De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 21, 22

(Ter Correctie)

1

VOORLEZING:

“Wees Satan te Slim Af In Zijn

Spel Voor Zielen.”

 Ik zal u voorlezen uit “Christ Object Les­son­s.” p. 55 (“Les­sen uit het Leven van Alle­dag,’ blz. 29.) te beginnen bij het tweede alinea: {2TG21: 2.1}

  “Zorgen, rijkdom, vermaak, al deze dingen worden door Satan gebruikt bij het levensspel om de menselijke ziel. De waar­schuwing wordt vernomen: ‘Heb de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem (…)'(1 Joh. 2:15, 16.) Hij Die het men­selijk hart leest als een open boek, zegt: ‘Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard wordt door roes en dronken­schap en zorgen voor le­vensonder­houd.'(Luk 21:34.) En de apostel Pau­lus schrijft, gedre­ven door de Heilige Geest: ‘Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik en in vele dwaze en schandelijke begeerten, die de men­sen doet wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is geldzucht. Door daarnaar te haken,  zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten door­boord.’ (1 Tim. 6:9, 10.)” {2TG21: 2.2}

  Wij moeten voor bidden dat wij de liefde voor de wereld mogen overwinnen en dat wij in gedachte mogen houden dat Satan het levens­spel speelt voor de zielen van Gods volk; dat wij genade mogen ontvangen om te kunnen wer­ken en bid­den als nooit tevoren; om de val­strikken van de Duivel te boven te kunnen

komen; om te weten dat hij geen vijand is waarmee gesold kan worden, en dat Jezus de Leidsman of Aanvoerder is Die nooit een veld­slag verloren heeft; dat wanneer wij Zijn hulp inroe­pen, hij ons erdoorheen zal helpen. {2TG21: 2.3}

2

“KINDEREN GEBOREN BIJ EEN

ONTUCHTIGE MOEDER BRENGEN VREDE

EN BLIJDSCHAP IN HET GEZIN”

LEZING DOOR V.T. HOUTEFF.

PREDIKANT DER D. ZEVENDE-DAGS ADVENTISTEN

SABBAT, 3 JANUARI, 1948

CARMEL KAPEL

 WACO, TEXAS.

  Ons onderwerp voor vandaag vinden wij opge­tekend in Hosea, hoofdstukken 1 en 2. Het eer­ste en meest be­langrijke gegeven dat moet wor­den ver­duide­lijkt betreffende deze hoofdstuk­ken, is de tijd waarin hun profetische beteke­nis zich ontvouwt. Om hierachter te komen, lezen wij: {2TG21: 3.1}

Hos. 2:17 — “En te dien dage zal Ik een ver­bond sluiten met het gedier­te des velds, het gevogelte des hemels en het krui­pend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oor­logstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen.”

  Tot op de huidige dag heeft Gods volk nog

nooit zo’n volledige en absolute veiligheid en vrijheid erva­ren zoals zij worden uiteen­gezet in deze Bijbelvers. Er wordt daarom snel opgemerkt dat het onder­werp van het hoofdstuk zelfs verder reikt dan onze tijd. Naarmate wij het hoofdstuk vers voor vers bestuderen, zal het tijdselement steeds dui­delijk worden. {2TG21: 3.2}

  Hos. 1:1, 2 — “Het woord des HEREN, dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam, in de da­gen van Uzzia, Jotam, Achaz en Hizki­a, konin­gen van Juda, en in de dagen van Jerobe­am, de zoon van Joas, koning van Israël. (Vers 2) Het begin van het spreken

3

des HEREN door Ho­sea. De HERE zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een vrouw der hoererij en kinderen uit hoere­rij gebo­ren, want het land heeft zich in gro­te hoere­rij van de HERE afgewend.”

  Aan de profeet Hosea werd de opdracht geven een vrouw uit hoererij tot zich te nemen, om geen enkel ander reden dan om de droevige en gruwelijke toestand weer te geven die er toen in Israël heerste. {2TG21: 4.1}

  Dit huwelijk is uiteraard slechts een visi­onaire of figuur­lijke voorstelling van zaken, zoals de profeet Ezechiël 40 dagen op één zijde en 390 dagen op de andere zijde lag (Eze. 4:4-6). {2TG21: 4.2}

   Hos. 1:3-5 — “Toen ging hij heen en huwde Gomer, de doch­ter van Diblaïm, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon. (Vers 4) En de HERE zeide tot hem: Noem hem Jizreël, want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het konink­rijk van het huis Israëls. (Vers 5) Te dien dage zal het ge­schieden, dat Ik Israëls boog ver­breken zal in het dal van Jizreël.”

  De eerstgeboren zoon uit het visioenhuwelijk van de profeet, zoals u ziet, werd Jizreël genoemd om zo te voorafschaduwen hetgeen er met de natie zou gebeu­ren — niet alleen het einde van het koninkrijk voorzeggend, maar ook juist de plaats waarin zijn leger zou worden verslagen, namelijk, in het dal van Jizreël. En dit verwoestende onheil zou over hen komen omdat zij het bloed van Jizreël hadden vergo­ten, maar klaar­blijkelijk niet de Jizreël die werd geboren en zo genoemd werd. Wie de gedode Jizreël is zullen wij later in de studie zien. {2TG21: 4.3}

  De verzen 6, 7 — “En zij werd wederom zwan­ger en baarde een doch­ter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-Ruchama, want Ik zal voort­aan geen genade hebben met het huis Israëls, maar Ik zal

4

 hen volledig wegnemen. (Vers 7) Doch Ik zal genade hebben met het huis van Juda, en hen ver­los­sen door de HE­RE, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oor­logs­tuig, door paar­den of door ruiters.”

  Het tienstammenrijk, Israël, werd gespaard tot de geboorte van Lo-Ruchama, maar de naam van dit tweede kind verzekert dat God geen genade zou hebben met het huis van Israël, dat zijn einde reeds gekomen was. Hij zou echter genade hebben met het huis van Juda, het twee-stammenrijk, en zou het redden door een won­der. En dat is wat er gebeurde: een engel doodde 185.­000 man van het Assyrisch leger, en op die wijze spaarde God het huis van Juda (2 Koningen 19:35.) {2TG21: 5.1}

De verzen 8, 9 — “Nadat zij Lo-Ruchama ge­speend had, werd zij zwang­er en baarde een zoon. (vers 9) Toen zeide God: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt Mijn volk niet; en Ik zal uw God niet meer zijn.”

  Het derde kind werd Lo-Ammi genoemd om aan te tonen dat Gods’ genade zou worden weggeno­men zelfs van het huis van Juda. Maar eerder dan hen te onderwerpen als Zijn volk, ver­wierp Hij hen eerst, waarop zij niet langer Zijn volk waren. De aposter Petrus haalt dit Schriftgedeelte aan als een ver­wijzing naar de ongelovige Joden; als een natie waren zij verworpen na de kruisiging van Christus, en waren zij aldus niet langer Zijn volk (1 Pe­trus 2:9, 10). De enkelingen ech­ter, die wel in de Heer geloofden, werden opnieuw aan­vaard, en zij werden “de kinderen van de Le­vende God.” (Zie Rom. 9:26.) {2TG21: 5.2}

  Merk nu op dat deze symbolische voorstel­ling van zaken ons tot dusver profetisch en historisch heeft meegevoerd van de dagen van het huis van Israël tot de christelijke tijd­perk. {2TG21: 5.3}

  Vers 10 — “Nochtans zal het getal der kin­deren van Israël

5

zijn als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En het zal geschie­den, dat ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijn Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijn de zonen van de Levende God.”

  “Nochtans”; dat wil zeggen, ondanks het feit dat de kinderen van Israël verstrooid zouden worden onder de naties, en ver­worpen, niet langer Gods volk zijnde, nochtans, on­danks dit alles, zouden zowel de nakomelinge van het huis van Israël als die van het huis van Juda (al de kinderen van Jakob) worden vermenigvuldigd als het zand der zee ten tijde dat zij opnieuw worden aanvaard en aldus de zonen van de levende God worden door de Ver­losser, Jezus Christus. {2TG21: 6.1}

  Uit dit schriftgedeelte kunt u opmaken dat deze menigte van zonen van Jakob niet de te-identificeren-Joden van vandaag zijn, maar eerder de verloren nakomelingen van Juda en Israël, — van hen die opgenomen werden door de heidense naties en door de vroege christe­lijke kerk, door op zichzelf de titel “Chris­te­nen,” toe te passen, van hen die aldus hun geslachte­lijke en nationale identiteit verlo­ren. Uit al dezen, na verstrooid te zijn onder de heidense naties, en hun geslachte­lijke identiteit verloren te hebben, zullen de zon­den van God komen die worden geprojec­teerd in deze allegorische of zinne­beeldige profetie. Aldus kunnen velen van ons die menen uit de heidense naties te komen op den duur ontdekken dat wij afstam­men van de verloren stam­men van Ju­da en Israël, en van de apostolische Chris­ten-Joden. Alhoewel niemand van ons waarlijk onze geneologie zeer ver terug weet, toch heeft God, Die zelfs het getal der haren op het hoofd van de mens weet, een nauw­keurig geslachtsregister van een ieder van ons bijge­houden. Aldus zegt Hij: “Rahab en Babel zal Ik vermelden als degenen die Mij kennen; zie, Filistea en Tyrus met Ethiopië: deze is daar geboren. En van Sion zal gezegd worden: deze en die man werd in haar geboren; en de Aller­ hoogste Zelf zal haar bevestigen. De HERE zal tellen, wanneer Hij de volken zal opschrijven, dat deze man daar geboren werd. Sela.” (Psalm 87:4-6, KJV.) {2TG21: 6.2}

  Vers 11 — “Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich zich bijeen­scharen, één hoofd over zich stel­len, en op­trekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn.”

  Hier wordt ons duidelijk medegedeeld dat in de laatste dagen, Gods heiligen, zonder een zondaar onder hen, bijeenge­bracht zullen wor­den van de vier hoeken der aarde, en zullen worden georgani­seerd in een Theocratische regering, (= een regering met God aan het hoofd) waarvan anti-typische David de koning zal zijn. Aldus is het dat “(…) In de dagen van die koningen [niet na hun dagen] de God des hemels een koninkrijk zal oprichten, die nooit zal worden verwoest; en het Konink­rijk zal niet aan andere volken worden overgela­ten, maar het zal al die koninkrijken ver­brijzelen en verteren, en het zal eeuwig standhouden. Juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen uit de berg werd gesneden, en dat het verbrijzel­de het ijzer, het koper, het leem, het zil­ver, en het goud; de grote God heeft de ko­ning bekend gemaakt wat hierna zal geschie­den; de droom is waarachtig en zijn uitleg­ging betrouwbaar.” (Dan. 2:44, 45, KJV.) {2TG21: 7.1}

  In een andere allegorische profetie, in verband met deze, wordt ons wederom medege­deeld: {2TG21: 7.2}

Hos. 3:4, 5 — “Want vele dagen zullen de kinderen Israëls blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder ge­wijde steen, zonder efod of terafim. (Vers 5) Daarna zullen de Israëlieten zich beke­ren, en de HERE, hun God zoe­ken, enDavid, hun koning, en bevende komen tot de HERE en tot Zijn heil in de laatste dagen.”

  7

 Hier zijn de beloften weer even dui­delijk als dat ze in woorden kunnen worden uitge­drukt, dat na de verstrooiing en balling­schap, de “vele dagen,” zal het vertrooid volk van God terugkeren naar hun thuisland of va­derland, en zullen dan de HERE hun God, en Da­vid hun koning zoeken. Vandaar, dat deze zonen van God niet de te-identificeren-Joden van vandaag zijn, die trachten een permanente na­tionale thuis te maken in het Beloofde Land. {2TG21: 7.3}

  Eeuwen lang hebben christen het Koninkrijk van God gepre­dikt, maar tot nog toe is het voor velen van hen niet duide­lijk of dat het nu even tastbaar als de aarde zelf zal zijn, of dat het nu iets denkbeeldigs, iets dat in de lucht zweeft, is, hoe zit dat nu? Inspira­tie echter, verklaart duidelijk dat het Ko­ninkrijk van Christus (de kerk gezuiverd — gereinigd, Dan. 8:14) even wezenlijk of echt zal zijn als alle andere koninkrijken der aar­de. {2TG21: 8.1}

  Nu zullen wij onze studie door Hosea hoofd­stuk twee voort­zetten, omdat, zoals ik reeds vermelde, de inhoudt ervan een voortzetting is van de zaken die in het eerste hoofdstuk staan opgetekend. {2TG21: 8.2}

  Hos. 1:12-2:2 — “Zeg tot uw broeders Ammi, en tot uw Zus­ters: Rucha­ma. (2:1) Klaagt uw moeder aan, klaagt haar aan, want zij is Mijn vrouw niet, en Ik ben haar man niet; laat zij daarom haar hoererijen wegdoen van haar aange­zicht, en haar overspeligheden van tussen haar borsten wegdoen; anders zal Ik haar naakt uitkleden en haar laten staan als ten dage toen zij geboren werd, haar maken als een woestijn, haar doen worden als een dor land, en haar doen sterven van dorst.”

  Laat ons in gedachte houden dat het eerste hoofdstuk ons door de stroom van de tijd heen gevoerd heeft, tot aan de christelijke tijd­perk. Nu wordt onze aandacht in hoofdstuk twee weer bepaald bij de zinnebeeldige kinde­ren van Hosea, maar het voorvoegsel “Lo” is weggelaten van de namen Lo-Rucha­ma en Lo-Ammi om zo de betekenis te veranderen van geen gena­de, en niet Mijn volk, in “genade,” en “Mijn volk.”

8

Hier in deze unieke symbolische voorstelling van zaken, vele jaren voor de christelijke bedeling ontworpen, voorafscha­duwt Inspiratie de genade die zou worden ge­schonken aan het volk in de christelijke tijdperk, en dat, in plaats van dat zij Joden bleven genoemd worden, zij anders genoemd zouden worden, namelijk, Christenen: Genade en Mijn volk. {2TG21: 9.1}

  De opdracht: “Zegt tot uw broeders: Ammi; en tot uw zusters: Rucha­ma,” verklaart uit zichzelf dat God tot Jizreël spreekt, (de broer van Ammi en Ruchama), en dat Jizreël op zijn beurt moet spreken tot Ammi en tot Ru­cha­ma. En het feit dat God de zinnebeeldige vrouw van Hosea Zijn eigen vrouw noemt, maakt dat het onderwerp steeds duidelijker wordt: Zoals u ziet stelt Hosea God voor, en de vrouw van Hosea stelt Gods kerk voor; Jizreël, degene tot wie God spreekt, stelt Zijn mondstuk voor, een profeet, en Jizreëls ver­wanten, Ammi en Ruchama, stellen de leden van de kerk voor, zowel mannelijke als de vrouwe­lijke leden. Als nu Ammi en Ruchama een voor­stelling zijn van de leken, moet het duidelijk zijn dat de moeder de leiders voor­stelt, zij, die bekeerlingen in de kerk voortbrengen. Hier hebben wij een volledige voorstelling van het huisgezin van God. {2TG21: 9.2}

  Het feit dat Jizreël bij zijn broeders en zusters, de leken, moet aandringen om moeder aan te klagen (tot de predikanten te praten, tot hen die bekeerlingen voortbrengen), dat zij haar hoererij of gehoereer achterwege moet laten, laat duidelijk zien, dat deze op­wekking en reformatie niet tot de leken door de predikanten komt, maar dat het tot de pre­dikanten door de leken komt. {2TG21: 9.3}

  De leken moeten verklaren dat als de predi­kanten in gebreke blijven om tot hervorming over te gaan, God hun naakt zal uitkleden — even naakt als ten dage toen zij geboren wer­den. {2TG21: 9.4}

De verzen 3, 4 — “En over haar kinderen zal Ik  Mij  niet

9

 ontfer­men, want zij zijn de kinde­ren der hoererij. Want hun moeder heeft hoererij bedreven; zij, die van hen zwanger geweest is heeft schandelijk gehan­deld; want zij zeide: Ik wil achter mijn min­naars aan gaan, die mij mijn brood en water, mijn wol en vlas, mijn olie en drank geven.”

  Deze verzen zetten de betekenis van Gods genade uiteen: dat, indien de moeder nalaat tot hervorming over te gaan, als zij nalaat te stoppen met haar gehoereer met de wereld en haar praktij­ken, dan zal niet alleen de moe­der, maar zullen ook haar kinderen die met haar sym­pathiseren voor eeuwig afvallen van genade. {2TG21: 10.1}

  Hier wordt ons verteld dat de moe­der zich inbeeldt dat haar vreselijke minnaars degenen zijn haar voorzien van haar tijde­lijke levensbehoeften, en dat zij om die reden om­gang met hen heeft. {2TG21: 10.2}

  Bovendien, wordt ons weer verteld dat, ter­wijl zijn hoererij pleegt, zij onwettige kin­deren voortbrengt, onechte of valse bekeer­lingen. Hier is een waarschuwing die in niet mis te verstane bewoordingen om een hervor­ming vraagt, anders zal het gehele kerkgezin, met uitzondering van hen die tot hervorming over­gaan, even grondig worden vernietigd zo­als het vroegere Jeruzalem eni­ge jaren na de kruisiging van Christus werd verwoest. {2TG21: 10.3}

De verzen 5-12 — “Daarom, zie Ik ga uw weg met doornen ver­sperren, Ik ga tegen haar een muur oprichten, zodat zij haar paden niet vin­den kan. (Vers 6) Dan zal zij haar min­naars nalopen, maar hen niet bereiken; hen zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ik wil heengaan en terugkeren tot mijn eerste man, want toen had ik het beter dan nu. (Vers 7) Zij echter beseft niet, dat Ik het ben, Die haar het koren, de most en de olie heb gege­ven, Die haar het zilver rijkelijk ge­schonken heb en het goud, dat zij voor de Baäl gebruikt heb

­10

ben. (Vers 8) Daarom zal ik Mijn koren weer wegnemen in de oogst­tijd, en Mijn wol en Mijn vlas, die haar naaktheid moeten bedekken. (Vers 9) Nu dan, Ik wil haar schaamte ontblo­ten voor de ogen van haar min­naars en niemand zal haar uit Mijn hand red­den. (Vers 10) Ik zal doen ophou­den al haar vreugde, haar feest, haar nieuwe­maansdag en haar sabbat, ja, al haar hoogtij­den. (Vers 11) Dan zal Ik haar wijnstok en haar vijgeboom ver­woesten, waarvan zij zeide: Die zijn het loon, dat mijn minnaars mij ga­ven. Ik zal ze maken tot een woud, en het ge­dierte des velds zal ze afvreten. (vers 12) Zo zal Ik over haar bezoeken de dagen, waarop zij voor de Baäls het offer ontstak, zich tooide met ring en halssieraad en achter haar min­naars aan ging, maar Mij vergat, luidt het woord des HEREN.”

  Deze verzen verklaren Gods manier en macht om te redden: Voordat Hij oproep tot hervor­ming, bereidt Hij de weg voor: Hij brengt Zijn  door beproeven­de en moeilijke omstandigheden waarvan zij zichzelf niet gemakkelijk kan los­maken. Hij leidt haar door een soortgelijke situatie als die waar Hij de verlo­ren zoon doorheen geleid heeft. Hij doet dit zodat zij zich kan realiseren waar haar steun in werke­lijk vandaan komt, zodat zij zeker kan weten dat dit niet van haar minnaars afkomstig is. Dan, en alleen dan, kan zij juist datgene doen wat de verloren zoon of de verkwister deed toen hij tot zich­zelf kwam. {2TG21: 11.1}

  Als vervulling van de profetie vervat in vers elf, liet God toe dat de kleine horen van Daniël zeven tijden en wetten veranderde, en liet Hij toe dat de heiligen des Allerhoogste in zijn handen werden overgeleverd voor “een tijd en tijden en een halve tijd.” Dan. 7:25. {2TG21: 11.2}

  Hos. 13, 14 — “Daarom zie, Ik zal haar lok­ken, en haar leiden in de woestijn, en ver­stroostend tot haar spreken. (Vers 14) Ik zal haar aldaar haar wijn­gaarden geven, en het

11

 dal van Achor tot een deur der hoop. Dan zal zij daar zin­gen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte.”

  Nadat Hij haar in de meest benauwende en vernederende om­standigheden gebracht heeft als dat men zich in kan bevinden, belooft God haar te zullen lokken, en haar in de woestijn te leiden, om haar daar vertroostend toe te spreken. In duidelij­kere bewoording weergege­ven: ontkomen aan de “grote verdruk­king” zo­als nooit eerder geweest is vanaf de grond­legging der wereld” (Matt. 24:21), brengt God haar, niet in haar wijn­gaard, niet in het Beloofde Land, maar in de “woestijn” (in de landen van de heidenen), om haar daar ver­troostend toe te spreken, en om haar te hel­pen tot hervorming over te gaan. Nadat deze vertroostende bijeenkomst plaats vindt, zal zij van dat mo­ment af haar wijngaarden bezit­ten, en het dal van Achor als een deur der hoop; daar zal zij zingen en zich verheugen als in de dagen van haar jeugd, en als in de dagen toen zij trok uit Egypte. {2TG21: 12.1}

  Het Dal van Achor, zoals u opgemerkt hebt, is haar deur der hoop — het is de enige uit­weg voor haar om uit haar kritieke toestand te geraken. Het dal heeft slechts één beteke­nis: het staat voor een grondige reiniging, voor de vernieti­ging van de zondaars die zich in haar midden bevinden, voordat zij het land in bezit neemt — haar enige hoop voordat zij een fat­soenlijke, achtenswaar­dige vrouw van God kan wor­den. {2TG21: 12.2}

  Het was in het Dal van Achor dat Jozua de laatste der zon­daars in Israël stenigde — Achan en zijn gezin. Pas toen werd het de na­tie Israël toegestaan om het Beloofde Land in bezit te nemen, de wijngaard. Juist een rei­niging deze is de enige “deur der hoop,” voor de kerk, zegt Inspiratie, haar enige ontkoming van haar tegenwoordige toestand. Dan zal zij terug­keren naar haar vroegere positie en gena­de. Dan zal zij de beloofde zegening ont­van­gen, zo zeker als dat het oude Israël de hare ontving. Deze opmerkelijke gebeurtenis in het Dal van Achor wordt nu gezien als een type van de reiniging voor het opnieuw in bezit nemen van het beloofde land — een type van

12

 het Oor­deel der Leven­den, de inzameling der heiligen, en de vernietiging van de zonda­ren — de scheiding van de tarwe van het on­kruid, de bokken van de schapen, de goede vis­sen van de slechte vissen. De “schuur” (Matt. 13:30), heeft als betekenis het Koninkrijk dat hier wordt getoond, zoals de rechterhand van Heer, en zoals dat het geval is met de vaten. {2TG21: 12.3}

Hos. 2:15 — “En het zal te dien dage geschie­den, zegt de HERE, dat gij Mij noemen zult: Ishi (= mijn Echtgenoot), en niet meer Baäli (= mijn Werkgever).” (KJV)

  Ja, inplaats van haar heer of werkgever te zijn, zal God inderdaad haar Man of Echtgenoot zijn, want men kan vele heren hebben, maar slechts één man. {2TG21: 13.1}

Vers 16 — “Ja, Ik zal de namen der Baäls ver­wijderen uit haar mond; hun naam zal niet meer genoemd worden.”

  De namen van Baälim zijn typerend voor per­sonen die een zelfzuchtig karakter bezitten zoals Biliam — godsdientlera­ren, profeten die eerder Israël zouden vervloeken dan dat zij de kans voorbij zouden laten gaan voor geldelijk gewin, of wegens een andere dwaze, zelfzuchtige promotie waardoor men verheven of gevleid wordt. Dezulken zullen niet langer bekend staan onder hun hoge, verheven heren­titels. {2TG21: 13.2}

  Wanneer de kerk gereinigd is van al haar afgoden, pas dan zal zij eeuwige vrede vin­den. {2TG21: 13.3}

Hos. 2:17-21 — “En te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het krui­pend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaar­den oorlogstuig in hetland verbreken, en hen veilig doen wonen. (Vers 18) En Ik zal u tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; (vers 19) Ik zal u Mij tot 

13

bruid werven door trouw; en gij zult de HERE kennen. (Vers 20) En het zal te dien dage geschieden, dat ik verhoren zal, zegt de HERE, Ik zal de he­mel verhoren, en die zal de aarde verho­ren, (vers 21) en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen jizreël verhoren.”

  Deze verzen tonen duidelijk aan dat Gods tegenwoordigheid te dien dage in Zijn kerk zal zijn, dat zelfs de hemel naar Gods stem zal luisteren terwijl Hij tot Zijn volk hier op aarde spreekt. De aarde zal ook het “koren de wijn, en de olie horen;” dat wil zeggen, dat de aarde de Waarheid zal horen — Waar­heid die de ziel heiligt, zoals  volwaardige, en voedzame voeding dat doet. Bovendien, zal niet alleen het koren, de wijn, en de olie — de gehele Waarheid — maar zal ook Jizreël door de aarde gehoord worden. Het is duidelijk zijn dat al deze beloften zullen worden ver­vuld tijdens de genadetijd, want zij zullen de aarde niets goeds te bieden hebben nadat de genadetijd voorbij is. {2TG21: 14.1}

  De Jizreël vanwege wiens bloed Israël van ouds schul­dig verklaard werd, was, zoals u ziet, een figuurlijke voorstel­ling van de pro­feten die Israël verwierp en doodde. Aldus zal het profeten-hatende huis van Israël haar ne­derlaag lijden in het Dal van Jezreël, het­geen, in uitleg, het dal der gedode profeten betekent. {2TG21: 14.2}

Vers 22 — “En dan zal Ik haar voor Mij zaaien in de aarde, en zal genade hebben met haar die geen genade ontvangen had; en tot hen die niet Mijn volk waren zeg­gen: Gij zijt Mijn volk. En zij zullen zeggen: Gij zijt mijn God.”

  “Haar voor Mij in de aarde zaaien,” bete­kent, haar kinderen vermenigvuldi­gen overeen­komstig Gods bevel, nadat zij al deze beloofde zegeningen ontvang­en heeft. Pas dan zal zij waarlijk Gods genade bezitten, zulk een grote genade dat zij nooit eerder verkregen had. Aldus zal tot hen tot wie gezegd werd:

14

 “Gij zijt Mijn volk niet,” zal er dan, met plechtige werkelijkheid, gezegd worden: “Gij zijt de zonen van de Leven­de God.” {2TG21: 14.3}

  Nu daar de hele waarheid van deze hoofdstuk­ken voor het eerst ontsloten is sedert de pro­feet ze optekende, en aange­zien geen enkel profetie der Schrift op eigenmachtige wijze mag worden uitgelegd, niet door de wil van een mens, maar door de wil van de Geest (2 Pet. 1:20, 21), is het een feit dat God ons in gedachte had (ons, voor wie deze hoofd­stuk­ken ontvouwd zijn) toen Hij deze dingen liet optekenen. Bovendien, aange­zien (de laatste vers van hoofdstuk één — in de Ne­der­landsta­lige Bijbel en) de eer­ste verzen van het tweede hoofdstuk ons in de tijd doen belanden van een opwekking en reformatie die plaatsvinden in onze tijd, door God Zelf ge­sponsord en aan het licht gebracht door Jizreël, dan naar de kerk gebracht door de leken, is een werk dat zichzelf slechts ver­vult door in deze lekenbeweging die nu snel voortbeweegt door de Adventistenwe­reld. Daar­om, staat deze waarheid zo hoog als een berg dat God nu aan het werk is, dat de dingen zich overeenkomstig Zijn Goddelijke voornemen zullen voortzetten. Vandaar, dat “zij Jizreël zullen horen,” en dat God Zelf tot hen zal zeggen: “Gij zijt Mijn volk,” en zij, op hun beurt, zullen zeggen: “Gij zijt onze God.” {2TG21: 15.1}

  Inspiratie toont duidelijk aan dat onze pogingen met deze boodschap volslagen zeker zijn om de grootste hervorming allertijden tot stand te brengen; dat de berisping van de kinderen aan het adres van de moeder zeker vrede en geluk tot stand zal brengen voor het gezin van God. Wij hebben daarom alle reden om even optimistisch te zijn van de overwin­ning en even verlangend om te werken, zoals David dat was toen hij de reus Goliat tege­moet trad. Het mag duidelijk zijn, dat kinde­ren (leken) geboren aan een overspelige vrouw (de kerk) vrede en geluk in het gezin van God brengen. Daarom, moet u niet in gebreke blij­ven om met geheel uw hart en wezen zich te voegen bij deze machtige lekenbeweging voor opwekking en reformatie door Laodicea en om het evangeliewerk te beëindigen met de kerk, “‘ (…) Schoon als de blanke maan, helder als de gloei­ende zon, en geducht als krijgscha­ren,’ zal zij de gehele wereld intrekken, overwinnende en om te overwin­nen.” — “Prop­hets and Kings,” p. 725; “Profeten en Koningen blz. 445. U kunt het zich niet veroorloven om verloren te gaan. {2TG21: 15.2}

15

 —

(Ter Correctie)

2″TIJDIGE GROETEN”22

VOORLEZING:

“Ontgin de Grond die Braakligt.”

Ik lees u voor uit “Christ Object Lessons,” p. 56 / “Lessen uit het Leven van Alledag,” blz. 29, 30: {2TG22: 16.1}

“In de gelijkenis van de zaaier zegt Christus at de verschillende resultanten van het zaai­en afhankelijk zijn van de grond. Steeds zijn de zaaier en het zaad dezelfde. Zo leert Hij dat wanneer Gods Woord zijn doel niet bereikt in ons hart en leven, de oorzaak bij onszelf ge­zocht moet worden. Maar de gevolgen zijn niet buiten ons bereik. Het is waar dat wij onszelf niet kunnen veranderen, maar zij heb­ben de macht om te kiezen en het is onze zaak te be­pa­len wat wij willen worden. De toehoor­ders langs de weg — van de steenachtige grond en van de dorens — hoeven niet zo te blij­ven. (…) De grond die bedekt was met dorens kan alleen door noeste arbeid worden terugge­won­nen. Zo kunnen de verkeerde neigingen van het natuurlijke hart alleen overwonnen worden door zich ernstig in te spannen in de naam en kracht van Jezus. De Heer zegt ons door Zijn profeet: ‘Ontgint de grond die braakligt en zaait niet tussen de doornen.’ ‘Zaait voor uzelf in ge­rechtigheid, oogst in genade.’ Dit werk verlangt Hij voor ons tot stand te bren­gen, en Hij vraagt ons om met Hem samen te werken.” {2TG22: 16.2}

Wij zullen nu knielen en bidden, dat wij altijd wakker mogen zijn voor de stem van de

Geest van God; om te weten, dat hoewel wij onszelf niet kunnen veranderen, dat toch de kracht om te kunnen kiezen ons ter be­schik­king staat, dat wij altijd kunnen we­ten dat God ons als vrije morele instrumenten ge­scha­pen heeft, dat wij zelf verantwoorde­lijk zijn voor de hardheid van ons hart; dat wij Hem toestaan onze grond dat braakligt te ont­gin­nen, zodat wij in gerechtigheid voor ons­zelf kunnen zaaien; om te weten dat, door gebed en studie, wij ons verlangen naar gees­telijke dingen wakker kunnen houden. {2TG22: 16.3}

16

   —-0—-

2″TIJDIGE GROETEN”22

DE GROTE PARADOX DER EEUWEN.

DOOR V.T. HOUTEFF, PREDIKANT DER

DAVIDIAN ZEVENDE-DAGS ADVENTIS­TEN,

SABBAT, 10 JANUARI, 1948

CARMEN KAPEL

WACO, TEXAS

Zach. 6:1-8 –(vers 1)“Wederom sloeg ik mijn ogen op, ik zag toe en zie daar kwamen vier wagens naar voren tussen twee bergen. Die bergen nu waren van koper. (vers 2) Voor de eerste wagen ston­den rode paarden, voor de tweede zwarte, (vers 3)voor de derde witte, en voor de vier­de grijze en voskleurige paarden. (vers 4) Ik nam het woord en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? (vers 5) De engel gaf mij ten antwoord: deze zijn de vier Gees­ten der heme­len, die uitgaan van hun stand­plaats voor de HERE der ganse aar­

vers 6) Die met de zwarte paarden gaan uit naar het Noor­derland, de witte gaan uit hen ach­ter­na, en de grijze gaan naar het zui­der­land. (vers 7) De voskleurige kwamen op­zet­ten, en tracht­ten te gaan om de aarde te doorkrui­sen; en hij zei­de: Gaat heen, door­kruist de aarde. Toen doorkruisten zij de aarde. (vers 8) Hierop riep hij mijn toe en sprak tot mij: Zie, die uit­gegaan zijn naar het Noor­der­land hebben Mijn Geest in het Noorderland tot rust ge­bracht.”

17

18

Zoals u ziet is de paradox of tegen­strijdigheid in dit profetisch symbool bij de vierde wagen: het is verbonden aan twee stel­len, de grijze en de voskleurige, het ene stel probeert het in één richting te krijgen (zuid), en de andere in een andere richting (om de aarde te doorkruisen)! Wat moet of zal er van de wagen terechtkomen, en welke van de twee stellen lijkt geschikt of komt er voor in aanmerking om het met zich mee te voeren? Dit is de paradox, want zij kunnen het niet beiden met zich meevoeren, tenzij zij samen­gaan. Aan­gezien dit een paradoxa­le symboli­sche voorstelling van zaken is, is het een mysterie geweest vanaf de profeet het opte­kende, en aangezien het nu voor het eerst onthuld wordt, waarschuwd Inspiratie klaar­blijklijk iemand voor iets heel ernstigs dat plaatsvindt in deze bijzondere tijd. Wat kan het zijn? – {2TG22: 19.1}

De profeet Zacharia was net zo benieuwd naar het antwoord als dat wij dat zijn, want hij vraagt: “Wat stellen dezen voor, mijn Heer”? En op zijn vraag kwam het volgende  ant­woord: “dezen zijn de vier Geesten des he­mels, die uitgaan van voor de HERE te staan der gan­se aarde.” {2TG22: 19.2}

Het antwoord van de engel is duidelijk. Hij verklaart, dat de wagens de Geesten der heme­len zijn, die voor de HERE staan, en die uit­gezonden zijn om de aarde te doorkruisen. Het is dus duidelijk, dat deze vier spannen en wagens vier boodschappen (vier Geesten)voor­stellen, uitgezonden van Gods tegenwoordigheid. En aangezien al de boodschappen van God over de gehele aarde gebracht worden door de Predikers en de Kerk, moeten de wagens en hun gespannen gezien worden als een voorstelling van de kerk aan het werk in vier verschillen­de perioden. {2TG22: 19.3}

De volgende vraag is: Waar in de stroom der tijd zullen wij uitzien naar deze, met-bood­schap­pen-beladen en met-moeilijkheden-beladen kerk? In onze tijd, in het verleden, waar? De kope­ren bergen verschaffen de sleutel, want de wagens komen van tussen hen vandaan. Wij zul­len daarom eerst uitzoeken wat  de  bergen voor stellen, en

19

 waar zij staan in de tijd. En aangezien de wagens van tussen de bergen kwamen, één staande aan hun linker­zij­de (in de toekomst) en de andere aan hun rechter­zij­de (in het verleden), is het nood­zakelijk dat wij hen eerst localise­ren. De Bijbelse uitleg van een symbolische berg luidt als volgt: “Jeruzalem zal een stad der waarheid genoemd worden; en de berg des HEREN der heer­scharen, de heilige berg.” (Zach. 8:3, KJV.) Vandaar, dat de bergen in de pro­fetie van Za­charia, zoals het ook elders in de Bijbel ge­zien wordt, een voorstelling zijn van twee rege­rin­gen, kerken, die in geaardheid veel gelijkenis vertonen (beiden zijn zij van ko­per) en in twee verschillende peri­oden (een aan de rech­terkant van de wagens en de ander aan hun lin­kerkant). Het feit dat zij van ko­per zijn, een metaal dat duurzame kwa­li­tei­ten heeft, een metaal dat niet verslechterd in kwa­li­teit, toont aan, dat zij iets voor­stel­len van eeuwi­ge waarde. Aangezien de ber­gen ook uit dit symbolische metaal zijn sa­menge­steld, zoals dat het geval is met de voeten van Christus (Openb. 1:15) waarvan aangetoond werd dat zij dat ook waren (nl. van koper), plaatst dit feit de bergen in de christelij­ke tijdperk. {2TG22: 19.4}

De enige soortgelijke heilige regeringen van God in de christelijke tijdperk, één in het verleden en één in de toekomst, waartus­sen het pad van de wagens ligt, zijn de kerk van de uitstorting van de Heilige Geest met de 120 met-de-Geest-vervulde discipelen, ge­symboli­seerd door de berg die zich rechts van de wa­gens bevindt, en de kerk van de tweede Pink­steren of de tweede uitstorting van de Heilige Geest (Joël 2:28, 29, nu nog in de toekomst) met de 144.000 met-de-Geest-vervul­de discipe­len, staande op de Berg Sion met het Lam (O­penb. 7:1), voorgesteld door de berg die zich links van de wagens bevindt. {2TG22: 20.1}

Het is een doordrongen feit, dat de kerk van vandaag is samengesteld uit allerlei ma­teri­aal, niet van massief koper — niet slechts uit ware christenen, maar een vermen­ging van goeden en slechten — tarwe en on­kruid. De waarheid maakt het dus duidelijk: Er zal weer zo’n zonde-vernietigende en zon­daren-ziftende Godsregering zijn, zoals die in de dagen van Annanias en Safira, die, door te zondigen, de

20

geest gaven, toen zij aan de voe­ten van de apostelen neervie­len (Hand. 5:1-11). {2TG22: 20.2}

Het is duidelijk, de wagens stellen de strijdende kerk voor, aan het werk tussen de twee uitstortingen van de Heilige Geest. {2TG22: 21.1}

Aangezien de wagens door paarden worden ge­leid, moeten de paarden op zichzelf genomen een voorstelling zijn van de leiders der wa­gens (van de kerken), en moeten de passagiers in de wagens de leken voorstellen. {2TG22: 21.2}

Het symbool echter, is er om de paradoxale si­tuatie te ontsluiten die bestaat met de vier­de wagen, de laatste, en vandaar de ge­meente van Laodicea, zoals haar naam inzich­zelf reeds aangeeft. {2TG22: 21.3}

Zoals u zich kunt herinneren, wordt de eer­ste wagen geleid door rode paarden; de tweede door zwarte paarden; de derde door witte; en de vierde door twee soorten — grijs en vos­kleurige paarden. {2TG22: 21.4}

 De kleur van elke paard het­geen een kenmerk is van de soorten, moet een aanduiding zijn van hun natuurlijke, daaruit ­voortvloeiende omstandigheden. En zo­als reeds werd opgemerkt, zijn zij symbolen van de pre­dikanten in elk gedeelte van de kerkgeschiede­nis. De rode zijn duidelijk een voorstelling van martelaarschap, de zwarte stellen gevan­genschap voor, de witte stellen vrijheid voor; grijs (hetgeen een vage of onduidelijke kleur voorstelt, noch zwart noch wit) stelt predi­kanten of leiders voor die noch ware Christe­nen noch ware Heidenen voorstellen — huiche­laars dus. De voskleuri­ge echter, stellen kracht voor, zoals de an­dere vertaling dat aanduidt. {2TG22: 21.5}

Deze symbolische profetie bevestigt de ge­schiedenis. Het laat zien dat de Christelijke kerk eerst te lijden had onder martelingen, hetgeen door de kleur, rood, wordt aange­duidt. Dan volgt de Duistere Middeleeuwen van ­godsdienst, toen de kerk

21

 zich in ge­van­gen­schap bevond (zwart). Hierna volgde de Pro­tes­tantse periode, de periode van gods­dienst­vrij­heid (het witte stel). En tenslotte komt de vierde wagen met haar voskleurige en grijze stel­len. Deze stellen hebben een con­troversele strijd over de wagens. Aange­zien grijs een moeilijk te beschrijven kleur is — noch zwart noch wit, stelt het huiche­larij voor, het soort huichelarij dat tot nog toe ongekend was, terwijl de voskleur een voor­stelling is van geestelijke kracht (zie ande­re vertaling) het soort, dat tot op heden onbe­kend was. {2TG22: 21.6}

Aangezien de kerk in Asia ontstond, Jeruza­lem in het bijzonder, wordt van de eerste wa­gen aangegeven dat het daar blijft, want het ging nergens naartoe. Het “noorderland,” geo­grafisch ten noorden van Palestina, is waar de andere wagens naartoe gingen; dat wil zeg­gen, de landen die nu door de christelijke naties bewoond worden. Van de vierde wagen wordt ver­wacht dat zij de aarde doorkruist, naar alle natie, stam, taal en volk. Maar tegesteld hieraan, “gaan” de grijze paarden naar “het Zuiderland,” hetgeen, figuurlijk gesproken, een voorstelling is van Egypte — wereldgezindheid. {2TG22: 22.1}

Gods Geest, Die tot zwijgen werd gebracht in het noorderland, moet aanduiden dat de­ bood­schappen van God in het noorderland over het algemeen verworpen moe­ten zijn  geweest, in het bijzonder die van de vierde wagen, wel­ke ervoor zorgde dat de Geest der Waarheid werd afgewend en dat de Waarheid niet meer door hen werd gebracht — om daar tot zwijgen te worden gebracht — en dat, daarom, geen Waaheid door hen moet wor­den ver­wacht. {2TG22: 22.2}

Van het dubbele stel paarden, en hun twee soor­ten van kleuren, die in verschillende richtin­gen optrekken, wordt onmiddellijk ge­zien dat zij een dubbele stel kerkleiders voorstellen (de Zevende-dags Adventistische leiders en de Davidian Zevende-dags Adventis­tische leiders) die aan elkaar tegengesteld zijn in karakter en in doelstelling. Sybolisch gesproken, leiden de grijze paar­den, zij, die het eerst op het pro­feti­sche toneel versche­nen, de wagens naar Egyp­te — de wereldgezind­heid vanwaaruit zij beho­ren uit te komen, eerder, dan dat zij daar­naartoe terug­keren. De voskleurige paar­den echter, trachten om zich daarvan af te wenden om de aarde te doorkrui­sen zoals werd opge­dra­gen — om het evangelie­werk te beëin­digen zo­als God het be­doeld had. Maar dit kan niet plaatsvin­den, zolang als beide stellen aan de wagen beves­tigd zijn, Want de wagen kan onmo­gelijk een bepaalde richting opgaan terwijl één stel in één rich­ting en de andere in een andere rich­ting trekt. {2TG22: 22.3}

De onmiddellijke noodzaak, is daarom om de ene te ontkoppelen, zodat de ander vrij kan zijn om de aarde te doorkruisen, zo gauw als dat aan hen wordt opgedragen om te “gaan.” Als dit gebeurt zal de paradox niet langer een paradox zijn. {2TG22: 23.1}

Wat heeft twee soorten van leiders ertoe aangezet om tegen elkaar in te werken? — Ik zal de Geest der Profetie deze vraag laten beantwoorden. Hier volgt een be­schrijving van een stel kerkleiders: {2TG22: 23.2}

“(…) Zij, die verheven eerbetoon aan val­se wetenschap hebben geschonken, zullen dan niet de leiders zijn, zij die hun vertrouwen in intellect, genialiteit, of ta­lent hebben gesteld, zullen dan niet aan het hoofd van gelid of rij staan. Zij hebben geen gelijke tred met het licht gehouden. Zij, die zichzelf ontrouw hebben getoond, zullen dan niet belast worden met de verantwoor­ding over de kudde. (…)” — (“5 Testimonies,” p. 80.) {2TG22: 23.3}

Het is duidelijk, dat deze zelfingenomen leiders, die er van houden om te sluimeren in een lauw land, worden voorgesteld door de grijze paarden. {2TG22: 23.4}

Wij zullen nu lezen over de leiders die door de voskleurige paarden worden

23

voor­ge­steld, zij, die als laatste op het to­neel verschijnen: {2TG22: 23.5}

“De heer heeft getrouwe dienaren, die in de tijd van schudding en toetsing naar voren zul­len treden. Er zijn kostbaren die nu aan het gezicht onttrokken worden, die de knieën niet voor de Baäl gebogen hebben. Zij hebben het licht niet gehad dat u in volle gloed besche­nen heeft. Maar het kan gebeuren, dat onder een woeste en weinig aantrekkelijke uiterlijk de zuivere helderheid van een op­rechte chris­telijke karakter zal worden geo­penbaard. Over­dag kijken wij naar de hemel, maar zien de sterren niet. Zij zijn daar, be­vestigd aan het uitspansel, maar het oog kan ze niet onderscheiden. In de nacht aanschouwen wij hun echte glans.” (5 “Testimo­nies,” pp. 80-81.) {2TG22: 24.1}

Dit is precies wat er nu gebeurt: Zij die de boodschap verwerpen die het Oordeel der Leven­den aankondigt; Zij die “geen gelijke tred gehouden hebben met het licht,” en die zich tevreden stellen om in anti-typische Egypte te blijven; de leiders der Zevende-dags Ad­ventis­ten zullen van hun taak worden ontheven (wor­den ont­koppeld), en zij die aan het oog ont­trokken zijn, zij die worden voor­gesteld door de voskleurige paarden, de lei­ders der Davidi­an Zevende-dags Adventisten, treden op de voorgrond. Nu zullen zij “naar voren tre­den,” en maken zich gereed om de wagen mee te voe­ren. Dan zullen zij, zo spoe­dig als dat zij gereed zijn om te “gaan,” zonder te aar­zelen en met spoed voortsnellen “om de aarde te doorkruisen” met de boodschap van het uur, het Oordeel der Levenden. {2TG22: 24.2}

Laat nu de grondlegger van het Kerkgenoot­schap der Ze­vende-dags Adventisten volledig uiteenzetten wat en waar het zuiderland is: {2TG22: 24.3}

“Ik ben met droefheid vervuld wanneer ik denk aan onze toestand als volk. (…) De kerk volgt Christus niet langer na als haar Leider en keert gestaag

24

terug naar Egyp­te. Toch zijn er maar weinigen gea­larmeerd of ver­baasd over hun gebrek aan gees­telijke kracht. Twijfel, en zelfs ongeloof in de ge­tuigenissen van de Geest van God, doordringen overal onze kerken. Zo ziet Satan het graag. Zo zien pre­dikanten die zichzelf predi­ken in plaats van Christus het graag. De Ge­tuigenis­sen worden niet gelezen en worden niet  gewaardeerd. God heeft tot u ge­sproken. Licht heeft vanuit Zijn Woord en van­uit de Getui­ge­nis­sen gesche­nen, en beiden zijn geringge­schat en terzijde gelegd. Het resul­taat is een aan­toon­baar ge­brek aan rein­heid, toe­wij­ding en ernstig ge­loof onder ons.” (5 “Testimonies,” p. 217.) {2TG22: 24.4}

Wat zal de grijze paarden van de wagen ont­koppelen? — De profeet Jesaja heeft het ant­woord: {2TG22: 25.1}

Jes. 66:16, 19, 20 — “Want te vuur en te zwaard zal de HERE gericht oefenen over al wat leeft, en de door de HERE verslagenen zullen talrijk zijn. Ik zal onder hen een teken doen en Ik zal uit hen de ont­komenen zenden naar de volken — naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Ja­wan, de verre kust­landen, die de tijding aan­gaande Mij niet heb­ben gehoord­ noch Mijn heerlijkheid hebben ge­zien — opdat zij Mijn heerlijkheid onder de volken verkondingen. En zij zullen al uw broe­ders brengen uit alle volken als een offer voor de HERE; op paarden en op wagens, op draagstoelen; op muildieren en op snelle kame­len, naar Mijn heilige berg naar Jeruzalem, zegt de HERE, zoals de Israëlieten het offer in rein vaatwerk naar het huis des HEREN brengen.”

Hier wordt een slachting geprojecteert, die plaatsvindt onder hen die zijn geïnstrueerd om afstand te doen van onrein voedsel, maar on­der wie er velen zijn die Gods gebod overtre­den. De ongehoorzamen, zij wiens buik hun afgod is, sluit hen in die zich hei­ligen

25

 en reinigen, (de eigengerechtigheid) in de hoven achter de ene man of achter één boom (achter hun Waarheid-hatende predikant, vers 17, zie andere vertaling),  worden  door  de Heer Zelf ver­wijderd temidden van hen die naar Waarheid zoeken en die Hem toebehoren. {2TG22: 25.2}

Nadat de overtreders op die wijze zijn ver­wijderd, dan worden degenen die overgebleven zijn, het “overblijfsel,” zij die ontkomen zijn, de dienstknechten van God en worden zij naar de naties gezonden, in het bijzonder naar hen die tot op heden niets gehoord heb­ben van Gods heerlijkheid of van het goede nieuws van Zijn koninkrijk. Deze ontkomenen zullen al hun broeders naar het huis des HE­REN brengen, al­len die zich zullen bekeren tot Christus — “een grote schare die niemand tel­len kan, uit alle naties, en stammen, en volk, en talen.” Zij zullen staan “voor de troon, en voor het Lam, gekleed met witte klederen, en palmtak­ken in hun handen.” (O­penb. 7:9, KJV.) {2TG22: 26.1}

Op die wijze zal het evangelie worden beëin­digd door hen die ontkomen aan de slach­ting van de HERE (Jes. 66:15, 16) en wordt Gods volk haastig vergaderd van de vier hoe­ken der aarde, vol vreugde gebracht als een offer naar het huis des HEREN (de verzen 19, 20). {2TG22: 26.2}

Nu heeft een ieder de gelegenheid om te be­slissen om of aan de ene kant, of aan de an­de­re kant te staan, om of een hervorming te on­dergaan en geleidt te worden door de vos­kleu­rige paarden, of om zich vast te klampen aan de zelfingenomen grijze paarden en bij hun te blijven in het zuiderland, om daar om te ko­men. Hier wordt inderdaad een hoogstbe­langrij­ke beslissing voorgehouden die moet worden genomen door elk lid van het kerkge­nootschap. Het roept op tot aktie die het toe­komstig lot zal bepalen van zowel de leken als van de pre­dikanten. {2TG22: 26.3}

Nu is het uw kans om te handelen, en het is mijn wens en bede dat u, en elk lid van het Kerkgenootschap,

26

 de keuze maakt om aan de kant te staan die deze onthulde para­dox der eeuwen u duidelijk en met zekerheid aanbeveelt te staan. Laat u niet langer mis­leiden door de grijze paarden. Treedt hun mooie toespraken tegemoet met, “Aldus spreekt de Heer.” Neemt u hen onderhanden met deze volstrekte Bijbelse Waarheid. {2TG22: 27.1}

27