De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 33, 34

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrust

Vol.2Nr. 33

                                                                                                                

Plaatje

De Reiniging Van Het Heiligdom—Wanneer En Hoe Gedaan?

GEBEDSVOORLEZING

GROEI IN GENADE OF STERF

Deze middag zal ik lezen uit Lessen uit het leven van alledag, bladzijde 36, beginnend met de tweede alinea. {2TG33: 2.1}

“Het ontkiemen van het zaad stelt eveneens het begin van het geestelijk leven voor en de ontwikkeling van de plant is een prachtig beeld van de christelijke groei. Het is met de genade zoals het in de natuur is: zonder leven is geen groei mogelijk. De plant moet groeien of sterven. Zoals de groei in stilte en haast onmerkbaar, maar toch constant is, is het ook met de ontwikkeling  van het Christelijk leven. Ons leven kan in elk stadium van ontwikkeling volmaakt zijn. Wanneer echter Gods doel met ons in vervulling gaat, zal er een gedurige vooruitgang zijn. Heiligmaking duurt het hele leven. Naarmate onze mogelijkheden toenemen, zal onze ervaring vergroten en onze kennis toenemen. Wij zullen sterk worden, zodat wij verantwoordelijkheden kunnen dragen en onze wasdom zal in overeenstemming zijn met onze voorrechten.” {2TG33: 2.2}

Wat is onze gebedsbehoefte deze middag? – Laten we bidden om in genade te groeien, want er kan geen leven zijn zonder groei; om toe te nemen met de waarheid; om voordeel te halen uit al onze kansen; om samen te werken met Heilige agenten; om gewillig te zijn om verantwoordelijkheden te dragen; om te beseffen dat wanneer we dit alles doen, dan zullen onze verantwoordelijkheden toenemen, en onze wasdom evenredig zijn aan onze voorrechten. {2TG33: 2.3}

2

DE REINIGING VAN HET HEILIGDOM—WANNEER EN HOE GEDAAN?

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 27 Maart 1948

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Onze tekst wordt gevonden in Daniel hoofdstuk acht, vers 14. Ik zal beginnen met vers 13. {2TG33: 3.1}

Dan. 8: 13, 14—“ Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de helige zeide tot den Onbenoemde, Die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden? En Hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden”

Op deze vraag: “Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?” kwam het antwoord: “Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden” Dat is, binnen de 2300 dagen zal het gedurige weggenomen worden, de verwoestenden afval opgezet worden, en het heiligdom en het heir ter vertreding overgegeven worden. Hierna zal het heiligdom gereinigd worden. “Iedere morgen (marge), duidt aan een dag van 24 uur – de volle tijdmaat. Het woord “offer, “hoort niet in de tekst thuis. {2TG33: 3.2}

3

Dan. 8: 16, 17—“En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriel geef dezen het gezicht te verstaan. En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! Want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.”

De uitleg van Gabriel dat dit gezicht zal zijn in de tijd van het einde, toont aan dat de voornaamste belangrijkheid van het gezicht het reinigen van het heiligdom is, en dat het niet plaatsvindt in Daniels tijd, en niet voor de tijd van het einde, maar na de 2300 dagen, in de tijd van het einde. {2TG33: 4.1}

Aangezien nu de 2300 dagen ergens begonnen in de vijfde eeuw voor Christus (zoals gezien wordt in de volgende verzen), en daar het gezicht voor vele dagen was, voor de tijd van het einde, dan moeten de 2300 dagen duidelijk berekend worden een dag voor een jaar zoals in Ezechiel 4: 6. De 2300 dagen, zijn daarom feitelijk 2300 jaren, waarvan aan het eind het heiligdom gereinigd wordt. Welke tekenen zullen de tijd van het einde markeren? – {2TG33: 4.2}

Dan. 12: 4—“En gij Daniel! Sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.”

De engel legt uit dat velen in de tijd van het einde zullen naspeuren, en dat de wetenschap zal toenemen. En het feit nu dat mensen het naspeuren en dat de wetenschap is toegenomen is op zichzelf bewijs dat we nu leven in de eindtijd, dat het gezicht nu begrepen moet worden, en dat het heiligdom nu gereinigd zal worden. {2TG33: 4.3}

4

Dan. 8 : 18-21—“Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats. En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn. De ram met de twee hoornen,d ie gij gezien hebt, zijnde koningen der Meden en der Perzen. Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.”

Hier ziet u waar de profetische geschiedenis van dit gezicht begint. Het begint met het Medo-Perzische rijk, en draagt ons in de tijd door de overwinningen van Alexander de Grote. {2TG33: 5.1}

Dan. 8 : 23—“Doch op het laatste huns koninkrijks; als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande.”

In het laatste einde van de Meden en de Grieken, wanneer de afvalligen, de Joden, gekomen zijn tot het hoogste gekomen zijn, zal een andere koning of  koninkrijk opstaan. Het was vanzelfsprekend geen anderen dan Rome, het koninkrijk dat de vier Griekse divisies veroverde. {2TG33: 5.2}

Dan. 8 : 26, 27—“ Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe. Toen werd ik, Daniël, zwak en was enigen dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.”

Daniels bekend hier dat de magere verklaring die Gabriel gaf betreffende het gezicht niet genoeg was. Niemand kon het begrijpen.

5

Als gevolg daarvan, als de tijd verstreek en hij nog steeds, hoewel de tijd van bevrijding was gekomen, het gezicht niet kon begrijpen, hij betekenend zei: {2TG33: 5.3}

Dan. 9: 1-3, 22, 23—“In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën; in het eerste jaar zijner regering, merkte ik  Daniel, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des Heeren tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was. En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak en as. : …

En hij onderrichtte mij en spark met mij, en zeide: Daniel! Nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan. In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.”

Omdat Gabriel moest beginnen waar hij was gestopt (Dan. 8), adviseerde hij Daniel om eerst het gezicht te beschouwen. Toen zei Gabriel: {2TG33: 6.1}

Dan. 9: 24—“Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.”

Aangezien Gabriel hier het gezicht van hoofdstuk 8 uitlegt: de dingen die zouden plaatsvinden gedurende de 2300 dagen: zijn de zeventig weken daarom een deel van de 2300 dagen. {2TG33: 6.2}

6

7

Laten we nu het onderwerp bestuderen, met behulp van deze kaart. {2TG33: 8.1}

De zeventig weken zijn in feite 490 jaren. Teken aan dat gedurende deze 490 jaren, Daniels volk Joden, een eind moesten maken met de zonde en verzoening moesten maken voor hun ongerechtigheid, anders zouden ze hopeloos opgegeven worden. Vervolgens werd Daniel verteld waar de zeventig weken begonnen: {2TG33: 8.2}

Dan. 9: 25—“Weet dan, en versta; van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, ent wee en zestig weken, de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.”

Vanaf het bevel om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot de Messias de Prins, tot Christus, zouden er 7 weken (49 jaren) zijn, en 62 weken (434 jaren) : 69 weken in totaal, of 483 jaren. De geschiedenis toont aan dat het dekreet om de oude stad te herbouwen voortkwam in 457 B.C. Vandaar dat 483 jaren vanaf 457 B.C. ons brengen tot 27 A.D., tot het jaar dat Christus, de Messias, gedoopt was. (Dit incident, bewijst ook, dat de 2300 dagen berekend werden een dag voor een jaar, en dat de zeventig weken de eerste tijdsbalk zijn binnen de 2300 dagen. Kijk naar de kaart.) We zouden nu moeten bedenken dat nadat we de 69 weken hebben afgetrokken van de zeventig weken er nog één week over is. Wat plaats vind gedurende deze week wordt verteld in de verzen die volgen: {2TG33: 8.3}

Dan. 9: 26, 27—“En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten

8

 verwoestingen. En Hij zal velen het verbond versterken één week; en in de helft der week zal Hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en oer den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.”

Wat zou er precies plaatsvinden gedurende de eerste zeven weken of 49 jaren, ben ik niet voorbereid om te zeggen, maar aan het eind van de volgende 62 weken, of 434 jaren zou de Messias uitgeroeid worden, gekruisigd. Gedurende de resterende week, de zeventigste, zou Hij het verbond met velen versterken, en in het midden daarvan zou Hij uitgeroeid worden, gekruisigd, dat is , er zouden 3 ½ jaar zijn vanaf Zijn doop tot aan de kruisiging, en 3 ½ jaar na de kruisiging waarin Hij het verbond zou versterken. Dit voleindigd de 70 weken en brengt ons tot aan de tijd dat ook de apostelen bevolen werd uit te gaan en het Evangelie aan de heidenen te prediken: Een genaamd Cornelius (een heiden), en Petrus ( een jood en een apostel) werden beiden gezichten gegeven: Cornelius werd geïnstrueerd om Petrus te ontvangen en Petrus werd bevolen om Cornelius te ontmoeten. Zie Handelingen, hoofdstuk 10. De joden als natie schoten tekort om een einde aan de zonde te maken en werden daarom verworpen, opgegeven. {2TG33: 9.1}

Christus zijn eigen offer aan het einde van de eerste 3 ½ jaar verving het ceremoniële offerstelsel, en zodoende maakte hij dat het offer ophield in het midden van de week. Dit alles, ziet u, tijd en gebeurtenis, vonden precies zo plaats als Gabriel het voorspeld had. {2TG33: 9.2}

Nochtans, zelf met de toegevoegde verklaring, was Daniel nog

9

 steeds niet in staat alles te bevatten wat in het gezicht was. Maar naar gelang de tijd verstreek, en terwijl zijn last voor de bevrijding van zijn volk toenam, wetend dat de tijd aangebroken was, bad hij om licht. Zijn gebed is vastgelegd in het eerste gedeelte van hoofdstuk 10, waarna de engel verscheen en opnieuw uitlegde: {2TG33: 9.3}

Dan. 10: 21—“Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michael.”

Daniel werd toen al het licht beloofd dat gegeven kon worden, niet alleen op het gezicht van Daniel 8, maar op alles dat opgetekend staat in de schriften van waarheid in verband met het gezicht. Dat wat de engel hem toonde is vastgelegd in Daniel 11 en 12: {2TG33: 10.1}

U zult zien dat hoofdstuk 11, begint met het gezicht van Daniel 8, met de koningen van Medo-Perzië en Griekenland zoals figuurlijk weergegeven door de ram en de geitenbok in hoofdstuk 8. Toen werd Daniel verteld dat de uitlegging uiteindelijk voldoende was, maar dat het onmogelijk voor hem was om het allemaal te begrijpen, want het gezicht moest verzegeld worden voor de tijd van het einde (hoofdstuk 12, verzen 8, 9). {2TG33: 10.2}

Door deze lange profetische geschiedenis en geografie zoals gezien in hoofdstukken 11 en 12, brengt de engel ons tot aan de tijd van het einde, tot aan de tijd dat de reiniging plaats zal vinden. En hier is de aard van de reiniging volgens de woorden van de engel: {2TG33: 10.3}

Dan. 12: 1—“ En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der

10

benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.”

Door de rechtvaardigen te bevrijden, scheidt Hij grondig de rechtvaardigen van de slechten—Hij plaatst de goede “vissen,”in de vaten en werpt de slechten (Matt. 13: 48) uit. Hij zal Zijn volk reinigen van zonde en zondaren. {2TG33: 11.1}

Dan.12: 2, 3—“En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing. De leraars nu zullen blinken, als de glans der uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.”

De slechten die verrijzen met de rechtvaardigen in deze gemengde opstanding zullen ook gescheiden worden van de rechtvaardigen. De slechten zullen te schande en tot eeuwig afgrijzen gemaakt worden, maar de rechtvaardigen zullen eeuwig leven gegeven worden. {2TG33: 11.2}

Dan.12: 10—“Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden, doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.”

De levende heiligen zullen gelouterd worden, maar de slechten zullen zelf noch slechter worden. {2TG33: 11.3}

Dan.12: 11, 12—“En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen worden, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen. Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.”

11

Hier wordt een andere tijdsbalk binnen de 2300 dagen geïntroduceerd, beginnend vanaf de tijd dat het dagelijkse is weggenomen en de verwoesting is opgesteld. (Het dagelijkse stelt iets voor dat niet weggenomen had moeten worden, en de verwoesting stelt iets voor dat niet opgesteld had moeten worden. Het woord “offer, ” is toegevoegd en hoort niet in de tekst. Voor licht hierop lees traktaat no. 3, De Oogst.) {2TG33: 12.1}

Het dient echter opgemerkt te worden, dat de beloofde zegening (de reiniging) niet begint tot nadat de 1335 dagen, of jaren verlopen zijn. {2TG33: 12.2}

Aangezien nu de 2300-jaren periode begint in 457 B.C., met het bevel om de stad Jeruzalem te herstellen en te herbouwen, eindigen de 2300 dagen derhalve in 1844, de tijd dat de 1335 dagen eindigen, dan beginnen de dagen van de zegeningen. Het moet nu in herinnering gebracht worden, dat de reiniging van het heiligdom, ook de reiniging inhoudt van zowel zij die zullen worden opgewekt en zij die leven tijdens de reinigingstijd. Door de profeet Ezechiel sprekend over de reiniging onder de levenden, zegt de Heer: {2TG33: 12.3}

Ezech. 36: 24-29—“Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.Dan zal Ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een neiuwen geest, geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven

12

 heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal het vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen.”

Geen van de levenden kan eigenlijk gereinigd worden van al hun littekens van zonde terwijl ze nog onder de heidenen zijn, ziet u. Ze moeten eerst gescheiden worden van de hypocrieten en heidenen, en dan gebracht worden in hun eigen land, om daar besprenkeld te worden met zuiver water, gereinigd van al hun vuiligheid en van al hun afgoden, wanneer ze naar hun eigen land gaan, niet daarvoor. Zelf een nieuw hart wordt daar aan hen gegeven, en een nieuwe geest ook. Zo zal de Heer maken dat ze in Zijn inzettingen wandelen en Zijn rechten houden voor eeuwig en altijd. Zo zullen te terugkeren en wonen in het land van hun vaderen, Palestina, en zo zullen ze voor eeuwig Gods volk zijn. Deze dingen ziet u, zijn vóór de duizend jaar. {2TG33: 13.1}

Laten we nu de reiniging onderzoeken volgens de profeet Joel, Maleache en Jeremia: {2TG33: 13.2}

Joel 3: 21—“ En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de Heere zal wonen op Sion.”

Mal. 3: 1-3—“Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gijlust hebt; ziet Hij komt, zegt de Heere der heirscharen. Maar wie zal den dag Zijner komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers. En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigenden, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in

13

 gerechtigheid.”

Jer. 31: 31-33—“Ziet de dagen komen, spreekt de Heere, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Heere. Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de Heere; Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Het oude verbond was om de geboden te houden toen ze geschreven waren, niet in het hart, maar op stenen tafelen, tegen de wil van het hart van steen. Maar het nieuwe verbond is om hen te reinigen van hun hart van steen, en om de geboden te schrijven in het hart van vlees. {2TG33: 14.1}

Jer. 31: 34—“ En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder leren, zeggende: Kent den Heere! Want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.”

Wanneer Gods volk op deze wijze gereinigd zijn, zullen ze allen de Heer kennen. Dan zullen ze inderdaad Zijn volk, Zijn natie zijn. En Gods garantie is dit: {2TG33: 14.2}

Jer. 31: 35, 36—“Zo zegt de Heere, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft,

14

 dat haar golven bruisen, Heere der heirscharen is Zijn Naam: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Heere, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.”

Doet God dit omdat Zijn volk goed is geweest of omdat Hij zijn naam wil rechtvaardigen? Laat wij kijken: {2TG33: 15.1}

Ezech. 36: 20-24—“En als zij tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des Heeren, en zijn uit Zijn land uitgegaan. Maar Ik verschoonde hen om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de heidenen, waarhenen zij gekomen waren. Daarom zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels! Maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt. Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij  in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, spreekt de Heere HEERE als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn. Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.”

Het Woord verklaart duidelijk dat het heiligdom gereinigd moet worden, dat het land ook terug gewonnen moet worden, het Koninkrijk hersteld, niet omwille van de goedheid van de mensen, maar omwille van Gods Naam, vanwege Zijn eigen goedheid. De heiden zal ook weten wat God voor Zijn volk gedaan heeft, want de Schriften tonen dat dit alles precies voor hun ogen zal plaats vinden. Deze zelfde reiniging beschrijft Christus aldus: {2TG33: 15.2}

15

Matt. 25: 32-34—“ En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechterhand zijn: Komt gij gezegenden Mijns Vaders! Beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.”

Hier is Waarheid welke de Kerkgenootschap over het hoofd heeft gezien: ze denken dat ze door harde werkers te zijn een lijn maken naar de troon van God voor de duizend jaar. Maar volgens de schriften, ziet u hier dat het volk eerst gescheiden moet worden van de heidenen, dan gereinigd van al hun vuiligheid, en zodoende instaat gesteld worden te staan in de aanwezigheid van een reine en eeuwige God. Aldus is het heiligdom onder de levenden gereinigd, en aldus wordt het volk geschikt gemaakt om met Christus duizend jaar te heersen. {2TG33: 16.1}

Broeder, Zuster, zorg dat u zeker gevonden wordt, niet onder de bokken aan Zijn linkerkant, mar met de schapen aan Zijn rechterkant, als u de Koning wil horen zeggen: Komt Gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.” (Matt. 25: 34). {2TG33: 16.2}

En onthoud dat we nu leven reeds jaren  “in de eindtijd,” leven. Bovendien is het licht nu gekomen omdat de reiniging van de levende leden van de kerk op handen is. {2TG33: 16.3}

16

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrust

Vol.2Nr 34

                                                                                                                

Plaatje

Als U Niets Was, Wat Zou U Dan Verkiezen Zijn?

ALS U NIETS WAS, WAT ZOU U DAN VERKIEZEN TE ZIJN?

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 17 April 1948

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Onze tekst wordt gevonden in 1 Koningen 3: 5. {2TG34: 17.1}

1 Kon. 3: 5—“Te Gibeon verscheen de Heere aan Salomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal.”

Salomo vroeg om wijsheid, en tezamen daarmee kreeg hij alles wat een mens kon wensen om te hebben. (1 Kon. 3: 10-14.) Als wij zo een keuze gegeven waren als Salomo, waar zouden wij naar vragen? – Ik vrees dat velen van ons niet zouden vragen naar zo een goed ding als Salomo vroeg? Ik denk dat velen van ons zouden vragen naar een redelijk geldbedrag, en sommige van ons zouden misschien vragen om geweldige kostbaarheden, anderen om een echtgenote of een echtgenoot. En waarom denk ik dit? –Eenvoudig omdat ik zie dat zovele zich toeleggen op verdienen en jagen, niet op leren. {2TG34: 17.2}

Stel dat u niets was, en u had genoeg verstand om Gods stem te horen, zoals Salomo deed, zeggend: “Wat zou u willen zijn? Vraag ernaar en het zal van u zijn.” U zou, natuurlijk, de beste willen zijn in Gods schepping—een mens. {2TG34: 17.3}

17

Laat ons veronderstellen dat uw verzoek is ingewilligd, dat u nu een prachtig mens bent geworden, maar niet verder ontwikkeld was: U behoord tot nog toe niet tot een familie, ras, regering of volk. U weet niets van God en niets van godsdienst. {2TG34: 18.1}

Als volgt in uw ontwikkeling onder de levenden, zou u uw nationaliteit willen kiezen. Van al de volkeren op de aarde, welke zou u kiezen om te zijn? Ik zou kiezen om een Hebreeër te zijn, want het Hebreeuwse volk heeft van al de volkeren op aarde profeten, koningen en priesters in haar afkomst. Het Hebreeuwse volk, heeft natuurlijk (ik bedoel niet de ongelovige hedendaagse joden) vandaag aan de dag geen eigen regering; is verstrooid onder de volkeren. U zou daarom de regering moeten kiezen waaronder u, uw thuis zou willen maken. Aangezien de Verenigde Staten van Amerika de meest voorspoedige natie is, en daar onder haar leiding u zich met een grote vrijheid overal kunt bewegen dan in welke ander natie ook, zou u ongetwijfeld kiezen om een van haar ingezetenen te worden. {2TG34: 18.2}

Stel dat u vervolgens buitengewoon doordrongen was om uzelf te verbinden met een kerk. Zijnde maar drie godsdiensten om uit te kiezen—Heidens, Christelijk en Mohammedaans—welke zou u voor u zelf kiezen? Uw door God gegeven wijsheid zou u zeggen dat het die ene zou moeten zijn die het beste en langste verslag heeft, de ene die zijn oorsprong en standvastigheid heeft bewezen, de ene die van zichzelf heeft bewezen in staat te zijn zondaren te redden, de doden op te wekken, en de levenden over te brengen. {2TG34: 18.3}

Daar alleen de Godsdienst van Christus zichzelf capabel heeft bewezen om dit alles uit te voeren en om de opkomst en ondergang van naties en volkeren te voorspellen, verleden, heden en toekomst—sinds onheugelijke tijden

18

 tot aan de eindtijd. En daar haar grondlegger alleen de verdienste opeist voor het scheppen van de wereld; en van de Zoon van God zijn, het begin en het einde, de Verlosser van de gehele mensheid, zou u zich daarbij willen aansluiten. In feite, als iemand de volkomen voordeel van godsdienst zou willen oogsten, dan zijn dit de kwalificaties die zijn godsdienst moet hebben. En als dit de hoofd redenen zijn voor iemand om godsdienst te omarmen, dan is er geen alternatief dan om de Christelijke godsdienst te nemen, want allen dat staaft zijn garantie met actuele feiten, met actuele uitvoering. {2TG34: 19.1}

Stel dat u nu een hartgrondige, algehele Christen bent geworden, maar u wordt toch geconfronteerd met een groter probleem, dat is, u ondervind dat het Christendom verdeelt is in vele sekten, de een verschillend van de ander beiden in leerstelling en gedrag. U bent daarom gedwongen te kiezen voor de sekte waar u zich zou willen aansluiten, de sekte die u tot uw eigen zo willen maken. {2TG34: 19.2}

Uw keuze, zou vanzelfsprekend wederom gebaseerd moeten zijn op feiten, niet op veronderstellingen. En aangezien de Bijbel Zelf nu uw enige gids is geworden, uw enige leraar, zou u Het moeten raadplegen, en uw keuze zou dientengevolge gemaakt moeten worden. En als u nu zou leven in de tijd van het einde, de tijd waarin de Openbaring van Johannes eigenlijk spreekt en schijnt op het pad van de heiligen, zou u vanzelfsprekend eerst het boek van de Openbaringen moeten raadplegen en de sekte kiezen die Het aanbeveelt. En welke is het? – Laten we gaan naar Openbaring 12: {2TG34: 19.3}

Openb. 12: 15—“En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.”

19

De vrouw, weet u, is het symbool van de sekte, de kerk. {2TG34: 20.1}

Openb. 12: 16—“En de aarde, kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.”

Alleen deze kerk, ziet u, wordt door de aarde zelf begunstigd. Alleen deze sekte is gered van de rivier van de draak, gered van weggevoerd te worden door de vloed van huichelaars en “onkruid,” in haar midden. {2TG34: 20.2}

Openb. 12: 17—“En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben.”

Hier, ziet u, de overigen:  zij die achter gelaten zijn, nadat de andere zijn verzwolgen door de aarde, zogezegd—houden de geboden van God en hebben de getuigenis van Jezus Christus. Dit overblijfsel of sekte, dat de geboden van God houdt, is daarom de enige die Inspiratie aanbeveelt, de enige die het waard is om u bij aan te sluiten, de enige die een ieder ten voordeel kan zijn. Dit alleen bezit de macht om aan elke en aan al de rampen te ontsnappen, die nu door de hele wereld aan het broeien zijn. Het is de enige sekte die goedkeuring vind bij God. Geen ander is goed genoeg, want geen ander zou u voordeel brengen. {2TG34: 20.3}

Verder, ook, heeft dit alleen de getuigenis van Jezus Christus—de levende Geest der Profetie in haar midden (Openb. 19: 10), –De Geest Die leidt in alle Waarheid, Die alleen op juiste wijze de Schriften kan uitleggen (2 Pet. 1: 20, 21). Het is dan duidelijk dat Inspiratie zou willen dat u zich bij geen andere sekte aansluit, dan dit “overblijfsel.” {2TG34: 20.4}

20

De geboden van God houden, brengt met zich mee, elk van hen houden want,” Want wie de gehele wet zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.” Jak. 2: 10. En onthoud ook, dat het houden van de geboden, alleen openlijk erkend kan worden door het houden van het Sabbatsgebod, het gebod dat zegt: {2TG34: 21.1}

“Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen: maar de zevende dag is de sabbat van de Heere uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag: daarom zegende de Heere de sabbatdag en heiligde denzelven.” Exod. 20 : 9-11. {2TG34: 21.2}

De sabbatdag, ziet u, is heilig geschapen, maar de eerste zes dagen zijn geschapen voor werk. De sabbat van de zevende dag is de enige sabbat, en het gehele heilige Woord van God is er geen gebod om een andere dag in haar plaats te houden. Alleen het houden van de zevende sabbatdag, getuigd van iemands geloof in de Schepper, en tegen evolutie. Een vervanging van de sabbat, kan daarom niet aanvaard worden als een gebod van God, dan Kains offer aanvaard kon worden als een door God verordineerd offer. {2TG34: 21.3}

Neen, spreek de Heer niet tegen door te zeggen dat de zevende dag alleen voor de Joden is, want de Heer zegt: {2TG34: 21.4}

“Jes. 56: 2-7: “Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en

21

die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen. En de vreemde, die zich tot den Heere gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De Heere heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet ik ben een dorre boom. Want alzo zegt de Heere van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe ik lust heb en vasthouden aan Mijn verbond; ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden. En de vreemden, die zich tot den Heere voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des Heeren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige en die aan Mijn verbond vasthouden; Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.”

De enige sabbat die Jezus ooit kende was de sabbat van de zevende dag, en vooruitblikkend naar de grote verdrukking, diep in de Christelijke eeuw, zei Hij: “Doch bidt dat uw vlucht niet geschiedde in de  winter noch op een sabbatdag; want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanigen niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.” Matt. 24: 20, 21. De sabbat ziet u, is voor alle mensen, zowel in Oud en Nieuw Testamentische tijden. Bovendien, wederop sprekend over de Christelijke eeuw, de tijd dat de aarde nieuw gemaakt is, verkondigt Inspiratie: {2TG34: 22.1}

Jes. 66: 23—“En het zal geschieden, dat van de enen nieuwe maan tot de andere, en van der enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor

22

Mijn aangezicht, zegt de Heere.”

Daar, “de Openbaring,”het boek dat spreekt van het volk van God in deze tijd, de sekte aanbeveelt dat de geboden houdt en dat de gaven van profetie heeft, kunt u zichzelf niet wijselijk aansluiten met een nadere sekte. En daar God het zo verkondigt, moet het zijn dat er slechts een volk is in deze specifieke tijd die de levende getuigenis van Jezus Christus, de Gave van de Geest der Profetie heeft. Bovendien als God de gaven bij meer dan een volk zou plaatsen, zou betekenen dat Hij verwarring veroorzaakt en rampspoed aan Zijn eigen werk, Zijn eigen doel dwarsbomen. Verder nog, als meer dan een de Gave heeft, dan zouden ze allemaal noodzakelijkerwijs het als geheel eens moeten zijn. Maar daar er geen twee sekten zijn die het eens zijn met elkaar, de waarheid dat er maar een sekte is, die de Gave heeft is een absolute realiteit. En terwijl u kunt kiezen om het sabbatsgebod te houden, kunt u uzelf niet inspireren met de Geest der Profetie—deze Gave is verleend aan het overblijfsel door God Zelf. {2TG34: 23.1}

Uw volgende probleem in de ontwikkeling van uw leven, zal gevonden worden in de gepaste naam van dat gebod houdende volk, een naam die eigenlijk de praktische uitdrukking zou moeten zijn, dat zij “het overblijfsel,” zijn, want een Heilige geïnspireerde naam moet feitelijk het volk aantonen welke Inspiratie hier aanbeveelt. Een andere naam voor hen zou misleidend zijn, en dezelfde naam voor een ander volk, zou ook misleidend zijn. {2TG34: 23.2}

Laten we niet verzuimen ook op te merken, dat de naam voor een volk, niet echt een naam is maar een titel. En titels, weet u, veranderen even snel als Waarheden ontvouwen, even snel als Waarheid voortgaat van een fase van het evangeliewerk naar het anderen. {2TG34: 23.3}

23

Om een voorbeeld te geven: Zelf de persoonlijke namen van de patriarchen, door welke verschillende bewegingen in het verleden genoemd werden, werden veranderd als de tijd vorderde. Abram, werd na verloop van tijd, als u zich dat kunt herinnering, Abraham genoemd; en Jakob werd Israel genoemd. Toen werd ook de kerk in de tijd van Mozes, Israelisch genoemd, in de tijd van Christus was het Jiddische, en daarna Christelijk. Ten slotte kwam de tijd dat het of Katholiek of Protestants werd genoemd. Dan of Luthers of iets anders. Elk van deze was de oorsprong van de oude. Niet zij die achterblijven, maar zij die voort marcheren met de boodschappen van God, als de tijd verloopt, worden altijd erkend door de Hemel, als dé Kerk. {2TG34: 24.1}

Bij de aanvang van elke boodschap waren de mensen die voort marcheerden met de Waarheid individuele leden van de kerk, welke een kerk was geworden door het aanvaarde van een boodschap, een boodschap die haar grondlegger voortbracht. Bijvoorbeeld, de gehele Joodse kerk werd niet een Christelijke kerk, maar de Christelijke kerk trok haar leden van de Joodse kerk en bracht tot de gevorderde Waarheid, Waarheid specifiek toepasselijk voor de tijd en het volk dan. {2TG34: 24.2}

Daar we nu leven in de tijd van de Openbaring, in de tijd van het ontvouwen van de profetieën die vooruit wijzen naar het opzetten van het Koninkrijk even als de tweede komst van Christus, kan de kerk in deze tijd, logischerwijs daarom niet onder een naam gaan, anders dan een naam die haar huidige (gevorderde) fase van het evangelie werk  zou passen. {2TG34: 24.3}

Overduidelijk dan, moet haar naam de waarheiden uitdrukken die zij aanhangt; dat is, het houden van

24

de geboden, de tweede komst van Christus, en ook het herstel van het Davidiaanse Koninkrijk volgens de profetie. Vandaar dat de logische naam dat haar werk voorstelt, vanaf deze tijd tot de tijd dat het Koninkrijk is opgezet,  de Davidiaanse Zevende dags Adventisten moet zijn, — een naam dat getuigt van de boodschap van het Koninkrijk, van het houden van de geboden waarvan de sabbat van de zevende dag een deel is en van de tweede komst van Christus. {2TG34: 25.4}

Nu ziet u dat iedere toegevoegde tijdelijke Waarheid, een toegevoegde tijdelijke naam brengt. En u die niet gedoopt bent in de naam van de kerk, maar in de naam van Christus, door de Waarheid van de Geest, u die niet gebonden bent aan een mens, maar aan Christus, kan niet helpen om door te gaan met de Geest der Profetie, Die de Waarheid ontvouwt en Haar volk namen geeft.  U kunt het daarom niet veroorloven, om rustig erbij te staan, te dromen van rijk te zijn en verrijkt, aan geen ding gebrek terwijl in feite u geestelijk arm en naakt bent. En u zult zo blijven als u verzuimt zich te ontwikkelen met de Waarheid voor deze tijd. {2TG34: 25.1}

Tenslotte, dient u echt te weten wat de boodschap van het Koninkrijk is, de “toegevoegde boodschap” (Early Writings, pg. 277, Eerste Geschriften blz. 332), en de fase van haar werk dat de titel, “Zevende dags Adventisten,” ondersteund tot de titel Davidiaanse Zevende dags Adventisten. {2TG34: 25.2}

Jes. 11: 11, 12, 16—“ Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, het wek overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilander der zee. En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij

25

zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden der aardrijks….

En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.”

Als Gods volk dat in Babylon is uit haar moet komen om aan haar plagen te ontsnappen (Openb. 18: 4) en om geen deel te hebben aan haar zonden, die in Babylon zijn, wanneer ze het beest berijd en de wereld regeert (Openb. 17), dan moeten ze noodzakelijkerwijs naar een plaats gaan dat niet gevoelig is voor haar plagen en waar er geen zonde is. Waar is die plaats? –Laat de Bijbel het antwoord geven: {2TG34: 26.1}

Ezech. 37: 21-28—“Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen rondom, en brengen hen in hun land; En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels, en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben, en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn. En Mijn knecht David zal Koning over hen; en zij zullen allen te zamen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij

26

 wonen, zij wen hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. En Mijn tabernakel zal bij hen zijn en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.”

Ezech. 36: 22-28—“Daarom zeg tot het huis Israels; Zo zegt de Heere, Heere; Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels!, maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt. Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; end e heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, spreekt de Heere Heere als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn. Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen. Dan zal ik rein water op u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen. En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen. En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.”

Nu kunt u ten volle de naam

27

 Davidiaanse Zevende dags Adventist waarderen. En zo als u niets was, gisteren, en een Heilig verlicht mens vandaag, zou u ten slotte een Davidiaanse Zevende dags Adventist zijn. {2TG34: 27.1}

Stel echter, dat u verder zou willen gaat tot volmaaktheid? Dan zou u vanzelfsprekend weer roepen toe de Heer en zeggen: {2TG34: 28.1}

Mich. 6: 6, 7—“Waarmede zal ik den Heere tegenkomen en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?”

En nu is dit Gods antwoord tot uw roep: {2TG34: 28.2}

Mich. 6: 8—“ Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! Wat goed is; en wat eist de Heere van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?”

Ja, hier heeft u het antwoord voor uw harte wens: Recht doen, weldadigheid liefhebben, en nederig wandelen met uw God; maar niet hoogmoedig en onafhankelijk. En verder nog, vervolgt Inspiratie: {2TG34: 28.3}

Mich. 6: 9—“De stem des Heeren roept tot de stad want Uw Naam ziet het wezen: Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!”

De Herdersstaf, de boeken die Inspiratie zo genoemd heeft en haar inhoud geïnspireerd heeft, zijnde de enige Staf in de wereld die gehoord kan worden, sprekende de bevelen van de Heer dat u het zou moeten horen, zodat u geen tijd kunt verspillen in

28

beslissen tussen de literatuur van de Staf en een ander. Want er is geen andere vandaag dan de literatuur van de Staf welke God aanbeveelt dat u hoort. En wanneer u de Staf hoort, zult u uzelf omhult voelen in de liefde van Christus en in de “armen,”van God. Probeer het. {2TG34: 28.4}

Luister nu naar Zijn Woord en laat Hem in de taal van de profeten u meer vertellen over de dag dat u en ik nu naderen, de dag waar we bijna van aangezicht tot aangezicht staan. Met het licht reeds gegeven, behoeven de volgende schrift gedeelten geen speciaal commentaar; ze leggen zichzelf uit. {2TG34: 29.1}

Mich. 6: 9—“De stem des Heeren roept tot de stad want Uw Naam ziet het wezen: Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!”

Zach. 13: 8, 9—“En het zal geschieden in het ganse land, spreekt de Heere, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven. En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen; De Heere is mijn God.”

Zach. 12: 8-10—“Te dien dage zal de Heere de inwoners van Jeruzalem beschutten, en die die onder hen struikelen, zou, zal te dien dage zijn als David, en het huis Davids zal zijn als god; als de Engel des Heren voor hun aangezicht. En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen. Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden en zij zullen

29

Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.”

Jer. 30: 9—“Maar zij zullen dienen den Heere hun God, en hun koning David dien Ik hun verwekken zal.”

Ezech. 37: 24-26—“ En Mijn knecht David zal Koning over hen; en zij zullen allen te zamen één Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij wen hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid. En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.”

Aangezien u nu geïnstrueerd bent in Waarheid en rechtvaardigheid, en daar de aarde de vloed van de draak nog niet verzwolgen heeft, en ook daar de boodschap slechts de aankondiging is dat de aarde spoedig de vloed zal verzwelgen, met welke groep van kerkleden zou u het liefst willen omgaan? – Luistert nu naar de klasse welke de Heer aanbeveelt: {2TG34: 30.1}

Matt. 5: 3: 16—“Zalig zijn de armen van geest: want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijn de treuren; want zij zullen vertroost wor

30

den. Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden. Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden. Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien. Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende allerlei kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil. Verblijdt  en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u geweest zijn. Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugd nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en aan de mensen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verbergen zijn. Noch steekt men een kaars aan en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn. Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is verheerlijken.