De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 2 Tijdige Groeten Nrs. 11, 12

GEBEDSVOORLEZING

Onze Gedachten Richten op Christus’ Koninkrijk

1

Wij zullen onze lezing hervatten uit Christ’s Object Lessons, bladzijde 44,de laatste alinea{Lessen uit het Leven van Alledag, blz.22, de derde alinea}— {2TG11: 2.1}

“Zoals de vogels klaarstaan om het zaad naast de weg te pikken, staat Satan gereed om het zaad van de goddelijke waarheid uit de ziel weg te nemen. Hij is bang dat Gods Woord de zorgeloze zal opwekken, en uitwerking zal hebben op het verharde hart. Satan en zijn engelen zijn in de bijeenkomsten waar het evangelie wordt verkondigd. Terwijl hemelse engelen de harten proberen te beïnvloeden met het Woord van God, is de vijand op zijn hoede om te maken dat het werk geen effect heeft. Met een ijver, slechts geevenaard door zijn kwaadaardigheid, probeert hij het werk van Gods Geest te dwarsbomen. Terwijl Christus de ziel door Zijn liefde trekt, probeert Satan de aandacht af te keren van degene, die is bewogen om de Heiland te zoeken. Hij houdt het verstand bezig met wereldse plannen. Hij wekt kritiek op, of  brengt twijfel en ongeloof in. De taalkeuze van de spreker of zijn manier kan de toehoorders niet aanstaan, en zij blijven stilstaan bij deze fouten. Aldus maakt de waarheid die zij nodig hebben, en die God op genadevolle wijze tot hen heeft gezonden, geen blijvende indruk.” {2TG11: 2.2}

Waarvoor moeten wij bidden deze middag?—dat de engelen rondom ons mogen zijn zodAt de Vijand geen gelegenheid zal hebben om onze zaden van Goddelijke Waarheid weg te pikken; dat wij onze gedachten volledig gericht houden op Christus en Zijn Koninkijk, zodat er geen kijkgat zal zijn voor de Boze om een toegang te verkrijgen en ons aldus verleiden tot de zonde. {2TG11: 2.3}

2

——0——

2 TIJDIGE GROETEN 11

DE WIJZE WAAROP HET KONINKRIJK ZAL KOMEN

LEZING  DOOR V.T.HOUTEFF,

PREDIKANT DER D.ZEVENDE-DAG ADVENTISTEN

SABBAT,11 OKTOBER 1947

MT.CARMEL KAPEL

WACO,TEXAS

       De Joden hadden een verkeerde voorstelling van wat het Koninkrijk moest zijn, en hoe en wanneer het zou komen, en zodoende, toen de Heer hun dwalingen ontmaskerde, werden zij verontwaardigd. Zij waren zeer boos, niet omdat het Koninkrijk dat de Verlosser openbaarde niet veel overvloediger en praktischer was dan zij zich ooit hadden voorgesteld, maar omdat hun dwalingen werden blootgelegd! Aldus stapelde het door-de Hemel-begunstigde volk, de Joden, dwaling op dwaling op, en bracht op zichzelf  schande en rampspoed. {2TG11: 3.1}

Als het idee van de Christenen van het Koninkrijk ook enigszins verkeerd zou zijn, en als wij zouden falen om voordeel te trekken uit de fouten van de Joden, dan zou onze ondergang zelfs groter zijn dan dat bvan de Joden. Laat ons darom alle vooraf gevormde ideeen die wij kunnen hebben terzijde leggen, en de geopenbaarde Waarheid van de Heer aanvaarden, dat Zijn idee van het Koninkrijk vers tot ons brengt vandaag: {2TG11: 3.2}

Matt.13:24-26—“Een andere gelijkenis stelde Hij hen voor, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen wordt vergeleken met een mens die goede zaad zaaide in zijn akker; maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid tussen het tarwe, en ging zijns weegs. Maar toen de halm was opgeschoten, en vrucht voortbracht, toen verscheen ook het onkruid.”

Het lastige onkruid dat hoger en

3

 forser groeide dan het tarwe, wordt door Satan geinspireerd en door hen fabriceert hij verkeerde theorieen aangaande Gods plan. Het onkruid lijkt volgens de gelijkenis zo veel op het tarwe dat zij niet eerder ontdekt kan worden dan nadat zij vrucht dragen; dat is, zij kunnen onderscheiden worden alleen door de uiteindelijke resultaten die worden voortgebracht uit hun werken. {2TG11: 3.3}

En wat kunnen deze resultaten zijn? Wat anders kunt u verwachten van ideeen die niet door de Hemel geinspireerd zijn in de Kerk dan zelfzuchtigheid, egotisme, dweepzucht, wereldgezindheid, vooroordeel, haat tegen berisping en licht op hun boze daden? Is het niet hun doel om zichzelf te verhogen in plaats van Christus en Zijn Waarheid? {2TG11: 4.1}

“Weet dit ook, dat er in de laatste dagen gevaarlijke tijden zullen komen. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelf, begerig, pochers, trots, lasteraars, de ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, valse beschuldigers, onmatig, wreed, verachters van de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers van wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht daar van verloochenen; keert af van dezulken.  Want van dit soort zijn zij, die in de huizen insuipen,  en dwaze vrouwen gevangen leiden, die met zonden beladen zijn, door met verscheidene begeerlijkheden gedreven zijn, altijd lerende, en nooit in staat zijnde om tot de kennis der Waarheid te komen.”  2 Tim.3:1-7. {2TG11: 4.2}

Matt.13:27-30—“En de dienstknechten van de Heer des huizes kwamen en zeiden tot Hem: Here, hebt Gij niet goede zaad in Uw akker gezaaid? Van waar heeft het dan dit onkruid? Hij zeide tot hen: Een vijand heeft dit gedaan. De dienstknechten zeiden tot Hem: Wilt Gij dan, dat wij heengaan en hen vergaderen? Maar Hij zeide: Neen, opdat gij, terwijl gij het onkruid vergadert, ook mogelijk

4

het tarwe met hen niet uittrekt. Laat beiden tezamen groeien tot de oogst; en in de tijd van de oogst zal Ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid, en bindt hen in bossen, om hen te verbranden: maar brengt het tarwe samen in Mijn schuur.”

Hier zien wij dat zelfs de ideeen van de meest getrouwe dienstknechten van God aangaande het oprichten van Zijn koninkrijk en het uit wieden van het onkruid, niet hetzelfde zijn als Gods plan. Dit reinihgende werk behoort alleen de engelen van de hemel toe, en dit zullen zij doen in de tijd van de oogst nadat zij zijn opgedragen zulks te doen, niet eerder. {2TG11: 5.1}

In deze gelijkenis  worden wij verteld dat de geestelijke oogst een “tijd” is, niet een werk van een moment, en dat het het einde der wereld tot stand brengt, op net zo een natuurlijke wijze als de jaarlijke oogst het einde van de zomer tot stand brengt. {2TG11: 5.2}

Aldus ziet u dat de scheiding van tarwe en onkruid plaasvindt in de laatste dagen en op twee verschillende plaatsen: eerst in het huis Gods (1 Petrus 4:17; Matt.13:47,48), dan in Babylon (Openb.18:2-4). {2TG11: 5.3}

In de eerstgenoemde wordt het onkruid weggehaald onder Gods volk, maar in het laatstgenoemde wordt Gods volk weggehaald onder het onkruid—uit de woonplaats van duivels, van onreine geesten, van onreine en hatelijk gevogelten. {2TG11: 5.4}

Er zijn ook twee vruchten: de eerste zijn uit de twaalf stammen van de kinderen Israels (Openb.7:2-8), de Kerk, en de tweede uit “alle natien”. (Openb.7:9). {2TG11: 5.5}

Matt.13:31,32—“Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk

5

een korrel van de mosterdzaad, welke een mens nam, en het op zijn akker zaaide; welke inderdaad het minste is van al de zaden; maar wanneer het is opgegroeid, is het de grootste onder de kruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en zich in de takken daarvan nestelen.”

Daar de mosterdzaad de kleinste is van alle zaden, toont deze gelijkenis aan dat datgene wat het Koninkrijk zal doen opkomen zeer onbeduidend zal zijn, in tegenstelling tot alle menselijk verwachting. Desondanks zal , zoals de mosterdplant de grootste van alle kruiden wordt, evenzo het Koninkrijk groeien en de grootste van alle koninkrijken worden.  Aan gezien in t3egenstelling is tot alle menselijke plannen, is het slecht vanzelfsprekend dat degenen die net als Nicodemus zijn, en doorgaan met beschaamd te zijn om gelijkgesteld te worden aan iets dat onpopulair, gehaat en onbeduidend is, als resultaat van het Koninkrijk zullen worden buitengesloten. {2TG11: 6.1}

Matt.13:33–“Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welke een vrouw nam en in drie maten meel verborg, totdat het geheel gezuurd was.”

Het Koninkrijk wordt hier wederom getoond als beginnende met iets kleins, maar dat klein ding zal worden als gist in een brood. Wat kan het zuurdesem zijn dan een onpopulaire boodschap dat wordt gebracht door een onbeduidend persoon en in de Kerk, het brood, is gelegd. Wel, het zuuurdesem is nu in het deeg. Ziet slechts toe hoe het het geheel zuur maakt. {2TG11: 6.2}

Matt.13:44—”Wederom, het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, de welke toen een mens haar had gevonden, verborg, en in zijn blijdschap erover heengaat en al wat hij heeft verkoopt, en die akker koopt.”

6

Degenen die toegang zullen verkrijgen tot het Koninkrijk worden hier voorgesteld als zoekers van een grote schat, en wanneer zij de lokatie ervan vinden, de akker , zijn zij erg vurig om het hun eigen te maken. Zij zijn zeker van de waarde ervan, en achten het geen risico om alles te verkopen wat zij hebben, hetzij veel of weinig, om het Koninkrijk te verkrijgen. Wat zij verkopen, is vanzelfsprekend niet alleen landgoed of huizen, maar alles wat, indien het niet wordt weggedaan, hen buiten het Koninkrijk zou houden. Zij zijn er zeker van dat zij een goede investering maken, dat zij veel meer zullen krijgen dan wat zij erin stoppen. Aan de andere kant gevoelen zij die dwaas zijn, die de waarde ervan niet kennen,  dat zij zich niet moeten gewagen aan de investering, en dus zullen zij de verliezers zijn. {2TG11: 7.1}

Matt.13:45,46—”Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, zoekende {naar}mooie parels: Die, toen hij een parel van grote prijs gevonden had, heenging, en al wat hij had verkocht, en het kocht.” 

Zij die het koninkrijk zullen beerven worden hier wederom voorgesteld als zoekende naar een zeer waardevolle sieraad, de Waarheid van het Koninkrijk. En wanneer zij het vinden, achten zij het geen gok om alles wat zij hebben te verkopen ten einde het hun eigen te maken. Zij weten dat zij een goedkope ruil krijgen, dat zulk een investering hen werkelijk rijk zal maken. {2TG11: 7.2}

Zowel de man die de akker kocht die de grote schat bevatte, als de man die de parel van grote prijs kocht, verkochten alles wat zij hadden om de respectievelijke overeenkomsten af te sluiten. Maar zelfs ondanks het alles in beslag nam wat zij hadden, hadden zij beiden genoeg om te kopen wat zij wilden. Alzo is het dat het niet uitmaakt wie we zijn, hoe rijk of hoe arm we zijn, als we vastberaden besluiten om alles te verkopen en het Koninkrijk te kopen, dan zullen wij net genoeg hebben om

7

 het te kopen. {2TG11: 7.3}

Mat.13:47,48—“Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een sleepnet, dat in de zee was geworpen, en van iedere soort bijeenbracht; welke, toen het vol was, zij op de oever trokken en neerzaten, en het goede in vaten verzamelden, maar het slechte­­ wegwierpen.”

Het sleepnet moet de Waarheid voorstellen, de boodschap van het Koninkrijk. Gelijk het is geworpen in de zee, gepubliceerd en uitgezonden, is het genoodzaakt om goede en slechte {vissen} te vangen. Maar wanneer de net aan de oever is getrokken, dan worden de slechten uitgeworpen van onder de goeden, en de goeden worden in vaten gezet, in het Koninkrijk. Vandaar dat het feit alleen dat iemand is aangetrokken door de machtige Waarheid, niet wil zeggeen dat hij is gered. Zijn kans om voor altijd metr de Waarheid te blijven hangt af van zijn beantwoording aan de verwachtingen van de Heer van hem. {2TG11: 8.1}

Matt.13:52—“Toen zeide Hij tot hen: Daarom, een ieder schriftgeleerde, die in het Koninkrijk der hemelen is onderwezen, is gelijk aan een man die een heer des huizes is, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.”

Hier geeft de Meester duidelijk aan dat Gods boodschappers van het Koninkrijk zowel oude als nieuwe dingen uit het Woord voortbrengen; dingen die bekend en dingen die onbekend voor hen zijn.  Zo is het altijd geweest in het ontvouwen van de {boek}rol en alzo moet het ook nu zijn. {2TG11: 8.2}

Lukas 14:16,17—“Toen zeide Hij tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en nodigde er velen; en zond Zijn dienstknecht uit ten ure van het avondmaal, om hen, die uitgenodigd waren, te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.”

In deze gelijkenis wordt het bekend gemaakt dat in de

8

afsluitingsuren van de genadetijd (bij het avondmaal, aan ongeveer het einde van de dag), de hemel een boodschap zal zenden tot hen die zijn uitgenodigd, tot hen die het Evangelie van Christus al kennen, tot de leden van Kerk. De dienstknecht moet hen melden dat alles nu gereed is, dat zij nu moeten binnenkomen voor de grote en langverwachte avondmaal,–een avondmaal die zij zullen eten in de woning van de Meester (het Koninkrijk), niet in hun eigen woning. {2TG11: 8.3}

Lukas 14:18-20—“En zij allen begonnen zich eendrachtig te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een stuk grond gekocht, en ik moet nodig uitgaan, en het bezien; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.”

Degenen die hier worden vermeld verontschuldigden zich niet van het aannemen van het Evangelie van Christus, maar zij verontschuldigden zich  van het ingaan tot de woning van de Meester, van het innemen van hun plaats aan Zijn tafel! Ja, degenen die geld hadden om landgoed, ossen, en huizen te kopen, ook om te trouwen op de tijd dat de laatste oproep voor het avondmaal kwam, zij allen verontschuldigden zich, volgens de gelijkenis, eendrachtig. Maar de armen en verdrukten, zij die in de straten en wijken waren, als het ware, die niet veel voor zichzelf hadden, en aan van alles behoefte hadden, waren blij om in te gaan  voor het avondmaal. {2TG11: 9.1}

Dit is zeer natuurlijk: Zij die tevreden zijn met wat de wereld geeft, maken zich geen zorgen om eruit te gaan. Hier ziet u waarom het gemakkelijker is voor een kameel dan het is voor een rijk persoon om door het oog van een naald te gaan (Matt.19:24). Degenen wiens enige moeilijkheid is om te proberen rijker te worden,

9

 zij die diep in beslag zijn genomen door de goederen van deze wereld, kunnen geen tijd nemen om van het avondmaal van de Meester te eten. Hier past het eeuwen-oude gezegde: “Bijna gered, maar volledig verloren.” Hier wordt op levendige wijze gezien dat het aannemen van een waarheid maar het verwerpen van de volgende, iemand geen voordeel oplevert. De laatste oproep tot het individu is wat het meest geldt. {2TG11: 9.2}

In de tijden waarin nieuwe waarheden waren geintroduceerd hebben miljoenen verlies geleden alleen maar omdat zij al te zeer tevreden waren met wat zij hadden. Zij zagen noodzaak voor niets beters, of zij waren anderszins te trots om de onpopulaire Waarheid aan te nemen van een van Gods eigen aangewezen boodschappers.  Aldus is het dat wanneer God een boodschap zendt, dat het, in plaats van dat het een stap opwaarts werd tot zaligheid, het voor velen een stap neerwaarts is geweest en nog steeds is, tot verdoemenis. Tot dit {doel}einde werd de profeet opgedragen: “…Ga heen, en zeg tot dit volk: Hoort gij waarlijk, maar verstaat niet; en ziet gij waarlijk, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, en maakt hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat zij niet zien met hun ogen, en niet horen met hun oren, en niet verstaan met hun hart, en zich bekeren, en genezen worden.” Jes.6:9,10. {2TG11: 10.1}

Lukas 14:22,23—“En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied, gelijk Gij bevolen hebt,  en nog is er plaats. En de Heer zeide tot de dienstknecht: Ga uit in de hoofdwegen en de heggen, en dwing ze in te komen, opdat Mijn huis vol worde.”

Het feit dat degenen die reeds waren “uitgenodigd” in de stad waren toen de laatste oproep voor het avondmaal tot hen kwam, bewijst dat de stad de Kerk voorstelt. Tot hen werd de dienstknecht het eerst gezonden. De hoofdwegen en heggen, waar de dienstknecht vervolgens naar toe ging, steld daarom de wereld voor, ver en wijd, terzijde van de Kerk. Maar het meest

10

 belangrijke en zeer trieste deel om te gedenken in deze gelijkenis is datgene wat wordt verteld in de volgende vers: {2TG11: 10.2}

Lukas 14:24—“Want Ik zeg u, dat niemand van die mannen, die genodigd waren, Mijn avondmaal zal smaken.”

Dit is wat er gebeurde: Zp gauw als zij zichzelf verontschuldigden, sloot de genadetijd voor hen, zij haden geen andere kans om Zijn avondmaal te smaken. De genadetijd bleef desondanks open voor degenen die nog niet waren uitgenodigd. Zij die op de hoge wegen en de heggen waren, konden nog gered worden. {2TG11: 11.1}

De kerk schijnt al te bedreven            te zijn aangaande de tijd waarop de genadetijd sluit voor de wereld, maar helemaal niet op de hoogte dat de genadetijd sluit voor haar leden juist op het moment dat zij een door de hemel gezonden boodschap verwerpen. Hier wordt gezien waarom de vijf  dwaze maagden de deur gesloten vonden ondanks dat zij later de olie hadden verkregen en bij de deur waren gekomen; hun genadetijd was gesloten toen zij faalden om hun vaten bij de eerste gelegenheid te vullen met extra olie, een extra boodschap. {2TG11: 11.2}

Mat.25:1-8—“Dan [terwijl de ontrouwe dienstknecht wordt afgesneden , Matt.24:51] zal het Koninkrijk der hemelen vergeleken worden met tien maagden, die hun lampen namen, en uitgingen, de Bruidegom tegemoet. En vijf van hen waren wijs, en vijf waren dwaas. Die dwaas waren namen hun lampen, en namen geen olie met zich; maar de wijzen namen olie in hun vaten, met hun lampen. Terwijl de Bruidegom uitbleef, werden zij allen sluimerig, en sliepen. En te middernacht werd er een geroep gemaakt: Ziet, de Bruidegom komt; gaat uit, Hem tegemoet. Toen stonden al die maagden op, en bereidden hun lampen. En de dwazen zeiden tot de wijzen:

11

Geef ons van uw olie; want onze lampen zijn uitgegaan.”

Hier is {een} Waarheid die door niemand lichtelijk moet worden voorbijgegaan: De olie kan slechts geopenbaarde profetische Waarheid vorrstellen, Waarheid dat het pad dat vooruit ligt verlicht. Olie in een vat kan, voordat het in een lamp wordt gezet, niemands’pad verlichten. Vandaar dat de olie in de vaten van de vijf maagden een extra voorraad moet voorstellen, extra Waarheid, dat tot hen kwam gedurende de periode van sluimering en slaap. Want toen de roep werd gemaakt: “Ziet, de Bruidegom komt,” ondervonden al de tien maagden dat de olie in hun lampen was verbruikt. De vaten van de wijzen echter, waren vol en zo konden zijn hun lampen hervullen. In tegenstelling ondervonden de dwazen dat niet allen hun lampen uit waren, maar dat ook hun vaten leeg waren. Toen gingen zij heen om de olie te verkrijgen, maar het deed hen geen nut, want zij ondervonden dat de deur voor hen was gesloten. Zij waren tevreden geweest met wat zij hadden in hun lampen, veronderstellende dat er geen behoefte was voor meer. In tegenstelling tot hun veronderstelling echter, zagen zij plotseling  dat gedurende de periode van sluimering en slaap hun lampen uitgingen. Zich in geestelijke duisternis en verwarring bevindende, wilden zij toen graag de olie hebben. {2TG11: 12.1}

Hier wordt gezien dat de boodschap die de Kerk heeft gedurende de periode  van sluimering en slaap niet voldoende is om haar leden tot het einde toe te leiden. Zij hebben een xtra boodschap nodig. {2TG11: 12.2}

Wat is nu het verschil tussen de olie in de lamp en de olie in het vat?—Slechts dit: De olie dat in de lamp is, dat het pad van de reiziger reeds verlicht naar de woning van de Meester, moet Waarheid voorstellen dat in uitvoering is. Maar de olie in de vaten, moet Waarheid voorstellen dat iemands pad moet verlichten nadat de vorige Waarheid zijn werk heeft volbracht. Bijvoorbeeld,

12

 nadat de oogst (Onderzoekend Oordeel) van de doden voorbij is, moeten er andere waarheden die nog belangrijker zijn geintroduceerd worden voor de oogst van de levenden. Ik zeg, nog belangrijkere waarheden, omdat zij de levenden zelf aangaan, aangaande degenen wiens eigen gevallen gewogen zullen worden in de weegschaal, zij die persoonlijk beoordeeld zullen worden hetzij als “tarwe”of als “onkruid,” hetzij als goede “vissen” of als slechte “vissen.” {2TG11: 12.3}

Bovendien, als de Kerk dan niet een boodschap ontvangt, de boodschap van het oordeel van de levenden, nadat het oordeel van de doden, welke de Kerk heeft verkondigd voor een aantal jaren, is afgelopen, zal zij geen booschap hebben, geen olie, voor de tijd van het oordeel van de levenden. {2TG11: 13.1}

Daar de olie beschikbaar was voor alle tien magden, maakt de gelijkenis het duidelijk dat de boodschap van het oordeel van de levenden tot de Kerk wordt gebracht, maar slechts de helft van de maagden ervan profiteerden. Wanneer het oordeel van de levenden begint en de roep is gemaakt; “Ziet, de bruidegom komt; gaat uit, Hem tegemoet,”zullen zij opstaan, maar slechts de helft van hen zal toegelaten worden. De andere helft zal tegen de Heilige Geest hebben gezondigd, zal Zijn Waarheid hebben verworpen! Dus wanneer zij aan de deur kloppen, zal het antwoord van de Bruidegom zijn: “Ik heb u nooit gekend.” Wat een dwaasheid! En wat een teleurstelling zal dat zijn! {2TG11: 13.2}

Dit is, zoals u ziet, niet een theorie van mensen, Broeder, Zuster. Het is Gods duidelijke Waarheid.  Hoe triest is dan het geval, voor degenen die niet alleen hun eigen vaten verwaarlozen, maar die zelfs voorkomen dat anderen de extra olie nu krijgen terwijl het aan allen wordt uitgedeeld. Inderdaad, er zal wening en tandengeknars zijn tenzij alle

13

 lauwe Laodiceers nu bij hun eerste gelegenheid hun gedachten veranderen over rijk zijn en met goederen verrijkt zijn en aan niets gebrek te hebben. {2TG11: 13.3}

Matt.25:14-30–“Want het Koninkrijk der hemelen is als een mens, reizende naar een ver land, die zijn eigen dienstknechten riep en hun Zijn goederen toever­trouwde. En aan één gaf Hij vijf talenten, aan een ander twee, en aan een derde één; aan een ieder mens naar zijn verscheiden bekwaamheid; en Hij verreisde terstond.

Toen ging hij, die de vijf talenten ontvangen had, heen, en handelde daarmee, en hij won er vijf andere talenten. En evenzo gewon ook hij, die twee talenten had, er twee anderen bij. Maar hij, die één ontvangen had, ging heen en groef  in de aarde en verborg het geld van zijn Heer.

Na een lange tijd kwam de Heer van die dienstknechten en hield afrekening met hen. En hij die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht vijf andere talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij toevertrouwd: zie, ik heb naast hen vijf talenten erbij gewonnen. Zijn Heer zeide tot hem: Wel gedaan, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig dingen zijt gij getrouw geweest, over veel dingen zal ik u heerser maken; ga in tot de vreugde van uw Heer.                                                                                               

Ook hij  die twee talenten had ontvangen kwam en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij toevertrouwd; zie, ik heb er twee talenten bij gewonnen. Zijn Heer zeide tot hem: Welgedaan, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig dingen zijt gij getrouw geweest, over veel dingen zal ik u heerser maken; ga in tot de vreugde van uw Heer.                                                                                                                                                

Toen kwam ook hij, die het ene talent ontvangen had, en zeide: Heer, ik wist van U dat Gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en bijeenbrengt, waar gij niet uitgestrooid hebt; en ik was bevreesd, en ging heen en verborg Uw talent in de aarde; zie, hier hebt gij wat van U is. Zijn Heer antwoordde en zeide

14

 tot hem: Gij godd­eloze en luie dienstknecht; gij wist, dat Ik maai, waar Ik niet gezaaid heb en bij­eenbreng, waar Ik niet heb uitgestrooid;  gij behoordet daarom Mijn geld aan de bankiers te hebben geven; dan zou Ik bij Mijn komst Mijn eigendom met rente ontvangen hebben. Neemt hem daarom het talent af en geeft het aan hem, die tien talenten had. Want aan een ieder, die had, zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die niet had, ook dat wat hij had, zal hem weggenomen worden. En werpt gij de nutteloze dienstknecht uit in buiten­ste duisternis. Daar zal geween zijn en het tandengeknars.”

De talenten in deze gelijkenis stellen de goederen van de Heer voor, Zijn tijdige boodschappen voor Zijn volk. Elk van Zijn dienstknechten wordt hier voorgesteld als zijnde gegeven een zekere mate van verantwoordelijkheid, maar niet boven hun “bekwaamheid.” {2TG11: 15.1}

Uit deze gelijkenis zien wij dat iedere dienst die niet 100% voldoet aan het vermogen, dat zijn talent niet verdubbelt, niet acceptabel is voor God. Half-hartige dienst is helemaal geen dienst, maar slechts een grote verspilling. {2TG11: 15.2}

Matt.25:31-40—“Wanneer dan de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijk­heid. En alle natiën zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals een herder zijn schapen scheidt van de bokken;  en Hij zal de schapen zetten aan Zijn rechterhand en de bokken aan Zijn linker­hand.

Dan zal de Koning tot hen, die aan Zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden Mijns vaders, beërft het Koninkrijk, dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik was hongerig en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik was dorstig en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een

15

 vreemdeling en gij hebt Mij binnengelaten; naakt en gij hebt Mij gekleed;Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij kwam tot Mij.

Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer zagen wij U hongerig en voedden wij U, of dorstig en gaven wij U te drinken? Wanneer zagen wij U als vreemdeling en lieten U binnen, of naakt, en kleedden U? Of wanneer zagen wij U ziek of in de gevangenis en kwamen tot U?

En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het aan Mij gedaan. {K.J.V.} 

Hier wordt aangegeven dat egocentrische personen nooit het Koninkrijk van God zullen binnengaan. Alleen zij die proberen om iets voor anderen te doen, en in het bijzonder voor degenen die van het huisegezin van het geloof zijn, zullen ooit ingaan tot de vreugde van hun Heer. {2TG11: 16.1}

Het is zeer zeker dat deze komst van de Heer, die in deze verzen wordt vermeld, niet een is waarin de heiligen Hem in de lucht ontmoeten, maar het is zeker die ene {komst} waarin Hij hen ontmoet in oordeel op de aarde, “het oordeel van de levenden.” Hij zit op de troon van Zijn heerlijkheid, op de troon van Zijn kerk, Zijn Koninkrijk, en van daaruit oordeelt en scheidt Hij de gehele wereld. Sommigen plaatst Hij aan Zijn rechterzijde, en sommigen aan Zijn linkerzijde. {2TG11: 16.2}

Laat ons nu de scheiding in de Kerk bekijken volgens De Openbaring. {2TG11: 16.3}

Openb. 3:14-16—“En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodicensen: Deze dingen zegt de Amen, de trouwe en Waarachtige Getuige, het begin der schepping Gods; Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; Ik wou dat gij koud waart, of heet. Zo dan, omdat gij

16

 lauw zijt, en noch koud noch heet, zal Ik u uit Mijn mond spuwen.”

De “engel,” degene die verantwoording heeft over de kerk, kan geen andere klasse voorstellen dan de bedieningsambt van de kerk, Zijn dienstknechten. Zij die tevreden (lauw) zijn, die voor niets een behoefte gevoelen, geen behoefte aan een toegevoegde boodschap voor de oordeel van de levenden,–dezulken zal Hij uitspuwen, tenzij zij zich bekeren. Dit werk stelt, zoals u ziet, de reiniging van Zijn tempel voor. {2TG11: 17.1}

Nu keren wij naar Maleachi— {2TG11: 17.2}

Mal.3:1—”Zie, Ik zal Mijn boodschapper zenden, en hij zal de weg voor Mij berei­den; en de Here, Die gij zoekt, zal plotseling tot Zijn tempel komen, namelijk de boodschapper van het verbond in wie gij zich verlustigt: zie, hij zal komen, zegt de Here der heerscharen.”

Deze vers introduceert twee personen, de Heer en Zijn boodschapper. In de hedendaagse taal zouden deze verzen als volgt luiden: {2TG11: 17.3}

“Zie, Ik zend Mijn boodschapper, namelijk de boodschapper van het verbond, en hij zal de weg voor Mij bereiden; en de Here, die gij zoekt, en in Wie gij zich verlustigt, zal plotseling tot Zijn tempel komen. Zie, Hij zal komen, zegt de Here der heerscharen.” {2TG11: 17.4}

Mal.3:2-4— “Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal standhouden, wanneer Hij verschijnt? Want Hij is als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid een offer kunnen brengen.

17

Dan zal het offer van Juda en Jeruzalem de Here aangenaam zijn als in de dagen van ouds, en als in vroege­re jaren.”

Duidelijk voorspellen deze verzen dat de Heer de profeet Elia zal verzenden voor de grote en vreselijke dag des Heren, voordat het oordeel van de levende leden van Zijn kerk begint, voor de scheiding van het “onkruid” van onder het “tarwe,” de slechte “vissen”van onder de goeden. Dan reinigt Hij de zonen van Levi—de bedienaren. God verzekert ons dat voordat dit werk begint, Hij Zijn boodschapper zal zenden, de boodschapper van de belofte, de profeet Elia. {2TG11: 18.1}

Openb.18:1-4—“ En na deze dingen zag ik een andere engel, neerkomende uit de hemel, hebbende gorte macht; en de aarde werd met zijn heerlijkheid verlicht. En hij riep krachtig met een sterke stem, zeggende: Babylon, de grote, is gevallen, is gevallen, en is geworden de woonplaats van duivels, en de bewaarplaats van iedere onreine geest, en een kooi voor iedere onrein en hatelijk gevogelte. Want alle natien hebben van de wijn van de toorn van haar hoererij  gedronken, en de koningen der aarde hebben hoererij met haar gepleegd, en de kooplieden  der aarde zijn rijk geworden door de overvloed van haar fijngevoeligheden. En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Komt uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen deelhebbers zijt van haar zonden, en dat gij niet van haar plagen ontvangt.”

Deze verzen illustreren de scheiding die plaatsvindt in de zogenaamde Christelijke wereld. Maar merk op dat de engel de val van Babylon verkondigt in de tijd van de Luide Roep van de engel, in de tijd waarin de aarde is verlicht met de heerlijkheid van de engel. Dan gebeurt het dat Gods volk werkelijk wordt geroepen om uit Babylon te komen. {2TG11: 18.2}

18

Bovndien, als God Zijn volk uit Babylon roept op grond van haar zonden, betekent het dat Hij hen moet brengen naar een plaats waar er geen zonden zijn,–naar Zijn gereinigde Kerk, Zijn Koninkrijk, de plaats die vrij is van zonde, en die niet in gevaar is van de plagen. Het is dan duidelijk, dat de reiniging van de Kerk eerst plaatsvindt, en dan wordt de rest van Zijn volk uit Babylon geroepen. {2TG11: 19.1}

Gedenk nu, dat dit de manier is waarop het Koninkrijk zal komen. {2TG11: 19.2}

“Daarom behoren wij te meer gehoor te geven aan de dingen die wij hebben gehoord, opdat wij niet te eniger tijd hen zouden loslaten. Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast was, en iedere overtreding en ongehoorzaamheid een rechtvaardige vergelding  van beloning ontvangen heeft; hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen(…)? Hebr.2:1-3. {2TG11: 19.3}

19

—0—

GEBEDSVOORLEZING

Wees Geen Hoorders van Steenachtige Grond

 Deze middag zullen wij beginnen te lezen op bladzijde 46 van Christ’s Object Lessons {Lessen uit het Leven van Alledag, bladzijde ..}: {2TG12: 20.1}

“Hij die  het zaad op steenachtige plaatsen ontvangt, dezelfde is hij die het Woord hoort, en het terstond met vreugde ontvangt; doch hij heeft geen wortel in zichzelf, maar is voor een tijd; want wanneer er verdrukking en vervolging opkomt, om het Woord, zo wordt hij terstond geergerd. {2TG12: 20.2}

Het zaad dat gezaaid is op steenachtige grond vindt weinig diepe grond.De plant groeit snel op, maar de wortel kan de steen niet doordringen om voeding te vinden om haar groei te behouden, en spoedig vergaat het. Velen die een belijdenis van godsdienst maken zijn hoorders van steenachtige grond. Zoals de steen ligt onder de laag van aarde, zo ligt de zelfzuchtigheid van het natuurlijk hart onder de grond van hun goede verlangens en voornemens. De liefde voor het eigen-ik wordt niet onderworpen. Zij hebben de uitermate zondigheid van de zoned niet {in}gezien, en het hart heeft zich niet vernederd ondr een gevoel van haar schuld.  Deze klasse kan gemakkelijk overtuigd zijn, en blijken heldere bekeerlingen te zijn, maar zij hebben slechts een oppervlakkige godsdienst” {2TG12: 20.3}

Er is een klasse van mensen die erg ontvankelijk zijn voor de Tegenwoordighe Waarheid, maar die, net zo gaouw als  er vervolging, smaad, ongemak en beproevingen opkomen, onmiddellijk afdoen van hun standpunt. De Waarheid heeft geen wortel in dezulken, en spoedig verwelkt het weg van hun verstand en harten. Laat ons nu knielen en bidden voor diepe grond in onze harten, opdat wij kunnen vasthouden aan ons geloof, onze overtuigingen, onder alle omstandigheden. {2TG12: 20.4}

20

—0—

1 TIJDIGE GROETEN 12

DE OPENBARING—WAT IS HET?

Lezing door V.T.Houteff,

Predikant der D.Zevende-Dag Adventisten

Sabbat,18 Oktober, 1947

Mt.Carmel Kapel

Waco, Texas

    Om de Openbaring te ontvangen, het laaste boek van de Bijbwel, werd Johannes twee keer opgenomen in de Geest. Om dit tie zien zullen wij lezen Openb.1:10, en 4:2. {2TG12: 21.1}

Openb.1:10—“Ik was in de Geest op de dag des Heren, en hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin.”

Dit is Johannnes’ eerste keer in de Geest, en terwijl hij Erin was ontving hij de hoofdstukken 1,2, en 3. {2TG12: 21.2}

Openb.4:2—“En terstond was ik in de Geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon.”

Dit is Johannes’ tweede keer in de Geest, de tijd waarin hij de hoofdstukken 4 tot en met 22 ontving. {2TG12: 21.3}

De eerste negen verzen van hoofdstuk 1 bevatten Johannes’ inleiding tot het boek, en is een korte samenvatting van wat hij zag. De resterende verzen van hoofdstuk 1 bevatten de inleiding van de Heer tot de Openbaring, waarna er in de hoofdstukken 2 en 3 een bijzondere boodschap is gegeven om gebracht te worden tot de zeven gemeenten.  Dit is alles wat Johannes zag terwijl hij de eerste keer in de Geest was. {2TG12: 21.4}

Komende nu tot de hoofdstukken 4 en 5, lezen wij wat Johannes zag bij zijn tweede keer in de Geest. {2TG12: 21.5}

21

Openb.4;5—“Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, was als het ware van een bazuin, met mij sprekende, zegende: Kom hier op, en Ik zal u dingen tonen, die hierna moeten geschieden. En terstond was ik in de Geest; en ziet, er was een troon gezet in de hemel, en er zat Een op de troon. En Hij die zat was in het aanzien gelijk aan een jaspis en een sardius steen; en er was een regenboog rondom de troon, in het aanzien gelijk aan een smaragd. En rondom de troon waren vier en twintig zetels; en op dezetels zag ik vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen; en zij hadden gouden kronen op hun hoofden. En van de troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en er waren zeven lampen van vuur brandende voor de troon, welke zijn de zeven Geesten Gods. En voor de troon was een glazen zee, kristal gelijk; en in het midden van de troon, en rondom de troon, waren vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.

En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had een aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegende arend gelijk.  En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugels rondom hen; en zij waren van binnen vol ogen; en zij hadden geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig, Here God , de Almachtige, Die was, en is, en zal komen. En wanneer die dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging geven aan Hem, die op de troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft, vielen de vier en twintig ouderlingen neer voor Hem, Die op de troon zat, en aanbaden Hem, Die in alle eeuwigheid leeft, en wierpen hun kronen voor de troon, zeggende: Gij zijt waardig, o Here, te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en

22

voor Uw welbehagen zijn zij en werden zij geschapen. {2TG12: 22.1}

5  “En ik zag in de rechterhand van Hem, Die op de troon zat, een boek, beschreven van binnen en aan de achterzijde, verzegeld met zeven zegels. En ik zag een sterke engel uitroepende met een luide stem: Wie is waardig om het boek te openen, en de zegels daarvan los te maken? En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, was in staat het boek te openen, noch het in te zien. En ik weende zeer, omdat niemand niemand waardig gevonden was, om het boek te openen, en te lezen, noch het in te zien. En één van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw van de stam van Juda, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en de zeven zegels ervan los te maken.”

En ik zag, en zie, in het midden van de troon en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, stond een Lam, als Het was geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen, welke zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde. En Hij kwam, en nam het boek uit de rechterhand van Hem, Die op de troon zat. En toen Hij het boek had genomen, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neer, hebbende elk van hen citers en gouden schalen, vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen. En zij zongen en nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig om het boek te nemen, en de zegels ervan te openen; want Gij waart geslacht, en hebt ons vrijgekocht voor God met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie; en hebt ons voor onze God gemaakt tot koningen en priesters; en wij zullen heersen op de aarde. {2TG12: 23.1}

En ik zag, en ik hoorde de stem van vele engelen rondom de troon, en de dieren,

23

en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizenden van duizenden; zeggende met een luide stem: Waardig is het Lam, dat was geslacht, om te ontvangen kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en zegen. En elk schepsel dat in de hemel is, en zulks dat in de zee is, en allen die in hen zijn, hoorde ik zeggen: Zegen, en eer, en heerlijkheid, en kracht, zij tot Hem, die op de troon zit, en tot het Lam, tot in alle eeuwigheid. En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neer en aanbaden Hem, die leeft in alle eeuwigheid.”{K.J.V.} {2TG12: 23.2}

De hoofdstukken 4 en 5 bevatten, zoals wij zien, een tafereel van een bijzondere gebeurtenis, welke veroorzaakte dat het Boek werd ontzegeld. Dagene wat uit het Boek kwam is, in de volste zin van het woord, de Openbaring van Jezus Christus, van Degene Die alleen waardig was om het Boek te openen. {2TG12: 24.1}

Aldus is het dat “De Openbaring van Jezus Christus” begint met het zesde hoofdstuk en eindigt met het laatste hoofdstuk van het Boek, de hoofdstukken waarin de dingen zijn opgetekend die het breken van de zeven zegels onthulden. Ja, de Openbaring bestaat uit de dingen die werden verzegeld met de zeven zegels. {2TG12: 24.2}

Het is nu duidelijk dat Het “De Openbaring” is “van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft”; dat is, aan Jezus gaf God het Boek. Jezus nam het, verbrak de zegels waarmee het was verzegeld en legde de dingen open die niemand kon openbaren dan Hij {alleen}. De Zeven Zegels behandelen daarom geheel “De Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft,”en bestaan uit de dingen die uit het Boek voortkwamen. Bovendien is de Openbaring

24

in zeven delen, omdat elk van de zegels een bepaald deel van de Openbaring onthulde: De eerste zegel onthulde de dingen die zijn opgetekend in hoofdstuk zes, vers twee; de tweede zegel onthulde de dingen van vers vier; de derde zegel onthulde de dingen van de verzen vijf en zes; de vierde zegel onthulde de dingen van de verzen 7 en 8; de vijfde zegel onthulde de dingen van de verzen negen tot en met elf; de zesde zegel onthulde de dingen van vers twaalf en tot aan het achtste hoofdstuk; de zevende zegel onthulde de dingen van de hoofstukken acht tot en met twee-en-twintig, inbegrepen. Dat al deze hoofdstukken een voortzetting zijn van het zesde hoofdstuk wordt gezien aan het feit dat elk hoofdstuk begint met het voegwoord “En.” {2TG12: 24.3}

De Openbaring is aldus dan verdeeld in zeven delen. En zodoende, wanneer wij spreken van de Zeven Zegels, spreken wij in werkelijkheid van de Openbaring. {2TG12: 25.1}

De laatse van de zegels, de zevende, is onderverdeeld in ook nog zeven andere delen, de Zeven Bazuinen, welke beginnen met het achtste hoofdstuk, en schijnbaar eindigen met het elfde hoofdstuk. {2TG12: 25.2}

Het volgende ding om op te merken is de gebeurtenis die veroorzaakte dat het Boek werd geopend. Voor een gemakkelijk begrip, heb ik  een pentekening gereproduceerd van de gebeurtenis. En ik mag vermelden dat ik zeer zorgvuldig ben geweest om het op de exacte wijze neer te pennen zoals Johannes het beschrijft. {2TG12: 25.3}

25

Wegens gebrek aan ruimte, echter, ontbreken de talloze engelen romdom de troon in de tekening. Hier is de tekening: {2TG12: 25.4}

PICTURE OF THE JUDGEMENT SCENE

26

Wat is de gebeurtenis die veroorzaakte dat de zegels van het Boek werden verbroken?—Om het antwoord op deze vraag te vinden, zouden wij eerst de leden van de samenkomst in beschouwing moeten nemen. Daar zien wij Eén op de troon, dan het Lam, vervolgens de ouderlingen, en de talloze engelen rondom de troon, alsook de “dieren,” die zelf getuigen dat zij een symbolische voorstelling zijn van de verlosten, want zij zeggen: “want Gij waart geslacht, en hebt ons vrijgekocht voor God door Uw bloed uit alle geslacht, en tal, en volk, en natie.” Openb.5:9. {2TG12: 27.1}

Wat anders kan zulk een vergadering als deze voorstellen dan een Oordeel. Daar zien wij de Rechter der Gerechtigheid, onze grote Voorspraak, zittende op de troon, dan het Lam, en de jurie van vier-en-twintig, en ook de engelachtige getuigen, en de vier dieren, die de verlosten voorstellen. Bovendien verklaart de Openbaring het meest nadrukkelijk dat de gebeurtenis op profetische wijze het Oordeel in zitting is, want het zegt: “Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen; en aanbidt Hem, Die  de hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.” Openb.14:7. {2TG12: 27.2}

Ook aan de profeet Daniël, wiens boek een aanvulling is tot de Openbaring, werd een vluchtige blik gegeven tot het Oordeel. Hij zag de Oude van Dagen zittende op de troon, ook de tronen waarop duidelijk de vier-en-twintig ouderlingen zitten. Ook zag hij de myriaden van engelen, en de “Ene gelijkend op een Mensenzoon,”het Lam, die dicht bij werd gebracht voor de Oude van Dagen. {2TG12: 27.3}

Bij een plaatsing naast elkaar staan de profetie van Daniël met de Openbaring van Johannes als volgt: {2TG12: 27.4}

27

Visioen van Daniël                               Visioen van Johannes

            (Daniël 7)                                               (De Openbaring)

1.“Dit zag ik, totdat er tronen                  1. “En ik zag tronen.” Openb.20:4.

gezet werden.” Vs.9.

  1. “En de Oude van Dagen zat.” 2. “En er zat Een op de troon. Openb.4:2.

      Vs.9.

  1. “Een vurige stroom vloeide 3. “En ik zag als een glazen zee, met vuur       van voor Hem uit.” Vs.10.                        vermengd.” Openb.15:2.
  2. “Er kwam Een…., als eens 4. “In het midden van de troon en van de vier

      mensen Zoon, …tot de Oude                    dieren…stond een Lam.”Openb.5:6.

      van Dagen, en zij brachten Hem

      dichtbij voor Hem.” Vs.13.

  1. “De boeken werden geopend.”             5. “En de boeken werden geopend.”

     Vs.10.                                                        Openb.20:12.

  1. “duizendmaal duizenden 6. “Ik hoorde de stem van vele engelen

     dienden Hem, en tien duizendmaal          rondom de troon…en het getal van hen was

     tienduizenden stonden voor Hem.”          tien duizend maal tien duizend, en duizenden

     Vs.10.                                                       van duizenden.” Openb.5:11.

  1. “Het gericht zette zich, en de 7. “De ure van Zijn ordeel is gekomen.”

     boeken werden geopend.” Vs.10.            Openb.14:7. “En ik zag de doden,

28

klein

                                                                      en groot, staande voor God; en de boeken

                                                                      werden geopend; en een ander boek werd

                                                                      geopend, welke het boek des levens is; en de

                                                                      doden werden geoordeeld uit hetgeen in de

                                                                      boeken geschreven was, naar hun werken.”

                                                                      Openb.20:12.

Het enige verschil, zoals u ziet, is dat Daniel het Oordeel werd getoond toen het werd opgericht, terwijl Johannes de volledige zitting zag. {2TG12: 29.1}

Bovendien poogt de Openbaring keer op keer in de volgende verzen om om te laten inzien dat de gebeurtenis die daar is uitgebeeld het Oordeel in zitting is: {2TG12: 29.2}

“Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure van Zijn oordeel is gekomen.” {2TG12: 29.3}

“En ik zag tronen,”verklaart Johannes, “en het oordeel werd hun gegeven.” Openb.20:4. {2TG12: 29.4}

Johannes heeft het waarlijk geschreven  als een profetie, maar wanneer het werkelijk plaatsvindt, dan zal Gods werktuig op aarde, de geest der Profetie in de kerk, verkondigen dat de gebeurtenis in feite heeft plaatsgevonden. {2TG12: 29.5}

Aangezien de verslagen van beide de doden en de levenden overzien moeten worden door het Gerechtelijk Tribunaal, moet de Boodschap van de Eerste Engel (Openb.14:6) in beide perioden verkondigd worden, in de periode van het

29

oordeel van de doden, en door de luide roep in de periode van het oordeel van de levenden. De directe toepassing van de Boodschap van de Eerste Engel, alsook de roep om uit Babylon te komen, worden daarom feitelijk gemaakt op de dag dat de aarde wordt verlicht met de heerlijkheid van de engel. (Zie. Openb.18:1-4). Daarom zal de Openbaring nog vollediger begrepen worden gedurende het oordeel van de levenden. {2TG12: 29.6}

Het licht dat nu op ons pad schijnt is een onmiskenbaar bewijs dat wij de tijd van het oordeel van de levenden naderen, de tijd wanneer “de Zoon des mensen zal komen in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon van Zijn heerlijkheid; en voor Hem zullen alle natiën vergaderd worden; en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk een herder zijn schapen van de bokken scheidt.” Matt.25:31-33. {2TG12: 30.1}

Aan gezien De Openbaring nu de Gerechtelijke handelwijzen van de gehele menselijke ras ontsluiert, en aangezien het openging met het Boek dat verzegels was met zeven zegels, en ook aangezien De Openbaring, zoals tevoren is aangetoond, bestaat uit de dingen die in het verzegeld boek waren, dan is het logisch dat De Openbaring een korte beschrijving bevat de menselijke geschiedenis vanaf het begin van de wereld tot het einde. {2TG12: 30.2}

De inhoud van de Zeven Zegels behelst daarom de gehele mensheid; en moet beginnen bij Adam, de eerste mens op aarde. Dit feit is wederom in het bijzonder merkbaar uit het feit dat de dingen die de eerste zegel openbaarde worden behandeld in één, twee, of drie verzen opeenvolgend (terwijl de laatste twee zegels, die de dingen bevatten die te maken hebben met het Oordeel van de levenden, met het volk dat moet weten dat hun gevallen onderzocht worden, zeer lang zijn): het verslag van de dingen welke de zesde zegel openbaart is

30

22 verzen lang, en de zevende zegel is 15 hoofdstukken lang. {2TG12: 30.3}

Zoals u ziet, mijn vrienden, is wat wij hier hebben in deze studie geen theorie, niet iemand’s vergezochte en fantastisch idee, maar Gods gehele waarheid. Dit is waarlijk de Bijbel, en wat een les ook! {2TG12: 31.1}

Hoe kunnen u en ik dan het veroorloven om onze verlossing uit onze greep te laten ontglippen? Hoe kunnen we het veroorloven om zorgeloos en onverschillig te zijn voor deze meest ernstige woorden in de gehele geschiedenis van de mensheid? Zullen wij niet nu als wijze magden onze vaten vullen met deze lichtgevende olie om zodoende in staat te zijn om onze lampen te hervullen? Of zullen wij als dwazen onze gelegenheid verwaarlozen, en aldus gehinderd worden om optijd bij de “deur” aan te komen, voordat het tegen ons is gesloten? Hoe vreselijk is zelfs de gedachte om de Meester van binnen te horen zeggen: “Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend.” {2TG12: 31.2}

Het is omdat wij juist tot zulk een ernstige tijd zijn gekomen als deze, dat deze studie’s door middel van grote uitgave en door een groot offer verspreid worden als herfstbladeren over geheel Laodicea. {2TG12: 31.3}

Waarom zou wie dan ook zichzelf van het eeuwig leven, gekroond met vreugde en gelukzaligheid, beroven? God behoede het dat wie dan ook van ons dusdanig bevonden zal worden  als de gelijkenis de vijf dwaze maagden presenteert te zijn. {2TG12: 31.4}

31

—–0—–