De Davidiaanse Zevende-dags Adventisten Associatie (Een Niet-Ingelijfde bestaande Associatie die een Kerk Samenstelt)




Deel 1 Symbolische Code Nr. 6

De Symbolische Code

Nieuws Artikel

Los Angeles, California.                                                                                      15 december. 193

Deel Ee Nr.6

  In Het Belang Van De Z.D.A. Kerkgenootschap

  EEN BRIEF VAN BELANG

Geliefde Broeder Lysinger:

We hebben uw rondschrijven gedateerd 24 okt. ontvangen, die ons waarschuwt tegen “De Herdersstaf,” en erbij ingesloten het kleine traktaat: “Een Waarschuwing Tegen Dwaling.” Ik had het kleine traktaat reeds gelezen en ook het boekje: “Een antwoord aan de Herdersstaf.” Ik heb ook reeds gecorrespondeerd met Prof. O.J. Graf, die duidelijk de besturende kracht was in zowel de Pacific Unie Conf. en de Gen. Conf. Comitéen . Aangezien hij de hoofdauteur is, zo niet de redacteur van beide van deze pamfletten, zal mijn antwoord op dit kleine traktaat gericht zijn aan hem en niet aan u. {1SC6:1.1}

Zonder de wens om uw oprechtheid in twijfel te trekken, en met alle respect tot uw ambt, mag ik u vragen oftewel u persoonlijk onder gebed onderzoek heeft gedaan naar de HStaf boodschap? Of is uw waarschuwing ertegen slechts gebaseerd  op het onderzoek van een ander zoals aangegeven in het kleine traktaat? De reden dat ik dit vraag, is omdat uw voorganger ons ook een waarschuwing toezond tegen de HStaf boodschap, gebaseerd op, zoals hij later bevestigde, niet zijn eigen onderzoek, maar op een waarschuwing die door hem werd ontvangen door iemand in een hoger ambt. {1SC6:1.2}

U zegt, dat “onder de 2175 ingezegende predikanten die wij hebben in het  kerkgenootschap der Z.D.A. er een zekere E.T. Wilson is, die de leerstellingen van de HStaf, heeft geaccepteerd.” Maar is het veilig om dit als bewijs aan te voeren, tegen de HStaf boodschap of om zij die het aanvaarden als ketters te veroordelen? We zullen beter in staat zijn dit te beoordelen, in het licht van de volgende geïnspireerde citaten: “Hebben enigen van heersers van de Farizeeën in Hem geloofd?” Johannes 7: 48. {1SC6:1.3}

“Wees echter voorzichtig datgene te verwerpen wat waarheid is. Het grote gevaar van ons volk is dit geweest, dat zij zich afhankelijk hebben gemaakt van mensen, en hun vertrouwen op de mens hebben gesteld. Zij die niet de gewoonte hebben om de Bijbel voor zichzelf te onderzoeken, of bewijzen te overwegen, hebben vertrouwen in de leiders en aanvaarden de beslissingen die zij maken; en zo zullen velen juist die boodschappen verwerpen die God aan Zijn volk stuurt, in die deze leidinggevende broeders deze boodschappen niet accepteren. {1SC6:1.4}

“Niemand zou moeten opeisen dat hij al het licht bezit dat er voor Gods volk is. De HERE zal hier geen genoegen mee nemen. Hij heeft gezegd: ‘Ik heb een geopende deur gegeven, die niemand kan sluiten.’ (Openb. 3:8.) Zelfs al zouden al onze leiders licht en waarheid weigeren, zal die deur open blijven. De Here zal mannen (of mensen doen opstaan die het volk de boodschap voor deze tijd zullen geven.” (Testimonies to Ministers. 106, 107.) {1SC6:1.5}

In het licht van deze duidelijke positieve waarschuwingen tegen het verwerpen van waarheid, omdat mannen in hoge posities het niet accepteren, moge iedere Zevende Dags Adventisten predikant en leek, zijn eigen hart onderzoeken in het licht van zijn eigen Bijbel, voordat hij “De Herdersstaf,” boodschap veroordeelt als ketterij. Hebben de andere 2174 ingezegende predikanten een ernstig en onderzoek onder gebed gedaan naar “De Herdersstaf,” boodschap zoals ouderling E.T. Wilson dat heeft gedaan? Immers om billijk tegen zichzelf te zijn, eerlijk tegen het volk, en trouw aan God, moeten zo dat doen, voordat ze Hem als ketter brandmerken, en voordat ze Hem van de huizen van het volk weghouden. {1SC6:1.6}

Deze boodschap zal op haar eigen verdiensten staan of vallen, ongeacht wie haar aanvaard of haar verwerpt.  Laat niemand terzijde staan, wachtend dat het op niets uitloopt, totdat zij het onderzocht en bewezen hebben dat het vals is. {1SC6:1.7}

                                                                 (Getekend)   A. E. Johnson

LEER OM HEM TE VERTROUWEN

“Gaat henen, ziet Ik zend u als lammeren in het midden der wolven. Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den weg.” (Lukas 10: 3, 4). {1SC6:1.8}

Ter vervulling van de bovenstaande belofte, wens ik een paar ervaringen te  vertellen, die Zijn tedere bewakende toezicht tonen, over het werk en de werkers. Vroeg in het jaar, toen begonnen werd met het werk in Loma Linda, vertelde de eerste broeder die we ter plaatse ontmoeten dat we naar de “vallei der droge beenderen,” waren gekomen. Naarmate de dagen vorderden, realiseerden we ons steeds meer hoe vreselijk waar dit was. Desalniettemin konden we af en toe tekenen van leven zien, en hoewel het op gegeven moment leek alsof we verder moesten trekken, naar een ander veld,

1

gingen we door met werken en bidden, met het resultaat dat God ons beloonde door velen op te wekken als een gedenkteken van eerste vruchten in die omgeving. {1SC6:1.9}

Eens probeerden zij die tegen de boodschap vochten, onze kamer van ons af te pakken, zodat we gedwongen zouden zijn om te vertrekken. Toen dit mislukte, begonnen ze boosaardige verslagen en sprookjes te verspreiden, maar de Heer had de overhand en wij bleven. {1SC6:2.1}

Gedurende deze tijd gingen mijn voedsel en geld op en zagen de dingen er donker uit. In ging in het veld en trok een handvol alfalfa tezamen met een paar mostaard groente, genoot van een goede salade en ging weer aan het werk. Aldus leerde ik waardevolle lessen in vertrouwen in de Heer en van de mogelijkheden van gezondheidshervorming. {1SC6:2.2}

“’De Heer kan een tafel spreiden in de woestijn.’ Onder Zijn leiding zal voedsel lang meegaan. Wanneer we onszelf in de juiste relatie tot Hem plaatsen, zal Hij ons helpen, en het voedsel dat we eten in gehoorzaamheid tot Hem zal ons bevredigen. We kunnen op veel minder blijven bestaan dan we denken dat we kunnen, als Gods zegen op het voedsel is; en als het tot Zijn verheerlijking is, kan Hij het vermeerderen.” – “Counsels on Health,” blz. 495. {1SC6:2.3}

Toen in mijn post de volgende morgen opende, vond ik een biljet van een dollar! De Heer weet welke dingen we nodig hebben, voordat we Hem vragen. “Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding? Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans deszelve; gaat gij deszelve niet zeer veel te boven? Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? En wat zijn gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet, en Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen? Daarom zijt niet bezorgd, zeggende Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? (Want al deze dingen zoeken de heidenen).” (Matt. 6: 25-32.) {1SC6:2.4}

Een tijdje later toen ik terugkeerde van een reis, wist ik wederom niet waar mijn volgende maaltijd vandaan zou komen, en toen ik mijn boeken uitpakte, scheen er een bladzijde omlaag gekeerd te zijn in mijn Bijbel. Toen ik het onderzocht, vond ik daar twee biljetten van een dollar! En verscheidene keren vanaf toen, wanneer ik precies op het punt van noodzaak stond, kwamen er brieven die, wanneer ze geopend werden, materiële zekerheid gaven dat God zorgt voor diegene die hun vertrouwen in Hem stellen. {1SC6:2.5}

Bij een recent bezoek aan Loma Linda, lieten wij het kleine gezelschap daar vertrouwend in de Heer en vastbesloten om de “strijd om de poort,” voort te zetten. – M.L. Deater.   {1SC6:2.6}

EEN HERVORMING VAN WAARHEID

Gedurende de afgelopen vier weken die wij doorgebracht hebben onder onze geliefd volk in Virginia, hebben we een verlangen van het hart gezien, naar een kracht die hun zal redden van hun zonden, of deze zonden nu lauwheid zijn, de houding van rijk en verrijkt zijn, verslaving aan sigaretten, liefde voor films, vertoon van juwelen, aansluiting bij loges, God beroven van tiende, of wat dan ook. De boodschap van tegenwoordige waarheid heeft precies dit verlangen vervuld en heeft een nieuw lied op hun lippen gezet, en heeft lofprijzingen voortgebracht tot God. {1SC6:2.7}

Ongeveer twintig kostbare zielen te Meadows of Dan, verheugen zich in de waarheden die de HStaf bevat. Dit aantal omvat de meeste van de kleine kerk hier, en behalve deze, hebben twee in Richmond zichzelf opnieuw verliefd verklaard, met de Drie Engelen boodschap, en weten dat God voor het eerst in hun hele leven, iets voor Zijn volk heeft, dat arme dwalende, ontmoedigde Z.D.A’s, zal redden van hun zonden. Aan God zij alle heerlijkheid, voor wat tot stand is gebracht in dit interessante veld, en zullen we ons niet aansluiten bij deze geliefde kinderen van de Heer in het meest ernstige gebed tot het einde, dat ze gebruikt mogen worden, om Tegenwoordige Waarheid, naar vele anderen in de kerk te brengen, voordat het vernietigende oordeel van de Heer valt op de lauwe belijders daarin? – E.T. Wilson. {1SC6:2.8}

—————————————

LOF AAN HEM

Ik hou van de HStaf boodschap en heb de boeken aan verschillende personen geleend. Ik weet niet hoe welke ware Zevende dags Adventist, tegen zo een boodschap kan zijn, want het ondersteund en verhoogd al de geschriften van Zr. White, waarvan ik hou met heel mijn ziel,… Ik bid oprecht dat allen die tegen de waarheid vechten, geleid mogen worden om hun fouten te zien, voordat het te laat is. –Mw. E.E. Martin, Kinsale, Montserrat, British West Indies. {1SC6:2.9}

2

            Ik heb de geschriften van de HStaf, gelezen, herlezen en bestudeerd en over ze gebeden, en ik ben overtuigd dat God de boodschap heeft gestuurd, om zijn volk in deze tijd te verlichten. {1SC6:3.1}

Ik heb me vaak afgevraagd of onze geliefde Zuster. White ons al het licht gegeven had, dat God voor ons had, maar ik zie nu door haar eigen onderwijzing, dat er veel meer licht te komen staat, en ik dank God werkelijk voor het nieuwe licht, in het ontvouwen van de profetieën. {1SC6:3.2}

Geprezen zij Zijn heilige naam. Nu hou ik van de waarheid, en meer van de mensen  en ik studeer iedere dag. Ik ben 52 jaren een adventist geweest, en heb niet een keer in mijn leven getwijfeld aan de geschriften van Zuster White, maar nu zijn ze nog kostbaarder dan ooit. {1SC6:3.3}

                                                                        (Getekend) O.O. Callentine

                                                                                    Bozeman, Montana.

BEZOEK BRENGEN VAN COLORADO

Aan de Symbolische Code,– aan hen in het ambt, en aan hen buiten in het veld, en aan hen die tussen twee meningen mank gaan— de groeten: {1SC6:3.4}

We kwamen naar Los Angeles van een afstand van 1400 mijlen, met als doel het grondiger onderzoeken van de beweringen  van de HStaf, om er zeker van te zijn dat we niet in dwaling geleid werden, en tegelijkertijd om ons er zeker van te stellen van het niet achter gelaten te worden in duisternis, zoals zij die hun oren gesloten hebben voor de boodschappen in de voorbijgegane eeuwen. {1SC6:3.5}

We vonden Br. Houteff zeer ernstig, oprecht en een diepgaande student, in zowel de Bijbel en de Geest der Profetie. Wanneer hij ondervraagd werd over een Schriftgedeelte, legt hij het of met overtuigende bewijzen uit, of anders zegt hij: “Ik weet het niet.” {1SC6:3.6}

Naast het maken van dit onderzoek uit de eerste hand, heb ik Vol 1. Van de HStaf eenentwintig keren zorgvuldig gelezen, en Vol. 2 ongeveer vijftien keren. Ik heb ook de vier traktaten die nu in circulatie zijn gelezen, en ik kan getuigen dat de verslagen die we tegen hem horen en zijn geschriften, bevonden heb te zijn ongegrond en vals. Mijn onderzoek van de publicaties en de persoon, overtuigen mij zonder twijfel dat God hem een boodschap heeft gegeven voor de Z.D.A. kerk, en ik wil gelijk staan met diegenen die trachten het voor het volk te brengen. {1SC6:3.7}

Ik heb ondervonden dat aan de ene kant zij die de boodschap hebben bestudeerd, overtuigd zijn dat God tot hen spreekt terwijl aan de andere kant, zij die er geen studie van gemaakt hebben, en die denken dat zij “rijk en verrijkt zijn en aan geen ding gebrek hebben,” van zichzelf denken dat ze in staat zijn te weten, zonder te onderzoeken, ondanks het feit dat de Heer tot hen zegt,”Gij weet niet.” Moge God Zijn kracht manifesteren, en Zijn slapende kerk doen ontwaken voor dat het te laat is. {1SC6:3.8}

                                                                                    (Getekend)  Arthur Carver, Cory.

POGINGEN OM DE SCHAPEN TE BEROVEN

            De kerk te Muncie, Indiana, heeft weer jacht gemaakt tegen de leden die de HStaf aan het bestuderen zijn. De eerste twee werden door de president van de Indiana Conferentie gemaakt. Hij kwam naar de kerk onder de indruk dat de totale lidmaatschap op een dwaalspoor werd geleid, en scheen verwonderd, toen hij vernam dat slechts een lid de HStaf bestudeerde. Maar in zijn poging om tegenwoordige waarheid uit te stampen, stelde hij voor dat dit lid 30 dagen gegeven werd waarin hij de HStaf, moest verloochenen. Er werd gestemd en in zijn voordeel uitgevoerd. Echter aan het eind van de “30 dagen,” studeerde degene waar het over ging nog steeds, en belegde de Conferentie president weer een vergadering, en schreef het lid af, op basis van de voorgaande stemmen. {1SC6:3.9}

Desondanks, in plaats van het neerhalen van de HSTaf, gaf het , het juist een goede start. Verschillende bijeenkomsten zijn gehouden, met een goed aantal aanwezigen. Boeken en traktaten zijn verspreid geworden, en er zijn verschillende geïnteresseerden, die de beweringen van de HStaf, afwegen. De ouderling van de kerk, en de diaken bespioneerden, net als de Jezuïeten in de dagen van de Inquisitie, en de Farizeeën vanouds, om te weten te komen wie de HStaf bestudeerden. Ze belegden een andere vergadering, waarbij delen van de Bijbel  en de Getuigenissen werden gelezen door de aanklagers, maar het gelezene had geen effect.  De kerk ambtenaren, trachten de lezingen te verdraaien en ze te gebruiken tegen hen die ze aanklaagden. Ten slotte, deden ze een oproep voor allen die tegen de HStaf waren, om naar een kant van de kamer te verhuizen, en men gaf gehoor aan het bevel. Behalve degene die de HStaf bestudeerde bleven drie anderen zitten, omdat ze voelden dat ze niet op verstandige wijze konden zeggen dat ze tegen iets waren dat ze niet bestudeerd hadden en niets van af wisten. Nochtans werden ze allemaal de gebruikelijke 30 dagen gegeven. {1SC6:3.10}

                                                                                    (Getekend)   R.H. Smith, Muncie. Ind.

3

EEN ANDER BEWIJS VAN HOE DE BOODSCHAPT VOORTGAAT EN HOE HET HERVORMD

Het is ongeveer zestien maanden geleden dat ik het eerste Deel van de HStaf, te pakken kreeg. Ik heb verschillende keren het tezamen met de andere publicaties gelezen, en hoe meer ik het lees hoe duidelijker het wordt, en mijn hart is vervult met dankbaarheid tot God voor de wonderbaarlijke waarheden die ik heb gevonden. {1SC6:4.1}

Een zekere familie kwam recentelijk naar Hartfort City. Ik belde ze en ontdekte dat ze nooit van de boodschap gehoord hadden. Dus gaf ik hen de HStaf en de traktaten. Nu verheugen ze zich in de tegenwoordige waarheid en hebben een werkelijke hervorming in hun huis, voor wat betreft  het herstellen van de familie altaar, het naleven den de principes van de gezondheidshervorming, terugkeren naar het systeem van tienden geven, en het op orde brengen van hun conversaties. {1SC6:4.2}

Twee weken geleden stemde de kerk mijn naam af van de boeken, en afgelopen Zaterdagnacht, waren er twee predikanten hier en ze predikten zeker tegen de HSTaf. Op dat moment namen ze van een andere zuster al haar kerkelijke verantwoordelijkheden, omdat ze het boek las, en gaven haar de gebruikelijke 30 dagen om de HStaf te verwerpen. {1SC6:4.3}

Zr. Sebring, van Hartfort City, Indiana, die het bovenvermeldde geschreven heeft, en een andere zuster, hielden zich slechts aan de instructies gegeven door de Geest van God, in het volgende bevel: {1SC6:4.4}

““Wanneer een boodschap in de naam van God tot Zijn volk komt,mag niemand zich verontschuldigen om zich te onderwerpen aan een onderzoek van haar eisen. Niemand kan het zich veroorloven zich terug te trekken in een houding van onverschilligheid en zelfvertrouwen, en zeggen: ‘Ik weet wat waarheid is, ik ben tevreden met mijn toestand. Ik heb mijn grenzen bepaald en ik zal niet van mijn standpunt afwijken, wat er ook mag komen. Ik zal niet naar de boodschap van deze boodschapper luisteren; want ik weet dat het géén waarheid kan zijn.’ Het is vanwege het volgen van deze koers dat de populaire kerken in gedeeltelijke duisternis werden achtergelaten, en dat is de reden waarom de boodschap van de hemel hen nog niet bereikt heeft.” Testimonies on Sabbath school work blz. 65. {1SC6:4.5}

Merk op hoe de bovengenoemde handelingen volstrekt worden terecht gewezen door de Geest der Profetie in de volgende citaten: {1SC6:4.6}

IN HET VOETSPOOR VAN ROMANISME

“Zij die bevolen zijn om de attributen van de Heer Zijn karakter te vertegenwoordigen, stappen van het Bijbelse platform af, en beramen in hun eigen menselijk oordeel, regels en besluiten om de wil aan anderen op te dringen. De bedenksels voor het dwingen van mensen om de voorschriften van andere mensen te volgen, stellen een orde der dingen in, dat de sympathie en tedere medeleven met de voeten treedt; dat de ogen verblindt voor genade, gerechtigheid en de liefde voor God. Morele invloeden en persoonlijke verantwoordelijkheden, worden met de voeten betreden. {1SC6:4.7}

“De gerechtigheid van Christus door geloof is door sommigen genegeerd; want het is in tegenstelling tot hun geest, en hun hele levenservaring. Heers, heers, is hun handelswijze geweest.” – “Testimonies toe Ministers” blz. 363. {1SC6:4.8}

Het is een angstaanjagend ironie om de tirannie van de pausen opnieuw in de wieg gelegd te zien worden, in de schoot van de “Moeder,” van religieuze vrijheid! Toch wordt het door velen betwijfeld dat de dodelijke wonde genezen is! Niet alleen laat dit soort handelingen zulk een dusdanige mogelijkheid van twijfel achter, maar het overtuigd iemand ervan, dat het meer dan een oude vrouwen sprookje is, dat er pauselijke agenten in ons midden zijn, vermomd als engelen des licht (Zevende dags Adventisten predikanten). {1SC6:4.9}

“O Jeruzalem! Maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene dochter van Sion!” (Jes. 52:2) {1SC6:4.10}

EEN DROEVIGE MAAR BLIJDE ERVARING

Zr. Knudsen van San Diego vertelt de volgende ervaring:

“Nadat de Zevende dag Adventisten mijn geloof in de profeet Jozef Smith hadden vernietigd, hield ik op te geloven in de leerstelling van de profeten van de Laatste Dagen, en aanvaarde de advent boodschap, hoewel totaal onwetend dat ook zij een profeet hadden. {1SC6:4.11}

“De dag dat ik gedoopt was, sprak een ouderling die te gast was over de Geest der Profetie, bij welke gelegenheid ik voor het eerst leerde dat ze een profetes hadden. Toen deed mijn hart werkelijk pijn en was mijn verstand in de war en weigerde ik gedoopt te worden. Maar toen de evangelist die mijn profeet gedood had dit te weten kwam, werden er meer studies aan mij gegeven, maar ze schoten te kort, om mij te overtuigen dat Zr. White’s geschriften geïnspireerd waren. Ten slotte op de kracht van de Sabbatwaarheid, haalde de evangelist me over om gedoopt te worden, het overlatend om later tot de Geest der Profetie bekeerd te worden. {1SC6:4.12}

“Acht jaren later, nadat ik me toegevoegd had aan de kerk, ging ik naar een bijeenkomst waar de boodschap van de HStaf gepresenteerd werd. In de loop van de studie, werden er feiten uitgebracht, die de inspiratie van Zr. White’s geschriften bewezen, en voor de afsluiting van de studie was ik volledig overtuigd tot de Geest der Profetie, waar ik van toen af aan meer en meer dankbaar ben geweest, niet alleen van de grote zegeningen die daarvan afgeleid zijn, maar ook

4

omdat ik nu weet dat ik een onvervalste Zevende dags Adventist ben. {1SC6:4.13}

Toen ik een niet gelovige was in de Geest der Profetie—dat wat de Zevende dags Adventistenkerk gemaakt had—en een overwegend een Adventist in dag en naam was, behield ik mijn lidmaatschap, maar toen de HStaf me bekeerde tot de Geest der Profetie, en me een ware Zevende dags Adventist maakte, werd mijn lidmaatschap van mij ontnomen! Maar ik dank God voor het voorrecht om uitgeworpen te worden, omwillen van de Zoon des mensen.” {1SC6:5.1}

We kunnen geen enkele grotere ironie bedenken, dan dat van de voorgaande ervaring, welke typerend is voor meer dan slechts  een incident in de kerk vandaag. We kunnen eenvoudigweg niet begrijpen hoe onze broeders en zusters zelfvoldaan door kunnen slapen, te midden van zulke onredelijke, schandelijke handelingen. Om iemands lidmaatschap acht jaren te behouden, terwijl diegene slechts half bekeerd is tot haar leerstellingen, en dan deze persoon af te schrijven als lid, wanneer helemaal bekeerd, is de meest verschrikkelijke tegenstrijdigheid denkbaar. En toch is dit het exacte ding waar het omgaat in Gods kerk. {1SC6:5.2}

“Veel te haastig werk wordt gedaan in het toevoegen van namen aan de kerkrol. Serieuze gebreken worden gezien in de karakters van sommigen die zich toevoegen aan de kerk. Zij die ze toelaten zeggen: “We zullen ze eerst in de kerk binnen laten komen, en ze dan hervormen. Maar dit is een fout. Juist het eerste werk dat gedaan moet worden is het werk van hervorming…Laat ze niet toe zich te verenigen met Gods volk in een kerk relatie totdat ze besliste bewijzen geven dat de Geest van God aan hun harten aan het werken is. Velen wiens namen geregistreerd staan in de kerkboeken zijn geen Christenen.”(Mw. E.G. White, in Review and Herald, 21 mei 1901) {1SC6:5.3}

En wanneer ze dan uiteindelijk bekeerd zijn, heeft de kerk berouw dat ze, ze erin hebben gebracht, en gaat meteen over om ze als lidmaat af te schrijven! {1SC6:5.4}

Zuster Palmer van Red Cloud, Nebraska stuurt deze meest hartelijke uitnodiging: “We zijn hier in het midden van oktober gekomen en zouden blij zijn om welke HSaf lid dan ook, bij ons te doen stoppen als hij in de buurt is. {1SC6:5.5}

HEEL BELANGRIJK

            Onzorgvuldigheid bij een deel van sommigen heeft hun een heel goed deel gekost, en veel post is verloren gegaan, hetgeen nooit het kantoor heeft bereikt. Ons juist adres is in het verleden gepubliceerd, maar sommigen hebben er geen acht op geslagen. Wilt u er alstublieft aan denken om welk lid van dit kantoor dan ook op de volgende manier te adresseren. {1SC6:5.6}

Universele Uitgevers Associatie

Station K, Box 68

Los Angeles, California

Naam van de persoon

Plaats geen geld in gewone post. Stuur liever een  Geldopdracht of een check van de bank. Vergewis u ervan dat uw retour adres op alle post gegeven is. {1SC6:5.7}

VRAGEN EN ANTWOORDEN

WAS CHRISTUS DEZELFDE DAG GEARRESTEERD EN GEKRUISIGD?

“Bij het lezen van de Wens der Eeuwen, schijnt het dat Christus op Donderdagnacht, door goddeloze mannen was weggevoerd, en Zijn proces direct haastig werd doorgevoerd, en van wat ik in staat ben te begrijpen, duurde Zijn proces, vanaf de tijd dat Hij in de tuin was weggevoerd tot Zijn kruisiging, ongeveer twaalf uren. Ben ik correct in dit geval?” {1SC6:5.8}

De apostel Marcus, stelt nadrukkelijk dat Christus op het derde uur van de dag werd gekruisigd (Marcus 15: 25), hetgeen slechts drie uren is na zonsopkomst, zoals bewezen in het feit dat de Bijbel met de oude tijdsindeling handelt. Laat de vragensteller nauwkeurig het diagram volgen op bladzijde zes—toegevoegd om het bevattingsvermogen te vergemakkelijken. {1SC6:5.9}

In sommige dagen, en zelf nu, in sommige van die landen, is de tijdsindeling zo geschikt, dat wanneer de zon onder gaat, de klokwijzer naar het twaalfde uur wijst. Het zesde uur in het nacht gedeelte, eindigde altijd om middernacht, en het zesde uur in het dag gedeelte eindigde altijd (twaalf uur) ‘s middags. Aldus verdeelden de joden de dag in twee gelijke delen van elk 12 uren, van zonsondergang tot zonsopkomst, en van zonsopkomst tot zonsondergang. {1SC6:5.10}

Matt. 15: 33 openbaart, dat terwijl Jezus aan het kruis was, duisternis het land bedekte vanaf het zesde uur (‘s middags) tot het negende uur (3 uur ‘s middags), en dat toen Hij stierf, de duisternis verdween. (Matt. 27: 46-50). Dan voegt Lukas toe, dat de Verlosser begraven werd rond het twaalfde uur (zonsondergang), rond welke tijd de sabbat naderde. (Lukas 23: 52-54). Hier zien we dat het  verslag van de gebeurtenissen bewijst dat vanaf de tijd dat Hij gekruisigd was,

5

tot aan de tijd dat Hij begraven was—de uren tussen 3 uur ’s morgens en twaalf uur ’s middags—9 uren in beslag namen. {1SC6:5.11}

Johannes 19: 14 stelt dat rond het zesde uur, Christus in Pilatus zijn gerechtshal was. Dit zesde uur kon niet het zesde uur zijn nadat Hij was gekruisigd, want op dat uur hing Hij aan het kruis. Vandaar dat het dichtstbijzijnde zesde uur voorafgaand aan, Zijn kruisiging die te middernacht was, het aanbreken van de Vrijdag morgen. Zo zien we dat er ten minste 18 uren verslagen zijn, vanaf de tijd dat Christus gebracht werd voor Pilatus tot aan de tijd dat Hij was begraven. Bestudeer het diagram hierin en  u zal overtuigd worden van de onmogelijkheid, voor iemand om een ander gezichtspunt te onderhouden en toch in overeenstemming te zijn met de Bijbelse berekening van de gebeurtenis. {1SC6:6.1}

De voorafgaande feiten bewijzen duidelijk dat de helft van een twaalf uren durende nacht en een hele dag van twaalf uren in beslag werden genomen door het Romeinse Gerechtshof, kruisiging- dood- en begrafenis- van de Verlosser. {1SC6:6.2}

Aangezien het verboden werd door de Joodse wet om iemands ’s nachts te verhoren, en aangezien Christus door het Sanhedrin werd geoordeeld voordat Hij naar Pilatus zijn gerechtshal werd gebracht, bewijst het dat Jezus, de dag voordat Hij gekruisigd was, voor het Joodse tribunaal stond. Bovendien bewijzen, de woorden van Jezus: “Dat deze nacht,  voordat de haan kraait, zult gij Mij drie maal verloochenen,” (Matt 26: 34), dat Hij ’s nachts uit de tuin werd genomen. Daarom dat vanaf de tijd, dat Christus werd gebracht voor het Sanhedrin, tot de tijd dat Hij begraven was, waren  het 36 uren, want de omstandigheden waren zo dat de Joodse hoogwaardigheidsbekleders, gehaast werden om Hem voor hun hoogste gerecht te dagen, zodra de zon opkwam. Bestudeer de illustratie en u zult zien, hoe accuraat de bovenstaande uitleg bewijst te zijn. {1SC6:6.3}

Was Hij op Vrijdag gekruisigd of op een andere dag?—Marcus zegt: “Het was de voorbereidingsdag; dat is: de dag voor de Sabbat.” (Marcus 15: 42) Het zou foutief van iemand zijn om te concluderen, dat “de Sabbat,” hierboven genoemd, een andere is dan “de zevende Sabbatdag.” Het kon niet de Paasdag zelf zijn geweest—de dag dat het lam werd gegeten (Ex. 12: 3, 6) aan het begin van de zeven dagen van het paasfeest—aangezien de Sabbat genoemd door Marcus kwam nadat Jezus stierf, terwijl op de eerste feestdag (Ex. 12:3, 9; Num. 28: 17), op paasdag zelf, was Jezus nog in leven en vierde het met de twaalf. (Lukas 22: 7-12) {1SC6:6.4}

We lezen wederom, dat nadat Hij was begraven, “keerden ze weder, bereidden zij specerijen en zalven; en op de Sabbat rustten zij volgens het gebod. (Lukas 23: 56), en niet dat ze terug keerden en het Paaslam aten. Verder was de dag waarop ze rusten, gevolgd door de eerste dag van de week, want Lukas zegt: “En op de eersten dag der week, zeer vroeg in de morgenstond, gingen  zij naar graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden.” Lukas 24:1). {1SC6:6.5}

Dus, was Jezus gearresteerd op Woensdagavond, waarna Hij tweemaal voor de priesters was beproefd, tweemaal voor het Sanhedrin, tweemaal voor Pilatus en eenmaal voor Herodes (WdE. /D.A. 760)—zeven processen in het geheel hetgeen duidt op volmaaktheid. {1SC6:6.6}

RUIMTE VOOR PLAATJE OP BLZ.

6

Bovendien, met het oog op de uren die in de Bijbel zijn opgetekend, kan alleen een brein totaal verstoken van het gevoel van tijd in het meten van de natuurlijke duur van gebeurtenissen, concluderen nadat getoond is dat de zeven processen, de kruisiging en de begrafenis, allemaal op een dag plaatsvonden. {1SC6:7.1}

Joh. 19: 31 zegt:”Die Sabbatdag, was een hoogtijdag,”omdat het een Sabbat was in de Paasweek—een Sabbat in een van de paasfeesten, die slechts eenmaal per jaar voorkwam. {1SC6:7.2}

Matt. 28: 1, 2 bewijst dat de Heer verrees op de eerste dag van de week, over het algemeen genoemd Zondag, want het wordt in deze verzen gesteld dat: “Aan het einde van de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena en de andere Maria, om het graf te bezien. En ziet er geschiedde een grote aardbeving, want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde de steen af van de deur, en zat erop.” Aangezien de vrouwen vlak voor het opgaat van de zon bij het graf kwamen, (Joh. 20:1), en aangezien de “aardbeving” plaatsvond terwijl ze op weg waren naar de plaats, toont het aan dat de engel nederdaalde vanuit de hemel en de steen wegrolde, vlak voordat ze arriveerden. Marcus getuigt ook dat “Jezus, vroeg, op de eerste dag van de week was opgestaan.” (Marcus 16:9) {1SC6:7.3}

Vandaar dat vanaf de tijd dat Jezus gebracht werd voor de priesters tot de tijd dat Hij opstond, waren er precies drie dagen en drie nachten, het Woord vervullend: “Want zoals Jona, die dagen en drie nachten in de buik van de walvis was, alzo al de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart der aarde zijn,” dat is in de hand van zondig klei. (Matt. 12: 40) {1SC6:7.4}

Deze studie bewijst dat Zr. White’s uiteenzetting, van het onderwerp correct is, en het feit dat ze Zijn processen voor de priesters Pilatus en Herodes, heeft opgesomd, toont aan dat ze niet onderwijst dat het allemaal op een dag tot stand kwam, zoals sommigen denken dat haar spraak schijnt te impliceren. {1SC6:7.5}

De uitspraak: “Later diezelfde dag,” (D.A. 722), heeft geen verwijzing naar de dag dat Judas de Heer verraadde, maar eerder de dag toen hij uitriep: “Het is te laat! Het is te laat!” want de uitdrukking van Judas zijn verslagenheid, niet de  gebeurtenis van zijn verraden van de Heer,  is de voorafgaande gebeurtenis  van de uitspraak, “Later die zelfde dag.” {1SC6:7.6}

Verwijzend naar de vraag van: ”hoe we de uitspraak ‘Op de tweede dag van het feest kunnen laten overeenstemmen, werden de eerste vruchten  voor God gepresenteerd,’ (Patriarchs and Prophets, 539), met de uitspraak ‘De schoof offerande… moest geofferd worden voor de Heer, op de morgen na de sabbat,’ (‘De Herderstaf,’ Vol. 2. blz. 20)” antwoorden we als volgt: {1SC6:7.8}

Het feit dat de schrijver zegt: “Op de dag dat het Pascha werd gegeten, was Hij gekruisigd,” bewijst dat ze niet de tweede dag bedoeld, vanaf het feest dat Jezus vierde, maar eerder vanaf het paasfeest op Vrijdag nacht, hetgeen feitelijk valt op de Sabbat, want het Pascha op Vrijdag, voordat Hij gekruisigd was, “de tweede dag van het feest,” zou niet op Zondag vallen, maar veeleer op de Sabbat, en aangezien haar standpunt is dat Christus op Zondag opstond,  op de dag dat de schoof was geofferd (D.A. 785), is het duidelijk dat de uitspraak in “Patriarchs and Prophets,” begrepen moet worden, te verwijzen naar een andere dan de tweede dag vanaf het eerste feest—het werkelijke Pascha. Met andere woorden, als ze datgene bedoelt, wat op het eerste gezicht schijnt te lijken, zou de tweede dag van de feesten, volgens hetgeen ze elders heeft geschreven, vallen op de zevende dag Sabbat, in plaats van op de dag dat de opstanding plaats vond. {1SC6:7.9}

Bladzijde 6, van deze uitgave, in het beantwoorden van een vraag met betrekking tot de tijdslengte, vanaf de tijd dat Jezus het Pascha at tot de kruisiging, bewijst dat Hij het Pascha feest at, met de twaalf op Woensdag nacht en dat Hij verrezen was op Zondag morgen, dat is op de dag dat de schoven voor de Heer gepresenteerd werden. Dit bewijst dat de woorden, “Op de tweede dag van het feest, werden de eerste vruchten van de jaarlijkse oogst gepresenteerd voor God,” (P.P. 539), niet de dag konden bedoelen, nadat Jezus, het Pascha at. We zijn echter, tot zover niet in staat een betere uitleg te geven van P.P. 539; desalniettemin, bewijzen de feiten hierin dat de HStaf, correct is. {1SC6:7.10}

“DE GEEST DER PROFETIE,” OF “DE INZAMELINGS ROEP,” –WELKE?

Vanuit Colorado, komt de vraag betreffende de strijd geopend tegen de Geest der Profetie, door de uitgave: “De Inzamelings roep.” {1SC6:7.11}

Daar we een aantal van E. S. Ballenger’s traktaten hebben gelezen, zijn wij genoodzaakt te zeggen dat we geen boodschap in geen van hen hebben gevonden.  Hun hoofddoel is ons geloof in de geschriften van Zr. White om ver te werpen. Ze grijpen alles en wat dan ook aan, waar ze een kans kunnen vinden om over te praten. Geen enkele keer hebben we hen welk een van de leerstellingen dan ook die Zr. White onderwijst in haar geschriften, succesvol zien weerleggen, en de middelen die ze aanwenden om haar onderwijzingen te vernietigen zijn zo zwak als een spinnenweb, opgehangen om een arend te vangen. {1SC6:7.12}

7

            We merken op dat op blz. 24 van ons exemplaar van “De Inzamelings roep,” van sept.-okt,  een artikel geschreven is tegen de waarheid van het heiligdom, zoals onderwezen door Zr. White. Daarin zien we dat het artikel niet haar standpunt tot Bijbelse waarheid ontzenuwd, maar tracht dit te doen door te verhelderen wat er eigenlijk plaatsvond in het aardse heiligdom. De schrijver probeert ons te overtuigen, dat de “heilige plaats,” niet in verband staat met het eerste gedeelte van het heiligdom, en omdat hij dit niet door middel van de Bijbel kan bewijzen, probeert hij dit goed te praten  met zijn verduisterde verstand door volgens de volgende strekking te redeneren: {1SC6:8.1}

De Bijbel zegt: “Gij zult de ram der vulling nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats zieden.” Hij trekt haar uitleg in twijfel door te vragen: “Was het eerste gedeelte een keuken om te koken?” Hij citeert wederom: “In Lev. 16: 24, is Aaron geïnstrueerd om nadat hij de zondebok de woestijn heeft ingestuurd, om “zijn vlees te wassen met water in de heilige plaats.’”  Hij denkt dat de heilige plaats hier genoemd, niet het eerste gedeelte kan zijn, en daarom verhelderd hij het wederom door te volgende vraag te stellen: “Was het eerste gedeelte verandert in een badkamer?” Nu citeert hij vanuit Lev. 6: 27: “Wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.” Dan vraagt hij: “Waar denkt u dat ze een rek voor wasgoed, gezet hebben in het eerste gedeelte van de tabernakel tempel?” {1SC6:8.2}

Welk bewijs heeft hij ons gegeven dat de heilige plaats niet het eerste gedeelte is? –Niet het geringste. “De Inzamelingsroep,” drukt in het bovenstaande een vleselijk, menselijk verstand die niet in staat is bevatten, dat het ceremoniële systeem met haar dagelijkse offers in ieder aspect symbolische was, en dat het koken van het vlees in de “heilige plaats,” en het wassen van het vlees van de priesters en van zijn heilige klederen, gedaan moest worden in de “heilige plaats,”hoewel in tegenstelling tot menselijke beredenering. {1SC6:8.3}

Mensen zonder goddelijke verlichting, zoals het geval is met “De Inzamelingsroep,” kunnen geen helemaal geen reden  zien voor al die dagelijkse offers, van stieren, geiten, rammen, lammeren, duiven, tortelduiven, waarvan sommigen mannetjes moesten zijn en anderen vrouwtjes, soms een jaar oud en soms drie jaar oud, elk geofferd op een speciale manier door vlees- en drankoffers; en voor de vele nadere rituelen van de Joodse economie.  Als we de gedachten gang van “De Inzamelingsroep,” zouden aannemen, zou onze houding niet die zijn om alleen de dienst in de “heilige plaats” te verhelderen, maar ook het ceremoniële systeem. Menselijk oordeel zou ons dwingen te besluiten dat het gehele ceremoniële systeem, ontworpen was voor niets anders dan het volk te vermoeien, tot armoede te brengen, en hun laten denken dat God een soort wezen was, die bloeddorstig, hongerig voor vlees, en wreed voor dieren was. {1SC6:8.4}

Zouden de verdedigers van de “De Inzamelingsroep,” in Mozes zijn tijd, geleefd hebben, en als ze in de zelfde stemming waren als ze nu zijn, zouden ze duizendmaal betere redenen gevonden hebben om fouten te vinden met betrekking tot wat hij toen onderwees, dan ze nu hebben met betrekking tot het vinden van fouten in de geschriften van Zr. White, en als God nu met ze moest afrekenen, zoals Hij toen met hen afrekende, zou Hij hen net zo snel vernietigen als Hij diegene die fouten vonden bij Mozes had vernietigd. {1SC6:8.5}

Het spijt ons dat we in zulke duidelijke termen moeten spreken, maar daar we beseffen dat we met een probleem van leven en dood te maken hebben, zijn we omwille van Br. Ballenger gedwongen om onszelf zo duidelijk als we maar weten te maken en hopen dat hij zijn gezichtspunt wil heroverwegen. {1SC6:8.6}

We zeggen wederom, dat “De Inzamelingsroep,” geen enkel ding heeft ontzenuwt.  Bijvoorbeeld vragen wij uw aandacht voor hoe het probeert te bewijzen dat Zr. White  verkeerd was in het geloven dat de genadetijd gesloten was in 1844. We citeren van blz. 7: “… Een brief geschreven aan ouderling L. door Mw. White waarin ze zegt: ‘Tezamen met mijn broeders en zusters, nadat de tijd verstreken was in vierenveertig, geloofde ik, dat er geen zondaren meer bekeerd zouden worden.” {1SC6:8.7}

Door de bovengenoemde uitspraak, probeert “De Inzamelingsroep,” te bewijzen dat Zr. White jaren later onderwees, dat de genadetijd gesloten was in 1844 en dat er geen genadetijd meer voor zondaren was na die datum. Maar merk nauwkeurig op wat ze zegt: “Tezamen met mijn broeders en zusters, nadat de tijd verstreken was in … geloofde ik; ”dat betekend ze geloofde datgene wat Wm. Miller onderwees, en toen de gestelde datum voor de komst van Christus, voorbij ging in 1844, geloofde zij met de Millerieten, dat de genadetijd voor allen gesloten was. Maar ze zegt niet dat ze dat onderwees, nadat ze Gods boodschapper werd. Nu vragen wij “De Inzamelingsroep,” om ons te vertelen, als haar geloof in Miller’s boodschap, haar zou diskwalificeren om een profetes te worden, na de teleurstelling, en zou haar geloof voor 1844, de pioniers van de Z.D.A. kerkgenootschap verkeerd maken in hun leerstellingen, nadat ze meer licht hadden? –Helemaal niet. Het bewijst eerder, dat Zr. White gelijk had en “De Inzamelingsroep,” verkeerd voor het gebruiken van zo een zwak argument tegen een bewezen feit. {1SC6:8.8}

In deel Twee van een document getiteld: “De Leerstelling van het Onderzoekend Oordeel,” door W.W. Fletcher, een bondgenoot van “De Inzamelingsroep,” citeert de schrijver van “De Advent Review,” aug. 1850 (waarvan onze pogingen tekort

8

schieten te controleren) waar ouderling James White spreekt, van het oordeel van de goddelozen tijdens het millennium, en Dan. 7: 22  als  zijn bewijs voert, welk Schriftgedeelte van toepassing is op die gebeurtenis. Het artikel miskent zowel ouderling White’s uitspraak en de Schrift, in het trachten ons te laten geloven dat ouderling White leert, dat het onderzoekend oordeel, begint na de tweede komst van Christus. {1SC6:8.9}

Het vraagt dan: “Op welke tijd verwacht u dat het oordeel van Daniel 7 plaats zal vinden?” In antwoord, citeert het van ouderling White’s geschriften deze uitspraak: “Daniel,’ zag in de nachtelijke visioenen dat ‘een oordeel gegeven was aan de heiligen van de Allerheiligste,’ maar niet aan sterfelijke heiligen—niet ‘totdat de Oudste der dagen kwam,’ en de ‘kleine hoorn,’ ophield te heersen, hetgeen niet zal zijn, tot hij vernietigd is door de helderheid van Christus Zijn komst. {1SC6:9.1}

Daar met de bovengenoemde uitspraak ouderling White, niet het onderzoeken oordeel uitlegt, maar eerder de ene gedurende de duizend jaar, en daar het artikel door het citaat, in tegenstelling tot het feit,  tracht uit te maken, dat hij niet geloofde in het onderzoekend oordeel, zoals het nu onderwezen wordt, kan de beschuldiging jammer genoeg slechts een boemerang zijn aan de handen van haar schrijver. {1SC6:9.2}

Wanneer men gedwongen is zijn toevlucht te nemen tot oneerlijke transacties, teneinde de geschriften van Zr. White te weerleggen, of de leerstellingen van het kerkgenootschap, bewijst men alleen dat haar geschriften geïnspireerd zijn en dat haar tegenstanders, zelf het spoor bijster zijn, om wat ze geschreven heeft, eerlijk tegen te spreken. {1SC6:9.3}

Op blz. 8 van “De Inzamelingsroep,” van sept.—okt., verschijnt het volgende citaat van Zr. White’s geschriften: “’ Ik werd in visioen getoond, en ik geloof nog steeds, dat er een gesloten deur was in 1844. Allen die het licht zagen van de eerste en tweede engelen boodschappen en dat licht verworpen hebben, ware in duisternis gelaten.”’  Dan stelt “De Inzamelingsroep,”de vraag: “We zouden willen dat de schrijver van de Review en Herald, welk licht dan ook zou aantonen,  dat gepresenteerd was in de eerste en tweede engelen boodschap.” {1SC6:9.4}

Het probleem licht niet in wat Zr. White onderwijst, maar in de uitermate geestelijke duisternis dat zij die “tegen de schenen schoppen” omringt, want zij zien slechts een sluiting van de genadetijd, terwijl de Bijbel een sluiting van genadetijd leert, na iedere boodschap die God stuurt. Zoals er een sluiting van genadetijd was voor de mensen voor de vloed, voor de inwoners van Sodom en Gomorrah, en voor de Joodse natie, evenzo is er een sluiting van de genadetijd voor iedere persoon, op het moment dat die persoon de boodschap verwerpt. Vandaar dat nadat de eerste en tweede engelen boodschappen aan het volk in die tijd werden gepresenteerd, hun genadetijd sloot en hun lot onveranderlijk was vastgelegd of voor het eeuwige leven of eeuwige dood, zoals het geval was met Saul, koning van Israel. {1SC6:9.5}

De profeet van God informeerde Saul, zeggende: “Omdat gij het Woord des Heeren (boodschap), verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dag gij geen koning zult zijn. (1 Sam. 15:23 ) Hoewel Saul smeekte en “tot Samuel zei: Ik heb gezondigd, omdat ik des Heeren bevel overtreden heb. En Samuel zei tot Saul: Ik zal met u niet wederkeren, omdat gij het Woord des Heeren verworpen hebt, zo heeft u de Heere verworpen, dat gij geen koning over Israëls zult zijn….De Heere heeft heden het koninkrijk van Israel van u afgescheurd…want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.” (1 Sam 15: 23-26, 28, 29) {1SC6:9.6}

De herdruk van de “Jones’ brief,” bewijst niets, zoals ik het zie. Het zwaarste onderdeel, dat “De Inzamelingsroep” erin heeft, is dat Zr. White de brief niet beantwoord heeft. Hoe waar dat ook mag zijn bewijst het niet dat ze verkeerd is. Ze moeten een hele tijd over die tegenstrijdige punten gediscussieerd hebben, voordat die betreffende brief geschreven was, en God alleen kent het aantal brieven en adviezen, die Jones heeft ontvangen die deze punten benaderden, voordat hij die betreffende brief schreef. Klaarblijkelijk zag ze geen reden waarom ze nog langer haar tijd op een onvoordelige wijze moest verspillen, voor die mannen, als “De Inzamelingsroep,” waren vastbesloten om het geloof van het volk in haar geschriften te vernietigen. De schrijver zelf, heeft vele brieven niet beantwoord, niet omdat ze niet beantwoord konden worden, maar omdat ze zijn tijd niet waard waren. {1SC6:9.7}

Hoewel, als de meningsverschillen tegen de Geest der Profetie het gevolg zijn van verkeer begrijpen en verkeerd beoordelen, is oneerlijkheid in vele gevallen de leidende factor geweest. Het sterkste argument tegen Zr. White geschriften die wij ooit gehoord of gelezen hebben zijn zwakker dan de zwaksten gebruikt tegen de Sabbat waarheid. {1SC6:9.8}

In een brief onder de datum 4 april 1933 aan een zekere zuster, zegt de schrijver van “De Inzamelingsroep” : .. Niemand kan de waarheid uit Gods Woord halen, tenzij hij de inspiratie van Zr. White laat varen. Iemand die haar onderwijzingen volgt, zal altijd in duisternis zijn. {1SC6:9.9}

Vanwege het feit dat “De Inzamelingsroep,” helemaal geen boodschap heeft, hoewel het “haar inspiratie,” heeft laten varen, en aangezien “De Herdersstaf,” vol is van tegenwoordige waarheid, ongeëvenaard licht van uit de Bijbel naar het volk stralend, terwijl ze op dezelfde tijd in volmaakte overeenstemming is met

9

“haar inspiratie”,  bewijst het dat de bewering in de brief van “4 april,” onjuist. {1SC6:9.10}

Blz. 9 van “De Inzamelingsroep” van sept.—okt. zegt: “We zouden willen dat de schrijver van de R&H, welk licht dan ook zou aantonen,  dat gepresenteerd was in de eerste en tweede engelen boodschap.” De eerste engelen boodschap die in tijd onderwezen werd was dat Christus op 22 okt 1844 zou komen, om de heiligen te verlossen en al de goddelozen te vernietigen… Was er enige waarheid daarin? Het was allemaal dwaling.” {1SC6:10.1}

Het is waar dat de Millerieten de gebeurtenis van Christus die tot Zijn tempel in de hemel inkwam, begrepen als te zijn, Zijn laatste komst naar de aarde, “om zijn heiligen te verlossen en de goddelozen te vernietigen.” Desalniettemin, is de uitleg van de 2300 dagen, die verwijzen naar die gebeurtenis in 1844 correct. {1SC6:10.2}

Vandaar dat, als wij de bekendmaking van het onderzoekend oordeel moeten verwerpen, vanwege het feit dat de aard van Zijn komst verkeerd begrepen is, wat voor recht hebben we dan om de boodschap van Johannes de Doper te ontvangen, want Johannes predikte ook dat de Messias in die tijd een aards koninkrijk zou opzetten?Als “De Inzamelingsroep,” bestond in de tijd van Johannes, zou het zeker tegen zijn onderwijzing gerebelleerd hebben, en dus tegen Christus. {1SC6:10.3}

Wie waren bovendien beter voorbereid om de Heer in 1844, te ontmoeten, zij die geloofden dat de Heer toen kwam, of zij die Zijn komst veraf gezet hadden?—Vast en zeker degenen die in heilige verwachting op Zijn kortstondige komst wachten. {1SC6:10.4}

Broeder Ballenger denkt dat hij volstrekt gelijk heeft en dat de Geest der Profetie volstrekt verkeerd is, in dat om een ding, de leiders van het kerkgenootschap zijn argumenten niet succesvol kunnen weerleggen, maar hoewel dit het geval van de zaak mag zijn, betekend het niets, want hoe kan hij verwachten dat een “ellendige en jammerlijke, en arme en blinde en naakte” Laodiceaanse engel hem iets kan tonen? Dit is een oneerlijk voordeel nemen van de “Geest der Profetie,” door het te meten aan de onbewuste blindheid van de engel. Broeder Ballenger moet de Heer op Zijn Woord nemen, wanneer hij zegt van de engel: “Gij weet niet,” en zou moeten vrezen om het licht door de duisternis te oordelen, tenzij hij de toorn van de Heer op de hals wil halen. {1SC6:10.5}

God heeft nog nooit de gehele waarheid aan een enkele persoon geopenbaard. Maar Hij verwacht van ons dat we gelijke tred houden met het altijd toenemende licht, en hoewel ieder vooruitgaand licht bij het eerste aanbreken meer of minder wazig schijnt tot haar werkelijke essentie en omvang, zullen we het meer en meer in haar ware karakter zien, hoe dichterbij wij bij haar komen, want de profetieën van de Bijbel staan als een wegenkaart naar het koninkrijk. {1SC6:10.6}

Laat niemand een ander ontmoedigen in de 1844 beweging. God heeft een verschrikkelijke verassing voorhanden, voor allen die hun tijd misbruiken, in het trachten  de waarheid van de Millerieten en 1844 bewegingen omver te werpen, want “Wij hebben ook het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnend in een duisters plaats, totdat de dag aanlichtte en de Morgenster opga in uw haren. Dit eerst wetende dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil van mensen, maar heilige mannen Gods van de Heilige Geest gedreven zijnde hebben ze gesproken.” (2 Petr. 1: 19-21) {1SC6:10.7}

De bovenvermelde verassing zal de Heer in spoedig komende publicaties presenteren. {1SC6:10.8}

“Geven we de boodschap van het 11e uur nu of zal het niet gegeven worden tot na de vervulling van Ezech. 9? Is de engel, die de aarde verlicht met Zijn heerlijkheid (E.W. 277) reeds gekomen?  Als de vragensteller de kaart op blz. 224 van Vol. 2 van de HStaf wil raadplegen, zal hij observeren, dat de engelen van Openb. 7 en 18 voorgesteld zijn als komend op het 11e uur, en daar we in de verzegelingtijd zijn, bewijst het dat we nu in het 11e uur zijn. {1SC6:10.9}

Betreffende de engel van Openb. 18: 1, met wiens heerlijkheid de aarde verlicht moet worden, claimen we niet dat we nu al het licht hebben, nog geloven we dat de aarde op dit moment met Zijn heerlijkheid verlicht is. Maar we houden wel vol dat een groot gedeelte van dat licht, reeds geopenbaard is en dat zodra de 144.000 verzegeld zijn en de kerk gereinigd door de scheiding van de zonderen “uit het midden daarvan,” door de mannen met de slachtwapens zoals beschreven in Ezechiels visioen, de aarde dan verlicht zal zijn, daar de 144.000 voortgaan om de boodschap aan al de volkeren te verkondigen. (Jes. 66: 19,20) {1SC6:10.10}

—————————————

            Iedere Z.D.A, die verlangt dat de “Symbolische Code, gratis, regelmatig naar hem toegestuurd wordt, vul alstublieft de volgende formulier.

————————————————SCHEUR AF——————————————{1SC6:10.11}

Plaats alstublieft mijn naam op uw regelmatige postlijst voor u maandelijks blad: “De Symbolische Code.”

Naam—————————————————Straat Postbus nr.———————————————————-

Stad—————————————————-Staat—————————————Land———–{1SC6:10.12}

10