor de duizend jaar in het drama van de zonde, de duizendjarige regering van Christus en de Kerk begint (Openb. 20: 1-3), waarvan aan het einde allen zullen verrijzen die “geen deel hadden aan de eerste opstanding.” Openb. 20: 5,6. {2TG42: 28.3}

Nu hebben we gezien dat, “de tijd van het einde,” zich uitstrekt vanaf het begin van de ondergang van het Ottomaanse Rijk, tot het einde van de wereld en dat het einde van de wereld, het einde is van alle mensen behalve de Kerk: “zij die duizend jaar met Christus geleefd en geregeerd hebben.” {2TG42: 28.4}

Laten we nu kijken wat plaats vindt tussen deze wegwijzers. We zullen vervolgen met de profetie van Daniel door het twaalfde hoofdstuk heen. {2TG42: 28.5}

28

Dan. 12: 1—“En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die oor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.”

“En te dier tijd,”: dat is, in de tijd van dat de koning van het noorden aan zijn einde komt (Dan. 11: 45)—zal Michaël opstaan en Zijn volk bevrijden, de Kerk, allen die geschreven staan in het Boek. Wat vind nog meer plaats?— {2TG42: 29.1}

Dan. 12: 2—“ En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot afgrijzing.”

Hier wordt een opstanding van een gemengde menigte afgebeeld, slechten en rechtvaardigen, dwazen en wijzen. Deze opstanding, dan is niet de “eerste opstanding” voor de duizend jaar, noch de opstanding van de slechten (Openb. 20: 5, 6) na de duizend jaar, maar een speciale. Als de wijzen, die velen tot rechtvaardigen keren, behoren tot zij die opstaan in deze speciale opstanding, en als ze schijnen als sterren voor eeuwig en altijd, dan vind deze speciale opstanding plaats in de genade tijd. {2TG42: 29.2}

Dan. 12: 4—“ En gij Daniel! Sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde, velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.”

Het begrijpen van het boek en de woorden daarvan, moest verzegeld worden tot de tijd van het einde. Gedurende de tijd van het einde, zou daarom het boek geopend worden. De wetenschap zou ook vermenigvuldigd worden. Bovendien zouden velen het naspeuren; dat is, communicatie zou geweldig versnellen. Dit alles hebben we reeds zien plaatsnemen gedurende “de tijd van het einde.” Dus is er geen plaats voor twijfel betreffende de tijd waarin we leven: de eindtijd. {2TG42: 29.3}

29

Dan. 12: 8-10—“ Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! Wat zal het einde zijn van deze dingen? En Hij zeide: Ga henen, Daniel! Want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde. Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.”

Hier legt Inspiratie zelf uit dat niemand, zelf Daniel niet het boek op wat voor manier dan ook voor de tijd van het einde kon begrijpen. En verder ook, terwijl de goddelozen door gingen met goddelooslijk te handelen, velen gereinigd werden, wit gemaakt en gelouterd; dat is, de reiniging van de kerk, het reinigen van het Heiligdom (Dan. 8: 14), zou plaats vinden gedurende de tijd van het einde. In de woorden van de profeet Maleachi gaat de reiniging van het Heiligdom aan deze bekendmaking vooraf. {2TG42: 30.1}

Mal. 3: 1-3—“ Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen. Maar wie zal den dag Zijner komst verdragen? en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers. En hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigenend, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den HEERE spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.”

In plaats van te zeggen “Heiligdom,” zegt Inspiratie in dit geval, “Tempel.”En in plaats van te zeggen “reiniging,” gebruikt Het de termen doorlouteren en louteren. De Apostel Petrus, echter, kiest ervoor om de reiniging van het Heiligdom, “het Oordeel,” in het “huis van God,” te noemen: {2TG42: 30.2}

1 Petr. 4: 17, 18—“Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het

30

 Evangelie van God ongehoorzaam zijn? En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?”

In de gelijkenis, echter, legt Jezus de reiniging van het Heiligdom aldus uit: {2TG42: 31.1}

Matt. 13: 30—“Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.”

Hier wordt het duidelijk gemaakt dat in dit geval de goddelozen onder de rechtvaardigen vergeleken worden met onkruid, en de tijd van de reiniging zelf, het Oordeel, wordt vergeleken met een “oogst,” maar dat de reiniging zelf vergeleken wordt met een scheiding van tarwe en onkruid. {2TG42: 31.2}

Christus schetst opnieuw in de verzen 47 en 48 een gelijkenis tussen de Kerk , een “net,” ;  de mensen vergelijkt hij met “vissen,” en de reiniging met een scheiding, terwijl in Mattheus 25, Hij de gereinigde Kerk, het Koninkrijk van God noemt, en de mensen vergelijkt Hij met “maagden,” en de reiniging illustreert hij met een deur die wijzen binnen laat en de dwazen buiten houdt. Maar in Zijn tweede gelijkenis van Mattheus 25, worden we verteld dat de scheiding, zal zijn als een meester die komt om af te rekenen met zijn dienstknechten. Zij die niets goeds hebben gedaan voor de vooruitgang van Zijn Koninkrijk (die niet gehandeld met en Zijn talenten vermenigvuldigd hebben—Matt. 25: 27) worden uitgeworpen, om daar op hun tanden te knarsen in de “buitenste duisternis.” (Matt. 25: 30.) In Zijn derde gelijkenis vergelijkt hij de scheiding met een herder die de geiten van de schapen scheidt (zondaren van de heiligen), de bokken zijn veroordeeld om te sterven, maar de schapen wordt het recht tot het Koninkrijk gegeven. {2TG42: 31.3}

De profeet Ezechiel echter, verklaart de reiniging van het Heiligdom vanuit een heel andere hoek: {2TG42: 31.4}

31

Ezech. 9: 1, 2, 4, 7—“ Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand. En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar…En de Heere zeide tot hem; Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden… En Hij zeide tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen; gaat henen uit, En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad.”

Naast deze levendige illustratie, openbaart Inspiratie door de profeet Daniel dat het Heiligdom niet alleen van zondaren gereinigd zal worden, maar ook van leerstellige dwalingen, want een engel informeerde,– {2TG42: 32.1}

Dan. 8: 13, 14, 17—“Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden? En Hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden….Versta, gij mensenkind! Want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.”

Het gedurige, de verwoesting, evenals het Heiligdom en het heir hebben betrekking op de leerstellingen en het volk. Beiden dienen gereinigd te worden. En de engel legde uit dat

32

de reiniging van het heiligdom (het reinigen van zowel dwaling en huichelarij) plaats vind na de 2300 dagen, gedurende de tijd van het einde. {2TG42: 32.2}

Bovendien maakt de Heer door de profeet Zacharia een andere opmerkelijke illustratie welke aantoont dat de heiligen zelf ook gereinigd moeten worden: {2TG42: 33.1}

Zach. 3: 1-5—“ Daarna toonde Hij mij Jozua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des Heeren; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan. Doch de Heere zeide tot de satan: De Heere bestraffe u, gij satan, ja de Heere bestraffe u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een brandhout uit het vuur gerukt? Jozua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond. Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen. Dies zeg Ik “Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En ze zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des Heeren stond daarbij.”

Terwijl we reeds gezien hebben dat het huis van God gereinigd moet worden van dwaling en van Huichelaars, zien we hier in Zacharia’s profetie dat de heiligen zelf gereinigd worden van hun zonden—hun vuile klederen worden weggenomen en schone mooie klederen worden in plaats daarvan gegeven. Deze fase van de reiniging wordt weer geïllustreerd door het bruiloftskleed. (Matt. 22: 11). {2TG42: 33.2}

En laat me u er aan herinneren dat nadat het onkruid weggenomen wordt, “het tarwe,”niet achter gelaten wordt op het veld waar het zal groeien (dat wil zeggen, de heiligen worden niet gelaten waar ze waren), maar het wordt in “de schuur,” geplaatst. {2TG42: 33.3}

Verder worden, nadat de “slechte vissen (huichelaars) zijn weggeworpen, de “goede vissen,” (de heiligen) dan “in vaten,”gezet, niet in “het net,” gelaten ( niet gelaten in de plaats

33

waar de reiniging plaatsvond). Dus wanneer de kerk op deze wijze gereinigd is, worden de heiligen weggehaald van hun vorige plaats en in een veilige plaats gezet—weg van alle wereldse invloeden en omgevingen. Gereinigd geworden zijnde worden ze noodzakelijkerwijs aldus gereinigd gehouden. En waar is die plaats. De Openbaarder heeft het antwoord: {2TG42: 33.4}

Openb. 14: 1, 4, 5—“ En ik zag, e ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden….Dezen zijn het ,die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden, dezen zijn het die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; dezen zijn gekocht uit de mensen tot eerstelingen Gode en het Lam. En in hun mond is gen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God.”

De gereinigden, ziet u, zijn de 144.000, en zij worden naar de berg Sion genomen. {2TG42: 34.1}

Het is duidelijk dat de reiniging in twee delen is. De 144.000 onschuldige heiligen die verzegeld zijn van uit de stammen van Israel (Openb. 7: 4-7), de kerk, zijn de eerste vruchten. Zij worden naar de berg Sion gebracht. Nadat ten slotte de zuivering of reiniging, van de kerk heeft plaats gevonden, dan wordt de grote schare van Openbaring 7: 9 vergaderd uit alle natiën. Ze maken deel uit van de tweede vruchten, want waar er geen tweede is kan er ook geen eerste zijn. {2TG42: 34.2}

Waar is de berg Sion? Laat de profeet Micha ons dat vertellen: {2TG42: 34.3}

Micha 3: 12; 4: 1, 2—“ Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds….Maar in de laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem

34

 toevloeien. En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des Heeren, en ten huize van den Gods Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen: want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem.”

Dit is Inspiraties eigen uitleg van de plaats welke de gereinigde kerk zal innemen. Hier worden we verteld dat hoewel het oude koninkrijk, het Joodse, wiens plaats stond op de berg Sion, van het fundament af moet worden vernietigd, worden we niettemin, tegelijkertijd beloofd dat het Koninkrijk hersteld zal worden in de laatste dagen en dat het verhoogd zal worden boven alle andere koninkrijken, boven alle “bergen,”en “heuvelen.” {2TG42: 35.1}

Wederom zegt de Heer: {2TG42: 35.2}

Ezech. 36: 23-25—“ Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, spreekt de Heere HEERE als Ik in u voor hun ogen zal geheiligd zijn. Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.”

We worden hier verteld dat de laatste reiniging van de heiligen, de reiniging die als de littekens van de zonde verwijdert, toegepast wordt nadat God Zijn volk weggehaald van onder de heidenen en van al de landen en hen brent in hun eigen land. {2TG42: 35.2}

Ezech. 36: 26—“ En Ik zal u een nieuw hart geven,e n zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en fik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.

35

Wanneer de heiligen in het Beloofde land aankomen, dan wordt het aan zonde toegeeflijke hart, het stenen hart, weggenomen en een hart met rechtvaardige begeerten, een vleselijk hart gegeven. Gods volk zal niet langer vechten met verzoekingen van binnenuit om rechtvaardig te handelen. Het zal voor hen in de periode van het vleselijke hart natuurlijk zijn om gerechtigheid te doen, terwijl het tijdens de periode van het stenen hart natuurlijk is ongerechtigheid te doen {2TG42: 35.3}

Ezech. 36: 27—“En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.”

Bovendien zal de Geest van God vrijelijk gegeven worden aan de heiligen, en zodoende zullen ze volmaakte eeuwige wezens worden, volkomen in staat om te wandelen in Gods inzettingen en Zijn rechten. {2TG42: 36.1}

Ezech. 36: 28—“En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.”

Ze zullen niet wonen in een ander land, zegt de Heer, maar in hun eigen land, in het land dat Hij van oudsher aan hun vaderen had gegeven. Ze zullen wonen in Palestina. {2TG42: 36.2}

Nu ziet u duidelijk dat de onbekeerde joden, die moeite doen om het land Palestina in te nemen niet de mensen zijn, waar deze bladzijden van de Schriften over spreekt. Nu ziet u dat Arabieren, Joden of heidenen, allen uiteindelijk zullen moeten verhuizen en ruimte geven aan Gods schone en gereinigde volk. {2TG42: 36.3}

Joel 3: 1, 2—“Want ziet, in de dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden; Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben

36

 verstrooid, en Mijn land gedeeld.”

Hier wordt het zo duidelijk als het kan gesteld dat wanneer God de gevangenis van Zijn volk zal wenden, dan zal Hij alle heidenen vergaderen in de vallei van Josafat en daar met Zijn volk richten—vanwege Zijn tweede vruchten—nadat Hij de eerste vruchten naar de berg Sion heeft gebracht. {2TG42: 37.1}

Jes. 2: 3—“En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem.”

Joel 3: 20, 21—“Maar Juda zal blijven in eeuwigheid en Jeruzalem van geslacht tot geslacht. En Ik zal hunlieder bloed reinigen dat Ik niet gereinigd had; en de Heere zal wonen op Sion.”

Zo zullen de heiligen in staat gesteld worden om eeuwig te leven. {2TG42: 37.2}

Jes. 33: 24—“En gen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.”

En wat zal er nog meer gezegd worden nadat het volk vergaderd en gereinigd is? Precies dit: {2TG42: 37.3}

Openb. 22: 11—“Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.”

De voleindiging van de reiniging brengt de genadetijd tot een einde—de zondaar zal voor altijd een zondaar blijven, en de rechtvaardige voor altijd rechtvaardig. Dan zulle zij die zichzelf buiten het heilige land bevinden jammeren en hun tanden knarsen. Ze zullen in doodsangst zeggen” {2TG42: 37.4}

37

Jer. 8: 20—“ De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde, nog zijn wij niet verlost.”

Verder zal het land verdeeld worden onder de stammen maar niet zoals het vroeger verdeelt was. De tijd laat het niet toe dat ik het gehele verslag van de verdeling lees, maar hier heb ik het weergegeven in een kaart die aantoont dat het land nog nooit eerder zo verdeel is geweest. Iedere stam zal een vanaf het oosten tot aan het westen een strook over de volledige lengte krijgen. Het deel van Dan is het eerste ten noorden en het deel van Gad is de laatste ten zuiden. In de hoofdstukken 47 en 48 van Ezechiel zult u de volledige beschrijving van deze verdeling van het land vinden. {2TG42: 38.1}

Verder zal het land zelf gereinigd worden; want de Heer zegt: {2TG42: 39.1}

Ezech. 38: 14, 16; 39: 4, 7, 9-14—“Daarom profeteer, o mensenkind, en zet tot God: Zo zegt de Heere HEERE: Zult gij het, te dien dage, als Mijn volk Israel zeker woont, niet gewaar worden?…. En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israel, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! Voor hun ogen zal geheiligd woren…Op de bergen Israels zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven….En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israel bekend maken en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, die Heilige in Israel…En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren. Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers stoppen; en aldaar zullen zij begraven God en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte. En het huis Israels nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang. Ja. Al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE. Ook zullen zij mannen uitscheiden, en het zal hun tot een naam zijn, ten daga als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE. Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem

39

zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.”

Bovendien zult u merken dat God al deze wonderen doet voor Zijn volk, niet omdat ze goed zijn geweest, of omdat ze nu goed zijn, maar om Gods eigen grote naam. Luister naar wat de Heer Zelf zegt: {2TG42: 40.1}

Ezech. 36: 22-24—“Daarom zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE; Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels! Mar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen,waarhenen gij gekomen zijt. Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt, en de heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, spreekt de Heere HEERE als Ik in u voor hun ogen zal geheiligd zijn. Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.”

Volgens dit (schriftgedeelte), hersteld God het land voor Zijn gekozen volk, niet omdat ze als volk goed zijn, maar omdat Hij zijn eigen naam onder de heidenen wil rechtvaardigen. {2TG42: 40.2}

Naar gelang de tijd nadert voor het plaatsvinden van de reiniging zal een oproep tot geestelijke ontwaking gedaan worden: {2TG42: 40.3}

Jes. 52: 1—“Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! Trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad, want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.”

Inspiratie verklaart hier dat na de oproep tot herleving en hervorming, de zondaars niet meer toegestaan zal worden om nog enig deel onder het volk te hebben dat gereinigd is geworden. {2TG42: 40.4}

De profeet Nahum is ook een getuige voor deze oproep

40

tot Hervorming, Hij schrijft: {2TG42: 40.5}

Nah. 1: 15—“Ziet op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! Betaal uw geloften; want de Belialsman zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.”

Hier ziet u dat de aankondiging van deze lang verwachte gebeurtenis gemaakt zal worden door de publicatie van iemand. Bovendien publiceert hij vrede en zo kondigt hij het herstel van het Koninkrijk aan. Dit is de enige vrede die de wereld kan hebben. Er zal geen andere zijn. Zij die de heilige “feesten,” van God houden en hun geloften naleven zullen deze vrede hebben. Niemand anders zal dat hebben. {2TG42: 41.1}

In onze studie hebben sommige dingen samengevat die tijdens de eindtijd zullen plaatsvinden, maar het meest belangrijke, waar het u betreft is de beslissing die u nu gelaten wordt te maken. {2TG42: 41.2}

41

 

u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den Heere, uw God want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot

22

van goedertierenheid en berouw hebbende over het kwade.”Joel 2: 12, 13. {2TG41: 22.4}