De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 1 Tijdige Groeten Nrs. 27, 28

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrust

Vol 1  Nr. 27

                                                                                                             

Plaatje

Een Roede Die Spreekt, Roept op tot Hervorming En Creëert  een Grote Strijd

GEBEDSVOORLEZING

Ik zal lezen uit: “Gedachten van de berg der Zaligsprekingen,” beginnend op bladzijde: 112 de laatste alinea— {1TG27: 2.1}

“Pas wanneer gij gevoelt, dat ge uw eigenwaarde zoudt kunnen opofferen, en zelfs uw leven zoudt kunnen afleggen om een dwalende broeder te redden, hebt u de balk uit uw eigen oog weggedaan, zodat u gereed bent om uw broeder te helpen. Dan kunt u hem benaderen en zijn hart raken. Niemand is ooit van een verkeerde houding afgebracht door veroordeling en verwijten; maar velen zijn op deze wijze van Christus weggedreven, en zijn ertoe gebracht hun harten te sluiten voor hun overtuiging. Een tedere geest, een zachtmoedig, innemend gedrag, kan de dwalende behouden, en een menigte zonden verbergen. De openbaring van Christus in ons eigen karakter zal een hervormende kracht hebben over allen met wie u in aanraking komt. Laat Christus dagelijks in u openbaar worden, en Hij zal door u de scheppende kracht van Zijn woord openbaren—een zachte overredende, maar toch machtige invloed om andere zielen te herscheppen tot de schoonheid van de Here onze God.” {1TG27: 2.2}

Volgens de visie van Inspiratie is geen van ons gekwalificeerd om fouten te vinden bij wie dan ook. Heeft u opgemerkt wat we hebben gelezen?—Dat alleen wanneer we het punt bereiken dat we gewillig zijn ons leven af te leggen om een dwalende broeder te redden, zullen we geschikt en in staat zijn om anderen te helpen hun fouten te corrigeren. {1TG27: 2.3}

In het licht hiervan, wat is onze behoefte Broeder, Zuster? Zouden we niet bidden voor een ervaring dat Christus in ons geopenbaard mag zijn; bidt voor een ervaring dat ons zal voorbereiden anderen te helpen in plaats van hen te hinderen; bidt om een tedere, overredende, machtige invloed van de Waarheid op hen? Dan zullen we in staat zijn om de dwalende wijs te benaderen, hun harten te raken, en hun fouten te tonen. Alleen dan zullen ze naar ons luisteren maar zeker niet eerder. {1TG27: 2.4}

2

EEN ROEDE DIE SPREEKT ROEPT OP TOT HERVORMING, EN CREËERT EEN GROTE STRIJD.

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 8 FEBRUARI, 1947

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Ons onderwerp deze middag begint met— {1TG27: 3.1}

Micha 6: 1,2–  Hoort, nu wat de Heere zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen. Hoort, gij bergen! Den twist des Heeren, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! Want de Heere heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.”

Het eerste wat we opmerken is het feit dat de boodschapper van God bevolen wordt om met de bergen te twisten en dat de heuvelen zijn stem zouden horen. Vanzelfsprekend dan, in dit schrift gedeelte evenals ergens anders in de Bijbel, zijn bergen en heuvelen een figuurlijke voorstelling van koninkrijken en regeringen. {1TG27: 3.2}

Hij moet twisten met de bergen, niet tegen hen; dat is, hij moet verkondigen dat de Heer een strijdpunt heeft met Zijn volk, dat Hij vraagt om een grondige hervorming onder hen, en dat ze niet gewillig zijn en meewerken. {1TG27: 3.3}

Het was gebleken in voorgaande studies, dat de profetieën van Micha 4 en 5 vervuld zullen worden in de laatste der dagen, onze tijd, in een tijd dat Inspiratie door de openbaring van deze profetieën oproept tot een hervorming onder Gods

3

volk. De profetieën die nu vanaf ze geschreven zijn, voor het eerst ontzegeld worden. En de hervorming die reeds op handen is, het feit dat in plaats van vreugdevol de vers geopenbaarde boodschap aan te nemen, ze een strijdpunt scheppen door de Adventisten kerken, toont duidelijk aan dat nu de tijd is om te twisten met de bergen, nu is het de tijd voor hen (“de bergen”) om de Heer Zijn strijdpunt met Zijn volk te horen. {1TG27: 3.4}

De woorden, Maak u op, twist met de bergen en laat de heuvelen uw stem horen, suggereren, dat tot nog toe zijn stem slechts lokaal gehoord is geworden, maar dat hij nu de toestand moet tegemoet treden zelfs als de bergen, heuvelen en de sterke fondamenten van de aarde horen dat de Heer een strijdpunt heeft met Zijn volk. {1TG27: 4.1}

Tot nu toe, waren we slechts aan het spelen met de tegenstanders van de Heer, maar nu moeten we tot zaken overgaan, ongeacht wie het hoort. Zijn volk moet zich nu voor altijd keren van wat mensen zeggen, wat het ook mag zijn, en hun geloof en hoop beperken tot “Zo zegt de Heer,” ongeacht door wie Hij het zegt, anders zullen ze het afleggen. Als volgelingen van de Heer, moeten wie luisteren naar Zijn hart verscheurende smeekbede voor herleving en hervorming: {1TG27: 4.2}

Mich. 6: 3—O Mijn volk! Wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.”

Denk er over na ! Een grote en oneindige God pleitend met zulke onbeduidende en zondige mensen als ons, verlangend om te weten waarom zij tegen Hem zijn. {1TG27: 4.3}

Mich. 6: 4–  “Immers heb ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw

4

aangezicht henen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam.”

God spreekt tot ons die de afstammelingen zijn van de profeten, van de apostelen en van discipelen die door de jaren van onderworpenheid onder de heidense volkeren hun nationaliteit zijn kwijtgeraakt. Hoewel we onszelf geen Israëlieten, Jakobieten of Joden noemen, noemt God ons wel zo. {1TG27: 5.1}

Gods weinige getrouwen door de eeuwen heen, waren gewillig en zelf blij om ter koste van de Waarheid en gerechtigheid de smaad van hun blinde en ontrouwe broeders en zusters tegemoet te treden. Zouden we niet net zo blij moeten zijn om net zoveel te doen ? Zij hebben de wedloop en de kroon gewonnen en er is geen reden waarom wij dat ook niet zouden doen. Inderdaad kunnen wij het ons niet veroorloven om onze beloning kwijt te raken op dit late uur. {1TG27: 5.2}

Mich. 6: 5— Mijn volk! Gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des Heren kent.” Hier worden we verteld dat om de gerechtigheid van de Heer te kennen, is te gedenken hoe God handelde met onze voorvaderen, want Zijn liefde naar ons toe is niet minder dan het was naar hen toe. Hij herinnert ons aan het incident toen Balak , Bileam inhuurde om Israël te vervloeken, en hoe Hij Bileam ertoe bracht voor Hem te spreken en Zijn volk te zegenen, dat Hij omwille van hun het doel van de koning liet mislukken en Bileam er toe bracht te verkondigen aan Balak: {1TG27: 5.3}

“En nu, zie, Ik ga tot mijn volk; kom, Ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste der dagen….Er zal een ster voortgaan uit Jakob, en er zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal als de kinderen van Seth verstoren. En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seïr zal zijn vijanden een erfelijke bezitting

5

zijn; doch Israël zal kracht doen.”Num. 24: 14,17,18. {1TG27: 5.4}

In feite zei Bileam aan de koning van Moab: “Ik heb mijn best gedaan om uw gunst te verwerven en Israel te vervloeken, maar God heeft gezegevierd. Israel heeft gewonnen; jij en ik hebben verloren. En laat mij u verder vertellen wat dit volk zal doen met uw volk in de laatste der dagen: Hij die gaat overheerzen zal Moab aan alle kanten verslaan en Israel zal kracht doen.” {1TG27: 6.1}

Aldus was Bileam gedreven de geboorte van Christus en Zijn heerschappij te voorspellen, veroorzakend dat Israel heldhaftig deed tegen Moab en zijn aangrenzende volkeren in de laatste dagen. {1TG27: 6.2}

Dit alles te weten is de Heer onze gerechtigheid kennen; dat wil zeggen als Hij voor ons is dan zal niemand iets tegen ons winnen; de strijd is des Heren; dat we onze vijanden niet hoeven te vrezen; dat wat wij ook zullen doen voorspoedig zal zijn ongeacht wie tegen of voor ons is. {1TG27: 6.3}

Mich. 6: 6, 7— “Waarmede zal ik den Heere tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren? Zou de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?”

Vanuit deze verzen is het duidelijk dat de ontvouwing van deze schrift gedeelten een herleving en hervorming teweeg brengt onder Gods volk zoals de wereld die nooit gezien heeft: Zij die de Waarheid in Haar volheid ontvangen, belijden nederig dat zij zondaren zijn en ze verlangen ernaar het ergste van hun geval te weten. Ze offeren blijmoedig alles en iedereen op; voor hen is geen offer dat hun dichter bij de

6

Heer zal brengen te groot. Zodra hun trotse mening hen verlaat, zodra ze verootmoedigend navragen hoe voor de Heer te komen en te buigen, precies dan komt het antwoord tot hen: {1TG27: 6.4}

Mich.6: 8–Hij heeft u bekend gemaakt o mens wat goed is; en wat eist de Heere van u dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met uw God.”

Om recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen met God, is het grootste geschenk dat men voor de Heer kan brengen. Op te leren hoe recht te doen en weldadigheid lief te hebben en ootmoediglijk te wandelen, worden we nadrukkelijk verteld: {1TG27: 7.1}

Mich. 6: 9—“De stem des Heeren roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!”

De Heer verkondigt dat Zijn stem roept tot de stad ( tot de kerk) en dat de wijze mannen de Naam zullen zien, en naar de Roede zullen horen en Hem Die het besteld heeft. {1TG27: 7.2}

Deze roede is duidelijk in staat te spreken en om gehoord te worden, vandaar het bevel: “Hoort gij naar de Roede.” Voor zover we weten, is de enige roede die ooit gesproken heeft: “DE HERDERSSTAF.” Bovendien was het niet het resultaat van enig ijverig onderzoeken van de Bijbel dat het boek zo werd genoemd, de schrijver was niet bekend met dit schriftgedeelte, noch minder had hij enig begrip van het boek van Micha in de tijd dat de titel “Herdersstaf” aan het boek was gegeven. {1TG27: 7.3}

Ik kan in ieder geval niet de Heer zijn advies in deze zaak, overzien, negeren of verwerpen. Ik moet luisteren naar de Roede en Hem Die hem besteld heeft, als ik verwacht een huis

7

te hebben in Zijn Koninkrijk. Ik kan het me niet veroorloven anders te doen, God helpe mij, want Hijzelf verklaart dat als we zouden weten hoe voor Hem te komen, welke offerande acceptabel voor Hem is, hoe recht te doen, en weldadigheid lief te hebben en hoe ootmoediglijk voor Hem te wandelen, ik de Roede moet horen, die “roept tot de stad.” {1TG27: 7.4}

Nu is het aan ons allen als individu, te beslissen of we zullen luisteren naar de stem van mensen of naar de Stem van Gods Roede. Dit is nu een ieder zijn test, en het moet een ieders zorg zijn, aangezien een van deze twee stemmen—de stem van mensen of de Stem van Gods Roede—een ieders lot zal bepalen of tot eeuwige dood of tot het eeuwige leven. {1TG27: 8.1}

Aangezien deze boodschap aankondigt dat de grote en verschrikkelijke dag van de Heer nabij is—dat het Oordeel van de Levend staat te beginnen, en daar Jesaja de profeet een gezicht was gegeven van het gaan van de Heer tot Zijn tempel voor dit oordeelswerk, moet de ervaring van de profeet terwijl hij nog in de geest was, daarom de ervaring van Gods dienstknechten voorstellen die de dag van de Heer zullen verkondigen. Zijn ervaring en opdracht, moet onze ervaring en opdracht zijn: {1TG27: 8.2}

“Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: zie, hier ben Ik, zend mij henen. Toen zeide Hij; Ga henen, en zeg tot dit volk : Horende hoor, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen,

8

 noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.” Jes. 6: 8-10. {1TG27: 8.3}

“Den Heere der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking. Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en toe een net den inwoners te Jeruzalem. En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.” Jes. 8: 13-15. {1TG27: 9.1}

Mich. 6: 10, 11—Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is? Zou Ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?”

Hier wordt absoluut gesuggereerd dat deze afschuwelijke dingen—schatten vergaard door bedrieglijke weegschalen toch in het huis van de slechten zijn. Het doel van oneerlijkheid, snel rijk worden ten koste van andermans zweet, wordt hier veroordeeld. Al deze afschuwelijkheden, gedreven door zelfzuchtigheid, moet weggedaan worden door allen die de grote en geduchte dag des Heren willen overleven. {1TG27: 9.2}

De latere vraag van de Heer: “ Zou Ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedrieglijke weegstenen?” duidt aan dat sommigen nog steeds aan hun bedrieglijke weegstenen vasthouden, en verwachten om per vergissing onder de reinen geteld te worden. {1TG27: 9.3}

Er zijn twee soorten dieven. Dief nummer één is de persoon die direct steelt. Dief nummer twee is de persoon die in een overeenkomst bewerkstelligt om een beetje meer te krijgen dat wat eigenlijk van hem is.  Het kan hem niet schelen of in de overeenkomst de andere persoon weinig of niets verdient. Wat hem kan schelen is dat hij zelf er baat bij heeft. Dit soort diefstal is het ergste omdat het zelf door zogenaamde

9

 goede Christenen wordt uitgeoefend. {1TG27: 9.4}

Mich. 6: 12–  Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedrieglijk is in haar mond.”

De handelingen van geweld, liegen en stelen, verkondigt Inspiratie, zijn onder Gods volk. {1TG27: 10.1}

Mich. 6: 13–  “Zo zal Ik u ook krenken, u slaande en verwoestende om uw zonden.”

De tijd is aangebroken, Broeder, Zuster om het eigen ik te vergeten en eerlijk te zijn met alle mensen, te beseffen dat het eigen ik, als het ware is als het lichaam van een dode man,gebonden aan iemands rug om daar iemands levenskracht af te tappen en hem ziek in bed te zetten. Aan zulke hebzuchtige, egoïstische mensen verklaart de Heer: {1TG27: 10.2}

Mich. 6: 14,15–  Gij zult eten, maar niet verzadigd worden en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn, en gij zult aangrijpen maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen zal Ik aan het zwaard overgeven. Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.”

Mich. 6: 16–   Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zukt gij de smaadheid Mijns volks dragen.”

In plaats van in de raad van Gods Roede te wandelen, wandelen de slechten in de raad van de slechten. En hoe slecht zijn hun adviseurs? –Inspiratie verklaart dat ze zo slecht zijn als diegene van het huis van Omri en Achab. (Lees 1 Koningen 16: 25, 26, 29, 30, 33) Als gevolg daarvan zal hun lot het lot zijn van het

10

 huis van Achab. (Lees 2 Koningen 10: 10,11) {1TG27: 10.3}

Micha 6 laat zeker helemaal geen twijfel dat de tijd volledig is gekomen voor Gods volk om meer dan ooit te voren tot zaken over te gaan. De boodschap die ons is toevertrouwd, beveelt Inspiratie, zullen “als bladeren van de herfst verspreid worden.”—“Getuigenissen,” Deel 9, p. 231. En hier zijn de bladeren. {1TG27: 11.1}

Ter Correctie

Tijdige Groeten

De enige gemoedsrustVol. 1Nr. 28

                                                                                                              

Plaatje

Aan De Drempel Van Een Nieuwe Wereld In Het Zicht Van De Oude.

GEBEDSVOORLEZING

De Waarheid Zal U Vrij Maken

Ik zal lezen uit: “Gedachten van de berg der Zaligsprekingen,” pagina 113, alinea een en twee. Deze alinea’s zijn zoals u zult merken gebaseerd op het schrift gedeelte dat zegt: “Geeft het heilige niet aan de honden.” {1TG28: 12.1}

GBZ. p. 113–  “ Jezus doelt hier op een klasse van mensen, die geen verlangen hebben, te ontkomen aan de slavernij der zonde. Door toe te geven aan het verdorvene en slechte, is hun natuur zo laag geworden, dat zij zich vastklemmen aan het kwaad, en er niet van gescheiden willen worden. De dienstknechten van Christus moeten zich niet laten hinderen door hen die het evangelie tot een zaak van spot en twist maken. {1TG28: 12.2}

“Maar de Heiland ging nooit aan één ziel voorbij, hoe diep die ook in de zonde gezonken was, wanneer hij gewillig was de kostbare waarheden des hemels  aan te nemen….Onder een schijn van haat en verachting, zelfs onder misdaad en ontaarding, kan een ziel verborgen zijn die de genade van Christus zal redden, om als edelgesteente te schitteren in de kroon van de Verlosser.” {1TG28: 12.3}

Hier zien we dat in Zijn bewering: “Geeft het heilige niet aan de honden,” Christus Zijn volgelingen opdraagt, zich ervan te weerhouden te proberen welke Bijbelse waarheid dan ook te steken in hen die geen verlangen hebben om bevrijd te worden van zonde. Ongeacht hoe die men gevallen mag zijn in zonde, God zal zelf niet een ziel overzien die gewillig is om geholpen te worden, en gewillig is de Waarheid aan te nemen en toe te passen. Laten we met deze verzekering bidden voor een toegenomen verlangen om te ontsnappen aan de slavernij van zonde. Inderdaad het belangrijkste is niet hoe goed of hoe slecht we zijn of zijn geweest, maar hoe ontvankelijk en onderworpen we zijn voor tegenwoordige Waarheid terwijl Het zich nu ontvouwd. De ware toedracht van ons gebed zou moeten zijn dat we een visioen van de Waarheid ontvangen, welke vrij maakt als het aanvaard wordt terwijl de Boekrol zich ontvouwd. {1TG28: 12.4}

12

AAN DE DREMPEL VAN EEN NIEUWE WERELD IN HET ZICHT VAN DE OUDE.

LEZING  DOOR V. T. HOUTEFF

BEDIENAAR DER DAVIDIAANSE ZEVENDE DAG ADVENTISTEN

SABBAT, 15 FEBRUARI, 1947

CARMEL KAPEL

WACO, TEXAS

Deze middag zullen we het zevende hoofdstuk van Micha bestuderen. Dit hoofdstuk brengt drie tijdsindelingen onder onze aandacht, waarin drie verschillende situaties zijn verkregen op de aarde. De eerste situatie is vastgelegd in de eerste vier verzen; de tweede in de verzen 5-14; en de derde , in vers 15 tot aan het eind van het hoofdstuk. {1TG28: 13.1}

Laten wij nu onze studie beginnen met: {1TG28: 13.2}

Mich. 7: 1— Ai mij! Want ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.”

Iets wordt vergeleken met een wijngaard, nadat haar vruchten zijn ingezameld. Wat is het? We zullen het antwoord vinden door te lezen—{1TG28: 13.3}

Mich 7: 2-5–  De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren. Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel en zij draaien ze dicht ineen. De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de

13

 dag uwer wachters, uw bezoeking is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen. Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.”

De rechtvaardigen genomen zijnde van de wereld en de slechten alleen erin achtergelaten, wordt haar toestand beschreven als een wijngaard dat beroofd is van haar vruchten en in een staat van verlatenheid en vrees is achter gelaten vanwege de complete verdorvenheid. Deze zifting vind plaats in de dagen dat God Zijn wachters bezoekt; dat is op de Oordeelsdag, de dag dat Hij het “tarwe”van het onkruid scheidt (Matth. 13: 30), de goede vissen van de slechte vissen (Matth. 13: 47, 48) de schapen van de bokken (Matth. 25: 31-46). {1TG28: 14.1}

Mich. 7: 7-10—Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils,; mijn God zal mij horen. Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! Wanneer in gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn. Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid. En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zla haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de Heere, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.”

Deze verzen stellen Gods getrouwe volk voor, het volk waaraan deze profetieën zijn ontvouwd, hebbende een vijand die de vrouwelijke verwijzing “zij” draagt. Deze “zij” trekt Gods aanwezigheid onder Zijn volk in twijfel, en bespot hen om hun geloof. {1TG28: 14.2}

14

Daar deze profetieën nu voor de eerste keer worden belicht, bevatten ze de boodschap van dit uur; een aangezien op ons de last van het dragen van de boodschap naar de kerk is geplaatst, en daar ze onze vijand is net zoals de Joodse kerk was voor de Christenen, getuigt Inspiratie aldus tegen haar en verkondigt haar verdoemenis. {1TG28: 15.1}

Dan zal het gescheiden dat “de heidenen de gerechtigheid van de heiligen zullen zien en alle koningen hun heerlijkheid en zij zullen als een volk met “een nieuwe naam genoemd worden welke des Heren mond uitdrukkelijk noemen zal.”Jes. 62: 2. {1TG28: 15.2}

Mich. 7: 11, 12–  “Ten dage dat Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan. Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.”

Aangezien dit besluit is verwijdert in de dagen dat het Koninkrijk (de gereinigde kerk) is hersteld, de dag dat de heiligen zijn bevestigd, heeft het besluit geen gevolgen voor hen. Te dien dage, verkondigt Inspiratie, zal er een grote verzameling van Assur zijn en van de vaste steden, zelf van zee tot zee en van gebergte tot gebergte. Deze boodschap, is daarom de ene die vooraf gaat aan de oogst van de aarde, de grote en geduchte dag van de Heer, het Oordeel van de Levenden, de dag waarop alle dingen hersteld zijn geworden (Mark. 9: 12). {1TG28: 15.3}

Mich. 7: 13,14—Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen. Gij dan weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen vanouds.”

15

   Voordat deze beloften echter worden vervuld, verklaart Inspiratie dat het land een verwoesting zal zijn, de verstrooiing van het volk zou eerst plaats vinden. {1TG28: 16.1}

De Roede van God, spreekt niet alleen, maar het voedt ook. En wat kan Het anders zijn dan “voedsel op zijn tijd”? anders dan de boodschap van dit uur?

Het volk, legt de schrift uit, zijn zij die alleen wonen in het woud, in het midden van Carmel. Profetie, voor deze dag en dit uur beveelt de boodschap die de Roede bevat aan, en welke Carmel uit brengt, geen ander. {1TG28: 16.2}

Mich. 7: 15–  Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.”

We worden de belofte gegeven dat de heiligen het gelijk als dat van de Exodus beweging zullen ervaren, dat betekend, net zo als ze geleid werden uit Egypte, door de machtige hand van god, en veilig gebracht werden in het beloofde land, zo zal het nu zijn. {1TG28: 16.3}

“Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee. En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.” Jes. 11: 11,12. {1TG28: 16.4}

Mich. 7: 16-18–  De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand  op den mond leggen,; hun oren zullen doof worden.

16

“Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den Heere, onzen God, en zullen voor U vrezen. Wie is God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid. {1TG28: 17.1}

“En de nijd van Efraïm zal wegwijken en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal Juda niet benijden en Juda zal Efraïm niet benauwen. Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen en zij zullen te zamen die van het oosten beroven aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn. Ook zal de Heere den inham der zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte Zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan.” Jes. 11: 13-15. {1TG28: 17.2}

Zo groots als de dag van de Heere zal zijn voor de getrouwen, even zo verschrikkelijk zal het voor de ontrouwen zijn. {1TG28: 17.3}

Mich. 7: 19 –Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.”

Onze God is inderdaad wonderbaarlijk! Hij houdt niet vast aan Zijn toorn. Hij verlustigt zich in genade. Hij herinnert zich de zonden van de berouwvolle niet, Hij werpt ze weg, waar ze niet meer gevonden kunnen worden. {1TG28: 17.4}

Mich. 7: 20–  Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.”

Inspiratie herbevestigt al Gods beloften. Ze

17

falen nooit. Zijn profetieën zijn zeker. We zijn aan de drempel van een nieuwe wereld in zicht van de oude—spoedig zal er geen zonde meer zijn. {1TG28: 17.5}

“Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen. Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte. Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.” Openb. 7: 15-17. {1TG28: 18.1}

Zelf nu, zegt de Heer: “Ik heb wachters op uw muren bestel, O Jeruzalem, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen, O gij die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!  En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestig, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde. {1TG28: 18.2}

“De Heere heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij den arm Zijner sterkte: indien Ik uw koren meer zal geven tot spijs voor uw vijanden, en indien de vreemden zullen drinken van uw most, waaraan gij gearbeid hebt! : {1TG28: 18.3}

“Maar die het inzamelen zullen die zullen het eten, en zij zullen den Heere prijzen en die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven Mijns heiligdoms. Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken! {1TG28: 18.4}

“Ziet, de Heere heeft doen horen, tot aan het einde der aarde; zegt der dochter van Sion; Zie uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des Heren; en gij

18

 zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.” Jes. 62: 6-12. {1TG28: 18.5}

Wij zijn inderdaad aan de drempel van deze nieuwe wereld in zicht van de oude. Laten onze werken en ons geloof nu, de meest verbazingwekkende vragen sinds de wereld begon beantwoorden: {1TG28: 19.1}

“Ziet, Ik zende mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de Heere der heirscharen. {1TG28: 19.1}

“Maar wie zal den dag Zijnder komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers. En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver, dan zullen zij den Heere spijsoffer toebrengen in gerechtigheid. {1TG28: 19.1}

“Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren. En Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovernaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeren, en Mij niet vrezen, zegt de Heere der heirscharen. Want Ik de Heere, word niet veranderd, daarom zijt gij o kinderen Jakobs niet verteerd.” Mal. 3: 1-6. {1TG28: 19.1}

19